Brief regering : Reactie op de motie van het lid Faber over binnen Defensie een zerotolerancebeleid voeren inzake drugs (Kamerstuk 24077-561)
24 077 Drugbeleid
Nr. 570
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN DEFENSIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 8 mei 2026
Op 21 april 2026 heeft het Kamerlid Faber (PVV) tijdens het tweeminutendebat met de
Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) een motie ingediend over het
drugsbeleid bij Defensie (Kamerstuk 24 077, nr. 561). De motie strekt ertoe dat binnen Defensie een zerotolerancebeleid wordt gevoerd
inzake drugs.
Zoals ik in mijn Kamerbrief van 13 april 2026 op vragen van het lid Tijs van den Brink
(CDA) (2026Z02311) schreef, hanteert Defensie in de kern een zerotolerancebeleid op het gebied van
drugs. Het gebruik of bezit van drugs, om welke reden dan ook, door militairen wordt
niet getolereerd en hierop volgt in de regel ontslag. De enige uitzondering die is
geformuleerd, betreft het eenmalig gebruik van softdrugs door een militair in privétijd.
In dat soort gevallen kan worden volstaan met een waarschuwing.
Defensie hecht aan het huidige zerotolerancebeleid, omdat de veiligheid, inzetgereedheid
en het goede functioneren van militairen vooropstaan. In een cultuur waarin het onderling
vertrouwen in elkaars capaciteiten en waakzaamheid voorop staat, is het essentieel
dat het belang hiervan niet alleen wordt uitgesproken, maar ook wordt gehandhaafd.
Tegelijkertijd realiseer ik me dat een ontslag voor de betrokken militair en diens
naasten grote persoonlijke gevolgen kan hebben. Daarom vind ik het belangrijk dat
in die gevallen dat de onverkorte toepassing van het beleid tot onevenredige uitkomsten
voor de militair leidt, er de ruimte is om met inachtneming van de specifieke omstandigheden
tot een afgewogen besluit te komen waarin het organisatiebelang en het persoonlijk
belang op een zorgvuldige manier tegen elkaar zijn afgewogen.
Defensie onderzoekt of en op welke wijze die ruimte kan worden vormgegeven zonder
dat dit een negatieve weerslag heeft op de helderheid en houdbaarheid van het onderliggende
drugsbeleid. Dit is een juridisch ingewikkelde opgave. Ik kan u dan ook niet eerder
dan aan het einde van dit jaar over mijn vorderingen op dat punt berichten.
De strekking van de motie is in lijn met het reeds vele jaren bestaande beleid bij
Defensie ten aanzien van het gebruik of bezit van drugs door militairen. In dat licht
en in afstemming met de Minister van VWS, laat ik het oordeel over de motie aan de
Kamer.
De Staatssecretaris van Defensie,
D.G. Boswijk
Indieners
D.G. Boswijk, staatssecretaris van Defensie