Brief regering : Verbeterplan taaleis
34 352 Uitvoering en evaluatie Participatiewet
Nr. 370
BRIEF VAN DE MINISTER VAN WERK EN PARTICIPATIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 10 juni 2026
Om mee te kunnen doen in onze samenleving is de beheersing van de Nederlandse taal
cruciaal. Wanneer je bijstand ontvangt, word je geacht alles te doen wat binnen je
eigen vermogen ligt om zo snel mogelijk (weer) in het eigen levensonderhoud te kunnen
voorzien. Daarbij hoort ook dat men de verantwoordelijkheid heeft om de Nederlandse
taal voldoende te beheersen, zoals is vastgelegd met de taaleis in artikel 18b van
de Participatiewet.
Gebleken is dat de taaleis op onderdelen niet goed aansluit op de praktijk van mensen
in de bijstand, van gemeenten en van taalaanbieders. Het vorige kabinet heeft uw Kamer
hierover geïnformeerd met de brief van 29 september 2025.1 Ook is er al lange tijd discussie over het vraagstuk of de taaleis wel of niet wordt
uitgevoerd door gemeenten.
In lijn met de moties van de leden Yesilgöz-Zegerius en Bontenbal2 en De Kort en Flach3 zijn de mogelijkheden voor een effectievere taaleis in de Participatiewet in kaart
gebracht. De taaleis zal door de verbeteringen meer aansluiten op wat mensen in de
bijstand nodig hebben om een stap naar werk te kunnen zetten. Het zal tevens leiden
tot een beter uitvoerbare regeling en betere handhavingsmogelijkheden voor gemeenten.
Met deze brief wordt uw Kamer geïnformeerd over het verbeterplan. In het bestuurlijk
overleg met de VNG en gemeenten heb ik ook aangegeven dat als gemeenten (principieel)
geen uitvoering willen geven aan de huidige en straks verbeterde taaleis, ik mij genoodzaakt
zal zien om hiertegen op te treden. De afspraak van dit kabinet is immers helder:
iedereen doet mee; de taal beheersen is een belangrijke randvoorwaarde voor volwaardige
deelname aan onze samenleving.
Update evaluatie taaleis
Er is een update uitgevoerd van de evaluatie van de taaleis in 2019. Deze evaluatie
is bij deze brief gevoegd. Er zijn 106 reacties binnengekomen.4 Uit de evaluatie volgt dat de knelpunten uit 2019 nog steeds bestaan.
Een aantal belangrijke uitkomsten uit de evaluatie zijn:
– 76 gemeenten bieden formele taaltrajecten aan, 72 gemeenten bieden
– non-formele taaltrajecten aan en 66 bieden informele taaltrajecten aan.
– 15 gemeenten zien de taaleis als een effectief middel. 55 gemeenten zien de taaleis
niet als een effectief middel.
– 70 gemeenten geven aan dat er sprake is van veel bureaucratie en uitvoeringslasten.
– 62 gemeenten vinden de doelgroep van de wet te smal.
– 36 gemeenten geven aan dat er te weinig ruimte is voor maatwerk.
Aanpassingen van de taaleis
Zoals eerder met uw Kamer gedeeld zijn de uitgangspunten van het kabinet bij het verbeteren
van de taaleis:
– Taaleis die werkt voor iedereen in de bijstand die taalvaardigheid kan ontwikkelen.
– Ruimte zoeken om aan te sluiten bij wat iemand nodig heeft voor de stap naar werk.
– Verminderen van de administratieve lasten en hoge uitvoeringskosten bij gemeenten.
– Taaleis als onderdeel van een integraal re-integratietraject.
Op basis van de uitkomsten van de recente evaluatie en gesprekken met gemeenten, werkgevers,
arbeidsmarktregio’s en taalaanbieders is een verbeterplan opgezet. Op basis van deze
input worden de volgende aanpassingen in gang gezet:
1. Doel en doelgroep taaleis: uitstroom naar werk bevorderen voor de brede doelgroep waarvoor taal nu
een belemmering is.
Het doel van de taaleis wordt nog nadrukkelijker toegespitst op het wegnemen van de
belemmering «taal» in het vinden en behouden van werk. Voorgesteld wordt om de taaleis
op te leggen als het onvoldoende beheersen van de Nederlandse taal een belemmering
vormt om werk te vinden of te behouden. Van mensen wordt dan gevraagd om zich in te
spannen om de Nederlandse taal (beter) te gaan beheersen.
Daarbij hoort dat er ook anders kan worden gekeken naar de groep die baat heeft bij
een taaleis: mensen die kunnen werken en waarvoor taal een belemmering is. Ook wanneer
iemand acht jaar Nederlandstalig onderwijs heeft gevolgd of het inburgeringsexamen
heeft gehaald, kan taal nog steeds een belemmering zijn. Daarmee wordt afgestapt van
de veronderstelling in de huidige wet dat men voldoende Nederlands beheerst wanneer
1) iemand minimaal acht jaar Nederlandstalig onderwijs heeft gevolgd of 2) iemand
het inburgeringsexamen heeft gehaald of 3) via documenten kan aantonen dat hij of
zij de Nederlandse taal op niveau 1F machtig is. De doelgroep die onder de taaleis
komt te vallen, wordt dus groter. We gaan kijken naar wat de mensen echt kunnen en
nodig hebben om mee te doen.
Mensen met een AIO-uitkering en mensen die ontheven zijn van de arbeids- en participatieverplichtingen
(bijvoorbeeld door chronische ziekte) worden uitgezonderd van de taaleis door deze
wijziging.
2. Gevraagd taalniveau blijft 1F, expliciet ruimte voor maatwerk als het werk daarom vraagt.
Op dit moment is het taalniveau vastgesteld op 1F (gelijk aan Europees referentiekader
A2). Omdat dit taalniveau niet voor iedereen haalbaar is en niet voor alle sectoren
op de arbeidsmarkt noodzakelijk is, is verkend of dit niveau aangepast moet worden
of losgelaten kan worden. Ik heb besloten om dit niet te doen vanuit een principieel
oogpunt: de Nederlandse taal beheersen is de basis om mee te kunnen doen.
Daarnaast biedt het vasthouden aan taalniveau 1F ook duidelijkheid voor gemeenten
en mensen in de bijstand. Door te werken met één taalniveau is ook de verwachting
dat (te) grote verschillen in de uitvoering worden voorkomen. Tegelijkertijd is er
ruimte nodig om het niveau (deels) los te laten in uitzonderlijke gevallen. Bijvoorbeeld
wanneer het beheersen van de Nederlandse taal op 1F-niveau niet op alle vereiste onderdelen
(lezen, schrijven, gespreksvaardigheid, luisteren, spreken) nodig blijkt te zijn om
aan het werk te gaan of als daadwerkelijk blijkt dat 1F-niveau niet haalbaar is vanwege
bijvoorbeeld de leerbaarheid van de persoon. Het (beoogde) werk is hierbij leidend.
3. Beoordeling van het taalniveau door taaltoets of de consulent van de gemeente
Op dit moment zijn gemeenten verplicht om bij een bijstandsaanvraag een taaltoets
af te nemen om vast te kunnen stellen of men voldoet aan het taalniveau 1F. Gemeenten
geven aan dat een taaltoets hiervoor niet altijd een effectief instrument is, bijvoorbeeld
als blijkt dat mensen in een gesprek met de gemeente overduidelijk de Nederlandse
taal niet beheersen. Daarom wil ik de gemeente ruimte geven om af te zien van een
taaltoets, als deze toets een belemmering vormt. Als blijkt dat iemand evident de
taal (on)voldoende beheerst, kan de beoordeling van de consulent volstaan om het taalniveau
vast te stellen.
Dit sluit aan bij de huidige werkwijze van een groot deel van de gemeenten. Uit de
evaluatie blijkt dat in 72 van de 106 gemeenten de consulent een inschatting van het
taalniveau maakt, al dan niet mede op basis van bewijsstukken. Deze wijziging zorgt
voor een vermindering van de administratieve lasten. Tegelijkertijd blijft er een
verplichting om een taaltoets af te nemen in niet evidente gevallen.
4. Taal wordt integraal onderdeel van re-integratietraject
Op dit moment is er een eigen proces voor het toetsen en monitoren van de voortgang
van de inspanning om de taal te leren. Dit proces sluit niet aan op het integrale
re-integratieproces. Hierdoor is het ingewikkeld voor gemeenten om dat in samenhang
te organiseren, terwijl taal vaak juist één van de factoren is binnen een re-integratietraject.
Ik ga de termijnen voor de taaleis gelijktrekken met de termijnen voor het re-integratietraject.
Door deze wijziging kunnen gemeenten het toetsen en monitoren van de voortgang van
de taal meenemen in het integrale re-integratietraject en is er de mogelijkheid om
naar de persoon als geheel te kijken. Hiermee draagt deze wijziging bij aan het verminderen
van administratieve lasten voor gemeenten, omdat zij geen afzonderlijk proces of extra
instrumenten meer op hoeven te zetten voor de beoordeling van het taalniveau. Deze
wijziging doet niet af aan de verplichting voor gemeenten om het taalniveau van mensen
in de bijstand te toetsen.
5. Betere monitoring van effecten en uitvoering taaleis
Op dit moment is er beperkt zicht op de uitvoering van de taaleis. Het is nu niet
inzichtelijk hoe de taaleis wordt ingezet of hoe effectief deze is. Er is enkel zicht
op hoe vaak er op grond van de taaleis een maatregel wordt opgelegd. Dat zegt onvoldoende
over de uitvoering van de taaleis in zijn algemeenheid. Daarom stel ik voor om, aanvullend
op de monitoring van het aantal maatregelen dat wordt opgelegd, de taaleis mee te
nemen in de bredere monitoring van de Participatiewet. Hiermee kom ik ook tegemoet
aan mijn toezegging aan het lid Ceulemans.5
Uit de update van de evaluatie blijkt onder meer dat binnen gemeenten de uitvoering
van de taaleis in de Participatiewet en inspanningen van mensen in de bijstand gericht
op taalverbetering in verschillende mate en op verschillende wijze worden geregistreerd
en gemonitord.
Momenteel wordt samen met gemeenten en het CBS geïnventariseerd hoe de taaleis in
bestaande statistiek opgenomen wordt. Dit plaatst de taaleis ook in de bredere context
van re-integratie: als één van de belemmeringen die men kan ervaren in het vinden
van werk. Op deze manier is de verwachting dat periodiek en systematisch zicht gekregen
wordt op het aantal mensen in de bijstand dat een taaltraject volgt.
Financiën
Vanwege een verwachte toename van het aantal WIA-instroomgevallen ten tijde van de
voorjaarsbesluitvorming is er minder financiële ruimte voor extra taalonderwijs voor
mensen in de bijstand. Conform de begrotingsregels moeten tegenvallers binnen het
eigen departement worden opgevangen. Het kabinet heeft ervoor gekozen om dekking te
vinden in middelen die nog niet zijn uitgegeven, zoals de gereserveerde middelen in
het kader van de taaleis. Hierdoor zijn er op dit moment geen extra financiële middelen
beschikbaar voor gemeenten om effectiever taalonderwijs te kunnen organiseren. Het
gaat hierbij uitsluitend om de taaleis van mensen in de bijstand, niet om het taalaanbod
voor inburgeringsplichtigen. De bestaande financiële middelen die gemeenten in kunnen
zetten voor taalonderwijs (via het re-integratiebudget en de WEB-middelen) blijven
wel in stand.
Ik meen ook dat met de bestaande financiële stromen de gemeenten voldoende in staat
zijn de mensen in de bijstand te ondersteunen op taal. Ook omdat het in eerste instantie
de verantwoordelijkheid van de persoon in de bijstand zelf is om de Nederlandse taal
voldoende te beheersen. Als dat niet lukt, is het aan hen om te kijken op welke manieren
zij daar ondersteuning bij kunnen krijgen in hun omgeving, bijvoorbeeld via taalcafés
of taalmaatjes. Wanneer ook dit niet lukt, kan de gemeente hen ondersteunen.
Handhaving
Het kabinet vindt de beheersing van de Nederlandse taal cruciaal. Dit is nodig om
mee te doen op de Nederlandse arbeidsmarkt. Daarom is de taaleis opgenomen in de Participatiewet.
Het is noodzakelijk dat gemeenten goed in staat zijn om te handhaven.
Dit kabinet wil de complexiteit in de handhaving van het sociale zekerheidsstelsel
verminderen en meer ruimte bieden om rekening te houden met individuele gevallen.
Met het wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid krijgen gemeenten meer ruimte om
aan te sluiten bij iemands situatie. Ik ga ervan uit dat de hiervoor genoemde verbeteringen
samen met de ruimte die ontstaat door dit wetsvoorstel, zorgen voor een taaleis die
gemeenten beter kunnen uitvoeren en handhaven.
Oorspronkelijk bevatte de Participatiewet een afzonderlijk handhavingsregime voor
de taaleis. Met het wetsvoorstel handhaving sociale zekerheid wordt dat meer in lijn
gebracht met andere arbeidsverplichtingen. Dit betekent dat als de gemeente constateert
dat iemand de Nederlandse taal niet of onvoldoende beheerst en zich niet inspant om
de taal te leren, de uitkering gedurende één maand verlaagd wordt met 25 procent.
Het idee is dat iemand gedurende die maand aan de verplichting gaat voldoen en daarmee
een nieuwe verlaging niet nodig zal zijn. Als iemand geen verbetering laat zien, kan
de gemeente de uitkering opnieuw verlagen. Bij herhaaldelijke niet-naleving kan de
verlaging verdubbeld worden, oplopend tot een verlaging van 100 procent. De toepassing
van deze verdubbeling is een discretionaire bevoegdheid voor gemeenten.
Dit wetstraject geeft gehoor aan de motie van de leden Michon-Derkzen en De Beer6 over het voorbereiden van wetgeving om handhaving op de taaleis effectief vorm te
geven in alle gemeenten.
Maar laat ik helder zijn. De wet is de wet. Ik acht de knelpunten onder de huidige
Participatiewet niet dermate groot dat de taaleis niet uitvoerbaar en handhaafbaar
is. Als gemeenten het standpunt innemen dat zij de taaleis niet gaan uitvoeren en
handhaven, dan zal ik richting hen optreden en de eerste stap op de escalatieladder
zetten. Indien gemeenten niet bereid zijn alsnog uitvoering te geven aan de wet, zal
ik overgaan tot het aanzeggen van een aanwijzing en zo nodig een korting op het BUIG-budget.
Dit heb ik ook met de VNG gedeeld in het bestuurlijk overleg.
Vervolg
Om deze verbeteringen door te voeren is een wetswijziging nodig. Naar verwachting
wordt dit wetsvoorstel in de tweede helft van 2027 aan uw Kamer aangeboden.
De Minister van Werk en Participatie, A.A. Aartsen
Indieners
A.A. Aartsen, minister van Werk en Participatie