Brief regering : Jaarverslag Rechtspraak 2025
29 279 Rechtsstaat en Rechtsorde
Nr. 1044
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 22 juni 2026
Hierbij bied ik u, op grond van artikel 104 van de Wet op de rechterlijke organisatie,
het jaarverslag van de Rechtspraak over het jaar 2025 aan.
Deze aanbiedingsbrief bevat tevens de kabinetsreactie op de door de Rechtspraak in
het jaarverslag genoemde aandachtspunten en knelpunten.
In dit jaarverslag geeft de Rechtspraak inzicht in de resultaten die in 2025 zijn
behaald en de financiële middelen die daarvoor zijn ingezet. Het jaarverslag laat
ook zien dat rechters en de Rechtspraak als organisatie de bijzondere aan hen toegekende
verantwoordelijkheid zeer serieus nemen en willen laten zien hoe zij deze verantwoordelijkheid
invullen. Ik wil mijn waardering uitspreken voor het inzichtelijke jaarverslag en
voor het werk dat ook in 2025 weer is verricht door alle rechters en rechtspraakmedewerkers.
De Raad voor de rechtspraak (hierna: de Raad) staat in het jaarverslag nadrukkelijk
stil bij de rol van de rechter en rechtspraak in de rechtstaat. De Raad spreekt de
wens uit om de, door de Staatscommissie rechtsstaat geadviseerde, periodieke rechtsstaatdialoog
ook in 2026 voort te zetten. In reactie hierop kan ik aangeven dat aan deze wens gehoor
wordt gegeven. De rechtsstaatdialoog 2026 zal plaatsvinden in september 2026, in de
week van de Rechtstaat.
In het jaarverslag zet de Raad uiteen hoe verder wordt gewerkt aan de kwaliteit en
tijdigheid van de rechtspraak en hoe de Raad zich inzet voor een betere aansluiting
van de rechtspraak op de behoeften van de samenleving. In 2025 zijn stappen gezet
naar laagdrempelige, digitale toegang tot de rechter. Daarnaast draagt de Raad met
innovatieve projecten en maatschappelijk effectieve rechtspraak bij aan het oplossen
van concrete problemen.
De Raad benoemt in het jaarverslag ook trends in wets- en beleidsvoorstellen. De Raad
geeft aan dat in 2025 substantieel meer wetgevingsadviezen zijn dan ooit eerder. Veel
van deze in 2025 ingediende wetsvoorstellen raken aan grondrechten; een deel beoogt
de naleving van grondrechten te bevorderen. Bij een aantal andere wetsvoorstellen
is sprake van mogelijke spanning met grondrechten, vooral in het strafrecht. Ook geeft
de Raad aan zich zorgen te maken over de zorgvuldigheid van het wetgevingsproces.
Zo wordt benoemd dat de kwaliteit van het wetgevingsproces onder druk staat, wat gevolgen
kan hebben voor de kwaliteit en uitvoerbaarheid van wetgeving. Deze zorg neem ik serieus
en ik heb hier dan ook aandacht voor gevraagd bij andere ministeries. Een andere trend
die de Raad constateert en zorgen baart is de geconstateerde druk op rechtspraak in
twee instanties. De Raad benadrukt het belang om de hoofdregel van rechtspraak in
twee instanties als uitgangspunt te blijven hanteren en roept de regering op een toetsingskader
rechtsbescherming te maken. In reactie op dit laatste zorgpunt kan ik aangeven dat
momenteel door mijn ministerie een verkenning wordt uitgevoerd naar de mogelijkheden
om de procedures te versnellen met behoud van voldoende rechtsbescherming.
In het verlengde van de jaarverslagen van voorgaande jaren gaat de Raad ook in dit
jaarverslag in op uiteenlopende knelpunten in wet- en regelgeving die door de rechtspraak
zijn gesignaleerd. Ik hecht er grote waarde aan dat de Raad het kabinet via deze weg
blijft adviseren over thema’s waarbij wet- en regelgeving in de praktijk als belemmerend
wordt ervaren. Daarnaast spreek ik mijn waardering uit voor het initiatief om bij
verschillende knelpunten concrete ideeën aan te reiken die kunnen bijdragen aan het
wegnemen daarvan.
In deze brief geef ik, mede namens het kabinet, een toelichting op de wijze waarop
met de genoemde knelpunten wordt omgegaan en geef ik de stand van zaken met betrekking
tot knelpunten die in eerdere jaarverslagen zijn gesignaleerd. Daarbij houd ik de
opbouw en volgorde van het jaarverslag aan.
Knelpunten in wetgeving en uitvoering
Bestuursrecht
Stikstof
De Raad wijst erop dat het stikstofdossier de hele maatschappij raakt. Burgers worden
getroffen door de belemmeringen voor woningbouw en infrastructuur. Bedrijven en boeren
worden getroffen door het verlies van vergunningen en beperkingen in de bedrijfsvoering.
De natuur (en indirect daardoor ook de maatschappij) wordt getroffen door het gebrek
aan doeltreffende maatregelen om de crisis aan te pakken. Deze maatregelen moeten
worden geïnitieerd door de wetgever. De Raad wijst erop dat het uitblijven daarvan
leidt tot rechtszaken met grote gevolgen zonder dat de rechter het onderliggende probleem
kan oplossen.
Zoals de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur heeft aangegeven
in zijn brief aan de Tweede Kamer van 27 maart 2026 over de Samenhangende aanpak Landbouw,
Natuur en Stikstof geeft het kabinet grote prioriteit aan het oplossen van de stikstofproblematiek.1 Het kabinet maakt duidelijke keuzes voor een sterke en toekomstbestendige agrarische
sector en het structureel verbeteren van de natuur. Zodat vergunningverlening stapsgewijs
weer mogelijk wordt voor het bouwen van de woningen die zo hard nodig zijn, voor de
verduurzaming van de landbouw en de industrie, voor het mogelijk maken van de noodzakelijke
uitbreiding van Defensie, voor projecten in de bereikbaarheid en waterveiligheid,
voor perspectief en duidelijkheid over nieuwe investeringen voor het brede bedrijfsleven
en voor een economie die werkt. Dat vraagt op korte termijn om diverse en soms ingrijpende
besluiten, maar deze leiden tot duidelijkheid en duurzaam perspectief voor boeren,
natuur en Nederland. Daarom heeft het kabinet duidelijke doelen gesteld, concrete
maatregelen aangekondigd en een bijpassende investering van € 20 miljard euro tot
en met 2035 zeker gesteld. Het kabinet heeft direct de Taskforce Landbouw, Natuur
en Stikstof in het leven geroepen om doorbraken op dit dossier te realiseren en heeft
daarvoor een duidelijke opdracht meegegeven. Het kabinet kiest ervoor om samen met
boeren en ketenpartijen te werken aan een toekomstbestendige landbouw en met nog veel
meer partijen aan een sterke natuur en een vitaal platteland. Dit omvat medeoverheden,
natuurbeheerders, landbouworganisaties, het bredere bedrijfsleven, natuur- en milieuorganisaties
en lokale initiatieven en samenwerkingsverbanden van bewoners. Zoals in de brief van
27 maart 2026 is aangegeven, zal het kabinet voor de zomer 2026 op een aantal belangrijke
onderdelen van de aanpak al besluiten nemen en duidelijkheid verschaffen over het
vervolg.
Beroepen niet tijdig beslissen
In het jaarverslag 2025 benoemt de Raad als knelpunt de stijging in de instroom van
zaken waarin beroep wordt aangetekend tegen het uitblijven van een tijdige beslissing
door de overheidsinstantie. De Raad merkt op dat dit met name geldt bij het vreemdelingenrecht.
De beroepen wegens niet tijdig beslissen vergen door de grote aantallen veel capaciteit
en het onderliggende probleem van uitvoeringsorganisaties die er steeds minder in
slagen om binnen geldende termijnen besluiten te nemen, wordt er niet mee opgelost,
aldus de Raad.
Het kabinet heeft oog voor het feit dat voor bepaalde uitvoeringsinstanties geldt
dat tijdig beslissen een aanhoudende uitdaging is. Om hier verbetering in te brengen
worden verschillende stappen gezet door de uitvoeringsorganisaties zelf. Zoals is
aangekondigd in het coalitieakkoord, is het kabinet daarnaast voornemens om verschillende
maatregelen te treffen om de slagvaardigheid van de overheid te bevorderen. Specifiek
op het terrein van het vreemdelingenrecht betreft dit de vereenvoudiging van de asielprocedure.
Doel daarbij is om deze procedure niet langer te laten duren dan strikt noodzakelijk
is en ervoor te zorgen dat de Immigratie- en Naturalisatiedienst sneller – en nog
steeds zorgvuldig – kan beslissen.2
Vreemdelingenrecht
De Raad markeert knelpunten in het vreemdelingenrecht in relatie tot het IND. Helaas
lukt het de IND bij vreemdelingenzaken vaak niet om binnen de wettelijke termijn te
besluiten op een aanvraag of om te beslissen op een bezwaarschrift.
Om meer grip op de migratie te krijgen, zet dit kabinet in op een breed pakket aan
maatregelen om de asielketen per direct en duurzaam te ontlasten en de instroom te
verminderen. De wet tweestatusstelsel is op 21 april 2026 aangenomen door de Eerste
Kamer.3 Tegelijkertijd heeft de IND hard gewerkt aan de voorbereiding voor de implementatie
van het Europees Migratiepact dat op 12 juni 2026 in werking is getreden. Aanvullend
is door de IND hard gewerkt aan een plan van aanpak met aanvullende maatregelen, dat
recentelijk met Uw Kamer is gedeeld.4 Hoewel de IND streeft naar een maximale beslistermijn van zes maanden, houdt de IND
er rekening mee dat het afhandelen van openstaande asielaanvragen nog geruime tijd
zal duren, wat effect kan hebben op de capaciteit van de rechtspraak. Daarnaast heeft
de Raad in haar position paper ten behoeve van het rondetafelgesprek Uitvoerings-
en implementatiewet Asiel- en migratiepact aangegeven zich vanwege het asiel- en migratiepact
voor te bereiden op een substantiële stijging van de structurele werklast.5
Verder is op 14 april 2025 met de Wet herziening regels niet tijdig beslissen in vreemdelingenzaken
de bestuurlijke dwangsom afgeschaft.6 Een bestuurlijke dwangsom volgde automatisch als de IND na een ingebrekestelling
te laat besliste op iemands dossier. Een rechterlijke dwangsom wordt pas opgelegd
als een aanvrager naar de rechter stapt en de IND een extra termijn krijgt opgelegd
die wederom niet wordt gehaald. Het kabinet is zich ervan bewust dat met de wetswijziging
alleen de bestuurlijke dwangsom wordt afgeschaft.Uw Kamer heeft op 2 juni 2026 in
het kader van behandeling van de Wijziging van de Wet terugkeer en vreemdelingenwaring
een amendement aangenomen om ook de rechterlijke dwangsom af te schaffen.7 Op 4 juni 2026 heeft uw Kamer ook deze novelle aangenomen. Het indienen van een beroep
tegen het niet tijdig beslissen blijft echter mogelijk. Zolang de voorraad niet is
weggewerkt, zal de rechtspraak worden belast met beroepszaken wegens «niet tijdig
beslissen».
WOZ- en bpm-zaken
De Raad refereert aan de inwerkingtreding van de Wet herwaardering proceskostenvergoeding
voor Waardering Onroerende Zaken (WOZ) en Belasting van Personenauto's en Motorrijwielen
(bpm) op 1 januari 2024 en benoemt dat deze wetgeving nog niet heeft geleid tot een
verlaging van instroom bij de gerechtshoven.
Het kabinet verwelkomt de ingezette daling van het aantal belastingzaken bij rechtbanken,
met name bij de WOZ en de bpm. De verwachting is dat de daling van zaken bij gerechtshoven
op termijn zal volgen. Ondanks de waargenomen daling laat het onverlet dat het kabinet
zich zal blijven inspannen om het aantal zaken dat draait om relatief kleine financiële
geschillen verder te voorkomen. Deze zaken verdringen immers geschillen met een groter
maatschappelijk belang. Voor de WOZ is een brede beleidsevaluatie van de wet voorzien
waarin ook aandacht voor rechtsbescherming zal zijn.8 Voor de bpm geldt, zoals ook aangegeven in de Kamerbrief van 11 juli 2025, dat wordt
onderzocht of deze zodanig kan worden omgevormd dat de systematiek niet langer afhankelijk
is van de waarde van een motorrijtuig.9
Civiel recht
Erfprocesrecht
De Raad signaleert dat het aantal erfrechtelijke geschillen toeneemt. Het erfprocesrecht
wordt als onduidelijk en versnipperd ervaren. Zowel de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie
(KNB) als de Vereniging Erfrecht Advocaten Nederland (VEAN) hebben een soortgelijk
signaal afgegeven. Aan de KNB en VEAN is toegezegd in gesprek te gaan over de ervaren
problematiek.
Ik wil bezien of dit signaal betrokken kan worden bij het bredere vraagstuk over de
vereenvoudiging van het burgerlijk procesrecht. Ik heb eerder de Rechtspraak gevraagd
om een reactie op het advies van de adviescommissie burgerlijk procesrecht over de
opheffing van het onderscheid tussen dagvaardings- en verzoekschriftprocedure.
Vervaltermijnen in het arbeidsrecht
De wettelijke vervaltermijnen van artikel 7:686a van het Burgerlijk Wetboek (BW) blijken
volgens de Raad bij een ontslag op staande voet nogal eens te kort. De vervaltermijn
voor het aanvechten van een ontslag (op staande) voet bedraagt namelijk slechts twee
maanden. In het bijzonder arbeidsmigranten die werken via uitzendbureaus komen hierdoor
in de problemen.
Voor arbeidsmigranten zijn er veel drempels als het gaat over de toegang tot het recht.
Het is het streven van het kabinet onnodige drempels in de toegang tot het recht voor
alle rechtszoekenden te verminderen. Het kabinet probeert ervoor te zorgen dat de
arbeidsmigranten wel binnen de gestelde termijn geholpen worden.
Het Juridisch Loket is daarbij waardevol, aangezien het gratis rechtshulp biedt bij
juridische vragen voor EU-arbeidsmigranten, mede om te bewerkstelligen dat zij tijdig
en adequaat worden geholpen met hun hulpvraag.
Het kabinet heeft met belangstelling kennis genomen van het voorstel van de Raad om
eventueel de vervaltermijnen te verlengen. In het kader van het IBO arbeidsmigratie
is over het onderwerp aanpakken onterecht ontslag op staande voet door het Ministerie
van SZW al een fiche opgesteld.10
Regelingen beloning curatoren, mentoren en bewindvoerders
De Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren, die per 1 januari 2015
in werking is getreden, is volgens de Raad gaan knellen. Als gevolg hiervan wijken
kantonrechters vaker af van de standaardbeloning wegens bijzondere omstandigheden.
In het jaarverslag oppert de Raad onder andere om de regeling op dit punt aan te passen,
de huidige open normen te vervangen voor een vaste (hogere) beloning, met daarbij
een helder en duidelijk afwegingskader voor de uitvoerders en kantonrechters.
Per 1 januari 2026 is de Regeling beloning curatoren, bewindvoerders en mentoren aangepast
met een verhoging van de tarieven, bovenop de jaarlijkse indexering. Hiermee is tegemoetgekomen
aan de toenemende werkdruk binnen de branche. Deze regeling biedt de kantonrechter
de noodzakelijke ruimte voor maatwerk bij uitzonderlijke omstandigheden. Het is aan
de rechter om te beoordelen wanneer hiervan sprake is, waarbij de rechtspraak de vrijheid
heeft om dit in te kleden via leidraden of oriëntatiepunten ter bevordering van de
rechtseenheid.
Diagnostiek ouders
Ook dit jaar brengt de Raad het knelpunt «diagnostiek ouders» onder de aandacht, waarbij
het dit jaar speciale aandacht vraagt omdat het verband kan houden met femicide en
huiselijk geweld. Uit onder meer het onderzoek «Waar geweld uit beeld raakt» van het
Verwey-Jonker Instituut blijkt dat het niet vanzelfsprekend is dat huiselijk geweld
en onveiligheid worden meegenomen in rechterlijke beslissingen omtrent zorgregelingen,
gezag en omgang.11 De toenmalig Staatssecretaris Rechtsbescherming is daarom eind 2025 een verbetertraject
gestart, dat als doel heeft te waarborgen dat wanneer er onderbouwde vermoedens zijn
of sprake is van huiselijk geweld en/of kindermishandeling, dit altijd moet worden
meegewogen in de familierechtelijke procedure. Dit verbetertraject ziet onder meer
op het verbinden van het straf- en civielrecht, het verbeteren van de informatievoorziening
aan de familierechter en deskundigheidsbevordering. De rechtspraak, maar ook andere
organisaties zoals de RvdK en Slachtofferhulp Nederland, werken mee aan dit verbetertraject.
Ook wordt de expertise van de advocatuur en van ervaringsdeskundigen en nabestaanden
betrokken in dit traject. De Tweede Kamer wordt voor de zomer geïnformeerd over de
voortgang van het verbetertraject.
Algemeen: capaciteitstekorten in de jeugdketen
De capaciteitstekorten in de jeugdketen blijven de Rechtspraak zorgen baren, zoals
ook in eerdere jaarverslagen is gesignaleerd. Dit speelt zowel in het civiele jeugdrecht,
het familierecht als in het jeugdstrafrecht.
Ik herken het beeld dat de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) met wachtlijsten
te maken heeft. Zowel de RvdK zelf als het Ministerie JenV hebben daarom de afgelopen
jaren maatregelen ingezet om dit te verbeteren. Dit leverde aanvankelijk verbetering
op in de vorm van kortere wachtlijsten en doorlooptijden, echter momenteel kampt de
RvdK weer met een oplopende wachtlijst. Hier komt bij dat voor de RvdK een taakstelling
van kracht is, voortvloeiende uit het coalitieakkoord. Op dit moment wordt in kaart
gebracht welke consequenties dit heeft voor de uitvoering van de taken van de RvdK.
De Raad noemt in het jaarverslag het tekort aan capaciteit bij de gecertificeerde
instelling (GI). De Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en de inspectie Justitie en
Veiligheid hebben in september 2025 een rapport gepubliceerd over de problemen bij
de gecertificeerde instellingen waaronder de wachtlijsten voor de jeugdbescherming
en de jeugdreclassering en de wachtlisten voor de noodzakelijke jeugdhulp in dit kader.
Het kabinet heeft op 2 december 2025 een kabinetsreactie met maatregelen aan de Tweede
Kamer gestuurd.12
In het jaarverslag meldt de Raad dat er sprake is van een geringe beschikbaarheid
van de Kleinschalige Voorzieningen Justitiële Jeugd (KVJJ’s). Jongeren die vanwege
hun persoonlijkheid en de aard van het gepleegde feit wel in aanmerking zouden komen
voor plaatsing in een KVJJ, kunnen niet geplaatst worden omdat ze te ver weg wonen.
Voor plaatsing in een KVJJ is een mee te wegen (contra-) indicatie dat er sprake moet
zijn van een aanvaardbare reistijd naar de dagbesteding. In de praktijk is de richtlijn
dat de reistijd in beginsel niet langer mag zijn dan 1,5 uur enkele reis. Het verruimen
van deze richtlijn zou de landelijke dekking verbeteren. Ik kies er evenwel niet voor
een langere reistijd naar dagbesteding te hanteren, aangezien een totale reisduur
van meer dan drie uur per dag niet bevorderlijk is voor het welzijn van jongeren.
De KVJJ’s vormen nu geen landelijk dekkend netwerk. Tegelijkertijd zie ik op basis
van de bezetting van de bestaande KVJJ’s geen aanleiding voor het openen van nieuwe
locaties teneinde een landelijk dekkend netwerk te realiseren. In de brief van 30 juni
2025 is uw Kamer geïnformeerd over de toekomst van de KVJJ’s.13 Tevens wijs ik op de voortgangsbrief justitiële jeugd van 17 april jl. waarin ik
de belangrijkste ontwikkelingen met betrekking tot de justitiële jeugd uiteen heb
gezet.14 Hierbij wijs ik expliciet op de beleidsreactie op het RSJ-advies «Problemen in de
PIJ: Advies over de door- en uitstroom van jeugdigen met een PIJ-maatregel». Voor
de zomer komt de inhoudelijke beleidsreactie en zal ik ook ingaan op rapporten die
binnenkort worden opgeleverd over Jeugdhulp in Strafrechtelijk Kader.
Registratie van non-binaire personen
De Raad geeft aan dat de Hoge Raad twee keer is verzocht om prejudiciële vragen te
beantwoorden over de registratie van non-binaire personen. Nu de Hoge Raad heeft afgezien
van beantwoording van deze vragen is wetgeving op dit punt gewenst. In het coalitieakkoord
is opgenomen dat het kabinet blijft werken aan de acceptie, veiligheid en emancipatie
van de LHBTQI+ gemeenschap, overeenkomstig het regenboogakkoord. Tot 8 december 2023
heeft een initiatiefwetsvoorstel over de registratie van non-binaire personen in consultatie
gelegen. Het is primair aan de initiatiefnemers om vervolgstappen te nemen op dit
onderwerp. Het kabinet heeft aangeboden daar waar nodig hierbij behulpzaam bij te
zijn.
Draagmoederschap en hoogtechnologisch draagmoederschap
De Raad benoemt de wenselijkheid van wetgeving rondom draagmoederschap. In juli 2023
is het wetsvoorstel Kind, draagmoederschap en afstamming ingediend bij de Tweede Kamer.15 Dit wetsvoorstel schetst kaders voor wensouders, waaraan binnenlandse draagmoederschapstrajecten
moeten voldoen. Met als doel dat wensouders geen lange en onzekere procedure bij de
rechter moeten doorlopen om het ouderschap tot stand te brengen. Voor buitenlandse
draagmoederschapstrajecten stelt het wetsvoorstel voorwaarden voor de erkenning van
rechtswege van de buitenlandse geboorteakte na draagmoederschap. De Tweede Kamer heeft
een wetenschapstoets uit laten voeren waarin knelpunten aan de orde komen, waaronder
buitenlandse draagmoederschapstrajecten. Mij is verzocht om op deze bevindingen te
reageren en ik verwacht rond de zomer 2026 te doen.
Termijn herroeping adoptie en meerderjarigenadoptie
Ook op het gebied van adoptie zijn volgens de Raad knelpunten. De Raad geeft aan dat
een geadopteerde, die de adoptie wil herroepen, minimaal 20 en maximaal 23 jaar oud
moet zijn. Deze leeftijdsgrenzen worden in nagenoeg alle zaken die aan de rechter
worden voorgelegd overschreden. De Raad doet de suggestie deze grenzen uit de wet
te schrappen. Ook meldt de Raad dat in de rechtspraktijk zeer geregeld verzoeken binnenkomen
voor adoptie van meerderjarigen. De Raad geeft in overweging de adoptiemogelijkheid
van meerderjarigen in de wet te regelen.
Het kabinet herkent het signaal van de Raad over de termijnen voor herroeping van
de adoptie. Ook is de regering in 2025, in de aangenomen motie Bikker en Diederik
van Dijk,16 verzocht om adoptie van volwassenen mogelijk te maken.
Zowel de termijn voor herroeping adoptie als het mogelijk maken van meerderjarigenadoptie
zijn onderdeel van het wetsvoorstel afbouw interlandelijke adoptie en vereenvoudiging
identiteitsherstel. Dit wetsvoorstel was van 23 januari tot en met 6 april 2026 in
internetconsultatie.17 De consultatiereacties worden op dit moment bestudeerd. Naar verwachting wordt het
wetsvoorstel voor het einde van het jaar ter advisering voorgelegd aan de Afdeling
advisering van de Raad van State.
Gezag
De Raad wijst op de complexiteit van wet- en regelgeving op het gebied van gezag.
In de loop der jaren is deze wet- en regelgeving als gevolg van maatschappelijke ontwikkelingen
op verschillende punten aangevuld en daarmee is het afleiden van gezag steeds complexer
geworden. De Raad geeft aan dat een wettelijke herstructurering de praktijk zou helpen.
De huidige wet- en regelgeving weerspiegelt de diversiteit van de samenleving. Vereenvoudiging
is wenselijk, maar mag niet ten koste gaan van bestaande gezagsverhoudingen en toekenningen
van gezag. Ik herken dat de complexe wet- en regelgeving tot gevolg kan hebben dat
het van rechtswege ontstane gezag over een kind, dat niet in het gezagsregister wordt
geregistreerd, lastiger af te leiden kan zijn. Om professionals te helpen met het
vaststellen van gezag is de gezagsmodule ontwikkeld.18 De module is constant in ontwikkeling en houdt rekening met wetwijzigingen. Bij een
toekomstige herziening van het toepasselijke recht kan daarnaast worden verkend hoe
de regels meer toegankelijk en overzichtelijk kunnen worden gemaakt.
Strafrecht
Onduidelijkheden over de gedragsbeïnvloedende maatregel
De Raad benoemt dat het eerder gesignaleerde knelpunt met betrekking tot de complexiteit
en onduidelijkheden rond de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige nog steeds
actueel is.
Bij de totstandkoming van de Tweede vaststellingswet van het nieuwe Wetboek van Strafvordering
is de inbreng van de Raad meegenomen. Op basis daarvan is de regeling om te komen
tot tenuitvoerlegging van de vervangende jeugddetentie vereenvoudigd. Alleen de procedure
bij de rechter-commissaris wordt behouden, daarmee is de zelfstandige bevoegdheid
van de officier van justitie vervallen.19 Op 24 februari 2026 heeft de Eerste Kamer de Tweede vaststellingswet aangenomen.
Generiek
De Raad spreekt zijn zorgen uit over de voor 2027 aangekondigde ruimere termijnen
waarbinnen de niet-zakelijke post moet zijn bezorgd. Dit kan gevolgen hebben voor
burgers, advocaten en bedrijven zonder zakelijk contract die post naar de rechtbank
sturen en (rechts)onzekerheid veroorzaken.
Deze zorgen zijn door het kabinet serieus genomen en in overleg met de Raad verduidelijkt:
de verruiming geldt slechts voor een beperkt deel van de postmarkt (de universele
postdienst) en deze norm is niet van kracht op post vanuit de rechtbanken of van advocaten
aan rechtbanken. Post van de Rechtspraak valt onder zakelijke post. Hierdoor is de
omvang van het geschetste probleem in de praktijk beperkt. Voor tijdkritische post
voor rechtszoekende consumenten blijft bovendien een snellere 24-uursoptie beschikbaar.
De aanpassing van de kwaliteitseisen in het gewijzigde Postbesluit raakt alle gebruikers
van de universele postdienst in gelijke mate. Alleen voor rouw- en medische post blijven
uitzonderingen bestaan. Het uitzonderen van gerechtelijke post is door het kabinet
als onwenselijk beschouwd. Voor een verdere toelichting wordt verwezen naar de Nota
van toelichting op het gewijzigde Postbesluit, dat per 1 juli 2026 in werking zal
treden.20
Eerder gesignaleerde knelpunten
Het wettelijk mogelijk maken dat gemachtigden binnen het belastingrecht en het bestuursrecht
geweigerd kunnen worden conform de regteling van de kantonrechter in artikel 81 van
het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
De Raad heeft verzocht om het wettelijk mogelijk te maken dat de bestuursrechter een
gemachtigde tegen wie ernstige bezwaren bestaan niet alleen kan weigeren voor een
bepaalde zaak maar ook voor een bepaalde periode, overeenkomstig de mogelijkheid die
de kantonrechter heeft in artikel 81 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
Dit knelpunt wordt onderkend. Momenteel wordt onderzocht hoe een dergelijke bevoegdheid
het beste kan worden vormgegeven.
Maatwerkvoorziening opvang (weigering noodopvang)
De Raad meldt dat rechters in meerdere uitspraken over het toekennen van een maatwerkvoorziening
vanuit de Wet maatschappelijke opvang (Wmo) de overheid oproepen een oplossing te
vinden voor dakloosheid die voortkomt uit het tekort aan betaalbare woonruimte.
Het kabinet stelt dat de Wmo 2015 is gericht op het ondersteunen van mensen die zich
door psychische, sociale of lichamelijke beperkingen niet op eigen kracht kunnen handhaven
in de samenleving. Het bieden van opvang aan mensen die enkel dakloos zijn vanwege
woningnood – zonder bijkomende kwetsbaarheid – past daarmee niet binnen het wettelijke
kader van de Wmo. Dat neemt uiteraard niet weg dat de maatschappelijke impact schrijnend
kan zijn. Het kabinet herkent dat er sprake is van een woningcrisis en zet zich op
verschillende fronten in om deze aan te pakken.
Zo wordt volop ingezet op de bouw van meer woningen. Het Regeerprogramma brengt afspraken
om meer passende en betaalbare woningen te bouwen. Om het tekort aan woningen te verkleinen
en op alle plekken in Nederland extra woonruimte toe te voegen voor die mensen die
een huis zoeken, moeten bestaande gebouwen en de bijbehorende omgeving beter worden
benut. Hier wordt door middel van diverse initiatieven invulling aan gegeven.
Met het Nationaal Actieplan Dakloosheid «Eerst een thuis» (2023–2030) is vastgesteld
dat de oplossing voor dakloosheid niet gevonden wordt door het realiseren van extra
maatschappelijke opvang, maar door in te zetten op betaalbaar wonen en het versterken
van financiële bestaanszekerheid.
Tot slot is in dit kader het wetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting relevant
dat ervoor zorgt dat overheden kunnen sturen op hoeveel, waar en voor wie er gebouwd
wordt.21 Na inwerkingtreding van dit wetsvoorstel moeten gemeenten, provincies en het Rijk
volkshuisvestingsprogramma’s opstellen, waarin is aangeven wat de woonbehoefte is
van inwoners. Als onderdeel daarvan moet de opgave voor (dreigend) dakloze mensen
worden meegenomen. Bovendien regelt het wetsvoorstel dat in alle gemeenten dakloze
mensen die uitstromen uit de maatschappelijke opvang op grond van de Wmo 2015 verplicht
met voorrang moeten worden gehuisvest. Gemeenten kunnen er aanvullend voor kiezen
ook een bredere groep mensen die dak- of thuisloos zijn, of om andere sociale redenen
dringend behoefte hebben aan woonruimte, op te nemen in de urgentieregeling als woningzoekenden
die met prioriteit in aanmerking komen voor een woning.
Tekort aan verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen
De vraag naar sociaal-medische beoordelingen is al jaren fors groter dan het aantal
beoordelingen dat UWV kan verrichten, en de laatste tijd blijft het aantal aanvragen
boven verwachting snel toenemen. Hierdoor kan UWV niet alle taken uitvoeren en hanteert
UWV sinds een aantal jaar een met het Ministerie SZW afgestemde prioritering van sociaal-medische
dienstverlening. Hierin zijn de WIA-claimbeoordeling en beoordelingen van het arbeidsvermogen
(waaronder de Wajong) geprioriteerd.
Naast de toenemende vraag kampt UWV met fundamentele organisatorische uitdagingen,
waaronder een structureel tekort aan verzekeringsartsen. Hoewel de situatie ingewikkeld
is, moet dit patroon worden doorbroken. Dat gaat niet van vandaag op morgen. Aan de
hand van een brede ontwikkelagenda werkt UWV de komende jaren aan structurele verbetering
van de sociaal-medische dienstverlening. Dit omvat onder meer vereenvoudiging en uniformering
van werkprocessen, zodat alle sociaal-medische teams werken volgens de vastgestelde
principes en afgesproken processen, steeds beter gebruikmakend van best practices,
onder meer op het gebied van taakdelegatie en multidisciplinair overleg. Door de basis
op orde te brengen, realiseert UWV de komende jaren zowel kwantitatieve als kwalitatieve
verbeteringen bij de sociaal-medische dienstverlening.
Slotwoord
Graag spreek ik mijn grote waardering uit voor de wijze waarop de Rechtspraak de in
de praktijk ervaren knelpunten – zowel in beleid als in wetgeving – onder de aandacht
brengt. Deze signalen stellen zowel de wetgever als de uitvoerende macht in staat
om belangrijke maatschappelijke vraagstukken gericht en effectief aan te pakken.
De Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, Claudia van Bruggen
Indieners
K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid