Brief regering : Beleidsreactie op het advies 'Omgaan met gedeelde bronnen van het koloniale verleden'
32 820 Nieuwe visie cultuurbeleid
Nr. 573
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 27 mei 2026
Aanleiding
In 2022 vroeg mijn ambtsvoorganger de Raad voor Cultuur (hierna: de raad) om advies
over de omgang met archieven en documentaire collecties die zijn ontstaan binnen een
koloniale context. Dit verzoek is een aanvulling op het advies van de Adviescommissie
Nationaal Beleidskader Koloniale Collecties en het bestaande beleid rondom museale
collecties uit de koloniale periode.1 Hoewel de uitgangspunten van dit beleid ook hier relevant zijn, vraagt de omgang
met archieven om een aparte benadering, omdat het niet alleen om de archiefstukken
als cultuurgoederen gaat, maar ook om de informatie die zij bevatten en (het recht
op) toegang daartoe.
In de adviesaanvraag heeft mijn voorganger specifiek aandacht gevraagd voor de eigendom
van archieven en documentaire collecties in de context van onvrijwillig verlies van
archiefstukken en de mogelijkheid tot teruggave, de (digitale) toegankelijkheid van
archieven, de rol van het Nationaal Archief (hierna: NA) hierbij en de kansen voor
internationale samenwerking. In maart 2024 presenteerde de raad het advies Omgaan met gedeelde bronnen van het koloniale verleden.2
Ik ben de raad erkentelijk voor het uitgebreide advies dat hij heeft opgesteld. Tijdens
de totstandkoming is er overleg geweest met bestuurders en experts uit Indonesië,
Suriname en het Caribisch deel van het Koninkrijk. Dit heeft ervoor gezorgd dat de
aanbevelingen met betrokkenheid van deze landen en Caribisch Nederland tot stand zijn
gekomen. Ik waardeer de bereidheid tot medewerking van alle betrokken partijen zeer.
Met deze brief ontvangt uw Kamer mijn beleidsreactie op het advies van de raad, waarin
ik de belangrijkste aanbevelingen overneem. Ik onderschrijf de uitgangspunten in het
advies van de raad, waarin de erkenning van het aangedane historisch onrecht, de bereidheid
om dit waar mogelijk te herstellen en de noodzaak om de verdere doorwerking van dit
onrecht in de huidige samenleving te voorkomen, centraal staan. Hoewel het advies
betrekking heeft op zowel archieven als documentaire collecties, richt ik me in mijn
beleidsreactie vanuit mijn verantwoordelijkheid conform de Archiefwet 1995 primair
op rijksarchieven die in een koloniale context zijn gevormd.3
Eerst schets ik de bredere context waarbinnen koloniale archieven zijn ontstaan. Vervolgens
deel ik de visie en de aanbevelingen van de raad omtrent de omgang met koloniale archieven.
Tot slot schets ik de kaders voor mijn beleid. Ik merk op dat de uitwerking, de uitvoering
en de (internationale) samenwerking die hieruit voortkomen, tijd en extra inzet van
de betrokken partijen zullen vergen.
Archieven in het proces van erkenning en herstel
Vier eeuwen lang oefende Nederland koloniale macht uit in Azië, Afrika en de Amerika’s.
Deze expansie ging gepaard met geweld, onderdrukking en onrecht. Onder Nederlands
koloniaal bestuur stond structurele economische uitbuiting van deze gebieden centraal
en werd de bevolking vaak gedwongen tot (zware) arbeid binnen ongelijkwaardige machtsverhoudingen.
Slavernij en slavenhandel vormden een belangrijk verdienmodel binnen het koloniale
systeem. Mensen die tot slaaf werden gemaakt, werden gedwongen hun geboortegrond te
verlaten, raakten vervreemd van hun taal en cultuur en werden vaak gescheiden van
hun familie. Oorspronkelijke bewoners werden slachtoffer van gewelddadige conflicten
of werden getroffen door ziekten die Europeanen meebrachten. Dit koloniale- en slavernijverleden
werkt door in het hier en nu.
Archiefvorming was een integraal onderdeel van het koloniale systeem. Gedurende deze
periode zijn dan ook veel overheids- en particuliere archieven gevormd. In deze archieven
is informatie te vinden over dit koloniale verleden, over tot slaaf gemaakten, dwangarbeiders
en de bevolking van gekoloniseerde gebieden. Deze archieven bieden inzicht in het
onrecht dat is aangedaan door de kolonisator, de uitbuiting en de machtsverhoudingen.
Zodoende kunnen deze archieven een essentiële rol spelen in het proces van erkenning
van dit onrecht. Belangrijk hierbij is om te erkennen, zoals de raad ook aangeeft,
dat koloniale archieven en documentaire collecties veel kennis over het verleden bieden,
maar altijd vanuit het specifieke perspectief van de archief- of collectievormer in
kwestie.
Visie van de Raad voor Cultuur op bronnen van een gedeeld verleden
In zijn advies formuleert de raad aanbevelingen voor de wijze waarop de Rijksoverheid,
en bij voorkeur ook andere publieke en private archiefbeheerders, zouden moeten omgaan
met archieven en documentaire collecties die voortkomen uit de koloniale geschiedenis.
De nadruk ligt daarbij op, maar is niet beperkt tot archieven met betrekking tot Indonesië,
Suriname en de Caribische eilanden: gebieden die tot aan hun dekolonisatie onder Nederlands
gezag stonden of nog altijd deel uitmaken van het Koninkrijk der Nederlanden. De raad
gaat in op de functies van deze archieven en documentaire collecties, benoemt de dilemma’s
die zich voor kunnen doen en formuleert op basis daarvan gerichte aanbevelingen, die
hieronder nader worden toegelicht.4
De raad hanteert hierbij een brede definitie die alle archieven en documentaire collecties
in of buiten Nederland omvat die getuigen van koloniale verhoudingen door de Nederlandse
Staat of andere Nederlandse instituties. Het gaat hierbij onder meer om overheidsarchieven
en archieven van bedrijven, particulieren en kerkgenootschappen.
Functies en dilemma’s bij archieven met een koloniaal verleden
De raad onderscheidt verschillende functies van koloniale archieven. Ze dienen bijvoorbeeld
als bronnen van informatie, waarbij kennis en inzicht niet alleen voortvloeien uit
de inhoud van de documenten, maar ook uit de structuur en de onderlinge samenhang
van archieven. Ze zijn veelal tot stand gekomen als instrumenten van de koloniale
macht van de archiefvormer. Kennis van deze context en herkomstonderzoek zijn belangrijk
om de aard van de informatie in deze bronnen te kunnen begrijpen. Bovendien spelen
deze archieven een rol in de doorwerking van het onrecht, waarbij zaken zoals kwetsend
taalgebruik, bias in zoekhulpen en een eenzijdig perspectief bijdragen aan de voortzetting
van historisch onrecht. Tegelijkertijd kunnen ze bijdragen aan erkenning en herstel,
doordat onderzoek vanuit diverse perspectieven meer inzicht geeft in de (door)werking
en de gevolgen van het koloniale systeem. Hierdoor kunnen deze archieven een grote
symbolische en emotionele waarde hebben.
Een zorgvuldige omgang met koloniale archieven moet rekening houden met drie dilemma’s.
Een eerste dilemma betreft de uiteenlopende belangen van de vele betrokken partijen
bij dit gedeelde verleden. De teruggave van een archief aan een herkomstland kan bijvoorbeeld
erkenning bevorderen, maar omdat archieven bronnen zijn van een gedeeld verleden kan
zo’n teruggave ook invloed hebben op andere belanghebbenden die bijvoorbeeld als gevolg
van het koloniale systeem niet meer in dat land wonen. De raad adviseert daarom dat
zorgvuldige belangenafweging en dialoog noodzakelijk zijn en onvoorwaardelijke teruggave
niet wenselijk is. Een tweede dilemma is dat principes van de archivistiek kunnen
schuren met het belang van rechtsherstel. De raad stelt dat de oorspronkelijke ordening
en structuur enerzijds belangrijk zijn om de historische werking van koloniale macht
bloot te leggen en te begrijpen. Anderzijds moet er ruimte zijn voor teruggave van
afzonderlijke archiefstukken met grote symbolische of emotionele waarde of wanneer
de verzoeker het volledige archief niet kan of wil beheren. Ten slotte vormt digitalisering
een derde dilemma. Hoewel digitalisering de toegankelijkheid vergroot, kan een digitale
kopie de emotionele of symbolische waarde van een tastbaar archiefstuk niet vervangen.
Bovendien bestaat het risico dat digitalisering de koloniale blik verder verspreidt
wanneer eenzijdige koloniale perspectieven en kwetsend taalgebruik online worden geplaatst
zonder de noodzakelijke contextuele duiding.
Aanbevelingen van de raad
De aanbevelingen van de raad zijn tweeledig. De aanbevelingen zijn gericht op het
faciliteren van herstel en preventie van doorwerking van nieuw onrecht en op herstel
door middel van restitutie.
De raad benadrukt in zijn aanbevelingen het belang van erkenning van het gedeeld cultureel
en moreel eigenaarschap van koloniale archieven en pleit voor een gelijkwaardige dialoog
hierover met de betrokken landen. In lijn met de beleidsvisie op collecties uit een
koloniale context adviseert de raad om in gelijkwaardigheid en zo veel mogelijk in
aansluiting op bestaande initiatieven met de betrokken landen te werken aan het wereldwijd
vindbaar, bruikbaar, interpreteerbaar en zichtbaar maken van de in Nederland aanwezige
koloniale archieven, door daarvoor een langjarig programma in te richten. Overheidsorganen,
onderzoeksinstituten en erfgoedinstellingen worden aangemoedigd hierin te participeren,
evenals onderzoekers en makers uit de voormalig gekoloniseerde landen. Tot slot beveelt
de raad aan om samen met name met Caribisch Nederland te werken aan oplossingen voor
de knelpunten op het gebied van fysiek beheer, digitale ontsluiting en de beschikbaarstelling
van de eigen (koloniale) archieven.
In zijn aanbevelingen over herstel door middel van restitutie adviseert de raad de
Minister van OCW te komen tot een kader en procedure ter behandeling van teruggaveverzoeken
en hierin proactief op te treden wanneer duidelijk is dat het om een koloniaal archief
gaat dat elders thuishoort. Daarnaast wordt geadviseerd om deze verzoeken te laten
beoordelen door een onafhankelijke commissie van nationale en internationale experts,
ondersteund door een gespecialiseerd expertisecentrum. De raad benadrukt dat dit proces
moet beginnen met een feitelijk onderzoek om vast te stellen op welke wijze en om
welke redenen een koloniaal archief oorspronkelijk in Nederland terecht is gekomen.
Beleidsreactie
Bij het opstellen van deze beleidsreactie heb ik rekening gehouden met de uitgangspunten
uit het advies van de raad. Centraal staan de erkenning van het historische onrecht
dat is aangedaan tijdens de koloniale periode en de bereidheid om dit waar mogelijk
te herstellen. Daarnaast is het van belang verdere doorwerking ervan in de huidige
samenleving te voorkomen, met als doel recht te doen aan de belangen van alle betrokkenen.
Zo wil ik met alle betrokken landen en partijen bouwen aan een rechtvaardige toekomst.
Op basis van de Archiefwet 1995 ben ik als Minister van OCW verantwoordelijk voor
de rijksarchieven die beheerd worden door het NA en de elf Regionaal Historische Centra
(hierna: RHC’s).5 Hieronder vallen ook archieven die zijn gevormd in het koloniale verleden. Het betreft
veelal archieven die door Nederland als kolonisator zijn gevormd en later zijn overgebracht
naar deze rijksarchiefbewaarplaatsen. De juridische eigendom van deze archieven berust
veelal bij de Nederlandse Staat, maar de inhoud van deze archieven omvat een gedeeld
verleden en vormt daarmee een gedeeld belang. Omdat deze archieven informatie bevatten
over (de inwoners van) de voormalig gekoloniseerde landen is het van groot belang
om de toegankelijkheid te verbeteren en de digitale ontsluiting te vergroten, zodat
deze informatie beter beschikbaar wordt voor betrokken gemeenschappen waar dan ook
ter wereld en voor onderzoekers. Tegelijkertijd biedt de Archiefwet 1995 ook de mogelijkheid
tot «vervreemding» en dus teruggave van archiefbescheiden.6
Hoewel het advies van de raad mede betrekking heeft op documentaire collecties, richt
deze beleidsreactie zich primair op rijksarchieven. De reden hiervoor is dat rijksarchieven
onder de verantwoordelijkheid van de Staat vallen en binnen het wettelijke kader van
de Archiefwet 1995 worden beheerd. Documentaire collecties, zoals van musea en universiteitsbibliotheken,
vallen echter veelal niet onder de Archiefwet 1995. Gelet hierop wordt voor documentaire
collecties aangesloten bij het beleidskader voor museale objecten, zoals ik verderop
nader zal toelichten. Voorts roep ik andere (publieke) eigenaren van archieven en
documentaire collecties op om vanuit hun eigen verantwoordelijkheid stappen te zetten,
ook wat betreft de mogelijke teruggave (van delen) hiervan. Hierbij kan waar mogelijk
worden aangesloten op de uitgangspunten en kaders in deze beleidsreactie.
Op basis van het advies en de aanbevelingen van de raad ben ik voornemens mij, in
een gelijkwaardige dialoog en goede afstemming met de betrokken landen, te richten
op drie aspecten:
1. Inventarisatie van de herkomst van rijksarchieven uit het koloniale verleden
2. Omgang met verzoeken tot teruggave van deze archieven
3. Digitalisering en verbeterde ontsluiting van deze archieven
1. Inventarisatie van de herkomst van rijksarchieven uit het koloniale verleden
Gedurende vier eeuwen koloniale overheersing is een zeer omvangrijke hoeveelheid archieven
gevormd, waarvan tot op heden geen samenhangend overzicht bestaat. Deze koloniale
archieven zijn van gedeeld belang, omdat ze niet alleen van betekenis zijn voor Nederland,
maar ook voor andere landen en gemeenschappen. Omdat ik als Minister van OCW verantwoordelijkheid
draag voor de rijksarchieven bij het NA en de RHC’s ben ik voornemens een verkennende
inventarisatie te laten uitvoeren naar de herkomst van koloniale rijksarchieven.
Gezien de omvang en complexiteit van het materiaal is een alomvattende inventarisatie
naar de herkomst van alle rijksarchieven gevormd gedurende de koloniale context in
één keer en op korte termijn niet realistisch. Daarom zal deze inventarisatie als
eerste stap een globaal overzicht bieden van de herkomst van (onderdelen van) rijksarchieven
die tijdens de koloniale overheersing zijn gevormd in de voormalige gekoloniseerde
landen en later onder beheer zijn gebracht bij het NA of de RHC’s. Hierbij kies ik
ervoor om de inventarisatie toe spitsen op twee soorten rijksarchieven (of onderdelen
daarvan):
• Onvrijwillig bezitsverlies: archieven die zonder instemming of onder druk aan Nederland zijn afgestaan.
• Overige redenen voor verplaatsing: archieven waarvan de juridische eigendom bij een ander land berust, maar die om praktische
redenen – bijvoorbeeld vanwege beheeromstandigheden – in Nederland worden bewaard.
Het doel is een openbaar toegankelijk overzicht te creëren, zodat alle betrokken partijen
op gelijke wijze toegang hebben tot de informatie over de herkomst van deze archieven
en deze kunnen gebruiken om teruggaveverzoeken te doen.
De gekozen afbakening maakt het mogelijk om in eerste instantie en op korte termijn
gericht onderzoek te doen naar archieven waarbij de vraag naar rechtmatige eigendom
en eventuele teruggave aan de orde is7. Wanneer uit de eerste inventarisatie en de opgedane ervaring blijkt dat een uitgebreidere
inventarisatie noodzakelijk is, kan op dat moment daartoe worden besloten.
Voor de inventarisatie zal ik een opdracht verstrekken aan een onafhankelijke partij.
Deze partij zal verantwoordelijk zijn voor de ontwikkeling van een uniforme werkwijze
voor de inventarisatie, de uitvoering ervan en het beschikbaar stellen van de resultaten,
waarbij zowel de werkwijze als de resultaten ook in het Engels beschikbaar worden
gesteld. Hierbij zal nauw worden afgestemd met het NA en de RHC’s, gezien hun expertise
en kennis van de betrokken collecties. Deze partij zal naast de betrokken archiefinstellingen
ook de voormalig gekoloniseerde landen betrekken om te inventariseren of er specifieke
archieven of archiefbescheiden zijn bij de rijksarchiefbewaarplaatsen waarvan de herkomst
wat hen betreft in het onderzoek moet worden meegenomen. Archiefinstellingen die niet
onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van OCW vallen, kunnen desgewenst
zelf gebruikmaken van de beschikbaar gestelde werkwijze. Waar mogelijk wordt aangesloten
bij lopende onderzoeken, bestaande projecten en samenwerkingsverbanden, zodat beschikbare
kennis optimaal wordt benut en overlap wordt voorkomen. De start van de inventarisatie
is voorzien in de tweede helft van 2026.
2. Omgang met verzoeken tot teruggave van rijksarchieven
De bevindingen uit de inventarisatie vormen een belangrijke bron van informatie bij
de behandeling van mogelijke restitutieverzoeken, omdat zij een eerste inzicht bieden
in de herkomst van koloniale rijksarchieven. Een teruggaveverzoek voor rijksarchieven
of individuele archiefbescheiden in een rijksarchief kan worden ingediend bij het
Ministerie van OCW. Teruggaveverzoeken van rijksarchieven verlopen in lijn met het
internationaal recht in beginsel8 van Staat tot Staat, tenzij een Staat verzoekt om teruggave aan een gemeenschap.
Voor de landen Curaçao, Aruba, Sint Maarten en de openbare lichamen Bonaire, Sint
Eustatius en Saba geldt dat verzoeken op dezelfde wijze worden behandeld als tussen
Staten. Particuliere personen of organisaties die een verzoek tot teruggave willen
doen, dienen zich in eerste instantie te wenden tot hun eigen regering, die het verzoek
vervolgens kan voorleggen aan de Nederlandse Staat.
Voor de behandeling van toekomstige verzoeken tot teruggave stelt het Ministerie van
OCW in 2026 een commissie van onafhankelijke en deskundige (archief)experts in. Deze
commissie krijgt een dubbele opdracht. Enerzijds ontwikkelt zij een beoordelingskader
voor de behandeling van restitutieverzoeken, anderzijds past zij dit kader toe bij
de inhoudelijke beoordeling van deze verzoeken. Daarbij wordt, waar mogelijk en relevant,
aansluiting gezocht met de Adviescommissie teruggave cultuurgoederen uit koloniale
context (de Commissie Koloniale Collecties). Niet alleen om gebruik te kunnen maken
van de kennis en ervaring die is opgedaan binnen deze commissie, maar ook om waar
nodig en relevant eenzelfde lijn te hanteren. Uitgangspunt van de commissie is dat
zij bij de uitvoering van haar werkzaamheden zorgt voor een gelijke vertegenwoordiging
van de betrokken landen en daarbij actief de samenwerking opzoekt.
Het beoordelingskader zal criteria bevatten die relevant zijn voor de beoordeling
van restitutieverzoeken, waaronder de juridische status van de archieven, de herkomst
en de omstandigheden waaronder zij naar Nederland zijn overgebracht. Uitgangspunt
is dat specifiek voor archieven of archiefbescheiden die zonder instemming of onder
druk naar Nederland zijn overgebracht, worden teruggegeven aan het land van herkomst.
Teruggave van koloniale rijksarchieven is, zoals de RvC betoogt, in tegenstelling
tot bij koloniale cultuurgoederen niet onvoorwaardelijk. Er is namelijk altijd een
belangenafweging nodig die zoveel mogelijk recht doet aan de belangen en wensen van
alle stakeholders die in culturele en/of morele zin als mede-eigenaar moeten worden
gezien. Dit zal dan ook worden meegenomen in het beoordelingskader. Dit kader zal
door de commissie in overleg met de betrokken partijen en landen worden opgesteld
en na vaststelling door de Minister van OCW met hen worden gedeeld, waarbij het kader
tevens in het Engels beschikbaar zal worden gesteld. Archiefinstellingen die niet
onder de verantwoordelijkheid van het Ministerie van OCW vallen, kunnen desgewenst
zelf gebruikmaken van dit kader.
De commissie adviseert de Minister van OCW over ingediende teruggaveverzoeken van
rijksarchieven op basis van onderzoek naar de vorming en herkomst van een archief
of archiefbescheiden. Indien nodig voor de advisering, doet de rijksarchiefbeheerder
aanvullend onderzoek. Voor dit onderzoek zullen de nodige middelen worden voorzien.
Wanneer de commissie oordeelt dat een rijksarchief of archiefstuk ten onrechte in
een rijksarchiefbewaarplaats berust, zal de minister in principe besluiten tot restitutie
aan het land van herkomst. De adviezen van de commissie zullen zowel in het Nederlands
als Engels worden gepubliceerd.
Er zal bij de behandeling van verzoeken tot teruggave ook aandacht worden besteed
aan de mate van (digitale) toegankelijkheid bij teruggave van een archief. Dit is
van belang omdat deze archieven betrekking kunnen hebben op meerdere landen en gemeenschappen
tegelijk. Voor het proces van erkenning en herstel is het van belang dat deze archieven,
ongeacht hun fysieke locatie, toegankelijk blijven voor onderzoekers, nabestaanden
en diasporagemeenschappen. Eventuele digitalisering van een archief, waarvan de minister
heeft besloten tot restitutie, zal in overleg met het ontvangende land worden uitgevoerd.
Op dit moment is zowel het aantal relevante rijksarchieven uit het koloniale verleden
als het aantal restitutieverzoeken moeilijk in te schatten. Daarom wordt tijdens dit
traject gemonitord in hoeverre deze beleidsreactie binnen de voorziene middelen uitvoerbaar
is voor de rijksarchiefbeheerder. Een passend moment hiervoor doet zich voor zodra
de behandeling van de reeds ingediende restitutieverzoeken is afgerond.
Reeds ingediende restitutieverzoeken bij het Ministerie van OCW
Het Ministerie van OCW heeft inmiddels twee restitutieverzoeken ontvangen. In 2024
diende Curaçao een verzoek in met betrekking tot de repatriëring van de zogenoemde
Oude Archieven van Curaçao, Bonaire en Aruba tot 1828 en Archieven Curaçao, Bonaire en Aruba na 1828. Deze archieven worden momenteel beheerd door het Nationaal Archief in Nederland,
waar de bewaaromstandigheden destijds beter waren en waar de archieven geïnventariseerd
konden worden. Begin 2026 heeft Indonesië eveneens een restitutieverzoek ingediend.
Dit verzoek heeft betrekking op diverse archieven gevormd tijdens de dekolonisatieoorlog.
In de reactie op beide verzoeken is aangegeven dat ze in samenhang met deze beleidsreactie
zullen worden behandeld.
Op basis van het beoordelingskader kan de commissie van onafhankelijke (archief)experts
aan de slag met de reeds ingediende verzoeken, waarbij de volgorde van ontvangst zal
worden gehanteerd. Het is daarbij van belang dat, zowel bij de behandeling van deze
als bij eventuele toekomstige verzoeken, experts uit de belanghebbende landen worden
betrokken.
Omgang met verzoeken tot teruggave van documentaire collecties
Het is van belang dat ook verzoeken tot teruggave van documentaire collecties zorgvuldig
worden behandeld. Een documentaire collectie is een verzameling van documenten en
geschriften die rond een bepaald thema bij elkaar zijn gebracht en nu veelal in beheer
zijn van musea en universiteitsbibliotheken. Een document of geschrift kan van waarde
zijn vanwege de informatie die het bevat, maar ook als cultuurgoed vanwege de historische
of symbolische betekenis. Er is daarmee sterke samenhang met objecten in museale collecties.
Met het oog op een pragmatische aanpak, zullen verzoeken tot teruggave van documenten
of geschriften in beheer van musea of (universiteits)bibliotheken worden afgehandeld
conform de Beleidsvisie Collecties uit koloniale context.9 De reeds vermelde nauwe samenwerking tussen beide commissies is ook vanuit dat oogpunt
waardevol. Indien een dergelijk verzoek wordt ingediend, wordt dit voorgelegd aan
de Commissie Koloniale Collecties, na instemming van de eigenaar indien het geen rijksbezit
betreft. Indien nodig kan de Commissie Koloniale Collecties zich tot derden wenden
om informatie te verkrijgen ten behoeve van het opstellen van haar advies. Deze onafhankelijke
commissie adviseert de Minister van OCW over teruggaveverzoeken van museale cultuurgoederen
in het bezit van de staat die in koloniale context zijn verkregen.10
3. Digitalisering en verbeterde ontsluiting van rijksarchieven: voortzetting bestaande
programma’s en initiatieven
De Rijksoverheid, waaronder het Ministerie van OCW, ondersteunt verschillende programma’s
en initiatieven die bijdragen aan een brede toegankelijkheid van bronnen over de gedeelde
geschiedenis van het Koninkrijk en de voormalige gekoloniseerde landen. Digitalisering
en verbeterde ontsluiting van archieven spelen daarbij een centrale rol. De inventarisatie
van de herkomst van koloniale rijksarchieven vormt een belangrijke basis voor toekomstige
digitaliserings- en ontsluitingsprojecten. In de prioritering van toekomstige projecten
zal rekening worden gehouden met de wensen en prioriteiten van de landen van herkomst.
Hierbij zal zoveel mogelijk aansluiting worden gezocht bij bestaande initiatieven
om de in Nederland aanwezige rijksarchieven uit het koloniale verleden vindbaar, bruikbaar,
interpreteerbaar en zichtbaar te maken.
Bij de uitvoering van toekomstige digitaliseringsprojecten blijven het NA en de RHC’s
zich richten op de digitalisering en ontsluiting van rijksarchieven. Documentaire
collecties en archieven kunnen, net als nu, via het door de (nationale) Koninklijke
Bibliotheek (hierna: KB) gecoördineerde programma Metamorfoze worden gedigitaliseerd
en ontsloten.
Hieronder volgt een beknopt overzicht van recent uitgevoerde en toekomstige programma’s
die door de Rijksoverheid worden ondersteund.
Digitalisering van andere archieven en documentaire collecties
Tijdens het Herdenkingsjaar Slavernijverleden (2023–2024) zijn verschillende initiatieven
ondersteund om koloniale archieven te digitaliseren en beter toegankelijk te maken,
waaronder projecten van stadsarchieven, The Black Archives en de Ministeries van OCW
en BZ, met ondersteuning van het NA.
De KB stimuleert digitalisering van koloniale collecties binnen het nationale programma
Metamorfoze specifiek via de regeling Slavernijverleden Digitaal. Deze tijdelijke
regeling is bedoeld als eenmalige slag om informatie rondom het slavernijverleden,
en de doorwerking daarvan in het heden, toegankelijk te maken en online beschikbaar
te stellen. De uitvoering van de projecten onder deze regeling loopt door tot eind
2026. Ten slotte werkt het CBG Centrum voor familiegeschiedenis (hierna: CBG) aan
de digitalisering en ontsluiting van bronnen uit Indonesië, waaronder persoonsregisters
en genealogische archieven van mensen die in Nederlands-Indië leefden.
Beter vindbaar maken van alle bronnen
Om de vele bronnen die inzicht geven in de gedeelde koloniale geschiedenis goed vindbaar
te maken, is een zorgvuldige beschrijving met gebruik van vaste terminologie en standaarden
essentieel. Daarom investeert het Ministerie van OCW via het Netwerk Digitaal Erfgoed
in de kwaliteit van erfgoedinformatie. Een concreet initiatief is de in 2025 gestarte
werkplaats van de Historische Database Suriname en de Cariben (HDSC). In een brede
samenwerking tussen de Radboud Universiteit en diverse Caribische en Nederlandse archieven
worden koloniale archieven in Nederland online ontsloten en onderling verbonden. Dit
project richt zich specifiek op de digitalisering en koppeling van Surinaamse registers
van tot slaaf gemaakten, wijkregisters en plantagearchieven.
Daarnaast ondersteunt de KB met de regeling Verbonden Digitaal Erfgoed van Stichting
Pica het met elkaar verbinden van de al gedigitaliseerde Caribische collecties zodat
het erfgoedmateriaal beter zichtbaar en bruikbaar is voor reconstructie en educatie.
Binnen het Programma Indisch Erfgoed Digitaal, wat door het Ministerie van VWS in
2021 is geïnitieerd, worden bestaande gedigitaliseerde collecties beter ontsloten
door onder andere het aanbrengen van verrijkte metadata voordat deze beschikbaar worden
gesteld op de website www.onsland.nl. Het CBG levert een belangrijke bijdrage aan de vindbaarheid van bronnen via het
platform WieWasWie, waarmee persoons- en familiegegevens uit koloniale en Oost-Indische
bronnen digitaal toegankelijk worden gemaakt voor een breed publiek.
Binnen nationale programma's als Digitale Taken Rijksarchieven, Metamorfoze, het Programma
Indisch Erfgoed Digitaal en Internationale Erfgoedsamenwerking hebben de NA, KB en
tal van andere erfgoedinstellingen de afgelopen tien jaar op grote schaal bronnen
over het koloniale verleden, berustende in Nederland en in de voormalig koloniën,
kunnen conserveren en digitaliseren. Deze archieven zijn online raadpleegbaar en worden
nader toegankelijk gemaakt door middel van automatische tekstherkenning, dataentry
en indexering. Daarnaast onderzoekt het NA al enige tijd alternatieven voor niet-inclusief
taalgebruik in de toegangen en beschrijvingen van koloniale archieven. Dit traject
Taal, Terminologie en Context wordt voorgezet in 2026. Er wordt een handleiding opgesteld,
met een «woordenlijst» waarmee archiefmedewerkers in hun werk inclusief taalgebruik
kunnen toepassen. Daarnaast zal er gestart worden met het aanpassen van toegangen
van eerder onderzochte koloniale archieven.
Samenwerking en kennisdeling rond digitaal erfgoed
De Nationale Strategie Digitaal Erfgoed richt zich op het duurzaam toegankelijk maken
van digitaal en gedigitaliseerd erfgoed, zodat mensen en gemeenschappen dit ook in
de toekomst kunnen beleven op een manier die bij hen past. In de strategie van 2024,
met doelen voor 2025–2028, is vastgelegd dat erfgoed uit het hele Koninkrijk wordt
opgenomen in één netwerk van verbonden erfgoed. Dit vergroot de toegang tot bronnen
over de gedeelde geschiedenis van het Koninkrijk. Om dit te realiseren werken de Nederlandse
erfgoedsector, verenigd in het Netwerk Digitaal Erfgoed en het Dutch Caribbean Digital
Heritage Network nauw samen. Wederzijdse kennisdeling, duidelijke afspraken over het
publiceren van erfgoedinformatie en toegankelijke voorzieningen staan daarbij centraal.
Ook DEN, kennisinstituut voor cultuur en digitale transformatie, ondersteunt deze
samenwerking met expertise op het gebied van digitaal erfgoed.
Actieagenda’s van Saba, Sint Eustatius, Sint Maarten, Aruba, Bonaire en Curaçao
Naar aanleiding van het rapport Ketenen van het Verleden11 heeft het Ministerie van BZK als onderdeel van het proces «na de komma» (opvolging
excuses voor het slavernijverleden) in 2022 toezeggingen gedaan aan de zes eilanden
in het Caribisch deel van het Koninkrijk, gericht op erkenning, herstel en herdenking
van het slavernij- en koloniaal verleden. Deze toezeggingen vormen de basis voor de
door de zes eilanden opgestelde actieagenda’s, die door BZK worden ondersteund. De
uitvoering van de plannen is gestart en loopt tot en met 2029. Een deel van de actieagenda’s
richt zich op het verbeteren en professionaliseren van de archief-, erfgoed- en museale
infrastructuur, waarbij de archiefgerelateerde plannen vooral zijn gericht op digitalisering
en het vergroten van de toegankelijkheid van koloniale archieven.
Financiële paragraaf
Voor de uitvoering van de drie beleidslijnen voor de omgang met koloniale archieven
is vanaf 2027 structureel een budget van € 500.000 per jaar beschikbaar. Dit budget
is volledig bestemd voor de omgang met rijksarchieven uit het koloniale verleden.
In 2026 is een bedrag van € 200.000 beschikbaar. Dit betreft een lager bedrag, aangezien
2026 fungeert als opstartfase voor de structurele uitvoering van de drie beleidslijnen.
In 2026 wordt gewerkt aan de herkomstinventarisatie en het opstellen van een beoordelingskader.
Vanaf 2027 wordt het beschikbare budget ingezet voor de behandeling van de reeds ingediende
teruggaveverzoeken en mogelijke toekomstige verzoeken en de inzet van een commissie
van onafhankelijke (archief)experts.
Tot slot
Met deze beleidsreactie geef ik als Minister van OCW invulling aan het advies van
de raad, met het besef dat de omgang met koloniale archieven een langjarig traject
is. In gelijkwaardige samenwerking met alle betrokken landen en partijen zal worden
toegewerkt naar een zorgvuldige uitvoering van de beleidsreactie, waarin erkenning
van historisch onrecht, herstel en het voorkomen van verdere doorwerking daarvan in
de huidige samenleving centraal staan.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R.M. Letschert
Indieners
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap