Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg inzake WODC-rapport 'Schatting van het aantal onrechtmatig verblijvende vreemdelingen medio 2018-2019 tot medio 2022- 2023’ (Kamerstuk 19637-3526)
19 637 Vreemdelingenbeleid
Nr. 3558
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 20 mei 2026
De vaste commissie voor Asiel en Migratie heeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd
aan de Minister van Asiel en Migratie over de brief van 31 maart 2026 over WODC-rapport
«Schatting van het aantal onrechtmatig verblijvende vreemdelingen medio 2018–2019
tot medio 2022- 2023» (Kamerstuk 19 637, nr. 3526).
De vragen en opmerkingen zijn op 17 april 2026 aan de Minister van Asiel en Migratie
voorgelegd. Bij brief van 20 mei 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, P. de Groot
De griffier van de commissie, Nouse
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de bewindspersoon
1. Vragen en opmerkingen vanuit de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het rapport van het Wetenschappelijk
Onderzoeks- en Datacentrum (WODC), getiteld «Schattingen onrechtmatig in Nederland
verblijvende vreemdelingen medio 2018–2019 tot
medio 2022- 2023» (hierna: het rapport) en zien uit naar de beleidsreactie van de
onze referentie regering. Deze leden constateren dat het aantal onrechtmatig verblijvende
vreemdelingen in Nederland in de periode medio 2022 tot medio 2023 relatief stabiel
is gebleven en vergelijkbaar is met de schatting voor 2017–2018.
Vraag 1:
De leden van de D66-fractie vragen welke informatie verder beschikbaar is over de
samenstelling van de groep langdurig verblijvende ongedocumenteerden in Nederland
en vragen de Minister in te gaan op het aantal kinderen binnen deze groep en het aantal
personen die in Nederland zijn geboren en inmiddels zijn opgegroeid. Acht de Minister
een schatting hiervan mogelijk?
Antwoord:
In algemene zin geldt dat er geen volledig beeld bestaat van de samenstelling van
de groep langdurig verblijvende ongedocumenteerden in Nederland. Vanwege het ontbreken
van rechtmatig verblijf is deze groep slechts beperkt in beeld bij de overheid. Om
die reden zijn er geen exacte cijfers beschikbaar over het aantal kinderen binnen
deze groep of het aantal personen die in Nederland zijn geboren en inmiddels zijn
opgegroeid.
2. Vragen en opmerkingen vanuit de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het rapport.
Deze leden constateren dat de geschatte populatie de afgelopen jaren tussen de 20.000
tot 35.000 personen bedroeg en dat deze groep voor een belangrijk deel bestaat uit
afgewezen asielzoekers en arbeidsmigranten zonder verblijfsrecht. De leden van de
VVD-fractie zijn van mening dat de meest efficiënte manier om het aantal onrechtmatig
in Nederland verblijvende vreemdelingen terug te dringen een zo effectief en streng
mogelijk terugkeerbeleid is.
Vraag 2:
Hoe wordt in het kader hiervan de inzet op gedwongen terugkeer verder geïntensiveerd,
met name richting landen van herkomst die beperkt meewerken?
Antwoord:
Wanneer vreemdelingen geen recht (meer) hebben om in Nederland te verblijven worden
ze vertrekplichtig en moeten zij Nederland verlaten. Het kabinet zet zich ervoor in
om zoveel als mogelijk vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf te laten terugkeren.
De meeste vreemdelingen vertrekken zelfstandig, zonder inzet van de overheid. Als
vreemdelingen zelfstandig willen terugkeren is dit doorgaans mogelijk en is er geen
inspanning van de overheid nodig. Wanneer vreemdelingen die Nederland moeten verlaten
niet zelfstandig vertrekken, komt gedwongen terugkeer in beeld. Verschillende factoren
zijn essentieel om gedwongen terugkeer te kunnen realiseren. Zo moeten de vreemdelingen
in beeld zijn bij de
Nederlandse autoriteiten. Om vreemdelingen in beeld te houden kan in sommige gevallen
gebruik worden gemaakt van vreemdelingenbewaring. In 2025 is het aantal plekken voor
vreemdelingenbewaring uitgebreid. Zo kunnen meer vreemdelingen beschikbaar worden
gehouden voor gedwongen terugkeer. Een andere belangrijke factor bij het kunnen realiseren
van gedwongen terugkeer is de medewerking van landen van herkomst.
Als een vreemdeling geen reisdocumenten heeft dan moeten reisdocumenten worden verkregen
van het land waarnaar de vreemdeling moet terugkeren.
Goede terugkeersamenwerking met landen van herkomst is daarom essentieel. Nederland
zet voortdurend in op het verbeteren van de terugkeersamenwerking met landen van herkomst.
Hierbij is er extra aandacht voor landen die beperkt meewerken aan terugname van hun
onderdanen.
Met het voorstel van de Europese Commissie voor een Terugkeerverordening, die zich
in de triloogfase bevindt, wordt gedwongen terugkeer geïntensiveerd. Zo worden bewaringsgronden
toegevoegd, bijvoorbeeld voor personen die een veiligheidsrisico vormen. Daarnaast
wordt de maximale bewaringsduur verlengd. Ook worden de opties voor terugkeer uitgebreid,
onder meer met een solide juridische basis voor een terugkeerhub.
Vraag 3:
Welke aanvullende instrumenten, zoals visummaatregelen of conditionaliteit in ontwikkelingssamenwerking,
worden hierbij overwogen? In hoeverre kan de doorlooptijd tussen afwijzing en daadwerkelijk
vertrek verder worden verkort, om zo het aantal daadwerkelijk vertrekkende vreemdelingen
te vergroten?
Antwoord:
Zie de beantwoording bij vraag 5.
Vraag 4:
De leden van de VVD-fractie constateren dat het aantal aantoonbare vertrekken is toegenomen
tot circa 67% in 2023, maar zien tegelijkertijd dat een substantieel deel van de vreemdelingen
nog steeds zonder toezicht vertrekt of uit beeld raakt. Dit onderstreept volgens deze
leden dat er vaker gebruik dient te worden gemaakt van gedwongen vertrek of zelfstandig
vertrek onder toezicht. Hoe kijkt de Minister hiernaar?
Antwoord:
De inzet op terugkeer is steeds een balans tussen legitimiteit, proportionaliteit
en efficiëntie. Het uitgangspunt blijft dat de vertrekplicht in eerste instantie een
verplichting is van de vreemdeling, waaraan hij zelfstandig en in beginsel zonder
hulp van de overheid, invulling dient te geven. Waar nodig kan ondersteuning van de
overheid worden geboden. Indien de vreemdeling niet meewerkt aan terugkeer kan dwang
worden toegepast, inclusief vreemdelingenbewaring. Het kabinet zet in op een uitbreiding
van de ongewenstverklaring voor die gevallen waarin de vreemdeling strafbare feiten
begaat. Dat maakt mogelijk dat in ultimum remedium ook het strafrecht kan worden ingezet.
In Europees verband heeft het kabinet zich ingespannen voor wijziging van de Terugkeerrichtlijn
om onder meer de terugkeeropties te verruimen, bijvoorbeeld met het gebruik van een
terugkeerhub. Nederland is onderdeel van de Europese kopgroep die werkt aan gezamenlijke
terugkeerhubs. Daarnaast zet het kabinet in op het verbeteren van de terugkeersamenwerking
met landen van herkomst onder meer via (EU-)partnerschappen. Nederland steunt wanneer
nodig ook maatregelen op bijvoorbeeld gebied van visa of handel om terugkeersamenwerking
te bevorderen. Met deze ontwikkelingen is het zicht op (gedwongen) vertrek vaker een
reële optie die de vreemdeling juist moet stimuleren tot zelfstandig vertrek, waar
nodig met ondersteuning vanuit de overheid.
Inderdaad is het zo dat een significant deel van de vreemdelingen op wie een vertrekplicht
komt te rusten, buiten het zicht van de overheid raakt. Tegelijk laten de cijfers
van de schatting van het WODC zien dat er geen toename is van het aantal niet rechtmatig
verblijvende vreemdelingen in Nederland. Dat lijkt erop te duiden dat een deel van
de vreemdelingen die niet langer rechtmatig in Nederland is, op eigen gelegenheid
Nederland verlaat. In die zin betekent het ontbreken van toezicht op het vertrek niet
dat het terugkeerbeleid niet effectief is, gegeven de hiervoor genoemde noodzakelijke
balans.
Vraag 5:
De leden van de VVD-fractie constateren daarnaast dat een deel van de onrechtmatig
in Nederland verblijvende vreemdelingen voormalig arbeidsmigranten zonder verblijfsrecht
zijn. Welke stappen kunnen er worden gezet om ervoor te zorgen dat deze groep terugkeert
naar hun herkomstland? Welke afspraken is de Minister bereid hierover te maken met
herkomstlanden, bijvoorbeeld omtrent verslavingshulp?
Antwoord:
Om terugkeersamenwerking met derde landen te versterken, worden verschillende instrumenten
ingezet, zowel door Nederland zelf, als in EU verband. Zo sluiten Nederland en de
EU terug- en overnameovereenkomsten met derde landen. Daarnaast ontwikkelt Nederland
brede gelijkwaardige en duurzame partnerschappen met voor Nederland belangrijke landen
van herkomst- en transit waar samenwerking op het gebied van terugkeer een onderdeel
van kan zijn. Om de terugkeersamenwerking met derde landen te verbeteren zet Nederland
ook in op maatregelen in EU-verband. Denk hierbij aan de mogelijkheid om negatieve
visummaatregelen te nemen tegen derde landen onder artikel 25bis van de Visumcode.
Zo zijn er de laatste jaren in EU-verband, met instemming van
Nederland, negatieve visummaatregelen onder artikel 25bis genomen tegen Gambia en
Ethiopië. Nadat deze negatieve visummaatregelen waren genomen verbeterde de terugkeersamenwerking
met deze landen. Daarnaast wordt in de EU gewerkt aan het creëren van aanvullende
instrumenten waarmee derde landen kunnen worden gestimuleerd om de terugkeersamenwerking
te verbeteren. Zo komt er ook een koppeling met terugkeer in de herziene APS-verordening.
De herziene APS-verordening zal naar verwachting vanaf 1 januari 2027 worden toegepast.
De herziene APS-verordening maakt mogelijk dat tariefpreferenties voor derde landen
tijdelijk gedeeltelijk of volledig worden ingetrokken als derde landen onvoldoende
samenwerken op het gebied van terugkeer.
Het kabinet kan moeilijk uitspraken doen over het generiek verkorten van de periode
tussen het ontstaan van onrechtmatig verblijf en het daadwerkelijke vertrek. Immers
is een vlotte terugkeer afhankelijk van de medewerking van de vreemdeling zelf en
– indien de identiteit en/of nationaliteit niet vaststaan of de vreemdeling geen geldige
reisdocumenten heeft – het land van herkomst. Zoals hierboven aangegeven kan de inzet
van bijvoorbeeld visummaatregelen van invloed zijn op het op gang brengen van terugkeersamenwerking
met derde landen, waardoor de uiteindelijke doorlooptijd kan worden verkort.
3. Vragen en opmerkingen vanuit de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van rapport en hebben
hier nog enkele opmerkingen en vragen over.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien dat het WODC uitgaat van 17.000 en 23.000
personen tussen 2022–2023. Gemeenten zoals Amsterdam, Den Haag en Utrecht komen echter
op cijfers die aanzienlijk hoger liggen dan de schattingen van het WODC voor deze
gemeenten. Waar de schattingen van gemeenten zijn gebaseerd op tellingen van scholen,
zorgverleners en niet-gouvernementele organisaties (ngo’s), rekent het WODC-model
met politie-aanhoudingen.
Vraag 6:
Hoe verklaart de Minister dit verschil? Welk van de cijfers acht de Minister het meest
accuraat, aangezien bekend is dat mensen zonder verblijfsvergunning de politie actief
mijden? Is de Minister met deze leden van mening dat een schatting met behulp van
een wijdere sociale inbedding accurater is? Is de Minister bereid om samen met maatschappelijke
organisaties om tafel te gaan om de cijfers en methodes te vergelijken om tot een
accuratere telling te komen.
Antwoord:
Ik heb geen direct inzicht in de berekeningswijze van door anderen gepubliceerde cijfers
en iedere schatting kent onzekerheden. Voor de beleidsduiding volgen wij daarom de
methodiek gehanteerd bij het huidige WODC-onderzoek. Daarnaast is er voortdurend contact
met gemeenten en maatschappelijke organisaties over signalen, zorgen en aandachtspunten
met betrekking tot de groep onrechtmatig verblijvende vreemdelingen. Deze inzichten
worden, waar relevant, betrokken bij het beleid.
Vraag 7:
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat in het kader van dakloosheid
veel wordt gewerkt met de ETHOS-methode. Hierbij wordt ook gekeken naar verborgen
daklozen en wordt een accurater beeld verkregen. Deze leden zijn van mening dat er
veel te leren is van deze methode. Wat kan volgens de Minister geleerd worden als
het gaat om ongedocumenteerden van de ETHOSmethode?
Antwoord:
De ETHOS-methode wordt gebruikt om dakloosheid in kaart te brengen, omdat bepaalde
groepen daklozen herkenbaar zijn aan hun leefsituatie. Het is echter niet mogelijk
om met deze methode het aantal onrechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen
te bepalen, aangezien zij binnen de groep rechtmatig verblijvende personen vaak niet
te onderscheiden zijn. Om deze reden is er door de onderzoekers gekozen deze methode
niet te gebruiken in het WODC-onderzoek.
Vraag 8:
Er is een toename van dakloosheid in Nederland. Hoe verhoudt dit zich tot ongedocumenteerden
en onrechtmatig verblijvende mensen in Nederland? Wat is het aandeel ongedocumenteerden
in dakloosheid?
Antwoord:
Het is niet bekend welk aandeel van de dakloze bevolking bestaat uit ongedocumenteerden
of personen die onrechtmatig in Nederland verblijven. Het blijft van groot belang
dat personen die onrechtmatig in Nederland verblijven geen toekomst in Nederland hebben.
De inzet op terugkeer en handhaving van de verblijfsregels blijft dan ook onverminderd
van kracht.
Vraag 9:
Bij de ETHOS-telling kwam naar voren dat er veel verborgen dakloosheid is onder vrouwen.
Is deze mogelijkheid er ook wat betreft het aandeel vrouwen zonder verblijfsvergunning
en vrouwen die onrechtmatig in Nederland verblijven? Het 7510603 WODC-rapport telt
een aandeel vrouwen tussen de 12 en 22 procent. Is de kans niet groot dat dit aandeel
veel hoger ligt, maar er sprake is van «verborgen vrouwen»? Hoe is de Minister van
plan om dit verder te onderzoeken?
Antwoord:
Uit onderzoek van het WODC blijkt dat het aandeel vrouwen binnen de populatie vreemdelingen
zonder verblijfsrecht lager ligt dan dat van mannen. Tegelijkertijd volgt uit de gehanteerde
methodiek dat vrouwen een lagere kans hebben om in de gebruikte registraties voor
te komen. Dit betekent dat zij mogelijk minder zichtbaar zijn in de beschikbare data
en dat hun aandeel in werkelijkheid hoger kan liggen dan op basis van waarnemingen
direct zichtbaar is. Tegen die achtergrond kan volgens het WODC onderzoek niet worden
uitgesloten dat ook binnen deze groep sprake is van minder zichtbare of «verborgen»
subgroepen, waaronder vrouwen.
Vraag 10:
Voorts lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat de onderzoekers van het rapport
erkennen dat het ingewikkeld is om accurate aantallen van Braziliaanse en Filipijnse
huishoudhulp in beeld te krijgen. Op welke manier probeert de Minister deze mensen
verder in beeld te krijgen en uitbuiting van deze groep tegen te gaan?
Antwoord:
Slachtoffers van arbeidsuitbuiting verdienen in de volle breedte ondersteuning. Het
wetsvoorstel modernisering en uitbreiding strafbaarstelling mensenhandel ligt ter
behandeling in de Eerste Kamer. Dit wetsvoorstel verruimt de mogelijkheden voor strafrechtelijk
optreden bij misstanden in de arbeidssfeer. Hierdoor kunnen daders sneller worden
vervolgd en kan een grotere groep kwetsbare personen beter worden beschermd.
Parallel aan het opstellen van deze wet is ook aandacht voor slachtofferbescherming.
Zo zijn er structureel crisisbedden beschikbaar voor personen die slachtoffer zijn
van ernstige misstanden in de arbeidssfeer en behoefte hebben aan opvang en ondersteuning.
Dit is onderdeel van de Categorale Opvang Slachtoffers Mensenhandel (COSM). Deze bedden
worden steeds beter benut. Ook kan Comensha voor niet-Nederlandse volwassen slachtoffers
van mensenhandel die in de bedenktijd zitten, specialistische opvang regelen in de
COSM. In de B8/3-regeling is vastgelegd dat Comensha voor deze opvang exclusieve plaatsingsbevoegdheid
heeft.
Bovendien richt het kabinet zich op het verbeteren van de meldingsbereidheid. Vanuit
het Actieplan Samen tegen Mensenhandel wordt een centraal informatiepunt mensenhandel
ingericht, waar slachtoffers, professionals en burgers terechtkunnen voor informatie
en doorverwijzing naar passende hulp en opvang. Daarnaast kunnen arbeidsmigranten
in 15 regio’s fysiek terecht voor informatie en hulp over het wonen en werken in Nederland
bij de Work in NLinformatiepunten. Eind van dit jaar is er een landelijke dekking.
En ook digitaal kunnen arbeidsmigranten in 9 talen terecht op de vernieuwde website
workinnl.nl. Ten slotte wordt stichting FairWork gesubsidieerd om moeilijker bereikbare
en kwetsbare arbeidsmigranten te voorzien van informatie en hulp bij problemen. Dit
doen zij onder andere via cultural mediators.
Vraag 11:
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het aantal arbeidsmigranten tussen
2006 en 2021 flink toenam. In de samenvatting van het onderzoek wordt gesteld dat
zij met name tekorten in de zorg, bouw, distributie en techniek opvullen. Deze leden
vinden het interessant dat de landbouwsector of voedingsindustrie hier niet wordt
genoemd, aangezien volgens de Algemene Bond Uitzendondernemingen (ABU) van 2020 tot
2021 38 procent van de uitgezonden arbeidsmigranten in de tuinbouw, voedingsindustrie
en landbouw werkte. Wordt in het onderzoek een andere conclusie getrokken? Ook wordt
de zorg als eerste sector genoemd waar arbeidsmigranten tekorten opvullen. Beschikt
de Minister over het percentage arbeidsmigranten dat in de onderzochte periode en
momenteel in de zorg werkt? In welke hoedanigheid werken zij in de zorg (thuiszorg
of verpleging)?
Antwoord:
In het rapport wordt in algemene zin aangegeven dat er in Nederland structurele tekorten
zijn in sectoren zoals de zorg, bouw, distributie en energie. De toename van het aantal
arbeidsmigranten wordt in het rapport onder andere toegeschreven aan tekorten op de
arbeidsmarkt. Hiermee is niet aangegeven dat arbeidsmigranten het meest werkzaam zijn
in de sectoren waarin structurele tekorten zijn.
Uit cijfers van CBS blijkt dat werknemers geboren in de EU-11 vaak werken in de sector
Verhuur en overige zakelijke dienstverlening1. Hieronder valt onder meer de uitzendbranche. Op basis van de bij de CBS bekende
gegevens is niet af te leiden naar welke sectoren deze werknemers als uitzendkracht
gedetacheerd worden. Op basis van branchegegevens is te zien dat deze werknemers veelal
gedetacheerd worden naar bedrijven in de logistiek, voedingsindustrie, metaal en de
land- en tuinbouw.2
Er is op dit moment geen totaal en integraal beeld van het aantal arbeidsmigranten
dat in de onderzochte periode of heden in de zorg werkt.
Vraag 12:
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het rapport concludeert dat de populatie
onrechtmatig verblijvende vreemdelingen met name bestaat uit arbeidsmigranten uit
nieuwe wervingslanden. Welke conclusies trekt de Minister hieruit? Is de Minister
bereid om strengere eisen op te leggen aan arbeidsmigranten uit derde landen?
Antwoord:
In het rapport komt naar voren dat de populatie aangehouden onrechtmatig verblijvende
vreemdelingen uit verschillende groepen bestaan. Enerzijds gaat het om typische asielherkomstlanden,
zoals Afghanistan, Eritrea, Irak, Iran, Soedan en Syrië. Anderzijds betreft het (nieuwe)
landen die in toenemende mate (onrechtmatig verblijvende) arbeidskrachten leveren,
zoals Brazilië, Columbia, Georgië, Moldavië, Oezbekistan en Servië.
De toegang tot de arbeidsmarkt beperkt zich in beginsel tot mensen die rechtmatig
in Nederland verblijven. De Arbeidsinspectie voert toezicht uit op de naleving van
wet- en regelgeving rondom arbeid in Nederland, waaronder de aanpak van illegale tewerkstelling.
Bij werkvergunningen toetst UWV op verschillende voorwaarden. Er worden verschillende
maatregelen genomen om illegale tewerkstelling van derdelanders verder tegen te gaan.
Zo neemt het kabinet maatregelen om met een BSN rechtmatig toegang tot de arbeidsmarkt
te veinzen tegen te gaan. Zie de beantwoording op vraag 5 voor de maatregelen die
het kabinet hierop neemt.
Ook grensoverschrijdende detachering van derdelanderwerknemers mag niet leiden tot
oneerlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden, gebrekkige bescherming van werknemers
en verminderde grip op arbeidsmigratie. Door het kabinet wordt ingezet op verschillende
maatregelen die moeten bijdragen aan het tegengaan van onrechtmatige detachering van
derdelanderwerknemers3.
Vraag 13:
Is de Minister bereid om Registratie van Niet-Ingezetenen (RNI) restrictiever toe
te passen zoals mensen alleen via uitzendcontracten te laten werken als zij in het
Basisregistratie Personen (BRP) staan ingeschreven?
Antwoord:
Veel arbeidsmigranten staan geregistreerd in de Registratie van Niet-Ingezetenen (RNI).
De RNI is een onderdeel van de Basisregistratie Personen (BRP). Dit is bedoeld voor
personen die korter dan vier maanden in Nederland verblijven of niet (meer) als ingezetene
staan ingeschreven.
Op grond van de Richtlijn 2004/38/EG kunnen EU-burgers gedurende de eerste drie maanden
van verblijf niet worden verplicht zich als ingezetene in te schrijven. Een verplichting
om uitsluitend via uitzendcontracten te werken indien een persoon als ingezetene in
de BRP is ingeschreven is daarmee juridisch niet verenigbaar met het EU-recht. Een
dergelijke verplichting zou daarmee namelijk een ongerechtvaardigde belemmering opleveren
van het vrij verkeer van werknemers.
Dit kabinet zet daarom in op een brede set aan maatregelen om de registratie van arbeidsmigranten
te verbeteren. Hierbij wordt onder meer een bevorderings-, vergewis- en (optionele)
meldplicht geïntroduceerd voor uitleners, met als beoogde inwerkingtreding 1 januari
20274.
Vraag 14:
Is de Minister bereid aan zzp’ers een BRP-inschrijvingseis op te leggen? Hoe kan je
ondernemer zijn in Nederland zonder normaal ingeschreven te staan? Welke verantwoordelijkheid
neemt de Minister voor arbeidsmigranten zonder verblijfsrecht in Nederland ten opzichte
van gemeenten, aangezien zij mede door de flexibele arbeidsmarkt, waar het kabinet
debet aan is, hier zijn?
Antwoord:
Arbeidsmigranten kunnen zich als zelfstandige inschrijven in het Handelsregister van
de Kamer van Koophandel (KVK) indien zij zijn geregistreerd in de Basisregistratie
Personen (BRP), als ingezetene of als niet-ingezetene (via de Registratie Niet-ingezetenen,
RNI). Het weigeren van inschrijving van een nietingezetene als zzp’er is niet verenigbaar
met het recht op vrije vestiging, zoals neergelegd in het Verdrag betreffende de werking
van de Europese Unie (VWEU). Ook niet-ingezetenen – bijvoorbeeld personen die net
over de grens wonen – hebben het recht om zich in Nederland als zelfstandige te vestigen.
Daarnaast werkt het kabinet aan een breed pakket aan maatregelen om de registratie
van arbeidsmigranten te verbeteren. Hierbij wordt ingezet op het verbeteren van de
registratie door het introduceren van een zorgplicht voor uitleners, het verbeteren
van de gegevenskwaliteit in RNI, communicatie richting arbeidsmigranten en betere
gegevensdeling.
Maatregelen richting gemeenten t.a.v. illegale tewerkstelling van vreemdelingen Het
kabinet werkt aan verschillende maatregelen om gemeenten te ondersteunen bij de aanpak
van illegale tewerkstelling van vreemdelingen. Zo neemt het kabinet maatregelen om
met een BSN rechtmatig toegang tot de arbeidsmarkt te veinzen tegen te gaan. Zie de
beantwoording op vraag 42 voor de maatregelen die het kabinet hierop neemt.
Ook ondersteunt het kabinet gemeenten bij het opzetten van informatie, hulp en dienstverlening
aan arbeidsmigranten. Dit onder de noemer «Work in NL». Dit kunnen ook illegaal tewerkgestelde
vreemdelingen zijn. Zie de beantwoording van vraag 10 voor meer informatie over het
project. Ook wordt FairWork gesubsidieerd om moeilijker bereikbare en kwetsbare arbeidsmigranten
te voorzien van informatie en hulp bij problemen.
Indien arbeidsmigranten uit de EU-dakloos raken en geen verblijfsrecht hebben opgebouwd
in Nederland, hebben zij geen toegang tot de maatschappelijk opvang van de Wmo. Hiervoor
is er in zes gemeenten, inmiddels in uitbreiding naar veertien gemeenten, de kortdurende
opvang voor niet-rechthebbende dakloze EUburgers. In deze opvang wordt ingezet op
terugkeer naar werk, het vinden van huisvesting, en indien er geen toekomstperspectief
in Nederland is vrijwillige terugkeer naar het land van herkomst. Deze opvang wordt
door het kabinet gefinancierd met 13 miljoen per jaar voor de jaren 2026 tot en met
2028 en is een opvolging van de pilot kortdurende opvang in de G4, Eindhoven en Venlo.
Vraag 15:
Restrictief beleid kan hebben bijgedragen aan een afname van onrechtmatig verblijf
in Nederland, zo lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie. Zij vragen echter
of de beperking tot basisvoorzieningen kan bijdragen aan het ontstaan van een «verborgen
populatie» die juist moeilijker in beeld is. Erkent de Minister dat dit een consequentie
van beperkte toegang tot basisvoorzieningen kan zijn?
Antwoord:
Allereerst wil ik benadrukken dat vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf in
Nederland toegang tot elementaire voorzieningen hebben, zoals medisch noodzakelijke
zorg, onderwijs voor minderjarigen en bescherming door de politie. Het kabinet onderkent
dat deze groep zich in algemene zin beperkt in beeld bevindt. Dit hangt echter primair
samen met de aard van onrechtmatig verblijf en niet zonder meer met de toegang tot
voorzieningen. Er kan daarom niet worden geconcludeerd dat het beperken tot basisvoorzieningen
leidt tot het ontstaan van een «verborgen populatie».
Tegelijkertijd worden signalen uit de praktijk betrokken bij de beleidsvorming, waarbij
aandacht bestaat voor de positie van kwetsbare groepen binnen de grenzen van het geldende
terugkeerbeleid.
Vraag 16:
Hoe beoordeelt de Minister de beëindiging van de Rijksfinanciering voor de Landelijke
Vreemdelingenvoorzieningen (LVV) sinds januari 2025 in dit kader? Is hij bereid te
onderzoeken of deze voorziening kan worden hervat, gelet op de verzoeken van gemeenten?
Antwoord:
In de Kamerbrieven van 18 december 20245 en 7 april 20256 is uw Kamer geïnformeerd over de inzet en werkwijze ten aanzien van personen zonder
rechtmatig verblijf in verband met de beëindiging van de rijksbijdrage aan de
Landelijke Vreemdelingen Voorziening (LVV). Het perspectief voor onrechtmatig in Nederland
verblijvende vreemdelingen dient in de ogen van de regering in beginsel terugkeer
te zijn. Ook nu is onderdak van rijkswege in de Vrijheidsbeperkende locatie (VBL)
mogelijk voor onrechtmatig verblijvende vreemdelingen die willen meewerken aan hun
vertrek.
Vraag 17:
Hoe geeft de Minister invulling aan de juridische verantwoordelijkheid van het Rijk
die volgt uit EU-recht zoals het Europees Comité voor Sociale Rechten? Hoe wordt door
de Minister voorkomen dat het uitsluiten van voorzieningen leidt tot vergroting van
kwetsbaarheid en uitbuiting?
Antwoord:
Het kabinet geeft invulling aan zijn verplichtingen uit het Unierecht en internationale
kaders, waaronder de interpretaties van het Europees Comité voor Sociale Rechten,
door te waarborgen dat vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf toegang hebben tot
elementaire voorzieningen, zoals medisch noodzakelijke zorg, onderwijs voor minderjarigen
en bescherming door de politie. Daarmee wordt voldaan aan de geldende minimumnormen.
Het uitgangspunt van het beleid blijft dat onrechtmatig verblijf wordt beëindigd en
dat terugkeer wordt gerealiseerd.
Vraag 18:
Gemeenten zijn uiteindelijk degenen die worden geconfronteerd met mensen die geen
verblijfsvergunning hebben en de consequenties daarvan, zo stellen de leden van de
GroenLinks-PvdA-fractie. Op welke manier ondersteunt de Minister deze gemeenten?
Antwoord:
Zie de beantwoording bij vraag 16.
Vraag 19:
Welke lessen trekt de Minister uit samenwerkingsinitiatieven (zoals de LVV) die juist
wél proberen stabiliteit en duurzaam perspectief te bieden?
Antwoord:
Zie de beantwoording bij vraag 16.
Vraag 20:
Vindt de Minister het wenselijk dat mensen zonder verblijfsrecht in de praktijk aangewezen
zijn op informele netwerken of irreguliere arbeid, mede gezien de bevinding dat er
zo een «reservoir van irreguliere arbeid» bestaat? Is er zicht op de hoeveelheid kinderen
die in Nederland zijn zonder verblijfsrecht? Acht de Minister de kans groot dat er
veel verborgen kinderen van deze categorie zijn? Waarom wel of niet? Hoe is de Minister
van plan dit verder te onderzoeken? Vindt de Minister het rechtvaardig dat voor hen
voorzieningen worden beperkt? Hoe wordt voorkomen dat mensen langdurig in een rechteloze
situatie verkeren? Kan de Minister reflecteren op de spanning tussen het ontmoedigingsbeleid
en fundamentele rechten?
Antwoord:
Allereerst wil ik benadrukken dat het uitgangspunt van het beleid is en blijft dat
onrechtmatig verblijf wordt beëindigd en dat terugkeer wordt gerealiseerd. Daarnaast
acht het kabinet het onwenselijk dat personen zonder rechtmatig verblijf zijn aangewezen
op informele netwerken of irreguliere arbeid. Daarom wordt ingezet op het tegengaan
van illegale tewerkstelling en uitbuiting, onder meer via toezicht en handhaving (zie
de beantwoording bij vraag 26). Tegelijkertijd wordt actief gewerkt aan het bevorderen
van terugkeer, zodat langdurig verblijf zonder rechtmatig verblijf zoveel mogelijk
wordt voorkomen. In algemene zin geldt dat er geen volledig beeld bestaat van de samenstelling
van de groep ongedocumenteerden in Nederland. Vanwege het ontbreken van rechtmatig
verblijf is deze groep slechts beperkt in beeld bij de overheid. Het recente WODC-onderzoek
biedt echter wel een schatting van de omvang van onrechtmatig verblijvende vreemdelingen.
Daarbij is het van belang te onderstrepen dat vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf
in Nederland toegang tot elementaire voorzieningen hebben, zoals medisch noodzakelijke
zorg, onderwijs voor minderjarigen en bescherming door de politie.
4. Vragen en opmerkingen vanuit de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het rapport.
Vraag 21:
Allereerst vragen deze leden wanneer de Minister de kabinetsreactie publiceert.
Antwoord:
De kabinetsreactie wordt naar verwachting op korte termijn aan uw Kamer toegezonden.
Zodra de interdepartementale afstemming is afgerond, zal de reactie worden gepubliceerd.
Vraag 22:
Ook vragen deze leden wat de verwachting is van het effect van de nieuwe strafbaarstelling
van illegaliteit op het aantal onrechtmatig verblijvende vreemdelingen, die binnenkort
in werking zal treden. Zullen de aantallen daardoor naar verwachting afnemen?
De Eerste Kamer heeft op 21 april 2026 tegen de novelle strafbaarstelling van illegaliteit
(en daarmee ook de Asielnoodmaatregelenwet) gestemd. Daarmee is deze maatregel niet
tot stand gekomen en zal deze niet in werking treden. Het kabinet blijft zich onverminderd
inzetten voor het bevorderen van terugkeer van vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf.
Daarnaast wordt de verruiming van de ongewenstverklaring voortgezet, als onderdeel
van het bredere instrumentarium om onrechtmatig verblijf tegen te gaan en vertrek
te realiseren. Ook komt het kabinet met een nieuw wetsvoorstel voor de strafbaarstelling
van de terugkeerfrustreerders op basis van een zorgvuldige procedure, advisering en
gesprekken met maatschappelijke organisaties. Op deze wijze blijft het kabinet werken
aan een effectief en consistent terugkeerbeleid.
Vraag 23:
De leden van de CDA-fractie vragen aan de regering welk deel van de groep onrechtmatig
verblijvende vreemdelingen daadwerkelijk uitgezet kan worden, nu het terugkeerbeleid
vaak afhankelijk is van meewerkende landen van herkomst.
Antwoord:
Het kabinet benadrukt dat dat vrijwillig vertrek altijd de geprefereerde optie is.
Wanneer een vreemdeling vrijwillig terug wil keren is terugkeer doorgaans altijd mogelijk.
De meeste vreemdelingen vertrekken vrijwillig. Als het gaat om gedwongen terugkeer
dan is vaak medewerking van het land van herkomst nodig om reisdocumenten te verkrijgen
van het land, naar welke de vreemdeling terug moet keren. Met veel belangrijke landen
van herkomst is er sprake van een goede terugkeersamenwerking. Ook zijn er landen
van herkomst waarmee de terugkeersamenwerking minder goed is. Het Kabinet zet – langs
verschillende sporen – voortdurend in op het verbeteren van de terugkeersamenwerking
met deze landen.
Daarnaast is het belangrijk te benadrukken dat in algemene zin prioriteit wordt gegeven
aan overlastgevende en criminele vreemdelingen in het terugkeerproces. Overlastgevend
en crimineel gedrag is immers per definitie onaanvaardbaar.
Vraag 24:
Is de verwachting dat het Europese Asiel- en migratiepact ertoe gaat leiden dat onrechtmatig
verblijvende vreemdelingen op grote schaal teruggestuurd kunnen worden naar het land
van herkomst? Waar liggen op dit moment de belangrijkste knelpunten?
Antwoord:
De herziening van de Terugkeerrichtlijn, met de introductie van een Terugkeerverordening,
maakt geen onderdeel uit van het Asiel- en Migratiepact.
Het pact introduceert wel onderdelen die relevant zijn voor het terugkeerbeleid en
Terugkeerrichtlijn. Zo worden de procedurele regels uit de Opvangrichtlijn omtrent
bewaring in het nationale recht doorgetrokken voor bewaring ter fine van terugkeer,
met als doel om één helder systeem te hanteren voor vreemdeling, uitvoering en rechtspraak.
Het kabinet benadrukt overigens dat de gemiddelde bewaringsduur veel lager ligt dan
de (huidige) maximum van 18 maanden.
Daarnaast kiest het kabinet ervoor om de Terugkeerrichtlijn niet langer toe te passen
op vreemdelingen van wie de asielaanvraag in de asielgrensprocedure is afgewezen.
Dit heeft te maken met de introductie van de
Terugkeergrensprocedureverordening binnen het pact. Omdat Nederland al een gestroomlijnde
terugkeergrensprocedure kent, is het logisch die (nationale) praktijk te continueren
bij de introductie van het pact. Enkel de verplichte voorwaarden uit de Terugkeerrichtlijn
en de Terugkeergrensprocedure worden geïmplementeerd. Hoewel het Asiel- en Migratiepact
onderdelen bevat die het terugkeerbeleid raken en de uitvoering moet verbeteren, zal
een grootschalige wijziging van het terugkeerbeleid worden geïntroduceerd met de introductie
van de Terugkeerverordening. De onderhandelingen over die verordening bevinden zich
in de triloogfase. De Terugkeerverordening moet de terugkeerprocedure simpeler, efficiënter
en doeltreffender maken, met als doel om de terugkeer van het aantal personen zonder
rechtmatig verblijf te vergroten.
Vraag 25:
De leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre zicht is op de kwetsbare groep onrechtmatig
verblijvende vreemdelingen. Is er voldoende zicht op welke herkomstlanden het betreft?
Antwoord:
In het onderzoek van het WODC is een overzicht opgenomen van de herkomstlanden van
door de politie geregistreerde vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf. Daaruit blijkt
dat sprake is van een grote diversiteit aan herkomstlanden. In het onderzoek worden
circa 150 verschillende landen genoemd. Tegelijkertijd geldt dat deze groep zich slechts
beperkt in beeld laat brengen, waardoor geen volledig overzicht kan worden gegeven.
Vraag 26:
Ook vragen deze leden hoe op dit moment gehandhaafd wordt op illegale arbeid en huisvesting.
Is daar voldoende capaciteit voor beschikbaar?
Antwoord:
Er zijn verschillende instanties betrokken bij handhaving op illegale arbeid en huisvesting.
Zo houdt de Arbeidsinspectie toezicht op de naleving van de Wet arbeid vreemdelingen
(Wav) door werkgevers, zij doen dit risicogericht. De gemeente is verantwoordelijk
voor het handhaven op huisvesting en de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie
en Mensenhandel (AVIM) houdt toezicht op de naleving van de Vreemdelingenwet, waaronder
de aanpak van illegaal verblijf.
Vraag 27:
De leden van de CDA-fractie willen benadrukken dat een geloofwaardig en rechtvaardig
migratiebeleid afhankelijk is van duidelijkheid en handhaving. Daarom vragen deze
leden hoe de regering ervoor gaat zorgen dat illegaal verblijf in Nederland niet kan
voortduren zonder consequenties.
Antwoord:
Zie de beantwoording bij vraag 4.
5. Vragen en opmerkingen vanuit de JA21-fractie
De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van het rapport enconstateren dat
het aantal onrechtmatig verblijvende vreemdelingen al jaren rond grofweg 20.000 ligt,
zonder significante daling in de tijd.
Vraag 28:
Deze leden vragen de Minister of hij het met hen eens is dat hieruit volgt dat het
huidige beleid faalt om deze structurele illegaliteitspopulatie daadwerkelijk terug
te dringen, en welk extra instrumentarium hij bereid is in te zetten. Daarbij vragen
zij tevens hoe groot de kans is dat het daadwerkelijke aantal onrechtmatig verblijvende
vreemdelingen in werkelijkheid nog aanzienlijk hoger ligt dan de schattingen suggereren.
Antwoord:
Het kabinet deelt deze conclusie niet. De omvang van de groep onrechtmatig verblijvende
vreemdelingen wordt beïnvloed door meerdere factoren, waaronder instroom, vertrek
en de mate waarin deze groep in beeld is. Daarbij geldt dat het gaat om schattingen
met inherente onzekerheden.
Het uitgangspunt van het beleid blijft dat onrechtmatig verblijf wordt beëindigd en
dat terugkeer wordt gerealiseerd. Het kabinet zet zich onverminderd in op het versterken
van het terugkeerbeleid, onder meer door intensivering van de samenwerking met landen
van herkomst, het bevorderen van zelfstandig vertrek en, waar mogelijk, het toepassen
van gedwongen vertrek. Daarnaast wordt het bestaande instrumentarium verder benut
en waar nodig versterkt, waaronder de verruiming van de ongewenstverklaring. Op deze
wijze blijft het kabinet werken aan het terugdringen van onrechtmatig verblijf en
het vergroten van de effectiviteit van het beleid. Bovendien heeft het kabinet zich
ingespannen voor de aanpassing van het wettelijk kader. Met het voorstel van de Europese
Commissie voor een Terugkeerverordening, die zich thans in de triloogfase bevindt,
moet het terugkeerbeleid simpeler, efficiënter en doeltreffender worden. Het kabinet
zet zich dan ook in op een vlotte afronding van de triloog en het bereiken van een
akkoord.
Vraag 29:
De leden van de JA21-fractie constateren dat uit het rapport blijkt dat de populatie
onrechtmatig verblijvenden vooral bestaat uit arbeidsmigranten uit nieuwe wervingslanden
buiten de EU en afgewezen asielzoekers. Zij vragen of de Minister vindt dat juist
deze twee categorieën, die na afwijzing of verlies van rechtmatig verblijf per definitie
geen recht meer hebben hier te zijn, systematisch in bewaring zouden moeten worden
geplaatst tot aan vertrek, en zo nee, waarom hij dan feitelijk kiest voor gedoogbeleid.
Antwoord:
Zie de beantwoording bij vraag 4.
Vraag 30:
Tevens willen zij weten in hoeveel gevallen sprake is van staatloosheid en welke landen
op dit moment nog niet of onvoldoende meewerken aan het terugnemen van eigen staatsburgers,
alsmede op welke manieren dat gebrek aan medewerking zich concreet uit. De leden van
de JA21-fractie constateren dat uit recente Eurostat-cijfers over Q4 2025 blijkt dat
het aantal terugkeeroperaties naar derde landen EU-breed met 13% is gestegen, terwijl
landen als Frankrijk, Spanje en Duitsland vele malen meer derdelanders daadwerkelijk
terugsturen dan Nederland.Deze leden vragen of de Minister met hen van mening is dat
Nederland tot de slechtst presterende lidstaten op het terrein van terugkeer behoort
en waarom ons land, met een relatief klein oppervlak en hoge welvaart, kennelijk niet
in staat of niet bereid is om illegaal verblijf net zo consequent aan te pakken als
deze lidstaten. In dat licht vragen zij de Minister om voor 2024 en 2025 exact aan
te geven: het aantal derdelanders waaraan Nederland een bevel tot terugkeer heeft
gegeven, het aantal daadwerkelijk gerealiseerde returns en het resulterende terugkeerpercentage,
en of hij het ermee eens is dat deze cijfers, indien de gegevens van Eurostat kloppen,
beschamend laag zijn en haaks staan op het door de Minister geschetste beeld van een
«streng» migratie- en terugkeerbeleid.
Antwoord:
Vergelijkingen tussen lidstaten, zoals Duitsland, Frankrijk, Spanje en Nederland op
basis van Eurostat-cijfers dienen met de nodige terughoudendheid te worden gemaakt.
Verschillen in aantallen en percentages terugkeer hangen samen met uiteenlopende factoren,
zoals verschillen in instroom, samenstelling van de populatie, nationale registratiemethoden
en de mate van medewerking van landen van herkomst. Desalniettemin erkent het kabinet
dat het terugkeerbeleid effectiever moet worden en zet het zich daarom ook voortdurend
in op het versterken van het terugkeerbeleid en het realiseren van meer terugkeer.
Kijkend naar de gerealiseerde vertrekcijfers in 2025 dan zien we dat in 2025 7.360
personen aantoonbaar zijn vertrokken uit Nederland (zelfstandig terugkeer met toezicht
en gedwongen terugkeer). In 2024 zijn er 5.990 personen aantoonbaar vertrokken uit
Nederland (zelfstandig terugkeer met toezicht en gedwongen terugkeer). Er zijn dus
in 2025 meer vreemdelingen aantoonbaar vertrokken uit Nederland dan in 2024.
Om het succes van het Nederlandse terugkeerbeleid te meten kan niet simpelweg het
aantal vreemdelingen dat in een bepaalde periode een terugkeerbesluit heeft ontvangen
worden afgezet tegen het aantal vreemdelingen dat in die periode aantoonbaar is vertrokken.
De uitreiking van een terugkeerbesluit en vertrek van de persoon die een terugkeerbesluit
heeft gekregen hoeven immers niet in hetzelfde jaar plaats te vinden en de aantallen
uitgereikte terugkeerbesluiten en aantallen vertrokken vreemdelingen vormen dan ook
geen cohort. Ook kunnen vreemdelingen bijvoorbeeld buiten het zicht van de overheid
vertrekken (zij vertrekken dan niet-aantoonbaar), (nog) niet zijn vertrokken of alsnog
rechtmatig verblijf hebben gekregen.
Vraag 31:
De leden van de JA21-fractie nemen verder uit het rapport mee dat er een stabiele,
relatief gesloten groep niet-effectief uitgezette vreemdelingen bestaat, die ondanks
vertrekplicht in Nederland blijft. Deze leden vragen of de Minister het met hen eens
is dat het onacceptabel is dat deze groep jaar in jaar uit onder de radar kan blijven
en of hij bereid is structureel vrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen
in te voeren totdat vertrek daadwerkelijk is gerealiseerd.
Antwoord:
Zie de beantwoording bij vraag 4.
Vraag 32:
Daarbij vragen zij de Minister ook, nu uit de Eurostat-cijfers blijkt dat sommige
lidstaten zoals Duitsland, Frankrijk en Zweden veel hogere aantallen en percentages
terugkeer naar derde landen realiseren dan Nederland, welke wettelijke en beleidsmatige
keuzes deze landen maken die Nederland niet maakt, en waarom hij er tot nu toe voor
kiest deze succesvolle elementen niet over te nemen, ondanks de hardnekkige illegaliteitspopulatie
die het WODC beschrijft.
Antwoord:
Ook hier geldt dat vergelijkingen tussen lidstaten, zoals Duitsland, Frankrijk en
Zweden, op basis van Eurostat-cijfers met de nodige terughoudendheid dienen te worden
gemaakt. Verschillen in aantallen en percentages terugkeer hangen samen met uiteenlopende
factoren, zoals verschillen in instroom, samenstelling van de populatie, nationale
registratiemethoden en de mate van medewerking van landen van herkomst.
Nederland voert een terugkeerbeleid binnen de kaders van het Unierecht, waaronder
de Terugkeerrichtlijn, en zet daarbij in op een combinatie van het bevorderen van
zelfstandig vertrek en, waar nodig en mogelijk, gedwongen terugkeer. Daarbij wordt
ook gekeken naar ervaringen in andere lidstaten. Tegelijkertijd bestaat er geen eenduidig
«succesmodel» dat zonder meer overdraagbaar is. Het kabinet blijft zich inzetten op
het versterken van het terugkeerbeleid, onder meer via intensivering van samenwerking
met landen van herkomst en het benutten van het beschikbare instrumentarium binnen
de geldende juridische en praktische randvoorwaarden.
Vraag 33:
De leden van de JA21-fractie constateren bovendien dat uit de rapportage blijkt dat
de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) en de politie
in het algemeen hun prioriteit steeds meer richten op strafrecht en overlast, terwijl
de handhaving van de Vreemdelingenwet onder druk staat. Deze leden vragen of de Minister
het niet óók moeilijk uitlegbaar vindt aan de samenleving dat illegaal verblijf op
zichzelf nauwelijks nog actief wordt opgespoord, en of hij bereid is bindende doelen
op te leggen voor het vreemdelingentoezicht (aantal controles, staandehoudingen en
uitzettingen), met consequenties indien die doelen niet worden gehaald.
Antwoord:
Het kabinet beaamt het belang van effectief vreemdelingentoezicht als onderdeel van
een geloofwaardig migratiebeleid. Tegelijkertijd wordt het niet wenselijk geacht om
bindende kwantitatieve doelen, zoals aantallen controles of staandehoudingen, op te
leggen. Het uitgangspunt blijft dat onrechtmatig verblijf wordt beëindigd en dat hiertegen
wordt opgetreden. Vreemdelingentoezicht vindt plaats binnen de geldende juridische
kaders en beschikbare capaciteit. Zie ook de beantwoording bij vraag 4.
Vraag 34:
Tevens merken zij op dat de onderzoekers benoemen dat detentieperioden nu niet goed
in de schattingen kunnen worden verwerkt door ontbrekende ketenbrede detentiedata.
Zij vragen waarom er anno 2026 nog altijd geen sluitend beeld bestaat van wie wanneer
in bewaring zit en of de Minister bereid is een centraal, ketenbreed systeem te realiseren
dat expliciet is gericht op het maximaal benutten van bewaring en herhaalde bewaring
voor terugkeer.
Antwoord:
De regering benadrukt allereerst dat op dossierniveau volstrekt helder is welke vreemdeling
waar en wanneer in detentie verblijft. Ook is op basis van het VRIS protocol een –
ook internationaal – zeer effectieve samenwerking tussen strafrecht en vreemdelingenketen
gerealiseerd. Er is dus geen aanleiding voor een geheel nieuw systeem om de mogelijkheden
van bewaring maximaal in te zetten. De onderzoekers constateren dat niet altijd gegeneraliseerde
metadata uit de systemen kan worden afgeleid. Dit laat onverlet dat het systeem op
dossierniveau voldoet om de wettelijke mogelijkheden te benutten.
Vraag 35:
Verder constateren de leden van de JA21-fractie dat het rapport schetst dat afgewezen
asielzoekers een substantieel deel van de onrechtmatig verblijvende populatie vormen,
met name uit landen met lage inwilligingspercentages zoals Albanië, Algerije en Marokko.
Deze leden vragen of de Minister het aanvaardbaar vindt dat deze groepen na afwijzing
massaal in Nederland blijven hangen, en of hij bereid is om – in plaats van voorzieningen
– standaard detentie, een harde beperking van sociale rechten en een streng visumbeleid
voor niet-meewerkende landen te hanteren totdat terugkeer feitelijk is afgedwongen.
Antwoord:
Zie de beantwoording bij vraag 4.
Vraag 36:
Ook vragen zij hoe de Minister aankijkt tegen het invoeren van een standaard meldplicht,
een vrijheidsbeperkende maatregel of plaatsing in een verscherpt toezichtlocatie (VTL
of vergelijkbaar) voor asielzoekers uit herkomstlanden met structureel zeer lage inwilligingspercentages
en een hoog risico dat zij zich aan toezicht onttrekken, zodat deze groep vanaf het
eerste moment onder strak toezicht blijft en niet kan uitstromen in de illegaliteit.
Welke wettelijke en uitvoeringsstappen is de Minister bereid te zetten om dit vóór
afloop van deze kabinetsperiode te realiseren?
Antwoord:
Het kabinet onderkent het belang van effectief toezicht op vreemdelingen, met name
in situaties waarin sprake is van een verhoogd risico op onttrekking aan toezicht.
Tegelijkertijd geldt dat maatregelen zoals een meldplicht, vrijheidsbeperking of plaatsing
in een verscherpt toezichtregime alleen kunnen worden toegepast binnen de geldende
wettelijke kaders, waaronder de
Terugkeerrichtlijn en vanaf 12 juni aanstaande de herschikte Opvangrichtlijn. Dit
betekent dat steeds een individuele motivering en proportionele afweging moet worden
gemaakt en dat dergelijke maatregelen niet generiek of automatisch op een gehele groep
kunnen worden toegepast en er dient altijd rekening te worden gehouden met de individuele
omstandigheden van de vreemdeling.
Binnen deze kaders wordt reeds gebruikgemaakt van toezichtmaatregelen, waaronder meldplicht
en vrijheidsbeperkende maatregelen, wanneer daartoe aanleiding bestaat. Ook wordt
gewerkt met verscherpt toezicht in specifieke situaties waarin sprake is van overlast
of een verhoogd risico op onttrekking.
Het kabinet blijft inzetten op een zo effectief mogelijke toepassing van het bestaande
instrumentarium, gericht op het voorkomen van onttrekking aan toezicht en het realiseren
van terugkeer. Daarbij wordt steeds bezien waar verbeteringen in de uitvoering mogelijk
zijn.
Vraag 37:
Ten slotte constateren de leden van de JA21-fractie, op basis van Eurostat, dat EU-breed
zowel het aantal terugkeerbesluiten als het aantal feitelijke returns stijgt, terwijl
Nederland in absolute aantallen en in percentage achterblijft. Deze leden vragen of
de Minister met hen van mening is dat dit aantoont dat het probleem niet «Europa»
is, maar de Nederlandse onwil om het maximale uit het Europese en nationale instrumentarium
te halen, en welke concrete aanscherpingen in wetgeving en uitvoering hij nog in 2026 gaat doorvoeren om de Nederlandse
terugkeerprestaties ten minste op het EU-gemiddelde te brengen. Deze leden wijzen
er bovendien op dat het rapport schetst dat sinds 1997 allerlei maatregelen zijn genomen,
maar dat desondanks een stabiele kern van illegalen resteert. Zij vragen of de Minister
ook vindt dat «meer van hetzelfde» niet langer volstaat en of hij bereid is een koerswijziging
in te zetten richting een écht consequent terugkeer- en illegaliteitsbeleid, waarbij
illegaal verblijf niet wordt beloond met verblijfsopties, voorzieningen en straffeloosheid,
maar steevast eindigt in vertrek. Afsluitend vragen zij of de Minister het met hen
eens is dat langdurig illegaal verblijf zeer onwenselijk is en dat we dit niet moeten
willen.
Antwoord:
Zie de beantwoording bij vraag 32.
6. Vragen en opmerkingen vanuit de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben met veel interesse kennisgenomen rapport. Deze
leden danken de auteurs voor hun werk en de leden van de vaste commissie voor Asiel
en Migratie voor het besluit om hier een apart schriftelijk overleg over te houden.
De leden van de BBB-fractie constateren dat uit het rapport blijkt dat een strenger
en meer afschrikwekkend vreemdelingenbeleid, gecombineerd met betere handhaving en
identificatie, een belangrijke rol heeft gespeeld bij de forse daling van het aantal
onrechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen sinds 2003. Deze leden zien daarin
een bevestiging dat stevig beleid werkt.
Vraag 38:
Kan de Minister daarom concreet aangeven welke onderdelen van het huidige beleid aantoonbaar
bijdragen aan het terugdringen van onrechtmatig verblijf, en waar aanscherping nodig
is?
Antwoord:
Wanneer vreemdelingen geen recht (meer) hebben om in Nederland te verblijven worden
ze vertrekplichtig en moeten zij Nederland verlaten. De terugkeer van deze vreemdelingen
vormt een prioriteit voor het kabinet. De meeste vreemdelingen vertrekken zelfstandig,
zonder inzet van de overheid. Als vreemdelingen zelfstandig willen terugkeren is dit
doorgaans mogelijk en is er geen inspanning van de overheid nodig. Tevens kunnen zij
terugkeerondersteuning krijgen bij hun vrijwillig vertrek. Met het aanbieden van terugkeerondersteuning
worden vreemdelingen gestimuleerd vrijwillig te vertrekken. Vrijwillige terugkeer
kan alleen een succes zijn met het vooruitzicht dat er over kan worden gegaan tot
gedwongen terugkeer, wanneer de vreemdeling niet meewerkt.
Wanneer vreemdelingen die Nederland moeten verlaten niet zelfstandig vertrekken, komt
gedwongen terugkeer in beeld. Het Kabinet zet voortdurend in op het realiseren van
meer gedwongen terugkeer. In 2025 is het aantal plekken voor vreemdelingenbewaring
uitgebreid zodat meer vreemdelingen beschikbaar kunnen worden gehouden voor gedwongen
terugkeer als dit nodig is. Een andere belangrijke factor bij het kunnen realiseren
van gedwongen terugkeer is de medewerking van landen van herkomst. Het Kabinet zet
daarom doorlopend in op het verbeteren van de terugkeersamenwerking met landen van
herkomst. Dit doet het Kabinet onder andere door het sluiten van terug- en overnameovereenkomsten
met derde landen, het ontwikkelen van gelijkwaardige en duurzame partnerschappen met
voor Nederland belangrijke landen van herkomst- en transit waar samenwerking op het
gebied van terugkeer een onderdeel van kan zijn en door het nemen van maatregelen
in EU-verband (denk hierbij aan de mogelijkheid om negatieve visummaatregelen te nemen
tegen derde landen onder artikel 25bis van de Visumcode).
Vraag 39:
De leden van de BBB-fractie lezen dat de auteurs in het rapport benoemen dat EU-burgers
onrechtmatig in Nederland kunnen verblijven wanneer zij langer dan drie maanden hier
zijn zonder werk, studie of voldoende middelen van bestaan (Richtlijn 2004/38/EG).
Deze leden maken zich zorgen over de zichtbare gevolgen hiervan in veel steden, waar
een groep EU-burgers die niet in het eigen onderhoud kan voorzien, overlast veroorzaakt
door onder andere bedelen en het opentrekken van afvalbakken en -zakken voor statiegeld.
De leden van de BBB-fractie vragen de Minister wat het huidige beleid is ten aanzien
van deze groep EU-burgers die hun verblijfsrecht verliest. In hoeverre wordt hier
actief op gehandhaafd en welke instrumenten hebben gemeenten, politie en Immigratie-
en Naturalisatiedienst om daadwerkelijk in te grijpen? Wordt in de praktijk gebruikgemaakt
van de mogelijkheid om het verblijfsrecht te beëindigen en deze personen terug te
sturen naar het land van herkomst? Kan de Minister cijfers aan beschikbaar stellen?
Antwoord:
Voor EU-burgers geldt een apart kader, wat meegenomen moet worden in de discussie
over onrechtmatig verblijf. Zij mogen op grond van het recht op vrij verkeer binnen
de EU in beginsel in Nederland verblijven, maar dit verblijfsrecht is niet onvoorwaardelijk.
Indien niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden, bijvoorbeeld omdat geen sprake
is van arbeid of voldoende middelen van bestaan, kan bij beschikking worden vastgesteld
dat het verblijfsrecht wordt ingetrokken. Indien er sprake is van zeer ernstige openbare
orde of veiligheid feiten, kan volgens de EU-regels ook een verwijderingsbesluit worden
uitgevaardigd, gekoppeld aan een ongewenstverklaring.
Handhaving vindt plaats binnen deze kaders. De Immigratie- en Naturalisatiedienst
(IND) kan besluiten tot beëindiging van het verblijfsrecht en het opleggen van een
vertrekplicht. Gemeenten en politie, waaronder de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie
en Mensenhandel (AVIM), hebben een rol in signalering en toezicht. In die gevallen
waarin dat noodzakelijk is, kan worden overgegaan tot verwijdering naar het land van
herkomst.
Het EU-verblijfsrecht is in 2019 bij 780 Unieburgers7 beëindigd. In 2020 bij 1130 Unieburgers, in 2021 bij 720 Unieburgers, in 2022 bij
740 Unieburgers, in 2023 bij 740 Unieburgers en in 2024 bij 900 Unieburgers.
Vraag 40:
Daarnaast vragen deze leden of politieagenten en handhavers hier in hun opleiding
en in de praktijk voldoende op worden toegerust. Herkennen zij deze groep als zodanig
en weten zij welke bevoegdheden zij hebben om op te treden?
Antwoord:
Allereerst dient benoemd te worden dat het niet aan de buitenkant zichtbaar is voor
de politie of iemand onrechtmatig in Nederland verblijft. Indien een agent op straat
(van de gebiedsgebondenpolitie (GGP)) in het kader van hun werkzaamheden stuit op
een onrechtmatige vreemdeling dan zal er, indien relevant, contact op worden genomen
met de AVIM voor de mogelijk verdere afhandeling. Deze werkprocessen zijn bekend bij
de politie. Dit is tevens terug te vinden in de uitvoeringstoets strafbaarstelling
illegaliteit8.
Vraag 41:
De leden van de BBB-fractie vragen of de Minister bereid is om het beleid aan te scherpen,
zodat niet de hardwerkende arbeidsmigranten worden geraakt, maar juist de groep die
structureel overlast veroorzaakt en niet in het eigen onderhoud kan voorzien, effectiever
kan worden aangepakt en teruggeleid naar het land van herkomst.
Antwoord:
Zie de beantwoording bij vraag 28.
Vraag 42:
De leden van de BBB-fractie lezen dat er aanwijzingen zijn dat een grote groep Brazilianen
(35.000 tot 40.000) en Filipijnen (8.000 tot 30.000) naar Nederland is gekomen voor
kort verblijf en vervolgens onrechtmatig in Nederland is gebleven en daarbij vaak
buiten het zicht van toezicht en handhaving blijft. Daarbij wordt tevens gewezen op
signalen van misbruik van de RNI, waardoor personen zonder verblijfsrecht toch toegang
krijgen tot werk en voorzieningen.
Deze leden maken zich zorgen over deze ontwikkeling en vragen de Minister om een actueel
en onderbouwd beeld te geven van de omvang van deze groep, specifiek ten aanzien van
Braziliaanse en Filipijnse onderdanen. Hoe groot acht de Minister deze groep daadwerkelijk,
en in welke sectoren zijn zij met name actief? Daarnaast vragen zij hoe het mogelijk
is dat personen zonder verblijfsrecht via constructies zoals de RNI toch een Burgerservicenummer
kunnen verkrijgen en daarmee feitelijk toegang krijgen tot de arbeidsmarkt. Welke
maatregelen zijn inmiddels genomen om dit misbruik tegen te gaan, en zijn deze afdoende?
Antwoord:
Allereerst is het goed om te benoemen dat het Burgerservicenummer (BSN) geen rechten
geeft. En dus ook geen toegang tot de arbeidsmarkt. Iedereen die niet kan worden ingeschreven
als inwoner van een gemeente, kan zich laten inschrijven als niet-ingezetene in de
RNI. Dit geldt ook voor derdelanders (nietEU/EER nationaliteit). Inschrijving in de
RNI vindt in persoon plaats, waarbij de identiteit wordt vastgesteld op basis van
een geldig identiteitsbewijs. Na inschrijving wordt een BSN verkregen.
De werkgever is verplicht te controleren of zijn arbeidskrachten in Nederland mogen
werken. De Nederlandse Arbeidsinspectie houdt toezicht op de naleving van de Wet arbeid
vreemdelingen en handhaaft hierop. Bedrijven kunnen flinke boetes krijgen bij overtreding
van de wet. Deze boetes worden bovendien verhoogd en vanaf nu ook jaarlijks geïndexeerd9.
Cijfers illegaal werkende Brazilianen en Filipijnen in Nederland
Er is geen actueel overzicht van het aantal illegaal tewerkgestelde Brazilianen en
Filipijnen in Nederland. In het rapport worden aantallen genoemd waarbij ook wordt
geconcludeerd dat deze van journalistieke bronnen komen en niet zijn onderbouwd. Exacte
cijfers over deze specifieke groep worden dus omgeven met onzekerheidsmarges.
Wel hebben we inzicht in de totale groep derdelanders die in Nederland aan het werk
is en waarvan hun werkgever maandelijks loonaangifte doet. In december 2024 waren
er in totaal 14.580 derdelanders10, waaronder Brazilianen en Filipijnen, die in Nederland aan het werk waren en die
in het RNI stonden ingeschreven. 10.670 personen van deze groep verdienden op of net
boven het minimuminkomen11. Hoeveel van deze personen illegaal aan het werk waren is onbekend. Personen uit
derde landen12 die op of net boven het minimuminkomen werkten, waren met name werkzaam bij uitzend-
en uitleenbureaus, zo’n 52% van het totaal. Hierna volgen de sectoren horeca (9%)
en handel (8%)13.
Veinzen van rechtmatige toegang arbeidsmarkt door derdelanders met BSN De Arbeidsinspectie
heeft misstanden gesignaleerd14 als het gaat om arbeidsmigranten uit derde landen die in Nederland illegaal aan
het werk zijn. Hierbij wordt het BSN gebruikt om rechtmatige toegang tot de arbeidsmarkt
te veinzen. In het signaal van de Arbeidsinspectie komen grofweg twee werkwijzen naar
voren van hoe derdelanders, al dan niet met medeweten van hun werkgever, rechtmatige
toegang tot de Nederlandse arbeidsmarkt veinzen met het BSN dat zij verkrijgen via
het RNI-loket.15
Het kabinet vindt het zeer onwenselijk als er misbruik plaatsvindt van het BSN dat
is verkregen bij het RNI-loket door illegaal tewerkgestelde derdelanders. Daarom neemt
de Staatssecretaris van BZK samen met de Minister van SZW maatregelen om dit tegen
te gaan.
Sinds 1 januari 2026 is het aantal RNI-loketten waar derdelanders een inschrijving
kunnen doen teruggebracht van 19 naar 2 loketten. Deze twee RNI-loketten zullen daardoor
in samenwerking met ketenpartners beter zicht krijgen op mogelijk misbruik door derdelanders
die zich inschrijven in de RNI en daarmee een BSN verkrijgen.
Parallel hieraan worden in 2026 andere maatregelen onderzocht, zoals het geheel uitsluiten
van derdelanders bij RNI-loketten. Ook wordt onderzocht hoe de communicatie over het
BSN in relatie tot het verrichten van arbeid kan verbeteren. Want laat helder zijn,
buitenlandse krachten die niet over de benodigde papieren beschikken is het niet toegestaan
om te werken in Nederland. Het maakt hiervoor niet uit of de betreffende persoon in
het bezit is van een BSN.
Vraag 43:
De leden van de BBB-fractie vragen of het huidige visumvrije regime voor landen als
Brazilië nog wel houdbaar is, gezien de signalen dat een deel van deze groep na afloop
van het visum onrechtmatig in Nederland verblijft en werkt. Acht de Minister het wenselijk
en opportuun om binnen Europees verband te pleiten voor heroverweging van dit visumvrije
regime, of om aanvullende nationale maatregelen te treffen om misbruik tegen te gaan?
Antwoord:
Opschorting van de visumvrijstelling kan uitsluitend binnen het kader van de Europese
Unie plaatsvinden. Dit kan slechts onder specifieke omstandigheden, bijvoorbeeld bij
een wezenlijke toename van 30 procent in het aantal onrechtmatig verblijvende vreemdelingen.
Voor Brazilië is op EU-breed niveau geen aanzienlijke stijging zichtbaar. Bovendien
valt het land wat betreft asiel- en migratiecijfers buiten de top zes van Latijns-Amerikaanse
landen.
Het opschortingsmechanisme kan door de Europese Commissie op eigen initiatief worden
geactiveerd of naar aanleiding van kennisgevingen van lidstaten. Op basis van de huidige
cijfers is activering van dit mechanisme niet aan de orde. De Commissie heeft lidstaten
onlangs om input gevraagd voor het negende opschortingsmechanismerapport. Nederland
zal in dat kader extra aandacht besteden aan signalen over illegaal verblijf van Brazilianen
binnen de EU.
Europese systemen zoals het EES en ETIAS verbeteren de mogelijkheden om overstay en
illegaal verblijf te monitoren en gericht aan te pakken. Sinds april 2026 worden alle
derdelanders geregistreerd in het Europese In- en Uitreissysteem (EES). Deze systemen
zullen op termijn een beter overzicht bieden van overstay en illegaal verblijf t.a.v.
verschillende nationaliteiten.
Met de invoering van het Europees systeem voor reisinformatie en -autorisatie (ETIAS)
in Q4 2026 geldt een nieuwe verplichting voor visumvrije derdelanders tot het vooraf
aanvragen van een reisautorisatie. Hiermee kan voor afreis een visumvrije derdelander
worden beoordeeld of de aanwezigheid een risico vormt op onder andere illegale immigratie.
Wanneer de derdelander bij eerdere bezoeken aan het Schengengebied zijn vrije termijn
heeft overschreden, wordt door de ETIAS National Unit beoordeeld of kan worden overgegaan
tot afgifte of weigering van een reisautorisatie. Tevens, als een groep veel overstays
vertoont, kan een screeningsregel een hit geven bij een ETIAS aanvraag, waarna een
individuele risicobeoordeling plaatsvindt.
Vraag 44:
De leden van de BBB-fractie vragen welke concrete stappen worden gezet om de groep
die zonder rechtmatig verblijf werkt en verblijft, effectiever op te sporen en terug
te laten keren naar het land van herkomst.
Antwoord:
Zie de beantwoording bij vraag 28.
Vraag 45:
Tevens verzoeken deze leden de Minister om een actueel en volledig overzicht van de
capaciteit, inzet en knelpunten bij de AVIM en in hoeverre deze organisatie momenteel
voldoende is toegerust om deze problematiek effectief aan te pakken.
Antwoord:
In de uitvoeringstoets strafbaarstelling illegaliteit16 is ingegaan op de capaciteit, inzet en knelpunten bij de politie (incl. AVIM). Ik
verwijs u graag naar dit document. Dit is nog steeds actueel.
7. Vragen en opmerkingen vanuit de ChristenUnie-fractie
Vraag 46:
De leden van de ChristenUnie-fractie maken van de gelegenheid gebruik om enkele vragen
te stellen bij het rapport. Deze leden vinden het hoog tijd dat er een nieuwe schatting
ligt. Waarom omvat het rapport geen schatting tot een recenter jaar? Wanneer wil de
Minister een volgende schatting uitvoeren?
Antwoord:
Het opstellen van een betrouwbare schatting van de omvang van de groep vreemdelingen
zonder rechtmatig verblijf vergt tijd, mede vanwege de complexiteit van de gebruikte
methodologie en de afhankelijkheid van verschillende databronnen. Dit maakt dat dergelijke
onderzoeken niet jaarlijks kunnen worden uitgevoerd. Het meest recente onderzoek van
het WODC biedt op dit moment het best beschikbare, methodologisch onderbouwde beeld
en sluit aan op het eerdere rapport17 van het WODC, zodat er geen lacune in de beschikbare data ontstaat. Het kabinet
beziet, in overleg met het WODC, wanneer een nieuwe schatting opportuun is.
Vraag 47:
Herkennen organisaties die met onrechtmatig verblijvende vreemdelingen werken de geschatte
aantallen en de aantallen per land, zo vragen de leden van de ChristenUnie-fractie.
Zo nee, hoe komt dit?
Antwoord:
Het onderzoek van het WODC is tot stand gekomen in samenwerking met verschillende
uitvoeringsorganisaties, waaronder de International Organization for Migration (IOM)
en de politie. Daarmee is bij de totstandkoming reeds gebruikgemaakt van praktijkkennis
en beschikbare inzichten.
Het kabinet staat open voor signalen en inzichten uit de praktijk. Deze kunnen bijdragen
aan een nadere duiding van de cijfers en worden, waar relevant, betrokken bij de verdere
beleidsvorming, met inachtneming van de beperkingen die samenhangen met het in beeld
brengen van deze groep.
Vraag 48:
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen welk deel van deze onrechtmatig verblijvende
vreemdelingen strafbaar gesteld zou worden voor hun onrechtmatig verblijf zoals de
Novelle aanpassing strafbaarstelling illegaliteit op de
Asielnoodmaatregelenwet voorstelt. Om hoeveel mensen gaat het? Welke migratieachtergrond
hebben deze mensen?
Antwoord:
De Eerste Kamer heeft op 21 april 2026 tegen de novelle strafbaarstelling van illegaliteit
(en daarmee ook de Asielnoodmaatregelenwet) gestemd. Daarmee is deze maatregel niet
tot stand gekomen en zal deze niet in werking treden. Het kabinet blijft zich onverminderd
inzetten op het bevorderen van terugkeer van vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf.
Daarnaast wordt de verruiming van de ongewenstverklaring voortgezet, als onderdeel
van het bredere instrumentarium om onrechtmatig verblijf tegen te gaan en vertrek
te realiseren. Op deze wijze blijft het kabinet werken aan een effectief en consistent
terugkeerbeleid.
Vraag 49:
Heeft de Minister de ambitie om niet alleen via deze schattingen maar ook op meer
precieze manieren in beeld te krijgen hoeveel onrechtmatig verblijvende vreemdelingen
in Nederland verblijven, zo vragen de leden van de ChristenUniefractie.
Antwoord:
Het kabinet streeft ernaar om een zo goed mogelijk beeld te hebben van de omvang en
samenstelling van de groep vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf. Tegelijkertijd
geldt dat deze groep zich per definitie lastig exact laat vaststellen, omdat betrokkenen
slechts beperkt in beeld zijn bij de overheid. Om die reden wordt gewerkt met methodologisch
onderbouwde schattingen, zoals die van het WODC. Deze bieden op dit moment het meest
betrouwbare landelijke beeld.
Vraag 50:
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen wat het de Minister zegt dat er circa
20.000 onrechtmatig verblijvende vreemdelingen in Nederland verblijven. Welke opgave
ziet de Minister om dit aantal omlaag te brengen? Welke mogelijkheden heeft de Minister
om dit te doen?
Antwoord:
Zie de beantwoording bij vraag 28.
Vraag 51:
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de Minister ook de discrepantie ziet
tussen het enerzijds binnenhalen van arbeidsmigranten en tegelijk het uitzetten van
asielmigranten. Kan er meer consistent beleid worden gevoerd, zodat migranten die
al langer in Nederland verblijven en in Nederland opgeleid zijn, maar onrechtmatig
verblijven, als arbeidskracht aan het werk kunnen blijven, zodat er minder arbeidsmigranten
naar Nederland hoeven worden gehaald? In dat licht vragen deze leden naar de uitvoering
van de motie Ceder c.s. die hierop ziet (Kamerstuk 19 637, nr. 3488).
Antwoord:
Nederland voert op dit moment een restrictief toelatingsbeleid waarbij illegaal verblijf
wordt ontmoedigd. Het toelaten van onrechtmatig verblijvende vreemdelingen tot de
arbeidsmarkt strookt niet met dit uitgangspunt. De toegang tot de arbeidsmarkt beperkt
zich in beginsel tot mensen die rechtmatig in Nederland verblijven.
Ook regelt de Koppelingswet dat de aanspraak van vreemdelingen op (sociale) voorzieningen
gekoppeld zijn aan het rechtmatig verblijf in Nederland.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
P.C. (Peter) de Groot, voorzitter van de vaste commissie voor Asiel en Migratie -
Mede ondertekenaar
L.L. Nouse, griffier