Brief regering : Schriftelijke beantwoording op een deel van de vragen gesteld tijdens de eerste termijn van het debat over de Wijziging van de Kernenergiewet ten behoeve van bedrijfsduurverlenging van kerncentrale Borssele (Kamerstuk 36847)
36 847 Wijziging van de Kernenergiewet ten behoeve van bedrijfsduurverlenging van kerncentrale Borssele
Nr. 7
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 5 juni 2026
Tijdens het plenaire debat over de Wijziging van de Kernenergiewet ten behoeve van
bedrijfsduurverlenging van kerncentrale Borssele (Kamerstuk 36 847) is door de voorzitter besloten om het debat te beperken tot de inbreng van de zijde
van de Kamer in eerste termijn. Bijgevoegd vindt u een deel van de vragen schriftelijk
beantwoord. Het overige deel zal mondeling worden beantwoord tijdens de voortzetting
van het debat.
In deze brief komen de volgende onderwerpen aan bod: bedrijfsduurverlenging, EPZ,
vergunningverlening door ANVS en overige vragen.
De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat,
J. de Bat
Beantwoording vragen
Blok 1: Bedrijfsduurverlenging
De leden Van Oosterhout (GL-PvdA), Flach (SGP) en Kops (PVV) hebben gevraagd of er
een kosten/batenanalyse is gemaakt over de bedrijfsduurverlenging en of deze vergeleken
is met zon/wind/opslag en wat de waardering vanuit kostenperspectief voor bedrijfsduurverlenging
ten opzichte van de nieuw te bouwen centrales is. Een dergelijke kostenvergelijking
vergelijkt verschillende dingen met elkaar, want de huidige kerncentrale is al gebouwd
en gefinancierd, terwijl nieuwe centrales nog moeten worden gebouwd. Dit geldt ook
voor een vergelijking van investeringen en kosten voor bedrijfsduurverlenging ten
opzichte van investeringen in nieuwe wind of zon projecten en voor de benodigde infrastructuur
om het aan te sluiten. Inhoudelijk kan ik wel zeggen dat het kostenefficiënt is om
een al gebouwde en gefinancierde centrale langer operationeel te houden. De details
hiervan, inclusief de exacte kosten, zullen uit de haalbaarheidsstudies moeten blijken.
De leden Van Oosterhout (GL-PvdA) en Vermeer (BBB) hebben gevraagd of de Kamer geïnformeerd
kan worden wanneer nieuwe informatie over de ophoging van de kosten van de subsidie
voor de haalbaarheidsstudies beschikbaar is en wat dit betekent voor de energierekening
van mensen en bedrijven. EPZ heeft duidelijk in beeld welke onderzoeken moeten worden
uitgevoerd. Op dit moment wordt bepaald welk deel van de kostenstijging in aanmerking
kan komen voor subsidie. Daarnaast wordt de ophoging van de subsidie weer voorgelegd
aan de Europese Commissie ter goedkeuring op staatssteunaspecten. De ophoging wordt
bekostigd uit het Klimaatfonds. Deze kosten slaan dus niet direct neer op de energierekening
van mensen en bedrijven. Zodra er breed gezien meer informatie is, bijvoorbeeld duidelijkheid
over welk deel van de kosten voor subsidie in aanmerking komt, zeg ik toe dat ik uw
Kamer hierover tijdig informeer.
De leden Flach (SGP) en Van Oosterhout (GL-PvdA) hebben gevraagd wat de laatste inzichten
zijn van de kosten van de ontmanteling en de berging van het kernafval, mede gelet
op de eventuele overname. Nucleaire vergunningshouders zijn verplicht om een actueel
ontmantelingsplan en financiële zekerheid te hebben. Dat verandert niet door de bedrijfsduurverlenging.
Beiden worden iedere 5 jaar geactualiseerd en beoordeeld. De ANVS keurt het ontmantelingsplan
goed en de Ministers van IenW en Financiën de financiële zekerheid. Een nieuwe aanvraag
wordt verwacht in 2027. De opslag van radioactief afval vindt plaats bij Centrale
Organisatie voor radioactief Afval (COVRA). Bedrijven die het radioactief afval produceren
betalen tarieven voor opslag en beheer van radioactief afval bij COVRA.
Wat betreft de eindberging werkt het Ministerie van IenW momenteel aan het actieprogramma
eindberging radioactief afval. Financiering is daarvan een onderdeel. Zie over de
voortgang hiervan de voortgangsbrieven over nucleaire veiligheid en stralingsbescherming
die aan uw Kamer worden gestuurd. In het kader van de eventuele overname heb ik een
technisch adviseur ingehuurd om te onderzoeken of de verwachte ontmantelingskosten
goed zijn ingeschat. De uitkomsten hiervan worden meegenomen in de gesprekken over
de overname.
Het lid Van Oosterhout (GL-PvdA) heeft gevraagd welke voorwaarden uit de Borselse
Voorwaarden voor bedrijfsduurverlenging gehonoreerd zullen worden. Mijn voorganger
heeft een eerste reactie gegeven op de Borselse en Zeeuwse voorwaarden. Er zijn geen
voorwaarden die expliciet zien op de bedrijfsduurverlenging van de kerncentrale Borssele.
Er wordt momenteel met de Zeeuwse medeoverheden toegewerkt naar een voorlopig Rijk-Regiopakket
bij het ontwerp locatiebesluit van de nieuwbouw van de kerncentrales, indien deze
in Zeeland zouden komen. Dit is één pakket voor meerdere projecten en ontwikkelingen.
Parallel hieraan wordt met de Zeeuwse overheden vanuit hun rol als aandeelhouder van
EPZ het gesprek gevoerd over het borgen van de publieke belangen die nu liggen besloten
in het aandeelhouderschap van de Zeeuwse overheden in EPZ.
De leden Klos (D66) en Van den Berg (JA21) vroegen hoe het staat met de afhankelijkheid
van Rusland in de nucleaire brandstofketen. Voor het opwekken van elektriciteit is
EPZ niet afhankelijk van nucleaire brandstof uit Rusland. De indirecte afhankelijkheid
bestaat alleen in het hergebruiken van het uranium. Het kabinet is in gesprek met
partijen actief in de nucleaire brandstofcyclus om te bezien of er een mogelijke alternatieve
oplossing is voor de Rusland route. Dit vergt tijd. Mocht er geen alternatief komen,
dan zal het kabinet een weging moeten maken tussen het belang van hergebruik en deze
afhankelijkheid. Er zal duidelijkheid moeten zijn over het beschikbaar zijn van een
alternatief voordat een investeringsbeslissing wordt genomen door EPZ en haar aandeelhouders
over bedrijfsduurverlenging, dit besluit is voorzien in 2029.
Het lid Van den Berg (JA21) vroeg hoe juridische procedures parallel kunnen lopen.
De onderzoeken (technisch en naar milieu) vinden zoveel mogelijk parallel plaats.
EPZ is reeds het vooroverleg met de ANVS gestart, parallel aan het technisch onderzoek
dat nu door EPZ wordt uitgevoerd. Na de wetswijziging zal EPZ het milieueffectrapport
fase 2 opstellen voor de vergunningsaanvraag en na afronding van de haalbaarheidsstudies
kan EPZ vervolgens de formele vergunningsaanvraag indienen bij de ANVS.
Het lid Jumelet (CDA) en het lid Vermeer (BBB) vroegen hoe geborgd wordt dat de centrale
ook in de toekomst aan alle veiligheidseisen kan blijven voldoen. EPZ zal bij de ANVS
een vergunning voor bedrijfsduurverlenging moeten aanvragen. De ANVS beoordeelt vervolgens
of de kerncentrale ook na 2033 aan alle veiligheidseisen kan blijven voldoen. Tevens
houdt de ANVS toezicht hierop en worden regelmatig internationale reviews uitgevoerd
om na te gaan of de kerncentrale aan alle eisen blijft voldoen. EPZ is verplicht de
nucleaire veiligheid van de kerncentrale continue te blijven verbeteren.
Het lid Kops (PVV) vroeg wanneer er een vergunningsaanvraag verwacht wordt en wanneer
de wet in werking treedt. Het lid Flach (SGP) vroeg hoe de verschillende rollen van
het Rijk inzake besluitvorming bedrijfsduurverlenging zich tot elkaar verhouden. Het
lid Jumelet (CDA) vroeg wanneer het kabinet duidelijkheid verwacht over de investeringen
die nodig zijn om de kerncentrale langer open te houden. Het lid Van Oosterhout (GL-PvdA)
vroeg daarnaast of het Rijk de financiële verantwoordelijkheid van de investeringen
voor de bedrijfsduurverlenging op zich neemt. Het lid Vermeer (BBB) vroeg waarom ervoor
gekozen is de inhoudelijke afweging over veiligheid en kosten na deze wetswijziging
plaats te laten vinden. Het lid Klos (D66) vroeg welke investeringen nodig zijn om
de centrale na 2033 veilig open te houden, wat dat betekent voor de kostprijs van
de elektriciteitsproductie en of er uiteindelijk publieke steun nodig zal zijn en
of ik in dat geval bereid ben de Tweede Kamer te betrekken bij de besluitvorming en
daarbij de mogelijke overschrijdingen in kaart te brengen zodat mensen een realistische
verwachting hebben van de besteding van het geld dat we samen opbrengen.
Zonder deze wetwijziging kan EPZ geen vergunning aanvragen. Daarom is ervoor gekozen
om eerst de wetswijziging in gang te zetten, omdat anders het traject voor bedrijfsduurverlenging
niet verder kan. Indien de behandeling van de wet voorspoedig verloopt is inwerkingtreding
op 1 januari 2027 mogelijk. Eerder dan die datum is het indienen van een vergunningsaanvraag
niet mogelijk. EPZ heeft aangegeven de vergunning in 2027 aan te willen vragen. EPZ
voert op dit moment haalbaarheidsstudies uit naar bedrijfsduurverlenging. Uit deze
studies zal onder andere moeten blijken welke investeringen nodig zijn om de KCB na
2033 open te houden. Deze onderzoeken zullen grotendeels afgerond moeten zijn op het
moment dat EPZ een vergunningsaanvraag indient bij de ANVS. De beoordeling van de
nucleaire veiligheid van de kerncentrale en of de kerncentrale ook na 2033 aan alle
geldende veiligheidseisen kan blijven voldoen, ligt bij de ANVS. Bedrijfsduurverlenging
kan alleen doorgaan als deze beoordeling positief is. Het is vervolgens aan de aandeelhouders
om te bepalen of bedrijfsduurverlenging ook bedrijfseconomisch mogelijk is. De investeringsbeslissing
wordt voorzien in 2029. Indien de investeringsbeslissing voor bedrijfsduurverlenging
tot gevolg heeft dat daarvoor middelen vanuit het Rijk nodig zijn, dan kan de Tweede
Kamer zich daar op dat moment via het budgetrecht over uitspreken.
Het lid Flach (SGP)vroeg of het klopt dat de seinen voor bedrijfsduurverlenging technisch
gezien op groen staan en er geen grote verrassingen te verwachten zijn. EPZ heeft
aangeven dat de eerste resultaten van de technische haalbaarheidsstudies geen showstoppers
laten zien.
Het lid Flach (SGP) vroeg op welke wijze de bedrijfsduurverlenging kan bijdragen aan
het uitbouwen van het nucleaire kenniscluster. De huidige kerncentrale in Borssele
is een belangrijk onderdeel van het nucleaire ecosysteem. Door de bedrijfsduurverlenging
van de huidige kerncentrale blijft de kennis die wordt opgedaan bij de exploitatie
van de centrale beschikbaar. Die kennis kan worden gebruikt voor het opleiden en trainen
van nieuw personeel via o.a. stages (ook met het oog op de nieuw te bouwen centrales)
wat bijdraagt aan kennisoverdracht. Ook kan specifiek nieuwe kennis op worden gedaan
over bedrijfsduurverlenging wat weer bijdraagt aan de versterking van het nucleaire
kenniscluster.
Het lid Vermeer (BBB) vroeg hoe wordt geborgd dat de tweede fase van de mer leidend
is in de uiteindelijke besluitvorming. Er is in deze fase een project-MER fase 1 ten
behoeve van de wetswijziging opgesteld. Hieruit blijken op voorhand geen belemmeringen
vanuit milieu, maar wel aandachtspunten voor de volgende fase (vergunningverlening).
De milieueffecten kunnen pas helemaal in kaart worden gebracht in de vergunningsfase
en dan neemt de ANVS een besluit over de vergunning: hierin wordt breed aan de nucleaire
en milieukundige vereisten getoetst aan de hand van een gedetailleerder project-MER
fase 2. Dit besluit van de ANVS over de vergunning is leidend om de bedrijfsduur te
kunnen verlengen.
Blok 2: EPZ
De leden Jumelet (CDA), Van Oosterhout (GL-PvdA), Müller (VVD), Kops (PVV) en Flach
(SGP) hebben om meer duidelijkheid omtrent de onderhandelingen met de aandeelhouders
van EPZ gevraagd. Ik kan u meedelen dat de onderhandelingen voorspoedig verlopen.
Na het uitgebrachte, niet-bindende, bod is een boekenonderzoek uitgevoerd. Op dit
moment wordt toegewerkt naar een onderhandelaarsakkoord. Ik hoop rond de zomer tot
een onderhandelaarsakkoord te kunnen komen, maar daarvoor ben ik natuurlijk ook afhankelijk
van de snelheid van anderen. Ik zal in dat geval het akkoord na het zomerreces en
voordat de aandelen worden overdragen ter kennis brengen van beide Kamers middels
de voorhangprocedure als bedoeld in artikel 4.7 Comptabiliteitswet.
Het antwoord op de vraag van de leden Van den Berg (JA21), Flach (SGP) en Vermeer
(BBB) over de stand van zaken rond het convenant: mochten de onderhandelingen deze
zomer worden afgerond dan zal ik met de andere partijen van het convenant bezien of
aanpassing of beëindiging van het convenant nodig is. Mochten de onderhandelingen
uiteindelijk niet slagen verwacht ik dat de kans klein is dat in de kerncentrale Borssele
na 2033 nog kernenergie zal worden vrijgemaakt. De huidige publieke aandeelhouders
hebben namelijk aangegeven niet te willen bijdragen aan de voorbereidingskosten en
hebben de wens uitgesproken om de aandelen te verkopen. EPZ staat als exploitant positief
tegenover bedrijfsduurverlenging en voert nu studies uit om de technische bereikbaarheid
te testen. Hiermee ben ik ook ingegaan op de vraag van het lid Kops (PVV) wat betreft
de toekomst van de kerncentrale.
Blok 3: Vergunningverlening door ANVS
De leden Müller (VVD) en Van den Berg (JA21) vroegen of er op dit moment voldoende
capaciteit en specifieke expertise is bij de ANVS. De ANVS heeft vanwege de nucleaire
ambities van afgelopen kabinetten extra middelen gekregen voor uitbreiding van haar
capaciteit en opleiding van nieuwe medewerkers. Op basis van de Kernenergiewet moet
de Minister van IenW voldoende middelen aan de ANVS ter beschikking stellen voor de
uitvoering van haar taken. Daarmee wordt capaciteit bij de ANVS geborgd.
Daarnaast vroeg het lid Müller (VVD) of ik bereid ben om in te zetten op de standaardisatie
van vergunningsvragen en beoordelingskaders, om zo voorspelbare trajecten te borgen.
De ANVS beoordeelt de veiligheid zorgvuldig en bewaakt op deze manier de nucleaire
veiligheid in Nederland. De ANVS werkt intensief samen met buitenlandse regulators
om ook daar zoveel mogelijk harmonisatie en samenwerking te realiseren. Zo wordt met
de herziene handreiking Veilig Ontwerp en Bedrijfsvoering Kerninstallaties (VOBK)
aangesloten bij internationale standaarden. Beoogd is de in het VOBK opgenomen onderdelen
in een verordening van de ANVS op te nemen1.
Blok 4: Overig
Het lid Van Duijvenvoorde (FVD) vroeg naar aanleiding van de voorjaarsnota welke onderdelen
van de nucleaire agenda dreigen te vertragen of af te vallen als daar geen aanvullende
middelen voor worden toegekend. Daarnaast vroeg het lid van Duijvenvoorde of ik gesmolten-zout-reactoren
en andere advanced modular reactors als een strategische kans voor Nederland zie om
een leidende rol te pakken in de nucleaire keten. En zo ja welke concrete stappen
er worden gezet om te voorkomen dat deze kennis en bedrijven naar het buitenland verdwijnen.
Het kabinet zet zich al vele jaren in om nucleaire innovatie te stimuleren, waaronder
ook voor kerncentrales die zich richten op het gebruik van gesmolten zout. In Nederland
hebben we het bedrijf Thorizon dat aan innovaties werkt om o.a. Thorium als brandstof
in kernreactoren te kunnen gebruiken.
Voor deze innovatieve technologie is voornamelijk de verkenning van de IPCEI (Important Project of Common European Interest) ter ondersteuning van innovatieve kernenergietechnologieën van belang. Deze route
kan de ruimte voor ondersteuning bieden, omdat projecten die aangemerkt worden als
IPCEI binnen het ruime IPCEI-staatssteunkader van de Europese Commissie vallen. Wanneer
de Europese Commissie instemt met projectvoorstellen die onder een IPCEI vallen, dan
mag er, overeenkomstig het IPCEI-kader, meer steun gegeven worden dan binnen andere
staatssteunkaders mogelijk is. Het IPCEI-instrument geeft een grote impuls aan het
Nederlandse innovatiepotentieel en het trekt additionele private investeringen aan
in de nucleaire sector. Ik heb eerder aangegeven dat ik de mogelijkheden om deel te
nemen aan een IPCEI voor kernenergie onderzoek. Met Prinsjesdag kan het kabinet hier
meer zeggen over de financiering van een IPCEI, 2 juli is hiervoor te vroeg.
In beantwoording op de vraag van het lid Van den Berg (JA21) welke gevolgen het heeft
als middelen voor onderzoek naar berging van kernafval worden uitgegeven aan een treinabonnement.
De gevolgen voor overheveling worden momenteel nog in kaart gebracht. De middelen
voor het treinabonnement zijn voorzien uit het mobiliteitsfonds en klimaat- en energiefonds.
Ondertekenaars
J. de Bat, staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat