Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over de Kabinetsreactie WODC onderzoek Politievrijwilligerswerk gewaardeerd Kosten en baten van politievrijwilligers (Kamerstuk 29628-1320)
29 628 Politie
Nr. 1327
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 25 juni 2026
De vaste commissie voor Justitie en Veiligheid heeft een aantal vragen en opmerkingen
voorgelegd aan de Minister van Justitie en Veiligheid over de brief van 30 maart 2026
over de Kabinetsreactie WODC onderzoek Politievrijwilligerswerk gewaardeerd Kosten
en baten van politievrijwilligers (Kamerstuk 29 628, nr. 1320).
De vragen en opmerkingen zijn op 22 mei 2026 aan de Minister van Justitie en Veiligheid
voorgelegd. Bij brief van 24 juni 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Eerdmans
Adjunct-griffier van de commissie, Paauwe
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vraag 1:
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de kabinetsreactie
op het onderzoek van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum, getiteld «Vrijwilligerswerk
gewaardeerd. Kosten en baten van politievrijwilligers» (hierna: het WODC-onderzoek).
Deze leden onderschrijven het belang van de inzet van politievrijwilligers bij een
toenemende druk op politiecapaciteit en stellen nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie steunen de extra inzet op het aantrekken van extra politievrijwilligers.
Deze leden lezen dat het grootste knelpunt ligt bij opleidingscapaciteit en begeleiding.
Welke concrete maatregelen neemt de Minister om deze capaciteit versneld uit te breiden?
Welke mogelijkheden ziet hij om hierbij meer gebruik te maken van alternatieve opleidingsmogelijkheden?
Antwoord op vraag 1:
Beroepsmedewerkers en politievrijwilligers doen de taakuitvoering met én naast elkaar.
Om die reden volgen politievrijwilligers dezelfde opleiding en krijgen zij dezelfde
begeleiding als beroepsmedewerkers. Hier hecht ik dan ook belang aan. Om deze gelijkwaardige
inzet te behouden zijn alternatieve vormen van begeleiding of andere alternatieve
opleidingsmogelijkheden niet wenselijk.
Recent is het mogelijk gemaakt dat politievrijwilligers, net als beroepsmedewerkers,
met een boa-aanwijzing kunnen worden ingezet. Dit nieuw type politievrijwilligers
wordt sinds 2025 geworven en opgeleid. In 2026 worden vier klassen ATH-boa politievrijwilligers
opgeleid voor inzet in de arrestantenzorg, op de meldkamer of voor intake en service
in de basisteams. Hiermee wordt een nieuwe doelgroep aan politievrijwilligers geworven,
die in een relatief korte periode (binnen een jaar) wordt opgeleid. Hierdoor kan het
aantal politievrijwilligers verder groeien.
Op dit moment besteedt de Politieacademie de opleiding Politiemedewerker Specifieke
Inzet (PSI) en de boa-opleiding voor politiemedewerkers, net als voor beroepsmedewerkers,
al uit aan externe aanbieders. De Politieacademie blijft hierbij verantwoordelijk
voor de examinering. Om de begeleidingscapaciteit voor politievrijwilligers te borgen
zijn er «gelabelde» politievrijwilligers die praktijkbegeleiders zijn voor instromende
politievrijwilligers.
Vraag 2:
De leden van de VVD-fractie lezen voorts dat wordt gewerkt aan een bedrijfsplan politievrijwilligers
waarbij de inbedding van de politievrijwilliger in de politieorganisatie voorop staat.
Deze leden vragen welke regels of procedures kunnen worden vereenvoudigd om de inzet
van vrijwilligers aantrekkelijker en efficiënter te maken, zodat bureaucratische belemmeringen
binnen de politieorganisatie kunnen worden verminderd. Kan dit worden meegenomen in
het bedrijfsplan?
Antwoord op vraag 2:
In het belang van goed werkgeverschap, een goede uitvoering van de politietaak en
de veiligheid en bescherming van de politiemedewerker zelf zijn aanstellings- en opleidingseisen
vastgelegd. Deze aanstellings- en opleidingseisen gelden ook voor politievrijwilligers.
Afhankelijk van hun aanstelling en (politie)opleiding voeren zij dezelfde werkzaamheden
uit als hun beroepscollega’s. Ik hecht dan ook grote waarde aan deze eisen voor politievrijwilligers.
Momenteel werkt de politie aan het bedrijfsplan politievrijwilligers. Hierin staat
de inbedding van de politievrijwilligers in de politieorganisatie en het duurzaam
en toekomstbestendig organiseren van de bedrijfsvoering rondom politievrijwilligers
centraal. Onderdeel van dit bedrijfsplan is de aansturing en ondersteuning van politievrijwilligers
in en door de politieorganisatie. Deze inrichting sluit aan bij die van beroepsmedewerkers.
Met als doel dat de politievrijwilligers nog meer onderdeel worden van de teams met
beroepskrachten en daarbij passende en efficiënte sturing en ondersteuning ontvangen
tijdens hun inzet.
Vraag 3:
De leden van de VVD-fractie constateren dat de onderzoekers van het WODC-onderzoek
voorstellen om tot betere interne behoefteraming te komen, zodat politievrijwilligers
het beste kunnen worden ingezet op de plekken waar zij het meeste ondersteuning kunnen
bieden. Deze leden zijn benieuwd of er kan worden toegelicht hoe en wanneer deze interne
behoefteraming kan worden gerealiseerd. Kan de Minister voorts aangeven welke mogelijkheden
er zijn om specialistische vrijwilligers, bijvoorbeeld op het gebied van cybercrime,
gerichter aan de politie te verbinden?
Antwoord op vraag 3:
In het voorjaar van 2026 is de visie op politievrijwilligers herijkt. In navolging
daarvan werkt de politie aan een aantal randvoorwaarden om het aantal politievrijwilligers
te kunnen laten groeien.
Om passend vorm te geven aan de groei van het aantal politievrijwilligers is een strategische
personeelsprognose (SPP) voor politievrijwilligers noodzakelijk. Hierbij is de vraag
naar politievrijwilligers van belang, waarbij rekening wordt gehouden met het absorptievermogen
van politievrijwilligers in de eenheden. Het gaat daarbij om taken die geschikt zijn
om uit te voeren door de politievrijwilligers, de begeleiding tijdens en na de opleiding
en de samenwerking met beroepsmedewerkers. Daarnaast werkt de politie momenteel aan
het opstellen van een normbedrag voor de overhead per politievrijwilliger. Deze exercities
geeft de politie duidelijkheid over de mogelijkheden om te groeien in de inzet van
politievrijwilligers en de financiële impact daarvan. De verwachting is dat de interne
strategische personeelsprognose en het normbedrag eind 2026 in kaart is gebracht.
Evenals beroepskrachten kunnen politievrijwilligers met een specialisme, na de opleiding
Politiemedewerker Specifieke Inzet (PSI), aan de slag als executieve specialist voor
de uitvoering van de politietaak met een specifieke inzetbaarheid (ESI). Het gaat
om de specialismes Intelligence, Forensische Opsporing en Operationele Specialismen,
zoals financieel-economisch, digitaal, recherchepsychologie, milieu, zeden, maatschappij
en recht. Politievrijwilligers met een specialistische expertise worden met de opleiding
Politiemedewerker Specifieke Inzet in korte tijd voorbereid op specifieke inzetbaarheid
als politievrijwilliger binnen hun specialisme. Jaarlijks zijn er 96 opleidingsplekken
voor de PSI-opleiding voor politievrijwilligers beschikbaar.
Vraag 4:
De leden van de VVD-fractie zien ook kansen om politievrijwilligers nadrukkelijker
te betrekken bij maatschappelijke weerbaarheid en crisisparaatheid. Kan de Minister
toelichten hoe politievrijwilligers worden meegenomen in de bredere agenda rondom
nationale weerbaarheid en maatschappelijke paraatheid? Hoe kijkt hij naar een grotere
rol voor politievrijwilligers bij noodhulp, crisisbeheersing of ondersteuning tijdens
grootschalige incidenten?
Antwoord op vraag 4:
De politievrijwilligers maken geen onderdeel uit van de formatie en bezetting van de politieorganisatie. Politievrijwilligers
mogen daarmee niet gezien worden als oplossing voor de opgave maatschappelijke weerbaarheid
en crisisparaatheid. Ook kunnen politievrijwilligers niet ingezet worden als ME’er.
Politievrijwilligers dragen wel aanvullend bij aan de politieopgave. Hun inzet varieert
van een dienstdraaien in de noodhulp, ondersteuning aan de balie bij Intake en Service
tot specialist in een basisteam, afhankelijk van hun (politie)opleiding en aanstelling.
Deze inzet vindt plaats op basis van vrijwilligheid. Dit betekent dat politievrijwilligers,
passend bij de behoefte van het team, zelf kunnen aangeven wanneer zij een dienst
willen draaien. Passend hierbinnen en als de politievrijwilligers een executieve aanstelling
als ambtenaar voor de uitvoering van de politietaak met generieke inzetbaarheid heeft,
kan een politievrijwilliger worden ingezet bij grootschalige incidenten als «reguliere
agent».
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
Vraag 5:
De leden van de BBB-fractie hebben met veel interesse kennisgenomen van het WODC-onderzoek
en de kabinetsreactie daarop. Deze leden willen de auteurs allereerst danken voor
het rapport. Zij hebben daarover een aantal vragen.
De leden van de BBB-fractie constateren dat de Kamer sinds eind 2023 geen inhoudelijke
voortgangsrapportages meer ontvangt over de uitvoering van de motie-Bisschop over
de afgesproken doelstelling van 10% politievrijwilligers vóór 31 december 2027 (Kamerstuk
29 628, nr. 1093) en de motie-Bikker c.s. over de financiële impuls voor klassen betreffende buitengewoon
opsporingsambtenaren die administratief-technische werkzaamheden verrichten (Kamerstuk
35 925 VI, nr. 84). In dat kader vragen deze leden of de Minister een volledig en actueel overzicht
kan geven van de uitvoering van beide moties sinds december 2023, inclusief 1) het
aantal politievrijwilligers per aanstellingsvorm, 2) de instroom van politievrijwilligers
en de gerealiseerde opleidingscapaciteit, 3) de uitvalpercentages en 4) de huidige
prognose richting het behalen van de 10%-norm per 31 december 2027.
Vraag 6:
De leden van de BBB-fractie lezen dat er een werkplan bestaat, getiteld «Groeimodel
politievrijwilligers». Dit werkplan bevat veel maatregelen, maar deze leden constateren
dat de Kamer geen inzicht heeft in welke onderdelen zijn uitgevoerd, vertraagd of
niet zijn gestart. Kan de Minister per maatregel uit het werkplan aangeven wat de
huidige status is, welke resultaten zijn behaald, en welke knelpunten worden ervaren?
Antwoord op vraag 5 en 6:
In 2023 stelde de politie, in samenwerking met het Ministerie van Justitie en Veiligheid
en de politievakbonden, het concept «Werkplan groeimodel politievrijwilligers. Instroom
en inzet borgen vergroten en verbreden» op. Mede naar aanleiding van de motie Bisschop1, waarin de regering werd verzocht met een plan van aanpak te komen om te streven
naar de norm van 10% politievrijwilligers voor eind 2027.2 Dit werkplan bestaat uit verschillende acties en maatregelen die kunnen leiden tot
een groei van het aantal politievrijwilligers. Binnen deze verzameling van maatregelen
en acties moeten keuzes worden gemaakt en prioritering worden aangebracht. Voor onderbouwde
keuzes was een herijking van de visie op politievrijwilligers en een WODC-onderzoek
naar de baten en lasten van politievrijwilligers noodzakelijk. Dit waren dan ook de
eerste twee acties in het Werkplan. Na de afronding van deze twee acties is geconcludeerd
dat een bedrijfsplan, een strategische personeelsprognose (SPP) voor politievrijwilligers
en berekening van een normbedrag voor de overhead per politievrijwilliger noodzakelijk
is om te overwegen of het wenselijk is dat alle mogelijke acties worden uitgevoerd.
Sinds het opstellen van het werkplan zijn er vele stappen gezet. Zo worden politievrijwilligers
als specifieke categorie meegenomen in het behoefstellingsproces van het Politieonderwijs
en zijn er «gelabelde» praktijkbegeleiders voor nieuwe politievrijwilligers beschikbaar.
Er zijn schietopleidingen in het weekend beschikbaar gekomen voor breed executieve
politievrijwilligers. Onder uitstromende beroepsmedewerkers worden politievrijwilligers
geworven en er wordt meer vraag gestuurd politievrijwilligers met specialistische
kennis geworven. Het toetsingskader voor de werkzaamheden van politievrijwilligers
is herijkt en er zijn doorstroommogelijkheden gecreëerd voor politievrijwilligers
met een niveau 2 politieopleiding.
In het eerste halfjaarbericht Politie van 2022 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de
afhandeling van de motie Bikker c.s. om 0,6 miljoen vrij te maken voor initieel onderwijs
van executieve politievrijwilligers.3 Deze middelen zijn in 2024 aan de politie toegekend. Recent is mogelijk gemaakt dat
politievrijwilligers, net als beroepsmedewerkers, met een boa-aanwijzing kunnen worden
opgeleid en ingezet. Dit nieuwe type politievrijwilligers wordt sinds 2025 geworven
en opgeleid. In 2026 worden vier klassen ATH-boa politievrijwilligers opgeleid voor
inzet in de arrestantenzorg, op de meldkamer of voor intake en service in de basisteams.
De politie telt op 31 december 2025 in totaal 2.825 politievrijwilligers. Hiervan
hebben 1.209 politievrijwilligers een executieve aanstelling als ambtenaar voor de
uitvoering van de politietaak met generieke inzetbaarheid (inclusief aspirant-politievrijwilligers),
303 een executieve aanstelling als ambtenaar voor de uitvoering van de politietaak
met specifieke inzetbaarheid (ESI) (inclusief in opleiding), 1.294 een aanstelling
als ambtenaar voor de uitvoering van administratieve, technische of andere taken voor
de politie en 19 in opleiding ter ondersteuning van de uitvoering een aanstelling
ATH met een boa-aanwijzing.
De politie heeft de ambitie om het aantal politievrijwilligers te laten groeien. Momenteel
werkt de politie aan een strategische personeelsprognose (SPP) voor politievrijwilligers,
om passend vorm te geven aan de groei van het aantal politievrijwilligers. Hierom
is er op dit moment geen prognose beschikbaar. Voor informatie over de beschikbare
opleidingscapaciteit voor politievrijwilligers en voor het uitvalpercentage van politievrijwilligers
tijdens de opleiding verwijs ik naar de beantwoording van vraag 9.
Vraag 7:
De leden van de BBB-fractie lezen dat de politie een herijkte visie op politievrijwilligers
heeft vastgesteld. Is de Minister bereid de volledige herijkte visie op politievrijwilligers,
inclusief onderliggende analyses en uitgangspunten, met de Kamer te delen? Daarnaast
lezen deze leden dat de Minister stelt dat deze visie is aangepast op basis van het
onderzoek van het WODC. De Minister licht alleen niet toe hoe. Het WODC-onderzoek
toont aan dat politievrijwilligers de maatschappij meer opleveren dan dat ze kosten
en dat geldt voor alle aanstellingsvormen. Deze leden horen graag van de Minister
op welke punten de nieuwe visie afwijkt van de eerdere visie en welke specifieke bevindingen
uit het WODC-onderzoek tot deze wijzigingen hebben geleid. Voorts vragen deze leden
wat de politie doet met de bevindingen uit het WODC-onderzoek, gezien het capaciteitsvraagstuk.
Antwoord op vraag 7:
In het voorjaar van 2026 stelde de politie een herijkte visie op politievrijwilligers
vast waarin de uitkomsten van het WODC-onderzoek «Politievrijwilligerswerk gewaardeerd.
Kosten en baten van politievrijwilligers» zijn betrokken. In de herijkte visie wordt
het positieve saldo van de kosten en baten benoemd. De politie en ik erkennen de grote
toegevoegde waarde van politievrijwilligers in hun kwalitatieve bijdrage. Politievrijwilligers
dragen bij in de verbinding met de samenleving, met hun specifieke kennis en netwerk
en hun frisse blik op het politiewerk. In de visie wordt dan ook onderschreven dat
politievrijwilligers een waardevolle aanvulling zijn op de politieorganisatie, nu
en in de toekomst. Hierom wil de politie blijven investeren in het aantrekken van
politievrijwilligers. Dit is opgenomen in de herijkte visie.
De herijkte visie op Politievrijwilligers is, ten opzichte van de visie uit 2027,
meer aandacht voor de strategische waarde, de positionering en de inzet van politievrijwilligers.
Daarnaast zijn er verschillende nieuwe ontwikkelingen meegenomen, zoals de invoering
van ESI en ATH-boa politievrijwilligers, de invoering van het nieuwe toetsingskader
ter vervanging van de toetsingscommissie op arbeidsverdringing en een samenvattende
uitkomst van het WODC-onderzoek. De uitkomsten van dit onderzoek sluiten aan bij de
eerdere visie op politievrijwilligers.
Politievrijwilligers zorgen voor aanvullende capaciteit, specialisme en ondersteuning
binnen de politieorganisatie. De politievrijwilligers maken geen onderdeel uit van
de formatie en bezetting van de politieorganisatie. Zij zijn dan ook geen oplossing
voor het capaciteitsvraagstuk. De opvolging van de handelingsperspectieven uit het
WODC zijn meegenomen in de beantwoording van de vragen 5 en 6.
Vraag 8:
De leden van de BBB-fractie merken op dat er budgettaire tekorten zijn bij de politie.
Deze leden vragen zich af of de middelen die aan politievrijwilligers worden gealloceerd,
voldoende zijn om de 10%-norm te halen. Zij vragen de Minister daarom of het huidige
budget voor politievrijwilligers toereikend is om de 10%-norm in 2027 te realiseren.
Mocht dat niet het geval zijn, dan vragen deze leden de Minister welk aanvullend budget
minimaal noodzakelijk is. Hoe gaat de Minister dit dan realiseren?
Vraag 9:
De leden van de BBB-fractie merken op dat het WODC concludeert dat uitbreiding van
opleidingscapaciteit rendabel is. Kan de Minister aangeven hoeveel opleidingsplaatsen
voor politievrijwilligers in 2023, 2024, 2025, 2026 en 2027 daadwerkelijk beschikbaar
zijn/waren en hoeveel zouden er volgens de Minister nodig zijn om de 10%-norm te halen?
In welke mate wordt daarbij gebruikgemaakt van externe opleiders, alternatieve vormen
van begeleiding of andere alternatieve opleidingsmogelijkheden?
Antwoord op vraag 8 en 9:
De politievrijwilligers worden ingezet op basis van vier verschillende soorten aanstellingen,
namelijk:
• De executieve aanstelling als ambtenaar voor de uitvoering van de politietaak met
generieke inzetbaarheid, met volledige opsporingsbevoegdheid (Generiek). Hiervoor
dient de basispolitieopleiding PO21 te worden gevolgd.
• De executieve aanstelling als ambtenaar voor de uitvoering van de politietaak met
specifieke inzetbaarheid (ESI). Hiervoor dient de opleiding Politiemedewerker Specifieke
Inzet (PSI) te worden gevolgd.
• De aanstelling als ambtenaar voor de uitvoering van administratieve, technische of
andere taken voor de politie (ATH). Hiervoor is geen politie- of boa-opleiding vereist.
• Ter ondersteuning van de uitvoering een aanstelling ATH met een boa-aanwijzing. Hierdoor
dient de boa-opleiding of de politiespecifieke boa-opleiding te worden gevolgd.
Aantal plekken voor de basispolitieopleiding PO21 voor politievrijwilligers:
Jaar
2023
2024
2025
2026
2027
Aantal
241
242
243
244
5
X Noot
1
In 2022 startte één klas met 24 opleidingsplekken voor de basispolitieopleiding PO21
voor politievrijwilligers. Deze opleiding duurt 4 jaar (t/m 2026). Ongeveer 1/3 van
deze politievrijwilligers is gedurende opleiding vroegtijdig gestopt of afgevallen.
Sinds 2023 is er geen nieuwe klas voor politievrijwilligers gestart gezien er vanwege
de druk op de capaciteit prioriteit werd gegeven aan het opleiden van beroepsmedewerkers.
X Noot
2
In 2022 startte één klas met 24 opleidingsplekken voor de basispolitieopleiding PO21
voor politievrijwilligers. Deze opleiding duurt 4 jaar (t/m 2026). Ongeveer 1/3 van
deze politievrijwilligers is gedurende opleiding vroegtijdig gestopt of afgevallen.
Sinds 2023 is er geen nieuwe klas voor politievrijwilligers gestart gezien er vanwege
de druk op de capaciteit prioriteit werd gegeven aan het opleiden van beroepsmedewerkers.
X Noot
3
In 2022 startte één klas met 24 opleidingsplekken voor de basispolitieopleiding PO21
voor politievrijwilligers. Deze opleiding duurt 4 jaar (t/m 2026). Ongeveer 1/3 van
deze politievrijwilligers is gedurende opleiding vroegtijdig gestopt of afgevallen.
Sinds 2023 is er geen nieuwe klas voor politievrijwilligers gestart gezien er vanwege
de druk op de capaciteit prioriteit werd gegeven aan het opleiden van beroepsmedewerkers.
X Noot
4
In 2022 startte één klas met 24 opleidingsplekken voor de basispolitieopleiding PO21
voor politievrijwilligers. Deze opleiding duurt 4 jaar (t/m 2026). Ongeveer 1/3 van
deze politievrijwilligers is gedurende opleiding vroegtijdig gestopt of afgevallen.
Sinds 2023 is er geen nieuwe klas voor politievrijwilligers gestart gezien er vanwege
de druk op de capaciteit prioriteit werd gegeven aan het opleiden van beroepsmedewerkers.
X Noot
5
Momenteel loopt het behoeftestellingproces voor het onderwijsaanbod in 2027. Het aantal
opleidingsplekken, waaronder die van politievrijwilligers, is daarop om dit moment
nog niet vastgesteld.
Aantal plekken voor opleiding Politiemedewerker Specifieke Inzet voor politievrijwilligers:
Jaar
2023
2024
2025
2026
2027
Aantal
96
96
96
96
1
X Noot
1
Momenteel loopt het behoeftestellingproces voor het onderwijsaanbod in 2027. Het aantal
opleidingsplekken, waaronder die van politievrijwilligers, is daarop om dit moment
nog niet vastgesteld.
Aantal plekken voor politiespecifieke boa-opleiding voor politievrijwilligers:
Jaar
2023
2024
2025
2026
2027
Aantal
n.v.t.1
n.v.t.2
68
68
3
X Noot
1
Sinds 1 juli 2023 is het mogelijk politievrijwilligers aan te wijzen als buitengewoon
opsporingsambtenaar.
X Noot
2
Sinds 1 juli 2023 is het mogelijk politievrijwilligers aan te wijzen als buitengewoon
opsporingsambtenaar.
X Noot
3
Momenteel loopt het behoeftestellingproces voor het onderwijsaanbod in 2027. Het aantal
opleidingsplekken, waaronder die van politievrijwilligers, is daarop om dit moment
nog niet vastgesteld.
Momenteel werkt de politie aan een bedrijfsplan, een strategische personeelsprognose
(SPP) voor politievrijwilligers, de inrichting van de ondersteuning van politievrijwilligers
in de organisatie en een berekening van een normbedrag voor de overhead per politievrijwilliger.
Afhankelijk daarvan en het absorptievermogen van de politieorganisatie van het aantal
politievrijwilligers moet gaan blijken of en in hoeverre de politie het streven naar
de 10%-norm kan realiseren. Goede borging van (de inzet van) politievrijwilligers
in de organisatie staat hierbij voorop. Met de politie breng ik de scenario’s van
de groei van het aantal politievrijwilligers in kaart.
De opleiding Politiemedewerker Specifieke Inzet en de boa-opleiding voor politiemedewerkers
besteedt de Politieacademie uit aan externe aanbieders. De Politieacademie blijft
hierbij verantwoordelijk voor de examinering. Beroepsmedewerkers en politievrijwilligers
doen de taakuitvoering met én naast elkaar. Om die reden volgen politievrijwilligers
dezelfde opleiding en krijgen zij dezelfde begeleiding als beroepsmedewerkers. Hier
hecht ik dan ook belang aan. Om deze gelijkwaardige inzet te behouden zijn alternatieve
vormen van begeleiding of andere alternatieve opleidingsmogelijkheden niet wenselijk.
Vraag 10:
De leden van de BBB-fractie merken op dat het WODC een betere interne behoefteraming
adviseert. De Minister geeft zelf aan dit belangrijk te vinden. Deze leden vragen
de Minister of hij de stand van zaken kan delen met betrekking tot de ontwikkeling
van een interne behoefteraming voor politievrijwilligers en wanneer de Minister verwacht
dat hij deze raming kan delen met de Kamer.
Antwoord op vraag 10:
In het voorjaar van 2026 is de visie op politievrijwilligers herijkt. In navolging
daarvan werkt de politie aan een aantal randvoorwaarden om het aantal politievrijwilligers
te kunnen laten groeien.
Om passend vorm te geven aan de groei van het aantal politievrijwilligers is een strategische
personeelsprognose (SPP) voor politievrijwilligers noodzakelijk. Hierbij is de vraag
naar politievrijwilligers van belang, waarbij rekening wordt gehouden met het absorptievermogen
van politievrijwilligers in de eenheden. Het gaat daarbij om taken die geschikt zijn
om uit te voeren door de politievrijwilligers, de begeleiding tijdens en na de opleiding
en de samenwerking met beroepsmedewerkers. Daarnaast werkt de politie momenteel aan
het opstellen van een normbedrag voor de overhead per politievrijwilliger. Deze exercities
geven de politie duidelijkheid over de mogelijkheden om te groeien en de financiële
impact. De verwachting is dat de interne strategische personeelsprognose en het normbedrag
eind 2026 in kaart is gebracht. De interne besluitvorming over het bedrijfsplan vindt
daarna, naar verwachting in 2027, plaats.
Middels de Jaarverantwoording Politie wordt uw Kamer jaarlijks geïnformeerd over het
aantal politievrijwilligers, de procentuele groei ten opzichte van het jaar ervoor
en het aantal politievrijwilligers in opleiding.
Vraag 11:
De leden van de BBB-fractie lezen dat de Minister stelt dat politievrijwilligers altijd
aanvullende capaciteit zijn en geen onderdeel zijn van formatie of bezetting. Deze
leden vinden dat dit structurele inzet en waardering beperkt. Zij vragen de Minister
daarom waarom de politievrijwilliger zo nadrukkelijk gepositioneerd wordt als aanvullende
capaciteit en of hij bereid is te onderzoeken of het uitgangspunt dat politievrijwilligers
uitsluitend aanvullende capaciteit zijn, nog houdbaar is, gezien de structurele tekorten
en de positieve uitkomsten van de maatschappelijke kosten-batenanalyse. Deze leden
wijzen erop dat Defensie vorig jaar werkgevers (decentrale cao-partners) actief opriep
om reservisten te faciliteren vanwege geopolitieke spanningen. Voor politievrijwilligers
ontbreekt een vergelijkbare oproep. Hoe verklaart de Minister het verschil tussen
de actieve oproep van Defensie aan werkgevers om reservisten te faciliteren en het
ontbreken van een vergelijkbare oproep voor politievrijwilligers?
Antwoord op vraag 11:
In het voorjaar van 2026 is de visie op politievrijwilligers herijkt. Hierin is de
strategische waarde, positionering en inzet van politievrijwilligers vastgelegd. Om
de oude visie uit 2017 te herijken is gesproken met politievrijwilligers, politievakbonden,
de Landelijke Organisatie van Politievrijwilligers (LOPV), de politiemedewerkers van
de Team Coördinatie Politievrijwilligers (TCP’s) en de landelijke board politievrijwilligers.
Deze herijking ging gepaard met updates, onderzoek en het creëren van draagvlak voor
de herijkte visie. Deze nieuwe visie schetst de richting en de principes voor een
korpsbreed uniform, toekomstbestendig vrijwilligersbeleid en geeft richting aan beleidsontwikkeling.
In de nieuwe visie is over de kwantitatieve meerwaarde van politievrijwilligers het
volgende opgenomen: «Zij leveren aanvullende capaciteit waarmee ze ondersteuning bieden aan beroepsmedewerkers, kunnen extra inzet
leveren op piekmomenten en de politie effectiever laten functioneren bij de uitvoering
van haar kerntaken. Relevant hierbij is dat politievrijwilligers áltijd aanvullende capaciteit zijn. Het is een bewuste keuze om politievrijwilligers geen onderdeel te
maken van de formatie en bezetting. De inzet van politievrijwilligers betreft immers
geen terugvaloptie om meer personele capaciteit te hebben voor reguliere taken.» De
inzet van politievrijwilligers vindt plaats op basis van vrijwilligheid. Dit betekent
dat politievrijwilligers, passend bij de behoefte van het team, zelf kunnen aangeven
wanneer zij een dienst willen draaien.
De politievrijwilligers inboeken als structurele capaciteit zou een kwetsbare constructie
zijn en bovendien mogelijk de prikkel voor eenheden weghalen om te sturen op het op
sterkte komen met beroepskrachten. In de cijfers zien we dat de operationele capaciteit
van beroepskrachten toeneemt. Volgende de huidige prognoses kan zowel de Gebiedsgebonden
Politie (GGP) als de Opsporing in 2029 op sterkte zijn. Hierom zie ik zie geen aanleiding
om af te wijken van deze nieuwe visie op politievrijwilligers.
Vraag 12:
Daarnaast wijzen deze leden erop dat de internationale veiligheidssituatie verslechtert
en dat politievrijwilligers een rol kunnen spelen in binnenlandse paraatheid en weerbaarheid.
Welke impact ziet de Minister van de huidige geopolitieke spanningen op de binnenlandse
veiligheid en welke rol ziet hij specifiek voor politievrijwilligers in dit kader?
Antwoord op vraag 12:
Nederland staat voor een unieke en complexe veiligheidsopgave. Geopolitieke competitie,
spanningen en conflicten, maken dat vrede en veiligheid in Europa niet meer vanzelfsprekend
zijn. Verschillende dreigingsbeelden, zoals het Dreigingsbeeld Statelijke Actoren
(DBSA), het Cybersecuritybeeld Nederland en de jaarverslagen van de AIVD en MIVD,
laten al langer zien dat statelijke actoren de Nederlandse veiligheidsbelangen bedreigen
via een breed palet aan methodes. Voorbeelden hiervan zijn militaire intimidatie,
spionage en sabotage, cyberaanvallen, desinformatiecampagnes, statelijke inmenging
in diasporagemeenschappen, kennisdiefstal en de inzet van economische instrumenten.
Dat de internationale veiligheidssituatie de afgelopen jaren sterk is verslechterd
en de mondiale verhoudingen veranderen en onder druk staan heeft hierop een versterkend
effect. Daarnaast zorgt dit ervoor dat de weerbaarheid tegen statelijke dreigingen
steeds meer gepaard gaat met onzekerheden over de nabije toekomst. Dit alles kan grote
gevolgen hebben voor onze nationale veiligheid.
Het is cruciaal dat Nederland, in nauwe samenwerking met EU-partners, bondgenoten
en gelijkgezinde landen, in staat is om de hybride en statelijke dreigingen nu en
in de toekomst het hoofd te bieden. Hiervoor moeten we beschikken over een effectief
en samenhangend instrumentarium om dreigingen te voorkomen, te mitigeren en hierop
te reageren. Dit gebeurt binnen de aanpak statelijke hybride dreigingen. Binnen deze
aanpak wordt de inzet van overheidspartijen, het bedrijfsleven en kennisinstellingen
verbonden en wordt ingezet op het versterken van het vermogen om dreigingen te detecteren,
het voorkomen van kwetsbaarheden en het waar nodig voorzien in een reactie. Daarnaast
werkt het kabinet middels de weerbaarheidsopgave (gericht op weerbaarheid tegen hybride
en militaire dreigingen) aan een maatschappij die schokken kan opvangen en langdurige
crises kan doorstaan.
Hierin zie ik geen specifieke rol voor politievrijwilligers. De politievrijwilligers
maken geen onderdeel uit van de formatie en bezetting van de politieorganisatie. Politievrijwilligers
mogen daarmee niet gezien worden als oplossing voor de opgave maatschappelijke weerbaarheid
en crisisparaatheid. Politievrijwilligers dragen wel aanvullend bij aan de politieopgave.
Hun inzet varieert van een dienstdraaien in de noodhulp, ondersteuning aan de balie
bij Intake en Service tot specialist in een basisteam, afhankelijk van hun (politie)opleiding
en aanstelling.
Vraag 13:
De leden van de BBB-fractie merken op dat werkgeversregelingen reeds bestaan voor
defensiereservisten, maar niet voor politievrijwilligers. Deze leden vragen of de
Minister bereid is te verkennen of een werkgeversregeling voor politievrijwilligers
wenselijk en haalbaar is, bijvoorbeeld voor verlof, compensatie of beschikbaarheid
bij crises en ad-hoc-inzetten.
Antwoord op vraag 13:
Ik zie geen aanleiding om te komen tot convenanten met andere werkgevers over de inzet
van politievrijwilligers. In tegenstelling tot reservisten maken politievrijwilligers
geen onderdeel uit van de formatie en bezetting van de politieorganisatie. Dit betekent
dat de politie niet afhankelijk is van de inzet van politievrijwilligers.
Wel zorgen politievrijwilligers voor een diepere inbedding van de politie in de samenleving
en verrijken de politieorganisatie met hun specifieke kennis, kunde en ervaring en
de frisse blik van buiten die zij meenemen. Politievrijwilligers zetten zich in op
vrijwillige basis in hun vrije tijd met en voor de politieorganisatie.
Vraag 14:
Tot slot benadrukken de leden van de BBB-fractie de waarde van politievrijwilligers,
maar constateren ook dat dit zich niet vertaalt naar structurele rechten of voorzieningen.
Welke stappen is de Minister bereid te zetten om de structurele positie, rechtspositie
en waardering van politievrijwilligers te versterken, passend bij hun toenemende rol
in veiligheid en crisisrespons?
Antwoord op vraag 14:
Het beeld dat de waarde van politievrijwilligers niet wordt vertaald naar structurele
rechten of voorzieningen, herken ik niet. In de visie op politievrijwilligers is dan
ook opgenomen dat vooropstaat dat politievrijwilligers volwaardig deel uitmaken van
de politie. Beroepsmedewerkers en politievrijwilligers doen de taakuitvoering met
én naast elkaar. Om die reden genieten politievrijwilligers dezelfde rechtspositionele
aanspraken als beroepsmedewerkers, tenzij hierin uitdrukkelijk anders is voorzien.
Net als beroepsmedewerkers vallen politievrijwilligers ook onder het Besluit Algemene
Rechtspositie Politie (BARP).
Hiernaast hanteert de politie het adagium «hetzelfde, tenzij» als het aankomt op de
werkafspraken en bedrijfsvoering ten aanzien van politievrijwilligers. Dit houdt in
dat politievrijwilligers eenzelfde behandeling als beroepsmedewerkers verdienen, tenzij
er in de bijzondere aard van het vrijwilligerschap een gegronde reden bestaat om daarvan
af te wijken. Waar uitzonderingen gewenst dan wel noodzakelijk zijn, wordt dit onderbouwd
en uitgelegd.
Politievrijwilligers leveren vanuit idealistisch standpunt een vrijwillige bijdrage
aan de politie. De politie vindt het belangrijk dat de politievrijwilligers gewaardeerd
worden voor hun inzet en motivatie. Daarom is er een eerlijk, transparant en uitvoerbaar
vergoedingenbeleid. In ruil voor hun inzet ontvangen de politievrijwilligers geen
bezoldiging, maar een vrijwilligersvergoeding op basis van de Regeling vergoedingen
politievrijwilligers.
In het Arbeidsvoorwaardenakkoord sector politie 2025–2027 is dan ook nadrukkelijk
aandacht besteed aan politievrijwilligers. Hierin zijn verschillende afspraken gemaakt
op het gebied van vergoedingen, een eenmalige gratificatie en erkenning van politievrijwilligers.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
B.J. Eerdmans, voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid -
Mede ondertekenaar
B.A. Paauwe, adjunct-griffier