Brief regering : Beantwoording vragen gesteld tijdens het wetgevingsoverleg Wijziging van de begrotingsstaat voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp (XVII) voor het jaar 2026 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota) van 4 juni 2026
36 915 XVII Wijziging van de begrotingsstaat voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp (XVII) voor het jaar 2026 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota)
Nr. 22
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 11 juni 2026
Hierbij bied ik u de resterende beantwoording aan van de vragen gesteld tijdens het
Wetgevingsoverleg Wijziging van de begrotingsstaat voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingshulp
voor het jaar 2026 van 4 juni 2026.
Daarnaast heeft uw Kamer gisteren tijdens de Regeling van Werkzaamheden bij monde
van het lid Van Baarle, verzocht om nadere toelichting te geven over de status van
de Wet strafbaarstelling verheerlijking terrorisme. Namens het kabinet blijf ik bij
de eerdere schriftelijke toelichting van vorige week (Kamerstuk 36 800 XVII, nr. 74). Het wetsvoorstel strafbaarstelling verheerlijking terrorisme is geen onderdeel
van de afspraken die het kabinet heeft gemaakt met Pro over de BHO-begroting 2026.
Binnen het kabinet is er uiteraard bij alle belangrijke besluitvorming overleg, zo
ook bij de totstandkoming van wetgeving.
De Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,
S.W. Sjoerdsma
Vragen over de eerste suppletoire begroting
Het lid Bamenga (D66) informeerde of de Minister mogelijkheden ziet om ook nu bij
te dragen aan het bestrijden van het ebola-virus, bijvoorbeeld via onderzoek, kennisuitwisseling,
laboratoriumcapaciteit of extra ondersteuning van de WHO en lokale gezondheidsdiensten?
Antwoord
Vanuit de middelen die versneld beschikbaar komen voor 2026, specifiek de 27 miljoen
voor mondiale gezondheid en de bestrijding van het Ebola-virus, doet het kabinet een
initiële extra bijdrage van EUR 3 miljoen ter ondersteuning van de door de WHO gecoördineerde
ebola respons in de Democratische Republiek Congo, Oeganda en de regio. De WHO werkt
hierin samen met het Afrikaanse CDC en nationale overheden en versterkt onderzoek,
kennisuitwisseling en laboratoriumcapaciteit. Daarnaast maakt het kabinet uit deze
middelen tevens 7 miljoen euro beschikbaar voor de WHO voor de bredere inzet op gezondheidscrises.
Over de verdere invulling van de ophoging van de middelen in 2026 voor mondiale gezondheid
wordt uw Kamer op een later moment nader geïnformeerd.
Het lid Bamenga (D66) informeerde welke rol de Minister ziet voor lokale gemeenschappen
in de Nederlandse inzet tegen Ebola? En hoe wordt gezorgd dat juist de lokale gemeenschappen
de middelen krijgen om vertrouwen op te bouwen en levens te redden?
Antwoord
Wantrouwen en misinformatie op lokaal niveau is schadelijk voor effectieve infectiebestrijding.
Daarom werkt Nederland met professionele partners, zoals WHO en de Rode Kruis beweging,
die de informatievoorziening afstemmen op lokale behoeftes en contexten. Zij werken
met lokale leiders, waardoor het vertrouwen in het werk van onze partners toeneemt.
Hierdoor worden gemeenschappen beter bereikt en sluit de respons beter aan op hun
behoeftes.
Het lid Bamenga (D66) informeerde welke lessen uit de Ebola-uitbraak van 2014–2016
het kabinet nu concreet toepast in het oosten van Congo en het westen van Oeganda
– met name als het gaat om vroegtijdig ingrijpen, het opbouwen van vertrouwen in gemeenschappen
en het beschermen van hulpverleners.
Antwoord
De internationale partners hebben geleerd over bestrijding van ebola uit eerdere uitbraken.
Een aantal lessen:
– Structurele investeringen in lokale gezondheidszorg maken een snellere respons mogelijk.
– Als lokale gemeenschappen maatregelen accepteren en hun bijdrage aan preventie begrijpen,
dan kan ebola beter worden bestreden.
– Goede zorg is belangrijk, voor genezing en voor steun aan de ebola respons.
Het lid Verkuijlen (VVD) informeerde naar de extra middelen die met het akkoord met
Pro beschikbaar komen voor humanitaire hulp, veiligheid en stabiliteit, mondiale gezondheid
en vrouwenrechten. Hoe borgt de Minister dat deze middelen terechtkomen bij activiteiten
met aantoonbare impact? Welke indicatoren worden gebruikt om succes te meten? En hoe
voorkomt hij dat middelen opgaan in algemene begrotingssteun zonder zichtbare resultaten?
Antwoord
Allereerst is het van belang om te benadrukken dat in het akkoord met Pro geen specifieke
afspraken zijn gemaakt over vrouwenrechten en gendergelijkheid. De afspraken zien
op een incidentele ophoging van de BHO-begroting in 2026 voor humanitaire hulp, opvang
in de regio, mondiale gezondheid, stabiliteit en wederopbouw in Syrië en versnelde
niet-militaire steun aan Oekraïne. Binnen de versnelde niet-militaire steun voor Oekraïne
zal wel aandacht zijn voor ondersteuning van vrouwenorganisaties.
Eventuele middelen voor vrouwenrechten vloeien voort uit eerder door de Tweede Kamer
aangenomen amendementen, intensiveringen aangekondigd in de 1e suppletoire begroting
BHO 2026, maar maken geen onderdeel uit van het pakket aan aanvullende afspraken met
Pro. Het kabinet maakt in zijn programmering geen gebruik meer van algemene (of sectorale)
begrotingssteun.
De aanvullende middelen worden ingezet via bestaande instrumenten en partners waarvoor
reeds afspraken gelden over doelstellingen, monitoring, rapportage en verantwoording.
De voortgang en resultaten worden gevolgd via de reguliere systematiek van de BHO-begroting,
waarbij gebruik wordt gemaakt van indicatoren, voortgangsrapportages, evaluaties.
Daarnaast worden de resultaten van de Nederlandse inzet periodiek geëvalueerd, door
de directie Internationaal Onderzoek en Beleidsevaluatie (IOB) als de inhoudelijk
onafhankelijke evaluatiedienst van het Ministerie van Buitenlandse Zaken.
De nieuwe verantwoordingsystematiek beweegt weg van uniforme indicatoren die voor
elk programma op dezelfde wijze het succes meten. Indicatoren verliezen hun zeggenschap
over verschillende contexten wanneer ze worden geaggregeerd. Er wordt nog wel gebruik
gemaakt van indicatoren ter onderbouwing van succes op hoofddoelstellingen, maar dan
in samenhang met kwalitatief onderzoek. Als onderdeel van de nieuwe verantwoordingsystematiek
is ruimte gegeven aan programma’s om verbeterde indicatoren te ontwikkelen. Deze worden
opgenomen in de BHO begroting 2027 in voorbereiding.
Wanneer middelen via multilaterale organisaties worden verstrekt, wordt toezicht gehouden
via de bestuursorganen van deze organisaties, onafhankelijke evaluaties en internationale
beoordelingsmechanismen.
Van ongeclausuleerde algemene begrotingssteun is in dit geval geen sprake. De middelen
worden ingezet voor specifieke beleidsdoelen en via bestaande uitvoeringskanalen met
afspraken over besteding, monitoring en rapportage. Daarmee wordt geborgd dat de middelen
bijdragen aan concrete resultaten en dat de Kamer hierover via de reguliere begrotings-
en verantwoordingscyclus wordt geïnformeerd.
Daarbij is het relevant dat de Algemene Rekenkamer in haar onderzoek naar het Jaarverslag
BHO 2025 heeft vastgesteld dat het ministerie de resultaten van het ontwikkelingssamenwerkingsbeleid
goed inzichtelijk maakt. De Rekenkamer constateerde dat de BHO-begroting relatief
sterk scoort op het transparant maken van de maatschappelijke resultaten van beleid.
Juist doordat veel programma’s werken binnen duidelijk geformuleerde hoofddoelstellingen,
met vooraf vastgestelde resultaatindicatoren, evaluaties en internationale verantwoordingsstandaarden,
is vaak beter inzichtelijk welke resultaten met de middelen worden bereikt dan bij
veel binnenlandse uitgaven. Ook voor deze aanvullende middelen zal de verantwoording
plaatsvinden via de bestaande en door de Rekenkamer positief beoordeelde verantwoordingssystematiek.
Het lid Verkuijlen (VVD) informeerde naar de mogelijkheden om middelen in te zetten
voor de wederopbouw van Oekraïne, waarbij ook Nederlandse bedrijven een rol kunnen
spelen.
Antwoord
Het kabinet zal in 2026 versneld EUR 178 miljoen beschikbaar maken voor de niet-militaire
steun aan Oekraïne uit de enveloppe op de Aanvullende Post. Dit blijft ODA-budget
voor de steun voor herstel en wederopbouw van Oekraïne. Hierin is het Nederlandse
bedrijfsleven doorlopend betrokken. Op deze manier wordt Nederlandse kennis en kunde
ingezet. Het kabinet is voornemens om het Nederlandse bedrijfsleven te blijven betrekken
bij de steun aan Oekraïne.
Het lid Verkuijlen (VVD) informeerde naar welke regio's prioriteit hebben ten aanzien
van vrouwenrechten en mondiale gezondheid en hoe deze investeringen aansluiten bij
Nederlandse strategische belangen? Op welke manier worden resultaten inzichtelijk
gemaakt voor de Kamer? Hoe is de Minister voornemens deze middelen in te zetten? Welke
prioriteiten heeft de Minister daarvoor voor ogen?
Zoals aangekondigd in de beleidsbrief is dit kabinet voornemens om als onderdeel van
de BHOS-inzet te intensiveren op onder meer vrouwen rechten en mondiale gezondheid.
Deze inzet dient ter waarborging van de materiele en immateriële belangen van Nederland
op het gebied van veiligheid en stabiliteit, economie en handel, en de bescherming
van onze vrijheden. In de selectie van prioriteitsregio’s zoekt het kabinet partnerschappen
op met landen die op deze thema’s willen samenwerken, bijvoorbeeld in de Sahel, de
Hoorn van Afrika en de MENA-regio.
Voor de toekomstige inzet op vrouwenrechten en gendergelijkheid zal het kabinet bij
het opstellen van de BHOS-begroting 2027 bezien wat de mogelijkheden zijn tot herstel
van artikel 3.2. In afwachting daarvan heeft het kabinet reeds extra fondsen in zowel
2026 als 2027 beschikbaar gemaakt voor vrouwenrechten en gendergelijkheid (EUR 5 miljoen
per jaar). Dit wordt onder meer ingezet ter ondersteuning van lokale vrouwenrechtenorganisaties
in het mondiale zuiden via het Leading from the South Pooled Fund, en een bijdrage aan het UN Women Trust Fund to End Violence Against Women.
De Mondiale Gezondheidsstrategie 2023–2030 (Kamerstuk
2022D43454) blijft leidend voor de Nederlandse inzet op mondiale gezondheid. Het is een wereldwijde
inspanning waarbij Nederland investeert in basisgezondheidszorg, seksuele en reproductieve
rechten en pandemische paraatheid in het mondiale zuiden. Nederland geeft daarbinnen
prioriteit aan de meest kwetsbare landen en zorg voor vrouwen, kinderen en kwetsbare
groepen. Het beheersen van infectieziektes doe je daar waar de risico’s groot zijn.
Dat is in Nederlands belang. Gezonde mensen, en met name vrouwen, zijn bovendien een
vliegwiel voor economische groei en een belangrijke voorwaarde voor stabiliteit. De
Nederlandse inzet in zuidelijke landen biedt ook kansen om diplomatiek dividend op
te bouwen, wat bijvoorbeeld kan worden ingezet om landen aan boord te krijgen tijdens
voor Nederland belangrijke onderhandelingen.
Vanuit de middelen die versneld beschikbaar komen voor 2026, specifiek de 27 miljoen
voor de bestrijding van het Ebola-virus en mondiale gezondheid, doet het kabinet een
initiële extra bijdrage van EUR 3 miljoen ter ondersteuning van de door de WHO gecoördineerde
ebola respons. Het kabinet maakt uit deze middelen tevens 7 miljoen euro beschikbaar
voor de bredere inzet op gezondheidscrises. Over de verdere invulling van de ophoging
van de middelen in 2026 voor mondiale gezondheid wordt uw Kamer op een later moment
nader geïnformeerd.
Het lid Dobbe (SP) informeerde naar de bereidheid van de Minister om ervoor te zorgen
dat vrouwenrechten en LHBTI+-organisaties die door de anti-rechtenbeweging onder druk
staan, zich gesteund voelen.
Antwoord
Zoals gepresenteerd in de beleidsbrief buitenlandse zaken, staat dit kabinet voor
mensenrechten, gendergelijkheid, de rechten van minderheden, LHBTI-personen en jongeren.
Zowel diplomatiek als financiële inzet is belangrijk om deze waarden te beschermen,
in een tijd waarin deze onder druk staan. Conform deze ambitie is het kabinet voornemens
om te investeren in vrouwenrechten en zal bij het opstellen van de BHOS-begroting
2027 bezien wat de mogelijkheden zijn tot herstel van artikel 3.2 op vrouwenrechten
en gendergelijkheid. In afwachting daarvan heeft het kabinet reeds extra fondsen in
zowel 2026 als 2027 beschikbaar gemaakt voor vrouwenrechten en gendergelijkheid (EUR 5
miljoen per jaar). Dit wordt onder meer ingezet ter ondersteuning van lokale vrouwenrechtenorganisaties
in het mondiale zuiden via het Leading from the South Pooled Fund, alsook een bijdrage aan het UN Women Trust Fund to End Violence Against Women.
Het lid Lohman (CDA) informeerde naar de kabinetspositie ten aanzien van het AIV rapport
over voedselzekerheid? Hoe kijkt de Minister naar de oproep in dat rapport om te komen
tot een voedselstrategie waarin mondiale publieke goederen centraal staan? Is de Minister
bereid te verkennen welke bilaterale afspraken, al dan niet in Europees verband, kan
maken met middenmachten over voedselgrondstoffen en eiwitketens. Wil hij daartoe in
overleg treden met zijn collega’s van LVVN en BZ? Is hij bereid om de hulp- en handelsagenda
te verbinden aan de bredere Europese discussie over het GLB, zodat voedselzekerheid
ook kan worden behandeld als buitenlands beleid en niet alleen als landbouwbeleid?
Antwoord
Het AIV advies over internationale voedselzekerheid strekt zich uit over een breed
scala aan onderwerpen aangaande de internationale voedselzekerheid.
In de beleidsreactie, die op dit moment geschreven wordt, zal in samenwerking met
LVVN een integrale reactie gegeven worden op de aanbevelingen in het AIV advies.
Deze reactie zal voor de zomer aan de Tweede Kamer worden aangeboden.
Het kabinet werkt gecoördineerd samen op alle beleidsterreinen zo ook op het terrein
van de (internationale) voedselzekerheid.
De vragen gericht op coherentie en samenhang van beleid zullen dan ook grondig aan
bod komen in de toegezegde beleidsreactie.
Het lid Dassen informeerde of de Minister voornemens is bij de komende Miljoenennota
meer aandacht te besteden aan gerichte beroepsopleidingen, met het oog op jeugdwerkgelegenheid
en aansluiting tussen onderwijs en de arbeidsmarkt in ontwikkelingslanden.
Antwoord
De komende Miljoenennota zal meer aandacht besteden aan beroepsgerichte opleidingen.
Het kabinet gaat daarbij nadrukkelijker inzetten op beroepsgerichte opleidingen, door
middel van capaciteitsversterking en beurzen, in specifieke sectoren die perspectief
bieden op werk en die ook voor Nederland van belang zijn. Daarmee versterken we zowel
de kansen van jongeren en werkenden in partnerlanden als de aansluiting op sectoren
waar Nederland kennis, economische belangen en samenwerkingsmogelijkheden heeft.
Vragen over migratie en terugkeer
Het lid Verkuijlen (VVD) en het lid Dobbe (SP) vroegen naar de recente kasschuif op
de begroting en of deze ook zal worden ingezet voor de terugkeer van de Syriërs. Hoe
worden deze middelen precies besteed? Welke concrete resultaten worden hiermee behaald?
Welk effect hebben deze uitgaven op het beperken van irreguliere migratie richting
Nederland en Europa?
Antwoord
Er worden middelen vrijgemaakt voor een stabiel perspectief voor Syriërs en wederopbouw
in Syrië ten behoeve van het faciliteren van vrijwillige terugkeer. Dit vraagt investeringen
in infrastructuur, primaire voorzieningen, banen en capaciteitsopbouw. Multilaterale
organisaties hebben de expertise, capaciteit en slagkracht om hier efficiënt invulling
aan te geven. Daar zullen we zodanig in investeren, dat dit terugkeer bevordert. Nederland
blijft daarbij in gesprekken met de Syrische autoriteiten het belang van inclusie,
rechten van minderheden, en toenemende terugkeersamenwerking benadrukken en kan als
grotere donor meer invloed uitoefenen in deze gesprekken.
Het lid Verkuijlen (VVD) vroeg deze middelen voldoende strategisch worden ingezet.
Worden migratiepartnerschappen actief gebruikt om terugkeerafspraken af te dwingen
met landen van herkomst? Welke landen werken momenteel onvoldoende mee aan terugkeer?
Welke consequenties verbindt het kabinet aan het uitblijven van samenwerking?
Antwoord
Verbeterde terugkeersamenwerking is een kerndoelstelling van samenwerking, naast het
tegengaan van irreguliere migratie en het beschermen van migranten. Waar terugkeersamenwerking
onvoldoende loopt wordt via een brede samenwerking gewerkt aan verbetering. In Marokko
is dit bijvoorbeeld effectief gebleken. Bij het uitblijven van samenwerking wordt
ook op Europees niveau ingezet op maatregelen, zoals het instellen van EU-visumsancties,
en/of het intrekken van preferentiële handelstarieven. Het kabinet ziet dit als effectieve
drukmiddelen.
De migratiesamenwerking met derde landen is gebaat bij vertrouwen en vertrouwelijkheid.
Daarom geven we geen overzicht van partnerlanden en de wederzijdse inzet binnen die
partnerschappen.
Het lid Verkuijlen (VVD) vroeg of de Minister bereid is om duidelijke KPIs te ontwikkelen
voor migratie-uitgaven, niet alleen op basis van activiteit, maar vooral op basis
van resultaten. Is de Minister bereid jaarlijks inzichtelijk te maken hoeveel migratiestromen
daadwerkelijk zijn beïnvloed door deze investeringen? Kan de kamer periodiek worden
geïnformeerd over de efficiëntie van deze middelen?
Antwoord
Het kabinet streeft ernaar resultaten van onze bijdrage zo duidelijk mogelijk zichtbaar
te maken via de met uw Kamer afgesproken verantwoordingssystematiek.
Er zijn veel factoren naast opvang in de regio die de doorreisbesluiten en mogelijkheden
van vluchtelingen beïnvloeden. Onderzoeken laten zien dat wanneer er geen duurzame
opvang en perspectief in de regio wordt geboden, vluchtelingen vaker doorreizen.
Het lid Dobbe (SP) vroeg of er terugkeerhubs komen en hoeveel geld van ontwikkelingssamenwerking
er dan straks naar terugkeerhubs in de regio gaat.
Antwoord
Op dit moment bestaan er nog geen terugkeerhubs. Er is derhalve dit jaar geen financiering
voorzien. Als het kabinet erin slaagt voor het eind van het jaar een concreet voorstel
klaar te hebben, dan kan dat in 2027 leiden tot middeleninzet. Als dat gebeurt is
dat altijd om in de ontwikkelbelangen van de beoogd partner tegemoet te komen en moet
eventuele ODA-financiering voldoen aan de OESO-DAC voorwaarden voor ontwikkelingssamenwerking.
Vragen over verschillende conflictgebieden en regionaal
Afrika
Het lid Dassen (Volt) vroeg of de bezuinigingen van het kabinet de Afrika-strategie
raken en Nederland zich kan inzetten voor een gelijkwaardig partnerschap tussen de
Europese Unie en Afrika, als daar geen budgettaire ruimte meer voor is.
Antwoord
De Afrikastrategie vormt het raamwerk voor Nederland voor het ontwikkelen van onze
betrekkingen met Afrikaanse landen in een snel veranderende wereld. In het Coalitieakkoord
2026–2030 en recentelijk ook de Beleidsbrief Buitenlandse Zaken 2026 is nogmaals benadrukt
dat we via de brede Afrikastrategie bouwen we aan gelijkwaardige partnerschappen.
Aan deze strategie zelf is geen apart budget verbonden. De Afrikastrategie vormt ook
de basis voor onze inbreng in Europees verband en onze inzet op een sterke positie
van de Europese Unie in Afrika via diplomatie, economische samenwerking en ontwikkelingssamenwerking.
Nederland werkt vanuit deze visie via de EU en in samenwerking met EU-lidstaten aan
een herkenbare buitenlandstrategie, OS-inzet en investeringsagenda, waarbij Nederland
het belang benadrukt van coherentie van beleid in de samenwerking met Afrika. Het
kabinet zal de Kamer nader informeren conform het gevraagde in motie Ceder en van
Ark (Kamerstuk
36 800 XVII, nr. 50) over de voortgang van de Afrikastrategie.
Ghana
Het lid Dobbe (SP) vroeg naar de nieuwe wetgeving in Ghana gericht tegen LHBTIQ+ personen.
Antwoord
Het bevorderen van gelijke rechten voor LHBTIQ+-personen is een van de prioriteiten
binnen de inzet van het kabinet op mensenrechten. Het kabinet maakt zich grote zorgen
over de ontwikkelingen rondom wetgeving omtrent LHBTIQ+ in verschillende delen van
de wereld en de beïnvloedingsprocessen die dit versterken. Het kabinet zal deze zorgen
adresseren in bilaterale contacten, in EU-verband en in overleg met Mensenrechtenambassadeurs
en binnen de Equal Rights Coalition.
Soedan
Het lid Bamenga (D66) vroeg of de Minister bereid is zich actief in te zetten voor
een onmiddellijk staakt-het-vuren in Soedan.
Antwoord
Nederland zet zich binnen de EU actief in voor een onmiddellijk staakt-het-vuren in
Soedan en duurzame vrede.
Het conflict in Soedan is buitengewoon complex, met een veelheid aan Soedanese en
niet-Soedanese actoren. Deze ingewikkelde nationale en geopolitieke context heeft
ertoe geleid dat bemiddelingspogingen tot op heden niet tot het gewenste resultaat
hebben geleid. In dit licht geldt de samenwerking binnen de Quad, bestaande uit de
Verenigde Staten, Saudi-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten en Egypte, nog steeds
als het meest kansrijke proces om tot een staakt-het-vuren te komen.
Binnen de Europese Unie vervult Nederland een aanjagende en agenderende rol ten aanzien
van Soedan. Zo werkt Nederland onder meer samen met de EU aan het organiseren van
een expertbijeenkomst over het monitoren van een toekomstig staakt-het-vuren in Soedan,
om tijdig voorbereid te zijn op effectieve ondersteuning wanneer een akkoord binnen
bereik komt.
Het lid Bamenga (D66) vroeg of de Minister bereid is zich in te zetten voor ongehinderde
en veilige humanitaire toegang tot alle getroffen gebieden in Soedan.
Antwoord
Humanitaire toegang wordt in Soedan ernstig belemmerd, onder andere door administratieve
tegenwerking en door aanvallen op hulpverleners en burgers. Nederland zet zich actief
in voor ongehinderde en veilige humanitaire toegang.
Samen met de Europese Unie, EU-lidstaten en andere landen, waaronder het Verenigd
Koninkrijk en de Verenigde Staten, en humanitaire actoren (VN, NGO’s) oefent Nederland
diplomatieke druk uit op de strijdende partijen en de facto autoriteiten om humanitaire
toegang mogelijk te maken.
Deze gezamenlijke diplomatieke inspanningen hebben er mede toe geleid dat de grensovergang
bij Adré in Tsjaad momenteel open is, zodat humanitaire hulp Darfoer kan blijven bereiken.
Het lid Bamenga vroeg verder of de Minister bereid is zich in internationaal verband
hard te maken voor een inclusief vredesproces, waarin de Soedanese burgerbevolking
daadwerkelijk een stem krijgt in de toekomst van het land.
Antwoord
Nederland hecht groot belang aan een inclusief vredesproces in Soedan waarin de stem
van de Soedanese bevolking centraal staat. In dat licht verwelkomt Nederland het akkoord
dat op 15 april jl. tijdens de conferentie in Berlijn tussen civiele groepen is bereikt,
als een belangrijke stap richting een civiele transitie.
De Europese Unie speelt, samen met het «Quintet», een samenwerkingsverband van vijf
multilaterale organisaties, een leidende rol bij het mobiliseren van civiele groepen,
politieke actoren, het maatschappelijk middenveld, grassroots organisaties en de diaspora. Nederland werkt nauw samen met de EU op dit vlak en
ondersteunt daarnaast diverse partnerorganisaties op het gebied van vredesopbouw,
conflictbemiddeling en veiligheid van burgers. Deze organisaties zetten zich in voor
dialoog en verzoening, een inclusief vredesproces, het versterken van sociale cohesie
en het tegengaan van desinformatie en haatzaaiing. Daarbij wordt specifiek ingezet
op het versterken van de stem en de betekenisvolle participatie van vrouwen en jongeren
in alle onderdelen van het vredesproces. Veel van deze organisaties werken nauw samen
met het Quintet.
Verder vroeg het lid Bamenga (D66) of het kabinet zich in VN- en EU-verband zal inzetten
voor sancties tegen personen, bedrijven en staten die deze oorlog voeden en het VN-wapenembargo
schenden – waaronder de VAE, de GSSG en directeur Mohamed Hamdan al-Zaabi?
Antwoord
Nederland pleit in EU-verband voor aanvullende, gerichte sancties tegen degenen die
verantwoordelijk zijn voor het voortduren van de oorlog in Soedan, inclusief de strijdende
partijen op het hoogste niveau. Ook zet Nederland zich binnen de EU actief in voor
sanctiemaatregelen die specifiek zijn gericht op het tegengaan van de oorlogseconomie
in Soedan.
Wegens de vertrouwelijke aard van het sanctie-instrument kan ik niet ingaan op de
status van eventuele individuele sancties.
Midden-Oosten
Het lid Ceder (CU) informeerde of de Minister kan garanderen dat er geen enkele cent
terechtkomt bij de Syrische interim-regering.
Antwoord
De Syrische overheid ontvangt geen directe financiële ondersteuning van Nederland.
In plaats daarvan draagt Nederland via vertrouwde partners – zoals de VN – bij aan
de stabiliteit en wederopbouw van Syrië. Deze partners kennen robuuste due diligence processen, waarmee oneigenlijk gebruik van middelen vermeden wordt. Onze inzet op
capaciteitsversterking voor watermanagement en grensbeheer verloopt via private en
maatschappelijke partners.
Het lid Ceder (CU) informeerde naar de afspraken omtrent noodhulp en of deze afspraken
met de Kamer konden worden gedeeld. Wat voor noodhulp betreft het en om welke landen
of organisaties gaat het? Hoeveel van de noodhulp wordt besteed via multilaterale
organisaties en hoeveel via het maatschappelijk middenveld? Hoeveel van het extra
budget van dit jaar wordt ingezet voor diversificatie van noodhulp aan Palestijnen?
Kan de Minister vandaag toezeggen deze extra bestedingen maximaal via lokale partners
te doen?
Antwoord
Met de middelen die in 2026 beschikbaar zijn gekomen zal het kabinet humanitaire VN-organisaties,
de Rode Kruis beweging (inclusief het Nederlandse Rode Kruis) en Nederlandse NGO’s
verenigd in de Dutch Relief Alliance (DRA) voorzien van extra flexibele financiering,
zodat zij deze kunnen inzetten waar de noden het hoogst zijn.
Het ligt in de rede dat deze organisaties deze bijdragen onder andere zullen inzetten
in gebieden als Soedan, Afghanistan, Libanon of de Palestijnse gebieden.
Waarbij als er geld zal gaan naar de Palestijnse gebieden er op wordt toegezien dat
de kanaalkeuze bijdraagt aan de diversificatie van noodhulp aan Gaza.
Het lid Dobbe (SP) informeerde naar stand van zaken omtrent de medische situatie in
Gaza.
Antwoord
Het kabinet deelt de zorgen over de medische situatie in Gaza. Het kabinet blijft
zich inzetten voor de versterking van de medische capaciteit in Gaza en de regio.
Daarnaast onderzoekt het kabinet welwillend onder welke voorwaarden een evacuatie
mogelijk gemaakt kan worden. Het betreft een groep kwetsbare patiënten en het kabinet
wil dit in alle zorgvuldigheid doen. Zoals eerder aangegeven zal ik hierover uw Kamer
zo spoedig mogelijk informeren.
Het lid Dobbe (SP) vroeg naar de gedode hulpverleners in Libanon en informeerde of
de Minister zich gaat uitspreken en deze aanvallen op Libanon gaat veroordelen.
Antwoord
De regering veroordeelt de aanvallen op hulpverleners in Libanon, zowel voor als achter
de schermen. Zo heeft Nederland tijdens de World Health Assembly in Genève in mei nadrukkelijk aandacht gevraagd voor de veiligheid van gezondheidswerkers
in conflictsituaties. Nederland roept op tot gedegen en onafhankelijk onderzoek naar
aanvallen op hulpverleners. Het is in eerste instantie aan de lokale autoriteiten
om onderzoek te doen naar mogelijke schendingen. In dat kader zal Nederland de Libanese
autoriteiten (het Libanese International Humanitarian Law-comité) financieel ondersteunen. Het kabinet kijkt verder naar manieren om onderzoek
naar mogelijke schendingen te ondersteunen en Nederland steunt het kantoor van de
VN Hoge Commissaris voor de Mensenrechten (OHCHR) in Libanon met een bedrag van USD 1,5
miljoen over de jaren 2025–2026.
Vragen over het bedrijfsleven en grondstoffen
Het lid Bamenga (D66) vroeg hoe de Minister ervoor zorgt dat Nederland het komend
jaar niet opnieuw meer uit Xinjiang gaat importeren?
Antwoord
Het kabinet veroordeelt gedwongen arbeid, waar ook ter wereld, en wil niet dat producten
die met dwangarbeid vervaardigd zijn de Europese markt opkomen. Tegelijkertijd worden
niet alle producten die China via Xinjiang verlaten daar ook geproduceerd, en worden
ook niet alle producten uit Xinjiang met dwangarbeid vervaardigd. Om dwangarbeid tegen
te gaan hebben de EU-lidstaten de Anti-dwangarbeidverordening aangenomen. Het kabinet
werkt momenteel aan de implementatie van de verordening die eind 2027 van toepassing
zal worden. In deze verordening wordt de Europese Commissie verantwoordelijk voor
het onderzoek naar en vaststellen van producten met dwangarbeid buiten de EU. Daarnaast
verwacht het kabinet te allen tijde van alle Nederlandse bedrijven die internationaal
ondernemen dat zij dat doen in lijn met de OESO-richtlijnen.
Het lid Bamenga (D66) vroeg hoe de Minister ervoor zorgt dat Nederland vanaf 1 januari
2027 klaarstaat om producten die met dwangarbeid zijn gemaakt ook echt tegen te houden?
Antwoord
De Europese Anti-dwangarbeidverordening wordt van toepassing op 14 december 2027.
Tot die tijd werken Nederland en andere Europese lidstaten aan de uitvoering van de
verordening. Daarbij zet Nederland in op effectieve handhaving. De Europese Commissie
wordt daarbij verantwoordelijk voor het onderzoek doen naar en vaststellen van producten
met dwangarbeid buiten de EU. De douane wordt verantwoordelijk voor het weren van
producten gemaakt met dwangarbeid aan de grens.
Het lid Verkuijlen (VVD) vroeg hoe de Minister Nederlandse ondernemers concreet ondersteunt
bij het voldoen aan de IMVO-verplichtingen?
Antwoord
Ondersteuning op IMVO is cruciaal, met name voor het midden- en kleinbedrijf. Hiervoor
zijn verschillende instrumenten beschikbaar. Een voorbeeld is de MVO risicochecker
die door het bedrijfsleven goed gebruikt en gewaardeerd wordt. Daarnaast hebben bedrijven
via het instrument sectorale samenwerking de mogelijkheid om gezamenlijk met het maatschappelijk
middenveld en de overheid aan gepaste zorgvuldigheid te werken. Ook is er een subsidieprogramma
om specifiek het mkb te ondersteunen bij de toepassing van gepaste zorgvuldigheid
volgens de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen. Voorlichting aan bedrijven
gebeurt o.a. via het MVO-steunpunt en het postennetwerk. Het bestaande pakket aan
ondersteuningsmaateregelen en de behoefte van het bedrijfsleven voor ondersteuning
wordt regelmatig gemonitord en waar nodig doorontwikkeld.
Het lid Verkuijlen (VVD) vroeg welke rol de Minister ziet bij IMVO ondersteuning voor
branche organisaties en sectorale samenwerking?
Antwoord
Zowel brancheorganisaties als sectorale samenwerking spelen een belangrijke rol in
de ondersteuning bij IMVO. Zo werkt de SER in samenwerking met brancheorganisaties,
bedrijven, vakbonden en het maatschappelijk middenveld aan de totstandkoming van verschillende
sectorale samenwerkingsovereenkomsten. Momenteel zijn er samenwerkingsverbanden voor
de sectoren natuursteen, metaal en hernieuwbare energie. Via sectorale samenwerking
faciliteert het kabinet de samenwerking tussen bedrijven, waaronder de leden van de
branches, bij het toepassen van gepaste zorgvuldigheid. Ook kunnen de brancheorganisaties
in samenwerking met het MVO-steunpunt een belangrijke rol spelen bij het voorlichten
van hun leden over aanstaande Europese wetgeving, zoals de Corporate Sustainability Due Diligence Directive (CSDDD) en de Anti-dwangarbeid verordening.
Het lid Verkuijlen (VVD) vroeg welke concrete resultaten de Minister verwacht met
de investeringen in artikel 1.3 te behalen? Hoe draagt dit bedrag daadwerkelijk bij
aan de strategische autonomie van Nederland en wordt er gekeken naar projecten die
bijdragen aan grondstofzekerheid en strategische partnerschappen?
Antwoord
Het budget op Handel en Economie (artikel 1.3) stijgt in 2026. Met deze intensivering
beoogt het kabinet de afhankelijkheid van een beperkt aantal landen te verminderen,
de economische weerbaarheid te vergroten en nieuwe handelskansen voor Nederland te
creëren. Van dit bedrag wordt EUR 10 miljoen ingezet voor het programma DRIVE (publieke
infrastructuur) en EUR 10 miljoen voor PIDG (private infrastructuur).
Op het gebied van kritieke grondstoffen zal EUR 5 miljoen worden ingezet op initiatieven
die leiden tot lokale waardecreatie en meer duurzame en weerbare ketens, zoals het
European Partnership for Responsible Minerals en het grondstoffenprogramma van de Wereldbank. Het kabinet verwacht met deze inzet
dat het aanbod van kritieke grondstoffen duurzamer en diverser wordt, wat Europese
strategische autonomie ten goede komt.
Het resterende bedrag van EUR 1,5 miljoen wordt onder meer ingezet voor beurzen en
ondersteuning van private sectorontwikkeling via RVO, zodat benodigde vaardigheden
beter aansluiten bij de baancreatie in deze sector. Het betreft hier de inzet in de
volgende combinatielanden: Marokko, Zuid-Afrika, Egypte, Nigeria en Indonesië
Het lid Verkuijlen (VVD) vroeg hoe de Minister de samenwerking met de private sector
vormgeeft? Hoeveel private investeringen verwacht hij met eerdergenoemde middelen
aan te trekken? Is hij bereid meer gebruik te maken van innovatieve financieringsinstrumenten,
zoals blended finance, garantstellingen of revolverende fondsen? Welke meetbare doelstellingen
koppelt hij aan deze investeringen (context: inzet extra middelen voor kritieke grondstoffen)?
En hoe zorgt de Minister ervoor dat deze middelen maximale hefboomwerking krijgen
voor zowel Nederlandse belangen als internationale stabiliteit?
Antwoord
De inzet van de middelen is nadrukkelijk gericht op publiek-private samenwerking met
Nederlandse en Europese bedrijven, financiële instellingen en relevante fondsen. Via
initiatieven zoals het European Partnership for Responsible Minerals en het Extractives Industries Transparancy Initiative werkt het kabinet samen met de private sector op gebied van kritieke grondstoffen
in multi-stakeholder verband. De publieke middelen via PIDG en DRIVE worden zo ingezet
dat zij private investeringen aantrekken en niet verdringen. Op basis van ervaring
met de gekozen programma’s, verwachten wij dat er private investeringen worden gemobiliseerd.
Het is daarbij lastig in te schatten hoeveel er gemobiliseerd zal worden omdat dit
afhankelijk is van de projecten. Met name PIDG als private infrastructuur investeerder
is effectief in het mobiliseren van privaat kapitaal voor infrastructuurprojecten
in ontwikkelingslanden. In 2024 mobiliseerde PIDG bijvoorbeeld USD 2 miljard aan private
investeringen volgens de OESO-methodologie met USD 611 miljoen aan eigen kapitaal.
DRIVE kan afhankelijk van het type project ook privaat kapitaal mobiliseren, dit kan
echter ook publieke financiering zijn van bijvoorbeeld de Europese Investeringsbank.
Investeringen in projecten zullen binnen bestaande kaders worden gemonitord.
Innovatieve financieringsinstrumenten worden reeds volop ingezet en zijn belangrijk
om de beleidsdoelen op de terreinen van onder meer handel en ontwikkelingssamenwerking,
klimaat en voedselzekerheid te behalen. Ze zijn ook belangrijk om samenwerking met
de private sector te realiseren en de hoeveelheid private financiering te vergroten.
Tenslotte vormen deze instrumenten een belangrijk onderdeel van de economische partnerschappen
waar dit kabinet op inzet. Dit vindt plaats binnen de bestaande kaders voor ontwikkelings-
en handelsbeleid en in samenhang met EU-instrumenten.
Over de inzet op revolverende fondsen verwijs ik u graag naar de recent verzonden
Kamerbrief hierover (Kamerstuk
36 800-XVII, nr. 72). Door deze instrumenten gericht in te zetten op projecten met een duidelijke meerwaarde
voor zowel de Nederlandse als Europese strategische belangen als de duurzame ontwikkeling
en stabiliteit in partnerlanden, streven wij naar maximale hefboomwerking van de beschikbare
middelen.
Het lid Verkuijlen (VVD) vroeg of de Minister bereid is het onderwerp IMVO actief
op de Europese agenda te zetten om te komen tot een gelijk internationaal speelveld?
Antwoord
De totstandkoming van CSDDD levert op zichzelf al een belangrijke bijdrage aan het
internationale gelijke speelveld op het terrein van IMVO, mede omdat grote ondernemingen
uit derde landen ook onder de regelgeving vallen. De CSDDD bevat ook verschillende
bepalingen voor maximale harmonisatie, bijvoorbeeld ten aanzien van de gepaste zorgvuldigheidsverplichtingen.
Het kabinet heeft deze voorstellen tijdens de onderhandelingen actief gesteund. Ook
tijdens de implementatie zal het kabinet zich binnen Europa inzetten voor een zo hoog
mogelijk harmonisatieniveau. Het belang van gelijke speelveld wordt ook meegenomen
in een non paper over de implementatie van de CSDDD dat het kabinet in voorbereiding
heeft en uw Kamer op korte termijn zal doen toekomen. Daarnaast zet Nederland zich
in internationale fora zoals de OESO in voor een gelijk speelveld. Zo komen bij het,
mede door Nederland gefinancierde, OECD Platform on Due Diligence Cooperation beleidsmakers
van over de hele wereld samen om IMVO-beleid en regelgeving beter op elkaar af te
stemmen.
Het lid Verkuijlen (VVD) vroeg welke stappen de Minister zet richting andere lidstaten
om handhaving en implementatie binnen Europa beter op elkaar af te stemmen?
Antwoord
Zoals in het antwoord hiervoor aangegeven hecht het kabinet aan een zo hoog mogelijk
harmonisatieniveau ten behoeve van een gelijk speelveld. Daarbij is het van belang
om de implementatie en handhaving binnen Europa zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen.
Het kabinet doet dat op verschillende manieren, bijvoorbeeld door actieve inzet in
de zogenaamde transposition workshops. Hierin komen de Europese Commissie en de lidstaten samen om de implementatie van
de CSDDD met elkaar te bespreken en af te stemmen. Ook is er een belangrijke rol voor
het Europese netwerk voor toezichthouders weggelegd om de inrichting van het toezicht
op de CSDDD op Europees niveau zoveel mogelijk met elkaar in lijn te brengen.
Het lid Verkuijlen (VVD) vroeg of de Minister mogelijkheden ziet om, naast de twee
sectoren waar volgens de SER nog ruimte voor is, ook daarna meerdere sectoren toe
te voegen aan IMVO?
Antwoord
Op dit moment hebben drie sectoren een overeenkomst afgesloten en is er financiële
ruimte voor vijf sectorovereenkomsten. Daarnaast is er binnen de reeds bestaande sectorovereenkomsten
ruimte voor nieuwe bedrijven om aan te sluiten. Het Ministerie van Buitenlandse Zaken
helpt bij de werving daarvan. Bij grotere interesse vanuit het bedrijfsleven zullen
de mogelijkheden voor verdere opschaling verkend worden in samenwerking met de Sociaal
Economische Raad.
Indieners
S.W. Sjoerdsma, minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking