De nieuwe Staten-Generaal

Na de nederlaag van Napoleon werden de grenzen binnen Europa opnieuw bepaald. Daarbij werden de zuidelijke, Belgische provincies, die geen deel hadden uitgemaakt van de Republiek, bij de nieuwe staat gevoegd. Volgens de nieuwe Grondwet zouden de Staten-Generaal het gehele volk, in noord en zuid, vertegenwoordigen. De Staten-Generaal telden eerst één kamer, maar na de samenvoeging met de zuidelijke provincies werden zij opnieuw in twee kamers verdeeld. Om het jaar zouden de Eerste Kamer (40 tot 60 leden, benoemd door de Koning) en de Tweede Kamer (110 leden, gekozen door de Provinciale Staten) vergaderen in Brussel en Den Haag. Er werden indirecte verkiezingen gehouden op basis van het censuskiesrecht: alleen mannen die een bepaalde minimumsom aan belasting betaalden, en dus een behoorlijk inkomen hadden, mochten stemmen. Op die manier zou het meer ontwikkelde deel van de bevolking het landsbestuur inhoud geven, dacht men, zoals dat vóór 1795 ook het geval was geweest.

De Tweede Kamer in 1815
Naar boven