Brief regering : Schriftelijke beantwoording openstaande vragen gesteld tijdens het commissiedebat Natuur van 4 juni 2026
33 576 Natuurbeleid
Nr. 488
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 11 juni 2026
Hierbij zend ik u mijn antwoorden op vragen die gesteld zijn tijdens de eerste termijn
van het commissiedebat Natuur van 4 juni jl. en de vragen waarop ik had toegezegd
in de tweede termijn nog terug te komen. Vanwege tijdgebrek kon ik deze vragen niet
meer beantwoorden tijdens het debat.
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen
Beantwoording vragen
Uitheemse rivierkreeft
Verschillende leden van uw Kamer vroegen naar de aanpak van uitheemse rivierkreeften.
De leden Flach (SGP) en Den Hollander (VVD) vroegen naar de samenwerking van het Ministerie
van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) met onder andere waterschappen
en naar de financiering van het beheer en preventieve maatregelen.
Uitheemse rivierkreeften veroorzaken grote problemen en zijn al langere tijd zeer
wijdverspreid, zeker in het westen van Nederland. Ook andere overheden, zoals het
Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW), provincies en waterschappen, hebben
een rol bij de aanpak van uitheemse rivierkreeften. Over de rolverdeling ben ik met
hen in gesprek. Mijn verantwoordelijkheid ziet op het exotenbeleid en de natuurdoelen.
De Minister van IenW en de waterschappen zijn verantwoordelijk voor de doelen van
de Kaderrichtlijn Water. Ik stuur samen met de Minister van IenW en de Staatssecretaris
van LVVN voor de zomer een brief naar uw Kamer over de aanpak van de uitheemse rivierkreeften.
In deze brief komt ook de financiering van de aanpak aan de orde.
Eliminatie van uitheemse rivierkreeften is in een waterrijk land als Nederland niet
mogelijk. Op het moment van plaatsing op de Europese Unielijst in 2016, waren ze in
Nederland al wijdverspreid. Dit betekent dat alleen beheersmaatregelen worden genomen
die werkelijk effectief en betaalbaar zijn. LVVN zet de beschikbare financiële natuurmiddelen,
die veelal via provincies lopen, voor de wijdverspreide uitheemse rivierkreeften in
op:
• Preventie, zodat deze niet verspreiden naar schone gebieden.
• Het versterken van ecosystemen via herstel- en inrichtingsmaatregelen, zodat onze
natuur weerbaarder wordt tegen uitheemse rivierkreeften.
• Onderzoek naar effectieve beheersingsmethoden.
De leden den Hollander (VVD) en Koorevaar (CDA) vroegen naar een plan voor de aanpak
van de uitheemse rivierkreeften en naar de relatie met het landelijk aanvalsplan exoten.
In het landelijk aanvalsplan invasieve exoten, dat op 12 januari 2026 naar de Tweede
Kamer is gestuurd (Kamerstuk 26 407, nr. 162), staan de uitgangspunten, ambities en maatregelen beschreven voor de aanpak van
invasieve exoten in brede zin. Ten aanzien van de aanpak van uitheemse rivierkreeften
staan in dit aanvalsplan landelijke afspraken met de provincies over deze soorten
in natuurgebieden.Daarnaast coördineert LVVN het programma Ontwikkeling Beheersingsaanpak
Uitheemse Rivierkreeften. Daarin werken betrokken overheden samen aan de ontwikkeling
van een effectieve beheersingsaanpak van uitheemse rivierkreeften
Lid Kostic (PvdD) vroeg of natuurvriendelijke oplossingen, zoals natuurvriendelijke
oevers worden meegenomen in het beleid aangaand de rivierkreeften. De ontwikkeling
van natuurvriendelijke oevers zijn een belangrijk onderdeel in de beheersingsaanpak
van uitheemse rivierkreeften. Door het aanleggen van natuurvriendelijke oevers wordt
de oever- en bodemstructuur verbeterd en krijgen uitheemse rivierkreeften minder kans
holen te graven. Daarmee ontstaat ook meer ruimte voor natuurlijke vijanden van de
uitheemse rivierkreeft, zoals watervogels en vissen. Tegelijk is het aanleggen van
dergelijke structuren niet overal mogelijk. Op dit moment ligt de focus bij kwetsbare
en belangrijke natuurgebieden. Dit is ook beschreven in het afwegingskader uitheemse
rivierkreeften dat recentelijk in opdracht van LVVN is gepubliceerd1. Vanuit LVVN zet ik natuurmiddelen in, via provincies, voor het versterken van ecosystemen
via herstel- en inrichtingsmaatregelen. Natuurvriendelijke oevers zijn hier een onderdeel
van.
De heer Boomsma (JA21) vroeg naar het beloofde afwegingskader en naar pilots. Recentelijk
is het afwegingskader uitheemse rivierkreeften in opdracht van LVVN gepubliceerd door
de Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (STOWA)2. Dit is het kenniscentrum voor de waterschappen. LVVN gaat over de coördinatie, onderzoek
en ontwikkeling van een beheersingsaanpak van uitheemse rivierkreeften. Ten aanzien
van pilots kan ik aangeven dat er verschillende pilots hebben gelopen en nog lopen
waarvoor de waterschappen primair aan zet zijn. De resultaten van de pilots zullen
worden gebruikt om het afwegingskader verder aan te vullen.
De heer Flach (SGP) vroeg naar de mogelijkheden voor verruiming van de mogelijkheden
voor visserij. De Staatssecretaris van LVVN gaat over de visserij op uitheemse rivierkreeften.
Momenteel is een aanpassing van de regelgeving in voorbereiding voor het verbreden
van bevissing op uitheemse rivierkreeften en die zal naar verwachting medio 2027 ingaan.
Met deze regelgeving wordt het mogelijk gemaakt voor medewerkers van waterschappen
om op uitheemse rivierkreeften te vissen met selectieve vistuigen. Op dit moment zijn
er al mogelijkheden voor bevissing binnen de kaders van de huidige regelgeving. Waterschappen
kunnen voor het wegvissen beroepsvissers inhuren of, als ze eigen medewerkers willen
inzetten, hiervoor een ontheffing aanvragen bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland
(RVO).
De heer Boomsma (JA21) vroeg ook naar bevissing door sportvissers. Sportvissers mogen
alleen met een hengel uitheemse rivierkreeften vangen. Dit type visserij zal geen
structurele impact hebben op de uitheemse rivierkreeftpopulatie. Om de uitheemse rivierkreeften
terug te dringen is visserij met beroepsvistuigen nodig. Én voor een duurzaam effect
moet visserij ook worden gecombineerd met andere maatregelen zoals natuurversterking.
Daarbij vergt het grootschalig wegvangen expertise en zou het tot hoge handhavingskosten
leiden als een grote, niet afgebakende groep, zoals sportvissers, dit zouden mogen
doen met beroepsvistuigen. Het verruimen van het gebruik van deze vistuigen zou grootschalige
bijvangst van paling en andere vissoorten als gevolg kunnen hebben. Dit is uitgebreider
toegelicht in de verzamelbrief natuur van 2 oktober 2025 (Kamerstuk 33 576, nr. 467)
De heer Koorevaar (CDA) vroeg naar de invloed van uitheemse rivierkreeften op de doelen
van de Kaderrichtlijn Water (KRW). Het eet- en graafgedrag van de uitheemse rivierkreeften
zorgt voor troebel water met gevolgen voor biodiversiteit en waterkwaliteit. Door
uitheemse rivierkreeften kunnen doelstellingen van de KRW in het geding komen. Waterbeheerders
kunnen onderbouwd een beroep op uitzondering doen voor het niet-halen van KRW-doelen
vanwege uitheemse rivierkreeften.
Tot slot gaf mevrouw Bromet (PRO) aan dat geld alleen niet genoeg is voor bestrijding
van de rivierkreeft. Zij vroeg wat er gedaan kan worden om te zorgen dat de uitheemse
rivierkreeft niet heel Nederland overneemt. Allereerst is het belangrijk dat alle
betrokken partijen verdere verspreiding van uitheemse rivierkreeften naar nu nog schone
gebieden in Nederland voorkomen door hygiënisch te werken bij baggeren, grondverzet
en maaiwerkzaamheden. Daarnaast is een gezonde natuur weerbaarder tegen invasieve
exoten zoals uitheemse rivierkreeften. Daarom zet ik, via de provincies, in op natuurversterking
en -herstel. Onder meer door het aanleggen van natuurvriendelijke oevers krijgen uitheemse
rivierkreeften minder kans. Zo stimuleren we ook natuurlijke vijanden, zoals watervogels
en vissen, die dan meer ruimte krijgen om op uitheemse rivierkreeften te jagen.
Aziatische hoornaar
De heer Boomsma (JA21) vroeg wat ik ga doen aan de Aziatische hoornaar. Deze soort
heet tegenwoordig geelpoothoornaar. Het is helaas niet meer mogelijk om deze soort
volledig uit Nederland te verwijderen. We zullen met deze soort moeten leren samenleven.
Vanwege de decentralisatie van het natuurbeleid hebben de provincies hierin een verantwoordelijkheid
in het kader van de Europese Exotenverordening en vanuit hun opgave voor de bescherming
van de biodiversiteit. De provincies maken daarbij een afweging vanuit het oogpunt
van kosten en uitvoerbaarheid. In het landelijk aanvalsplan invasieve exoten is daarom
met de provincies afgesproken dat zij de geelpoothoornaar lokaal bestrijden in het
kader van de provinciale natuuropgave. De focus ligt hierbij op natuurgebieden.
Daarnaast zijn terreineigenaren, dus andere overheden zoals gemeenten en ook bedrijven
en particulieren, voortaan zelf verantwoordelijk voor de bestrijding van deze soort
bij overlast op hun terreinen. Provincies zetten zich samen met het Ministerie van
LVVN sterker in op voorlichting aan gemeenten, groenbeheerders en andere doelgroepen
zoals burgers, imkers en professionele bestrijders over hoe de geelpoothoornaar veilig
te bestrijden.
Staatsbosbeheer
De heer Grinwis (CU) vroeg naar het DIDAM arrest. SNL-subsidies worden door provincies
verstrekt voor het uitvoeren van concreet natuur- en landschapsbeheer. Tevens zijn
de meeste SNL-subsidies vrijgesteld van inkomsten- en vennootschapsbelasting. De SNL-subsidies
komen nog steeds bij de feitelijke beheerders terecht, maar de zittende pachters zijn
het automatische recht op de grond en dus de SNL-subsidie kwijtgeraakt door het Didam-arrest.
Het Didam-arrest leidt er dus niet direct toe dat SNL-subsidies niet meer bij de pachtende
beheerder terechtkomen. Maar het zorgt er wel voor dat overheden, zoals SBB, verplicht
zijn om openbare selectieprocedures te organiseren bij het verpachten van grond. Omdat
het beheer van SNL-gronden regelmatig gekoppeld is aan pachters, heeft dit gevolgen
voor hen.
Mevrouw Bromet (PRO) vroeg over de verkoop van RODS (Recreatie om de Stad) gebieden
door Staatsbosbeheer (SBB) en wat gedaan kan worden om te voorkomen dat Staatsbosbeheer
deze gebieden moet verkopen, omdat de beheermiddelen niet financieel dekkend zijn.
Staatsbosbeheer voert in Noord-Holland intensieve gesprekken met de provincie en gemeenten
met als insteek het verkrijgen van voldoende financiering voor het beheer van de RODS-gebieden.
Mocht dit niet lukken dan is verkoop een laatste terugvaloptie: in eerste instantie
aan een andere overheid, maar wanneer dit niet lukt dan is openbare verkoop aan de
orde.
Voor het Diemerbos in Noord-Holland is voor de korte termijn beheergeld beschikbaar
gesteld, maar nog niet voor de lange termijn. Voor de andere RODS-gebieden in Noord-Holland,
bij Purmerend en de Haarlemmermeer, is uit gesprekken tussen Staatsbosbeheer, de provincie
en gemeenten geconcludeerd dat er geen zicht is op voldoende financiering voor het
beheer. Hier wordt nu de optie verkoop aan de betrokken gemeenten verder uitgewerkt.
Dit wordt echter gezien als een laatste redmiddel en deze verkoop zal niet eerder
plaatsvinden dan eind 2027. De voorkeursoptie blijft daar tot die tijd nog steeds
het regelen van voldoende financiering voor beheer. Ik wil SBB graag ondersteunen
om er samen met de betreffende provincies en gemeenten alsnog uit te kunnen komen.
Voor het bestendigen van de tijdelijke oplossingen in Noord-Holland, Zuid-Holland
en Utrecht is het nodig dat het Rijk, provincies, gemeenten en SBB met elkaar in gesprek
gaan en blijven over de wijze waarop het beheer van RODS-gebieden structureel gefinancierd
kan worden. In mijn Verzamelbrief Natuur van 29 mei 2026 (Kamerstuk 33 576, nr. 485) heb ik aangegeven in gesprek te willen gaan met de betreffende provincies en gemeenten
om te kijken of beheersubsidie alsnog opengesteld kan worden.
Maatregelen voor groen in de stad
Mevrouw Beckerman (SP) vroeg wanneer aandacht komt voor meer groen in de warmste wijken.
Samen met de Ministeries van Verkeer en Ruimtelijke Ordening (VRO), Infrastructuur
en Waterstaat (IenW) en Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) werk ik aan een aanpak
op groen in en om de stad met als doel een groene en gezonde leefomgeving voor mens
en natuur. Op 29 mei jongstleden heeft de Minister van IenW een brief aan de Tweede
Kamer gestuurd met de Ontwerp Nationale Klimaatadaptatiestrategie. Eén van de opgaven
is hittebestendige steden en dorpen, waar groene inrichting onderdeel van uitmaakt.
Het Kabinet werkt een Nationaal Uitvoeringsprogramma Klimaatadaptatie (NUPKA) uit,
waarin deze inspanning nader wordt geconcretiseerd door VRO, VWS, IenW en LVVN. Daarbij
wordt gekeken wat groen kan doen voor hitte, wateropvang en gezondheid. Het NUPKA
wordt eind dit jaar verwacht. Het Rijk (VRO, IenW en LVVN) faciliteert gemeenten,
ontwikkelaars en bouwers met de bestaande Landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve
gebouwde omgeving en de Handreiking Groen in en om de Stad. Deze worden periodiek
geüpdatet. Hiervan heeft iedereen in en om stedelijk gebied profijt, ook de warmste
wijken. Gemeenten hebben over het algemeen het beste zicht op waar deze wijken liggen
en kunnen met deze handreikingen hier invulling aan geven. Als onderdeel van de implementatie
van de Natuurherstelverordening bepaalt het Rijk uiterlijk eind 2030 het bevredigend
niveau voor stedelijk groen oppervlak en boomkroonbedekking als onderdeel van het
stedelijk ecosysteem (artikel 8 Natuurherstelverordening). Ook hiervan zullen warme
wijken profiteren.
Jacht en vogels
De heer Boomsma (JA21) benoemt de schade die wordt veroorzaakt door grauwe ganzen
en vraagt waarom ganzen niet bejaagd zouden kunnen worden. Hij doet daarbij de observatie
dat dit zou leiden tot lagere kosten. Zoals ik in het debat ook heb aangegeven, ben
ik me ervan bewust dat ganzen schade toebrengen aan landbouwgewassen en natuurgebieden
en dat tegemoetkomingen voor landbouwschade een flinke financiële claim leggen op
de provinciale begrotingen. Provincies hebben de mogelijkheid om vergunningen te verlenen
voor het doden van ganzen, of om ganzen provinciaal als vergunningvrij aan te wijzen.
In alle provincies is beheer van ganzen daarmee mogelijk. De grauwe gans staat echter
niet op de wildlijst. Uw Kamer heeft in een motie van 3 juli 2025 (Kamerstuk 33 576, nr. 455) opgeroepen om het stelsel voor jacht en faunabeheer te laten evalueren en gedurende
de evaluatie geen onomkeerbare besluiten te nemen. Ik wil de uitkomsten van die evaluatie,
die ik eind 2026 verwacht, afwachten alvorens besluiten te nemen over eventuele aanpassingen
van de wildlijst.
In reactie op de vraag van de heer Boomsma (JA21) naar een eventuele nieuwe methode
voor het vaststellen van de staat van instandhouding in relatie tot de wilde eend,
heb ik geantwoord dat er inderdaad een onderzoek wordt gestart naar de methode waarop
de staat van instandhouding wordt bepaald voor zoogdiersoorten die niet Europees worden
beschermd maar dat dit onderzoek zich niet richt op vogels en dus niet op de wilde
eend. Voor vogels is al eerder onderzoek gedaan naar de manier waarop de staat van
instandhouding wordt bepaald3. In de Vogelrichtlijn komt het begrip staat van instandhouding niet voor, maar uit
Europese jurisprudentie blijkt dat de manier waarop de staat van instandhouding voor
habitatrichtlijnsoorten wordt bepaald, ook op vogels van toepassing is. Ik zie daarom
geen ruimte om een andere dan de huidige methode te hanteren.
Waddenzee
Mevrouw Beckerman (SP) vroeg een analyse van het kabinet over welke mogelijkheden
er nog zijn om de nieuwe uitgebreide zoutwinning tegen te gaan en welk belang zij
hecht aan de UNESCO status en wat ze wil doen om die te behouden.
Die mogelijkheden zijn beperkt. De aanvraag van Frisia is beoordeeld op basis van
de mijnbouwwet en de adviezen van de wettelijk adviseurs. Hieruit bleek dat er voor
de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei geen grond was om de instemming met
het nieuwe winningsplan te weigeren.
Het kabinet hecht aan de Unesco Werelderfgoed status van de Waddenzee. Met het tekenen
van het Werelderfgoedverdrag hebben we ons gecommitteerd aan het beschermen van Werelderfgoed.
Uw Kamer is in februari geïnformeerd over de State of Conservation die door Denemarken
namens de drie landen hierover is ingediend (Kamerstuk 29 684, nr. 299). Gezamenlijk met Duitsland en Denemarken zijn we onlangs gestart met de Strategische
Plan-MER. Hiermee maken we, op verzoek van Unesco, inzichtelijk wat de effecten zijn
van het gebruik op de Uitzonderlijke universele waarde (OUV) van de Waddenzee. Dit
inzicht helpt bij het vinden van een goede balans tussen beschermen van de OUV en
duurzaam medegebruik.
Mevrouw Bromet (PRO) vroeg om een schriftelijke reactie over de informatie die de
Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei (KGG) in het mijnbouwdebat van 3 juni
2026 heeft gegeven als argument voor het kunnen verlenen van een zoutwinningsvergunning.
De Staatssecretaris heeft inmiddels met de brief van 5 juni 2026 (Kamerstuk 32 849, nr. 314) aan uw Kamer aangegeven dat zijn reactie te kort door de bocht was. Hij heeft daarbij
ook aangegeven dat er geen relatie is tussen de inhoudelijke beoordeling van de vergunningsaanvraag
en het ontwerpbesluit enerzijds en hetgeen hij in het debat heeft gezegd anderzijds.
Mevrouw Vellinga-Beemsterboer (D66) wilde graag voor het tweeminutendebat weten of
er wel of niet een nieuwe natuurvergunning nodig is voor de zoutwinning. In bovengenoemde
brief laat de Staatssecretaris weten dat Frisia momenteel beschikt over een natuurvergunning
met looptijd t/m 2035. Op basis van het nieuwe winningsplan zal bekeken worden of
er een nieuwe natuurvergunning nodig is, ter vervanging of wijziging van de lopende
natuurvergunning.
De heer Koorevaar (CDA) reageerde op mijn antwoord op zijn vraag of ik kon toezeggen
dat ik vóór het vaststellen van de beleidsopgaven de sociaaleconomische effecten duidelijk
heb. De beleidsopgave van het in ontwikkeling zijnde Beleidskader Natuur Waddenzee
zal voorlopig nog niet worden vastgesteld. Bespreking van de beleidsopgave en het
vervolgproces zal plaatsvinden in het Bestuurlijk Overleg Waddengebied op 15 juni
a.s. Daar wil ik nu niet op vooruitlopen.
Zeehonden
De heer Jansen (PVV) benoemde, in relatie tot de 24 uurstermijn voor zeehondenpups
dat er wel aangedrongen is op herziening van het Zeehondenakkoord door de Stichting
ReddingsTeam Zeedieren. Zoals ook aangegeven tijdens het Commissiedebat heeft er inderdaad
een partij in het Zeehondenoverleg opgemerkt bezwaar te hebben op de 24 uurstermijn.
Echter is er schriftelijk geen verzoek tot wijziging ingediend op dit punt, zoals
ook vermeld in de Verzamelbrief Natuur (Kamerstuk 33 576, nr. 485). Naar aanleiding van het CD Natuur van 4 juni is er bij de commissie van het Zeehondenakkoord
nagegaan of er nieuwe informatie is over een dergelijk verzoek. Dat bleek niet het
geval te zijn. Daarnaast hebben alle andere partijen van het Zeehondenakkoord, waaronder
alle actieve zeehondencentra, aangegeven dat zij achter de 24 uurstermijn staan. Een
uiting van bezwaar in een overleg staat niet gelijk aan een schriftelijk verzoek tot
wijziging. Het Zeehondenakkoord voorziet hierin (Artikel 22). Een dergelijk verzoek
tot wijziging vraagt daarnaast om schriftelijke instemming van alle Partijen van het
Zeehondenakkoord.
Zoals ik ook al tijdens het debat liet weten wordt in het aanvullende onderzoek dat
in het kader van de motie is uitgezet aangetoond dat de uitzonderingen voor snellere
opvang uit het Handelingskader benut worden. Dat betekent dat zeehondenpups die in
slechte toestand verkeren direct worden geholpen en andere zeehondenpups niet onnodig
worden gescheiden van hun moeder.
Correctie verzamelbrief Natuur
In de verzamelbrief Natuur van 29 mei 2026 (Kamerstuk 33 576, nr. 485) is helaas een fout terecht gekomen die ik bij deze wil rechtzetten. Het gaat om
de passage met mijn reactie op de motie van het lid Grinwis c.s. (Kamerstuk 35 756, nr. 13) en toezegging omtrent lijmvallen. In de laatste zin van de eerste alinea staat daar
twee keer ongewervelden, waar dat gewervelden moet zijn. De correcte zin moet zijn:
«Uit het traject is gebleken dat het voorkomen van onnodig lijden bij gewervelden,
zoals ratten en muizen, niet mogelijk is. Het gebruik van lijm binnen gebouwen voor
gewervelden blijft daardoor verboden.»
Indieners
J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur