Brief regering : Veegbrief openstaande moties en toezeggingen op het gebied van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN)
36 800 XIV Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (XIV) en het Diergezondheidsfonds (F) voor het jaar 2026
Nr. 85
BRIEF VAN DE MINISTER EN STAATSSECRETARIS VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID
EN NATUUR
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 29 mei 2026
Als bewindspersonen van het Ministerie van LVVN hechten wij aan een goede informatievoorziening
aan de Kamer over de uitvoering van aangenomen moties en door ons en onze voorgangers
gedane toezeggingen. Helaas lukt het door uiteenlopende redenen niet altijd om de
Kamer tijdig een terugkoppeling te geven. Moties lenen zich soms thematisch niet om
meegenomen te worden in een bepaalde brief, de uitvoering kan erg complex blijken,
of moties kunnen worden ingehaald door de actualiteit.
Wij hebben een inventarisatie laten maken van de moties en toezeggingen in onze interne
administratie waar uw Kamer de afgelopen jaren nog niet op een afrondende wijze over
is geïnformeerd. Middels deze brief trachten wij uw Kamer een zo goed mogelijk beeld
te geven van de opvolging van de diverse verzoeken. De moties en toezeggingen zijn
met het oog op de leesbaarheid zoveel mogelijk thematisch geclusterd.
Strategie, Kennis en Onderzoek
De motie Boswijk c.s. over stimuleren dat meer provincies gaan werken met Maatwerk
met Meetwerk als onderdeel van de gebiedsgerichte aanpak (Kamerstuk 33 576, nr. 310)
In 2025 is in opdracht van provincies en LVVN onder het Nationaal Kennisprogramma
Stikstof een gezamenlijk onderzoeksprogramma voor het regionaal meten en berekenen
van stikstof in de buitenlucht gestart. Onder andere voor regionale, fijnmazige monitoring
van emissiereductiedoelen. Als onderdeel van dit onderzoeksprogramma is ook het meetnetwerk
dat onderdeel was van de pilot Maatwerk met Meetwerk voortgezet. Hiermee is invulling
gegeven aan de motie.
De gewijzigde motie Van Campen c.s. over een plan van aanpak voor een landelijk dekkend
meetsysteem voor emissie en depositie van NH3 en NOx (Kamerstuk 33 576, nr. 301) en de motie Van Campen c.s. over heldere doelen in het uitvoeringsprogramma Nationaal
Kennisprogramma Stikstof (Kamerstuk 36 277, nr. 40)
De uitvoering van deze moties is onderdeel geworden van het Nationaal Kennisprogramma
stikstof waarover uw Kamer periodiek geïnformeerd wordt. We beschouwen de moties daarmee
als afgedaan.
De gewijzigde motie Tjeerd de Groot over er bij de nieuwe Europese Commissie op aandringen
de toelating van alternatieve eiwitten zoals kweekvlees op te nemen in het werkprogramma
(Kamerstuk 36 410 XIV, nr. 94)
Het programma van de EC voor 2026 is gepubliceerd. Daarin is opgenomen dat de wetgeving
voor veiligheid voor voedingsmiddelen wordt vereenvoudigd. Daarmee is de motie afgedaan.
EU
De motie Van der Plas over zo veel mogelijk gebruikmaken van bestaande certificeringsschema's
voor duurzaamheidsstreefdoelen (Kamerstuk 21501-32-1418)
Middels de motie heeft mevrouw Van der Plas de regering verzocht om zoveel als mogelijk
gebruik te maken van bestaande certificeringsschema’s en daar bij aan te sluiten.
Deze motie had betrekking op de nadere uitwerking van de Farm-to-Fork strategie van
de Europese Commissie. Bij de nadere uitwerking is geen gebruik gemaakt van de in
de motie genoemde certificeringsschema's en inmiddels is deze strategie afgerond.
Hierdoor kan de motie niet worden uitgevoerd. Ik beschouw deze motie daarom als afgedaan.
De motie Van Campen c.s. over jaarlijks met de begroting van LNV een Brusselstrategie
delen met de Kamer (Kamerstuk 36 200 XIV, nr. 27)
In deze motie wordt de regering verzocht om jaarlijks met de begroting van LVVN een
Brusselstrategie te delen met de Kamer. Sindsdien heeft de Kamer twee Kamerbrieven
met de LVVN inzet in de EU ontvangen (Kamerstuk 21501-32, nr. 1635 en Kamerstuk 21501-32, nr. 1691). Het voornemen is om dit ieder jaar te blijven doen. De eerstvolgende brief ontvangt
de Kamer voorafgaand aan het Commissiedebat EU-LVVN van 10 juni a.s. Daarmee is de
motie afgedaan.
De motie Van Campen over een routekaart met besluitvormingsmomenten voor toelating
van landbouwinnovaties als uitkomst van de strategische dialoog (Kamerstuk 21501-32, nr. 1613)
De Strategische Dialoog was een door de Europese Commissie georganiseerde dialoog
met een diverse groep stakeholders uit de agrarische sector. De EU-lidstaten waren
niet betrokken bij deze dialoog. Beïnvloeding van de uitkomsten van de Strategische
Dialoog door de Nederlandse regering was daarom niet aan de orde. De Europese Commissie
presenteerde het eindrapport van de Strategische Dialoog op 4 september 2024. De Kamer
is eerder geïnformeerd dat het kabinet tevreden is dat er in het eindverslag volop
aandacht is voor het voedselsysteem en de positie van de boer daarin1. Hiermee beschouwen we de motie als afgedaan.
De motie Kostić over de Kamer vooraf informeren indien wordt besloten om een standpunt
van Nederland te wijzigen (Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 22)
Het verzoek uit de motie is meegenomen in de algemene werkwijze rondom het innemen
van standpunten. Hiermee beschouwen wij de motie als afgedaan.
De motie Tjeerd de Groot en Boswijk over het monitoren van de afname van grasland
op nationaal, regionaal en bedrijfsniveau (Kamerstuk 33 037, nr. 475)
Over de jaren 2024 en 2025 was er een afname van blijvend grasland van 748.923 hectare
naar 743.256 hectare. Het aandeel blijvend grasland ten opzichte van het totale areaal
landbouwgrond is daarmee afgenomen van 42,68% in 2024 naar 42,06% in 2025.
Ter opvolging van deze motie wordt de Kamer sinds 2022 jaarlijks apart geïnformeerd
over de ontwikkelingen van het areaal blijvend grasland. Dat gebeurt op basis van
de monitoring en rapportageverplichtingen van het GLB. Hiermee beschouwen wij de motie
afgedaan.
Toezegging aan het lid Koekkoek om het evaluatierapport van het Nationaal Strategisch
Plan wanneer deze klaar is in 2025 naar de Kamer te sturen (TZ202309-004)
Het rapport van de tussentijdse evaluatie van het GLB-NSP is met de brief van 16 december
2025 met uw Kamer gedeeld2. Daarmee is de toezegging afgedaan.
Agro-economie
De motie Nijhof-Leeuw/Grinwis over in gesprek gaan met de banken over financiering
voor gezonde bedrijven (Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 31) en de toezegging om met de banken in gesprek gaan om de mogelijkheden voor financiering
van bedrijfsovername door jonge boeren te bezien (TZ202401-014)
De motie Nijhof-Leeuw/Grinwis verzoekt de regering in gesprek te gaan met banken over
financiering voor gezonde bedrijven. Dit onderwerp betrek ik bij het reguliere overleg
met banken, evenals de toezegging (TZ202401-014) om met banken in gesprek te gaan
over financiering van bedrijfsovername door jonge boeren. Daarmee beschouwen we deze
motie en toezegging als afgedaan.
De nader gewijzigde motie van het lid Beckerman c.s. over onderzoeken welke wetgeving
met als doel de vergoeding voor dierenwelzijnsmaatregelen voor de boeren te beschermen
in Nederland ingesteld kan worden (Kamerstuk 35 746, nr. 37)
In de gesprekken die gevoerd worden rondom het convenant dierwaardige veehouderij
benadrukt het kabinet het belang van afspraken over vergoedingen voor dierenwelzijnsmaatregelen.
Het op nationaal niveau wettelijk vastleggen van vergoedingen of minimale kostprijzen
is geen garantie op een goede prijs en bescherming van de positie van de boer in de
keten. In een sterk internationaal georiënteerde markt is het voor de Nederlandse
land- en tuinbouw noodzakelijk om internationaal te kunnen concurreren en zich goed
te positioneren met kwalitatief goede producten. Ik heb de mogelijkheid laten onderzoeken
om een vergoeding voor bovenwettelijke eisen te verplichten, zoals aanvullende leveringsvoorwaarden
op het gebied van dierenwelzijn of duurzame productie.3 Geconcludeerd wordt dat een dergelijke verplichting niet aansluit bij het uitgangspunt
van contractvrijheid in het Nederlandse contractenrecht. Contractvrijheid op dit punt
inperken op nationaal niveau is bovendien geen garantie voor een extra vergoeding
voor Nederlandse boeren, aangezien afnemers ook contracten kunnen afsluiten buiten
Nederland. Er bestaat reeds wetgeving in het kader van het versterken van de positie
van de boer in de keten, zoals de Wet Oneerlijke Handelspraktijken (OHP wet). Deze
OHP wet bevat een aantal Europees vastgelegde verboden die als oneerlijke handelspraktijk
zijn aangemerkt. De Europese Commissie verkent momenteel mogelijke aanpassingen aan
de Richtlijn OHP. Met de bovenstaande toelichting en de genoemde onderzoeken beschouwen
wij de motie als afgedaan.
De motie Bisschop over de oprichting van lokale landcoöperaties stimuleren (Kamerstuk
35 570 XIV, nr. 66)
Via het Investeringsfonds Duurzame Landbouw (IDL) ondersteunt het kabinet landcoöperaties
die investeren in de omschakeling naar vormen van toekomstbestendige bedrijfsvoering.
Landcoöperaties met een, door de onafhankelijke deskundigencommissie, goedgekeurd
omschakelplan en private cofinanciering kunnen tegen gunstige voorwaarden een deel
van hun investeringen in de primaire agrarische bedrijfsvoering financieren. Investeringen
in grondaankoop zijn via het IDL grotendeels uitgesloten vanwege Europese staatssteunkaders.
De Borgstelling MKB landbouw- en visserijkredieten biedt onder voorwaarden ondernemers
in de land- en tuinbouw, visserij en aquacultuur die vanwege een zekerhedentekort
niet zelfstandig een lening af kunnen sluiten bij een bank of andere financier de
mogelijkheid om gebruik te maken van een rijksborgstellingsregeling. Indien zekerhedentekort
de reden is dat een investering niet gefinancierd kan worden, dan zorgt de borgstelling
ervoor dat verstrekken van financiering wel mogelijk is, waarmee de regeling bijdraagt
aan economische bedrijvigheid. Wanneer lokale landcoöperaties voldoen aan de criteria
uit de regeling voor «LV-ondernemer», overnemer of starter, dan behoren ook zij tot
de doelgroep van deze regeling.
De motie Van der Plas c.s. over het verplicht stellen van een verdienvermogentoets
bij de totstandkoming van nieuw agrarisch beleid en nieuwe maatregelen (Kamerstuk
36 410 XIV, nr. 82)
In december 2024 is de Kamer geïnformeerd dat invulling van deze motie plaatsvindt
door het toevoegen van een verdienvermogenstoets aan de bestaande Bedrijfseffectentoets
(BET) in het Beleidskompas4. Destijds is aangegeven dat onderzocht zal worden op welke wijze aangesloten kan
worden bij het Beleidskompas. Dit onderzoek is afgerond en het is naar voren gekomen
dat met behulp van een ontwikkelde methodiek door Wageningen Social & Economic Research
(WSER) een gestandaardiseerde doorrekening gemaakt kan worden als verdienvermogenstoets,
op basis van bedrijfseconomische indicatoren voor standaardbedrijfstypen. Deze methodiek
zal ingezet worden via de BET. Hiermee is de uitvoering van deze motie afgerond.
De motie Koekkoek/Boswijk over een sociaal-economische impactanalyse verplicht onderdeel
laten uitmaken van het gebiedsplan (Kamerstuk 33 576, nr. 315)
Om invulling te geven aan de motie Koekkoek/Boswijk heeft Wageningen Social & Economic
Research (WSER) in opdracht van LVVN het bijgevoegde rapport «Methodiek voor het bepalen
van het economisch perspectief van de landbouwsector» opgesteld (bijlage 1)5. Dit rapport bevat een beschrijving van de nieuw ontwikkelde methode om een agro-economische
impactanalyse uit te voeren. Daarnaast beschrijft het rapport de lessen die zijn geleerd
uit de pilots die in drie gebieden zijn uitgevoerd met deze methodiek. Dit project
is begeleid door IPO, provincies en LVVN. Onder andere n.a.v. de motie van de leden
Koekkoek en Boswijk was er in de handreiking voor de NPLG gebiedsprogramma’s een verplichting
opgenomen om de agro-economische effecten van de NPLG-maatregelen in kaart te brengen
in het gebiedsprogramma. De ontwikkelde methode die in het bijgevoegde rapport wordt
omschreven is ontwikkeld om invulling te geven aan deze verplichting. Met het versturen
van dit rapport aan uw Kamer is de uitvoering van deze motie afgerond.
De gewijzigde motie Grinwis/Boswijk over onafhankelijk uiteen laten zetten wat de
gevolgen, kansen en bedreigingen zijn van klimaatverandering voor de land- en tuinbouw
(Kamerstuk 36 200 XIV, nr. 114)
Bij deze brief bieden wij uw Kamer twee rapporten aan die in onze opdracht door Wageningen
Social & Economic Research (WSER) zijn opgesteld met betrekking tot klimaatverandering
en de landbouw (zie bijlagen 2 en 3). In het eerste rapport6 wordt ingegaan op de vraag hoe klimaatverandering wereldwijd invloed heeft op productiezones
en wat dit betekent voor internationale handel en voedselzekerheid. De opdracht voor
het tweede rapport7 is gegeven naar aanleiding van de motie. Met de aanbieding van dit rapport aan uw
Kamer is de motie afgedaan.
Samen laten deze rapporten helder zien dat klimaatverandering serieuze gevolgen kan
hebben voor het voedselsysteem zowel wereldwijd als op het Europese en Nederlandse
niveau. De rapporten versterken het inzicht dat klimaatverandering niet alleen een
ecologische, maar ook een strategische en economische uitdaging vormt voor Europese
voedselzekerheid. Er worden waardevolle inzichten aangeboden om het Europese en Nederlandse
voedselsysteem weerbaarder te maken en te investeren in een toekomstbestendige land-
en tuinbouw. Er wordt op vele manieren in samenwerking met verschillende partijen
in het voedselsysteem gewerkt aan deze opgaven. Zo zet het kabinet in op voedselzekerheid
door het versterken van de weerbaarheid van de voedselvoorzieningsketen vanuit een
«all-hazard» benadering. Hiermee wordt voedsel onderdeel van de Nationale vitale infrastructuur,
waarbij de continuïteit van deze sector en de bescherming tegen uiteenlopende dreigingen,
inclusief de gevolgen van klimaatverandering, centraal staan. De inzichten uit deze
rapporten zullen helpen in het verder vormgeven dat de toekomstrichting van het Nederlandse
voedselsysteem en zullen worden benut bij het vormgeven van beleid.
De motie Koekkoek over een rol in de Europese voedselstrategie voor afspraken in de
keten over verduurzaming en verdienvermogen (Kamerstuk 36 410 XIV, nr. 73)
De ACM biedt gevraagd en ongevraagd kennis aan rondom de toepassing van de mogelijkheden
die er zijn om ketenafspraken te maken binnen de mededingingskaders, bijvoorbeeld
in de Leidraad Samenwerking Landbouwers.8 In de Landbouw- en Visserijraad heeft het kabinet de kansen van deze leidraad benadrukt.
Inmiddels is de Visie op Landbouw en Voedsel van de Europese Commissie uitgebracht.9 Gesprekken met de Commissie en andere EU lidstaten over de uitvoering van die EU-visie
vinden onder meer plaats in de Landbouw- en Visserijraad.
Sinds enkele jaren verzoekt LVVN de ACM om ontwikkelingen te volgen rondom vergoedingen
en verdeling van marges in de keten, ook waar het gaat om aanvullende leveringsvoorwaarden
rond duurzaamheid en dierenwelzijn. Deze Agro-Nutri Monitor is vorig jaar door de
ACM gepubliceerd10 en betreft onderzoeksperiode 2021–2023. Hiermee beschouwen wij de motie als afgedaan.
Internationaal
De motie Van der Plas over eenduidige regels voor de productie van voedsel (Kamerstuk
21501-32, nr. 1476), de motie Nijhof-Leeuw/Grinwis over een compleet overzicht van de algemene kosten
van producten van eigen bodem (Kamerstuk 36 410 XIV, nr. 32) en de motie Thijssen en Bromet over inzetten op internationale productiestandaarden
voor de import van agrarische producten (Kamerstuk 21501-32, nr. 1390)
Het kabinet zet zich via verschillende fora in op het verhogen van duurzaamheid en
het verhogen van productiestandaarden. Allereerst via multilaterale activiteiten,
bijvoorbeeld bij de WTO. Op het gebied van de bilaterale activiteiten, zoals de handelsverdragen
met Nieuw Zeeland en Mercosur is de inzet van het kabinet richting de Europese Commissie
gericht op zowel het vergroten van het gelijke speelveld, als het verhogen van (productie)standaarden11. Tevens kan de Europese Unie, onder bepaalde voorwaarden uiteengezet in de studie
over de toepassing van de gezondheids- en milieunormen van de EU op ingevoerde landbouw-
en agrovoedingsproducten12, zogenaamde autonome maatregelen treffen. Daarbij geldt wel dat «maatregelen» alleen
omwille van het behoud van de concurrentiepositie van EU-bedrijven indruisen tegen
de WTO-regels waar de EU en NL aan gebonden zijn. In de Visie Landbouw en Voedsel
heeft de Commissie aangegeven een sterkere afstemming van productiestandaarden die
van toepassing zijn op geïmporteerde producten, met name op het gebied van gewasbeschermingsmiddelen
en dierenwelzijn, na te streven. Het kabinet heeft in het BNC-fiche13 aangegeven dit te steunen, en uit te kijken naar deze voorstellen. Inmiddels is een
deel van de voorstellen gepresenteerd. Hiermee is de inzet op het verhogen van productiestandaarden
ingebed in het beleid en zijn de moties uitgevoerd.
Toekomst Veehouderij
De motie Podt over de overheid als launching customer voor nieuwe eiwitproducten (Kamerstuk
30 252, nr. 198)
In deze motie wordt gestreefd naar een groter aanbod van nieuwe eiwitten. Dit draagt
bij aan de verduurzaming van de eiwitconsumptie. Over dit onderwerp delen wij ook
graag twee rapporten met uw Kamer, de Eiwitmonitoren 2024 en 2025 (bijlage 414 en 515) en de Versnellingsagenda Eiwittransitie (bijlage 616).
Uw Kamer heeft in de motie gevraagd om te verkennen of het Innovatiekrediet zo aangepast
kan worden dat de lening conditioneel wordt toegekend vóór volledige financiering,
om meer privaat kapitaal aan te trekken. Daarnaast wil uw Kamer dat de Rijksoverheid
een rol neemt als launching customer voor nieuwe eiwitproducten, zoals in Denemarken
en Duitsland.
Kijkende naar het eerste gedeelte van de motie (aanpassing Innovatiekrediet) bestaat
de mogelijkheid al om conditioneel toe te kennen (met ontbindende voorwaarde voor
financiering in de verleningsbeschikking) als er bij de Rijksdienst voor Ondernemend
Nederland (RVO) voldoende vertrouwen is dat de financiering door private investeerders
in afzienbare tijd rondkomt. Aan de ontbindende voorwaarde dient normaliter binnen
4–8 weken te worden voldaan (met mogelijkheid tot uitstel). Wel is het zo dat veel
ondernemers nog niet bekend zijn met deze mogelijkheid en daardoor wellicht niet aan
een aanvraag beginnen, waardoor mogelijk minder privaat kapitaal wordt aangetrokken.
Bij de appreciatie is afgesproken dat het kabinet de motie zo mag interpreteren dat
het Ministerie van Economische Zaken samen met RVO in gesprek gaat over het beter
informeren van de doelgroep. Daartoe heeft het Ministerie van Economische Zaken reeds
overleg gehad met Hollandbio, de branchevereniging voor biotech ondernemingen, waarin
o.a. is aangegeven dat het mogelijk is om conditioneel toe te kennen en dat in de
praktijk ook wordt toegepast. Door aanpassing van de website neemt RVO de doelgroep
daarnaast nu duidelijker mee in de voorwaarden voor financiering en blijft RVO nadrukkelijk
aandacht besteden aan dit onderwerp in o.a. haar communicatie uitingen-, (oriënterende)
gesprekken-, en informatiebijeenkomsten met de doelgroep.
Voor het tweede gedeelte van de motie is er een verkenning gedaan door RVO bij de
grote cateraars van het Rijk, waarbij is gevraagd welke nieuwe eiwitproducten zij
nu al gebruiken en waar in de toekomst verder op ingezet kan worden. Met nieuwe eiwitbronnen
worden eiwitbronnen bedoeld die binnen het huidige Nederlandse eetpatroon niet of
minder gebruikelijk zijn17. Om de rol van de overheid als launching customer voor nieuwe eiwitbronnen te verstevigen,
verkennen wij samen met RVO de mogelijkheden om binnen de rijkscontracten en aanbestedingen
van catering de afname van nieuwe eiwitbronnen te stimuleren. De Kamer wordt dit najaar
verder geïnformeerd over deze verkenning en de te nemen stappen.
De motie Van der Plas over een jaarlijkse «Week van de (H)eerlijke Hollandse Hap»
(Kamerstuk 30 252, nr. 193)
In de motie wordt gevraagd om alle cateraars van Rijksoverheidsinstanties te stimuleren
om jaarlijks een Week van de (H)eerlijke Hollandse Hap te organiseren, waarbij de
focus ligt op het aanbieden van lokaal Nederlands geproduceerd en seizoensgebonden
voedsel van al onze boeren, tuinders, telers en vissers. In oktober 2025 is voor het
eerst een Week van de (H)eerlijke Hollandse Hap georganiseerd in veel bedrijfsrestaurants
van het Rijk, waaronder in ons eigen ministerie. Met de week vestigden we de aandacht
op het Nederlandse voedselsysteem en lokaal voedsel. Wij zetten ons ervoor in dat
de georganiseerde week jaarlijks wordt herhaald. Hierover worden met RVO, de verschillende
opdrachtgevers van het Rijk en de cateraars afspraken gemaakt. Hiermee is de motie
afgedaan.
In aanvulling op de motie Van der Plas en de hierboven genoemde motie Podt (Kamerstuk
30 252, nr. 198) attenderen wij de Kamer ook graag op het rapport van CE Delft «Monitoringskader
MVOI catering»18. Met dit rapport adviseert CE Delft ons over de inhoudelijke opzet van een monitor
voor de rijkscatering, specifiek de inkoopcategorie Consumptieve Dienstverlenging
(catering en warme- en koudedrankenvoorziening). Met een monitoring van de rijkscatering
willen wij inzichtelijk maken hoe de overheid direct bijdraagt aan een gezonde, duurzame
en betaalbare eetomgeving, waarbij nu gestart wordt met duurzaamheidsindicatoren.
Binnen mijn ministerie wordt, in samenwerking met RVO, gewerkt aan de verdere uitwerking
van deze monitor.
De motie Vedder/Holman over de uitvoeringskracht van de landbouw versterken door de
PO's en de BO's beter te laten aansluiten op de mogelijkheden die de Europese regelgeving
biedt (Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 44)
De motie verzoekt om maatregelen voor het versterken van de uitvoeringskracht van
de landbouw, door de werkzaamheden van de huidige Producentenorganisaties (PO’s) en
Brancheorganisaties (BO’s) in de praktijk beter aan te laten sluiten op de mogelijkheden
die de Europese regelgeving biedt. Het kabinet wijst erop dat de reeds bestaande nationale
juridische kaders het algemeen verbindend verklaren van collectieve afspraken mogelijk
maken en volledig aansluiten bij Europese regels. Deze nationale kaders bevorderen
de toepassing van Europese regelgeving voor PO’s en BO’s. Vanuit juridisch oogpunt
zijn er in de nationale regelgeving geen belemmeringen voor PO’s en BO’s om de mogelijkheden
te benutten die de Europese regels bieden.
Het gewijzigde amendement van de leden Ouwehand en Grinwis ter vervanging van nr. 27
over middelen voor subsidie voor Stichting Public Food (Kamerstuk
36 600 XIV, nr. 72).
Ter opvolging van het amendement verleent het Ministerie van LVVN de Stichting Public
Food in vier opvolgende jaren € 10.000 subsidie om te verkennen of de opschaling van
het in Rotterdam gevestigde initiatief Mensa Mensa naar andere steden mogelijk is.
Ondersteunend aan het amendement is opdracht uitgezet om de impact van het initiatief
in kaart te brengen. Bijgaand stuur ik u het rapport van New Economy «Maatschappelijke
waarde Mensa Mensa» (bijlage 719). Uit het rapport komt naar voren dat het concept Mensa Mensa vooral verschil kan
maken in wijken waar gezond eten niet vanzelfsprekend is. Voor deze wijken kan het
concept Mensa Mensa gemeenten concrete handvatten bieden om via een wijkgerichte aanpak
kwetsbare groepen te bereiken.
Mestbeleid
De motie Pierik/Flach over mogelijkheden onderzoeken om RENURE toe te passen in de
Nederlandse veehouderij en eventuele belemmeringen hiervoor wegnemen (Kamerstuk 30 252, nr. 156) en de motie Van Campen over anticiperend op toestemming van de Europese Commissie
voor RENURE alvast starten met het opstellen van een landelijk gebruiksvoorschrift
(Kamerstuk 30 252, nr. 165)
Ten aanzien van de moties over Renure verwijs ik naar mijn brief van 7 november 2025,
waarin ik de inhoud en de start van de internetconsultatie voor de benodigde regelgeving
heb aangekondigd20. Ik ben zeer verheugd dat het Nitraatcomité op 19 september 2025 positief heeft besloten
over RENURE. Inmiddels is ook op 8 januari de bezwaartermijn van de Raad en het Europees
Parlement verlopen. Na de formele vaststelling door de Europese Commissie is RENURE
dan ook een feit.
In de tussentijd wordt gewerkt aan de benodigde nationale regelgeving. De inzet is
om deze zomer van kracht te laten zijn. Hiermee beschouw ik deze moties als afgedaan.
De motie Van Campen/Holman over bij weegmomenten monitoren hoe de leasemarkt voor
pluimvee- en varkensrechten zich ontwikkelt en eventuele ongewenste effecten tegengaan
(Kamerstuk 36 618, nr. 30)
Ten aanzien van deze motie verwijzen wij naar de brief van de Minister van LVVN over
het eerste weegmoment van 18 september 202521. In de cijfers over transacties van pluimvee- en varkensrechten is ook de leasemarkt
expliciet meegenomen. Daarnaast werkt de Minister van LVVN aan de voornemens die hierover
zijn aangegeven in het coalitieakkoord. Wij beschouwen deze motie daarmee afgedaan.
De motie Van Campen c.s. over een nulmeting van de huidige situatie van het mestbeleid
(Kamerstuk 33 037, nr. 384)
Er is een evaluatie van de meststoffenwet uitgevoerd22. In dit onderzoek zijn de effecten in beeld gebracht van het mestbeleid. Hiermee
is de motie afgedaan.
Akkerbouw
De motie Grinwis c.s. over het ondersteunen van de naleving van teeltvoorschriften
door het garanderen van voldoende flexibele handhavingscapaciteit bij de NVWA (Kamerstuk
27 858, nr. 689)
De NVWA ontvangt een extern geoormerkt budget om de flexibele handhavingscapaciteit
van de teeltvoorschriften te garanderen. Omdat dit budget onderdeel is van de begroting
van LVVN is het in de begrotingssystematiek niet mogelijk om het jaarlijks beschikbare
handhavingsbudget over verschillende jaren te benutten. Dit maakt dat we de motie
helaas niet uit kunnen voeren. Hiermee beschouwen wij de motie als afgedaan.
Natuur
De motie Bromet/Beckerman over de door Rotterdam The Hague Airport opgekochte stikstofruimte
inzetten voor het legaliseren van PAS-melders, natuurherstel en woningbouw (Kamerstuk
29 665, nr. 506) en de motie Vedder c.s. over de Schiphol Group verzoeken verworven stikstofdepositieruimte
aan te bieden bij de overheid voor het legaliseren van PAS-melders (Kamerstuk 29 665, nr. 509)
De mogelijkheid om het overschot aan stikstofruimte in te zetten voor PAS-melders
en woningbouw is ingehaald door de Rendac-uitspraak. Door die uitspraak is extern
salderen nog lastiger uitvoerbaar, dit vanwege de aangescherpte additionaliteitstoets.
Ook is de Royal Schiphol Group nog afwachtend in hoeverre ze de ruimte zelf nodig
zouden hebben. Mede omdat de benodigde toestemmingen/natuurvergunningen voor de luchthavens
onder de Royal Schiphol Group nog niet onherroepelijk zijn. Gelet op het voorgaande
is uit de gesprekken met de Royal Schiphol Group gebleken dat het inzetten van de
betreffende stikstofruimte nu niet opportuun is. Hiermee beschouwen wij de moties
als afgedaan.
De toezegging van de Minister voor Natuur en Stikstof om de Kamer schriftelijk nader
informeren over de gevolgen van de ingebrekestelling door de NAM (TZ202309-030)
Op 28 november 2025 is de Kamer door de Minister van KGG geïnformeerd over de overeenkomst
met de NAM (Kamerstuk 33 529, nr. 1345). Inmiddels is de aanvraag van de voorgenomen gaswinning Ternaard ingetrokken. De
toezegging is hiermee afgedaan.
De motie Vedder c.s. over een evaluatie van de agrarische praktijktoets (Kamerstuk
30 252, nr. 187)
De motie verzoekt de regering om samen met de betrokken sectoren een evaluatie van
de agrarische praktijktoets (geïntroduceerd in 2021) uit te voeren en de Kamer voor
het einde van 2025 te informeren over de uitkomsten en concrete voorstellen ter verbetering
van het toepassen van de toets. Het door de Kamer gevraagde evaluatieonderzoek is
in december 2025 door het departement afgerond. De hoofdvraag van deze evaluatie was:
«in hoeverre is de agrarische praktijktoets een bruikbare kwaliteitseis voor beleid?»
Op basis van het onderzoek blijkt dat het uitvoeren van de agrarische praktijktoets
leidt tot nieuwe inzichten en kennis over voorgenomen beleid, en dat deze bevindingen
zeer waarschijnlijk worden gebruikt in het beleidsvormingsproces om wet- en regelgeving
te verbeteren. Deelnemers geven aan dat de panelgesprekken hebben geleid tot constructieve
interactie tussen beleid en het veld, dat de ontvangen verslagen duidelijk waren en
dat de terugkoppeling helder inzicht bood in welke input wel of niet kon worden meegenomen.
Sommige deelnemers geven aan dat zij na deelname aan de toets geen gebruik meer maken
van Internetconsultatie, omdat zij de kwaliteit van input en interactie na de praktijktoets
hoger inschatten. Beleidsmedewerkers bevestigen dat de toets hen een breder en realistischer
beeld geeft van mogelijke gevoeligheden en praktische belemmeringen, en dat de directe
wisselwerking met het veld de kwaliteit van wet- en regelgeving vergroot.
Ten tijde van de evaluatie was het LVVN-beleid koploper in het aantal uitgevoerde
MKB-toetsen binnen het Rijk. De toets is in circa 93 procent van de gevallen uitgevoerd,
wat goed is voor dit type kwaliteitseis van het Beleidskompas. Ondanks dat de ingevoerde
wet- en regelgeving zeer waarschijnlijk van verbeterde kwaliteit is, kan er geen causale
relatie worden vastgesteld tussen het uitvoeren van de agrarische praktijktoets en
het voorkomen van nieuwe dossiers, die leiden tot extra regeldruk. De toets wordt
in het beleidsproces uitgevoerd als er een nieuwe wet- of regelgeving is voorgesteld
(Europees of nationaal) met substantiële impact op de bedrijfspraktijk. De toets heeft
daardoor geen impact op het aantal voorgenomen nieuwe wet- en regelgeving. Echter
betekent dit niet dat er geen relatie is met het voorkomen van onnodige en ervaren
regeldruk. Als de kwaliteit van nieuwe wet- en regelgeving beter wordt door de toets,
kan de ervaren onnodige regeldruk in potentie afnemen. Deze hypothese gaat echter
voorbij aan de scope van dit onderzoek, maar is mogelijk een positief neveneffect.
Uit de evaluatie bleek tevens dat de naam agrarische praktijktoets verwarring veroorzaakt
binnen het departement, bij deelnemers en breder binnen het Rijk, aangezien de toets
en diens handreiking inhoudelijk gelijk zijn aan de MKB-toets. De evaluatie adviseerde
daarom de naam te wijzigen in de MKB-toets, wat het ministerie overneemt, omdat dit
de doeltreffendheid en doelmatigheid van de toets vergroot en verwarring bij vissers
en andere ketenpartijen in het LVVN-beleid voorkomt. De overige aanbevelingen uit
de evaluatie worden eveneens in 2026 binnen het departement geïmplementeerd, waaronder
het formaliseren van aanspreekpunten, het waarborgen van capaciteit en procesborging,
en het verbeteren van de voorlichting op de interne website. Hiermee beschouwen wij
de motie als afgedaan.
De toezegging aan het lid Graus over bijensterfte (TZ202502-166)
Tijdens het commissiedebat NVWA van 11 februari 2025 heb ik de heer Graus (PVV) toegezegd
terug te komen op de bijensterfte. Wilde bestuivers en honingbijen zijn belangrijk
voor onze voedselvoorziening en er zijn meerdere drukfactoren die deze bijenpopulaties
ondervinden, zoals de varroamijt, het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de
aanwezigheid van de Aziatische hoornaar (voortaan geelpoothoornaar).
De varroamijt is een van de belangrijkste veroorzakers van wintersterfte bij honingbijen.
Met de Sectorale Interventie Bijen (SIB) worden subsidies (gezamenlijk van de EU en
nationaal) verstrekt aan initiatieven die bijdragen aan het verkleinen van de impact
van de varroamijt. Daarnaast worden initiatieven zoals «Bijen@WUR» gesteund om kennis
over aanpak van de varroamijt te verspreiden onder imkers.
Ten aanzien van gewasbeschermingsmiddelen is in Europees verband het bijenrichtsnoer
ontwikkeld om bij de beoordeling de effecten van gewasbeschermingsmiddelen nog beter
te toetsen. Uw Kamer is met regelmaat geïnformeerd gedurende de totstandkoming van
dit bijenrichtsnoer. De Europese Commissie zal naar verwachting eind 2026 een definitief
voorstel aan de lidstaten voorleggen om het bijenrichtsnoer vast te stellen en te
implementeren, waar ik uw Kamer vervolgens over zal informeren.
De geelpoothoornaar is een nieuwe drukfactor voor bijen en helaas niet meer tegen
te houden. Op 15 april 2025 heeft het lid Pierik vragen gesteld over de geelpoothoornaar.
In de beantwoording van die vragen is mijn voorganger verder ingegaan op de inzet
van Rijk en provincies wat betreft deze invasieve exoot (2025Z07499).
Om de negatieve trend in de (wilde) bestuiverspopulaties te keren, is het naast de
beschreven aanpak van drukfactoren van belang de drukfactoren stikstof en verdroging
aan te pakken. Het verminderen van al deze drukfactoren is randvoorwaardelijk voor
het keren van de negatieve bestuiverstrend. Middels de aanpak van deze drukfactoren
is het mogelijk om de voedsel- en nestgelegenheden voor bestuivers te vergroten en
te verbeteren. Daarnaast kunnen bestuiversvriendelijke maatregelen worden genomen
door diverse partners van de Nationale Bijenstrategie (NBS), opgericht door LVVN als
antwoord op de achteruitgang van het aantal soorten en populaties van bestuivers.
De verbetering van leefgebieden voor bestuivers, waaronder bijen, zal ook via de herstelmaatregelen
van de Natuurherstelverordening (NHV) worden meegenomen. In de NHV staan ook doelstellingen
met betrekking tot bestuivers. De verordening verplicht lidstaten om effectieve maatregelen
te treffen om de negatieve trend van bestuiverpopulaties te keren in uiterlijk 2030.
Om vervolgens een stijgende trend in te zetten tot een bevredigend niveau bereikt
is. In het Natuurplan wordt de Nederlandse inzet op de NHV uitgewerkt. Het voornemen
is om het Ontwerp-Natuurplan 1 september 2026 naar de Europese Commissie te verzenden.
Kennisproduct korte koolstofkringloop
Zoals toegezegd in het Regeerprogramma van het Kabinet Schoof23 en in de Kamerbrief Routekaart Koolstofverwijdering24 heeft het Ministerie van LVVN onderzoek laten doen naar de mogelijkheid om rekening
te houden met een correctiefactor voor de onttrekking van CO2 aan de atmosfeer in gras en voedergewassen/voedsel in de korte koolstofkringloop.
Dit onderzoek is uitgevoerd door Wageningen University and Research (WUR) in samenwerking
met het Centrum voor Landbouw en Milieu (CLM). Het opgeleverde kennisproduct kunt
u op de website van WUR vinden25. Een van de conclusies is dat de tijdelijke koolstofopname in gras, voedergewassen
en voedsel wel wordt meegenomen in de emissieboekhouding, maar dat deze niet zorgt
voor een significante verandering in de koolstofvoorraad in levende biomassa, omdat
ze binnen een jaar geconsumeerd worden. De emissieboekhouding hoeft derhalve niet
gecorrigeerd te worden.
Doelsturing
De motie Grinwis c.s. over het emissiebeleid langs de lijnen van de aangenomen moties
en de gemaakte afspraken concreet invullen, inclusief een tijdlijn (Kamerstuk 35 334, nr. 309)
De Kamer is via verschillende brieven geïnformeerd over de invulling van de bedrijfsspecifieke
emissienormen voor stikstof en klimaat26 27 28. In deze brieven is uw Kamer geïnformeerd over dat in 2026 de bedrijfsspecifieke
emissienormen voor stikstof en klimaat zullen worden vastgesteld. Hiertoe zal ook
een besluit genomen worden over de eenheid/KPI waarin de norm wordt vormgegeven (per
hectare, per (fosfaat)recht of per dierplek) en de hoogte van de norm. Daarmee beschouwen
wij de motie als afgedaan.
Ten aanzien van doelsturing op waterkwaliteit geldt dat de uitwerking van de systematiek
wordt voortgezet en dat beoogd wordt in het najaar van 2026 te starten met N-mineraalmetingen.
De vorm en de reikwijdte van het systeem van doelsturing, ook in het licht van de
KRW, wordt gewogen in relatie tot het op te stellen 8e Actieprogramma Nitraatrichtlijn.
Stikstof: overig
De motie Podt over de randvoorwaarden voor gebiedsspecifieke zonering rond Natura
2000-gebieden op orde brengen (Kamerstuk 28 973, nr. 279)
De motie Podt verzoekt de regering om de randvoorwaarden voor zonering rond Natura
2000-gebieden op orde te brengen en op basis van doorrekeningen door kennisinstellingen
diverse varianten van de omvang van zonering voor te leggen aan de Kamer voor Prinsjesdag29. Voor varianten m.b.t. zonering heeft het RIVM in 2025 inzichtelijk gemaakt welke
bedrijfsaantallen, hectares en stikstofemissie en depositie in verschillende zones
rond Natura 2000-gebieden voorkomen. Deze gegevens zijn openbaar gedeeld30. Ook het kennisconsortium van PBL, Deltares, RIVM & WUR heeft gereflecteerd op het
maatregelenpakket van de MCEN en zonering31. De uitkomst hiervan wordt betrokken bij de verdere uitwerking van zonering door
de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof. De ambitie van de Taskforce
is om voor de zomer helderheid te bieden over de beleidsvoornemens voor zonering en
daarna hierover in gesprek te gaan met medeoverheden en maatschappelijke partners.
Hiermee beschouwen wij de motie als afgedaan.
De motie Van der Graaf over de indicatieve reductieopgave van 25% van de NOx-emissies tussen 2019 en 2030 voor de mobiliteitssector specifiek laten gelden voor
de luchtvaart (Kamerstuk 31 936, nr. 1124)
De motie verzoekt de regering de indicatieve reductieopgave van 25% van de NOx-emissies tussen 2019 en 2030 voor de mobiliteitssector specifiek te laten gelden
voor de luchtvaart. In het coalitieakkoord is gekozen voor één emissie-doelstelling
per sector, ter vervanging van depositiewaarden in de Omgevingswet. Het kabinet kiest
niet voor een invulling met additionele doelstellingen voor subsectoren, in dit geval
de luchtvaart en zodoende heeft het kabinet ervoor gekozen motie Van der Graaf niet
uit te voeren. Dat betekent niet dat de luchtvaart geen bijdrage levert aan de NOx-emissiereductie door de sector mobiliteit. Zo wordt gewerkt aan elektrificatie van
het platformverkeer, de inzet van meer walstroom en de implementatie van elektrisch
taxiën.
De motie Podt over decentrale overheden ondersteunen door de ruimtelijke instrumenten
voor te bereiden (Kamerstuk 35 334, nr. 335)
De motie benoemt dat de inzet van ruimtelijke instrumenten grondige voorbereiding
en samenwerking vraagt van Rijk en medeoverheden. De motie vraagt om voorbereiding
van ruimtelijke instrumenten, zodat het Rijk exact weet wat er nodig is om decentrale
overheden te ondersteunen bij de acute inzet van ruimtelijke instrumenten.
Als onderdeel van het contact met medeoverheden en koepels over de uitwerking van
ruimtelijke keuzes voor landbouw en natuur besteden wij aandacht aan de informatie-
en kennisdeling tussen het Rijk en decentrale overheden. Hier is al veel materiaal
op beschikbaar. Zo bevat de Instrumentenkoffer Landelijk Gebied32 al veel informatie over bestaande instrumenten voor het realiseren van opgaven in
het landelijk gebied. Daarnaast zijn er andere hulpmiddelen, zoals een overzicht van
wettelijke instrumenten die kunnen worden ingezet voor het reguleren van waterkwaliteit33 en een informatiedocument dat decentrale overheden een overzicht biedt van mogelijkheden
om bij te sturen op veranderend grondgebruik34. Daarnaast is een informatiedocument beschikbaar gesteld over de inzet van grondbeleid35. De genoemde documenten beschrijven naast het instrumentarium ook concrete voorbeelden
uit de uitvoeringspraktijk van medeoverheden. In interbestuurlijk overleg met medeoverheden
en koepels heeft en houdt verbetering van de informatie-uitwisseling onze aandacht.
Dit temeer omdat het ruimtelijke instrumentarium een belangrijk onderdeel is in de
aanpak van de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof, onder andere bij
de gebiedsgerichte inzet. Zie hiervoor de brief van de Minister van LVVN van 27 maart
202636. Uw Kamer zal via de Taskforce over deze aanpak worden geïnformeerd. Hiermee beschouwen
wij de motie als afgedaan.
De motie Podt over de CO2-emissiereductie uit het NPLG als uitgangspunt hanteren voor de alternatieve gebiedsplannen
(Kamerstuk 36 600 XIV, nr. 38)
Het kabinet wil met ambitie aan de slag met de opgaven in het landelijk gebied. De
klimaatdoelen voor de landbouw en landgebruik zijn daarvoor belangrijk. De inzet op
stikstofreductie hangt nauw samen met de opgaven voor klimaat. Daarom kijkt het kabinet
ook naar de bijdrage van de stikstof reducerende maatregelen aan de klimaatopgave.
In een recente Kamerbrief over de Samenhangende aanpak Landbouw, Natuur en Stikstof
heeft het kabinet aangegeven op welke manieren bij de uitwerking van de stikstofopgave
wordt gewerkt aan de reductie van broeikasgasemissies37. Het kabinet werkt aan de klimaatopgave met onder andere bedrijfsspecifieke emissienormen
voor broeikasgassen, een vrijwillige beëindigingsregeling, normering op de inzet van
methaanremmers in veevoer en de inzet op veenweide en de bossenstrategie. Voor de
zomer zal de Kamer worden geïnformeerd over de verdere uitwerking van de samenhangende
aanpak. Ook zal aan het PBL en andere kennisinstellingen worden gevraagd hierop te
reflecteren.
Verschillende provincies zetten een stap naar voren en ontwikkelen provinciale plannen
voor de opgaven in het landelijk gebied. Het is van belang dat ook deze plannen in
samenhang worden bezien met de klimaatopgave zodat de opgaven in synergie met elkaar
kunnen worden gerealiseerd. Specifiek stuurt het kabinet niet meer op de totstandkoming
van gebiedsplannen. De motie kan daarom in de vorm zoals ze is geschreven niet worden
uitgevoerd. Wanneer provincies mij vragen om een reactie op eigen plannen zullen wij
hen wijzen op het belang van de klimaatopgave. We beschouwen de motie hiermee als
afgedaan.
De motie Van Campen/Grinwis over bij uitwerking van de stikstofplannen onafhankelijk
advies vragen over varianten voor het vergunningenstelsel (Kamerstuk 35 334, nr. 305)
De motie verzoekt de regering om bij de uitwerking van stikstofplannen ook stil te
staan bij het huidige vergunningstelsel, en daarbij onafhankelijk advies te vragen,
bijvoorbeeld door ABD Topconsult. In de toelichting hierop werd door het lid Van Campen
aangegeven dat het van belang was dat bij de opgave van het kabinet ten aanzien van
de stikstofplannen ook kritisch moest worden gekeken naar hoe ons stelsel eruit ziet.
Op 24 januari 2025 is uw Kamer geïnformeerd over de MCEN38 en de bijbehorende inzet op vier sporen. Onderdeel van deze inzet was het kritisch
bezien van ons stelsel en het ophalen van adviezen hoe hierin toe te werken naar een
houdbaar systeem. In de brief van 21 maart 202539 is aangegeven dat het kabinet diverse adviezen heeft ontvangen met maatregelen die
bijdragen aan oplossingen voor de complexe problematiek. Ook in de periode daarna
zijn diverse onafhankelijke adviesrapporten opgeleverd. Deze voorstellen hebben er
onder andere toe geleid dat dit kabinet inzet op aanpassingen in het stelsel, zoals
de omslag naar een doelsturingssystematiek gestoeld op bedrijfsgerichte emissienormen40. Door op bovenstaande wijze adviezen te benutten voor de stikstofplannen beschouwen
wij de motie als afgedaan.
De motie Flach c.s. over juridische duidelijkheid over de ruimte voor intern salderen
(Kamerstuk 35 334, nr. 392)
De motie verzoekt de regering te bezien hoe door aanpassing van de Omgevingsregeling
juridische duidelijkheid gegeven kan worden over de ruimte voor intern salderen in
de voortoets als sprake is van activiteiten die onlosmakelijk met elkaar verbonden
zijn, en dit mee te nemen bij de uitwerking van het startpakket Nederland van het
slot. Naar deze mogelijkheid is gekeken. Vastgesteld is dat op dit moment in de wetgeving
geen regels zijn gesteld over de voortoets. Er zijn alleen regels gesteld over de
reikwijdte van de vergunningplicht voor Natura 2000-activiteiten, in artikel 5.1 van
de Omgevingswet en paragraaf 11.1.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving, een
algemene maatregel van bestuur (AMvB) op grond van de Omgevingswet. Daarnaast zijn
regels gesteld over de beoordeling van aanvragen om een omgevingsvergunning voor een
Natura 2000-activiteit, in paragraaf 8.6.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving,
eveneens een AMvB op grond van de Omgevingswet. In de Omgevingsregeling, een ministeriële
regeling, kunnen technische regels worden gesteld over de aanvraag voor een omgevingsvergunning
en de daarbij over te leggen gegevens. Er is echter geen grondslag om in die regeling
een nieuwe toets te introduceren die vooraf gaat aan het al dan niet aanvragen van
een vergunning en om over de invulling daarvan – bijvoorbeeld in relatie tot activiteiten
die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn – nadere regels te stellen. Dat zou een
wetswijziging vergen. Daarbij moet goed worden afgewogen of de daarmee gepaard gaande
extra regels en verplichtingen opwegen tegen de «juridische duidelijkheid» die dan
zou kunnen worden geboden over de vraag of activiteiten onlosmakelijk aan elkaar verbonden
zijn. Bij dat laatste geldt dan ook dat Europeesrechtelijk begrippen in de jurisprudentie
verder zullen uitkristalliseren en dat ervoor gewaakt moet worden dat nationale regels
in strijd komen met het Europese recht. Gelet op het voorgaande kiest het kabinet
ervoor om op dit moment geen extra regels en verplichtingen op te nemen wet- en regelgeving
en de motie dus niet verder uit te voeren. Daarmee beschouwen wij de motie als afgedaan.
De motie Grinwis c.s. over het toezicht op vergunningverlening voor stikstofuitstoot
door de industrie versterken (Kamerstuk 33 576, nr. 308)
De motie verzoekt om het toezicht op de industrie te versterken en daartoe de informatiepositie
van het bevoegd gezag te verbeteren, zodanig dat dit leidt tot een gelijkwaardige
stikstofbehandeling met de agrarische sector.
Het kabinet onderschrijft het streven naar een gelijkwaardige behandeling van industriële
en agrarische ondernemers bij de aanpak van stikstofuitstoot. In het algemeen kunnen
we stellen dat de bevoegd gezagen hun informatiepositie meer aandacht geven. De brief
van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat over de Staat van Vergunningverlening,
Toezicht en Handhaving41 richt zich weliswaar vooral op het milieudeel, maar de aanbevelingen versterken voor
een deel ook de informatiepositie voor natuur en daarmee voor stikstof.
Voor de grootste industriële complexen beschikt de provincie als bevoegd gezag al
over een integrale informatiepositie. De provincie is verantwoordelijk voor zowel
de milieuvergunning als de natuurvergunning. Hierdoor zijn alle relevante gegevens
over emissies en technische standaarden op één plek beschikbaar.
Voor industriële bedrijven waarvoor de provincie geen bevoegd gezag is voor de milieuvergunning,
is de situatie anders. De informatiepositie voor toezicht op stikstofuitstoot is daar
vergelijkbaar met die van agrarische ondernemers.
Er is in die gevallen dus sprake van een gelijkwaardige uitgangspositie. Of de sterkere
of gelijkwaardige informatiepositie ten aanzien van stikstofuitstoot door de industrie
leidt tot een gelijkwaardige stikstofbehandeling is aan het bevoegd gezag om te bepalen
per situatie en context. Met deze toelichting beschouwen wij deze motie als afgedaan.
De motie Meulenkamp/Vedder over vaart maken met het verder concretiseren van geborgde
en structurele emissiereductie (Kamerstuk 36 755, nr. 36), de motie Koekkoek over de Kamer periodiek informeren over de bijeenkomsten en de
voortgang van de ministeriële commissie (Kamerstuk 35 334, nr. 344) en de toezegging van de Minister van LVVN om in maart 2025 de terugkoppeling op
het emissiereductieplan van Natuurmonumenten, Natuur & Milieu, Koninklijke Bouwend
Nederland, VNO-NCW, MKB-Nederland naar de Kamer te sturen (TZ202412-116)
De motie Meulenkamp/Vedder verzoekt de regering vaart te maken met het verder concretiseren
van geborgde en structurele emissiereductie, daarbij de genoemde documenten als een
basis te gebruiken en hierover in gesprek te treden met de betrokken partijen. De
afgelopen jaren hebben opeenvolgende kabinetten diverse voorstellen ontvangen om Nederland
van het slot te halen. Het gaat hierbij onder meer om het Bouwstenendocument emissiereductie
landbouw van IPO, LTO, NAJK, VNG en de Unie van Waterschappen, het Bouwsteendocument
Natuur van IPO, VNG, Unie van Waterschappen, Natuurmonumenten, LandschappenNL, Unie
van Bosgroepen en de Federatie Particulier Grondbezit, evenals het dit jaar gepresenteerde
emissiereductieplan Een stabiele route uit de stikstofcrisis (opvolger van het Versnellingsplan
uit 2024) van VNO-NCW, Bouwend Nederland, Natuur & Milieu en Natuurmonumenten. Elementen
uit deze plannen zijn al opgenomen in het kabinetsbeleid. De genoemde plannen bieden
daarnaast ook aanknopingspunten voor de verdere uitwerking van geborgde en structurele
emissiereductie. Er is regelmatig ambtelijk en bestuurlijk contact met deze organisaties
om hun voorstellen inhoudelijk te bespreken. Ook nemen deze organisaties deel aan
het bestuurlijk overleg met medeoverheden of het maatschappelijk overleg in het kader
van de Ministeriële Taskforce. Hiermee beschouwen wij de motie als afgedaan. De motie
Koekkoek over de betrokkenheid van partijen is afgedaan in de Kamerbrief Startpakket
Nederland van het slot42; de daarbij horende toezegging over het Versnellingsplan is hiermee ook afgedaan.
Moties uit de tijd van het Landbouwakkoord
In 2022 heeft uw Kamer middels meerdere moties het kabinet van toen opgeroepen om
binnen afzienbare tijd tot afspraken te komen met de agrarische sector om te komen
tot een economisch en ecologisch duurzaam toekomstperspectief voor de vele gezinsbedrijven
in de agrarische sector. Deze moties zijn ingediend in aanloop naar en naar aanleiding
van het Landbouwakkoord, maar zijn ook hierna onderdeel gebleven van de werkzaamheden
van het ministerie. Het gaat om de volgende moties:
– De motie Bisschop over meerjarige afspraken met een brede vertegenwoordiging van de
sector (Kamerstuk 35 300 XIV, nr. 48)
– De motie Bisschop over een duurzaam en langjarig toekomstperspectief voor de agrarische
sector (Kamerstuk 35 600, nr. 43)
– De motie Tjeerd de Groot/Boswijk over in de uitwerking van kringlooplandbouw operationele
doelen formuleren (Kamerstuk 35 925 XIV, nr. 107)
– De motie Grinwis/Van Campen over lessen trekken uit succesvolle voorbeelden van Europees
bronbeleid uit andere sectoren (Kamerstuk 35 925 XIV, nr. 119)
– De gewijzigde motie Bisschop over meer inzetten op emissiereductie op het boerenerf
(Kamerstuk 35 925 XIV, nr. 153)
– De motie Bromet/Thijssen over innovatieve grondgebonden natuurinclusieve veehouderij
ondersteunen (Kamerstuk 36 200 XIV, nr. 46)
– De motie Grinwis c.s. over zo snel mogelijk na het zomerreces komen met een visie,
strategie en overlegstructuur om de landbouw in ons land een toekomst te bieden (Kamerstuk
30 252, nr. 113)
– De motie Graus c.s. over afspraken over een goed verdienvermogen voor boeren en tuinders
(Kamerstuk 36 200 XIV, nr. 24)
De moties verzoeken de regering onder andere om sturing op basis van emissiereductie,
metingen en praktijkervaringen die recht doen aan de diversiteit van ondernemers en
daarbij rekening houdend met een duurzaam en innovatief toekomstperspectief en goed
verdienvermogen voor de ondernemer. Daarnaast wordt gevraagd om meer experimenteerruimte
en erkenning van innovatieve technieken.
In de Ministeriële Taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof worden maatregelen uitgewerkt
die boeren duidelijkheid en perspectief moeten geven en in het kader van deze taskforce
is een Maatschappelijk Overleg ingesteld met verschillende maatschappelijke partijen.
Aan het sturen op basis van emissiereductie en bedrijfsspecifieke metingen wordt invulling
gegeven door de ontwikkeling van het doelsturingssysteem. Aan het ontwikkelen en uitrollen
van innovaties en duurzame bedrijfsvormen, die mede bijdragen aan het verdienvermogen
van boeren en tuinders, wordt invulling gegeven met onder andere de subsidieregelingen
voor Samenwerken aan innovatie (EIP) en digitalisering, de subsidiemodules brongerichte
verduurzaming stal- en managementmaatregelen (Sbv) en het Investeringsfonds Duurzame
Landbouw. Hiermee beschouwen wij deze moties als afgedaan.
Emissiereductie in de landbouw
De Kamer heeft verschillende moties aangenomen over innovatie en de rol bij emissiereductie:
– De motie Van der Plas c.s. over alsnog de aangenomen motie-Van Campen c.s. over innovatieve
technologieën uitvoeren (Kamerstuk 36 410 XIV, nr. 59)
– De motie Van Campen c.s. over bezien welke innovaties succesvol zijn of grote potentie
hebben voor vermindering van stikstofemissies (Kamerstuk 33 576, nr. 304)
– De motie Holman en Van Campen over de bijdrage aan emissiereductie van innovaties
per dierlijke sector inzichtelijk maken (Kamerstuk 33 037, nr. 578)
– De motie Grinwis/Vedder over samen met melkveehoudersorganisaties komen tot een emissiereductieplan
(Kamerstuk 28 973, nr. 273)
Zoals is aangegeven bij de appreciatie van de motie Holman/Van Campen over de bijdrage
aan emissiereductie van innovaties per dierlijke sector inzichtelijk maken (Kamerstuk
33 037, nr. 578), kan niet op voorhand gezegd worden wat er uit de innovatieprocessen komt vanwege
het grote aantal innovaties en het doorlopende ontwikkelende karakter ervan. Het is
daarom niet mogelijk een uitputtend overzicht te geven van die innovaties. Zonder
uitputtend te zijn bestaan er voor verschillende doeleinden wel overzichten van innovaties
(en de potentie er van) zoals een onderzoek van WUR uit januari 202543, of het overzicht van de projecten die subsidie kregen uit de Sbv-innovatiemodule44 en meer recent via het nationaal innovatieloket veehouderij45. Wij zetten ons in voor de reductie van emissies in de landbouw, onder andere in
op bedrijfsspecifieke emissienormen voor stikstof en klimaat vanaf 2035. Bij het vaststellen
van de normen zal gekeken worden naar wat technisch haalbaar is in verschillende veehouderijsectoren.
Ook wordt er gekeken naar de bedrijfsmatige impact van de maatregelen. In het ingroeipad
zullen dan via informeren, stimuleren en uiteindelijk afrekenen de normen worden gehaald.
Bij de ontwikkeling van deze normen en maatregelen wordt uiteraard ook samengewerkt
met verschillende sectorpartijen, waaronder melkveehouderorganisaties. Hiermee beschouwen
wij deze moties als afgedaan.
Landelijke beëindigingsregelingen veehouderijlocaties
De motie Grinwis/Van Campen over de brede beëindigingsregeling zo snel mogelijk in
2025 openstellen en dit bij de voorjaarsbesluitvorming betrekken (Kamerstuk 36 618, nr. 21) en toezegging aan het lid Holman om in januari 2025 duidelijkheid te geven over
de invulling van de brede beëindigingsregeling (TZ202411-024)
Met de brief van 19 september 202546 is uw Kamer geïnformeerd over hoe de contouren van de Vrijwillige beëindigingsregeling
eruit komen te zien. Daaropvolgend is uw Kamer bij brief van 19 december 202547 geïnformeerd over de voortgang inzake de Vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties
(Vbr). Daarbij heeft het kabinet aangegeven dat, afhankelijk van hoe snel de stappen
doorlopen kunnen worden, de regeling naar verwachting medio 2026 wordt opengesteld.
De internetconsultatie van de Vbr is reeds afgerond en de regeling is voor informele
pre-notificatie aangeboden aan de Europese Commissie48. Hiermee beschouwen wij de motie en toezegging als afgedaan.
De motie Van Campen/Meulenkamp over het wegnemen van belemmeringen voor de doorstart
van ondernemingen op locatie (Kamerstuk 33 576, nr. 410)
De motie verzoekt de regering in overleg met decentrale overheden belemmeringen weg
te nemen en daarbij regelingen zoals Rood voor Rood als voorbeeld te gebruiken. Uw
Kamer is geïnformeerd over problematieken in de uitvoering van de Lbv en Lbv-plus
en hoe hiermee is omgegaan49 en over hoe de Rood voor Rood-regeling gebruikt kan worden in combinatie met de Lbv-regelingen50. Hiermee beschouwen wij de motie als afgedaan.
De toezegging van de Minister van LNV aan het lid Ouwehand om de Kamer te informeren
over het gesprek dat hij met de kalverhouderij sector aangaat inzake wat er gebeurt
met kalfjes wanneer een bedrijf stopt (TZ202303-020)
De kalverhouderij kon in aanmerking komen voor de (inmiddels gesloten) regelingen
Lbv-plus en Lbv-kleinere sectoren. De veehouder had in deze regelingen 6 maanden de
tijd vanaf de datum van de positieve beslissing om de voor subsidieverstrekking (eerste
voorschot) vereiste modelovereenkomst te tekenen en terug te sturen. Daarna heeft
de ondernemer, om aanspraak te kunnen maken op het tweede voorschot, 12 maanden de
tijd om de dieren en dierlijke mest af te voeren. In het kader van dierenwelzijn is
in deze regelingen gekozen voor een ruime periode van 12 maanden waardoor er voldoende
tijd is om te voorkomen dat drachtige dieren en niet slachtrijpe vleeskalveren geslacht
moeten worden. Hiermee beschouwen wij de toezegging als afgedaan.
Reactie op brief «Verzoek om reactie op brief NVP m.b.t. Landelijke Beëindigingsregeling
Veehouderijen en LBV+ (Kamerstuk 36 410 L, nr. 10)»
Op 29 februari 202451 verzocht de Commissie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur het kabinet
om te reageren op een brief van de Nederlandse Vakbond voor Pluimveehouderij (NVP)
van 14 februari 2024 over de reactie van de NVP met betrekking tot de Lbv en Lbv-plus.
Door een administratieve fout is het verzoek helaas niet op de juiste manier bij het
ministerie geregistreerd. Middels deze brief reageren wij alsnog op de brief van de
NVP.
Met haar brief geeft de NVP het belang aan van het driesporenbeleid, welke toeziet
op een gelijke openstelling van subsidieregelingen voor extensivering, innovatie en
beëindiging. Zij stellen dat, door het niet gelijktijdig aanbieden van de keuzemogelijkheden,
veehouderijen niet in de mogelijkheid worden gesteld om een gedegen beslissing te
nemen. Binnen de «Aanpak piekbelasting» is het altijd de inzet geweest om de regelingen
zo veel als mogelijk gelijktijdig open te stellen. Iedere subsidieregeling kent echter
een eigen traject en tijdpad. Dit maakt dat sommige subsidieregelingen een eerdere
openstellingsperiode hadden dan andere regelingen. Uiteindelijk zijn alle regelingen
binnen de «Aanpak piekbelasting» opengesteld, waardoor alle veehouders binnen de doelgroep
de mogelijkheid hebben gehad om zich in te kunnen schrijven voor een van de regelingen.
De motie Van Campen c.s. over het met de sector uitwerken van een partiële beëindigingsregeling
in samenhang met de aangekondigde brede beëindigingsregeling (Kamerstuk 33 037, nr. 574) en de motie Beckerman c.s. over een uitgewerkt plan voor de begroting van 2025 hoe
ketenpartijen gaan bijdragen aan de bestrijding van de mestcrisis en het verbeteren
van de inkomenspositie van boeren (Kamerstuk 33 037, nr. 553)
De motie Van Campen c.s. verzoekt de regering om voor 1 maart 2025, samen met de sector,
in samenhang met de aangekondigde brede beëindigingsregeling en binnen de budgettaire
kaders een partiële beëindigingsregeling uit te werken, waarbij niet-latent zijnde
fosfaatrechten definitief uit de markt worden gehaald. De motie verzoekt tevens om
de sector aan te spreken op zijn verantwoordelijkheid en aan te sturen op een substantiële
private bijdrage die ten goede komt aan de regeling voor deelnemende melkveehouders.
Zoals gemeld aan uw Kamer is de prenotificatie van de Subsidieregeling extensivering
melkveehouderij (Sem) ondertussen afgerond en is de formele notificatie bij de Europese
Commissie gestart. In de Kamerbrief van 15 april 2026 bent u geïnformeerd over de
goedkeuring door de Europese Commissie en het vervolgproces52.
Naast de motie Van Campen c.s. verzoekt de motie Beckerman c.s. de regering om voor
de begroting van 2025 met een uitgewerkt plan te komen voor hoe ketenpartijen gaan
bijdragen aan de bestrijding van de mestcrisis en het verbeteren van de inkomenspositie
van boeren. Eerder is aan uw Kamer gemeld dat de banken te kennen hebben gegeven rentekortingen
te willen verstrekken voor nieuwe duurzame investeringen door deelnemende melkveebedrijven.
De sector werkt aan de uitwerking van deze private bijdrage. Hiermee beschouwen wij
beide moties als afgedaan.
Diergezondheid, dierziekten en zoönosen
De motie Van Campen c.s. over de nadere uitwerking van verdere wet- en regelgeving
aan de Kamer doen toekomen (Kamerstuk 35 398, nr. 17)
In 2021 is de EU-diergezondheidsverordening53 van kracht geworden. De motie verzoekt nadere wet- en regelgeving nieuwe EU-diergezondsheidsregels uit Brussel voor parlementaire behandeling te ontvangen. De Kamer wordt doorlopend
geïnformeerd over veranderingen rondom diergezondheid en de Europese regelgeving.
We beschouwen de motie daarmee als afgedaan.
De motie Van der Plas over onderzoeken of en in welke mate waterrijke natuurgebieden
nog van invloed zijn op de verspreiding van vogelgriep (Kamerstuk 28 807, nr. 319)
De motie betreft een verzoek om te onderzoeken of en in welke mate waterrijke natuurgebieden
nog van invloed zijn op de verspreiding van vogelgriep en uw Kamer daarover te informeren.
Er is door Wageningen Bioveterinary Research uitvoerig onderzoek gedaan naar verschillende
risicofactoren voor de insleep van het vogelgriepvirus op commerciële pluimveebedrijven
in Nederland.54 Uit dit onderzoek zijn verschillende risicofactoren gebleken die betrekking hebben
op landschapskenmerken, waaronder de nabijheid van water. Nederland is een waterrijk
land dat op de trekroute ligt van veel vogelsoorten. Dit betekent dus dat er een verhoogd
risico op insleep van vogelgriep vanuit wilde vogels bij pluimveebedrijven is in waterrijke
gebieden. In dit onderzoek is gekeken naar data uit de periode 2014–2022. In de huidige
reeks uitbraken sinds oktober 2025, zien we dat er uitbraken verspreid over heel Nederland
voorkomen, zowel in waterrijke gebieden als niet-waterrijke gebieden, en in pluimveedichte
gebieden en in pluimveearme gebieden. Het verloop van de vogelgriepvirusbesmettingen
vertoont in Nederland jaarlijks schommelingen in verspreiding en ernst. Hiermee beschouwen
we deze motie als afgedaan.
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A. Erkens
Indieners
-
Indiener
J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Medeindiener
S.P.A. Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur