Lijst van vragen en antwoorden : Lijst van vragen en antwoorden over de Periodieke rapportage Omgevingsveiligheid en Milieurisico's 2018-2024 (Kamerstuk 28089-351)
28 089 Gezondheid en milieu
Nr. 353
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 4 juni 2026
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat heeft een aantal vragen voorgelegd
aan de Minister en Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat over de brief
van 15 april 2026 inzake de periodieke rapportage Omgevingsveiligheid en Milieurisico’s
2018–2024 (Kamerstuk 28 089, nr. 351).
De Staatssecretaris heeft deze vragen beantwoord bij brief van 4 juni 2026. Vragen
en antwoorden zijn hierna afgedrukt.
De voorzitter van de commissie, Huizenga
Adjunct-griffier van de commissie, Koerselman
Vragen en antwoorden
Vraag 1
Op basis van welke concrete indicatoren of evaluatieresultaten concludeert u dat de
beleidsinzet in het algemeen als doeltreffend kan worden beschouwd?
Antwoord
De conclusie van de onderzoekers dat de beleidsinzet in algemene zin als doeltreffend
kan worden beschouwd, is gebaseerd op het beschikbare evaluatiemateriaal binnen de
kaders van het begrotingsartikel over de periode 2018–2024. Daarbij hebben zij gekeken
naar de resultaten van uitgevoerde evaluaties, de mate waarin beleidsdoelen zijn gerealiseerd
en de bijdrage van beleidsinstrumenten aan de beoogde maatschappelijke effecten.
Vraag 2
Welke concrete taken, programma’s of verantwoordelijkheden zouden geraakt worden bij
de genoemde besparingsvarianten, in het bijzonder ten aanzien van het stelsel van
vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH-stelsel) en de inzet van agentschappen?
Antwoord
De genoemde besparingsvariant voor het VTH-stelsel milieu betekent in de praktijk
onder andere dat onze stelselpartijen minder financieel ondersteund kunnen worden
met het implementeren van producten om de kwaliteit in het stelsel te verbeteren.
Bovendien zijn er dan minder of geen middelen meer om omgevingsdiensten te ondersteunen
bij het robuust worden. Concreet gaat het bijvoorbeeld over middelen die ter beschikking
zijn om te fuseren. Daarnaast zal de dienstverlening van Omgevingsdienst NL naar individuele
omgevingsdiensten geraakt worden als middelen voor met name de kennisinfrastructuur
worden afgeschaald. Ook leidt het doorvoeren van de besparingsvariant tot het afschalen
van het programma digitalisering VTH en minder strafrechtelijke onderzoeken door de
ILT in het kader van milieucriminaliteit. Ten slotte heeft het ministerie minder mogelijkheden
om onderzoek te laten doen naar de financiële gevolgen van beleidsinterventies op
het terrein van VTH, zoals wetswijzigingen.
Een besparing op de inzet van agentschappen zet de capaciteit voor toezicht, handhaving,
onderzoek en kennisontwikkeling op het gebied van omgevingsveiligheid, milieubescherming
en nucleaire veiligheid onder druk. Hierdoor kunnen programma’s en onderzoeken niet
of beperkt worden voortgezet. Dit leidt tot minder grip op risico’s rondom gevaarlijke
stoffen, biotechnologie, cybersecurity en radioactieve straling en vergroot de kans
op incidenten, milieucriminaliteit en veiligheidsrisico’s voor mens en milieu. Ook
neemt de crisisbestendigheid af en komt de volledigheid en betrouwbaarheid van de
milieu-informatie richting overheden en inwoners onder druk te staan.
Vraag 3
Welke concrete wijzigingen in de begrotingsstructuur worden overwogen om de koppeling
tussen beleidsdoelen, instrumenten en financiële middelen te verbeteren, en op welke
termijn wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
Antwoord
De begrotingsstructuur wordt verder verbeterd om doelen, middelen en resultaten beter
inzichtelijk te maken. Daarbij worden (sub)doelen geoptimaliseerd en ontbrekende informatie
aangevuld, en wordt gewerkt aan een meer taakgerichte indeling en een sterkere koppeling
aan evaluaties. De Kamer wordt hierover geïnformeerd bij de ontwerpbegroting 2027.
Vraag 4
Welke agentschappen worden bedoeld met de constatering dat de publieke verantwoording
over de inzet en resultaten beperkt beschikbaar is, en welke maatregelen worden genomen
om deze transparantie te vergroten?
Antwoord
Met de genoemde agentschappen bedoelen de onderzoekers (voornamelijk) RIVM, COGEM,
RWS en RVO. In lijn met de aanbeveling wordt onderzocht hoe de publieke verantwoording
over de inzet van deze agentschappen kan worden versterkt. Hierbij kan worden gedacht
aan het openbaar beschikbaar stellen van bestaande rapportages, zoals jaarrapportages
en monitors van onderzoeksprogramma’s.
Vraag 5
Gezien het feit dat de onderzoekers concluderen dat de beleidsinzet in het algemeen
doeltreffend is, maar deze conclusie te rooskleurig vinden en het beeld eerder als
gemengd omschrijven; op welke specifieke evaluaties baseert de Minister zijn optimisme,
en hoe weegt hij hierbij het oordeel van de deskundigen mee dat de resultaten van
instrumenten in werkelijkheid achterblijven bij de doelstellingen?
Antwoord
De onderzoekers hebben hun conclusie gebaseerd op het beschikbare evaluatiemateriaal.
Dit bestaat uit beleidsevaluaties en monitoringsonderzoeken op het gebied van onder
andere biotechnologie, omgevingsveiligheid, (vervoer) gevaarlijke stoffen en nucleaire
veiligheid en stralingsbescherming. Daarbij plaatsen zij de kanttekening dat de beschikbare
indicatoren en monitors met name inzicht geven in output en beperkt in outcome. Dit
komt met name door het veelal kwalitatief en weinig kwantitatief beschikbare evaluatiemateriaal
en het verschil in gebruikte evaluatiemethoden. De onderzoekers bevelen daarom aan
om de evaluatiemethodiek te versterken. In de opvolging van de aanbevelingen wordt
daarom onderzocht hoe meer kwantitatief onderzoek kan worden geïntegreerd in toekomstige
beleidsevaluaties, specifiek ten behoeve van een oordeel over doeltreffendheid en
doelmatigheid. Het oordeel van de onafhankelijk deskundigen wordt daar uiteraard bij
betrokken.
Vraag 6
Hoe geven indicatoren, zoals het aantal vergunningaanvragen en REACH-dossiers, volgens
u inzicht in het daadwerkelijke doelbereik van het beleid, in plaats van uitsluitend
in beleidsactiviteiten of procesoutput?
Antwoord
Onder meer door het aantal vergunningaanvragen en REACH-dossiers te monitoren wordt
gewerkt aan het beter meetbaar maken van beleidsresultaten. De stap van output naar
outcome blijkt daarbij complex, onder andere door het inherent preventieve karakter
van het beleid voor een veilige leefomgeving, waarbij de invloed op het aantal voorkomen
incidenten niet direct kwantitatief te duiden is. Dit wordt beaamd door de onderzoekers.
Ondertussen blijft het mijn doel om zoveel mogelijk inzicht te bieden in de bijdrage
van het beleid aan het realiseren van een veilige, schone en gezonde leefomgeving.
Vraag 7
Wat wordt bedoeld met de passage dat een te grote nadruk op het (lage) aantal incidenten
effect kan hebben op de veiligheidsbeleving van inwoners, en waarom zou dit aanleiding
zijn om terughoudend te zijn met dergelijke indicatoren?
Antwoord
Communicatie over aantallen incidenten – laag of hoog – heeft impact op de veiligheidsbeleving
van bewoners. Het doel van de beleidsdirectie is dat milieurisico’s beperkt zijn,
en dat mensen dat ook als zodanig ervaren. Een laag aantal incidenten kan in sommige
gevallen juist zorgen voor een negatief effect op de veiligheidsbeleving. Het kan
namelijk vragen oproepen of er wel voldoende inspecties zijn uitgevoerd of dat veiligheidsnormen
op basis daarvan zullen worden verlaagd. Met de passage wordt dan ook bedoeld dat
de beleidsdirectie zich terdege bewust is van de rol die het heeft in de communicatie
van cijfers rondom veiligheid en het effect daarvan op de veiligheidsbeleving van
inwoners.
Vraag 8
Wanneer kan de Kamer concrete indicatoren tegemoetzien waarmee niet alleen output,
maar ook outcome en impact van het beleid inzichtelijk worden gemaakt, inclusief de
veiligheidsbeleving van inwoners?
Antwoord
In de afgelopen jaren zijn al stappen gezet om output, outcome en impact van het beleid
beter inzichtelijk te maken. Dit wordt voortgezet door de beleidstheorie verder uit
te werken en waar mogelijk scherper onderscheid te maken tussen deze niveaus. De inherent
preventieve aard van het beleid van de directie is hierbij een factor om rekening
mee te houden.
Voor de veiligheidsbeleving van inwoners wordt aangesloten bij het Onderzoek Beleving
Woonomgeving van RIVM en CBS. De Kamer wordt hierover geïnformeerd via de jaarlijkse
begroting van artikel 22.
Vraag 9
Bent u, gezien het feit dat de effectiviteit en efficiëntie van samenwerkingsprogramma’s
en convenanten wisselend en soms zeer beperkt is, met name op het gebied van veiligheid
bij bedrijven, bereid om kritisch te kijken naar het nut van deze vrijblijvende instrumenten
en aan te geven of een verschuiving naar striktere handhaving of sanering van deze
programma’s wordt overwogen om bureaucratie te verminderen?
Antwoord
In Nederland zijn bij milieubeleid meerdere partijen betrokken zoals het Rijk, gemeentes,
provincies, omgevingsdiensten en bedrijven. Voor het coördineren van de uitvoering
wordt gewerkt met samenwerkingsprogramma’s en convenanten. Deze zijn erop gericht
om de samenwerking tussen deze partijen te versterken en om de doelen en prioriteiten
te bepalen. Met deze programma’s worden onder andere keuzes gemaakt over besteding
van de beschikbare middelen. De samenwerkingsprogramma’s hebben veelal een looptijd
van vier jaar. Na afloop worden evaluaties uitgevoerd en op basis daarvan worden programma’s
gestopt of worden veranderingen in de programma’s doorgevoerd.
Samenwerkingsprogramma’s zijn veelal de manier om de verschillende taken te organiseren
en zijn belangrijk voor het bereiken van de beleidsdoelen. Een van de grootste programma’s
voor milieubeleid is de Meerjarenagenda versterking omgevingsveiligheid. Hierin zijn
de middelen verdeeld over concrete projecten: de PGS-richtlijnen, de SEVESO+-samenwerking,
een bijdrage aan medeoverheden voor structurele taken, het versterken van kennis en
een subsidiebedrag voor het versterken van omgevingsveiligheid.
Vraag 10
Gelet op het feit dat de structuur van de begroting onvoldoende aansluit op de inhoudelijke
doelen, waardoor de doeltreffendheid en doelmatigheid van de inzet van middelen moeilijk
te beoordelen is, hoe kan de Kamer haar controlerende taak ten aanzien van de besteding
van publieke middelen naar behoren uitvoeren als u de aanbeveling om de begrotingsstructuur
te herzien nog niet duidelijk hebt overgenomen?
Antwoord
Ik neem de aanbeveling om de begrotingsindeling beter te laten aansluiten op de inhoudelijke
organisatie over. De huidige begrotingsstructuur biedt al meerdere aanknopingspunten
voor de controlerende taak van de Kamer, zoals beleidsdoelen, instrumenten, indicatoren
en evaluaties. Tegelijkertijd wordt gewerkt aan een verdere verbetering van de koppeling
tussen doelen, middelen en resultaten, zodat de doeltreffendheid en doelmatigheid
beter inzichtelijk worden gemaakt. U wordt bij de ontwerpbegroting 2027 geïnformeerd
over de herziene begrotingsstructuur.
Vraag 11
Welke concrete beleidsmatige verbeteringen zijn sinds 2021 voortgekomen uit evaluaties
binnen de Strategische Evaluatie Agenda, waar in de brief naar wordt verwezen?
Antwoord
Er zijn verschillende voorbeelden te geven van beleidsmatige verbeteringen die naar
aanleiding van de evaluaties uit de Strategische Evaluatie Agenda (SEA) sinds 2021
zijn doorgevoerd.
Zo is er in opvolging van de evaluatie van het BRZO+-convenant (2024) – inmiddels
SEVESO+ genoemd – in samenwerking met alle partijen een nieuw convenant opgesteld
om de samenwerking in SEVESO+, concreter en meer toekomstbestendig vorm te geven.
Partijen werken voortaan met een gezamenlijke meerjarige beleidsagenda die loopt tot
en met 2028 en hebben daarin afspraken gemaakt over robuuste financiering.1
Verder is naar aanleiding van de evaluatie van de effectiviteit van de PGS-richtlijnen
(2024), in april 2026 de digitale PGS uitgebreid met een interactief risicodiagram.
Met de toevoeging van dit nieuwe interactieve risicodiagram wordt nog duidelijker
hoe PGS-richtlijnen zijn opgebouwd en wordt visueel gemaakt hoe scenario’s, doelen
en maatregelen zich tot elkaar verhouden.
Ook wordt mede naar aanleiding van de Beleidsevaluatie Veiligheid Biotechnologie en
ggo’s (genetisch gemodificeerde organismen) (2024) momenteel gewerkt aan verbeteringen
aan- en binnen het ggo-milieuveiligheidsstelsel.2 Zo wordt binnen het stelsel gewerkt aan het implementeren van tien verbeteracties,
waarvan er inmiddels diverse zijn afgerond. Een aantal van deze verbeteracties (grootschalige
productie ggo’s, tentoonstellingen met ggo’s en afvalverbranding van ggo’s) komt tot
uiting in aanpassing van de Regeling ggo, die voor de tweede helft van 2026 is voorzien.
De voortgang op dit beleidsterrein is per brief (december 2025) met de Tweede Kamer
gedeeld.3
Een andere conclusie van de beleidsevaluatie was dat er sterke behoefte was aan een
meer integrale, rijksbrede benadering van het beleidsdomein biotechnologie die breder
gaat dan de milieuveiligheid van ggo’s. Dit is gerealiseerd met het opleveren van
de Kabinetsvisie op Biotechnologie 2025–2040 (april 2025).4
Vraag 12
Tegen de achtergrond dat de totale uitgaven voor omgevingsveiligheid en milieurisico’s
in de periode 2018–2024 ongeveer 392 miljoen euro bedroegen, waarbij een groot deel
naar agentschappen zoals het RIVM en Rijkswaterstaat gaat, kunt u, in het kader van
een doelmatige besteding van belastinggeld, verklaren waarom de publieke verantwoording
over de inzet van deze honderden miljoenen door agentschappen volgens de onderzoekers
beperkt is en evaluaties van de doeltreffendheid van hun programma’s «schaars» zijn?
Antwoord
Van verschillende agentschappen zijn jaarrapportages beschikbaar, waarvan een deel
openbaar is en een deel niet. Daarnaast is in de periodieke rapportage benoemd dat
het ministerie en de agentschappen structureel met elkaar in gesprek zijn over de
uitvoering van opdrachten en dat onderzoeksprogramma’s jaarlijks worden gemonitord.
Tegelijkertijd constateren de onderzoekers dat de publieke verantwoording over de
inzet van agentschappen beperkt zichtbaar is en dat evaluaties van de doeltreffendheid
van programma’s schaars zijn. Daarom wordt onderzocht op welke wijze zowel de publieke
verantwoording als het inzicht in de doeltreffendheid van programma’s verder kan worden
versterkt, bijvoorbeeld door bestaande rapportages, monitors en evaluaties breder
openbaar toegankelijk te maken.
Vraag 13
Kunt u uitleggen waarom de aanbeveling uit de beleidsdoorlichting van 2018 om meer
kwantitatief evaluatiemateriaal beschikbaar te stellen voor onder andere het transport
van gevaarlijke stoffen is genegeerd, en waarom er nog steeds voornamelijk op basis
van kwalitatieve methoden (meningen en processen) wordt gerapporteerd in plaats van
op basis van harde veiligheidscijfers?
Antwoord
Naar aanleiding van de genoemde aanbeveling uit de beleidsdoorlichting van 2018 en
de door het Ministerie van Financiën in 2022 ingevoerde Strategische Evaluatie Agenda
(SEA), is een overzicht gemaakt van noodzakelijke en gewenste evaluaties onder dit
begrotingsartikel. Dit overzicht is onderdeel van de begroting en wordt jaarlijks
vernieuwd. Ik herken de notie dat het evaluatiemateriaal, nog steeds, meer kwalitatieve
dan kwantitatieve onderzoeksmethoden bevat. Dit heeft mede te maken met de preventieve
aard van het beleid, waarbij de invloed op het aantal voorkomen incidenten niet direct
kwantitatief te duiden is. In de opvolging van de aanbevelingen zal ik bezien hoe
ik de jaarlijkse, kwantitatieve monitoringsrapportages van het vervoer van gevaarlijke
stoffen over weg, water en spoor verder kan verbeteren. Hierbij zal ik onder andere
kijken of meer informatie kan worden opgenomen over veranderingen in vervoersstromen
en hoe de inwinning van vervoersinformatie kan worden verbeterd. Hierbij is het goed
om te vermelden dat de ILT de Kamer ieder jaar informeert over het aantal incidenten
en slachtoffers bij het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R.A. Huizenga, voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat -
Mede ondertekenaar
G.B. Koerselman, adjunct-griffier