Brief regering : Digitaal en datageïnformeerd werken in de fysieke leefomgeving
36 800 XXII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (XXII) voor het jaar 2026
Nr. 47
BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING EN RUIMTELIJKE ORDENING
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 19 juni 2026
Nederland staat voor complexe opgaven in de fysieke leefomgeving. Zoals de ontwerp
Nota Ruimte aangeeft1, zijn ruimte en middelen schaars. De uitdagingen zijn groot: 100.000 woningen erbij
per jaar, verduurzaming van de bestaande gebouwenvoorraad waarvan een deel te maken
heeft met funderingsproblematiek en vervanging van verouderde infrastructuur. Deze
opgaven worden groter met de komende investeringen in het energienet, de (mobiliteits)infrastructuur
en defensie. Zoals de Nota Ruimte aangeeft, is Water en Bodem Sturend een richtinggevend
principe. Tegelijk is sprake van een structureel tekort aan vakmensen, mede als gevolg
van vergrijzing en een beperkte instroom van jongeren in technische en bouw-gerelateerde
opleidingen.2
Digitalisering kan werken als hefboom voor versnelling in het werken aan deze opgaven
en het voorkomen van faalkosten, zoals aangegeven in mijn brief over de eerste resultaten
van de Taskforce Versnelling Woningbouw3 en mijn beleidsbrief4.
Digitalisering is één van de vier sporen die ingezet wordt om de fysieke leefomgeving
toekomstbestendig te maken, de andere drie zijn: innovatie, industrialisatie en standaardisatie.
Deze vier sporen zijn alle vier noodzakelijk om met minder mensen en middelen, meer
woningen te kunnen toevoegen of verduurzamen op een manier die toekomstbestendig is.
Samen zorgen deze sporen voor slimme oplossingen voor steeds complexere problemen.
Zo komen de sporen tegemoet aan het slimmer omgaan met schaarste in materialen (bijvoorbeeld
middels biobased en circulair bouwen) en dragen ze bij aan het centraal produceren
en op locatie assembleren van gebouwdelen zodat er minder stikstof uitgestoten wordt
en er minder arbeidskracht nodig is. En ze zorgen voor voorspelbaarheid voor de sector
door inzet van standaarden en richtlijnen. Digitalisering vormt in deze veranderingen
een cruciale basis. Het helpt om sneller, slimmer en beter samen te werken. En het
maakt kwaliteit objectiever toetsbaar, afhankelijkheden inzichtelijker en besluitvorming
transparanter. Digitale middelen maken het bovendien mogelijk om gebieden en gebouwen
toekomstbestendiger te ontwerpen en zijn in staat robots in fabrieken aan te sturen.
Wanneer alle partijen bij bouw-, renovatie-, beheer- of verduurzamingsprojecten met
hulp van standaarden en stelsels voor veilige gegevensuitwisseling dezelfde informatie
kunnen gebruiken, dan leidt dit tot minder fouten in het proces, snellere toetsing
van plannen en lagere kosten.
Digitalisering blijft vaak abstract; het is niet tastbaar. Daarom schets ik in deze
brief hoe ik op digitalisering zal inzetten langs drie hoofdlijnen: technologie, processen
& organisaties, en mensen & vaardigheden (zie ook bijgevoegde «visual»).
Dit doe ik in samenspraak met onder andere de Ministeries van IenW, EZK, en Defensie,
met uitvoeringsorganisaties zoals het RVB, RWS, Kadaster en RVO, met medeoverheden
zoals de provincies, gemeentes, IPO en VNG, en nauw betrokken koepels en partijen,
zoals het Bouwberaad, de Bouwdigitaliseringsraad, Aedes en NEPROM. Hiermee geef ik
gedeeltelijk invulling aan de motie van het lid Welzijn c.s. voor een digitaliseringsstrategie
voor het volkshuisvestingsbeleid5, maak ik een begin met de motie van het lid Dassen c.s. voor een routekaart voor
de ontwikkeling van een open en op Europese standaarden aansluitende digitale infrastructuur6, en geef ik uitvoering aan een aantal adviezen van de adviesgroep STOER.
Technologie: uitbouwen digitale infrastructuur
Digitale technologie moet ondersteunend zijn aan ons doel om sneller, slimmer en beter
gebieden te ontwikkelen, te bouwen, te renoveren en materialen te hergebruiken. Dat
betekent dat de technologie moet ondersteunen bij het verkrijgen van inzicht in de
situatie nu, de situatie waar we naar toe willen en de stappen die we van het nu naar
de gewenste toekomst zetten. Oftewel: een gedeeld digitaal beeld van de fysieke leefomgeving
dat niet statisch is, maar waarin ook veranderingen kunnen worden bijgehouden. Juist
die veranderbaarheid is belangrijk: gebiedsontwikkeling, woningbouw, renovatie en
beheer zijn geen losse momenten, maar opeenvolgende stappen waarin partijen steeds
opnieuw informatie nodig hebben om besluiten te kunnen nemen. Deze digitale verbondenheid
laat figuur 1 zien. Daarbij worden wijzigingen in gebieden en gebouwen steeds teruggekoppeld
naar de gegevensbron, zodat alle partijen – binnen de afspraken voor het veilig en
efficiënt delen van gegevens – steeds actuele informatie hebben.
Figuur 1: Het gebruik van dezelfde gebiedsinformatie door alle sectoren (links) in
en tussen alle ontwikkelingsfasen (rechts) is cruciaal voor een succesvolle aanpak
van ruimtelijke vraagstukken.
Het Rijk is al jaren geleden begonnen met het datafundament en de digitale infrastructuur.
In de (ver)bouwketen wordt veelvuldig gebruik gemaakt van onze Nationale Geo-Informatie
Infrastructuur (NGII) met de geo-basisregistraties, het Digitaal Stelsel Omgevingswet
(DSO) en het Digitaal Stelsel Gebouwde Omgeving (DSGO). Vanuit IenW wordt er samen
met medeoverheden gewerkt aan een digitaal stelsel voor mobiliteitsdata (DSM), zodat
reis-, route- en beleidsinformatie voor burgers en overheden beter beschikbaar komen7, en aan de Basis Data Infrastructuur voor goederenvervoer en logistiek, voor gecontroleerde,
gestandaardiseerde, slimme en efficiënte gegevensdeling.
Maar de complexiteit van de opgaven in de fysieke leefomgeving neemt toe. Denk bijvoorbeeld
aan energie, stikstof, water, bodem en infrastructuur. Daarmee neemt ook de noodzaak
toe om de mogelijkheden van bestaande en nieuwe technologie versneld in de digitale
infrastructuur toe te passen. Niet alleen voor gebouwen, maar voor een gehele toekomstbestendige
fysieke leefomgeving. Zo kan verantwoord ingezette artificiële intelligentie (AI)8 helpen, bijvoorbeeld door initiatiefnemers van een bouw- of renovatieplan snel te
laten zien wat wel en niet leidt tot gebalanceerde leefomgevingen en wat kan binnen
de huidige regelgeving. Daarnaast kan het gebruik van inmiddels gangbare 3D-Bouwinformatiemodellen
(BIM) Gebiedsinformatiemodellen (GIM) en het werken met digitale tweelingen van de
omgeving in de digitale infrastructuur zorgen voor beter toegankelijke, kwalitatief
hoogwaardige en beter combineerbare gegevens. Het veilig en gestandaardiseerd uitwisselen
van gegevens uit verschillende gegevensbronnen via digitale koppelingen scheelt veel
tijd en middelen, omdat er niet aan één alomvattende gegevensbron gewerkt hoeft te
worden. Gegevens kunnen namelijk bij de bron blijven, terwijl ze via veilige afspraken
en standaarden toch bruikbaar worden voor andere partijen in de keten.
Vanuit mijn verantwoordelijkheid als coördinerend Minister voor geo- en vastgoedinformatie
werk ik in samenspraak met mijn collega’s aan de verdere uitbouw van het datafundament,
de verbetering van de digitale infrastructuur en het stimuleren van nieuwe toepassingen.
Ook ga ik met medeoverheden in gesprek om de samenhang en samenwerking hierop te versterken.
Daarbij is het uitgangspunt dat digitalisering niet mag leiden tot extra lasten zonder
concreet procesvoordeel. Wanneer overheden, marktpartijen en maatschappelijke organisaties
investeren in hogere digitale informatiekwaliteit, dan moet daar ook iets tegenover
staan: snellere beoordeling, minder dubbel werk, meer transparantie, betere overdraagbaarheid
van informatie of meer voorspelbaarheid in processen. Dit doe ik via de volgende stappen:
Concrete stappen
• Een breder datafundament:
– Waar nodig en passend, na een risico- en veiligheidsafweging, breiden we het datafundament
uit met meer gegevens, te beginnen met milieu- en bodemonderzoeken9, funderingsgegevens, mobiliteit, energie-infrastructuur, en gebouwkenmerken. Dit
hoeft niet altijd centraal: gegevens worden verzameld en bewaard waar passend, beschikbaar
en nodig. Hierbij maken wij deze gegevens ook beter combineerbaar, houden we de kwaliteit
hoog en richten we voorzieningen in die de gecombineerde gegevens beter toegankelijk
maken voor de gegevensrechthebbenden, zoals de landelijke voorziening gebouwgegevens
en digitale tweelingen.
– Met het ontwikkelen van een landelijke voorziening gebouwgegevens maken we gebouwgegevens
gemakkelijker beschikbaar en veilig deelbaar.10
– Met het programma Netwerk Lokale Digitale Tweelingen investeren we in de adoptie van
digitale middelen en datagedreven werken, zodat Rijk en medeoverheden een gezamenlijke
informatiepositie hebben tijdens gebiedsontwikkeling. Daarbij gaat het niet alleen
om het ontwikkelen van digitale modellen, maar ook om het vergroten van de vaardigheid
van organisaties, zoals ik later in deze brief toelicht.
• Verbetering van de digitale infrastructuur:
– Om versnippering te voorkomen en parallel plannen beter mogelijk te maken, werken
Rijk, medeoverheden en marktpartijen aan een nationale verkenning naar één digitale
ruimtelijke planketen, die de volledige levenscyclus van ontwerp tot sloop omvat.
Deze verkenning richt zich op meer samenhang in systemen, processen, gegevensuitwisseling
en governance. Zo creëren we samen niet alleen een beeld van de huidige situatie en
eventueel een gewenste toekomstsituatie, maar ook een route naar de gewenste toekomstsituatie.
We werken hierbij met de minimale informatiebehoefte: welke informatie is nodig om
verantwoord te kunnen besluiten, toetsen, financieren, bouwen, beheren, verduurzamen
of materialen te hergebruiken. Zo voorkomen we dat we grote, onbeheersbare modellen
creëren.
– Om elkaar beter te begrijpen en transparantie te creëren in de gebiedsontwikkeling
en (ver)bouwketen, gaan we door met het inrichten van een gemeenschappelijke digitale
taal met gelijke definities. Hierbij maken we de keuze om uit te gaan van de bestaande
referentiearchitecturen NORA (van de overheid), GEMMA (van de gemeenten) en GEBORA
(over gebouwen). Deze vormen de structuur voor informatie. Daarbinnen werken we zoveel
mogelijk met dezelfde, bestaande standaarden, zoals die van de Generieke Digitale
Infrastructuur, het Federatief Datastelsel, de NGII en het DSGO, die bepalen hoe en
welke gegevens worden uitgewisseld. Dit betekent dat nieuwe digitale voorzieningen
in dit landschap moeten passen.
– Daarnaast werken we aan het terugdringen van versnippering in standaarden. Dat doen
we onder meer via Geonovum, een overheidsstichting gericht op het ontwikkelen en beheren
van geo-informatie standaarden, en een register van preferente digitale standaarden
voor de ontwerp-, bouw- en technieksector, beheerd door de Stichting digiGO, de stichting
ter facilitering van digitale ketensamenwerking in de gebouwde omgeving. Daarmee wordt
duidelijker welke standaarden partijen bij voorkeur gebruiken en welke keuzes nodig
zijn om gegevensuitwisseling betrouwbaarder en eenvoudiger te maken.
– Samen met de sector stel ik een routekaart op met concrete stappen, planning en benodigde
middelen om te werken aan interoperabiliteit tussen de verschillende ontstane digitale
gegevensuitwisselingssystemen, zoals geïdentificeerd in het rapport van Geonovum11. Deze routekaart maakt inzichtelijk welke systemen en initiatieven met elkaar moeten
worden verbonden, welke voorzieningen daarvoor nodig zijn en welke rol het Rijk, medeoverheden
en marktpartijen daarin hebben.
Voorbeelden van bestaande initiatieven en toepassingen zijn de samenwerking tussen
het DMI-ecosysteem (Dutch Metropolitan Innovations), digiGO, het Innovatie- en Opschalingsprogramma
Woningbouw (IOP) en verschillende toepassingen binnen het Digitaal Stelsel Gebouwde
Omgeving. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om een vergunning-controle-service, om een
gegevensdeeldienst die laat zien welke bouwmaterialen beschikbaar zijn voor hergebruik
en om een gegevensdeeldienst waarmee het Rijksvastgoedbedrijf onderhoudsmeldingen
direct kan delen met onderhoudsbedrijven op een manier die aansluit op hun eigen systemen.
De vergunning-controle-service laat ook zien waar de belangrijkste leeropgave zit.
Automatisering heeft pas voldoende waarde voor de markt als het procesvoordeel helder
is. Wanneer een geautomatiseerde toets alleen leidt tot een intern advies aan een
ambtenaar, de initiatiefnemer het advies niet ziet en er geen versnelling of voorspelbaarheid
tegenover staat, is dat geen overtuigende toepassing voor de keten. Daarom wordt bij
nieuwe digitale toepassingen steeds gekeken welk concreet procesvoordeel ontstaat
voor de partijen die informatie moeten aanleveren of gebruiken.
– We borgen meerjarige financieringsafspraken met medeoverheden en marktkoepels voor
de basisinfrastructuur, waaronder de activiteiten van Stichting digiGO, en een gemeenschappelijk
instrument voor identificatie, authenticatie en autorisatie voor veilige publiek-private
gegevensuitwisseling met mogelijkheid voor regie op eigen gegevens door de burger.
Deze afspraken zijn nodig omdat digitale infrastructuur alleen werkt wanneer de basisvoorzieningen
meerjarig beschikbaar, betrouwbaar en betaalbaar zijn. Het gaat daarbij niet om één
los digitaal ecosysteem, maar om publieke en publiek-private voorzieningen die samen
gegevensuitwisseling in de fysieke leefomgeving mogelijk maken.
• Stimuleren van nieuwe toepassingen:
– Via onder andere de City Deal over AI12 en het programma AI voor de woningbouw13 zetten we in op het verkennen, ontwikkelen en verantwoord toepassen van AI in de
gebouwde omgeving. Daarbij richten we ons op toepassingen die bijdragen aan betere
besluitvorming voor gebiedsontwikkeling en vergunningen, snellere procedures en hogere
kwaliteit van plannen. Denk aan ondersteuning bij het controleren van informatie op
volledigheid, het inzichtelijk maken van relevante regels of het sneller signaleren
van strijdigheden in plannen. AI kan besluitvorming ondersteunen, maar vervangt de
bestuurlijke en juridische verantwoordelijkheid niet. De inzet moet transparant, uitlegbaar
en controleerbaar zijn.
– Naast artificiële intelligentie stimuleren we het ontwikkelen en gebruik van digitale
instrumenten en technologieën in de bouw, onder meer via diverse innovatie subsidies,
programma’s en regelingen.
Processen & organisaties: versterken regie
Om ondersteuning te kunnen bieden, moet digitale technologie ingezet (kunnen) worden.
Er moet ruimte zijn om technologie te (mogen) gebruiken en het moet duidelijk zijn
hoe deze inzet leidt tot toekomstbestendigere leefomgevingen en snellere, goedkopere
en betere (ver)bouw. Dit betekent dat technologie geborgd moet worden, bijvoorbeeld
door verantwoordelijk opdrachtgeverschap, en met de soms daarvoor benodigde aanpassingen
van wetgeving. Het betekent ook dat er een duidelijke coördinatie en samenhang moet
zijn tussen initiatieven, programma’s en technologie, en tussen regels, kaders en
richtlijnen. Bovendien is het belangrijk dat we als sector beter samenwerken in Europa
en groter internationaal verband. Er komt veel Europese regelgeving af op de ontwerp-,
bouw-, en technieksector. We kunnen leren van andere landen en vice versa en we kunnen
werken aan gezamenlijke standaarden, zodat ondernemen over de grens en het gebruiken
van producten en diensten uit andere landen makkelijker wordt. Dit helpt Nederland
verder en versterkt de Europese concurrentiekracht. Daarom wil ik samen met de sector
en medeoverheden meer regie voeren op de processen en organisatorische veranderingen
om de ruimtelijke opgaven en het bouwen en verduurzamen te versnellen. Samen zetten
we de volgende stappen:
Concrete stappen
• Borging van technologie:
– De toepassing van technologie borgen we met verantwoordelijk opdrachtgeverschap. Publieke
en private opdrachtgevers gaan hun uitvragen, contracten, beoordelingsprocessen en
besluitvorming zo inrichten dat digitale informatie niet als extra bijlage wordt gevraagd,
maar onderdeel wordt van het primaire proces. Hierover maken we afspraken, bijvoorbeeld
via het Bestuursakkoord Digitale Gebouwde Omgeving 2027.
– Daarnaast wordt het gebruik van de gekozen referentiearchitectuur, standaarden en
andere instrumenten randvoorwaardelijk bij subsidies voor projecten rondom digitalisering
in de fysieke leefomgeving, zoals de subsidies van het Innovatie en Opschalingsprogramma
Woningbouw.
– Verder kan er worden gewerkt met andere positieve prikkels. Projecten die aantoonbaar
voldoen aan minimale informatiebehoeften zouden bijvoorbeeld voorrang kunnen krijgen
bij gemeenten, woningcorporaties en andere beoordelende partijen. Dat is een krachtige
prikkel voor de markt, zonder dat direct nieuwe wetgeving nodig is.
– Ook binnen de visie- en planvorming van gebieden, welke plaatsvindt op gemeentelijk
niveau, moet de ruimte om met digitale instrumenten te werken worden meegenomen, zowel
voor de visie- en planvorming zelf, als voor de stappen die na de visie- en planvorming
volgen. Samen met woningcorporaties, gemeenten, provincies, het Rijksvastgoedbedrijf
en Rijkswaterstaat verkennen we hoe we het gebruik van onze digitale infrastructuur
kunnen opnemen in opdrachtverstrekkingen.
– We maken op korte termijn werk van mogelijkheidscheppende wetgeving. Dat betekent
dat we wetgeving aanpassen waar deze innovaties onmogelijk maakt. De wetgeving moet
focussen op functie en gebruik, niet op specifieke technologische oplossingen. Door
niet te focussen op het precies vastleggen van de technologie die gebruikt moet worden,
kan wetgeving flexibiliteit geven en toekomstbestendig worden.
Een goed voorbeeld waar we momenteel met het Kadaster, het ministerie JenV en de stichting
BIM Legal aan werken is de wetgeving rondom de akte voor het splitsen van een gebouw
in appartementen. Via het traject BIM Legal wordt gewerkt aan het gestandaardiseerd
vastleggen van juridische informatie in 3D gebouwmodellen in plaats van lange tekstdocumenten
en 2D tekeningen. Dat zorgt voor de gebouweigenaar voor meer rechtszekerheid: eigendom
is vaak makkelijker zichtbaar te maken in een 3D model. Bovendien wordt nu ongeveer
33 procent van de splitsingstekeningen in eerste instantie afgekeurd, omdat er onhelderheden
zijn of zaken missen. In de praktijk kunnen architecten, ontwikkelaars en notarissen
vaak al met driedimensionale modellen werken. Echter, de vereisten in de toepasselijke
regelgeving belemmeren de toepassing van deze driedimensionale tekeningen, omdat sommige
gebruikte begrippen (zoals «bladen» of «A0-formaat) niet toepasbaar zijn op driedimensionale
tekeningen. Daarom zijn we nu bezig met het wijzigen van de verschillende wetten,
om deze begrippen aan te passen of begrippen toe te voegen, zodat de functie (het
registreren van de splitsingsakte) gehandhaafd blijft, maar de manier waarop (via
2D-tekeningen of 3D-modellen) verbreed wordt.
– We formuleren heldere en uniforme definities voor gebouwgegevens, gebouwgegevensrechthebbende en gebouwgegevensverantwoordelijke. In navolging van STOER, de vereenvoudigingsopgave uit het coalitieakkoord en in
lijn met de NDS, wordt zo juridisch duidelijk met wie welke gegevens gedeeld mogen
worden en wie verantwoordelijk is voor het up-to-date houden van deze gegevens. Zo
weten welke gegevens voorwerpgegevens zijn en welke gegevens persoonsgegevens, waar
zorgvuldiger mee moet worden gewerkt in verband met de Algemene Verordening Gegevensbescherming
(AVG). Deze definities geven heldere kaders voor medeoverheden en de sector die met
digitale instrumenten en gegevens aan de slag gaan. Ik verken of deze definitievorming
een plek kan krijgen in de Omgevingswet, het BKL, het BBL of een geo-basis wet.
• Betere coördinatie:
– We stoppen met tijdelijke en onopschaalbare projecten en pilots. Tegelijkertijd willen
we beleid en praktijk bij elkaar blijven houden. Daarom brengen we meer samenhang
aan tussen lopende en nieuwe initiatieven en programma’s, bestuursakkoorden, netwerken
en afsprakenstelsels. Omdat we, bijvoorbeeld via subsidies, duidelijke randvoorwaarden
stellen aan innovaties, projecten en pilots (aansluiting op de digitale infrastructuur,
verantwoordelijk opdrachtgeverschap), kunnen deze experimenten bij succes direct worden
opgeschaald. Zo stoppen we de wildgroei aan initiatieven en kunnen we de vruchten
plukken van de tijd en middelen die we besteden aan deze innovaties.
– Specifiek gaan voor versnelling van de woningbouw het Innovatie en Opschalingsprogramma
woningbouw (IOP)14, het DMI-ecosysteem15 en Zicht op Nederland programma’s Netwerk van Lokale Digitale Tweelingen (NLDT),
Dataspace Fysieke Leefomgeving (DSFL) en Datafundament16 intensief samenwerken. Hierbij zal ook het sociale domein steeds meer worden betrokken.
• Sterk in Europa en internationaal:
– We bereiden ons samen met de sector voor op nieuwe of gewijzigde Europese regelgeving,
zoals de Verordening Bouwproducten17 (CPR), de Europese Richtlijn energieprestatie van gebouwen18 (EPBD IV), het invoeren van digitale productpaspoorten19 (DPP) en de dataverordening20. Uit deze regelgeving komen nieuwe verplichtingen, inclusief informatievereisten.
Voor de implementatie van deze regelgeving werk ik aan duidelijke digitale standaarden.
Deze moeten zoveel mogelijk één op één aansluiten bij de Europese regelgeving en aansturen
op Europese standaarden, zodat onze sector van de Europese schaal blijft profiteren.
Daarin zijn we proactief, zodat de sector zich tijdig kan voorbereiden.21
– We werken samen aan Europese initiatieven, zoals Horizon Europe’s 100 Climate Neutral
and Smart Cities Mission (met zeven Nederlandse steden), de European Digital Infrastructure
Consortia (EDICs) waaronder die voor Mobiliteit en Logistiek samen met het Ministerie
van IenW, de Green Deal data space SAGE en de Europese Digitale Innovatie Hubs (EDIHs).
Door onze koploperpositie op geo-data en pan-Europese ideeën voor samenwerking en
digitale autonomie levert het Ministerie van BZK, met steun van de Europese Commissie,
voor 3 jaar (okt 2025 – sept 2028) een Nederlandse directeur op de EDIC Networked
Local Digital Twins (nLDT). Daarnaast verkennen we een Europese Publiek-Private Appstore
om digitale toepassingen eenmalig te creëren en meervoudig, Europees te gebruiken
(opschalingsmethodiek). Met het ontwikkelen van een Nederlandse data space voor de
fysieke leefomgeving binnen Zicht op Nederland22 sluiten we aan op Europese data space ontwikkelingen.
Mensen & vaardigheden: investeren in digitaal vakmanschap
Met al deze veranderingen staan mensen centraal. Zij moeten digitale hulpmiddelen
kunnen gebruiken voor de maatschappelijke opgaven van de inrichting van de fysieke
leefomgeving, de woningbouw en de verduurzaming. Digitalisering wordt nu vaak gezien
als extra (digitaal) papierwerk. Dat is zonde, want in de gebiedsontwikkeling en (ver)bouwketen
komen we arbeidskracht tekort. Digitale hulpmiddelen moeten zorgen voor tijdsbesparing,
productiviteitsgroei en moeten ervoor zorgen dat vakmensen die niets met digitalisering
hebben, juist minder bezig zijn met computers en steeds meer hun vakwerk terugkrijgen.
Om dit goed te laten werken, moeten vaardigheden worden verbeterd, uitvoeringskracht
worden vergroot en is een cultuurverandering nodig. Hierbij houden we oog voor de
balans. Het is altijd zo dat digitale instrumenten dienend zijn aan mensen. Als technologie
aangepast kan worden om het gebruik en diens ondersteunende functie te verbeteren,
heeft dit de voorkeur. Het is niet de bedoeling om de gehele sector van de werkplaats
naar kantoor te verplaatsen; wel om de werkplaats zoveel mogelijk te ontlasten en
de productiviteit te verbeteren. Het investeren in digitaal vakmanschap doe ik, samen
met andere ministeries, medeoverheden en de sector, via de volgende stappen:
Concrete stappen
• Vaardigheden verbeteren
– Samen met de sector werk ik aan een aantal programma’s gericht op het versterken van
digitale vaardigheden van de ontwerp, bouw- en technieksector, zoals het programma
digiVaardig23 en een kennislijn binnen het programma AI voor Woningbouw24.
– Samen met medeoverheden werk ik aan programma’s om de digitale vaardigheden bij de
overheid te verbeteren, ten behoeve van de digitalisering in de fysieke leefomgeving.
Zo wordt, in het kader van het Innovatie- en Opschalingsprogramma Woningbouw, in 2026
een programma ontwikkeld met en voor gemeenteambtenaren die in de gebiedsontwikkeling
en vergunningverlening actief zijn. En er wordt gewerkt aan digitale vaardigheden
programma’s voor het Ministerie van BZK25.
• Uitvoeringskracht vergroten
– Samen met marktpartijen, waaronder de financiële sector, onderzoek ik hoe de uitvoeringskracht
van de woningbouw- en verduurzamingsopgave met digitale technologie kan worden vergroot
en hoe we elkaar hierin kunnen versterken. Deze samenwerking geven we onder andere
vorm via het Uitvoeringsprogramma Circulaire Bouweconomie26 en is onlangs bekrachtigd met de Samenwerkingsagenda Toekomstbestendige Gebiedsontwikkeling
(SA TBGO)27 en met het tekenen van de intentieverklaring «samenwerking verduurzaming gebouwde
omgeving ketenpartners»28.
– Met onder andere Bouwend Nederland, in opdracht van het Bouwberaad, wordt in de keten
een productiviteitsagenda verder uitgewerkt, waarin onder andere oog is voor het verbreden
van de digitale vaardigheden.
– Digitale vaardigheden krijgen ook een plek binnen het Programma Uitvoeringskracht,
dat de ambtelijke capaciteit en deskundigheid bij gemeenten en provincies versterkt
als basis voor het versnellen van de woningbouwproductie. Dit kan bijvoorbeeld door
de inzet van flexkrachten die vaste krachten bij gemeenten en provincies tijdelijk
ontlasten bij taken, zodat er ruimte ontstaat om vaardigheden te verbreden.
• Culturele verandering
– Samen met de gehele gebiedsontwikkeling en (ver)bouwketen werk ik aan een cultuur
waarin digitalisering en digitale innovaties mogelijk zijn en verantwoord worden ingezet.
Digitalisering dwingt namelijk tot transparantie. Digitale samenwerking vraagt om
andere keuzes in planning, contractering, risicosturing, besluitvorming en kwaliteitsbewaking.
Dit is dus geen specialistisch onderwerp naast het werk, maar een verandering van
het primaire proces. Ik besef dat een verandering in de manier van werken spannend
is, maar zonder deze verandering kan de productiviteitswinst niet gehaald worden.
Daarom werk ik onder andere met de NEPROM aan een programma om leidinggevenden in
de sector mee te nemen in de digitale verandering, zodat zij ruimte kunnen creëren
op de werkvloer. Met de Nederlandse Europese Digitale Innovatie Hubs werk ik samen
om het MKB te inspireren en mee te nemen in de praktijk van digitalisering van de
ontwerp, bouw- en technieksector.
– Samen met de gehele gebiedsontwikkeling en (ver)bouwketen verken ik de investeringen
voor en winstverdeling van digitalisering in de keten, met extra aandacht voor het
MKB. Digitalisering vraagt om verandering in het nu, en geeft winst in de toekomst.
Deze uitgestelde voordelen moeten geen reden vormen om niet te digitaliseren. Evenzo
is de winst niet altijd evenredig verdeeld. Sommige partijen zullen, zeker in het
begin, meer winst ondervinden van een digitaliserende keten. Samen met de (ver)bouwketen
onderzoek ik hoe we elkaar kunnen steunen in het digitaliseren van de gehele keten.
Digitalisering vraagt om beter opdrachtgeverschap, minimale informatiebehoeften per
fase, toetsbare kwaliteit, vaardige ketenpartners en concreet procesvoordeel. De drie
hoofdlijnen van technologie, processen & organisaties, en mensen & vaardigheden leggen
een stevig fundament voor de digitale basisinfrastructuur en samenwerking in de fysieke
leefomgeving. Het komende jaar werk ik deze verder uit met mijn collega’s, medeoverheden
en de markt. De gesprekken met verschillende medeoverheden en marktpartijen over verantwoordelijk
opdrachtgeverschap lopen. Vanaf deze zomer werk ik samen met Bouwend Nederland een
productiviteitsagenda verder uit, waarin onder andere oog is voor het verbreden van
de digitale vaardigheden. Voor de volgende zomer zal ik een actieagenda delen met
duidelijke, concrete stappen voor de verbreding en verbetering van de digitale infrastructuur.
De opbrengsten van deze digitaliseringsstrategie zullen merkbaar zijn in de gehele
keten: van een versnelde gebiedsontwikkeling, naar een soepeler vergunningsverlening
proces, tot versnelde verduurzaming van gebouwen.
De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,
E. Boekholt-O'Sullivan
Indieners
E. Boekholt-O’Sullivan, minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening