Brief regering : Stand van zaken gewasbescherming
27 858 Gewasbeschermingsbeleid
Nr. 764
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 10 juni 2026
Hierbij informeer ik u over de voortgang van enkele dossiers op het gebied van gewasbescherming.
In deze brief wil ik, ter voorbereiding op het debat gewasbeschermingsmiddelen van
11 juni aanstaande, de stand van zaken op het convenant gewasbescherming en vervolgens op enkele onderwerpen met betrekking tot de toelating en toepassing van gewasbeschermingsmiddelen.
Over de voortgang van de Europese besprekingen over het Omnibus voorstel voor de veiligheid
van voedsel en diervoeder zal uw Kamer apart worden geïnformeerd.
Stand van zaken convenant gewasbescherming
Onder leiding van Gert-Jan Segers als onafhankelijk voorzitter zijn op 6 mei gesprekken
gestart over een convenant voor gewasbeschermingsmiddelen. Inzet hierbij is het gebruik
van schadelijke gewasbeschermingsmiddelen in de plantaardige sector fors terug te
dringen. Richting 2040 – met mijlpalen in 2031, 2033 en 2035 – moet de plantaardige
sector stap voor stap transformeren zodat ze een bijdrage levert aan de bescherming
van water, natuur en gezondheid, en een goed verdienmodel voor telers (Kamerstuk 27 858, nr.745).
Met de keuze om afspraken op hoofdlijnen vast te leggen in een convenant met veel
partijen, wil ik in de eerste plaats bereiken dat maximaal draagvlak en verbinding
ontstaat voor de te behalen doelen, waaronder de doelen van de Kaderrichtlijn Water
(KRW). Zoals gemeld (Kamerstuk 27 858, nr.745) is de inzet om dit convenant op hoofdlijnen op te leveren vóór de zomer. Daarmee
wordt een eerste stap gezet en blijft verdere invulling nodig. Dit zal na de zomer
vorm moeten krijgen in deelconvenanten. Ik zal u voor de zomer over de uitkomst van
de gesprekken informeren.
Toelating van gewasbeschermingsmiddelen
Toelating en toepassing nationaal afstemmen op KRW-normen
IenW en LVVN nemen diverse acties in het belang van de doelen van de KRW (Kamerstuk
27 625, nr. 716). Zo wordt er gewerkt aan een nieuwe methodiek om de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
af te stemmen op KRW-genormeerde stoffen die de normen structureel overschrijden.
Inmiddels is de selectiemethodiek ontwikkeld waarmee het Ctgb die normoverschrijdingen
kan selecteren die aannemelijk kunnen voortkomen als gevolg van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen
volgens wettelijke gebruiksvoorschrift. Daarnaast werken Wageningen Research (WR)
en Deltares aan het wetenschappelijke model dat beschrijft hoe toelatingen moeten
worden beoordeeld aan de KRW-normen in KRW-waterlichamen. Het interim model is opgeleverd
en wordt in 2026 verder ontwikkeld tot de definitieve beoordelingsmethodiek. Een en
ander zal zijn beslag krijgen via een wijziging van de Regeling gewasbeschermingsmiddelen
en biociden (Rgb). Naar verwachting kan het Ctgb dan vanaf begin 2027 starten met
de herbeoordelingen op basis van KRW-genormeerde stoffen. Op basis van een analyse
die is uitgevoerd in het KRW impulsprogramma zijn hiervoor 11 werkzame stoffen in
nog toegelaten gewasbeschermingsmiddelen in beeld. De herbeoordeling van middelen
op basis van deze stoffen kan leiden tot gebruiksbeperkingen. Of en in welke mate
dat gebeurt, zal duidelijk worden tijdens de beoordeling.
WUR impactanalyse TFA middelen
Het Ctgb heeft op 19 januari 2026 aangekondigd dat het 46 gewasbeschermingsmiddelen
die de metaboliet trifluorazijnzuur (TFA, een PFAS) vormen tussentijds gaat herbeoordelen
op basis van nieuwe wetenschappelijke informatie uit Denemarken (Kamerstuk 27 858, nr. 739). Omdat deze herbeoordeling mogelijk grote gevolgen kan hebben voor de beschikbaarheid
van gewasbeschermingsmiddelen voor de Nederlandse landbouw heeft Wageningen University
& Research (WUR) op mijn verzoek een impactanalyse uitgevoerd voor de middelen die
nu worden herbeoordeeld. De bijgevoegde impactanalyse laat zien dat verschillende
teelten voor het bestrijden van ziekten en plagen in die teelten nog erg afhankelijk
zijn van TFA-vormende middelen. Mocht het Ctgb ingrijpen bij middelen die TFA vormen,
dan zal het aanbod van stoffen met verschillende werkingsmechanismen afnemen. Hierdoor
neemt het risico op resistentie tegen de overgebleven actieve stoffen en resistentiegenen
toe. Om resistentie te beheersen, is het daarom essentieel dat er effectieve laag-risicomiddelen
met nieuwe werkingsmechanismen op de markt komen.
Inmiddels heb ik deze uitkomsten samen met de sector besproken waarbij het beeld van
de potentiële impact voor teelten breed wordt gedragen. Binnen het convenant gewasbeschermingsmiddelen,
waarover momenteel wordt onderhandeld, wil ik samen met stakeholders afspraken maken
hoe we de afhankelijkheid van deze middelen kunnen verminderen door bijvoorbeeld (groene
of niet chemische) alternatieven sneller toepasbaar te krijgen of het gebruik van
weerbare rassen binnen de keten te bevorderen. Daarnaast wil ik kijken hoe de sector
in het vervolg op het praktijkprogramma plantgezondheid pilots kan opzetten waarin
alternatieven worden beproefd. Ook zet ik in op de verdere praktijkgerichte en fundamentele
kennisontwikkeling via het innovatiespoor van het convenant.
Uitsluiten niet-nalevers voor vrijstelling
Uw Kamer is op 4 februari 2026 (Kamerstuk 27 858, nr. 741) geïnformeerd over de stand van zaken over het uitsluiten van niet-nalevers voor
een volgende vrijstelling. Uitkomst van de verdere verkenning is het voornemen om
in 2027 een inflatiecorrectie plaats te laten vinden op de boetebedragen zoals deze
zijn opgenomen in de bijlage bij de Rgb. Deze correctie zal plaatsvinden voor zowel
de boetebedragen voor gewasbeschermingsmiddelen als die voor biociden. Deze bedragen
zijn sinds 2008 niet meer aangepast. De inflatie tussen 2008 en heden bedraagt 54%.
Tevens onderzoek ik of deze inflatiecorrectie richting de toekomst op een gestructureerde
manier vormgegeven kan worden. Dit is een eerste stap die op korte termijn genomen
kan worden.
Tegelijkertijd wordt er komende maanden verder verkend hoe de (financiële) bedrijfsomvang
in dezelfde periode gewijzigd is, en wat dat betekent voor de hoogte van de bestuurlijke
boetes, ook gelet de aanbeveling om tot differentiatie van de boetebedragen te komen,
zoals die is gedaan in het rapport over de evaluatie van de Wet gewasbeschermingsmiddelen
en biociden (Wgb)1. Daarbij wordt er ook gekeken naar het verschil in boetebedragen tussen het overtreden
van het gebruiksvoorschrift van een vrijgesteld middel versus het overtreden van het
gebruiksvoorschrift van een regulier toegelaten middel als ook naar het overtreden
van de voorwaarden uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Op dit moment
worden voor vergelijkbare overtredingen verschillende boetebedragen gehanteerd, de
wens is om dit te uniformeren.
We geven de sector op dit moment veel vertrouwen om de voorschriften uit eigen beweging
na te leven, hier wordt echter niet altijd zorgvuldig mee omgegaan. Bewuste overtredingen
verdienen hogere boetes. Daarom ben ik voornemens de boetebedragen fors te verhogen.
Daar staat dan tegenover dat er voldoende mogelijkheden moeten zijn om bij geringe
overtredingen of oprechte vergissingen coulance toe te passen vanuit toezichthouders.
Hier moet de hiervoor benoemde differentiatie een belangrijke rol in spelen.
Toepassing van gewasbeschermingsmiddelen
Groene praktijkpilots
Het vergroten van de beschikbaarheid van laag-risico groene middelen voor telers en
het stimuleren van gebruik daarvan is één van de speerpunten van het gewasbeschermingsbeleid.
Daarom zijn dit jaar in samenwerking met de sector pilots opgestart in zowel de open
als de bedekte teelt om kennis op te doen over versnelde integratie van nieuwe groene
middelen in geïntegreerde teeltsystemen. Dit project faciliteert experimenteerruimte
met nieuwe groene middelen, voorafgaand aan hun definitieve toelating. Hiermee wordt
bijgedragen aan versnelde implementatie in de praktijk van groene middelen waarbij
tevens wordt voldaan aan de geldende wettelijke kaders. Doordat de pilots inspelen
op Mycosphaerella in de komkommerteelt en Phytophthora in de aardappelteelt, wordt tegelijkertijd ook bijgedragen aan het verlichten van
deze prangende knelpunten. Dit project is een toonbeeld van succesvolle samenwerking
tussen sector en overheid waarbij er gezamenlijke stappen worden gezet om het gebruik
van schadelijke chemische middelen te verminderen. Met bovengenoemde pilots geef ik
uitvoering aan de motie Van der Plas (Kamerstuk 27 858, nr. 720).
Aanscherpen eisen voor vakbekwaamheidsbewijs
In lijn met de motie Van Campen (Kamerstuk 27 858, nr. 691) vind ik het belangrijk dat binnen de opleiding voor een vakbekwaamheidsbewijs gewasbescherming
aandacht wordt besteed aan zowel de reductie van het gebruik van hoogrisicomiddelen
(kandidaten ter vervanging) als de correcte naleving van de gebruiksvoorschriften.
Ik heb uw Kamer hier afgelopen maart over geïnformeerd (2026Z03541). Inmiddels zijn deze onderwerpen opgenomen in het aanbod van nascholing die moet
worden gevolgd om in het bezit te blijven van een bewijs van vakbekwaamheid. Ik beschouw
de genoemde motie daarmee als afgedaan.
Precisietechnieken voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen
Precisiebespuitingstechnieken voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen maken
efficiënter en gerichter gebruik mogelijk, wat kan bijdragen aan de veiligheid voor
mens, dier en milieu en beschermdoelen zoals waterkwaliteit. Om de bijdrage aan veiligheid
en beschermdoelen te realiseren, moeten de randvoorwaarden voor de toelating, juist
gebruik, en toezicht & handhaving op orde zijn. Binnen het Uitvoeringsprogramma van
de Toekomstvisie gewasbescherming 2030 wordt met diverse stakeholders samengewerkt
aan het creëren van deze randvoorwaarden. Hieronder ga ik nader in op de reeds gezette
en nog te nemen stappen voor het op orde brengen van deze randvoorwaarden.
Op dit moment zijn al minstens vijf type spotsprayers beschikbaar en dat aantal zal
naar verwachting groeien. Daarom is het van belang om eenduidige informatievoorziening
te bieden over de wettelijke eisen bij toepassing van precisiebespuitingstechnieken.
In samenwerking met de partners van het uitvoeringsprogramma is in het Informatiepunt
Leefomgeving een document opgenomen dat deze eisen verduidelijkt2. Deze informatie zal verder worden ontwikkeld en uitgebreid aan de hand van nieuwe
inzichten en ontwikkelingen.
Daarnaast zijn samen met de betrokken partijen de benodigde acties voor de ingebruikname
van equivalente rijdende precisietechnieken in kaart gebracht. Een techniek is «equivalent» als de dosering
per toepassing hooguit gelijk is aan de dosering met toepassing conventionele techniek
waarmee een geheel perceel wordt bespoten. Hierdoor kunnen innovatieve technieken
binnen bestaande wettelijke gebruiksvoorschriften worden toegepast. Dit voorkomt dat
bestaande wettelijke gebruiksvoorschriften moeten worden aangepast om toepassing van
innovatieve technieken mogelijk te maken. De focus ligt op rijdende precisietechnieken omdat vliegende technieken als spuitdrones in Nederland op dit
moment verboden zijn en niet voldoen aan de driftreductie van tenminste 75% van het
Besluit Activiteiten Leefomgeving. Drones kunnen wel een belangrijke bijdrage leveren
aan precisiegewasbescherming door onkruid-, ziekte- of plaagdruk vast te stellen.
Deze data kan omgezet worden in taakkaarten voor plaatsspecifieke toepassing van gewasbeschermingsmiddelen
door middel van rijdende precisietechnieken.
Voor de toepassing van rijdende precisiebespuitingstechnieken binnen het huidige toelatingskader
van gewasbeschermingsmiddelen heb ik een onderzoeksvraag uitgezet bij Wageningen Research
(WR). Het doel van dit onderzoek is duidelijkheid bieden waar een toepassing met precisietechniek
aan moet voldoen om binnen de huidige risicobeoordeling van het toelatingskader van
gewasbeschermingsmiddelen zoals dat door het Ctgb wordt toegepast te kunnen worden
meegenomen. Het streven van Nederland is te komen tot geharmoniseerde regels op EU-niveau
op het bovenstaande. Daarom ben ik blij met de stappen die gezet worden door de ISO-werkgroep
en onderhoud ikzelf nauwe contacten met andere EU-lidstaten via bijvoorbeeld het EU
permanent comité SCoPAFF (Standing Committee for Plants, Animals, Food & Feed).
Voor het kunnen uitoefenen van adequaat toezicht op het juiste gebruik van precisietechnieken
stelt WR een werkplan op in afstemming met belanghebbenden zoals de NVWA. Dit richt
zich o.a. op de randvoorwaarden voor dataontsluiting bij de toepassing van gewasbescherming
met equivalente rijdende technieken, waaronder digitale registratie, digitale verantwoording
en data-eigenaarschap. Zo moeten toepassers van precisietechnieken door middel van
data bij toezichthouders kunnen aantonen dat deze technieken binnen de wettelijke
gebruiksvoorschriften zijn toegepast. Dit is bijvoorbeeld nodig om vast te kunnen
stellen of spots in een groeiseizoen niet vaker zijn bespoten dan het wettelijke gebruiksvoorschrift
voorschrijft. Om aansluiting bij de praktijk te waarborgen, wordt het onderzoek uitgevoerd
in samenwerking met bovengenoemde overheidspartners en brancheorganisaties.
Met bovengenoemde informatie over de voortgang van de gesprekken met de sector geef
ik uitvoering aan de toezegging van de voormalige Minister van LVVN (TZ202505–068).
Natuurmonitoring
In 2025 heeft de WUR, op verzoek van LVVN, onderzoek uitgevoerd naar de kennis over
de effecten van gewasbeschermingsmiddelen op Natura 2000-gebieden. Het rapport, dat
in februari 2026 is verschenen3, laat zien dat gewasbeschermingsmiddelen in Natura 2000-gebieden worden aangetroffen.
Tegelijkertijd blijkt dat de ecotoxicologische kennis over langdurige en cumulatieve
effecten nog beperkt is. Ook is de huidige monitoring te incidenteel om ruimtelijke
en seizoensgebonden patronen voldoende in beeld te brengen.
In het vervolgonderzoek werkt WUR aan de ontwikkeling van een praktisch en wetenschappelijk
onderbouwd raamwerk om zowel de aanwezigheid van gewasbeschermingsmiddelen als de
mogelijke ecologische effecten beter inzichtelijk te maken. Daarbij staat de combinatie
van modellen en metingen centraal. Modellen bieden inzicht in de verspreiding van
stoffen en de locaties waar deze terechtkomen, terwijl metingen nodig zijn om deze
voorspellingen te toetsen en de daadwerkelijke blootstelling vast te stellen.
Het project resulteert in twee concrete producten. Ten eerste wordt een gestandaardiseerd
monitoringsprotocol ontwikkeld, zodat metingen op uniforme wijze kunnen worden uitgevoerd.
Ten tweede wordt een methodiek ontwikkeld waarmee meetgegevens kunnen worden vertaald
naar mogelijke ecologische effecten. Hiermee moet beter inzicht ontstaan in de omstandigheden
waaronder risico’s voor Natura 2000-gebieden kunnen optreden.
Verplichten alternatieven voor toepassen gewasbeschermingsmiddelen
Op 26 november 2024 is uw Kamer geïnformeerd (Kamerstuk 27 858, nr. 683) over het wijzigingsvoorstel van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden
waarin het mogelijk wordt om alternatieven voor gewasbeschermingsmiddelen te verplichten.
De Afdeling advisering van de Raad van State (Afdeling RvS) heeft op 13 augustus 2025
een advies uitgebracht4 over dit wijzigingsvoorstel (Kamerstuk 27 858, nr. 711) waarbij de Afdeling RvS een aantal bezwaren maakt bij het ontwerpbesluit en adviseert
het besluit niet te nemen, tenzij het is aangepast. Zij adviseert het ontwerpbesluit
na aanpassing opnieuw voor advies aan haar voor te leggen.
De belangrijkste bezwaren van de Afdeling RvS betreffen de onderbouwing van de beoogde
maatregelen en het niveau van de regelgeving. Allereerst is volgens de Afdeling RvS
in de toelichting bij het ontwerpbesluit onvoldoende onderbouwd hoe de voorgestelde
verplichting kan bijdragen aan de doelstelling van bevordering van alternatieven zoals
opgenomen in de Europese Richtlijn duurzaam gebruik. Uit de toelichting blijkt namelijk
niet onder welke omstandigheden uitsluitend niet-chemische alternatieven adequate
bescherming bieden tegen ziekten, plagen en onkruiden. Daarmee is nog niet bekend
in hoeverre de grondslag in de praktijk kan worden toegepast. De bescherming van het
milieu en de gezondheid van mens en dier zijn daarbij niet gebaat. Verder wijst de
Afdeling RvS erop dat op basis van het ontwerpbesluit niet kan worden vastgesteld
voor wie de verplichting tot het gebruik van alternatieven geldt en voor welke toepassingen
en teelten. Dit zijn evenwel belangrijke elementen, die dan ook ten minste op het
niveau van een algemene maatregel van bestuur (het ontwerpbesluit) dienen te worden
vastgelegd. Voor zover hiervoor nog nader onderzoek nodig is, dient dit te worden
verricht voorafgaand aan het vaststellen van het ontwerpbesluit. Op die manier kunnen
de belangrijke elementen van een verplichte alternatieve methode op het juiste regelgevingsniveau
worden geregeld.
Vanwege de bezwaren van de Afdeling RvS zal ik het gebruik van alternatieven voor
schadelijke gewasbeschermingsmiddelen inbrengen bij de lopende gesprekken over het
convenant gewasbeschermingsmiddelen (Kamerstuk 27 858, nr. 745). Hierbij wil ik harde afspraken maken met stakeholders aan de hand waarvan het traject
van de algemene maatregel van bestuur opnieuw zal worden bekeken.
Monitoringsrapportage uitvoeringsprogramma
Bijgevoegd treft u de monitoringsrapportage 2025 van het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie
gewasbescherming 2030 (UP) aan.
De monitoring omvat 16 indicatoren, gekoppeld aan drie strategische doelen van het
UP. Deze doelen zijn:
1. Planten en teeltsystemen zijn weerbaar,
2. Land- en tuinbouw en natuur zijn met elkaar verbonden en
3. Nagenoeg zonder emissies naar het milieu en nagenoeg zonder residuen op producten.
De indicatoren laten een wisselend beeld zien. Waar er voor het eerste doel goede
stappen gezet worden, is dat bij het tweede doel minder duidelijk. Bij het derde doel
is weer een wisselend beeld zichtbaar. In totaal laten vier indicatoren een ongewenste
trend zien. Dit zijn de living planet index (LPI) en het aantreffen van gewasbeschermingsmiddelen
in grondwater, die een onwenselijke trend laten zien en de indicatoren voor chronische
en acute normoverschrijdingen in het oppervlaktewater die geen vermindering laten
zien waar een afname gewenst is. De LPI geeft een beeld van de gemiddelde verandering
in populatieomvang van vrijwel alle inheemse broedvogels, reptielen, amfibieën, vlinder,
libellen, zoogdieren en zoetwatervissen. Dit gebeurt door het gemiddelde te nemen
van de populatieontwikkeling van alle onderzochte soorten. Voor de LPI is gewasbescherming
slechts een van de drukfactoren naast bijvoorbeeld droogte. Bij het aantreffen van
gewasbeschermingsmiddelen in het (ondiepe) grondwater is er sprake van een achteruitgang
doordat er meer stoffen uit gewasbeschermingsmiddelen worden aangetroffen. De indicatoren
voor het aantal chronische en acute normoverschrijdingen in het oppervlaktewater laten
geen afnemende trend zien.
Knelpunten in teelten
Naar aanleiding van de aangenomen motie van het lid Van der Plas (Kamerstuk 22 112 nr. 4337) vind u bijgevoegd een geactualiseerde lijst met knelpunten in verschillende teelten.
Ik heb deze motie oordeel Kamer gegeven met daarbij de interpretatie dat concrete
actieplannen op deze korte termijn niet te produceren zijn en dat dit samenhangt met
het convenant. Mijn voornemen is om voor het einde van dit jaar een uitgebreidere
versie van de lijst van knelpunten aan uw Kamer toe te zenden.
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur S.P.A Erkens
Indieners
S.P.A. Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur