Budgetrecht

De Eerste en de Tweede Kamer hebben het recht om de staatsuitgaven (de rijksbegroting) en de staatsinkomsten (de belastingheffing) te beoordelen en daarna te verwerpen of goed te keuren. Zo bepalen zij samen met de regering hoeveel geld de overheid zal uitgeven en waaraan zij dit zal besteden.

In het budgetrecht komen beide hoofdtaken van de Tweede Kamer (controle én wetgeving) samen. Een begroting heeft de vorm van een wet. Net als voor elke wet geldt ook voor een begrotingswet dat de Tweede Kamer wijzigingen kan aanbrengen in het wetsvoorstel van de regering (het recht van amendement). Nadat de begroting is aangenomen, houdt de Kamer toezicht op de uitvoering ervan. Dat is een typisch voorbeeld van controle. De Eerste Kamer kan een begroting na behandeling in de Tweede Kamer alleen maar goedkeuren of verwerpen. Begrotingsdebatten spelen een belangrijke rol in het overleg tussen regering en parlement. 

Onderzoek- en enquêterecht

Als het parlement vindt dat een bepaalde zaak tot op de bodem uitgezocht moet worden, kan het een zelfstandig parlementair onderzoek instellen – buiten de regering om. De zwaarste onderzoeksvorm is de parlementaire enquête. Om een parlementaire enquête te kunnen houden is een besluit van een meerderheid in de Tweede Kamer nodig.

Er is niet altijd een parlementaire enquête noodzakelijk om de benodigde gegevens van een bepaalde zaak boven tafel te krijgen. Soms is een gewoon parlementair onderzoek door Kamerleden voldoende. Het verschil tussen een ‘gewoon’ onderzoek en een parlementaire enquête is dat een parlementaire enquêtecommissie getuigen onder ede mag verhoren. Een onderzoekscommissie mag dat niet. Overigens kan een onderzoekscommissie tot de conclusie komen dat een parlementaire enquête gewenst is.

Een enquête- of onderzoekscommissie brengt verslag uit aan de Tweede Kamer. Op basis daarvan gaat de Tweede Kamer eerst in debat met de commissie en daarna met de verantwoordelijke personen uit de regering. Het uiteindelijke doel is om te leren van het verleden en maatregelen voor de toekomst te treffen.

Recht om moties in te dienen

Kamerleden kunnen moties indienen om een oordeel te geven over het gevoerde beleid, om de regering te vragen iets te doen of juist niet te doen of om meer algemeen een uitspraak te doen over bepaalde zaken of actuele ontwikkelingen. Moties kunnen bij de bespreking van elk onderwerp ingediend worden en ieder Kamerlid kan dat doen. Uiteindelijk worden alle moties in stemming gebracht.

Ten minste vier Kamerleden moeten indiening ondersteunen

Een motie kan alleen in behandeling komen als de indiener van de motie daarvoor steun krijgt van ten minste vier Kamerleden. Dit kan door een motie te medeondertekenen of door de hand op te steken als de voorzitter vraagt: "Wordt de indiening van deze motie voldoende ondersteund?".

Ondersteunen of instemmen?

Het ondersteunen van het indienen van een motie is iets heel anders dan het inhoudelijk instemmen met die motie. Vaak zullen Kamerleden tegen een motie stemmen terwijl ze wel steun hebben verleend aan het indienen ervan. Het ondersteunen van het indienen van een motie gebeurt tijdens het debat, het stemmen over de motie tijdens de stemmingen.

Standaardformulering

De gebruikelijke vorm voor een motie is de volgende: “De Kamer, gehoord de beraadslaging, van oordeel dat…; verzoekt de regering…, en gaat over tot de orde van de dag.”

Motie van wantrouwen

Met een motie van wantrouwen kan de Tweede Kamer het vertrouwen in een minister of staatssecretaris opzeggen. Indien de motie na stemming wordt aangenomen, zal de minister of staatssecretaris daar over het algemeen consequenties aan verbinden en opstappen.

Recht van amendement

Ieder lid van de Tweede Kamer mag wijzigingen voorstellen voor één of meer artikelen van een wetsvoorstel van de regering. Zo’n wijziging heet een amendement. Een amendement mag de bedoeling van een wetsvoorstel niet veranderen, maar kan wel (grote) gevolgen hebben voor (belangrijke) onderdelen van het beleid van een minister.

Voor het opstellen van een amendement kunnen Kamerleden om hulp vragen. Zij kunnen dit doen bij het Bureau Wetgeving van de Tweede Kamer of bij het ministerie dat over het onderwerp van het amendement gaat. Als de Kamer én de minister of staatssecretaris geen bezwaren hebben tegen de voorgestelde wijziging, neemt de bewindspersoon de wijziging over. Als de regering wel bezwaren heeft, moet de Kamer over het amendement stemmen. Als de meerderheid akkoord is, wordt de wijziging meestal alsnog overgenomen.

Recht van initiatief

Tweede Kamerleden hebben het recht om zelf een wetsvoorstel in te dienen. We noemen dat een initiatiefwetsvoorstel.

Voor het opstellen van een wetsvoorstel kunnen Kamerleden om hulp vragen. Zij kunnen dit doen bij het Bureau Wetgeving van de Tweede Kamer of het ministerie dat over het onderwerp van het wetsvoorstel gaat.

Een initiatiefwetsvoorstel wordt vrijwel net zo behandeld als een wetsvoorstel van de regering. Als de Tweede Kamer het voorstel behandelt, zitten het Tweede Kamerlid of meerdere Kamerleden op de plek waar normaal gesproken de bewindspersoon zijn wetsvoorstel verdedigt. De betrokken bewindspersoon is aanwezig als adviseur. De overige Tweede Kamerleden hebben het recht van amendement. Zij kunnen dus wijzigingen voorstellen. Als het wetsvoorstel wordt aangenomen moeten de indiener of indieners het wetsvoorstel ook in de Eerste Kamer verdedigen.

Vragenrecht

Ieder Kamerlid mag een minister of staatssecretaris om informatie vragen of ter verantwoording roepen (ook over zaken die niet aan de orde zijn). Zij doen dit onder andere door mondelinge of schriftelijke vragen stellen. De verantwoordelijke personen uit de regering zijn verplicht op vragen van Kamerleden in te gaan.

Vragenuur

Elke dinsdagmiddag tijdens het zogenoemde vragenuurtje stellen Kamerleden mondelinge vragen; maximaal zes per vragenuur. De personen uit de regering die een of meerdere vragen moeten beantwoorden, zijn verplicht om op het mondelinge vragenuur aanwezig te zijn.

Interpellatie

Als een Kamerlid een bewindspersoon ‘interpelleert’, stelt hij ook vragen. Een interpellatie heeft niet de vorm van een gewoon debat. Een Kamerlid vraagt toelichting en de bewindspersoon antwoordt. Andere Kamerleden mogen een keer aanvullend het woord voeren. Voor een interpellatie is goedkeuring van tenminste dertig Kamerleden  nodig.

Dertigledendebat

Ook kan een Kamerlid een dertigledendebat aanvragen. Zoals de naam al aangeeft moeten ook in dit geval dertig Kamerleden het verzoek steunen.