Tweede Kamer, 28e vergadering, woensdag 29 november 2017

Aanvang: 10:15 uur

Sluiting: 00:40 uur

Status: Ongecorrigeerd

Opening

Opening

Voorzitter: Agema

Aanwezig zijn 145 leden der Kamer, te weten:

Van Aalst, Agema, Amhaouch, Arib, Arissen, Asscher, Azarkan, Azmani, Baudet, Becker, Beckerman, Beertema, Belhaj, Van den Berg, Bergkamp, Bisschop, Den Boer, Van den Bosch, Martin Bosma, Bosman, Bouali, Van Brenk, Ten Broeke, Bruins, Bruins Slot, Buitenweg, Van Dam, Diertens, Tony van Dijck, Gijs van Dijk, Jasper van Dijk, Dijkgraaf, Dijkhoff, Dijksma, Pia Dijkstra, Remco Dijkstra, Dik-Faber, Diks, Van Eijs, El Yassini, Ellemeet, Fritsma, Futselaar, Geluk-Poortvliet, Gerbrands, Geurts, De Graaf, Van der Graaf, Grashoff, Graus, De Groot, Groothuizen, Van Haersma Buma, Van Haga, Rudmer Heerema, Pieter Heerma, Helder, Van Helvert, Hennis-Plasschaert, Hermans, Hiddema, Van den Hul, Jetten, De Jong, Karabulut, Van Kent, Koerhuis, Kooiman, Koopmans, Kops, Kröger, Krol, Kuik, Kuiken, Kuzu, Kwint, Laan-Geselschap, Laçin, De Lange, Van der Lee, Leijten, Van der Linde, Lodders, Madlener, Maeijer, Marijnissen, Markuszower, Von Martels, Van Meenen, Middendorp, Van der Molen, Moorlag, Agnes Mulder, Anne Mulder, Edgar Mulder, Nijboer, Nijkerken-de Haan, Van Nispen, Van Ojik, Omtzigt, Van Oosten, Ouwehand, Özdil, Öztürk, Özütok, Paternotte, Peters, Ploumen, Van Raak, Van Raan, Raemakers, Roemer, Rog, Ronnes, Van Rooijen, De Roon, Arno Rutte, Sazias, Segers, Sienot, Sjoerdsma, Slootweg, Sneller, Snels, Van der Staaij, Tellegen, Tielen, Van Tongeren, Van Toorenburg, Veldman, Verhoeven, Voordewind, Voortman, Aukje de Vries, Wassenberg, Van Weerdenburg, Westerveld, Weverling, Van Weyenberg, Wiersma, Wilders, Wörsdörfer, Van 't Wout, Yeşilgöz-Zegerius en Ziengs,

en de heer Dekker, minister voor Rechtsbescherming, de heer Grapperhaus, minister van Justitie en Veiligheid, de heer Harbers, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, mevrouw Keijzer, staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, mevrouw Van Nieuwenhuizen-Wijbenga, minister van Infrastructuur en Waterstaat, en mevrouw Van Veldhoven, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat.

Mededelingen

Mededelingen

Mededelingen

Mededelingen

De voorzitter:
Ik deel aan de Kamer mee dat er geen afmeldingen zijn.

Deze mededeling wordt voor kennisgeving aangenomen.

Slachtofferbeleid

Slachtofferbeleid

Slachtofferbeleid

Aan de orde is het VAO Slachtofferbeleid (AO d.d. 16/11).

De voorzitter:
Aan de orde is het VAO Slachtofferbeleid, naar aanleiding van het algemeen overleg op 16 november jongstleden. Ik heet de minister voor Rechtsbescherming van harte welkom. Het debat is al gevoerd, dus dat gaan we hier niet overdoen. De leden zijn in de gelegenheid moties in te dienen. Misschien dat de overige leden of de minister nog een verduidelijkende vraag willen stellen, maar we gaan het debat niet overdoen.

Ik geef als eerste het woord aan de heer Van Nispen van de SP.

De heer Van Nispen (SP):
Slachtoffers zijn mensen die onrecht is aangedaan. Dat onrecht moet worden hersteld. De overheid moet er voor hen zijn, omdat de overheid op dat moment nodig is. De overheid moet een bondgenoot zijn van slachtoffers, maar dat is helaas al te vaak niet het geval. We krijgen dat in dit korte tijdsbestek niet allemaal opgelost en we komen hier de komende twee dagen nog uitgebreid over te spreken, maar ik zal vandaag twee voorstellen indienen ter verbetering van de positie van het slachtoffer. Het eerste voorstel gaat over de slachtoffers van letselschade.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat verlenging van de Overeenkomst afkoop regresrecht Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), het convenant tussen de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het Verbond van Verzekeraars, op korte termijn aan de orde is;

spreekt uit dat slachtoffers van letselschade op geen enkele wijze de dupe mogen zijn van dergelijke afspraken tussen gemeenten en verzekeraars;

verzoekt de regering erop toe te zien dat de belangen van slachtoffers inderdaad niet in het gedrang komen;

verzoekt de regering voorts hierover met verzekeraars en gemeenten in gesprek te treden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Nispen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 35 (33552).

Gaat u verder. U heeft nog één minuut.

De heer Van Nispen (SP):
De tweede motie gaat over het verhalen van schade. Dat is al te vaak een groot probleem voor slachtoffers, voor mensen die onrecht is aangedaan.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het verhalen van schade op de dader in het strafrecht moeizaam gaat;

constaterende dat een deel van de schadevergoedingsvorderingen in het strafrecht niet-ontvankelijk wordt verklaard, onder meer vanwege het criterium dat de behandeling daarvan een onevenredige belasting voor het strafproces oplevert;

van mening dat een laagdrempelige verwijzingsprocedure van de strafrechter naar de civiele rechter een mogelijke oplossing zou kunnen zijn om (eerder) duidelijkheid te scheppen voor het slachtoffer over zijn vordering;

verzoekt de regering met een dergelijk voorstel te komen, al dan niet in de vorm van een pilot, waarbij een eenvoudige verwijzing van de vordering tot schadevergoeding van de strafrechter naar de civiele rechter mogelijk wordt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Nispen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 36 (33552).

Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan meneer Van Oosten van de VVD-fractie.

De heer Van Oosten (VVD):
Dank u wel, voorzitter. In de eerste plaats merk ik op dat ik vorige week Kamervragen heb gesteld naar aanleiding van een gruwelijk ongeval dat heeft plaatsgevonden. Nabestaanden hebben daarbij de vraag of de overleden veroorzaker drank of drugs heeft gebruikt. Die vraag heb ik neergelegd bij de minister van Justitie en Veiligheid, maar ik bedenk mij dat ik die vraag natuurlijk ook had moeten neerleggen bij de minister die verantwoordelijk is voor slachtoffers. Daarom vraag ik dus langs deze weg de minister om ook kritisch naar die vragen te kijken.

Dan dien ik verder nog een motie in naar aanleiding van een onderwerp waarvoor collega Helder en ikzelf — overigens collega Van Toorenburg ook wel, maar dan vanuit een ander perspectief — aandacht hebben gevraagd: de privacy van slachtoffers.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de Kamer diverse malen aandacht heeft gevraagd voor de privacy van slachtoffers;

overwegende dat de minister van Veiligheid en Justitie in 2015 reeds heeft laten weten een einde te willen maken aan de onbedoelde en vaak onnodige inbreuk op de privacy van het slachtoffer;

overwegende dat overigens het afschermen van persoonsgegevens van slachtoffers door alle ketenpartners belangrijk wordt gevonden;

vaststellende dat deze kennelijk breed gedeelde wens desondanks nog altijd niet is geëffectueerd;

roept de regering op de informatieverwerking van persoonsgegevens van slachtoffers zo vorm te geven dat alleen de informatie die strafvorderlijk noodzakelijk is in het strafdossier terechtkomt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Oosten en Helder. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 37 (33552).

Ik zie dat mevrouw Van Toorenburg nog een vraag heeft, maar het debat is al geweest. U wilt nog iets verduidelijken? Gaat uw gang.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Een heel mooie motie. Ik vraag aan de heer Van Oosten of hij daarin wel mee wil nemen dat het niet alleen om de informatievoorziening gaat, maar ook om de mondelinge behandeling van een strafzaak. Het zou mooi zijn als hij, en via hem ook de minister, dat kan meenemen, want het is ook zo pijnlijk als er namen worden genoemd in een rechtszaak.

De heer Van Oosten (VVD):
Daar heeft mevrouw Van Toorenburg volstrekt gelijk in. Laten we de minister vragen om dat mee te nemen in zijn reactie op en zijn kwalificatie van deze motie.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Groothuizen van D66.

De heer Groothuizen (D66):
Voorzitter. We hebben de laatste jaren veel gedaan om de positie van het slachtoffer in het strafproces te verbeteren. Toch zijn er uit de praktijk nog steeds berichten dat het niet goed gaat in de zittingszaal. We hebben berichten over slachtoffers en advocaten van slachtoffers die achter in de zaal naast de pers moeten plaatsnemen of voor wie helemaal geen ruimte in de zittingszaal beschikbaar is. Ook kunnen ze soms geen gebruikmaken van de computer of andere digitale voorzieningen. Ik heb zelf een keer meegemaakt dat een nabestaande in een behoorlijke zware zaak eigenlijk verplicht was om naast de dader te gaan zitten. Gelukkig konden we dat toen oplossen, maar dat geeft wel aan dat er nog steeds een probleem is om die versterkte positie van slachtoffers in de rechtszaal ook daadwerkelijk goed uitgevoerd te krijgen.

Daarom heb ik de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het van belang is om de toegenomen aandacht voor de positie van het slachtoffer in het strafproces daadwerkelijk uit te voeren in de praktijk;

constaterende dat slachtoffers en hun raadslieden nog steeds aanlopen tegen problemen, zoals het gebrek aan een (goede) plek in de zittingszaal, de onmogelijkheid om gebruik te maken van digitale voorzieningen in zittingszalen en het gebrek aan separate ingangen;

roept de regering op een inventarisatie en een plan van aanpak voor deze knelpunten bij rechtbanken en gerechtshoven te maken en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Groothuizen, Van Oosten en Van Toorenburg. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 38 (33552).

Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Van Toorenburg van het CDA.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Voorzitter. We hebben in het debat uitvoerig gesproken over het spreekrecht van slachtoffers en we merken daarbij op dat het spreekrecht niet alleen van belang is bij aanvang van een rechtszaak, bij de eerste behandeling, maar vooral ook wanneer er fases langskomen waarin een dader mogelijk weer in vrijheid wordt gesteld. In Canada hebben ze daar mooie ervaringen mee opgedaan. Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het voor slachtoffers en nabestaanden van groot belang kan zijn om te mogen spreken bij een beslissing omtrent de voorwaardelijke invrijheidstelling of de verlenging van de tbs;

overwegende dat het bijvoorbeeld wenselijk kan zijn wanneer het slachtoffer of de nabestaande zich mag uitspreken over zijn of haar gedachten bij de voorwaarden waaronder de dader eventueel weer in vrijheid wordt gesteld;

constaterende dat in andere landen, zoals in Canada, gebruik wordt gemaakt van probation committees die een belangrijke rol spelen bij de eventuele invrijheidsstelling van een gestrafte;

verzoekt de regering te onderzoeken of en, zo ja, op welke wijze ervaringen uit bijvoorbeeld Canada kunnen worden meegenomen in de verdere ontwikkeling van het spreekrecht van slachtoffers in Nederland en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Toorenburg en Van Oosten. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 39 (33552).

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
We hebben ook gesproken over de afschuwelijke situatie in Hoorn, waarbij een vrouw verkracht werd en uiteindelijk zelf achter de dader aan moest gaan. Ik heb nog wel een vraag aan dit kabinet. De minister van Justitie en Veiligheid heeft ons een brief geschreven waarin hij aangeeft dat hij inderdaad gaat kijken naar een speciaal aanspreekpunt in Noord-Holland. Maar ik mag er toch wel van uitgaan dat dat overal in Nederland goed wordt geborgd, dat mensen nergens met die bedenkingstermijnen te maken krijgen en dat we overal een betere voorziening organiseren voor slachtoffers van dit soort gruwelijke misdaden.

De voorzitter:
Dank u wel. Ik neem aan dat de minister daar straks antwoord op zal geven.

Dan geef ik ten slotte het woord aan de heer Öztürk van de fractie DENK.

De heer Öztürk (DENK):
Voorzitter. De heer Azarkan heeft het debat gedaan. Ik moet hem hier vervangen omdat NS vandaag voor de zoveelste keer weer de treinen niet op tijd heeft laten rijden. Ik dien twee moties in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat taalbarrières geen drempel mogen opwerpen in basisinformatievoorziening inzake slachtofferhulp en recht;

constaterende dat de regeling voor de algemene informatievoorziening aan slachtoffers bepaalt dat taalkundige bijstand wordt geboden indien het slachtoffer onvoldoende het Nederlands, Engels, Duits of Frans beheerst;

constaterende dat in de regeling houdende regels voor de verstrekking van zaaksinformatie aan slachtoffers niet over deze taalkundige bijstand wordt gesproken;

verzoekt de regering om in de evaluatie van de regeling houdende regels voor de verstrekking van zaaksinformatie aan slachtoffers aandacht te besteden aan de afwezigheid van een bepaling omtrent taalkundige bijstand;

verzoekt de regering tevens om in het geval van geconstateerde problemen ook in deze regeling een bepaling op te nemen over het bieden van taalkundige bijstand indien het slachtoffer onvoldoende het Nederlands, Engels, Duits of Frans beheerst,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Öztürk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 40 (33552).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit de Slachtoffermonitor blijkt dat slachtoffers die buiten Nederland zijn geboren minder positief zijn over het proces van aangifte dan in Nederland geboren slachtoffers;

constaterende dat uit dezelfde Slachtoffermonitor blijkt dat er ook qua leeftijd en qua opleidingsniveau verschillen zijn tussen ervaringen van slachtoffers met de ondersteuning door de politie;

verzoekt de regering om zich (blijvend) in te zetten voor een goede ervaring van slachtoffers met de ondersteuning van de politie, met daarbij speciale aandacht voor groepen die volgens de Slachtoffermonitor relatief minder tevreden zijn,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Öztürk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 41 (33552).

Dank u wel. Dat was de laatste spreker van de kant van de Kamer. Ik kijk naar de minister voor Rechtsbescherming. Bent u in de gelegenheid meteen te antwoorden of wilt u even schorsen? Vijf minuutjes? Dan schors ik voor vijf minuten.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:
Dames en heren, we gaan weer verder.

Het woord is aan de minister voor Rechtsbescherming.

Minister Dekker:
Voorzitter. Om te beginnen twee vragen. De vraag van de heer Van Oosten gaat over de schriftelijke vragen die hij heeft gesteld aan collega Grapperhaus. Ik zie het punt dat dit ook raakt aan het slachtofferbeleid. Ik zal daar zeker in meekijken.

Mevrouw Van Toorenburg stelde een vraag over de brief van mijn collega naar aanleiding van de zaak in Noord-Holland. Ze vroeg wat er verder gebeurt in dezen. Misschien mag ik dat punt meenemen bij de aanscherping van de meerjarenagenda die voor de kerst komt.

Er zijn zeven moties ingediend. Ik loop ze langs. Ik kom eerst bij de motie van de heer Van Nispen op stuk nr. 35 over het afkopen van het regresrecht. We zijn het erover eens dat in ieder geval slachtoffers daar niet de dupe van moeten worden. Ik heb mij inmiddels laten informeren dat het afkopen van dit soort rechten ook wel op andere plekken gebeurt, bijvoorbeeld als het gaat om de Wet langdurige zorg of de Algemene nabestaandenwet. Daarvoor geldt eigenlijk hetzelfde. Ook daar zouden slachtoffers niet de dupe van moeten worden. Ik ga daarover graag het gesprek aan met verzekeraars en gemeenten. Ik zal ze dan ook wijzen op de rechten van slachtoffers. Ik zou met de motie uit de voeten kunnen. Als u het goed vindt, neem ik de motie over.

De voorzitter:
Ik constateer dat daartegen geen bezwaar bestaat.

De voorzitter:
Aangezien de motie-Van Nispen (33552, nr. 35) is ingetrokken, maakt zij geen onderwerp van beraadslaging meer uit.

Minister Dekker:
Dan de tweede motie, op stuk nr. 36. Die ziet eigenlijk toe op de voeging van civiele zaken om schade te verhalen bij strafrechtelijke zaken. Ook daarvan denk ik dat wij het erover eens zijn dat het mooi zou zijn als ook die laatste 10%, 15% van de complexere schadezaken in de slipstream van het strafproces kan worden meegenomen. Dat heeft grote voordelen. Mijn aarzeling bij deze motie is dat die al heel erg een voorschot neemt op een manier om het uit te werken, namelijk een soort constructie waarbij het uiteindelijk toch naar de civiele rechter gaat. Van alle varianten die mogelijk zijn, zou ik misschien zeggen dat dit de variant is waarbij ikzelf nog de meeste bedenkingen heb, in die zin dat daarmee de voordelen van het strafrecht wegvallen. Even een inkijkje in waar wijzelf aan denken, waar ik aan denk. Ik denk aan wat je bijvoorbeeld bij ontnemingszaken hebt, namelijk een gecombineerde kamer. Wellicht zou dat het probleem kunnen ondervangen. Mijn vraag aan de heer Van Nispen is eigenlijk: vindt hij het goed als ik een brief schrijf over wat wij kunnen doen met de voeging van die 15% complexe civiele zaken in strafzaken? Dan kan hij achteraf een oordeel geven over of dat voldoende is en of hij de motie alsnog indient.

De heer Van Nispen (SP):
Als de minister kan toezeggen dat deze optie daarbij nadrukkelijk wordt onderzocht — ik heb in mijn bijdrage in het algemeen overleg gezegd: met behoud van de voordelen die in het strafproces worden geboden — als de minister die mogelijkheid erbij wil betrekken, dan kan ik de motie inderdaad aanhouden.

Minister Dekker:
Dat zeg ik dan ook toe. Dan heeft de heer Van Nispen die op zak.

De voorzitter:
Op verzoek van de heer Van Nispen stel ik voor zijn motie (33552, nr. 36) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Minister Dekker:
Dan de motie van de heer Van Oosten en mevrouw Helder op stuk nr. 37. Die gaat eigenlijk over het heel urgente punt wat je kunt doen om de gegevens van slachtoffers waar dat niet nodig is voor het proces weg te halen. Ik begrijp de urgentie volledig, maar tegelijkertijd is dit een heel ingewikkeld en complex proces, want het zit in heel veel systemen. Er is een aantal eerste goede stappen gezet, bijvoorbeeld door het voegingsformulier te splitsen tussen inhoud en persoonsgegevens, waardoor belangrijke persoonsgegevens van slachtoffers niet meer in het strafdossier hoeven. Er is ook een scan geweest waarbij in beeld is gebracht welke persoonsgegevens op welke plekken worden verwerkt en welke oplossingsrichtingen er zijn om die meer te beschermen, maar dit is niet iets wat wij van vandaag op morgen hebben gedaan. Tegelijkertijd zou ik deze motie toch willen overnemen, omdat dat de druk op de ketel houdt, maar dan wel met inachtneming van het feit — ik wil niet zeggen "met de voorwaarschuwing" — dat het echt even tijd en inzet kost om uiteindelijk te komen tot de gewenste situatie. Ik wil daarbij ook het punt van de mondelinge meenemen, al zit dat niet zozeer in de systemen. Ik begrijp het punt ook daar.

De heer Van Oosten (VVD):
Geen misverstand, voorzitter, ik snap dat het wat tijd kost. Het duurt ook al twee jaar. Ik dring er dus wel op aan, ik denk mede namens mevrouw Helder en misschien ook nog wel anderen, om het niet meer te lang te laten wachten. Laat dan de overgenomen Kameruitspraak de stimulans zijn dat het inderdaad gebeurt.

Minister Dekker:
Zo vat ik haar in ieder geval op. Ik zie ook ruimte voor een aantal quick wins die op heel korte termijn zouden kunnen. Op de middellange termijn denk ik dat de hele digitalisering van de strafrechtketen ook mogelijkheden biedt, maar u weet net als ik dat dat echt een wat langer lopend proces is. Dus volgens mij kan ik die motie overnemen, als uw Kamer dat goed vindt, voorzitter.

De voorzitter:
De minister stelt voor om de motie op stuk nr. 37 van de leden Van Oosten en Helder over te nemen. Is daar bezwaar tegen? Daar is geen bezwaar tegen.

De motie-Van Oosten/Helder (33552, nr. 37) is overgenomen.

De motie op stuk nr. 38.

Minister Dekker:
Dan de motie op stuk nr. 38 van de heer Groothuizen, de heer Van Oosten en mevrouw Van Toorenburg. Ook daarvan zie ik het punt. Als ik haar wat breder mag opvatten, ga ik het oordeel aan de Kamer geven, in die zin dat we eerst gaan inventariseren, alvorens te zeggen: er moet een heel plan van aanpak komen. Soms kun je dingen ook praktisch gewoon regelen en hoef je daar niet zozeer plannen voor te maken. Twee is dat u in uw overweging zelf iets aangeeft over bijvoorbeeld gescheiden ingangen. Ik begrijp het punt dat je wilt dat slachtoffer en dader niet op hetzelfde moment, nog voordat de zaak begint, met elkaar worden geconfronteerd. Maar om nu de hele rechtbank grondig te gaan verbouwen om volledig geïsoleerde stromen te creëren, dat zou mij een stap te ver gaan. Volgens mij is dat ook niet wat de heer Groothuizen vraagt, maar gaat het erom wat je praktisch kunt doen en fysiek, en hoe je, daar waar praktisch en fysiek ingrijpen niet tot de mogelijkheden behoort, in ieder geval goede afspraken kunt maken en tot goede procedures kunt komen, zodat de belangen van slachtoffers goed worden gerespecteerd.

De heer Groothuizen (D66):
Daar gaat het mij inderdaad om. Ik begrijp dat die gescheiden ingangen niet op elke zaak van toepassing zijn, maar ik hoor advocaten nu vaak zeggen dat de drempel voor gescheiden ingangen wel heel erg hoog ligt. Mensen worden nu soms, terwijl ze staan te wachten om naar binnen te gaan, geconfronteerd met buitengewoon gevaarlijke mensen, mensen die hun heel nare dingen hebben aangedaan. Dat zouden we moeten voorkomen. Als de minister de motie in die zin opvat, kan ik daarmee leven. Ik begrijp ook dat een plan van aanpak niet nodig is als dingen praktisch opgelost kunnen worden. Ik wil de minister wel vragen om in een brief uit te leggen hoe die dingen zijn opgepakt en hoe ze zijn verbeterd.

Minister Dekker:
Ik maak de inventarisatie en kom terug. Dan kan de Kamer oordelen of we daar op een goede manier mee omgaan. In dat geval, ik zei het al, geef ik oordeel Kamer. Ik zou haar ook kunnen overnemen.

De voorzitter:
De minister stelt voor om de motie op stuk nr. 38 van de leden Groothuizen, Van Oosten en Van Toorenburg over te nemen. Is daar bezwaar tegen? Daar is geen bezwaar tegen.

De motie-Groothuizen c.s. (33552, nr. 38) is overgenomen.

Dan de motie op stuk nr. 39.

Minister Dekker:
Hetzelfde zou mijn voorstel zijn voor de motie op stuk nr. 39. Ik vind het heel goed om te leren van andere landen in dit soort zaken, dus ook die motie zou ik kunnen overnemen.

De voorzitter:
De minister stelt voor de motie op stuk nr. 39 van de leden Van Toorenburg en Van Oosten over te nemen. Is daar bezwaar tegen? Daar is geen bezwaar tegen.

De motie-Van Toorenburg/Van Oosten (33552, nr. 39) is overgenomen.

De motie-Öztürk op stuk nr. 40.

Minister Dekker:
De motie-Öztürk op stuk nr. 40 gaat over taalbarrières. Ik ben het helemaal met de heer Öztürk eens dat je er alles aan moet doen om slachtoffers, ook als ze de taal niet vaardig zijn of als ze een bekende vreemde taal vaardig zijn, toch zo goed mogelijk moet proberen te helpen. Ik ben het met de strekking en het doel van deze motie eens. Toch ontraad ik haar in deze vorm, omdat ze heel erg een voorschot neemt op een evaluatie en zegt: er moet een bepaling worden opgenomen. Dat vind ik op dit moment net even een stapje te ver. U kunt twee dingen doen, mijnheer Öztürk. Wellicht wilt u de motie aanhouden. Dan kan ik er bij de evaluatie op terugkomen en kunt u dan kijken of we daarmee op een goede manier omgaan. Anders moet ik de motie ontraden en dat is misschien ook zonde.

De heer Öztürk (DENK):
Voorzitter, wij zullen de motie iets aanpassen.

De voorzitter:
Gaat u haar dan ook aanhouden of brengt u de motie dinsdag ongewijzigd in stemming?

De heer Öztürk (DENK):
Ik breng haar gewijzigd in stemming.

De voorzitter:
Oké. Dan moeten we het oordeel van de minister daarop nog even afwachten. Als u de behoefte voelt om daarover voor dinsdag nog een brief naar de Kamer te sturen met een ander stemadvies dan aanhouden …

Minister Dekker:
"Aanhouden" is geen stemadvies. Het stemadvies is "ontraden". Mocht er een andere motie komen — ik leg het voortouw daarvoor neer bij de heer Öztürk — die mij van mening doet veranderen, dan kan ik dat de Kamer altijd nog laten weten.

De voorzitter:
De motie-Öztürk op stuk nr. 40 wordt in deze vorm ontraden. Dan gaan we ten slotte naar de motie-Öztürk op stuk nr. 41.

Minister Dekker:
Die motie klinkt natuurlijk heel sympathiek, maar heeft een zo grote mate van overbodigheid dat ik haar ga ontraden. Het is de kern van ons vak om ervoor te zorgen dat er oog is voor slachtoffers van alle verschillende groepen. Om dat nog eens een keer onder de aandacht te brengen met een motie is naar mijn mening echt niet nodig. Daarom ontraad ik de motie.

De voorzitter:
Dank u wel. Meneer Öztürk?

De heer Öztürk (DENK):
Theoretisch is dat het geval, maar in de praktijk, zo blijkt uit onderzoek, is dat niet het geval. Ik denk dat het goed is dat de Kamer nog eens een keer benadrukt dat het zo zou moeten zijn. Het kan in principe geen kwaad. Ik vraag de minister dus om het oordeel aan de Kamer te laten. Het is iets waar we met zijn allen voor staan, maar wat in de praktijk toch niet gebeurt. Het heeft dus ook een signaalfunctie.

Minister Dekker:
Ik heb hier echt in het debat verschillende malen van gezegd dat we er scherp op zijn dat we iedereen bedienen. We moeten ook uitkijken. Voordat je het weet hebben we iedere week een motie die zegt "u moet zich inzetten voor de veiligheid". Dat zijn allemaal goedbedoelde steuntjes in de rug zou je kunnen zeggen, maar wel van een mate dat ik zeg: dat zijn aanzetten die we als kabinet echt niet nodig hebben om ons werk goed te doen. Dit is de kern van ons vak. Deze motie voegt dus volgens mij niets toe aan wat wij al doen.

De voorzitter:
De motie-Öztürk op stuk nr. 41 wordt ontraden.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
Hiermee zijn we aan het einde gekomen van dit VAO. Ik dank de minister voor Rechtsbescherming voor zijn aanwezigheid en het beantwoorden van de vragen. Over de ingediende moties zal volgende week dinsdag worden gestemd. We komen hiermee aan het einde van de beraadslaging; dat had ik volgens mij al gezegd. Ik schors voor enkele ogenblikken en daarna wordt aangevangen met de begrotingsbehandeling Justitie en Veiligheid.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Voorzitter: Arib

Begroting Justitie en Veiligheid 2018

Begroting Justitie en Veiligheid 2018

Begroting Justitie en Veiligheid 2018

Aan de orde is de behandeling van:

    - het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (VI) voor het jaar 2018 (34775-VI).

De voorzitter:
Aan de orde is de begroting Justitie en Veiligheid. Vandaag is de eerste termijn van de kant van de Kamer aan de orde. Ik heet iedereen van harte welkom, ook de scholieren op de publieke tribune, en in het bijzonder de minister van Justitie en Veiligheid, de minister voor Rechtsbescherming en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Van harte welkom in vak-K. We hebben 22 sprekers.

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:
Ik geef als eerste spreker mevrouw Helder namens de PVV-fractie het woord.

Mevrouw Helder (PVV):
Dank u wel, voorzitter. "De nationale politie staat als een huis", aldus oud-minister Opstelten. "Alleen de plinten hoeven te worden afgelakt", aldus oud-korpschef Bouman. En de hypotheek van Rutte II op het in aanbouw zijnde huis van maar liefst 500 miljoen euro is afgelost door het extra geld. Alle drie onjuiste stellingen. De vorige minister schreef aan de Kamer: "Ik onderken dat de politie voor grote uitdagingen staat. Voldoende capaciteit en middelen zijn cruciaal voor een effectief politieoptreden." Dat ben ik helemaal met hem eens. Niet voor niets besteedt de PVV 1 miljard euro aan de politie. Helaas is onze motie drie weken geleden verworpen.

Voorzitter. De regering komt met 267 miljoen. Dat is een begin, maar te weinig. De taakstelling van 500 miljoen is daarmee niet teruggedraaid. En aan die 267 miljoen zitten voorwaarden. Ten eerste: dat bedrag komt er in 2021. Het staat vooralsnog op de balans bij het ministerie van Financiën. En het is gekoppeld aan de zogenoemde flexibiliseringsagenda. In het regeerakkoord staat namelijk letterlijk: "Voor uitbreiding van de capaciteit zijn extra middelen beschikbaar, onder de voorwaarde dat de flexibiliseringsagenda wordt doorgezet en dat knellende kaders, waaronder sectorspecifieke beperkingen ten opzichte van de Arbeidstijdenwet, worden weggenomen." Hoe kan je nou investeren als je niet weet of het daarvoor vereiste geld wel jouw kant op komt? Kan de minister de zekerheid geven dat het geld niet bij het ministerie van Financiën blijft hangen? En wordt de werkvloer op deze wijze gedwongen om dan niet te veel eisen te stellen bij de komende cao-onderhandelingen, omdat er anders geen agenten bij komen? Graag een reactie van de minister, want in de tweede nota van wijziging staat het nog steeds met zoveel woorden.

Een van de onderdelen van de flexibiliseringsagenda is de operationele sterkte, maar de operationele sterkte is opgelegd door de politiek. Minister Opstelten noemde het ook altijd "de sterkteafspraak met de Kamer". Dus daar moeten we zelf wat aan doen. In het regeerakkoord staat: "De operationele sterkte wordt geflexibiliseerd." Dus dan vraag ik aan de minister: wat betekent dit? Wordt de opgelegde, of de afgesproken, zo je wilt, 49.802 fte losgelaten? Worden de aspiranten niet meer voor 100% meegeteld in deze berekening? Graag hierop een reactie.

Voorzitter. De politie moet kunnen meegaan met de tijd en de maatschappelijke ontwikkelingen. Doel is, zo hebben we veel gehoord, een slimme, flexibele en adaptieve organisatie. Uit het rapport van de commissie-Kuijken, dat vorige week verscheen, blijkt dat er nog veel werk aan de winkel is. De minister komt volgend voorjaar met een beleidsreactie. Desondanks wil ik vandaag wel één punt expliciet noemen. Het zijn de politiemensen die ervoor hebben gezorgd dat tijdens de verbouwing de winkel open kon blijven. Dat de waardering van de burger voor de politie niet is verminderd, is dan ook voor een belangrijk deel aan hen te danken. Ik vind het wel belangrijk om dat bij een begrotingsbehandeling te noemen. Maar waardering blijft ook werk in uitvoering. Wat mij betreft is dat een bruggetje naar twee onderwerpen: ten eerste de criminaliteitscijfers en ten tweede het gezag.

Voorzitter. Criminaliteitscijfers dalen, maar dat is geen goed nieuws. Het gaat namelijk om de geregistreerde criminaliteit, de aangiftebereidheid bij burgers en het ophelderingspercentage. Het ophelderingspercentage van de geregistreerde misdrijven is de afgelopen zes jaar gedaald van gemiddeld iets meer dan 27% in 2010 naar 22% in 2016. Ik ben hier met de opeenvolgende ministers al jaren over in discussie. Ik ga daarmee door, zeker nu we een nieuwe minister hebben. Nieuwe ronde, nieuwe kansen. De politiecijfers zijn afhankelijk van aangiftes, maar, ik zei het al, de aangiftebereidheid blijft onverminderd laag, gemiddeld slechts 19%. Om inzicht te krijgen in het zogenoemde dark number wordt gebruik gemaakt van de Veiligheidsmonitor, maar ook dat is niet voldoende, want veel misdrijven worden in die enquête niet meegenomen. Ik licht daar cybercrime uit.

Gisteren zagen we een tweet van de politie in Nederland voorbijkomen met daarin de tekst: 50% van de klassieke criminaliteit heeft inmiddels een digitale component, een wereld te winnen dus. Door de digitale ontwikkelingen is het vraagstuk van het dark number en van het vaststellen van de omvang van de criminaliteit dus verder vergroot. Dat is ook een belangrijke kanttekening bij de duiding van de cijfers. Dat staat ook in het rapport Criminaliteit en rechtshandhaving 2016. Uit het rapport met de titel Slachtoffer geweest? van het Centraal Bureau voor de Statistiek blijkt dat respondenten delicten die zijn geregistreerd bij de politie vaak niet opgeven in de enquête van de Veiligheidsmonitor.

Dit zijn wat mij betreft allemaal redenen voor een onderzoek naar een nieuw of een aanvullend meetinstrument. De motie die ik heb ingediend bij de begroting van vorig jaar, heeft het niet gehaald, omdat de toenmalige coalitiepartijen tegenstemden. Van de huidige coalitiepartijen heeft alleen de VVD tegengestemd. Mijn collega's van het CDA, D66 en de ChristenUnie waren voor. Dank daarvoor. Ik wacht natuurlijk het antwoord van de minister af, maar ik ben wel voornemens om die motie misschien opnieuw in te dienen.

Dan het gezag. Niet alleen die dalende cijfers zijn een aantasting van het vertrouwen, maar ook het gebrek aan gezag. Daar hebben we de laatste tijd een paar voorbeelden van kunnen gezien. Wat mijn fractie betreft, geldt — dat zeggen wel meer mensen en dat blijkt ook uit de gedragscode — dat de politie niet moet aanschuiven bij iftar-maaltijden en moskeeën niet moet beschouwen als contacten bij de handhaving van de openbare orde. Ze moet ook niet pleiten voor een algeheel verbod op knalvuurwerk, maar dan niet optreden toen "gevierd" werd dat Marokko naar het wereldkampioenschap voetbal gaat. Toen zagen we een agent die het wel best vond. Op de vraag van de verslaggever "het gaat wel in de richting van de politie", werd geantwoord: natuurlijk, zo blij zijn de mensen. Er werd bevestigd dat, dit is een citaat, er bewust geen mensen zijn aangehouden. En dat terwijl een blind paard bijna kon zien dat dit geen feestvieren meer was. Gezag behoud je alleen door ondubbelzinnig en keihard op te treden waar dat nodig is. Gebruik in dat geval de straatverboden op grond van de aangepaste Voetbalwet, de camerabeelden, de wapenstok, de politiehonden — ik lijk nu bijna collega Graus — en verruim de groepsaansprakelijkheid. Hoe denkt de minister hierover?

De heer Azarkan (DENK):
Mevrouw Helder had het over de dalende criminaliteitscijfers. Daar ging ze heel snel aan voorbij. Mijn vraag is dan: is het nou goed of niet dat die cijfers gedaald zijn?

Mevrouw Helder (PVV):
Dat heb ik letterlijk gezegd. Dat is volgens mijn fractie geen goed nieuws. Ik heb de cijfers genoemd. Het gaat dan om de geregistreerde criminaliteit en dus niet de feitelijke. Dat is een heel belangrijk verschil. De geregistreerde criminaliteit is afhankelijk van de aangiftes die de burger bij de politie doet. Daarvan heb ik gezegd — dat was het tweede deel van de cijfers in mijn verhaal — dat die ook naar beneden gaan, maar dat dat aantal onverminderd laag is: 19%. Die cijfers gaan naar beneden. Dat is dus de werkelijkheid onder het tapijt schuiven. We zullen nooit precies weten wat de feitelijke criminaliteit is, maar er is een wereld van verschil tussen de feitelijke criminaliteit en de geregistreerde criminaliteit. De geregistreerde criminaliteit daalt als burgers geen aangifte meer doen, maar dat is dus geen positief nieuws.

De voorzitter:
Tot slot op dit punt, de heer Azarkan.

De heer Azarkan (DENK):
Ik stelde een eenvoudige vraag, namelijk of mevrouw Helder er blij mee was of niet. Volgens mij is zij er niet blij mee. Ik ben er wel blij mee. We zien over de hele linie dat de criminaliteitscijfers dalen. We zien over de hele linie dat de aangiftebereidheid ongeveer op hetzelfde niveau ligt. Maar nog belangrijker: we zien dat de ervaren, de gepercipieerde veiligheid ook beter wordt, dat mensen zich veiliger wanen dan eerst. We zien wel — daar kunnen we elkaar misschien vinden — dat het geweld tegen lhbt'ers, tegen minderheden en tegen moslims toeneemt. Bent u bereid om een actieplan van DENK om dat aan te pakken, te steunen?

Mevrouw Helder (PVV):
Dan moet je wel eerst het actieplan zien. Geweld is altijd verwerpelijk. Geweld, tegen wie dan ook, is strafbaar. Dat staat niet voor niets in ons Wetboek van Strafrecht. Als de heer Azarkan namens zijn fractie met een actieplan komt, zie ik dat graag tegemoet. Ik zal het op de inhoud beoordelen. De heer Azarkan had het ook over het veiligheidsgevoel onder burgers, maar dat is de Veiligheidsmonitor en daarvan heb ik ook gezegd dat lang niet alle misdrijven erin worden meegenomen. Cybercrime valt erbuiten, net als slachtofferloze delicten zoals rijden onder invloed zonder ongeval. Dat is wel een wereld van verschil.

De voorzitter:
Gaat u verder. Nee, meneer Azarkan, we hebben 22 sprekers en als iedereen voortdurend interrumpeert, hebben we een probleem. U krijgt straks de gelegenheid om alsnog eventueel een vraag te stellen. Gaat u verder, mevrouw Helder.

Mevrouw Helder (PVV):
Ik blijf even bij het laatste puntje: de groepsaansprakelijkheid. De situatie dat verdachten elkaar de schuld in de schoenen schuiven en het Openbaar Ministerie met een bewijsprobleem opzadelen, behoort als je die verruimt waarschijnlijk, althans grotendeels hoop ik, tot het verleden. In het verleden heb ik een initiatiefwetsvoorstel ingediend. Ik kreeg veel vragen van collega's. De antwoorden daarop heb ik klaar. Als de minister er ook iets in ziet, mag hij het voorstel van me hebben als welkomstcadeau. Ik hoor graag zijn reactie.

Ik ga naar de ondermijning. De 100 miljoen die in het regeerakkoord staat is een mooi gebaar, maar het bedrag is eenmalig. Waarom niet een structureel ondermijningsfonds waarin het van criminelen afgepakte geld gedeeltelijk in wordt gestort? Het enige verweer dat ik tot op heden heb gehoord, is dat het begrotingstechnisch niet mogelijk is. Ik hoor hier graag een nadere reactie op. Waarom wordt de subsidie voor het Centrum voor Criminaliteitspreventie en Veiligheid ingetrokken? Zij leveren een belangrijk deel aan de voorkant, bij de bestrijding van ondermijning. Ik heb een tweet van de minister na een werkbezoek voorbij zien komen — dat was op 22 november jongstleden — met de tekst: "nu investeren in effectiviteit en slagkracht om de ondermijnende criminaliteit in de samenleving te bestrijden." Ik hoor graag zijn reactie op dit punt.

Tot slot het Veterinair Forensisch Team van dierenarts Monique Verkerk en forensisch patholoog Frank van der Goot. Collega Graus heeft dat al meerdere keren aangekondigd. Ik heb beloofd hem daarbij te helpen en belofte maakt schuld. Alle dierenagenten — ik moet inmiddels zeggen: taakaccenthouders dierenwelzijn — kennen hun fantastische werk. Het werk van het Veterinair Forensisch Team zorgt voor het nodige bewijs, zodat dierenbeulen opgespoord en zelfs veroordeeld kunnen worden. Betaald krijgen ze echter niet. Ze zijn volledig afhankelijk van eigen middelen en giften, en dat is volstrekt onterecht. Het geld is er ook, maar dat gaat nu rechtstreeks naar de Universiteit Utrecht, dat terwijl de Universiteit Utrecht de veterinaire pathologie niet in huis heeft en de onderzoeken daardoor bijna tien keer zo duur zijn als wanneer het Veterinair Forensisch Team dat zou doen. Daar is in vele debatten over gesproken, er is zelfs een hoorzitting over geweest en in het regeerakkoord is er een passage aan gewijd, maar nog steeds gaat het geld niet naar het Veterinair Forensisch Team. Is de minister bereid om dit te regelen? Anders overweeg ik een motie op dit punt.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Fritsma namens de PVV.

De heer Fritsma (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Ik ga namens de PVV het terrein van immigratie en asiel belichten. Dan is het natuurlijk de vraag wat we op dat gebied van het nieuwe kabinet mogen verwachten. Slechter dan Rutte II kan het op het eerste gezicht natuurlijk niet worden. Rutte II heeft immers alle immigratie- en asielrecords gebroken die er zijn. Er is weer een desastreuze pardonregeling ingevoerd. Overal kwam opvang voor illegalen. Er is een groot veiligheidsprobleem gecreëerd doordat duizenden uitgeprocedeerde asielzoekers simpelweg uit het oog zijn verloren, en ga zo maar door. Het vreemdelingenbeleid is dankzij VVD en PvdA de afgelopen jaren ontspoord als nooit tevoren. Helaas is met het nieuwe kabinet absoluut geen verbetering in zicht, integendeel.

Zo werd vandaag bekend dat het kabinet nog eens 1.750 extra vluchtelingen naar Nederland wil halen. Let wel: die komen nog eens boven op de normale asielinstroom, die ook dit jaar de 30.000 passeert. Mijn eerste vraag aan de staatssecretaris is dan ook om af te zien van dat gekkenwerk. We lezen vandaag ook dat het kabinet ook uit Italië vluchtelingen wil ophalen omdat andere Europese landen dat niet doen. Zo blijft Nederland dus steeds weer de gekke henkie van Europa. Het nieuwe kabinet zit er nog maar net, maar heeft al snel zijn ware aard laten zien. Alles is weer gericht op het binnenhalen van nog meer vreemdelingen. Ook Rutte III is een kabinet van de massa-immigratie.

Ook de praatjes rond de Turkijedeal zijn al ontmaskerd. De stelling dat asielzoekers terug worden gestuurd naar Turkije blijkt onzin te zijn. De Nederlandse ambassadeur in Griekenland, Veldkamp, heeft gezegd dat vrijwel niemand naar Turkije wordt teruggestuurd. Griekenland is juist weer een magneet voor asielzoekers. Iedereen gaat naar het vasteland, dus ook naar Nederland. De premier is nu in Afrika in het kader van migratiedeals met Afrikaanse landen, maar we weten nu al dat het een mission impossible is. Alle berichten wijzen erop dat ook die inspanningen gedoemd zijn te mislukken. Afrikanen blijven massaal naar Europa komen, ook omdat het Nederlandse asielbeleid helemaal niet verandert. Iedereen die het woordje "asiel" uitspreekt, heeft in Nederland recht op opvang en een procedure. Er verandert helemaal niets.

Voorzitter. Het vreemdelingenbeleid wordt er ook door gekenmerkt dat vreemdelingen voortdurend boven de wet worden geplaatst en zij worden bevoordeeld ten opzichte van de gewone Nederlanders. Dit kan met heel veel feiten en omstandigheden worden aangetoond, te beginnen met de situatie dat illegaliteit in Nederland niet wordt bestraft, maar zelfs wordt beloond. Illegalen krijgen van dit kabinet bed-bad-brood en kunnen bovendien in aanmerking komen voor een pardonregeling. Want de structurele kinderpardonregeling blijft bestaan, waardoor vrijwel alle asielzoekersgezinnen niet meer uit Nederland vertrekken. En ja, dan kun je eigenlijk meteen wel weer ophouden. Dan kan de nieuwe staatssecretaris het eigenlijk meteen wel weer schudden. Je geeft namelijk voor de zoveelste keer het signaal af dat het loont om je niet aan de regels te houden en dat het loont om de wettelijke vertrekplicht te negeren.

De PVV kent geen voorbeelden van Nederlanders die worden beloond wanneer zij wetten of regels geweld aandoen. De meeste mensen hier in deze Kamer, die altijd de mond vol hebben van onze democratische rechtsstaat, hebben in feite heel weinig recht van spreken. We hebben namelijk te maken met de situatie dat illegalen vaak herhaaldelijk van de rechter te horen hebben gekregen dat ze hier niet mogen zijn en dat ze dus moeten vertrekken, maar het grootste deel van deze Kamer zegt dan: trek je maar niets van die rechterlijke uitspraken aan, want we gaan juist belastinggeld aan je uitgeven zodat je hier nog een tijdje langer opvang krijgt. Het grootste deel van deze Kamer zegt ook: trek je maar niets van die rechterlijke uitspraken aan, want als je die negeert, kun je nog mooi in aanmerking komen voor de pardonregeling.

De staatssecretaris moet dit wanbeleid verdedigen. Ik wil hem daarom de volgende vragen stellen. Denkt hij echt dat op deze manier de problemen worden opgelost? Denkt hij er zo voor te zorgen dat illegalen wel vertrekken? Denkt hij zo begrip te kweken bij de gewone Nederlanders, die zich wel aan de regels moeten houden, die hun plichten wel serieus moeten nemen, die geen rechterlijke uitspraken naast zich neer mogen leggen en die er zeker niet voor beloond worden als zij dat wel doen? Dit is natuurlijk onuitlegbaar. Daarom vraagt de PVV onmiddellijke beëindiging van de structurele pardonregeling en een definitieve stop op de illegalenopvang. Sluit niet alleen de bestaande gemeentelijke locaties voor illegalenopvang, maar zie ook af van de plannen voor nieuwe locaties. Graag een reactie.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Ik ben benieuwd naar het standpunt van de PVV over de toegang tot opvangvoorzieningen voor vrouwen die te maken hebben met huiselijk geweld. Op dit moment is dat vaak een probleem voor ongedocumenteerde vrouwen. Ik vroeg me af of u ook niet vindt dat zij wat makkelijker toegang moeten hebben tot die voorzieningen om geweld in de huiselijke sfeer te kunnen ontlopen.

De heer Fritsma (PVV):
Deze vraag is te breed. Natuurlijk moet er hulp komen voor mensen in nood, maar ik weet niet welke categorie u bedoelt. Als u illegalen bedoelt, is mijn antwoord dat die opvang niet in Nederland moet zijn, omdat de rechter dan heeft geoordeeld dat er geen noodzaak is voor verblijf in Nederland. Dan moet de betreffende vreemdeling naar huis, terug naar het land van herkomst. Als uw vraag dus betrekking heeft op illegalen — dat neem ik aan, omdat ik het daarover had — dan is mijn antwoord dus: nee, illegalen hebben van de rechter te horen gekregen dat zij hier niet mogen zijn en wij gaan dus geen belastinggeld uitgeven voor opvang. Zo simpel is het, want anders beloon je illegaliteit voortdurend.

De voorzitter:
Tot slot op dit punt, mevrouw Buitenweg.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Volgens mij gaf ik heel helder aan dat ik het had over ongedocumenteerden, maar ik concludeer dus dat u vindt dat de vrouwen die in zo'n situatie zitten, dan maar de straat op moeten of in zo'n setting moeten blijven en dat u niet bereid bent om die vrouwen de hulp te bieden om zich te kunnen ontworstelen aan geweld.

De heer Fritsma (PVV):
De bereidheid van mij doet er niet eens toe. De rechter heeft alle feiten en omstandigheden in verblijfsprocedures meegenomen. De rechter heeft alle mogelijkheden bekeken ten aanzien van de vraag wanneer iemand in nood is en wanneer iemand niet in nood is. Als de rechter zegt "u mag hier niet zijn", is de conclusie dat die noodzaak niet bestaat. Het woord "illegalen" zegt het al, maar veel mensen begrijpen het niet. Illegaliteit betekent dat je niet in Nederland mag zijn. Illegaliteit betekent dat je een vertrekplicht hebt.

De voorzitter:
Gaat u verder.

De heer Fritsma (PVV):
Mensen die voortdurend die vertrekplicht negeren, moet je niet belonen. Helaas doet het kabinet dat wel.

De voorzitter:
Gaat u verder, meneer Fritsma. Nee, mevrouw Buitenweg, de interrupties doen we echt in tweeën.

De heer Fritsma (PVV):
Het is de allerhoogste tijd om dit strafbaar te stellen. Illegaliteit moet natuurlijk strafbaar worden gesteld. Graag krijg ik daarop een reactie van de staatssecretaris.

Illegalen staan ook boven de wet omdat het kraakverbod kennelijk niet voor hen blijkt te gelden. In Amsterdam heeft de actiegroep We Are Here onlangs voor de dertigste keer een pand gekraakt. Dat is geen verspreking: voor de dertigste keer! Hoe is het in hemelsnaam mogelijk dat deze kraaktocht van illegalen nog steeds geen halt wordt toegeroepen? Waarom treedt het kabinet niet op? Klopt het dat er nog niet eens één illegaal is vervolgd en veroordeeld op grond van de antikraakwet? Waarom bestaat die antikraakwet dan? Ook het nieuwe kabinet doet dus helemaal niets en laat illegalen simpelweg hun gang gaan. Deze laksheid moet worden omgezet in daadkracht. Pak die kraakillegalen aan, zet ze vast en zet ze eindelijk eens uit!

Voorzitter. Vreemdelingen staan ook boven de wet omdat zij niet worden aangepakt als ze de boel bedonderen. Ze komen bijvoorbeeld binnen met valse documenten, liegen vluchtverhalen bij elkaar of regelen verblijfsvergunningen met schijnrelaties. Er wordt in verblijfsprocedures heel vaak onjuiste informatie verstrekt. Mede daardoor worden ook heel veel verblijfsvergunningen ingetrokken, maar als je vraagt hoe vaak aangifte wordt gedaan, komt het kabinet niet verder dan 80 keer. Hoe kan dat? Dat wil ik van de staatssecretaris weten. En kan de staatssecretaris garanderen dat vanaf nu wel standaard aangifte wordt gedaan tegen vreemdelingen die de boel bedonderen?

De structurele bevoordeling van vreemdelingen in Nederland wordt ook keihard gemerkt door de Nederlanders die een sociale huurwoning nodig hebben. Die krijgen steevast te horen dat ze naar een woning kunnen fluiten, omdat statushouders uit bijvoorbeeld Syrië en Eritrea voorrang krijgen bij de toewijzing van die woningen. De PVV wil echt dat dit ophoudt. Al die sociale huurwoningen die aan Syriërs zijn gegeven, moeten weer vrijkomen door het intrekken van hun tijdelijke asielvergunningen. Honderdduizenden Syriërs keren terug naar huis, omdat het er weer veilig is. De oorlog is er voorbij en de wederopbouw is er begonnen. Het is dus onnodig en onuitlegbaar dat de ongeveer 70.000 Syriërs die de afgelopen jaren tot Nederland zijn toegelaten, hier blijven. Ik vraag de staatssecretaris daarom om met heel veel spoed het verblijfsrecht van deze mensen te beëindigen. Meehelpen met de wederopbouw van het eigen land ligt meer voor de hand dan hier massaal in de schaarse sociale huurwoningen te blijven en in de bijstand te blijven hangen.

Voorzitter. Ook de zorg moet worden genoemd. Nederlanders hebben grote moeite om bijvoorbeeld het eigen risico te betalen, maar asielzoekers krijgen alle zorg helemaal gratis. Voor hen is er geen eigen risico, geen eigen bijdrage. Zelfs de zorg waarvoor Nederlanders zich moeten bijverzekeren krijgen asielzoekers gratis en voor niets. Denk aan tandartszorg, denk aan brillen en ga zo maar door. Ook dit meten met twee maten is absoluut onhoudbaar. Zoals bekend, wil de PVV een volledige asielstop, maar zolang die er nog niet is, moet de zorg voor asielzoekers beperkt worden tot alleen de medisch noodzakelijke zorg. Ook daar wil ik graag een reactie op.

Voorzitter, ik rond af. We hebben eigenlijk in heel korte tijd gezien dat dit kabinet gigantisch door de mand is gevallen voor wat betreft het inperken van de massa-immigratie. Er worden meer vluchtelingen uit het buitenland opgehaald om hier te zijn, bovenop de gangbare asielinstroom. De Turkijedeal werkt niet. Vrijwel iedereen wordt naar Europa gestuurd in plaats van teruggestuurd naar Turkije. Migratiedeals werken niet. Het wordt tijd dat het kwartje eens valt bij het kabinet. We moeten onze eigen grenzen sluiten. We moeten het heft in eigen handen nemen om die massa-immigratie eindelijk te stoppen. Door het sluiten van de eigen grenzen kun je asielzoekers tegenhouden. Wat het kabinet doet, is niet alleen bijzonder vaag, het regeerakkoord blinkt uit in vaagheid. Helemaal niets wordt concreet geregeld en alles wat wel concreet wordt geregeld is in het voordeel van vreemdelingen. Zolang dit zo blijft, is ieder woord over een streng vreemdelingenbeleid pure misleiding. Met die misleiding zal de PVV het kabinet beslist niet laten wegkomen.

Hier kan ik het in eerste termijn bij laten, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer De Graaf, ook namens de PVV.

De heer De Graaf (PVV):
Ik zie hier een zes staan, voorzitter, maar wat mij betreft mag het iets meer zijn.

De voorzitter:
U heeft er in totaal acht. Zes voor de eerste termijn?

De heer De Graaf (PVV):
Ja. Ik zal er misschien net overheen gaan, maar oké.

De voorzitter:
Wat u wilt; het maakt mij niet uit. Wat wilt u? Hoeveel minuten?

De heer De Graaf (PVV):
Voorzitter, laat ik gewoon beginnen.

Hoe is het mogelijk? Dat is de vraag die sinds vorige week vrijdag, sinds het artikel in de Volkskrant, door heel Nederland klinkt. Hoe is het in hemelsnaam mogelijk dat een bij de veiligheidsdiensten bekende islamterrorist in Nederland vrij rondloopt en zelfs een debatavond in Amsterdam kon bezoeken waar zijn slachtoffers en hun nabestaanden samenkwamen? Dat je daar durft te komen, houdt in dat je de ruimte krijgt om je provocaties en bedreigingen door te zetten op vreemd grondgebied. In Nederland. In ons land. En waarom zou je als doorgewinterde islamitische terrorist ook niet in Nederland achter je prooi aanjagen? Je wordt immers door niets en door niemand gehinderd.

Laat ik nou maar gewoon beginnen met het stellen van een aantal vragen, voorzitter. Daar wil ik morgen van de minister een uitgebreid en vooral een mondeling antwoord op hebben. Waar, hoe en wanneer is deze islamterrorist Europa binnengekomen? Wanneer, waar en hoe is hij Nederland binnengekomen? Ging dat over land, over zee of bijvoorbeeld door de lucht? Wat was het laatste veilige land waar hij doorheen gereisd is? Met wie is hij nog meer binnengekomen en waar zijn die anderen nu? Wat was zijn verblijfsgrond? Had deze man bijvoorbeeld een vals EU-paspoort? Had hij een visum voor een kort verblijf? En door wie en door welk land is dat afgegeven? Of had hij een verblijfsvergunning? En wat voor soort verblijfsvergunning was dat dan? Klopt het dat hij valse identiteitspapieren had en zo ja, wat voor documenten waren dat? Is zijn verblijfsgrond op deze valse documenten gebaseerd en wanneer zijn die valse documenten dan ontdekt? Waarom is toen niet meteen ingegrepen? Is deze man nog steeds in Nederland en zo nee, waar verblijft hij nu? Weet de minister überhaupt waar hij is en waar hij zich de afgelopen tijd bevond?

Van in totaal hoeveel IS'ers is bij de diensten in alle Europese landen bekend dat zij zich bevinden op het Europese continent, in de EU, in de Schengenzone en, vooral, in Nederland? Daar hoor ik graag een gespecificeerd antwoord op. Waarom kunnen deze terroristen nog steeds vrij reizen? Hebben de diensten iedereen in de gaten, ondanks dat vrije reizen door vooral de Schengenzone? Is het voor de minister nu eindelijk bewezen dat het relatief eenvoudig is om als IS-terrorist Nederland binnen te komen? Wanneer waren zijn achtergrond als IS'er en zijn aanwezigheid alhier bekend? Welke dienst was er als eerste op de hoogte van zijn reis naar Europa en door naar Nederland? Wie heeft de diensten aan die informatie geholpen? Wanneer vond die informatieoverdracht precies plaats? Zijn er ambtsberichten gestuurd naar ambassades over de reis van deze man? Zijn deze meteen geopend? Of zijn die weer in digitale mailboxen blijven hangen? Is er meteen actie ondernomen na het openen van deze eventuele ambtsberichten?

Vanaf wanneer is deze man in de gaten gehouden? Waarom is hij überhaupt niet meteen opgepakt en vastgezet? Welke contacten had hij hier en in andere landen? In welke netwerken is hij in Nederland en internationaal actief? Wat is er bekend over hetgeen hij op zijn kerfstof heeft aan acties binnen de Islamitische Staat? Hoe kon hij in debatcentrum De Balie aanwezig zijn, nota bene op een bijeenkomst van zijn slachtoffers? Heeft de man zelf of via zijn netwerken de beschikking over wapens en explosieven? Wat weten de diensten en de minister over zijn mogelijke terreurplannen en die van zijn netwerk? Was hij van plan in Nederland iets aan te richten? Zo ja, wat? Zijn er ondertussen arrestaties verricht binnen zijn netwerken in Nederland en daarbuiten naar aanleiding van deze zaken en zo ja, hoeveel en wanneer?

Hoe heeft hij kunnen ontsnappen uit De Balie? Was de politie eigenlijk wel op de hoogte van zijn komst naar De Balie? Waarom heeft de politie hem niet aan kunnen houden? Als de politie niet op de hoogte was, waarom in hemelsnaam niet? Welke afwegingen zijn er in het hele proces rond deze man gemaakt door de diensten en de minister? Door wie zijn die afwegingen precies gemaakt? Wie en wat hebben dan uiteindelijk de doorslag gegeven om hem vrij rond te laten lopen?

Dan een aantal algemene vragen, voorzitter. Hoeveel radicale moslims telt Nederland? Hoeveel daarvan worden door de diensten als gevaarlijk verondersteld? Hoeveel daarvan worden 24/7 in de gaten gehouden? In het Verenigd Koninkrijk zijn de antwoorden op de vorige twee vragen over aantallen bijvoorbeeld wel bekend. Waarom is dat in Nederland niet het geval? Klopt het aantal van 20 fte's dat de diensten nodig hebben om één iemand 24/7 te volgen? Hoeveel kans is er dat iemand die 24/7 wordt gevolgd alsnog onder de radar verdwijnt?

Voorzitter. Als er zo veel vragen zijn te stellen, is het land gewoon niet veilig. Het veiligheidsbeleid kun je dan als failliet bestempelen. Ter illustratie en aanhakend bij mijn collega Helder: vorige week gaf de politie in Amsterdam gewoon toe dat er bewust niet werd opgetreden tegen rellende Marokkanen. Ook dat is een deel van het failliet.

Voorzitter. Sinds en inclusief de aanslag op Charlie Hebdo heeft het Europese continent te maken gehad met bijna 120 islamitische aanslagen, met meer dan 500 doden tot gevolg. Alle ingrediënten zijn aanwezig om ook in Nederland toe te slaan. We hebben te maken met terugkeerders uit de Islamitische Staat, met hier geboren terroristen en met potentiële terroristen, waarvan velen een dubbele nationaliteit hebben. Ze hebben één overeenkomst: het besef om de doelstellingen van de islam te bereiken. De integrale aanpak jihadisme was onvoldoende, is dat nog steeds en zal dat blijven zolang dit kabinet niet strenger optreedt en daarmee de burgers niet beschermt.

Ik noem, en niet voor het eerst, een aantal oplossingen van de PVV. Ten eerste: sluit de grenzen, zeg Schengen op en laat niemand uit islamitische landen Nederland nog binnenkomen, oftewel zorg voor een immigratiestop. Laat uitreizigers Nederland niet meer in komen. Denaturaliseer hen, ongeacht eventuele statenloosheid na denaturalisatie. Terugkeerders die wel al in Nederland zijn, moet je meteen opsluiten en berechten. Nadat ze hun straf hebben uitgezeten, moet je hen denaturaliseren en uitzetten. Pak steunverleners en steunverlenende organisaties keihard aan. Bevries hun tegoeden en pak hen op verschillende manieren, volgens de rechtsstaat. Stimuleer vrijwillige remigratie naar islamitische landen. Verbreek diplomatieke banden met landen die de jihad steunen. Voor nu, als laatste maatregel: voer administratieve detentie in voor potentiële terroristen. Sluit hen preventief op. In de afgelopen week hebben we diverse voorbeelden gezien waarin dit goed van pas zou komen. De vorige minister van Veiligheid en Justitie zei dat dit niet nodig was. De Raad van State zegt dat het te ver gaat. De huidige minister zegt dat hij juridische grond wil hebben.

Voorzitter. Ik zou het bijna wel willen uitschreeuwen. Hier is de juridische grond. Het is hartstikke nodig. Het gaat niet te ver. Wie onze maatregel aangaande preventieve opsluiting niet wil invoeren, wil gewoon niet dat Nederland veilig wordt. Wie zegt dat het niet kan, bedoelt eigenlijk: ik wil het niet. Dát is wat te ver gaat in Nederland. Is de minister dus bereid om administratieve detentie en de andere volstrekt logische en hard nodige maatregelen die ik genoemd heb, in te voeren? Zo nee, waarom niet? Ik verwacht een uitvoerig afzonderlijk antwoord van de minister op elke door ons voorgestelde maatregel.

Tot slot, voorzitter. Het is aan dit kabinet om van Nederland een veilig land te maken. Nederland is nu alleen maar een veilig land voor islamterroristen en niet voor de burger. Draai dat om, draai dat in hemelsnaam om! Minister, het is aan u.

Dank u wel.

De heer Verhoeven (D66):
Ik denk dat we allemaal in deze Kamer de dreiging van terrorisme heel serieus nemen en dat we allemaal willen dat Nederland gevrijwaard blijft van dit soort gevaren. De heer De Graaf stelde een aantal vragen, een heleboel vragen zelfs. Na het stellen van die vragen zei hij op een gegeven moment: als je zo veel vragen kunt stellen, dan is Nederland geen veilig land. Hoe kun je nou dit soort vragen stellen waarvan je zegt dat je er een antwoord op wil van de minister, en vervolgens na het stellen van die vragen, de conclusie trekken dat Nederland geen veilig land is? Wat doe je dan met de antwoorden die je morgen op je vragen krijgt?

De heer De Graaf (PVV):
Het feit dat er vragen leven, betekent dat die vragen allang beantwoord hadden moeten zijn, door het vorige kabinet maar ook door het huidige kabinet en het nieuwe regeerakkoord. En dat wordt gewoon niet gedaan. Als er zo veel vragen leven, moet je je uiteindelijk afvragen hoe veilig Nederland dan nog is. Heel veel mensen in Nederland voelen zich, juist omdat al deze vragen bestaan, niet veilig in Nederland. Ja, islamterroristen wel, die kunnen hier vrij rondlopen, maar de gewone burger niet.

De heer Verhoeven (D66):
Dat algemene praatje van de VVD dat Nederland niet veilig zou zijn, dat ken ik.

De voorzitter:
PVV.

De heer Verhoeven (D66):
Wat zei ik dan?

De voorzitter:
U zei: VVD.

De heer Verhoeven (D66):
O, PVV. Mijnheer De Graaf, u stelt over een situatie die onlangs heft plaatsgevonden een aantal zeer gedetaillleerde vragen. Dat is uw goed recht en u zult daar morgen, als het goed is, van het kabinet waar mogelijk een antwoord op krijgen. Maar wat ik ergerlijk vind, is dat u die vragen gebruikt om een bepaald beeld neer te zetten en vervolgens op basis van het feit dat u die vragen kunt stellen, al concludeert dat Nederland onveilig is. Wat doet u dan morgen met die antwoorden? Want u heeft uw conclusie allang getrokken.

De heer De Graaf (PVV):
De heer Verhoeven gaat in zijn vraagstelling aan mij voorbij aan het feit dat al plaatsgevonden heeft. Dat feit laat al zien dat Nederland niet veilig is. Vandaar ook de maatregelen die ik heb aangekondigd. Dus de heer Verhoeven kan wel vragen stellen over het feit dat ik daarop reageer met een aantal vragen, maar de combinatie van het feit dat al bestaat en de vragen die ik erbij heb en die bij heel veel mensen onder de Nederlandse bevolking leven, geeft al aan dat de veiligheid aan een zijden draadje hangt.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Markuszower, ook namens de PVV.

De heer Azarkan (DENK):
Voorzitter, ik heb nog een vraag aan de heer De Graaf.

De voorzitter:
U bent wel een beetje laat, mijnheer Azarkan.

De heer Azarkan (DENK):
Maar ik moest van ver komen.

De voorzitter:
Nee, dat is zo gebeurd. U heeft gezien hoe meneer Van Rooijen dat deed de vorige week. Die rende gewoon naar de interruptiemicrofoon.

De heer Azarkan (DENK):
Ja, maar die traint al 40 jaar. In 1973 was hij al staatssecretaris. Ik moet nog even.

De voorzitter:
Ja, u bent nog heel jong.

De heer Azarkan (DENK):
Meneer De Graaf gaat in zijn betoog in op de terechte zorgen die mensen hebben. Het zou niet mijn manier van het brengen van het verhaal zijn, maar laten we zeggen dat het terechte zorgen zijn. Zoals de vorige spreker zei, hebben we te maken met gevaren waarvan we de samenleving moeten vrijwaren. Zijn er nou nog andere vormen van gevaar? Ik noem even rechtsextremisme, Pegida die aankondigt dat ze hardere acties gaat doen, moskeeën die aangevallen worden en een terroristische aanslag die we hier hebben gehad op een moskee. We hebben hier geen terroristische aanslag gehad van moslims. Hoe kijkt u tegen al die vormen aan? U gaat er zo eenzijdig op in.

De heer De Graaf (PVV):
Allereerst ben ik blij te constateren dat de heer Azarkan zegt dat het niet zijn manier van brengen is, want dat geeft een groot verschil aan. Ik ben namelijk trots op mijn eigen manier. Daarnaast: er zijn vele vormen van gevaar in Nederland. De diensten brengen er regelmatig rapport over uit. Vorige week maandag kwam het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland 46 uit. Daarin worden die vormen ook beschreven. Ja, er zijn heel veel vormen van gevaar in Nederland. Alleen, ik constateer wel dat de grootste vorm van gevaar uit islamitische hoek komt. En ja, er is een keer een aanslag gepleegd op een moskee; er is een brandbom in de voortuin neergekomen en daar zijn mensen voor berecht en op de terroristenafdeling terechtgekomen. Daar is hard tegen opgetreden. Ik weet ook dat zo ongeveer alle Joodse instellingen in Nederland beveiligd moeten worden, juist vanwege de dreiging van islamitisch terrorisme. Alle vormen van gevaar moet je aanpakken. Alleen, ik constateer wel dat de grootste dreiging vanuit de islamitische hoek komt.

De heer Azarkan (DENK):
Wat de heer De Graaf doet, is selectief winkelen en mensen tegen elkaar opzetten. Wat dat betreft is het verstandig dat dit kabinet de straf voor haatzaaien gaat verdubbelen. Ik denk dat we dat echt nodig zullen hebben, ook voor de PVV.

De heer De Graaf (PVV):
Ik heb geen vraag gehoord, voorzitter.

De voorzitter:
Nee, dat klopt. Dank u wel. Het woord is aan de heer Markuszower namens de PVV.

De heer Markuszower (PVV):
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. We hebben weinig tijd en er is veel werk te verzetten. De afgelopen twintig jaar was vrijwel altijd ofwel een VVD'er ofwel een CDA'er de baas op dit ministerie. Dat heeft geleid tot een decadente strafrechtketen, een strafrechtketen waar de gewone Nederlander nog amper vertrouwen in heeft en waarin Vrouwe Justitia allang niet meer blind is. Het is een ministerie dat de Nederlander niet meer, maar minder veiligheid heeft gebracht en waar onrechtvaardigheid de gemene deler is.

Want, voorzitter, kunt u het uitleggen aan mij en aan Nederland dat een inbreker die een bejaarde vrouw gruwelijk mishandelt en daarna verkracht, een gevangenisstraf van slechts vier jaar krijgt opgelegd? Dat de vermoedelijke moordenaar van Anne Faber, de weerzinwekkende Michael P., Panhuis, die amper zeven jaar geleden twee jonge meisjes op verschrikkelijke wijze heeft verkracht, nu, enkele jaartjes later, alweer vrij buiten kon rondlopen en dus weer kon toeslaan? Dat de Pool, die in het centrum van Utrecht op brute wijze Corrie van den Brink doodstak, slechts drie jaar de cel in hoeft? Snikkend liepen vorige week verschillende familieleden de rechtbank uit na de uitspraak van de rechter. De familie was geschokt vanwege het grote verschil tussen de eis van negen jaar en het vonnis van maar drie jaar.

De heer Van Oosten (VVD):
Mag ik uit de opmerking van de heer Markuszower over de gruwelijke zaak van Anne Faber afleiden dat de PVV wil meedenken met onder meer de PvdA en de VVD en volgens mij ook andere fracties over de mogelijkheid om mensen onder dwang te verplegen, potentieel hun leven lang, via het tbs-stelsel?

De heer Markuszower (PVV):
De PVV denkt altijd mee. Ik heb uw voorstel al via de media vernomen. Zoals u weet, is de PVV eigenlijk geen voorstander van tbs, omdat de PVV van mening is dat verschrikkelijke, enge verkrachters of plegers van geweld levenslang de gevangenis in moeten; daar kom ik in mijn spreektekst later vandaag op terug. Wij denken dat tbs de maatschappij niet voldoende beschermt. Tbs is uiteindelijk een systeem van heel veel verloven en wij geloven niet dat dat de oplossing is. Maar, zoals zo vaak met de VVD, is iets beter dan niets. Het is een deuk in een pakje boter, maar het is wel een deuk. Ik ga er dus zeker over meedenken. Uiteindelijk hoop ik dat u, de VVD, meedenkt om enge verkrachters en plegers van ernstig geweld levenslang in de gevangenis te kunnen opsluiten. Daartoe zal ik in tweede termijn een initiatiefwetsvoorstel indienen. Dan doen we echt zaken, want ...

De voorzitter:
Helder. De heer Van Oosten.

De heer Markuszower (PVV):
… dan kunnen we de heel enge, gevaarlijke mensen binnen de cel houden. En die tbs? Ach, dat is een deuk in een pakje boter.

De heer Van Oosten (VVD):
Ik ben erg gelukkig met het feit dat de heer Markuszower met mij deelt dat we de samenleving op de beste manier die we voor ogen hebben, moeten beschermen tegen mensen die heel gruwelijk leed willen veroorzaken. Die gezamenlijke strijd wil ik wel met u aangaan, maar wellicht hebben wij daar een andere invulling van. Via het stelsel dat we nu kennen, het tbs-stelsel, is het mogelijk om mensen die niet te vertrouwen zijn, vast te houden, niet als straf, maar als maatregel. Ik zie graag dat we daar samen verder in komen.

De voorzitter:
Dat was een opmerking. Gaat u verder, meneer Markuszower.

De heer Markuszower (PVV):
Voorzitter. Ik was bezig met de vraag of u mij een aantal dingen kunt uitleggen. Kunt u mij uitleggen dat de daders die twee jonge broers mishandelden slechts zijn veroordeeld tot wat uren taakstraf? De broers liepen op Koningsdag 2016 in Arnhem en werden door een grote groep mannen zonder reden finaal in elkaar geschopt en geslagen. Kunt u mij uitleggen dat een veroordeelde terrorist na slechts drie jaar cel alweer op de maatschappij wordt losgelaten? Die terrorist had een kalasjnikov in zijn kelder liggen, samen met 288 cobra's om explosieven mee te maken. Hij wilde een mega-aanslag plegen in Nederland, maar over drie jaartjes loopt hij alweer vrij rond in Nederland. Kunt u mij uitleggen dat een 61-jarige man slechts acht jaar de cel in hoeft voor het seksueel misbruiken van een 11-jarig meisje, dat nota bene zwanger van hem raakte? Kunt u mij uitleggen dat een horrorstiefvader maar twee jaartjes in de cel hoeft te zitten voor het verkrachten en mishandelen van zijn jonge stiefdochters?

Ik kan zo uren doorgaan, maar ik heb maar een paar minuten. Dit zijn slechts enkele voorbeelden van de afgelopen weken. Het zijn ook voorbeelden van een land waarin de strafrechtketen van het OM tot en met de rechters wordt gedomineerd door decadente D66- en aanverwante sufkezen. Hoe vaak leggen rechters straffen op die lager zijn dan had gekund op basis van het Wetboek van Strafrecht?

De heer Groothuizen (D66):
Kan de heer Markuszower mij aangeven in welke beroepsgroep in Nederland burgers het meeste vertrouwen hebben?

De heer Markuszower (PVV):
Als u doelt op een onderzoekje waaruit blijkt dat men ietsje meer vertrouwen heeft in rechters dan in politici van D66, dan geef ik dat toe. Naar dat onderzoek is ook onderzoek gedaan en daaruit blijkt ook dat er alleen een bepaalde groep mensen voor dat onderzoek is gevraagd. Het is niet een goed, representatief onderzoek geweest. Als de mensen goed naar mijn inbreng van net hebben geluisterd en mijn voorbeelden hebben gehoord van al die verschrikkelijke dwalingen van die D66-sufkezen, rechters en officieren van justitie — die te lage eisen, die te lage straffen — dan hebben ze helemaal geen vertrouwen in de rechtspraak.

De heer Groothuizen (D66):
Het was een eenvoudige vraag, maar een heel lang antwoord.

De heer Markuszower (PVV):
Viel wel mee.

De heer Groothuizen (D66):
Blijkbaar is het complex. Het onderzoek is van ons Centraal Bureau voor de Statistiek. Uit dat onderzoek blijkt dat rechters fier bovenaan staan en dat het merendeel van onze bevolking heel veel vertrouwen heeft in rechters. Ik zou de heer Markuszower nog iets anders willen vragen. De heer Fritsma hield net een heel pleidooi over de rechtspraak, waarbij hij iedere keer zei: luister, als de rechtspraak een uitspraak heeft gedaan, moeten mensen zich daaraan houden. U zegt: als de rechters een uitspraak doen, hebben wij daar helemaal geen vertrouwen in. Misschien kunt u mij aangeven wat nou precies het standpunt van de PVV is over de rechtspraak.

De heer Markuszower (PVV):
Ik zie helemaal geen tegenstrijdigheid in uw citaat. Als een rechter in Nederland een uitspraak doet, moet iedereen zich daaraan houden. Dat wil nog niet zeggen dat dat een goede uitspraak is; dat is niet altijd zo.

De voorzitter:
Ik zie dat de heer Groothuizen nog wil reageren. Dat mag hij straks doen, want wij hebben afgesproken om interrupties in een vraag en een vervolgvraag te doen. U krijgt straks de gelegenheid om daar alsnog iets op te zeggen. Gaat u verder.

De heer Markuszower (PVV):
Er is dus iets grondig mis in Nederland. Misdaad loont in Nederland. Criminelen worden niet genoeg bestraft. De slachtoffers staan in de kou en de maatschappij wordt niet adequaat beschermd.

Gezien de groeiende violentie in de maatschappij en de verdere verruwing van de samenleving, wil de PVV garanties. De PVV wil garanties dat er veel meer werk zal worden gemaakt van de opsporing van misdrijven, dat het Openbaar Ministerie niet te lage straffen eist en dat rechters niet meer zo laag straffen. Daarom willen wij zo spoedig mogelijk het Wetboek van Strafrecht zodanig wijzigen dat rechters niet meer te lage straffen kúnnen opleggen. Dat wil de PVV als sinds 2006, maar nieuw is het voorstel van mijn partij de PVV voor met name de gewelds- en zedendelicten. Wij willen de minimumstrafmaat voor deze delicten verdubbelen en wij willen een nieuw maximum. Ben je een enge, vieze verkrachter, dan moet je voortaan niet een paar maanden in de cel, zoals nu gebeurt, maar minimaal twintig jaar de bak in. En nog veel belangrijker: de rechter moet je levenslang kunnen opsluiten. Dat kan nu nog niet en dat moet dus veranderen. Het recht is niet van de rechters of van de officieren van justitie, het recht is van het volk, En met de initiatiefwet die ik de Kamer in tweede termijn zal aanbieden, pakken wij — het volk — het recht terug. Ik hoop dat deze wet met urgentie behandeld kan worden in deze Kamer, opdat wij onze samenleving zo snel mogelijk weer veilig kunnen maken.

Voorzitter. In het verlengde hiervan: het volk is het recht kwijtgeraakt en moet dat recht dus terugkrijgen. Daarom stellen wij een andere structurele wijziging van met name de inrichting van de strafrechtketen voor. Het college van procureurs-generaal, advocaten-generaal, hoofdofficieren van justitie en rechters die zich bezighouden met het strafrecht, moeten voortaan direct door de Nederlandse bevolking gekozen worden. Het is mijn overtuiging dat indien de genoemde functionarissen vierjaarlijks het mandaat van de kiezer moeten winnen, de opsporingspercentages omhoog zullen schieten, meer misdadigers door het OM vervolgd zullen worden, officieren van justitie hogere straffen zullen eisen en beter hun best zullen doen om de rechters ervan te overtuigen dat misdadigers lang in de cel thuishoren.

De heer Van Nispen (SP):
Ik heb een vraag over het voorstel van de PVV om rechters te kiezen. Ik vind dat een heel slecht voorstel. Volgens mij is dat de bijl aan de wortel van de rechtsstaat en volledig in strijd met de scheiding van machten en de onafhankelijkheid van de rechtspraak. Maar hoe ziet uw voorstel eruit? Als de — volgens uw wens — gekozen rechters niet zouden doen wat het volk wil, dan moet het volk, of u, ze ook kunnen ontslaan. Kunt u me iets meer vertellen over hoe dat dan in zijn werk gaat? Hoe moet de rechter nou precies, in welke zaak dan ook, de wens volgen van degenen die hem of haar gekozen heeft?

De heer Markuszower (PVV):
Ik heb volgens mij niet gesproken over "ontslaan", ik heb gezegd dat ze vierjaarlijks gekozen moeten worden. En ze kunnen dus elke vier jaar, net als een gemiddelde SP-politicus, het mandaat van de kiezer winnen. Ook een politicus hier in de Kamer kan niet ontslagen worden gedurende de vier jaar, maar na die vier jaar kan hij wel weer vechten voor zijn nieuwe mandaat. Bij de SP heeft dat geleid tot minder zetels.

De heer Van Nispen (SP):
Ik snap vervolgens niet als je voorstelt om rechters te kiezen, hoe je dat dan combineert met het voorstel een paar zinnen daarvoor om minimumstraffen in te voeren, waarbij een rechter gedwongen is om bepaalde straffen op te leggen. Dan is er toch geen enkele keuzevrijheid? Dan is er toch ook geen enkele noodzaak om rechters te kiezen? Dus die voorstellen combineren toch helemaal niet met elkaar? Wat is het nu? Gaan we nu volgens u rechters kiezen omdat we graag willen dat rechters strenger gaan straffen? Of gaan we nu minimumstraffen invoeren?

De heer Markuszower (PVV):
Niet alleen rechters kiezen maar ook hoofdofficieren van justitie, ook het College van procureurs-generaal, ook de advocaten-generaal, dus niet alleen de rechters. Maar inderdaad, u heeft gelijk, niet per se dat er een tegenstrijdigheid in zit maar wel dat de PVV garanties wil. Ook dat heb ik zo uitgesproken. Rechters kiezen een keer in de vier jaar lijkt mij niet genoeg. Wij zijn hier de wetgever. We moeten onszelf als wetgever ook niet helemaal uitschakelen. Daarom de minimumstraffen, overigens voor een aantal categorieën, namelijk de zedendelicten en de geweldsmisdrijven. Dan blijft er nog een hele hoop misdaad over waar de rechters in uw woorden wel wat meer vrijheid zouden hebben. Overigens, over die scheiding van de machten, ik denk dat u dat leerstuk anders had moeten opvatten toen u dat leerde, het is namelijk de balans tussen de machten en die balans is zoek, niet per se de scheiding van de machten.

De heer Van Dam (CDA):
Ik wilde toch nog even iets vragen aan de vertegenwoordiger van de PVV. U noemt allemaal vreselijke zaken waar ik hier als grote stevige kerel zittend op het eerste bankje ook heel bang van word en waarbij ik denk: oe, is dat allemaal zo? Er is toch ook onderzoek gedaan dat Nederland inmiddels tot een van de landen behoort waar het strafklimaat tot de strengste van Europa behoort? Ik heb dat net nog even zitten zoeken. Het staat zelfs in de krant van wakker Nederland, hoor ik, dat soort berichten van een paar jaar geleden. Hebt u dat ook betrokken in uw overwegingen en wat vindt u daarvan?

De heer Markuszower (PVV):
Balkenende had, in 2002 uit mijn hoofd, volgens mij was u toen al lid van het CDA, een heel andere mening. Hij vond dat er minimumstraffen moesten komen en hij vond het strafklimaat in Nederland ten opzichte van de buurlanden helemaal niet zo groot. Een minimumstraf in Engeland ligt bijvoorbeeld heel dicht bij de maximumstraf in Nederland, dus zo flink zijn we hier niet. Daarbij komt, dat als al die andere landen om ons heen nou ook van het padje zijn, dat niet wil zeggen dat wij ook gek moeten doen. In Nederland moeten wij hoger straffen omdat dat in Nederland nodig is. Aan wat ze in andere landen doen, heb ik eigenlijk helemaal geen boodschap.

De heer Van Dam (CDA):
Mijn vraag was niet wat Balkenende ervan vond maar wat deze vertegenwoordiger ervan vindt.

De heer Markuszower (PVV):
Daar heb ik antwoord op gegeven.

De heer Van Dam (CDA):
En of hij kennis heeft genomen van dat onderzoek voordat hij deze woorden hier in de Kamer sprak.

De heer Markuszower (PVV):
Ik wil daar toch nog iets over zeggen. Iedereen wappert hier altijd maar met onderzoeken, maar ik denk dat we dat onderzoek ook weer eens moeten analyseren. Het kan best zijn dat de opgelegde straf in Nederland helemaal niet zo laag is. Ik vind van wel, maar in uw ogen zou het kunnen zijn dat die, helemaal in vergelijking met andere Europese landen, niet zo laag is. Ik vind, nogmaals, van wel, onze fractie vindt van wel, maar als je kijkt naar de nettotijd dat een veroordeelde in de gevangenis zit. Allereerst zitten 12.000 criminelen in Nederland die zijn veroordeeld niet in de gevangenis. Die zitten wel in uw cijfer, dus in dat cijfer zitten heel veel veroordeelden die een relatief lange straf krijgen. Maar die worden niet door uw regering opgepakt, die worden niet door uw regering opgespoord en die lopen vrij rond. Dus die krijgen een aantal maanden, een aantal jaar. Hoeveel tijd zitten ze dus netto in de gevangenis? Nul, nul maanden. Dus dat cijfer moeten we er al vanaf halen.

Een ander cijfer is die voorwaardelijke invrijheidsstelling. Daar wilt u als CDA een beetje aan doen. Alweer, het is niet eens een deuk in een pakje boter, het is misschien nog niet eens een halve deuk in een pakje boter. Maar goed, u gaat er wat aan doen. Als je die voorwaardelijke invrijheidsstelling weer eraf haalt, als je die korting eraf haalt, zitten we echt helemaal niet zo hoog in Nederland. Ik herhaal nogmaals, dat ze in andere landen te laag straffen wil niet zeggen dat we hier in Nederland ook te laag moeten straffen.

Dank u wel.

De voorzitter:
Mijnheer Markuszower, de interrupties moeten kort zijn en de antwoorden ook.

De heer Markuszower (PVV):
Ik ben aan het oefenen.

De voorzitter:
Nou… Dat is een. Twee, als u rechtstreeks Kamerleden nog een keer gaat uitdagen, terwijl ik met ze heb afgesproken: één vraag en een vervolgvraag, dan word ik ook gedwongen om het betreffende Kamerlid het woord te geven. We hebben 22 sprekers, 3 bewindspersonen en ruime spreektijden. Ik zou zeggen: probeer daar rekening mee te houden bij de antwoorden.

De heer Markuszower (PVV):
Dank voor de opbouwende kritiek. Ik zal me eraan houden.

De voorzitter:
Ik houd u daaraan.

De heer Azarkan.

De heer Azarkan (DENK):
Dank, voorzitter, en compliment voor de wijze waarop u de vergadering voorzit.

Even terug naar de minimumstraffen. Ik ben toch een beetje van het type dat zegt: verbeter de wereld en begin bij jezelf. Als ik het lijstje bekijk van een aantal PVV'ers, dan lees ik: Marcel Hernandez, geweldpleging en mishandeling; Hero Brinkman, bedreiging met bijl; Hero Brinkman, dronken autorijden, mishandeling barman in dronken staat; Eric Lucassen, aanranding, ontucht met zeventienjarigen, dreigen met zoutzuur over een echtpaar te gooien,…

De voorzitter:
Mijnheer Azarkan.

De heer Azarkan (DENK):
… fraude met 40 mille overheidsgeld; Markuszower, spionage. Markuszower opgepakt voor wapenbezit.

De voorzitter:
Wat is uw vraag?

De heer Azarkan (DENK):
Mijn vraag is dat het zo erg eenzaam wordt op een reünie van de PVV.

De voorzitter:
En wat is de vraag? Een reactie hierop? De heer Markuszower.

De heer Markuszower (PVV):
Ikzelf ben nooit veroordeeld voor enig strafbaar feit.

De heer Azarkan (DENK):
En dan gelooft u wel in die…

De heer Markuszower (PVV):
Ook wat betreft de andere namen die u noemde: niet alles wat u zegt, is waar, maar gelukkig voor u is er onschendbaarheid in de Kamer, dus we kunnen u niet vervolgen voor laster en smaad. Nogmaals: niet alles wat u net zei, is waar. Wat wel waar is, dat de wet voor iedereen gelijk is. Als we in een Nederland wonen waar minimumstraffen zijn, dan gelden die voor iedereen. Dan moet iedereen die zich niet aan de wetten houdt, hard en streng worden veroordeeld. Laat dat een waarschuwing zijn voor iedereen, want iedereen moet zich netjes gedragen en aan de wet houden. Wat natuurlijk echt niet netjes is, mijnheer Azarkan, is dat u leugens in deze Kamer verkondigt.

De voorzitter:
Mevrouw Van Toorenburg.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Voorzitter. Ik hecht er toch wel aan op te merken dat ik deze manier van interruptieplegen ongepast vind. Het gaat over mensen die zich hier niet kunnen verdedigen. De strakke lijn die u altijd volgt, voorzitter, zou ik hier in herinnering willen roepen. Zo gaan wij hier niet met elkaar om.

De voorzitter:
Deze opmerking is gericht aan de heer Azarkan?

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Aan degene die al die namen noemt, dus aan de heer Azarkan, niet aan de heer Markuszower.

De voorzitter:
Gaat u verder, mijnheer Markuszower.

De heer Markuszower (PVV):
Dank u wel, mevrouw Van Toorenburg, voor uw woorden.

Waar was ik gebleven? Bij de afronding, mevrouw de voorzitter.

Als we al deze ideeën zullen implementeren, zullen we hopelijk zien dat rechters straffen zullen opleggen die meer in lijn zijn met de noden van de maatschappij. In de tweede termijn zal ik hiertoe een motie indienen. Rechtspraak zal weer rechtvaardig worden in Nederland. Dank u wel, mevrouw de voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel.

Het woord is aan de heer Van Oosten namens de VVD.

De heer Van Oosten (VVD):
Voorzitter. Veiligheid is een voorwaarde om in vrijheid te kunnen leven. Ik zeg er meteen bij: 100% veiligheid bestaat niet. Maar we kunnen en moeten er wel alles aan doen om ons land zo veilig mogelijk te laten zijn. Dat doen wij niet vanuit deze zaal. Nee, dat doet de politie voor ons, dat doet het Openbaar Ministerie, dat doen onze veiligheidsdiensten elke dag opnieuw. Elke dag opnieuw worden zij geconfronteerd met nieuwe dreigingen, de bedreigingen van beroepscriminelen, in de digitale wereld, en de gevaren van bijvoorbeeld terroristische groeperingen. Het zijn dan ook onze overheidsdiensten die voor de lastige opgave staan om die relatief nieuwe vormen van criminaliteit, denk aan cyber, terrorisme, ondermijnende infiltraties, en wraakporno, aan te pakken zonder daarbij de ouderwetse, klassieke criminaliteit en misdaad uit het oog te verliezen. Dat vergt om te beginnen intensieve samenwerking tussen al die verschillende diensten en overigens ook tussen private partijen waar die over de noodzakelijke kennis beschikken. Het vraagt ook om internationale samenwerking, bijvoorbeeld op het gebied van contraterrorisme. Het ministerie van Justitie en Veiligheid, zoals wij het nu noemen, moet hier vol mee aan de bak ter bescherming en versterking van onze rechtsstaat.

Ik loop een vijftal thema's langs: politie, ondermijning, cyber, terrorisme en sanctiebeleid. Voor al het overige verwijs ik collega's die me eventueel vragen willen stellen naar de heer Azmani die na mij zal spreken namens de VVD.

De politie. Het kabinet investeert fors in de politie. Dat is logisch, want wij willen dat de politie erkenbaar en aanspreekbaar is. Veiligheid begint uiteindelijk in je eigen straat, in je eigen wijk. Maar van de politie wordt vandaag veel meer gevraagd. De digitale snelweg, ik gaf het al aan, georganiseerde criminaliteit die veel verdergaat dan alleen de winkel op de hoek. De agent van vandaag moet beschikken over allerlei specialistische expertise om specialistische vormen van misdaad ook aan te kunnen pakken, want zonder kennis, zonder capaciteit verliest Nederland de strijd tegen die georganiseerde criminaliteit. Daarom wil de VVD een politieapparaat dat is toegerust op de vraagstukken van vandaag.

De minister van Justitie, zeg ik dan maar even, is voortvarend aan de slag gegaan en heeft meteen 100 miljoen euro uitgegeven. In het regeerakkoord — daar wijs ik dan toch nog op langs deze weg — staat ook uitdrukkelijk dat er extra middelen zijn voor de capaciteit en de uitbreiding van de capaciteit, maar wel onder de voorwaarde dat, zo staat er, de flexibiliseringsagenda wordt doorgezet en knellende kaders worden weggenomen. De VVD hoort graag van de minister hoe hij gaat borgen dat deze koppeling doorgevoerd wordt.

Als we het hebben over de hoeveelheid agenten die in staat en bij machte zijn, die we beschikbaar hebben om ze op straat te laten werken, dan is één ding van ontzettend groot belang: het terugdringen van het ziekteverzuim. Toen ik mijn collega Rutte een beetje mocht meenemen in het dossier politie, omdat hij onze nieuwe woordvoerder op dat vlak is, viel hij werkelijk steil achterover toen ik hem vertelde dat het ziekteverzuim 7% is. Terecht dat hij direct de vraag stelde: waarom accepteren we dat binnen de politie het ziekteverzuim 2% hoger ligt dan bij de rest van de overheid en zelfs 3% hoger dan gemiddeld in Nederland? Als ik het doorreken, betekent dat dat de politie structureel 1.000 tot 1.500 mensen meer kan inzetten als je het ziekteverzuim op het gemiddelde niveau kan brengen. Stelt u zich eens voor wat dat betekent voor de veiligheid van ons land! De VVD roept de minister dan ook met klem op, met spoed werk te maken van het terugdringen van dit ziekteverzuim, in ieder geval tot maximaal het gemiddelde van de overheid. Hoe gaat hij ervoor zorgen dat het ziekteverzuim zichtbaar daalt en binnen twee jaar niet meer hoger is dan het gemiddelde bij de overheid?

De heer Van Nispen (SP):
De heer Van Oosten kan deze vraag aan de minister stellen, maar ik kan de bal ook terugkaatsen: hoe gaat de heer Van Oosten daar zelf voor zorgen? Want is het niet de VVD geweest die al sinds 2010 de leiding heeft op dit ministerie? Die heeft bezuinigd op de politie, bezuinigd op opleidingen en op politieonderwijs, bezuinigd op voertuigen, bezuinigd op bureaus, bezuinigd op de agenten op straat, bezuinigd op de ICT, want dat is nog steeds een drama. Een groot scala aan problemen. De agenten moeten langer doorwerken. Ze moeten op leeftijden van ruim boven de 60 jaar nog achter criminelen jeugdbendes aanrennen. Dat is allemaal VVD-beleid. En dan maakt hij er hier nu een punt van dat er zo veel agenten ziek thuiszitten! Ik vraag hem oprecht hoe hij hier met droge ogen deze vraag kan stellen. Waar haalt hij het lef vandaan, als ik dat zo mag zeggen.

De heer Van Oosten (VVD):
Omdat ik oprechte zorg heb voor de 50.000 agenten die werken in het politieapparaat en die te kampen hebben met een ziektepercentage van 7%. Dat betekent namelijk niet alleen dat er minder agenten op straat zijn, het betekent ook dat de agenten die niet ziek zijn, nog harder moeten werken. Daar heb ik zorgen over en daar spreek ik de minister op aan.

De heer Van Nispen (SP):
Dat is toch veel te makkelijk? Je kunt ook een keer in de spiegel kijken en bedenken wat het beleid van dit departement, onder leiding van de VVD, heeft veroorzaakt op de werkvloer. Ga praten met de agenten! De SP heeft onderzoek gedaan; de resultaten zijn schokkend. Ga praten met die agenten en je hoort precies waarom het ziekteverzuim zo hoog is. Dus in plaats van de minister op te zadelen met de vraag ... Want die zorg, natuurlijk hebben we die allemaal. Natuurlijk is dat ziekteverzuim te hoog, natuurlijk zijn we bezorgd over die agenten, maar u kunt zelf met plannen komen. Het is wel heel makkelijk om de minister om een plan te vragen. Kom zelf met een plan. Stop die bezuinigingen, ga nu echt fors investeren. Het beetje geld dat nu wordt vrijgemaakt, is echt te weinig. Dat zult u van alle agenten terug horen.

De voorzitter:
Dank u wel.

De heer Van Nispen (SP):
Praat met de bonden! Vandaag op de voorpagina van de Volkskrant: duizenden agenten tekort de komende tijd. Op het politieonderwijs is veel te hard bezuinigd.

De voorzitter:
Helder.

De heer Van Nispen (SP):
Kijk eens een keer in de spiegel, zeg ik tegen de VVD.

De heer Van Oosten (VVD):
Met respect, ik snap niet zo goed waar de heer Van Nispen zich nu zo druk over maakt. Ik wijs op een hoog ziektepercentage en daar maak ik mij zorgen over, om te beginnen omwille van de agenten zelf. En is het dan zo raar dat ik vanuit de verantwoordelijkheid die ik heb, de minister van Justitie en Veiligheid daar stevig op aanspreek? Ik vind dat dat percentage echt omlaag moet. Daar heeft Nederland wat aan en daar heeft het korps van onze agenten iets aan.

Mevrouw Helder (PVV):
Ik begrijp heel goed waar collega Van Nispen zich zo druk over maakt. Dat is eigenlijk ook de reden dat ik hier sta. Ziekteverzuim en percentage zijn nummers. Je moet wel kijken naar de context. De context is gewoon dat dat korps jarenlang is afgeknepen terwijl de VVD aan het roer stond. We kunnen vandaag inderdaad lezen in de Volkskrant dat heel veel agenten uitstromen vanwege de leeftijd: 14.000 in zeven jaar. We zagen het allemaal aankomen. Dat gat moet gevuld worden, aan de voorkant. Op de werkvloer zijn er dankzij het beleid van de VVD te weinig. Hoe gaat de heer Van Oosten ervoor zorgen dat er aan de voorkant — dat kan niet allemaal, dat weten we nu ook — ook wat wordt opgelost zodat de werkdruk, en daarmee het ziekteverzuim, naar beneden gaat?

De heer Van Oosten (VVD):
Om te beginnen wordt er, overigens ook in navolging van de vorige periode, geïnvesteerd in de politie. In het regeerakkoord staan ook nu weer forse investeringen ten behoeve van de politie en ten behoeve van de kwaliteit en de capaciteit van de politie. Dat is de eerste stap. Maar daarnaast: is het nou zo raar dat we, als we een nationale politie vormen waarbij we allemaal het uiteindelijke doel hebben dat de politie het nog beter gaat doen dan ze het al doet, in de vorming ook meenemen dat de organisatie zo op peil wordt gebracht dat het ziekteverzuim omlaaggaat? Er is toch helemaal niets raars aan om daarop aan te dringen en om er bij de minister op aan te dringen dat hij met de leidinggevende van de politie gaat overleggen over hoe men dat gaat organiseren? Wij kunnen toch maar niet blijven afwachten en zeggen "die 7%, dat is allemaal heel erg" en volgend jaar hetzelfde constateren? Nee, ik wil dat veranderd hebben.

Mevrouw Helder (PVV):
Dat is typisch een gevalletje van dweilen met de kraan open. Hoe gaan we dit organiseren? Je moet ervoor zorgen dat de politie ook de middelen heeft om het ziekteverzuim terug te dringen. Daar wordt iedere keer aan voorbijgegaan. Iedere keer wordt gezegd: er komt extra geld bij. Het feit is gewoon dat het geld dat erbij is gekomen — dat is waar — bij lange na niet in de buurt komt van die 500 miljoen die Rutte II de politie heeft opgelegd terwijl de winkel open moest blijven. Lees: werkdruk, gevolg: ziekteverzuim. Aan de voorkant heeft de VVD niets gedaan. Je kunt dan nu niet staan pleiten voor het beperken van het ziekteverzuim. Ik vind dat niet netjes voor alle agenten op straat. Dat is geen vraag voorzitter, maar een conclusie.

De heer Van Oosten (VVD):
Maar daar wil ik wel op reageren. U legt mij woorden in de mond alsof ik geen oog zou hebben voor de agenten die ziek zijn en geen oog zou hebben voor het feit dat die agenten elke dag weer keihard werken. Ik zou mevrouw Helder eraan willen herinneren dat ik daarmee begon. Daar begon ik mee. Maar juist omdat ik dat vind, maak ik er geen geheim van dat ik als lid van dit parlement, nota bene lid van de coalitie, de minister van Justitie en Veiligheid stevig aanspreek op het omlaag brengen van het ziektepercentage, juist omwille van de agentenzorg. Hoe gaat hij dat doen? Ik ga niet op de bedrijfsvoeringstoel van de minister zitten. Daarvoor hebben we een minister ingehuurd. Zo werkt dat in onze democratie ook.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Ik wil best toegeven dat ik denk dat de heer Van Oosten zich heel oprecht zorgen maakt over de werkdruk en vindt dat politieagenten goed werk doen en hard werken. Maar ik zie wel een grote vergelijking met vorige week toen we het gevangeniswezen bespraken, dat ook te maken heeft met een enorm hoge werkdruk van het personeel en met uitstroom. Mijn vraag aan de heer Van Oosten is: u kijkt voor de oplossing naar de minister, maar wat is uw analyse? Waardoor, denkt u, na al die jaren ervaring hier, zijn de werkdruk en het ziekteverzuim zo hoog bij de politie?

De heer Van Oosten (VVD):
De analyse is dat we de politie elke dag weer vragen om heel hard te werken. We nemen de politie mee in de hervorming naar en creatie van een nationale politie. De VVD gelooft daarin en dat verdedig ik. Dat betekent ook dat je druk zet op de organisatie, dat er een reorganisatie loopt. Dat betekent niet dat we dan maar moeten accepteren dat het ziekteverzuim 7% is. Waarom? Waarom? Ik accepteer dat niet. Ik vind echt dat het tijd wordt dat de minister actief aan de slag gaat om dat ziekteverzuim terug te brengen, juist omwille van de agenten zelf.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Ik accepteer inderdaad dat grote ziekteverzuim ook niet, maar ik denk dat u wat al te makkelijk voorbijgaat aan het feit dat er niet alleen sprake is van een reorganisatie, maar dat we misschien ook te weinig middelen hebben toebedeeld aan de politie, dat we ze te weinig middelen geven om goed aan het werk te gaan en dat er misschien een cultuur heerst waardoor ook ziekteverzuim bestaat. Die hele analyse merk ik niet. Ik zie een soort lichtheid van "goh, er is een probleem, laten we het oplossen", maar een idee van hoe dat gekomen is, was hier wel op zijn plaats geweest.

De voorzitter:
Korte reactie.

De heer Van Oosten (VVD):
Ik hoor hier eigenlijk geen vraag in.

De heer Van Dam (CDA):
Ik ga graag de komende jaren met mijn coalitiepartners werken aan het terugdringen van het ziekteverzuim, maar ik moet toch tegen de geachte afgevaardigde van de VVD zeggen dat ik denk dat het ook heel betekenisvol is voor de 5.400 politiemensen die nu ziek thuis zijn, dat ook de VVD nog eens uitspreekt hoe dat inderdaad komt. Laten we er nou geen doekjes om winden. Dat heeft natuurlijk te maken met de reorganisatie en met al die bezuinigingen, die een enorme druk hebben gezet op de organisatie en op de mensen. Ik zou de heer Van Oosten toch willen vragen om dat gewoon ook te benoemen. Dat geeft ruimte naar de toekomst.

De heer Van Oosten (VVD):
Ik heb net, en daarmee rond ik dit punt volgens mij ook af, aan mevrouw Buitenweg duidelijk aangegeven dat ik het heus ook wel snap en mijn ogen niet sluit voor het feit dat we binnen het politieapparaat nogal wat in werking hebben gezet met de vorming van de nationale politie. Ik snap dus heus dat dat een heleboel vragen en zorgen oproept bij de agenten. Maar juist omwille van diezelfde agenten wil ik dat we de slag maken om het ziekteverzuim naar beneden te brengen, want ik geloof dat ook de agent zelf daar niet blij van wordt.

Mevrouw Kuiken (PvdA):
Goed punt, maar is de heer Van Oosten zich er ook van bewust dat er op bepaalde plekken binnen de politie — denk bijvoorbeeld aan de dienstencentra, die we juist wilden centraliseren — wel sprake is van 10%, oplopend tot 30% ziekteverzuim?

De heer Van Oosten (VVD):
Als dat zo is, is dat reden te meer om de minister op dat punt aan het werk te zetten.

Mevrouw Kuiken (PvdA):
Dat lijkt me goed. Daar zou ik aan toe willen voegen: hoe bewaken we nou dat onze goede intenties en oproepen ook ergens in landen? Want alleen met een oproep komen we er niet. Ik wil dus graag een concretisering van uw zorgen.

De heer Van Oosten (VVD):
Die heb ik net uitgesproken. Of nee, ik was er nog niet aan toegekomen; dan doe ik het nu. Ik vraag de minister: hoe gaat hij zorgen dat het verzuim nu zichtbaar daalt en binnen twee jaar niet hoger is dan het gemiddelde bij de overheid? Graag een reactie. Wij zijn aan zet om dat te bewaken. Dat is onze taak.

De voorzitter:
Gaat u verder.

De heer Van Oosten (VVD):
Voorzitter. Ik wilde nog een opmerking maken over het algemene telefoonnummer van de politie en dan rond ik het blokje "politie" af. Het lijkt zo te zijn dat je soms eerst een bandje hoort dat meldt wat het kost en hoelang het duurt. Zou de minister daar eens naar kunnen kijken? Want als je de politie wil bellen, wil je ook dat je snel gehoord wordt. Dat past ook bij de herkenbaarheid en de bereikbaarheid.

Ik kom nu op het punt van de ondermijning. Het is een ongekende frustratie voor een heleboel mensen in ons land dat criminelen te lang, te vaak en te veel vruchten blijven plukken van hun misdaden. Ik snap heus wel dat je van een kale kip niet kunt plukken, maar deze kippen zijn niet kaal — veren genoeg. Niet voor niets is ondermijning al jaren een punt dat ook door de VVD keer op keer werd opgebracht. Er komt nu een fonds van 100 miljoen. Ik hoor graag van de minister dat dit ook meerjarig effecten sorteert, zodat we de enige drijfveer van criminelen, die criminele winsten, ook echt afpakken. Ik ontvang daar graag een plan van aanpak voor.

Ik neem u nu graag mee naar een aantal urgentie kwesties die op het punt van ondermijning echt spelen. Ik neem u graag mee naar de Beijerlandselaan in Rotterdam. Ik mocht daar een bezoek brengen en ben meegenomen door de gemeente, politieambtenaren, sociaal werkers et cetera. De Beijerlandselaan ligt in de wijk Hillesluis in Rotterdam-Zuid. Ik kwam daar en op het oog dacht ik: gezellige winkelstraat, allemaal leuke uithangborden et cetera. Maar de schijn bedriegt gewoon. De schijn bedriegt. Zelden zie je in één straat zo ontzettend veel geldwisselkantoortjes. De winkeldichtheid van juweliers is ongekend. Er is een hoeveelheid bruidsmodezaken alsof men daar de hele dag in het huwelijk treedt. Dat bevreemdt des te meer als we ons realiseren in welke wijk we zijn. Dit is een wijk waar het gemiddeld jaarinkomen €17.000 bedraagt. €17.000, hoeveel geld heb je dan over om veel juwelen te kopen? Hoeveel geld heb je dan over om dure jurken te kopen? Hoeveel geld houden mensen met zo'n inkomen — de mensen die dat verdienen werken er hard voor — nou over om via al die geldwisselkantoortjes te versturen? Daar kunnen die toch geen boterham mee verdienen?

Ik kan dus niet anders vaststellen dan dat je op de Beijerlandselaan in Rotterdam-Zuid de ondermijning gewoon ziet. Je ziet het. En weet u wat ik daar zo erg aan vind? De jongens en meiden die daar opgroeien, weten niet beter dan dat daar in de ochtend door ouderwetse koppelbazen criminele klussen worden verdeeld. Dat noemen ze uithalers. Die halen dus de containers in de Rotterdamse haven uit en weten precies waar de cocaïne gesmokkeld wordt. De Zeehavenpolitie wist mij te vertellen dat het dan gaat om 200 uithalers, elke dag opnieuw. Daaromheen is er een groep van 1.000 man, nog steeds in de wijk Hillesluis, Beijerlandselaan. Ik heb het alleen maar over dat deel. 1.000 mensen daaromheen faciliteren dat. Dat zijn mensen van allerlei aard: autoverhuurbedrijven, dienstverleners, verhuurders van panden, juristen misschien ook wel. Allemaal mensen die grof geld verdienen met fout geld, met foute handel. Die cirkel moet kapot. Dat zijn we echt verplicht aan de kinderen die opgroeien rond en in de wijk Hillesluis in Rotterdam-Zuid. We kunnen dat niet tolereren. Daarom wil ik graag beide bewindspersonen op dit punt uitdagen en een aantal punten bij hen neerleggen. Ik stoei namelijk ook met de vraag waar dit vraagstuk precies ligt.

Als potentieel ondermijnende partijen zich melden om een pand te huren, dan wil ik dat er alarmbellen gaan rinkelen. Daarom wil ik een zogenaamd stoplichtenmodel. Ik denk dat ik moet uitleggen wat dat betekent. Dat betekent dat de eigenaar van een pand in een straat als de Beijerlandselaan, van de gemeente, die de achtergrond van de betrokkenen kent, een signaal moet kunnen ontvangen om te weten met wie men te maken heeft. Ik hoef helemaal niet allerlei persoonsgegevens te laten delen, maar ik wil wel dat de gemeente in de gelegenheid wordt gesteld om groen licht te geven wat betekent: gaat u vooral uw gang, het is uw eigen marktbeslissing; of een rood licht: ik zou u adviseren om nog eens goed en kritisch door te rechercheren.

De heer Markuszower (PVV):
De regering heeft natuurlijk een taak om die ondermijning aan te pakken, maar de lokale politiek ook. Is het niet zo, vraag ik aan de heer Van Oosten van de VVD, dat zijn partij, de VVD, jarenlang in het college in Rotterdam heeft gezeten? Wat doet zijn partij daar zelf aan die anti-ondermijningsactiviteiten?

De heer Van Oosten (VVD):
Ik kijk dan heel stiekem even naar de oud-wethouder van de VVD die nu in een ander bankje zit. Maar als ik het goed heb, heeft de VVD de afgelopen periode, spijtig genoeg, niet in het college van Rotterdam gezeten. Dat neemt niet weg dat de VVD vanuit de raad — maar dat zou u mijn collega's in de gemeenteraad van Rotterdam moeten vragen — zich natuurlijk wel dag in dag uit heeft ingezet om de ondermijning daar aan te pakken. Maar ik vlieg het aan vanuit mijn verantwoordelijkheid als lid van de Tweede Kamer. Ik ben op bezoek geweest in de Beijerlandselaan, maar ik gebruik het als voorbeeld. Mevrouw Van Toorenburg heeft regelmatig in deze Kamer het punt van Brabant opgebracht en andere leden weer andere delen van het land. Ondermijning is echt verziekend in onze samenleving. Dat moet kapot.

De voorzitter:
Gaat u verder.

De heer Van Oosten (VVD):
Voorzitter, ik ga door. De privacyregels mogen er als het gaat om dat stoplichtenmodel niet toe leiden dat alleen de criminelen ervan profiteren, want ik vraag me dan echt af, als ik die jongens van 8, 9, 10 in die Beijerlandselaan zie lopen, wat die aan die regels hebben als die in de weg staan om hun ouders, hun leraren, de wijkagent, de gemeenteambtenaren een potentieel effectief middel in handen te geven om die foute voorbeelden waar ze dagelijks mee worden geconfronteerd, terug te dringen.

Voorzitter. Ik wil nog een twee- of drietal andere voorbeelden noemen die ik graag wil neerleggen bij de bewindspersonen om echt snel mee aan de slag te gaan. Ik heb begrepen dat er opmerkelijk genoeg geen landelijke registratie bestaat van door burgemeesters ingetrokken vergunningen. De burgemeester van gemeente X trekt bijvoorbeeld een horecavergunning in omdat daar illegale activiteiten worden geconstateerd. Als de burgemeester van gemeente Y of zijn staf dat niet weet, kan de problematiek zich gewoon verschuiven. Met andere woorden, dat moet anders. Kan de minister zorgen dat dat opgepakt wordt en dat dat inzichtelijk wordt?

Het Landelijk Bureau Bibob geeft een zogeheten "geen gevaar"-advies. Ik wil dat in dat "geen gevaar"-advies ook meegenomen wordt de vraag of iemand in voldoende mate heeft kunnen aantonen hoe hij eigenlijk aan zo'n grote som geld is gekomen. Waarom moet bij grote sommen geld niet standaard verantwoording verschuldigd zijn om voor een verklaring van geen bezwaar in aanmerking te kunnen komen? De kans is namelijk aanwezig dat het om crimineel geld gaat. Als men het mij zou vragen, zou ik kunnen zeggen: ik heb een erfenis ontvangen, of: ik heb hard gewerkt en gespaard. Maar ik kan tamelijk eenvoudig aantonen hoe ik aan een grote som geld op mijn bankrekening ben gekomen. Ik zou willen dat ik het heb, overigens. Waarom wordt dat niet standaard daar neergelegd?

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
De collega van de VVD geeft terecht aan dat er een ondermijningswet moet komen waarin deze dingen in belangrijke mate worden geregeld, zodat er informatie kan worden uitgewisseld en beslissingen kunnen worden gekoppeld, omdat de Wet Bibob wordt aangepast. Maar daarvoor sprak hij over ontneming. Ik wil toch van de VVD horen of we daar niet een extra slag in moeten maken. Wat de Rotterdamse haven heeft meegemaakt! Een crimineel had via een boot allerlei ellende uitgehaald. Die boot is afgepakt en aan een school gegeven. Moeten we dit kabinet niet oproepen om zo creatief mogelijk te zijn om juist dit soort dingen mogelijk te maken: teruggeven aan de mensen die het betreft?

De heer Van Oosten (VVD):
Ik kan het alleen maar eens zijn met mevrouw Van Toorenburg, ik kan het alleen maar eens zijn met haar. Sterker nog, ik wilde nu van de Beijerlandselaan naar de Reeuwijkse Plassen. Volgens mij zijn daar een heleboel zaken te vinden waarvan het misschien heel aantrekkelijk is om ze langs die weg terug te geven aan de samenleving.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Daar ga ik met belangstelling naar luisteren, want ik denk dat daar de crux zit. Als in het zicht van burgers zaken worden afgepakt en aan de samenleving worden teruggeven, kunnen we volgens mij de genadeklap uitdelen.

De voorzitter:
Gaat u verder.

De heer Van Oosten (VVD):
Ik ben het met mevrouw Van Toorenburg eens. Ik heb de Beijerlandselaan bezocht en nu ga ik naar de Reeuwijkse Plassen. Daar ben ik weliswaar niet geweest, maar ik heb er wel informatie over ontvangen. Ik schrik daar gewoon van. Het kan zijn dat daar iemand woont in een heel duur huis met een sloep voor de deur, een zwembad in de tuin, dure sportwagens et cetera, met wie het CJIB een betalingsregeling heeft afgesloten van tienduizenden euro's per maand om blijkbaar vastgesteld fout geld te betalen. Ik begrijp echt niet, ik begrijp echt niet dat met zo iemand überhaupt een betalingsregeling afgesproken moet worden. Als vastgesteld is dat het fout geld is — anders kom je ook niet tot zo'n regeling — waarom denderen onze overheidsdiensten daar dan niet gewoon naar binnen? Waarom pakken ze daar niet werkelijk alles af, tot de laatste fotolijstjes aan toe om het bij opbod te verkopen of het terug te geven aan de samenleving of weet ik wat? Ik verwijs naar het format van mevrouw Van Toorenburg. Laat de minister het mij maar uitleggen. Is het eigenlijk niet zo — die serieuze vraag heb ik ook — dat de overheid door met zo iemand een regeling te treffen, in de wetenschap dat er meer geld is, in feite faciliteert dat met het overige vermogen dat niet wordt afgepakt nieuwe misdrijven kunnen worden gefinancierd?

Voorzitter. Ik ga door naar cyber. Ik stipte het onderwerp al aan. Het is een probleem van vandaag en het is een probleem dat groeit. Ik heb begrepen dat in 2020 50% van de criminaliteit digitaal is. Dat toont het belang aan van de Wet computercriminaliteit III. Dat is overigens een verschrikkelijke term, maar waar gaat die wet over? Over de mogelijkheid voor onze overheidsdiensten om te infiltreren in bijvoorbeeld het dark web, waar al die ellende wordt verkocht, waar illegaal wapens worden verkocht, waar kinderporno wordt verhandeld en noem allemaal maar op. In het regeerakkoord staat de ambitie om de digitale veiligheid te vergroten, onder meer door rechercheurs aan te trekken. Hoe gaat de minister deze doelstelling verwezenlijken? Hoe denkt de minister het — ik zeg het gewoon maar — bedroevend lage opsporings- en oplossingspercentage in relatie tot cybercrime te verhogen? Dat is nu respectievelijk 6% en 8%. Wat zijn de ambities op dit terrein?

Heeft de minister voldoende in beeld welke competenties nodig zijn voor succesvolle cyberrechercheurs? Weet hij ook op welke wijze hij mensen met deze competenties aan de politie kan binden? Graag ook op dit punt een reactie.

De VVD vindt dat het opsporen van cybercriminelen hoge prioriteit moet hebben. Het pakken van de boef die ouderwets door het raam naar binnen sluipt en je portemonnee steelt is natuurlijk onverminderd belangrijk, maar het pakken van de crimineel die op een heel gewiekste manier via computers en smartphones hele bankrekeningen leegrooft, is cruciaal. En dan heb ik het nog niet eens over die terroristen die onze digitale infrastructuur kunnen aanvallen en daarmee het openbare leven lamleggen. Hoogeraren op het gebied van cybersecurity hebben onlangs aangegeven te vrezen voor een enorme brain drain — excuses voor het Engels — op het gebied van cybersecurity, omdat middelen op dit gebied in ons land ernstig versnipperd zijn. Dat gebrek aan bundeling van middelen leidt er volgens hen toe dat vrijwel alle knappe koppen op dit gebied uit Nederland vertrekken, naar ik begrijp in het bijzonder naar Duitsland, waar wél gericht onderzoeksgeld op het gebied van cybersecurity wordt vrijgemaakt en gebundeld. Mijn collega's Rutte — ik noemde hem net ook al — en Thielen hebben hierover recent vragen gesteld aan de ministers van Onderwijs en van EZ, maar wil de minister van Justitie als coördinerend minister van cybersecurity met de ministers van deze ministeries op korte termijn om de tafel gaan zitten om na te gaan hoe we die kennis in ons land houden en zo goed mogelijk invullen?

Voorzitter. Ik kom op het thema terrorisme, niet het minste onderwerp. Het is goed om te zien dat ook dit kabinet daadkracht toont in de aanpak van terrorisme en goede ambities heeft neergelegd in het regeerakkoord, zoals DNA-onderzoeken, langere voorlopige hechtenis en strafbaarstelling van opzettelijk verblijf in jihadistisch gebied. De VVD staat uiteraard achter deze maatregelen, maar — ik zeg het u eerlijk — er zijn nog wel punten van zorg. Zo hoor ik graag hoe het staat met de lijst van salafistische organisaties waar de VVD al enige tijd om vraagt. Ik wil ook weten hoe het staat met de eventuele aanpassing van het verschoningsrecht voor imams. Hoe gaan we voorkomen dat figuren de juridische bescherming van een geestelijke, in dit geval de imam, misbruiken?

Ik wil ook een opmerking maken over die potentiële jihadist die in vrijheid een bijeenkomst in De Balie in Amsterdam zou hebben kunnen bijwonen. Ja, ik weet het ook alleen maar uit de media, maar ik verneem uit de media dat de minister heeft aangegeven dat een strafrechtelijke titel zou ontbreken om deze man op te pakken. Dat zet mij toch wel aan het denken, want hoe kunnen we dan nu niet-Nederlandse verdachten van terroristische misdrijven die zijn gepleegd in het buitenland, oppakken? Is onze wetgeving hier voldoende op ingericht? Wordt het dan niet tijd om met een iets ruimere strafrechtelijke blik naar dit soort types te kijken? Neem die terrorist die vrij zou rondlopen. In diezelfde krant lees ik dat de man reist op een vals paspoort. Zonder de minister in verlegenheid te willen brengen om meer inzicht te willen geven in deze individuele zaak, vraag ik hem of rondreizen op een illegaal paspoort op zichzelf al geen juridische basis is — dit is puur theoretisch — om zo iemand op te pakken en vast te zetten. Graag een reactie.

De heer De Graaf (PVV):
De minister in verlegenheid brengen mag natuurlijk wel, want het is de taak van een parlementariër om hem te controleren en hem misschien daarmee wel in verlegenheid te brengen. Om er een voorschot op te nemen om dat niet te doen, verzwakt meteen de positie van de parlementariër. Ik zou de heer Van Oosten, via u, voorzitter, willen ontraden om dat te doen. By the way — dat is ook heel lelijk Engels — …

De heer Van Oosten (VVD):
U zegt het zelf, maar oké.

De heer De Graaf (PVV):
Ja. Ik heb de heer Van Oosten net vanuit zijn hart een oproep aan de regering horen doen om administratieve detentie in te voeren. Nu ligt er daarover een initiatiefvoorstel van de PVV. Kan ik ervan uitgaan dat de heer Van Oosten met zijn partij dat voorstel gaat ondersteunen?

De heer Van Oosten (VVD):
Nee, nee, zo niet. De heer De Graaf heeft het regeerakkoord ook heel kritisch gelezen. Ik leg scherpe vragen neer — dat is mijn taak — en verwacht een goed antwoord van de minister. De heer De Graaf heeft ook in het regeerakkoord kunnen lezen dat niemand, ook de VVD niet, wegloopt voor repressieve maatregelen, maar die moeten zich wel verhouden tot de wetgeving die we in dit land hebben. Daar moeten we een goede discussie met elkaar over blijven voeren.

De heer De Graaf (PVV):
Dan constateer ik nu dat de heer Van Oosten grote woorden gebruikt, zoals de VVD altijd doet in de pers of hier in de Kamer, maar uiteindelijk niets wil. Ik moet concluderen dat de VVD in dit geval Nederland niet veiliger wil maken. De heer Van Oosten schreeuwt om juridische gronden, net als zijn minister in het kabinet, maar als er vervolgens een mooi voorstel ligt, weigert hij dat te ondersteunen. Ik moet concluderen dat de VVD Nederland niet veiliger wil maken.

De heer Van Oosten (VVD):
De VVD schreeuwt om juridische gronden binnen de randen van de rechtsstaat. Ik mag de heer De Graaf er toch wel aan herinneren dat er tal van maatregelen worden en zijn genomen. Dat was ook in de vorige periode zo. Denk daarbij aan het afpakken van het Nederlanderschap, aan bestuurlijke maatregelen en aan het strafbaar stellen van het voorbereiden van terroristische handelingen.

Voorzitter, ik ga door. Ik kwam bij … Volgens mij kwam ik bij bladzijde 9. Maar dat zegt u niks.

De voorzitter:
Het ligt eraan hoeveel bladzijden u heeft!

De heer Van Oosten (VVD):
Ik ben er bijna, voorzitter.

Sanctiebeleid. Dat is mijn laatste blokje. Daarna heb ik nog één afrondende vraag over diverse varia, maar eerst dus sanctiebeleid. Een man die een minderjarige verkracht, een man die minderjarigen dwingt kinderporno te produceren, de gruwelijke zaak rondom Anne Faber, waar collega Markuszower al over sprak. Het zijn voorbeelden waarbij de verdachte uiteindelijk geen tbs opgelegd kreeg. Het is de vrijheid van de rechter om dat te bepalen, maar ik sluit niet uit dat daarbij het feit meegewogen heeft dat iemand heeft geweigerd mee te werken aan een onderzoek door het Pieter Baan Centrum en dat het daardoor onvoldoende mogelijk was om vast te stellen of betrokkene lijdt aan een gedragsstoornis en, zo ja, waarvoor je hem zou moeten behandelen.

Voorzitter. Meteen zeg ik ook weer dat ik niet de illusie heb dat we alles kunnen voorkomen, maar ik durf wel voorzichtig vast te stellen dat het systeem dat we nu hebben, ook niet per se optimaal werkt. Ik vind gewoon dat het niet mogelijk moet zijn dat levensgevaarlijke figuren na het uitzitten van een gevangenisstraf onbehandeld terug in de samenleving komen en daar weer nieuwe slachtoffers maken. Daarom vind ik dat het mogelijk moet zijn dat een rechter die bij een weigerachtige verdachte niet meteen bij zijn vonnis kan vaststellen of iemand tbs nodig heeft, daartoe alsnog in de gelegenheid wordt gesteld door dat na twee jaar alsnog vast te kunnen stellen. Collega Kuiken had mij over precies dit thema benaderd. Zij zal daar in haar spreektekst ongetwijfeld nader op ingaan en ik wil dat alleen maar van harte ondersteunen. Ik zou niets anders willen dan dat de minister op dit punt de handschoen oppakt en dit verder uitwerkt, want we moeten voortdurend bereid zijn stappen te zetten in ons strafrechtssysteem, zodanig dat het gruwelijke leed in de toekomst kan worden voorkomen. Juridische beletselen moeten wij dan van een oplossing voorzien en niet als onoverkomelijke drempels beschouwen.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Betekent dit dat de heer Van Oosten weer serieus wil nadenken over het eerdere voorstel van het CDA om een tweefasenstructuur in te stellen? Dan kijk je eerst op basis van de bewezenverklaring wat iemand heeft gedaan en bij heel zware delicten ga je pas later bepalen wat er met de betrokkene moet gebeuren.

De heer Van Oosten (VVD):
Ik kan niet helemaal overzien hoe de tweefasenstructuur die mevrouw Van Toorenburg opbrengt, op zo'n situatie zou uitwerken. Ik heb begrepen dat zo'n structuur ook in het buitenland in verschillende variaties bestaat. Maar als dit bij die weigerachtige verdachte — daar heb ik het over — een bijdrage kan leveren aan het einddoel dat je zorgt dat iemand niet alleen gestraft wordt maar ook behandeld wordt, zodat hij het niet nog een keer gaat doen, dan denk ik dat het stom zou zijn als ik dat zou negeren.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Dan vraag ik het omwille van de tijd aan de heer Van Oosten, want dan hoef ik het niet aan mevrouw Kuiken te vragen: mag ik via de heer Van Oosten aan het kabinet vragen om juist te kijken naar het heel grote onderzoek dat wij onlangs over die tweefasenstructuur hebben gekregen? Daar zit volgens mij namelijk het handvat.

De heer Van Oosten (VVD):
Ik leg de vraag waar dat een toegevoegde waarde kan hebben, graag neer bij de minister. Ik houd het einddoel voor ogen. Het maakt mij helemaal niet uit wat het uiteindelijk in juridische zin moet worden. Ik geef nu een voorzet. Daar heb ik goed over nagedacht en daar heeft collega Kuiken goed over nagedacht, maar het gaat er uiteindelijk om dat je zorgt dat mensen gestraft worden en dat dus vergelding plaatsvindt, maar dat mensen ook behandeld worden en dat we weten dat ze uitbehandeld zijn waar we dat kunnen.

De heer Groothuizen (D66):
Het is goed dat de heer Van Oosten die discussie aanzwengelt. Ik denk dat het heel goed is dat we als Kamer nadenken over het oplossen van de problemen die er zijn, hoewel garanties nooit te bieden zijn. Ik snap wel de vraag van mevrouw Van Toorenburg, want als wij deze knip maken, roept dat volgens mij een aantal principiële vragen op. Ik ben benieuwd hoe u dat ziet. Zegt u dan dat de rechter geen straf oplegt, maar daarmee wacht totdat we een paar jaar verder zijn en wat meer weten? Zegt u dat de rechter alleen een straf oplegt en dat we het later over de tbs gaan hebben? En wat heeft dat dan voor gevolgen voor die eerder opgelegde straf? Hoe ziet u dat? Legt u dat eens wat meer uit.

De heer Van Oosten (VVD):
Ik heb voor ogen dat de rechter een straf oplegt, maar op het moment dat hij dat vonnis geeft, heeft hij zich onvoldoende rekenschap kunnen geven van de vraag of de betrokkene een stoornis heeft, omdat hij niet wilde meewerken. Dat kan voor een rechter aanleiding zijn om te zeggen dat hij geen tbs kan opleggen. Dan vind ik dus dat die maatregel naast de straf alsnog opgelegd kan worden nadat je iemand een periode hebt geobserveerd en in detentie hebt gezien wat voor persoon hij in feite is. Dan moet zo'n tbs-maatregel alsnog tot de mogelijkheden behoren. Dat is wat ik voor ogen heb.

De heer Groothuizen (D66):
In het huidige geval gaat het natuurlijk vaak zo: we constateren dat iemand gedeeltelijk ontoerekeningsvatbaar is en tbs nodig heeft; daardoor krijgt hij een lagere gevangenisstraf in combinatie met tbs. In het voorbeeld van de heer Van Oosten is die knip niet te maken. Iemand krijgt dan misschien wel het volle pond, vijftien jaar. Zegt de heer Van Oosten dan dat we het vervolgens, als we het een aantal jaren later over de tbs hebben, ook weer over die strafhoogte moeten hebben?

De heer Van Oosten (VVD):
U hoort mij volgens mij precies zeggen wat ik wil. Het probleem is nu dat een rechter niet altijd weet of iemand zo'n stoornis heeft omdat de betrokkene daar niet aan meewerkt, terwijl je later in detentie misschien op enig moment vaststelt dat iemand wel zo'n stoornis heeft of althans dat deskundigen dat dan alsnog kunnen vaststellen. Het enige wat ik dan wil, is dat we dan niet het vraagstuk negeren en niet zeggen: nou ja, het is al gedaan; het is nu een straf geworden en laat maar gaan. Dan krijgt de betrokkene niet de behandeling die hij onder het tbs-stelsel wel zou hebben gekregen. Daar gaat het om. Dat is het enige waar het mij om gaat: dat je zorgt dat mensen niet alleen gestraft worden maar dat mensen die dit soort gruwelijke dingen doen en waarvan je weet dat ze weer een keer buiten komen, ook behandeld zijn.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Dit is een onderwerp dat wij eens wat dieper moeten bespreken, want het heeft veel haken en ogen. Het is inderdaad wel van belang dat wij er oog voor hebben waar verdachten of veroordeelden zijn met psychische stoornissen om te voorkomen dat zij weer de samenleving in gaan. Het is in ieder geval winst dat de VVD wat meer aandacht heeft voor behandeling in plaats van alleen repressie. Ik zie nog wel een probleem. Op dit moment kan tbs alleen worden opgelegd aan verdachten bij wie ten tijde van het begaan van het feit een psychische stoornis bestond. Dat is natuurlijk lastiger, want als je dat tijdens de detentie ziet, weet je niet of dat ook ten tijde van de handeling zo was. Ik ben er zeker niet op tegen, omdat ik denk dat het van belang is om te kijken waar wij beter kunnen ingrijpen, maar ik heb wel het idee dat het op dit moment nog wat onvoldoende doordacht is.

De heer Van Oosten (VVD):
Ik ontken niet dat het punt verder moet worden uitgewerkt, daar loop ik ook helemaal niet voor weg. Het is een juridisch complex vraagstuk, maar ik wil het ook niet negeren. De gemakkelijkste weg zou zijn geweest: ik negeer het omdat het nog verder moet worden uitgewerkt. Dat ga ik dus niet doen. Dan even het voorbeeld van mevrouw Buitenweg, de situatie waarin je op een later moment vaststelt dat iemand een stoornis heeft die mogelijk ook betrekking kan hebben op het delict dat betrokkene heeft gepleegd. Ik zou niets liever willen dan dat hij daar dan ook voor wordt behandeld. Als je dat pas later vaststelt en je het niet eerder hebt kunnen vaststellen doordat betrokkene weigerde mee te werken, klopt er iets niet in het systeem, zou ik willen zeggen.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Het is inderdaad belangrijk dat wij wat meer werk maken van mensen die niet meewerken aan tbs. Het is overigens nu wel zo, en ik hecht eraan dat te benadrukken, dat rechters wel degelijk een eigenstandig oordeel kunnen vellen maar dat zij daar vaak voor terugdeinzen. Ik denk dat wij dat wel moeten benoemen, omdat er anders rechters zijn die denken dat zij dat niet kunnen, maar het mag wel degelijk.

De heer Van Oosten (VVD):
Het is geen vraag, maar ik onderschrijf dit volkomen. Ik vind het alleen al waardevol dat wij in deze Kamer, verschillende collega's, nu specifiek dat punt tbs neerzetten. Het is alleen al waardevol om echt specifiek te benadrukken dat er geen beletsel is voor een rechter om dat te doen. Ik snap wel dat een rechter het plezierig kan vinden om enige rapportage te hebben. Daarom heb ik dit voorstel neergelegd.

De heer Van der Staaij (SGP):
Ook van de kant van de SGP-fractie steun voor het uitgangspunt dat het weigeren om mee te werken aan een onderzoek niet lonend mag zijn voor een verdachte en dat er ook een mogelijkheid van oplegging van tbs moet zijn zonder medewerking aan een onderzoek. Die vraag richting de regering steunen wij. Dat wil zeggen: hoe kan het door aanscherping van wet of door een andere, betere ondersteuning van rechters hierin? Ik ben het daar helemaal mee eens, maar ik wil nog één zorg voorleggen aan de heer Van Oosten en ik vraag hem of hij die ook herkent en wat zijn reactie daarop is. Er ligt bij de Eerste Kamer nu een nieuwe tbs-wet. Die ligt daar al weer wat langer omdat er ook weer werd gekeken naar andere wetgeving. Wij zien dit patroon de afgelopen jaren vaker, dat de Eerste Kamer zegt: wacht even, er is nog het een en ander in beweging. Bent u met mij van mening dat die wetgeving gewoon wel door moet en dat onze discussies hier weer geen reden moeten zijn om het goede dat er al is, weer op de lange baan te schuiven?

De heer Van Oosten (VVD):
Dit kan ik alleen maar onderschrijven. De heer Van der Staaij wijst met de vinger op de zere plek. Ik heb begrepen dat de Wet forensische zorg in januari in de Eerste Kamer wordt behandeld. Ik kan alleen maar hopen dat die ook wordt aangenomen en dat die in ieder geval geen verdere vertraging zal hebben.

De voorzitter:
Gaat u verder.

De heer Van Oosten (VVD):
Ik wil nog twee opmerkingen maken in het kader van sancties. De eerste naar aanleiding van een uitzending van Nieuwsuur gisterenavond. Ik heb een schriftelijke reactie van de minister voor Rechtsbescherming voorbij zien trekken naar aanleiding van het feit dat gevangenispersoneel grote zorgen heeft over het feit dat de betrokkenen die in de ebi Vught worden behandeld, onvoldoende behandeld terugkeren in de samenleving. Ik had graag van de minister gehoord hoe hij daarnaar kijkt en hoe hij dit vraagstuk verder oppakt.

De verjaring van de tenuitvoerlegging van straffen past ook bij de sanctie en wat mij betreft schaffen wij die gewoon maar af. Volgens mij heb ik daarmee ook alles gezegd wat ik daarover kan en wil zeggen, want ik snap het gewoon niet. Ik snap niet waarom wij in ons wetboek een artikel hebben dat het mogelijk maakt dat iemand die is veroordeeld voor iets, bewust de fout is ingegaan en maar lang genoeg uit het zicht van de overheid blijft, als premie krijgt dat de straf dan niet meer ten uitvoer kan worden gelegd. Dat is toch een raar systeem?

De voorzitter:
Was u klaar met dit punt?

De heer Van Oosten (VVD):
Ik wel, maar ik zag mevrouw Buitenweg. Ik had haar al gezocht, dus ik hield mijn adem in. Daarna kom ik op een heel ander thema.

De voorzitter:
Oké, dan geef ik het woord aan mevrouw Buitenweg.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Ik ben natuurlijk heel blij dat meneer Van Oosten ademloos is als hij mij ziet.

Allereerst: hij vroeg zich af waarom die regel inzake de verjaringstermijn er is. Ik denk dat het inderdaad goed is dat deze voor een flink aantal misdrijven niet geldt. Ik vind overigens ook dat wij ons er rekenschap van moeten geven dat het oplossingspercentage op dit moment vrij laag is en de doorlooptijden vaak vrij lang zijn. Daar zullen we iets aan moeten doen; dat is voor mij de eerste prioriteit. De vraag die ik aan de heer Van Oosten wil stellen, is of het opheffen van de verjaringstermijn zal gelden voor alle misdrijven, bijvoorbeeld ook voor een vechtpartij in een café.

De heer Van Oosten (VVD):
Voordat mevrouw Buitenweg mij weer nieuwe ideeën toewerpt, zeg ik even voor de goede orde dat ik het niet heb over de verjaring van het kunnen vervolgen. Dat is overigens een interessant vraagstuk. We kunnen best nog eens doordenken over de vraag wat daarbij nog beter zou moeten om te voorkomen dat je inderdaad niet meer berecht zou kunnen worden. Ik heb het over de verjaring van de tenuitvoerlegging van straffen. Je bent bijvoorbeeld veroordeeld voor het vernielen van het interieur van een café of iets dergelijks; dat is het voorbeeld van mevrouw Buitenweg dat ik dacht te horen. Stel dat je daarvoor bent veroordeeld en een straf opgelegd hebt gekregen; je bent lang genoeg in het buitenland, je bent vertrokken of je houdt je op een geheime plaats op. Dan kan toch niet aan het eind van de rit worden gezegd: nou ja, een rechter heeft weliswaar gezegd dat u fout zat, maar u mag de straf niet meer opgelegd krijgen?

De voorzitter:
Gaat u verder.

De heer Van Oosten (VVD):
Voorzitter. Over het andere punt ga ik nog eens met mevrouw Buitenweg doordenken. Want ze stond er wel positief tegenover, zo had ik het idee.

Het laatste punt ziet toch weer op iets heel anders. De VVD is blij dat de regering oog heeft voor de nieuwe problemen van deze tijd. Het is daarom ook zo goed dat in het regeerakkoord expliciet wordt gesteld dat er een betere bescherming zal komen van de privacy tussen mensen onderling. Met de huidige technische middelen kan iedereen elkaar namelijk stiekem filmen. Je kunt beelden op het internet zetten en daarmee kan dus ook iedereen worden herkend. En dan heb ik het niet alleen over dat hele serieuze punt wraakporno, maar ook over een heleboel andere systemen waarbij de persoonlijke levenssfeer van mensen onder druk kan komen te staan, juist door dat filmen, volgen en openbaren van het leven van anderen. Nu ik dit zo voorlees: ik geloof dat er ook een film is die zo heet. De heer Koopmans van de VVD heeft een mooi initiatief genomen en daarover een rondetafelgesprek georganiseerd dat binnenkort zal plaatsvinden. Daar zullen allerlei experts allerlei visies en interessante zaken naar voren gaan brengen. Mijn vraag aan de minister voor Rechtsbescherming is: hoe gaat hij deze passage uit het regeerakkoord uitwerken?

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Van Oosten. Voordat u weggaat: de heer Van Nispen heeft een vraag.

De heer Van Nispen (SP):
Ik heb de heer Van Oosten van de VVD niet gehoord over een van de fundamenten van onze rechtsstaat, namelijk de toegang tot het recht. Hij had ook maar 28 minuten spreektijd, dus het kan zijn dat hij te weinig tijd had. Daarom zal ik hem daar een vraag over stellen. De maatregelen die sinds 2010 ter bezuiniging op de gesubsidieerde rechtsbijstand zijn genomen, heb ik op een rijtje gezet. Je ziet dat de eigen bijdrage voor rechtszoekenden alleen maar omhoog is gegaan en dat de vergoeding voor een sociale advocaat alleen maar omlaag is gegaan. Vanaf 2010 zijn het meer dan twintig maatregelen op een rij. Mijn vraag aan de VVD is: waar stopt deze kaalslag van de sociale advocatuur?

De heer Van Oosten (VVD):
De heer Van Nispen heeft ook in het regeerakkoord kunnen lezen dat wat dat aangaat, geen enkel rechtsgebied is uitgesloten. Ik zou de heer Van Nispen graag willen herinneren aan het feit dat er in de wereld echt nauwelijks landen te vinden zijn waarin het systeem van de rechtsbijstand zo uniek is georganiseerd als in Nederland. Er zullen tal van situaties zijn waarin mensen die de pech hebben om in ander land geboren te zijn — maar wel een land waarvan gezegd kan worden dat het toch een mooie westerse democratie kent — niet zomaar op kosten van de belastingbetaler kunnen procederen. Ik vind dit een heel groot goed en ik zal tot het laatst daarvoor strijden, maar ik heb ook oog voor de centen.

De heer Van Nispen (SP):
Dit is totaal geen antwoord op de vraag. Dit is een stokpaardje van de VVD. De heer Van Oosten weet namelijk heel goed dat stelsels niet te vergelijken zijn. Daar hebben we het al vaak over gehad. Dat leg ik hem graag nog een keer uit, maar mijn vraag was: waar stopt nou deze kaalslag van de sociale advocatuur? In het regeerakkoord is afgesproken dat er verder bezuinigd gaat worden. Er wordt misschien geen rechtsgebied uitgesloten, maar die bezuinigingen gaan gewoon door. Zie de reactie op de commissie-Van der Meer. Zij zegt dat de punten al jaren niet meer aansluiten; er is twintig jaar achterstallig onderhoud. Het is een groot probleem. U bent eigenlijk op oorlogspad tegen de advocatuur. Komt het u eigenlijk wel goed uit dat heel veel sociale advocaten noodgedwongen moeten stoppen met hun praktijk omdat het voor de overheid maar lastig is, al die sociale advocaten die voor rechtszoekenden opkomen?

De heer Van Oosten (VVD):
Er ligt een soort veronderstelling in die vraag, namelijk, a., dat het zo is en, b., dat ik daarmee een soort agenda uitrol. Dat herken ik niet. De minister heeft een paar dagen geleden, misschien gisteren maar ik weet het niet meer precies, een brief geschreven naar aanleiding van de commissie-Van der Meer. Uit dat onderzoek zou blijken dat het geld op deze manier niet toereikend is. Daar gaan we natuurlijk nog over praten, maar ik heb er ook in gelezen dat de minister betrokken partijen uitdaagt om met elkaar aan de slag te gaan en te blijven nadenken over hoe je dit op een goede manier vormgeeft. Het lijkt me dat we dat ook moeten willen afwachten.

De heer Van der Staaij (SGP):
In de afgelopen jaren hoorde ik de heer Van Oosten elk jaar over het Europees Openbaar Ministerie, maar nu niet meer. Heeft hij die strijd helemaal opgegeven? Ziet hij het gewoon als een D66-puntje en laat hij het zitten, of is er nog enige strijdbaarheid overgebleven bij de heer Van Oosten?

De heer Van Oosten (VVD):
We hebben daar heel stevig over gesproken, in de sfeer van oplossingen. Mijn bezwaar zat hem vooral in het kwijtraken van het zogeheten — excusez dat ik een juridische term gebruik — opportuniteitsbeginsel. Dat was ook het bezwaar van anderen, maar de collega's die dit betreft, moeten dit zelf maar uitspreken. We gaan er nog met elkaar over discussiëren. Overigens is het woordje "geen" weggevallen in het akkoord. Dat is natuurlijk een foutje. Dat snapt u wel. Dat aspect moet de minister wel meenemen in de uitwerking. Dat heeft ook effect op de termijn waarbinnen je kunt denken aan zo'n EOM.

De heer Van der Staaij (SGP):
Dat woordje "geen" is wel interessant. In het regeerakkoord staat namelijk: toetreding zal plaatsvinden onder de voorwaarde dat dit afbreuk doet aan het opportuniteitsbeginsel van het Nederlands Openbaar Ministerie.

De heer Van Oosten (VVD):
Geen, dus.

De heer Van der Staaij (SGP):
De heer Van Oosten zegt nu dus in ieder geval het tegendeel, namelijk dat het woordje "geen" erbij hoort. Ik zie D66 ook niet ongerust kijken. Dat is vandaag dan in ieder geval een belangrijke verbetering in het regeerakkoord.

De heer Azarkan (DENK):
Ik heb een vraag over de toegankelijkheid van het rechtssysteem, waar de heer Van Oosten het over had. Een onderzoek van het WODC uit 2014 heeft uitgewezen dat Spanje, Frankrijk en Luxemburg helemaal geen griffierechten kennen, om maar eens met dat onderdeel te beginnen. Nederland behoort samen met Estland tot de landen met de hoogste griffierechten. Hoe verhoudt dit zich tot uw uitspraak dat Nederland behoort tot de landen waar het rechtssysteem het best toegankelijk is voor de burgers?

De heer Van Oosten (VVD):
Prima, want het vraagstuk rond de hoogte van de griffierechten is een ander vraagstuk dan het vraagstuk rond de rechtsbijstand.

De heer Azarkan (DENK):
Maar volgens mij zei collega Van Nispen net dat er over de hele linie bezuinigd is. Dat is gebeurd. We lazen in een prachtig interview met de vorige bewindsman, de heer Teeven, dat hij dit expres heeft gedaan. Hij zei: als we zorgen dat ze slechte bijstand hebben, neemt de criminaliteit ook af; we konden ze niet harder straffen, want de coalitiegenoot, de PvdA wilde geen minimumstraffen. Is het dus niet gewoon beleid geweest om de toegankelijkheid van het rechtssysteem te verminderen?

De heer Van Oosten (VVD):
De uitspraken van de heer Teeven laat ik lekker voor zijn rekening. Ik heb me voorgenomen me niet te veel te bemoeien met de uitspraken van de heer Teeven op dit vlak. Het gaat mij erom dat de rechtsbijstand toegankelijk blijft en op goed niveau georganiseerd blijft. Ik mocht bij de heer Van Nispen net in herinnering roepen dat er vrijwel geen land te vinden is in de wereld dat een unieker stelsel op dit vlak kent.

Mevrouw Kuiken (PvdA):
We komen uit tijden van weinig geld en we gaan naar tijden van iets meer geld. We hebben niet voor niets de commissie-Van der Meer gevraagd om tot een onafhankelijk rapport te komen over de toekomst van de rechtsbijstand. Zij concludeert dat je meer zult moeten doen als je het mooie systeem waar de heer Van Oosten ook aan refereert, overeind wilt houden. Graag een reactie op dit punt.

De heer Van Oosten (VVD):
Het feit dat je iemand om een onafhankelijk rapport vraagt, betekent niet dat je het per se eens bent met de conclusies.

Mevrouw Kuiken (PvdA):
Echt, hier valt mijn mond van open. Waarom vraag je dan om een rapport? Als je om een onafhankelijk onderzoek vraagt, dit punt belangrijk vindt en staat voor de toegang tot het recht, juist voor mensen die wat minder geld hebben, vraag ik me af waarom je er zo mee omgaat. Wat is dan de brief van de minister waard, als er wordt gezegd dat men het onderling nog maar even moet uitzoeken? Dat is toch een balletje-balletjespel van vooruitschuiven en het niet serieus nemen van de problematiek?

De heer Van Oosten (VVD):
Ik kijk er gewoon anders naar. Rechtsbijstand is een heel belangrijke zaak. We geven er veel geld aan uit en we zijn daarin uniek. De commissie-Van der Meer vindt de gelden die daarvoor nu beschikbaar zijn, ontoereikend. De minister heeft daarover een brief geschreven. Laten we vragen wat hij daarvan vindt en ongetwijfeld komt het in uw bijdrage ook aan de orde, teneinde nog wat nadere duiding op die brief te krijgen. Ik heb die brief als heel positief gelezen, namelijk dat de minister zegt: ik ga met de organisaties, in het bijzonder de Orde van Advocaten, aan de slag om te kijken of we het zo kunnen inrichten dat we het werk van de advocatuur mogelijk maken. Dat is niet zozeer vanwege de advocaten die ik het best wel gun verder, maar vanwege de rechtzoekende. De enige drive die ik in dit dossier heb, is zorgen dat die rechtzoekende goed bediend blijft.

De voorzitter:
Mevrouw Buitenweg, dit is uw vijfde interruptie.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Echt waar?

De voorzitter:
Echt waar. Dus u moet een beetje terughoudend in uw interrupties zijn, want anders ga ik een maximum vaststellen.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Dat vind ik niet zo leuk.

De voorzitter:
Nee, ik ook niet, maar goed, stel uw vraag.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Ik heb een vraag en de heer Van Oosten lokte die ook wel een beetje uit door te zeggen: we gaan kijken wat we nog kunnen doen met het geld dat we hebben. Is zijn idee dan om de principes achter het bestel nu enigszins aan te tasten? Op dit moment geldt dat je 1 punt per uur krijgt en dat 1.200 uur een redelijk inkomen inhoudt. Daarvan zegt de commissie-Van der Meer dat men met dat principe niet uitkomt met dat geld. Dan zijn er twee mogelijkheden. Of u wilt de principes aantasten of u gelooft de commissie-Van der Meer niet.

De heer Van Oosten (VVD):
Als we het hebben over principes van rechtsbijstand gaat u het toch niet hebben over punten? Het principe van het systeem van rechtsbijstand is dat de rechtzoekende goed bediend wordt en toegang behoudt tot de rechter als die rechtzoekende zelf geen of onvoldoende inkomen heeft. Dat is het principe van de rechtsbijstand.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Laten we het dan over uitgangspunten hebben, maar ik constateer dat u het mogelijk acht om die uitgangspunten helemaal ter discussie te stellen. En dat was niet de opdracht aan de commissie-Van der Meer.

De heer Van Oosten (VVD):
Volgens mij verwoordde mevrouw Kuiken het zo-even heel prima. We hebben de commissie-Van der Meer gevraagd om een onafhankelijk onderzoek, een onafhankelijk rapport. Nou dat hebben we gekregen en dat zal een vervolg krijgen in deze Kamer.

De voorzitter:
Dank u wel, mijnheer Van Oosten. Voordat ik de heer Azmani het woord geef, schors ik voor enkele ogenblikken.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De heer Azmani (VVD):
Voorzitter. Wat staan we er anders voor als we terugkijken naar de afgelopen jaren. Ons land was in rep en roer. Vele mensen maakten zich zorgen over de grote aantallen migranten die ons land binnenkwamen en over wat hun komst zou betekenen voor bijvoorbeeld de identiteit of de veiligheid van ons land.

Wanneer je bussen vol met asielzoekers door het land ziet rijden op zoek naar onderdak, als sportzalen worden ingenomen om te dienen als logeerplek, dan is het niet verwonderlijk dat mensen zich zorgen maken. Temeer omdat niet duidelijk was of het hier ging om echte vluchtelingen, gelukszoekers of mensen met kwade bedoelingen. Er was zelfs geen zicht op wanneer er een einde aan deze situatie zou komen.

Dat ons dat angst aanjaagt en dat we die situatie onder controle willen krijgen, maakt ons niet racistisch, maakt ons ook niet harteloos. Dat maakt ons vooral realistisch.

Voorzitter. De afgelopen periode heeft de VVD dan ook stevig ingezet op het beheersbaar maken van de asielstroom richting ons land. Ik hoef u niet uit te leggen dat het VVD-plan van maart 2015 over afspraken met veilige derde landen over opvang in de eigen regio en het terug kunnen sturen van migranten de basis is geweest voor de afspraak met Turkije. Door die afspraken is de instroom substantieel afgenomen. En al snel was niet langer de vraag in welke gemeente er weer een extra asielzoekerscentrum moest komen, maar was de vraag waar we er een konden sluiten.

Het maakt mij dan ook echt niet uit of mijn plan vervolgens het plan-Samsom moest heten of dat het zou zijn bedacht door ene EU-ambtenaar; het plan mag wat mij betreft elke naam hebben, het gaat mij erom dat wij daadwerkelijk een oplossing konden bieden voor dit land en de zorgen van mensen.

Want VVD'ers zijn geen mensen die aan de zijlijn staan te schreeuwen zonder een oplossing, of onze kop in het zand steken door problemen dan maar te ontkennen. We benoemen de problemen en we pakken die vervolgens ook aan. En dat doen we het liefst samen met alle constructieve partijen. We willen de zorg wegnemen van mensen of Nederland ook in de toekomst echt wel Nederland blijft. Dat kan alleen door met elkaar onze handen uit de mouwen te steken.

Dat brengt me zometeen ook, voordat de interruptie van de heer Fritsma zal komen, naar het regeerakkoord Vertrouwen in de toekomst. Maar dat doen we zometeen.

De heer Fritsma (PVV):
De VVD zegt dat nu eigenlijk alles onder controle is wat immigratie en asiel betreft, maar dat is natuurlijk een leugen. De asielinstroom is alles behalve opgedroogd. Dit jaar ook staat volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek de teller op 30.000. In de begroting is de instroom voor volgend jaar bijgesteld van 22.500 naar 37.000. De asielinstroom is helemaal niet opgedroogd. En u heeft het nu over de Turkijedeal. Heeft u de krant niet gelezen vanmorgen? De Nederlandse ambassadeur in Griekenland heeft gezegd: het werkt voor geen meter, de migranten worden helemaal niet teruggestuurd naar Turkije. Sterker nog, ze worden Europa ingestuurd.

De voorzitter:
Wat is de vraag?

De heer Fritsma (PVV):
De vraag is: hoe durft u eigenlijk de Nederlandse burger zo te bedonderen door te zeggen dat de asielstroom onder controle is, terwijl dat niet zo is?

De heer Azmani (VVD):
Ik heb gezegd dat de asielstroom meer onder controle is en ik zal ook zometeen zeggen dat er nog een grotere uitdaging ligt. Die ligt natuurlijk ook op het continent Afrika. Maar als we kijken naar de Turkije-agreement, dan is het niet waar wat de heer Fritsma ook in zijn eigen termijn verwoordde, dat niemand is teruggekeerd naar Turkije. Ik heb het nog even nagekeken. In september is er nog een evaluatie geweest. Ruim 1.800 mensen zijn teruggestuurd naar Turkije. Maar het grote succes van die hele Turkije-agreement zit niet eens zozeer op het terugsturen van die mensen die uiteindelijk toch hebben gekozen voor Turkije, maar op al die mensen die het hebben nagelaten om überhaupt van Turkije richting Griekenland te gaan. Ik hoef de heer Fritsma er toch niet op te wijzen dat de instroom op de hoofdroute gereduceerd is met 97,5%? Ook de heer Fritsma heeft de staatjes ter beschikking om te zien dat die instroom naar beneden is gegaan. En je vertaalt het ook hier in dit land, om daar nog even kort over te zijn. De voorspelling als we dit niet hadden gedaan was dat we dan meer dan 100.000 asielzoekers in 2016 zouden hebben gehad. De heer Fritsma kan niet ontkennen dat dit aantal drastisch naar beneden is gegaan.

De heer Fritsma (PVV):
Ik ken de cijfers. Het Centraal Bureau voor de Statistiek — ik heb het net genoemd — heeft gezegd dat het er dit jaar tot nu toe 30.000 zijn. Vorig jaar waren het er ook meer dan 30.000. Die honderdduizenden asielzoekers komen nog steeds binnen. Als ze niet via Griekenland komen, dan komen ze via Italië of Spanje waar de zaak nu ook alweer is verdubbeld. Het punt is dat de heer Azmani de kluit steeds weer bedondert, want in het regeerakkoord staat: opvang in de regio. Het eerste wapenfeit van dit kabinet is om naast de asielinstroom die wij al hebben nog meer vluchtelingen uit het buitenland op te halen. Het eerste wat het kabinet doet, is nog meer vreemdelingen halen.

De voorzitter:
En uw vraag is?

De heer Fritsma (PVV):
Alles wat de VVD in de verkiezingen heeft gezegd en in het regeerakkoord en het verkiezingsprogramma heeft gezet, is één grote babbeltruc. Ik vraag de VVD om daarmee op te houden, want je kunt de Nederlandse burger niet voor eeuwig blijven bedonderen.

De heer Azmani (VVD):
Met alle respect voor de interrupties van de heer Fritsma: ik vind ze eigenlijk wat saaier worden. Het komt altijd op het volgende neer: er gebeurt helemaal niets, er is niets gebeurd, ze komen allemaal nog massaal deze kant op. De feiten liggen echter anders. Ik daag de heer Fritsma uit om te erkennen dat er stappen worden gezet, ook al door het vorige kabinet. Ik ben het helemaal met de heer Fritsma eens dat wij er nog niet zijn, maar laat hij nu eens erkennen dat maatregelen, zoals de Turkije-agreement en ook de stappen die wij op dit moment in Afrika zetten en mogelijk in de toekomst ook met Noord-Afrikaanse landen, een manier zijn om meer controle te krijgen op het migratiebeleid. Als de heer Fritsma daar volledig voor wegloopt en alleen maar roept dat de grenzen dicht moeten, zonder daarbij aan te geven hoe die dicht moeten, met alle respect, dan heb ik niets aan deze interruptie.

De heer Van Ojik (GroenLinks):
Voorzitter. Wat de heer Azmani eerst heel bescheiden het VVD-plan noemde, uit maart 2015, en toen aangaf dat het hem helemaal niet uitmaakte en dat dat dat ook best het plan-Samsom mocht heten, dat is natuurlijk het plan-Azmani. Dat wil ik wel zeggen. Daar heeft hij zekere faam mee verworven, althans in eigen kring. De rest van de samenleving was minder enthousiast, maar de kern van dat plan was: er wordt in Europa geen asiel meer aangevraagd, behalve als je uit Europa komt. U merkt, ik heb dat plan toen goed gelezen. Is de heer Azmani, nu terugkijkend, tevreden dat dit is gerealiseerd?

De heer Azmani (VVD):
Ja, daar was het plan voor bedoeld. Het had geen zin meer om — zo staat het er ook — asiel aan te vragen in Europa, omdat je wist dat je zou worden teruggestuurd. Dat heeft alles te maken met het concept van veilige derde landen. Ik wijs ook nog op de richtlijnen binnen het Europees recht waarin mogelijk wordt gemaakt om dat te kunnen doen. Er wordt nu ook gebruik van gemaakt door de Grieken. Je kunt er vraagtekens bij plaatsen in hoeverre en in welke mate de Grieken ervan gebruikmaken. Dat debat gaan wij, denk ik, volgende week ook hebben in het kader van de JBZ-Raad.

De heer Van Ojik (GroenLinks):
Daar verheug ik me nu al op, maar mijn vraag had betrekking op de inleiding van de heer Azmani. Hij zei: het maakt me niet uit hoe het plan heet, maar ik stel tevreden vast dat het is gerealiseerd. De kern van het plan was dat je in Europa geen asiel meer kunt aanvragen, behalve als je uit Europa komt. Dat heb ik volgens mij goed samengevat. Mijn vraag aan de heer Azmani is: is zijn tevredenheid nu te verklaren uit het feit dat dit plan is gerealiseerd?

De heer Azmani (VVD):
Wat we hebben gerealiseerd, is dat Nederland in 2016 niet is geconfronteerd met de prognoses zoals die toen luidden. Dat waren zelfs nog positieve prognoses, want volgens mij zou de werkelijkheid nog erger zijn geweest. Dan zou Nederland zijn geconfronteerd met meer dan honderdduizend asielzoekers. In 2015 konden wij het al niet aan. De bussen reden door het land op zoek naar een plek. Volgens mij kunnen we nu constateren dat er resultaat is geboekt als het gaat om de Turkije-agreement. Ja, dat doe je aan de hand van het concept veilige derde landen. Het heeft dan geen zin meer om asiel aan te vragen in Europa, want je wordt teruggestuurd naar een veilig land in je eigen omgeving.

De voorzitter:
Gaat u verder, mijnheer Azmani.

De heer Azmani (VVD):
Dank, voorzitter. Ik kom dan bij het regeerakkoord. We gaan door om er voor de volgende jaren voor te zorgen dat we de problemen waar mensen echt van wakker liggen daadwerkelijk gaan aanpakken. We zijn nog lang niet klaar. We hebben weliswaar de hoofdroute over de Egeïsche Zee via Turkije onder controle gekregen, maar de route via de Middellandse Zee is nog onvoldoende. We gaan doorpakken conform het VVD-plan van maart 2015 om deze afspraken ook met landen in Noord-Afrika te maken. En in de tussentijd werken we aan afspraken met herkomst- en transitlanden voor betere opvang, eigen grensbeheer en terugkeer. Ook dit verdient de nodige aandacht zodat naast investeringen ook consequenties volgen wanneer landen deze afspraken niet nakomen. Dan heb ik het over consequenties op het gebied van ontwikkelingshulp, handelsovereenkomsten, verdragen, landingsrechten en/of visaverstrekking. Wat de VVD betreft is er veel mogelijk binnen de internationale afspraken en verdragen die we met elkaar hebben, maar we zullen niet schromen om deze in de toekomst aan te passen wanneer dit nodig mocht zijn. We wachten dan ook met belangstelling de uitkomsten af van de top van de Europese en Afrikaanse Unie die vandaag en morgen gaande is.

Dit brengt mij bij de eerste vraag aan de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Welke rol ziet hij weggelegd voor zichzelf in deze internationale context van het migratiedomein? Was onze aanpak de afgelopen decennia vooral nationaal gericht, nu wordt er vooral internationaal handelen gevergd. Welke ambities heeft de staatssecretaris en hoe ziet hij in dezen de samenwerking met de ministers van Buitenlandse Zaken en van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking? Hoe nauw is hij betrokken bij de keuzes die daar worden gemaakt? Welke landen, welke investeringen, en onder welke condities? Wanneer zijn wij bereid om de stok te hanteren jegens landen die terugkeer weigeren? De afspraak die we met elkaar hebben gemaakt is dat de aanvullende uitgaven zich in het bijzonder richten op het bestrijden van oorzaken en gevolgen van migratie, waaronder opvang in de regio. Dan word ik niet meteen erg optimistisch wanneer ik naar de eerste bestedingsplannen van de minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking kijk die hebben geleid tot een nota van wijziging op de begroting van 2018 van Buha/OS. Wat vindt de staatssecretaris daar eigenlijk van en hoe ziet hij zijn eigen rol daarin?

Een voorbeeld van investeringen die kunnen worden gedaan onder de noemer van opvang in de regio is de bouw van weeshuizen in de regio, niet met als doel om ze vol te krijgen, maar om te voorkomen dat kinderen door hun ouders als vooruitgeschoven posten naar Europa worden gestuurd. Uit het verleden kunnen wijze lessen worden geleerd. Kijk bijvoorbeeld naar Angola waar we als Nederland een weeshuis hebben geopend in Mulemba. Gevolg daarvan was dat de toestroom van minderjarige Angolese kinderen naar Nederland snel afnam. Vorig jaar heb ik in Ethiopië ook met eigen ogen kunnen zien wat het betekent wanneer ogenschijnlijk perspectief wordt geboden voor kinderen richting Europa. Kinderen worden weggehaald uit hun gezin en worden onderweg aan enorme risico's blootgesteld, zoals misbruik en orgaanhandel. Nu het aantal onbegeleide kinderen in de migratiestroom in de afgelopen jaren weer is toegenomen, moeten we hier echt op acteren. Is de staatssecretaris bereid om op dit dossier ook in Europees verband de aanjagende rol te spelen? Als Europa hierin gewoon achterblijft, kunnen we dan niet bilateraal met landen tot afspraken komen?

Voorzitter. In de irreguliere migratiestroom naar Europa zitten ook mensen aan wie we absoluut geen bescherming willen bieden omdat ze een gevaar vormen. Ik heb het dan over terroristen en oorlogsmisdadigers. Zij die bijvoorbeeld hebben meegewerkt aan de barbaarse strijd door het willen oprichten van een eigen staat: IS. Of zij die ook elders de strijd aangaan: de jihad tegen ons vrije Westen. Mijn waarschuwing hiervoor in 2015 werd door sommige kopstukken van diensten nog ernstig in twijfel getrokken. Inmiddels is het een gegeven: oorlogsmisdadigers moeten geen gebruik kunnen maken van onze bescherming. Niet voor niets hebben we ook in het regeerakkoord op laten nemen dat het Team Internationale Misdrijven wordt versterkt om potentiële oorlogsmisdadigers in de asielstroom te signaleren. In dat kader heb ik de volgende vragen aan de staatssecretaris. Hoe vergroot je de kennisopbouw van de vreemdelingenketen? Hoe wordt de integrale benadering van contraterrorismevraagstukken verder vormgegeven? Wat betekent dit voor de zaak, in het bijzonder bij Syrische zaken die inmiddels zijn ingewilligd op basis van verouderde kennis? Moesten die zaken niet herbeoordeeld worden op basis van de meest actuele kennis over de situatie in het IS-gebied en de potentiële strijders? Zou bijvoorbeeld niet bij een vergunningaanvraag voor onbepaalde tijd wederom gekeken moeten worden naar 1F-aspecten op basis van de kennis die op dat moment voorhanden is? Moeten we de extra capaciteit van de 1F-unit niet inzetten voor een constante monitoring? En kunnen we bijvoorbeeld niet al op korte termijn een tussentijdse toets hanteren om te bezien of iemand nog aan de voorwaarden voor een asielvergunning voldoet, zodat we na drie jaar een formeel toetsmoment hebben in plaats van na vijf jaar?

We weten dat IS de afgelopen maanden heel veel terrein in Syrië heeft verloren. We weten ook dat vele vluchtelingen huiswaarts zijn gegaan. UNHCR rapporteerde recentelijk nog dat bijna een half miljoen vluchtelingen zijn teruggekeerd. De meeste terugkeerders komen uit de steden Aleppo, Hama, Homs en de hoofdstad Damascus. Dat ze terugkeren, toont volgens de vluchtelingenorganisatie aan dat de veiligheidssituatie in die delen van het land verbeterd is. Mijn verwachting is dan ook dat we in de komende periode het landenbeleid voor Syrië moeten herzien en dat het gevolg hiervan is dat ook Syriërs uit ons land weer terug moeten keren. Mijn vraag aan de staatssecretaris is of hij deze verwachting van de VVD deelt. En zo ja, hoe bereidt hij zich hierop voor? Is hier in EU-verband bijvoorbeeld al over gesproken? En treffen sommige lidstaten daar ook al voorbereidingen voor?

De heer Fritsma (PVV):
Ik kom nog even terug op het verhaal van de heer Azmani over screening van potentiële Syrische terroristen. Ik hoop dat mensen echt bestraft kunnen worden. Maar ja, we zien met het voorbeeld Laura H. dat die straf vaak tegenvalt: een paar maanden gevangenisstraf. Is de VVD het ermee eens dat terroristen na het uitzitten van een hopelijk heel lange straf meteen weer op het vliegtuig terug naar Syrië moeten worden gezet en never nooit niet in de Nederlandse samenleving mogen blijven hangen?

De heer Azmani (VVD):
Dat zou ik ook ontzettend graag willen, ja. Dat klopt, dat deel ik.

De heer Fritsma (PVV):
En dan is er natuurlijk een groot probleem. Het kabinet heeft ook recentelijk aangegeven dat Syrische terroristen en oorlogsmisdadigers niet kunnen worden teruggestuurd naar Syrië vanwege het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, artikel 3 om precies te zijn. Dus dan vraag ik ook aan de heer Azmani: zet door, zeg dat verdrag op want anders kun je deze mensen dus niet Nederland uit krijgen. We kunnen geen situatie hebben dat de VVD niet alleen Syrische terroristen binnenhaalt maar er vervolgens ook voor zorgt dat ze niet uit Nederland verwijderd kunnen worden, want dat is nu de praktijk, tenzij u dat verandert door dat verdrag op te zeggen.

De heer Azmani (VVD):
De PVV verstaat altijd de kunst om de belemmering neer te leggen maar weet vervolgens niet wat de oplossing zou zijn. Het is niet alleen artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, maar je hebt ook te maken met artikel 33 van het internationale Vluchtelingenverdrag. Ik weet wel dat de PVV zegt: dan zeggen we dat hele verdrag ook op en het interesseert ons allemaal niet waar die mensen naartoe gaan, of ze oorlogsgebied ingaan et cetera. Dat weet ik, dat is het standpunt van de PVV.

De heer Fritsma (PVV):
Syrische terroristen …

De heer Azmani (VVD):
Inderdaad, Syrische terroristen mogen geen …

De voorzitter:
Niet door elkaar heen praten! Iedereen is weer wakker.

De heer Azmani (VVD):
Syrische terroristen wil ik geen bescherming bieden in dit land.

De heer Fritsma (PVV):
En toch gebeurt dat nu.

De heer Azmani (VVD):
De heer Fritsma en ik delen dus hetzelfde streven om dat niet te doen.

De heer Fritsma (PVV):
U laat ze hier blijven.

De voorzitter:
Nee, nee, nee, niet door elkaar spreken.

De heer Azmani (VVD):
Dat is uw conclusie. Ik doe mijn best om ervoor te zorgen dat die mensen daadwerkelijk geen bescherming krijgen in dit land. En daarom plussen we bijvoorbeeld de 1F-unit op en zorgen we ervoor — dat is in ieder geval mijn streven — dat bij vergunningen die in het verleden zijn verleend, gebaseerd op oude informatie, gekeken wordt naar de actuele informatie om die vergunningen in te trekken. Uiteindelijk moeten mensen terug worden gestuurd naar Syrië, maar dat is mijn pleidooi volgens mij ook geweest.

De voorzitter:
Gaat u verder.

De heer Azmani (VVD):
Voorzitter. Dan wil ik het hebben — daar had ik eigenlijk ook een bruggetje naar gemaakt — over het schrappen van nationale koppen op Europese wet- en regelgeving. Ik denk dat het verstandig is, ook om aan verwachtingsmanagement te doen voor mensen die hier een tijdelijk verblijfsrecht hebben en worden teruggestuurd als de situatie in het land van herkomst wijzigt, om ook de slag maken om wet- en regelgeving te ontdoen van nationale koppen. Dan gaat het er bijvoorbeeld om dat je het mogelijk maakt dat je een tussentijdse toets creëert, zodat na drie jaar al duidelijk is of iemand wel of niet aan de voorwaarden van een verblijfsvergunning voldoet. Maar ook bijvoorbeeld het afschaffen van verhoor bij een herhaalde aanvraag en het niet langer meer automatisch verstrekken van rechtsbijstand, niet eerder dan bij een voornemen tot afwijzing. Dit ook omdat het streven is, procedures zo kort en eenvoudig mogelijk te houden. Kan de staatssecretaris toezeggen dat hij snel met dit pakket naar de Kamer komt?

Voorzitter. Dan kom ik bij het onderwerp vertrek. In het regeerakkoord hebben we afgesproken het vertrek verder te intensiveren, door onder andere ook het instrument vreemdelingenbewaring verder te verruimen. Van belang hierbij is te onderkennen dat steeds meer asielaanvragen worden gedaan door asielzoekers die eerst élders in Europa hebben geprobeerd asiel aan te vragen. Kortom, een toename van de zogeheten Dublinzaken. Er is niet voor niets extra capaciteit toegezegd voor de Dienst Terugkeer en Vertrek om meer uitgeprocedeerden daadwerkelijk te laten vertrekken. Mijn vraag aan de staatssecretaris is, wanneer de Kamer voorstellen tegemoet kan zien. En is de staatssecretaris daarnaast bereid, de operationele samenwerking ook op het Europese toneel te stimuleren? Gezamenlijk optreden leidt bijvoorbeeld tot meer effectiviteit dan elkaar te laten uitspelen als het gaat om gedwongen vertrek naar weigerachtige landen. Europa moet hierin echt gezamenlijk een vuist maken.

Tot slot wil ik stilstaan bij de economische migratie. Die is immers in het belang van het vergroten van onze welvaart, het ondernemerschap en daarmee de werkgelegenheid in Nederland. Meestal een ondergeschoven kindje, maar het verdient toch aandacht. Complimenten ook aan de vorige regering voor het verder verbeteren van het start-upklimaat in Nederland. Mijn ervaring leeft dat suggesties vaak worden overgenomen, suggesties die ik eigenlijk ieder jaar in deze begrotingsbehandeling doe als het gaat om economische migratie. Zo ook mijn pleidooi van vorig jaar voor herziening van de zelfstandigenregeling, waarbij de positieve effecten van de start-upregeling zijn meegenomen. Ik heb mijn hoop ook op deze staatssecretaris gevestigd om grote stappen te maken op dit ondergeschoven onderdeel van ons migratiebeleid. Ik zag in de schriftelijke beantwoording eigenlijk al bemoedigende woorden op dat terrein. Ik heb in mijn plan van 2015 al eerder bepleit dat we naast een fundamentele herziening van het asielmigratiebeleid ook zouden moeten streven naar een fundamentele herziening van het economische migratiebeleid. Onze huidige kennismigrantenregeling is weliswaar vooruitstrevender dan de Europese blue-cardregeling, maar om heel eerlijk te zijn nog veel te behoudend, als je naar andere landen op het wereldtoneel kijkt. Met de nieuwe plannen van de Europese Commissie voor de herziening van de blue-cardregeling zijn we er wat de VVD betreft dus nog lang niet. Zoals al vaker vermeld, bepleit ik voor de toekomst een hybride economisch migratiemodel, zowel vraag- als aanbodgericht, met puntentoekenning om circulaire migratie, dat betekent tijdelijke migratie, te stimuleren en waarbij rekening kan worden gehouden met integratieaspecten in onze eigen samenleving. De laatste vraag is dan ook wat de ambities zijn van deze staatssecretaris op dit o zo belangrijke onderdeel van het migratiebeleid. Daarmee kom ik aan het einde van mijn inbreng en kijk ik uit naar de beantwoording van de zijde van het kabinet.

De voorzitter:
De heer Van Ojik. Was net weggelopen en dacht: aan deze interruptie doe ik niet mee.

De heer Van Ojik (GroenLinks):
Ja, ik dacht u wilt een beetje opschieten, dus laat ik proberen daar zo veel als binnen mijn mogelijkheden ligt aan mee te werken. Maar ik heb toch nog een vraag die meer het algehele betoog van collega Azmani betreft. Hij begon met dat plan, en zei dat het goed is dat dat uiteindelijk in de Turkijedeal is gerealiseerd. Vervolgens zei hij: en nu gaan we door met het regeerakkoord, want ook daarvoor is ons VVD-plan de leidraad. Nou wil ik hem toch nog één keer heel duidelijk vragen, zoals ik ook al bij eerdere debatten heb gevraagd: in het plan-Azmani staat dat het de bedoeling is dat er in Europa geen asiel meer kan worden aangevraagd. Dat staat er letterlijk, ik kan het voorlezen en citeren. Ik wil graag weten of dát de leidraad is voor het regeerakkoord, wat de VVD betreft. Want dan weten mensen die in Europa asiel willen aanvragen waar ze aan toe zijn, dan kan het niet.

De voorzitter:
Dat was ook de vraag die u zojuist hebt gesteld.

De heer Van Ojik (GroenLinks):
En toen heb ik er geen antwoord op gehad, want toen ging het over de Turkijedeal. Daarna is de heer Azmani zelf over het regeerakkoord begonnen en heeft gezegd: daar is mijn plan ook leidraad voor.

De voorzitter:
De heer Azmani.

De heer Van Ojik (GroenLinks):
Nou, betekent dat dan dat je in Europa geen asiel meer kunt aanvragen? Dat is mijn eenvoudige vraag.

De heer Azmani (VVD):
Ik vind het altijd verbazingwekkend dat juist vanuit de GroenLinks-hoek deze vraag wordt gesteld, want volgens mij zou GroenLinks ook moeten willen dat je uiteindelijk naar een systeem gaat waarin alleen maar de mogelijkheid van legale migratie bestaat. Het zou niet zo moeten zijn dat, zoals het systeem nu is, mensen gedwongen worden om illegaal te reizen, in handen van mensensmokkelaars terechtkomen, voor een deel de dood vinden in de Middellandse Zee en vervolgens hier dan een asielaanvraag kunnen doen. Ook GroenLinks zou dat uit humane aspecten moeten vinden. Uiteindelijk is het inderdaad de bedoeling dat het niet meer mogelijk is dat we asielaanvragen in Europa hebben voor andere continenten. Via legale weg, op uitnodiging, kijken we naar mensen die het moeilijk hebben en die bijvoorbeeld niet de middelen hebben om het te doen en die in een vreselijke situatie ergens in een opvangkamp zitten. En meneer van Ojik zou ook moeten weten …

De voorzitter:
Punt. De heer Van Ojik.

De heer Van Ojik (GroenLinks):
Gelukkig gaan we bij GroenLinks nog zelf over wat we zouden moeten willen. Het lijkt mij in heel veel opzichten een onbegaanbare weg om te streven naar een model waarin je zegt: je kunt in Europa geen asiel meer aanvragen. Dat is wat de heer Azmani als leidraad aan het nieuwe kabinet, aan deze bewindslieden meegeeft. Dat lijkt me op gespannen voet staan met heel veel internationale verdragen. Daar gaan we bij een andere gelegenheid ongetwijfeld nog over doorpraten.

De voorzitter:
En nu de vraag.

De heer Van Ojik (GroenLinks):
Mijn vraag is of dat wat hem betreft een begaanbare weg is. Maar het antwoord heeft hij in feite al gegeven. Het is wat hem betreft een begaanbare weg, maar wat GroenLinks betreft is het een volledig verkeerde weg om in te slaan.

De voorzitter:
Volgens mij was dit een herhaling. Dat geldt voor u ook, meneer Azmani. De heer Voordewind.

De heer Voordewind (ChristenUnie):
Erkent de heer Azmani dat het regeerakkoord asielaanvragen in Europa op dit moment gewoon erkent zolang er geen migratiedeals zijn, even los van de Turkijedeal?

De heer Azmani (VVD):
Ja, dat klopt.

De voorzitter:
Dank u wel, dan geef ik nu het woord aan mevrouw Buitenweg namens GroenLinks.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. De eerste begrotingsbehandeling van JenV met deze drie bewindspersonen. Ik wil graag van de gelegenheid gebruikmaken om de heren veel succes te wensen in de komende jaren. We zullen ze als fractie kritisch volgen, maar we zullen ook heel graag samenwerken om Nederland rechtvaardiger en veiliger te maken.

Drie bewindspersonen is een ongebruikelijk hoog aantal. Dat heeft ongetwijfeld te maken met de enorme omvang van het ministerie. De vraag is waarom niet gekozen is voor een verkleining van het ministerie van VenJ. Jarenlang was er kritiek op het ministerie: te intern gericht, informatie die binnenskamers werd gehouden en onvoldoende samenwerking. JenV is nu van plan om een open en transparante organisatie te worden via zwermsessies, schaduwstages, veranderestafettes en summerschools. Maar wie van de bewindspersonen is nu verantwoordelijk voor het verandertraject? Zijn er concrete doelen ten aanzien van de cultuur? Welke daarvan zijn het meest urgent? Hoe wordt de Kamer geïnformeerd over dit proces?

Integriteit is van groot belang voor alle overheidsinstellingen, maar des te meer voor VenJ, omdat het de hoeder van de rechtsstaat is. In een rechtsstaat is de overheid gebonden aan het recht en kennen burgers rechtszekerheid, rechtsgelijkheid en vrijheid. Nederland is zo'n rechtsstaat, maar ook bij ons vergt dit permanent onderhoud. Er zijn verbeteringen nodig, allereerst voor een sterkere aanpak van seksueel geweld.

Herinnert u zich nog 2015, met de hashtag "ZegHet"? Duizenden slachtoffers van seksueel geweld deelden toen hun ervaringen op social media en Nederland reageerde geschokt dat seksueel misbruik zo wijd verbreid was en dat veel slachtoffers zich onvoldoende gesteund voelden door de politie. We zijn nu twee jaar verder: "#MeToo". Die benadrukt dat seksuele intimidatie, aanranding en verkrachting te maken hebben met machtsmisbruik. Het gaat om misstappen van individuen, die zijn verantwoordelijk. Maar hun handelen is vaak ingegeven door breed levende opvattingen over genderpatronen, over wat de een hoort te accepteren en de ander denkt zich te kunnen permitteren. Het gaat dus niet, zoals ik een fractievoorzitter van een partij hier hoorde suggereren, over een teveel aan seksuele vrijheid. Integendeel, het wordt hoog tijd voor meer seksuele vrijheid, maar dan wel voor iedereen. De vrijheid om nee te kunnen zeggen én de vrijheid om ja te kunnen zeggen: seksuele zelfbeschikking.

"#MeToo" laat ook zien dat de werkwijze van de politie nog steeds kan worden verbeterd. Let wel, ik denk dat er een flinke slag geslagen is met de zedeninstructie van 2016 en dat veel zedenrechercheurs ontzettend professioneel en betrokken zijn. Maar slachtoffers worden nog niet actief uitgenodigd om een aanranding te melden. Dat is een benadering die in schril contrast staat tot de oproep van de politie om altijd aangifte te doen als er een poging tot inbraak in je huis is. Zelfs als iemand er niet in geslaagd is om binnen te komen en je de dader niet hebt gezien, dan nog wil de politie dat je aangifte doet, omdat zij via aangiftes informatie krijgt over op welke tijden, waar en met welke middelen boeven hun slag slaan. Het effect van het verzoek tot aangifte is dat slachtoffers duidelijk gemaakt wordt dat de overheid het niet oké vindt wat er gebeurd is. Zelfs als vervolging onwaarschijnlijk is, helpt dat bij de verwerking van slachtoffers.

Slachtoffers van seksueel geweld moeten doorgaans door een informatief gesprek heen voordat ze aangifte kunnen doen. Ze worden daarin gevraagd goed na te denken over de gevolgen van een aangifte. Dat wordt vaak als ontmoedigend ervaren. Dat maakt mij niet per se tot een tegenstander van een informatief gesprek, maar ik wil het wel een andere lading geven en het juist inzetten om de stap naar de politie te gaan verlagen door slachtoffers duidelijk te maken dat een informatief gesprek altijd nuttig is, zelfs als het niet tot vervolging leidt, omdat de politie meer informatie krijgt over hoe, waar en door wie seksueel geweld wordt gepleegd. Kan de minister aangeven of hij bereid is te onderzoeken of die rode loper voor slachtoffers kan worden uitgelegd met een campagne om je te melden en met een uitnodigende website? Misschien zullen dan minder slachtoffers vol frustratie hun recht proberen te halen via social media.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
GroenLinks is het altijd heel erg oneens met het CDA als we mensenhandel en prostitutie willen aanpakken, maar als er nu één sector in Nederland is waarin seksueel misbruik hoogtij viert, is het in die sector. Mag ik dan vanaf nu GroenLinks een beetje meer aan onze kant zien specifiek op het punt van intakes van de GGD, waarbij wordt gekeken of sprake is van vrijwilligheid? GroenLinks zegt altijd daar niet aan te willen, maar ik zou zo graag willen dat GroenLinks aan onze kant staat om die vrouwen in beeld te krijgen, zodat ook zij meetellen wanneer we het hebben over #MeToo.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Ik vind het een heel rare conclusie dat GroenLinks voor mensenhandel is. Wij zijn enorm gedreven om mensenhandel aan te pakken omdat we mensenhandel zien als een schending van mensenrechten. Mensenhandel komt inderdaad voor in de prostitutie, maar ook in heel veel andere sectoren, zoals de champignonkwekerij. Het dwingen van mensen tot handelingen is verboden. Daar zal GroenLinks altijd voor strijden. Er zijn een aantal voorstellen. Ook door dit kabinet worden die gelanceerd. Die voorstellen zullen we hier gaan bespreken, maar we moeten ook bedenken wat voor gevolgen dat heeft. Ik noem de vergunningplicht. Bij die plicht moet iemand zich melden en kan diegene pas aan de slag als aanbieder van seksuele diensten als diegene een vergunning heeft. Maar wat gebeurt er als iemand geen vergunning heeft en dan ernstig wordt aangevallen en er sprake is van geweld? Dan kan het wel zo zijn dat het effect van de goede bedoelingen — ik geef u dat absoluut mee — is dat mensen zich niet durven te melden bij de politie omdat ze gaan vergunning hebben. Het gaat ons erom dat we niet alleen veel mooie regels hebben om misstanden en mensenhandel tegen te gaan, maar ook dat we kijken hoe die in de praktijk zullen uitwerken.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Ik denk dat mijn collega Anne Kuik geweldige debatten gaat voeren met GroenLinks over prostitutie en over de noodzaak van een vergunningstelsel, maar ik wil even terug naar de intake, want daar had ik het over. Iedere keer botsen we met GroenLinks wanneer wij aangeven dat we die vrouwen in beeld willen hebben en dat we willen dat de GGD gesprekken met deze vrouwen gaat voeren, juist om erachter te komen of iemand vrijwillig in deze branche werkzaam is. Tot nu toe zei GroenLinks steeds: nee, dit is privacy; dat gaat niemand wat aan. Maar laten we dan nu ook die brug slaan en juist gelet op de #MeToo-discussie hiernaar durven kijken.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Ik vind dat heel goed, maar ik wil heel zuiver gaan kijken waar de GGD-intakes voor zijn. Er komt nu een soort vermenging. Die intakes zijn inderdaad bedoeld om te kijken of iemand gezond is en of iemand dat allemaal zonder dwang doet, maar er komt nu iets bij kijken: die vergunningsplicht komt om de hoek. Dan worden de zaken vermengd, waardoor mensen zich minder gaan melden. Laten we inderdaad heel erg in de praktijk kijken of de autonomie van vrouwen gewaarborgd blijft. Dat is uiteindelijk onze leidraad.

De voorzitter:
Gaat u verder.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Voorzitter. Ik blijf nog even bij vrouwen. Sinds 2015 is via het strafrecht huwelijksdwang, en daarmee huwelijkse gevangenschap, verboden. Je mag niemand dwingen om met je getrouwd te blijven. Dat is een prima wet, maar het strafrecht kent grote consequenties. Voor veel vrouwen die wel willen scheiden, is het veroorzaken van een tweejarige gevangenisstraf voor hun ex, die vaak ook nog de vader van hun kinderen is, wat al te ruig. Als gevolg daarvan is bij mijn weten nog niemand veroordeeld wegens huwelijkse gevangenschap. GroenLinks is daarom dan weer wel met het CDA van mening dat we huwelijkse gevangenschap ook moeten aanpakken via het Burgerlijk Wetboek. De rechter kan nu al vaststellen dat het niet meewerken aan een echtscheiding gezien kan worden als een onrechtmatige daad en zal een dwangsom opleggen voor elke dag dat een man weigert zijn ex-vrouw haar vrijheid terug te geven. Maar niet iedere vrouw kan via deze weg haar vrijheid afdwingen, zo maakte het gerechtshof Den Haag vorige week in hoger beroep duidelijk. Dat hangt af van individuele omstandigheden en biedt daarom te weinig zekerheid aan alle vrouwen. Is de minister bereid te onderzoeken hoe de omissie in het Burgerlijk Wetboek kan worden gerepareerd met een generieke regel, waarin bijvoorbeeld niet meewerken aan het beëindigen van een religieus huwelijk standaard gezien wordt als een onrechtmatige daad? Ik zou hem daarnaast willen vragen welke andere maatregelen hij wil nemen om te zorgen dat huwelijkse gevangenschap hier niet meer voorkomt. Ik denk aan rechtsbijstand in het buitenland als een weigerende echtgenoot daar woont, aanwezigheid van ambassadepersoneel bij rechtszittingen, betere training van zorgprofessionals om huwelijkse gevangenschap te herkennen enzovoort. Graag krijg ik een uitputtende lijst.

Voorzitter. De robuustheid van de rechtsstaat bewijst zich in de praktijk. Het is daar dat grondrechten betekenis krijgen. Ik zou de minister willen vragen om echt pal te staan voor de wet en dat ook echt uit te dragen. Laat ik als voorbeeld de demonstratievrijheid nemen. Demonstratievrijheid is geen gunst maar een recht. Het stelt mensen in staat om van zich te laten horen in maatschappelijke discussies of wanneer ze vinden dat er sprake is van onrecht. En ja, dat is niet altijd leuk, want er is dan sprake van strijd en van tegengestelde meningen. In de afgelopen jaren zie je een trend om gedoe uit de weg te gaan. Mensen worden te snel opgepakt en later, als het momentum voorbij is, met een "sorry" weer vrijgelaten. Er zijn weleens inhoudelijke voorwaarden aan demonstraties gesteld en er zijn demonstraties geheel verboden. Soms gebeurde dat echt met goede redenen, maar soms ook omdat het te veel menskracht zou vergen om de openbare orde te handhaven, terwijl eenzelfde politie-inzet wel besteed wordt om betaald voetbal in goede banen te houden. Ik hoor graag van de minister welke taken hij voor zichzelf ziet weggelegd om te zorgen dat intimidatie niet wint en om te garanderen dat de vrijheid van meningsuiting voor iedereen geldt. Natuurlijk ligt er een belangrijke taak bij burgemeesters, maar het is de Nederlandse Staat als geheel die normadressaat is van mensenrechtenverdragen. Hoe ziet de minister dat?

Mevrouw Helder (PVV):
Ik kom nog even terug op het vorige punt, de religieuze huwelijken. Ik weet nog dat ik jaren geleden meerdere moties heb ingediend om te verzoeken dat het internationaal privaatrecht zo zou worden aangepast dat die huwelijken niet erkend zouden worden. Daar was niemand voor, ook GroenLinks niet.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Nee.

Mevrouw Helder (PVV):
Nee, ik hoor u het zeggen. Nu gaat u aan een belangrijk punt voorbij, want u zegt dat je vrij moet zijn om met iemand te kunnen trouwen maar ook om te kunnen scheiden. Dat punt noemde u zojuist niet. U zegt dat u een einde wilt maken aan het blijven in een religieus huwelijk dat je niet wilt, de huwelijkse gevangenschap, maar waarom zou zo'n mevrouw hier niet moeten kunnen scheiden? Dat zegt u in uw artikel, maar u zegt nu niet hoe dat uitgevoerd zou moeten worden. U zegt dat u huwelijkse gevangenschap wilt zien als een onrechtmatige daad. Blijkbaar is het nu niet voldoende. Ik zie dus een hele tekst in de media, maar ik zie geen oplossing.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Het is goed en fijn dat u dat vraagt, want de tijd staat stil. Dan kan ik nog even de tijd nemen.

De voorzitter:
Nou, ook heel kort, niet onbeperkt.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Ik zal uitleggen hoe het kan werken. Dan hebben we het echt over iemand die gedwongen wordt en heeft geprobeerd uit een huwelijk te komen en de man werkt niet mee. Je zou naar het strafrecht kunnen gaan, maar dat is vaak een wat te grote stap. Dan zou je naar de rechtbank kunnen gaan, zoals ook onlangs is gebeurd. Dan kan je zeggen: mijn man werkt niet mee. De rechter kan dan zeggen dat dat wordt gezien als een onrechtmatige daad en kan een dwangsom opleggen om iemand te dwingen om de ander uit dat huwelijk te laten gaan. Vorig jaar zei een rechter in Nederland nog: nee, dan moet u niet bij mij zijn; dan moet u bij de shariarechtbank in Londen zijn. Vorige week heeft het gerechtshof in Den Haag in hoger beroep gezegd dat dit ons wel degelijk aangaat — want iemand zit echt in onvrijheid en dat is een probleem voor ons allemaal — en dat het gezien kan worden als een onrechtmatige daad. Via die weg is er een manier om iemand toch tot een echtscheiding te dwingen. Het geldt alleen voor sommige mensen in sommige situaties. Vandaar mijn vraag: kan dit toch op een generiekere manier voor iedereen geregeld worden?

De voorzitter:
Mevrouw Helder, tot slot op dit punt.

Mevrouw Helder (PVV):
Ja, kort. Ik zie dat nog steeds niet, want dan is de betreffende mevrouw nog altijd niet gescheiden. Dat is het probleem waar ik als advocaat ook tegen aanliep. Het gaat er ook om dat je dan een huwelijksgoederengemeenschap moet ontbinden en de goederen moet gaan verdelen. Uiteindelijk gaat de burgerlijke rechter daar ook niet over. Ik zie dus nog steeds de oplossing niet.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Waar het om gaat, is dat een burgerlijk huwelijk vaak wel kan worden ontbonden maar dan blijft iemand vastzitten in een religieus huwelijk met grote gevolgen. Dan kan iemand nog steeds, als zij een andere relatie heeft, door een gemeenschap worden gezien als een overspelige vrouw. Zij kan niet naar bepaalde islamitische landen gaan. Via het dwingen van een man om mee te werken aan de formule voor het ontbinden van een religieus huwelijk wordt een volgende stap gezet. Dus ik kijk graag uit naar de mening van de minister om ons daarbij te helpen.

De voorzitter:
De heer Van Oosten heeft ook nog een vraag.

De heer Van Oosten (VVD):
Toch een vraag, voorzitter. Wij kunnen als wetgever iets vinden van het kunnen ontbinden of niet kunnen ontbinden van huwelijken gesloten onder het burgerlijk recht. Eens. Maar wij willen ons toch niet ineens gaan bemoeien met allerlei religies of wel?

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Nee, dat willen wij inderdaad niet. Overigens wordt er wel gerefereerd aan religieuze huwelijken, want je mag namelijk alleen een religieus huwelijk aangaan als je ook al een burgerlijk huwelijk hebt gesloten. Dus wij zijn niet blind voor het bestaan van religieuze huwelijken. Dan is er dus al wel een erkenning dat die religieuze huwelijken er kunnen zijn. Laten wij ervoor zorgen dat mensen er ook onderuit kunnen. Waarom is dit wel degelijk een probleem voor ons? Omdat het om mensenrechten gaat. Je hebt als mens het recht om je eigen partner te kunnen kiezen. Dit betekent dat je ook het recht moet hebben om daar weer vanaf te gaan, om een scheiding te hebben. Wij kunnen daar niet blind voor zijn.

De heer Van Oosten (VVD):
Maar, voorzitter, even voor de goede orde. Waarom hebben wij het in Nederland geregeld zoals wij het hebben geregeld en zijn het burgerlijk recht en de ambtenaar van de burgerlijke stand leidend? Omdat wij in dit land een scheiding van kerk en staat hebben en omdat wij zeggen: u kunt hier alleen maar trouwen naar het burgerlijk recht. Als je daarnaast in het kader van een religie ook nog iets van een feest wilt organiseren of een verbintenis wilt aangaan — sommigen doen dat en sommigen doen dat niet — is dat allemaal prima, maar leidend is wel degelijk het burgerlijk recht, lijkt mij.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
In Nederland is inderdaad het burgerlijk recht leidend en dat wil ik ook niet aantasten. Ik sta er ook niet om te springen dat er allemaal religieuze huwelijken zijn, maar ik constateer dat ze er zijn en dat het burgerlijk huwelijk dan vaak is ontbonden terwijl het religieuze huwelijk blijft bestaan. Mensen zitten daarin gevangen en dat veroorzaakt een probleem. Dat hoop ik, ook samen met de VVD, te kunnen oplossen.

De heer Azarkan (DENK):
Dit is een sympathiek punt. Ik heb op nu.nl een uitgebreid interview gelezen met mevrouw Buitenweg en mevrouw Van Toorenburg. Ik heb hierover dus iets meer kunnen lezen. Het is een sympathiek punt. Niemand zou tegen zijn of haar wil in een huwelijk moeten zitten. Dat geldt ook voor de DENK-fractie. Ik was aanvullend wel benieuwd hoe groot het probleem is. Kunt u daar iets over vertellen?

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Dat is een heel goede vraag. Ik zou daar ook graag wat meer cijfers over ontvangen van de minister. Ik weet dat het bij huwelijksdwang, en huwelijkse gevangenschap valt onder die definitie, om zo'n 900 vrouwen per jaar gaat. Het is natuurlijk heel ingewikkeld om die cijfers te hebben, want het is moeilijk te weten wie het betreft. Dat is het probleem hiermee. De cijfers over huwelijksdwang zijn ooit door Movisie berekend: ongeveer 900 vrouwen per jaar.

De heer Azarkan (DENK):
Ik zou dan willen voorstellen om dat beter inzichtelijk te krijgen. Dan kun je veel beter werken aan een oplossing. Dat zou mijn oproep zijn. Ik zou dat ook graag willen weten.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Volgens mij is er via het ministerie van Sociale Zaken een soort actieplan waarvan nog niet bekend is of dit vanaf volgend jaar doorgaat. Wie weet kan de minister daar ook op antwoorden, want het gaat namelijk niet alleen om recht. Het gaat er ook om dat dingen worden herkend door zorginstellingen en dat mensen hulp wordt aangeboden.

Voorzitter. Voor de wet is iedereen in Nederland gelijk, maar in de werkelijkheid van alle dag zijn wij er nog niet in geslaagd om iedereen gelijke kansen te geven. Van het aanpakken van discriminatie moeten wij veel meer werk maken, ook in het overheidsapparaat zoals bij de politie. Deze maand ontving korpschef Akerboom een bundeling van verhalen over discriminatie en racisme in het korps. Het bestaan van een gesloten politiecultuur is bekend en die leidde er in het verleden toe dat er meer agenten met een migratieachtergrond uit het korps vertrokken dan er bij kwamen. De situatie lijkt niet substantieel verbeterd. Hoe ziet de minister dit? GroenLinks vindt de open houding van korpschef Akerboom op dit punt hoopgevend, maar er zal wel boter bij de vis moeten worden geleverd. Dat is belangrijk voor de agenten die het betreft, het is belangrijk om meer personeel te trekken, misschien zelfs om het ziekteverzuim, dat de heer Van Oosten noemde, tegen te gaan, maar het is ook belangrijk voor de veiligheid van de hele samenleving, want een te eenzijdig samengestelde politie loopt het risico niet door de hele samenleving te worden vertrouwd. Dat vertrouwen is juist hard nodig om informatie toegespeeld te krijgen en om echt te worden geaccepteerd als het geldende gezag, de enige met het geweldsmonopolie.

Voorzitter. Ik ga in op dat gezag. In sommige plaatsen en straten van Nederland dreigt niet de sterkte van het recht, maar het recht van de sterkste te gelden. Daar intimideert de georganiseerde criminaliteit burgers en burgemeesters. Daar is de onderwereld verweven met de bovenwereld. Die ondermijning bedreigt de vrijheid en rechtszekerheid van mensen. Om alle kennis maximaal te kunnen benutten, is een optimale samenwerking nodig tussen verschillende partijen: OM, politie, justitie, brandweer, de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, zorginstellingen, de uitdijende groep buitengewone opsporingsambtenaren en, ja ook, private partijen. De heer Van Oosten zei het ook al. Zou het niet een mooi begin zijn voor de minister van Veiligheid en Justitie en de minister voor Rechtsbescherming als zij samen echt met een brede veiligheidsvisie komen, zoals voorgesteld door de Coalitie voor Veiligheid, waarin zich veel professionals uit het veld hebben verzameld?

De politieke partijen in deze Kamer hebben nog een extra verantwoordelijkheid, want de integriteit van onze lokale politici moet buiten kijf staan.

Mag ik doorgaan, mevrouw de voorzitter?

De voorzitter:
Ik zie de heer Van Oosten bij de interruptiemicrofoon staan. De heer Van Oosten.

De heer Van Oosten (VVD):
Dank u, voorzitter. Het thema is wel heel anders. Ik hoorde mevrouw Buitenweg spreken over private partijen, die ook moeten worden betrokken bij het gezamenlijk optrekken tegen ondermijning. Ik heb gewoon één vraag, even ter bevestiging. Vanuit de optiek van GroenLinks betekent dit toch ook dat met deze organisaties informatie moet kunnen worden gedeeld? Dat betreft informatie over persoonsgegevens en criminele antecedenten, want het is precies de ondermijnende partij die wij willen aanpakken.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Ik wil juist graag dat dat in de integrale veiligheidsvisie komt. U heeft mij helemaal overtuigd, niet nu, maar al een tijd geleden. Het gaat bijvoorbeeld ook om het verhuren van bedrijven: soms zijn mensen al in beeld. Wij moeten ervoor zorgen dat die informatie goed wordt gedeeld. Dat zijn van die zaken. Voor ons is het ook van groot belang dat de ondermijnende criminaliteit wordt aangepakt, want die is echt een aantasting van de rechtsstaat.

De voorzitter:
Gaat u verder.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Nog twee punten, voorzitter.

Rechtszekerheid vereist dat mensen ook echt toegang tot het recht hebben, ook als ze over minder geld beschikken. Nederland heeft een stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand, dat lang als voorbeeld heeft gegolden voor veel andere landen. Een typisch Hollandse traditie, zeg maar. Maar dat stelsel staat inmiddels onder druk. De commissie-Van der Meer heeft laten zien dat advocaten heel veel uren meer werken dan zij vergoed krijgen en dat tast de kwaliteit van het werk aan. Ik wil graag dat de minister bevestigt dat hij de uitgangspunten van het huidige stelsel nog steeds steunt. Dat is het uitgangspunt dat een advocaat één punt voor één uur werk krijgt en dat een redelijk inkomen wordt verdiend met zo'n 1.200 uren per jaar.

Ten slotte wil ik het belang van mediation benadrukken. Ook in het strafrecht kan mediation helpen, om slachtoffers de regie over hun eigen leven terug te geven, om daders ter verantwoording te roepen, om beter te begrijpen wat er is gebeurd en om te zoeken naar genoegdoening zonder dat dit gevolgen heeft voor de voortgang van de strafzaak. Mediation is zo een waardevolle aanvulling op de strafrechtspleging. Ik steun daarom de amendementen die tot doel hebben voor deze mediation 1,5 miljoen euro extra uit te trekken.

Voorzitter. Tot nu toe heb ik gesproken over de rechtsstaat en de mensenrechten in Nederland, over het recht om je eigen leven vorm te geven, vrij van geweld en vrij van willekeur door de overheid. Die vrijheid komt niet alleen Nederlanders toe, want mensenrechten zijn universeel. Over asiel en migratie geef ik daarom nu graag het woord aan mijn collega Bram van Ojik.

De voorzitter:
Nou, ik denk dat ik eerst ga schorsen. Nee, hoor! Grapje. Kom maar, mijnheer Van Ojik.

Het woord is aan de heer Van Ojik namens GroenLinks.

De heer Van Ojik (GroenLinks):
Dank u, voorzitter. Ik weet niet of ik hetzelfde aantal woorden per minuut haal als mijn collega Buitenweg. Ook ik wil graag de bewindslieden veel succes wensen. Ik zal mij inderdaad vooral met asiel en migratie bezighouden. Ik zal daarom waarschijnlijk vooral met de staatssecretaris debatteren. Ik hoop dat wij ondanks de meningsverschillen, die er zeker zullen zijn, zo nu en dan toch tot zaken kunnen komen.

Voorzitter. Alles best, zolang ze maar niet hier komen: het is deze onversneden niet-in-mijn-achtertuinbenadering die mij als eerste trof toen ik het deel over asiel en migratie in het regeerakkoord op mij liet inwerken. Het nieuwe kabinet lijkt er soms bijna door geobsedeerd. Lees vooral de paragraaf waar voor de zekerheid "Menswaardig en effectief migratiebeleid" boven is gezet. We bieden vluchtelingen bescherming door voor hen veilige plaatsen te creëren, dicht bij waar ze vandaan komen. Dan hoeven ze niet door te migreren. Doen ze dat toch, dan worden ze, als ze niet onmiddellijk gevaar lopen, teruggestuurd naar de opvang in de regio. Van daar kunnen we dan, als de instroom afneemt, hervestiging in Nederland aanbieden. We beginnen met 750, een, op een totaal van 65 miljoen vluchtelingen wereldwijd, helaas niet heel erg indrukwekkend aantal.

Mevrouw de voorzitter. Het beleid van dit kabinet is op drijfzand gebouwd. De landen waar we de vluchtelingen voor opvang naartoe willen sturen, bestaan niet. De regio is al lang overbelast en doet al een veelvoud van wat wij doen. De regio heeft zo zijn eigen problemen en is niet veilig genoeg om mensen naar terug te kunnen sturen. Daarmee komt met dit beleid ook de grens van de humaniteit in zicht. Welke risico's laten we de teruggestuurden lopen? Waarom nemen we zelf onze verantwoordelijkheid niet? Ik hoop dat de staatssecretaris hierop wil ingaan.

Juist nu het aantal vluchtelingen dat naar de EU komt weer afneemt naar wat je een langjarig gemiddelde zou kunnen noemen, moeten we werken aan een toekomstbestendig migratiebeleid, waarin zij die moeten vluchten voor geweld en onderdrukking weten dat ze bij ons terechtkunnen, maar waarin diegene die geen recht heeft op asiel, tijdig wordt opgevangen en geholpen voor hij of zij de levensgevaarlijke en kostbare oversteek maakt, en waarin we de baas blijven over onze buitengrens maar Europa niet op slot doen. We zullen er wat mij betreft nog veel over debatteren de komende tijd.

In het huidige beleid dreigen groepen kwetsbare vluchtelingen die naar de politiek kijken voor een oplossing, van een kille kermis thuis te komen. Ik noem het voorbeeld van Afghanistan en Afghaanse vluchtelingen. De veiligheid in Afghanistan is de afgelopen tijd zodanig afgenomen dat de VN inmiddels stellen dat dit land weer in oorlog is. Een recent rapport van Amnesty bevestigt het beeld dat geen enkel deel van Afghanistan structureel veilig genoeg is om asielzoekers naar uit te zetten. Toch doen we dit wel. Ik begrijp dat er een nieuw ambtsbericht in de maak is, opgesteld door Buitenlandse Zaken. Ik zou de staatssecretaris willen vragen om in afwachting van dat ambtsbericht niet onbedoeld asielzoekers aan gevaar bloot te stellen en dus het terugzenden naar Afghanistan op te schorten.

Voorzitter. Ook in Nederland gewortelde kinderen vragen de politiek al jaren om een oplossing. Het staat inmiddels redelijk onbetwistbaar vast dat het huidige kinderpardon voor weinig kinderen een oplossing is. Ik zou de staatssecretaris willen vragen wat hij gaat doen om een ruimhartiger toepassing van het kinderpardon mogelijk te maken. En daar vind ik de heer Voordewind ongetwijfeld aan mijn zijde.

De heer Voordewind (ChristenUnie):
Daar ga ik in mijn eigen termijn wat over zeggen.

De heer Van Ojik (GroenLinks):
Mooi.

De heer Voordewind (ChristenUnie):
Ik ga even terug naar het vorige onderwerp. Ik hoorde de heer Van Ojik zeggen dat bootjes zullen worden teruggestuurd en dat mensen terug moeten naar de regio en daar moeten worden opgevangen. Waar leest de heer Van Ojik dat er op dit moment bootjes worden teruggestuurd en mensen in de regio worden opgevangen, even los van de Turkijedeal?

De heer Van Ojik (GroenLinks):
We hebben deze discussie inmiddels al een aantal keren gehad. Ik heb het net ook nog aan de heer Azmani gevraagd. De bedoeling van dit kabinet en niet alleen de strekking maar ook de letter van dit regeerakkoord is dat we gaan proberen overeenkomsten te sluiten met landen waarnaartoe we vluchtelingen die in Europa aankloppen terug kunnen sturen, zodat ze daar asiel kunnen aanvragen. Dat is de essentie van het regeerakkoord en dat weet de heer Voordewind ook. Ik vind dat een onwenselijke inzet en een onwenselijke ontwikkeling. Ik vind dat het plan-Azmani niet tot leidraad van het regeerakkoord moet worden verklaard. Dat is wellicht een verschil met de heer Voordewind maar dat vind ik.

De voorzitter:
De heer Voordewind, tot slot.

De heer Voordewind (ChristenUnie):
Mijn vraag was of op dit moment die bootjes worden teruggestuurd, even los van de Turkijedeal. Ik denk dat de heer Van Ojik nu zegt dat dit niet het geval is. Op het moment dat er een deal zou zijn met een land, noem Tunesië, vindt de heer Van Ojik dan ook niet dat we daar de screening moeten gaan doen en dat we moeten voorkomen dat er mensen in die bootjes stappen zodat ze misschien via dat veilige programma van UNHCR, de vluchtelingenorganisatie van de VN, naar Europa zouden kunnen komen?

De heer Van Ojik (GroenLinks):
Als je vluchtelingen terugstuurt naar de regio, zelfs al heb je met een land een overeenkomst, schuif je daarmee je eigen verantwoordelijkheid af op andere landen, landen die vaak zelf al tot over hun nek in de problemen zitten, die vaak zelf al 95% van de wereldwijde vluchtelingenstroom opvangen, die vaak zelf al problemen hebben met onveiligheid en terreur. Dat wij hier met die landen een overeenkomst sluiten zodat wij geen asiel meer hoeven te verlenen, vind ik een fundamenteel verkeerde benadering. Daarover mogen we van mening verschillen, maar ik vind dat de heer Voordewind niet moet weglopen voor de handtekening die hij onder dat regeerakkoord dat dit beoogt, heeft gezet.

De voorzitter:
Gaat u verder. Of was u al klaar, meneer Van Ojik?

De heer Van Ojik (GroenLinks):
Nee, voorzitter, ik heb nog twintig seconden en die wil ik gebruiken om nog een vraag te stellen aan de staatssecretaris naar aanleiding van de slavenhandel met asielzoekers in Libië, waarover hij ongetwijfeld ook heeft gelezen. Mijn vraag is of dat nog consequenties gaat hebben voor onze steun aan de Libische kustwacht, die er immers op gericht is om mensen op zee op te pikken en terug te brengen naar Libië.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Van Ojik. Ik wil eigenlijk nu het voorstel doen om te schorsen tot vijf over twee.

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt van 13.32 uur tot 14.06 uur geschorst.

Mededelingen

Mededelingen

Mededelingen

Mededelingen

De voorzitter:
Op de tafel van de Griffier ligt een lijst van ingekomen stukken. Op die lijst staan voorstellen voor de behandeling van deze stukken. Als voor het einde van de vergadering daartegen geen bezwaar is gemaakt, neem ik aan dat daarmee wordt ingestemd.

Regeling van werkzaamheden

Regeling van werkzaamheden

Regeling van werkzaamheden

Regeling van werkzaamheden

De voorzitter:
Ik deel aan de Kamer mee dat de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties tot haar voorzitter heeft gekozen het lid Pechtold en tot haar ondervoorzitter het lid Remco Dijkstra.

Ik stel voor de volgende wetsvoorstellen toe te voegen aan de agenda van de Kamer:

    - het wetsvoorstel Implementatie van de wijzigingen van de Code en aanhangsels bij het Maritiem Arbeidsverdrag 2006, die door de Internationale Arbeidsconferentie zijn goedgekeurd op 11 juni 2014 (Trb. 2016, 85) (34794);
    - het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, de Wet marktordening gezondheidszorg, de Pensioenwet en de Wet verplichte beroepspensioenregeling ter implementatie van de richtlijn nr. 2016/97/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 januari 2016 betreffende verzekeringsdistributie (herschikking) (PbEU 2016, L 26) (Wet implementatie richtlijn verzekeringsdistributie) (34770).

Het Presidium heeft de recessen tot en met het zomerreces 2019 vastgesteld. Deze zullen op de agenda van de Kamer worden vermeld.

Op verzoek van de fractie van DENK benoem ik in de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit het lid Öztürk tot lid en het lid Azarkan tot plaatsvervangend lid in de bestaande vacatures.

Ik stel voor dinsdag a.s. ook te stemmen over de ingediende moties bij de wetgevingsoverleggen over Media en over Water.

Op verzoek van een aantal leden stel ik voor de volgende door hen ingediende moties opnieuw aan te houden: 25883-303; 32813-134.

Overeenkomstig de voorstellen van de voorzitter wordt besloten.

De voorzitter:
Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Ellemeet namens GroenLinks.

Mevrouw Ellemeet (GroenLinks):
Voorzitter. We hebben gisteren bij EenVandaag kunnen zien en horen dat de abortuszorg onder druk staat door het faillissement van CASA. Vrouwen moeten nu al langer wachten op een abortus, wat leidt tot veel nervositeit en onrust. En er dreigen nog meer wachtlijsten. Om die reden vraag ik een debat aan met de minister van VWS, voorafgegaan door een brief.

De heer Van Nispen (SP):
Mijn collega Kooiman heeft liever een brief waarin staat hoe het wordt opgelost dan nu een debat te steunen, omdat het waarschijnlijk heel lang gaat duren voordat zo'n debat kan worden gehouden.

Mevrouw Dijksma (PvdA):
Laten we het gewoon allebei doen. Eerst een brief waarin alles wordt opgelost en, als het dan niet meer nodig is, kunnen we het debat alsnog schrappen. Maar vooralsnog steun voor mevrouw Ellemeet.

Mevrouw Agema (PVV):
Steun voor een brief, maar niet voor een debat, want ik zou dit bij een van de 42 algemeen overleggen willen voeren, die over medisch-ethische kwesties.

Mevrouw Pia Dijkstra (D66):
Ook graag een brief en dan kijken we daarna of het nodig is om dat debat nog te voeren.

Mevrouw Aukje de Vries (VVD):
Wel steun voor een brief, maar niet voor een debat. Ik denk dat wij het eventueel ook bij een ander onderwerp zouden kunnen betrekken.

Mevrouw Van den Berg (CDA):
Geen steun voor het debat, wel voor de brief.

De heer Voordewind (ChristenUnie):
Graag een brief; geen debat.

De heer Van der Staaij (SGP):
Ook wat de SGP betreft graag een brief, maar niet een separaat debat.

De voorzitter:
Mevrouw Ellemeet, u hebt geen steun voor het houden voor een debat, ook niet voor een dertigledendebat.

Mevrouw Ellemeet (GroenLinks):
Ik zou dan graag willen vragen om de brief zo snel mogelijk te ontvangen, omdat vrouwen nu al worden geconfronteerd met dit probleem.

De voorzitter:
Ik wil u in herinnering brengen dat de begroting VWS volgende week aan de orde is.

Ik stel voor het stenogram van dit deel van de vergadering door te geleiden naar het kabinet.

De heer Wassenberg namens de Partij voor de Dieren. Ik zie dat u geen baard meer hebt.

De heer Wassenberg (PvdD):
Het draagvlak thuis voor mijn baard was toch wat aan het afnemen en als rechtgeaard democraat heb ik daarnaar geluisterd.

De voorzitter:
Fijn dat u dat met ons deelt. Ga uw gang.

De heer Wassenberg (PvdD):
Volgens een uitgelekt rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid is de jaarwisseling het gevaarlijkste moment van het jaar. Volgens de OVV faalt de politieaanpak van de handel in vuurwerk en rommelen heel veel gemeenten maar wat aan. Elk jaren vallen er opnieuw honderden gewonden en soms zelfs doden. Wij hebben het over een ernstig en vooral structureel probleem. Daarover zou ik graag een debat willen met de minister van Veiligheid en Justitie. Van Justitie en Veiligheid, zoals het tegenwoordig heet.

De heer Van Dam (CDA):
Steun voor de brief als het rapport ook echt officieel er is. De importantie van het onderwerp rechtvaardigt dat wij nog voor de jaarwisseling hierover een debat voeren.

De voorzitter:
Geen steun dus voor een debat.

De heer Van Dam (CDA):
Wél steun voor een debat.

De voorzitter:
Wel steun voor een debat? Oké. Dat is belangrijk om te noteren.

Mevrouw Helder (PVV):
Net als oud en nieuw een traditie is, is het ook een traditie om daar een algemeen overleg over te houden. In dat kader is naar dit onderzoek door de OVV gevraagd. Ik wil het dus ook bij het jaarlijkse AO vuurwerk en jaarwisseling betrekken.

De voorzitter:
Geen steun dus.

De heer Wassenberg (PvdD):
Dat is pas in de zomer.

Mevrouw Den Boer (D66):
Wij zien ten eerste heel graag het rapport tegemoet. Wij zien ook graag eerst een brief van de minister. Daarna pas steun voor het debat, maar wel vóór de jaarwisseling.

De heer Krol (50PLUS):
Ja, omdat het heel snel is voor de jaarwisseling een debat. Zeker ook steun voor het openbaar maken van het rapport en voor een brief.

De voorzitter:
Voor de jaarwisseling 20..?

De heer Krol (50PLUS):
Dit jaar, want 10.000 ... Laten wij niet tot volgend jaar wachten.

De heer Arno Rutte (VVD):
Het is wel bijzonder dat zo'n belangrijk rapport is gelekt. Het rapport nog niet, maar wel berichtgeving daarover. Het rapport schijnt vrijdag te komen. wij willen heel graag een goede kabinetsreactie daarop. Als die er is, kan het debat plaatsvinden.

De voorzitter:
Dus wel steun.

De heer Arno Rutte (VVD):
Onder die voorwaarde: steun.

De heer Van der Staaij (SGP):
Ook steun voor het verzoek om het rapport snel te ontvangen, en voor een apart debat vóór de komende jaarwisseling. Wij kunnen het niet betrekken bij de begroting Justitie en Veiligheid, omdat het rapport nog niet definitief is. Vandaar de steun voor een apart debat.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Ik vrees dat er op een gegeven moment een oproep komt voor een moratorium op het bespreken van dit onderwerp, dus wat mij betreft moeten wij dit vooral zo snel mogelijk doen. Zo snel mogelijk dus een brief en een debat.

De heer Van Raak (SP):
Het rapport moeten wij nog krijgen. Ik neem aan dat dit heel snel kan. Als ze het kunnen lekken, kunnen ze het ook naar de Kamer sturen. Daarna zo snel mogelijk een debat, het liefst voor het nieuwe jaar.

De heer Voordewind (ChristenUnie):
Het lijkt mij verstandig dat wij het rapport zo snel mogelijk bij de Kamer krijgen — het is blijkbaar klaar — en dat wij dat gepaard laten gaan met een kabinetsreactie. Dan kunnen wij daar voor de jaarwisseling nog over spreken. Steun voor het debat.

De voorzitter:
Mijnheer Wassenberg, u hebt een meerderheid.

De heer Wassenberg (PvdD):
Het zou fijn zijn als het dit jaar nog kan plaatsvinden.

De voorzitter:
Ik stel voor het stenogram van dit deel van de vergadering door te geleiden naar het kabinet.

Mevrouw Van Tongeren namens GroenLinks.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):
Ik heb twee verzoeken. Bij het eerste punt viel mijn mond open van verbazing. Het kabinet heeft blijkbaar de gaskraan voor de export van Gronings gas naar het buitenland verder opengezet in plaats van dichtgedraaid. Wij hebben op platts.com kunnen lezen dat 2017 een recordjaar wordt voor de export van Gronings gas. Wij behandelen binnenkort de begroting van EZK. Ik wil van de minister van Economische Zaken een brief met uitleg hoe dit kan gebeuren en hoe hij hierop nog kan ingrijpen, want wij zitten nog in dit gasjaar.

De voorzitter:
U wilt een brief?

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):
Ja, ik wil daar een brief over. Ja.

De voorzitter:
Dank u wel, maar voor een brief heeft u echt geen steun nodig. Daar hoeft u geen steun voor uit te spreken.

Mevrouw Beckerman (SP):
Voorzitter, uiteraard steun. De heer Henk Nijboer en ikzelf hebben over deze kwestie ook al schriftelijke vragen ingediend. De antwoorden willen we ook graag betrekken bij het debat.

De voorzitter:
Heeft u ook schriftelijke vragen gesteld, mevrouw Agnes Mulder?

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):
Nee, mevrouw de voorzitter. Maar als er toch vragen worden beantwoord, dan ook graag een antwoord op de vraag of het überhaupt zo is.

De voorzitter:
Ik stel voor het stenogram van dit deel van de vergadering door te geleiden naar het kabinet.

Het volgende verzoek, mevrouw Van Tongeren.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):
Voorzitter, het lijkt alsof de nieuwe minister Ollongren wel de krantenwijk overgenomen heeft, maar vergeten is te vragen of de fiets daar ook bij komt. De taken rond de Omgevingswet zijn overgenomen door Binnenlandse Zaken maar niet de eenmalige 200 miljoen die daarvoor nodig is. Daarover en over hoe dat opgelost wordt, zou ik graag een brief ontvangen. Als het nodig is, wil ik een debat, of anders bij het relevante WGO of de begrotingsbehandeling.

De voorzitter:
Wie hierover?

De heer Nijboer (PvdA):
Het lijkt een enorme rekenblunder van dit kabinet: 200 miljoen! Het kan afgewenteld worden op huurders, want de begroting bestaat niet uit veel meer dan de huurtoeslag. Steun voor de brief. Het is ook echt nodig om hier een debat over te voeren.

Mevrouw Beckerman (SP):
Steun voor brief en debat.

Mevrouw Van Eijs (D66):
Alleen steun voor een brief, geen debat.

De heer Ronnes (CDA):
Steun voor een brief, geen debat.

De heer Wassenberg (PvdD):
Steun voor brief en debat.

Mevrouw Laan-Geselschap (VVD):
Alleen steun voor een brief, niet voor het debat.

De heer Kops (PVV):
Het kan prima betrokken worden bij het WGO van 11 december. Geen steun.

De heer Voordewind (ChristenUnie):
Steun voor de brief, niet voor het debat.

De voorzitter:
Mevrouw Van Tongeren, u heeft geen meerderheid voor het houden van een debat.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):
Nee, dan kan dit toegevoegd worden aan de lijst dertigledendebatten. Komt de brief met de antwoorden op tijd, dan is het misschien helemaal niet nodig als er een oplossing is. Anders kunnen we ook bij het WGO Wonen en Ruimte hier verder met de minister over debatteren.

De voorzitter:
Ik stel voor het stenogram van dit deel van de vergadering door te geleiden naar het kabinet.

De heer Van der Lee namens GroenLinks.

De heer Van der Lee (GroenLinks):
Voorzitter. We hebben uit de Britse en Nederlandse media kunnen vernemen dat Unilever haar besluit over de vestiging van haar hoofdkantoor heeft uitgesteld, omdat ze zich nogal in een moeilijk pakket vindt zitten. De concurrentie tussen Engeland en Nederland is nu zo groot dat ze niemand tegen de schenen wil stoten. Dit brengt mij tot het verzoek aan u, voorzitter, om een debat te mogen houden met de minister van Economische Zaken, die als eerste verantwoordelijk is voor het vestigingsklimaat en ook voor de mate waarin wij daarbij de concurrentie met anderen opzoeken. Dit lijkt bedrijven eerder in problemen te brengen dan vooruit te helpen.

Mevrouw Leijten (SP):
Een onrustig politiek klimaat, zegt Unilever, door aan de andere kant de brexit en hier de discussie over de dividendbelasting.

De voorzitter:
U steunt het debat.

Mevrouw Leijten (SP):
Ik steun het debat, maar ik zeg ook tegen de heer Van der Lee: 14 december hebben wij de hoorzitting over de dividendbelasting. Unilever komt dan ook en laten we ze het dan vooral zelf vragen.

De heer Van der Lee (GroenLinks):
Graag.

De heer Paternotte (D66):
Ik begrijp best dat de heer Van der Lee om dit debat vraagt. Mevrouw Leijten wijst terecht op de hoorzitting van 14 december. Bovendien is er ook een debat op 21 december. Dat noemen wij een AO Bedrijfslevenbeleid. Dan spreken we precies over dit onderwerp. Wat mij betreft is het prima om hier een brief over te vragen, maar er is op dit moment geen reden voor een debat.

De voorzitter:
Dus geen steun.

De heer Amhaouch (CDA):
Ik denk dat de heer Van der Lee wel heel snel in de bestuurskamer stuitert. Ik zou inderdaad de volgorde van de collega van D66 willen afwachten.

De heer Veldman (VVD):
Daar kan ik me bij aansluiten. Er komt een hoorzitting aan. We hebben 21 december een AO Bedrijfslevenbeleid en daar kan het heel goed bij betrokken worden als de heer Van der Lee dat wil. Dus geen steun voor een debat.

De heer Nijboer (PvdA):
Nederland heeft 1,4 miljard geboden. Het is nu wachten op het bod van Engeland. Een zeer onwenselijke situatie! Het zou heel terecht zijn dat we hierover een debat hebben.

De voorzitter:
Dus u steunt het.

De heer Wassenberg (PvdD):
Daar sluit ik mij bij aan: steun voor een debat.

De voorzitter:
Mijnheer Van der Lee?

De heer Van der Lee (GroenLinks):
Ik zie dat er een meerderheid is — daar sluit ik me dan zelf ook bij aan — om een brief te vragen. Het zou goed zijn als die er voor het AO is. Ik zet voor de zekerheid het debat graag op de lijst met dertigledendebatten, want die 30 leden zijn er. Ik denk dat we in de toekomst nog vaker over dit hele belangrijke onderwerp zullen spreken. Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Verder stel ik voor het stenogram van dit deel van de vergadering door te geleiden naar het kabinet.

Mevrouw Özütok tot slot, namens GroenLinks.

Mevrouw Özütok (GroenLinks):
Dank u wel, voorzitter. Vanmorgen konden wij in de media vernemen dat vrouwen vaak minder verdienen dan mannen, doordat de werkgevers vragen naar het laatste loon en vrouwen dus niet ingedeeld worden naar kennis en kunde. GroenLinks wil hierover graag een debat met de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en voorafgaand aan dat debat zou ik graag een brief van de minister willen.

Mevrouw Den Boer (D66):
Wij zouden eerst heel graag een brief zien en daarna steun voor het debat.

De voorzitter:
Mevrouw Geluk. U moet het knopje van de interruptiemicrofoon ingedrukt houden.

Mevrouw Geluk-Poortvliet (CDA):
Voorzitter, geen steun voor een debat, wel voor de brief.

De heer Wassenberg (PvdD):
Steun voor het debat.

De heer Jasper van Dijk (SP):
Steun.

De heer Nijboer (PvdA):
Nooit je inkomensgegevens geven, voorzitter, want de uitkomst is oneerlijk, dus steun voor het debat.

De heer Beertema (PVV):
Geen steun voor een debat.

De heer Van Oosten (VVD):
Geen steun voor een debat; een brief is prima.

De voorzitter:
Geen meerderheid, mevrouw Özütok.

Mevrouw Özütok (GroenLinks):
Ja, maar ik hoor wel een meerderheid steun geven voor de brief. Ik zou de brief graag willen krijgen voorafgaand aan het debat dat gisteren hier is afgesproken met de minister van Justitie en OCW. Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Voor een brief heeft u geen meerderheid nodig, zeg ik erbij. Ik stel voor het stenogram van dit deel van de vergadering door te geleiden naar het kabinet.

Dank u wel.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Begroting Justitie en Veiligheid 2018

Begroting Justitie en Veiligheid 2018

Begroting Justitie en Veiligheid 2018

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

    - het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (VI) voor het jaar 2018 (34775-VI).

De voorzitter:
We gaan verder met het debat over de begroting van Justitie en Veiligheid. We waren al begonnen en zijn nu gekomen bij de woordvoerder namens het CDA, de heer Van Dam.

De algemene beraadslaging wordt hervat.

De heer Van Dam (CDA):
Voorzitter, dank u wel. Het is de afgelopen jaren geen feest geweest voor al degenen die werken onder het gezag van de minister van Veiligheid en Justitie. Vraag het maar aan onze politieagenten, aan de medewerkers van de Dienst Justitiële Inrichten en aan de rechters. Vraag het ook maar aan de burgers van ons land: politiebureaus die gesloten werden, lange wachttijden bij rechtbanken en griffierechten die de hoogte in schoten. Vandaag debatteren wij met nieuwe bewindslieden op het omgedoopte ministerie van Justitie en Veiligheid. Dat is een veelbesproken naamswisseling die, als het aan de CDA-fractie ligt, de kosten waard is als er ook daadwerkelijk iets gaat veranderen op het terrein van politie en justitie. Het regeerakkoord biedt daar veel inhoudelijke mogelijkheden voor en ook financiële middelen.

Wat zouden wij nou als CDA-fractie in essentie willen zien veranderen? Dat zijn twee dingen. In de eerste plaats moet de burger de rechtsstaat weer gaan zien als een instrument dat hem of haar in heel concrete gevallen daadwerkelijk bescherming biedt: bescherming tegen een inbraak, tegen terrorisme of tegen een agressieve motorbende. Gewoon bescherming van mensen bij wat ze in het dagelijks leven meemaken. Natuurlijk omvat de rechtsstaat ook meer abstracte begrippen, zoals privacy, mensenrechten en onafhankelijke rechtsspraak. Dat zijn allemaal zeer belangrijke dingen die onderdeel uitmaken van onze rechtsstaat, maar de komende jaren hopen wij dat die rechtsstaat ook weer meer betekenis gaat hebben voor burgers in het land. Dat de politie als er bij je is ingebroken niet komt vertellen dat de kans weleens heel klein kon zijn dat er een boef gepakt wordt, maar dat je toch met een ander idee achterblijft als er een inbraak is geweest.

Wij willen uiteraard niet de idiote kant op die vertegenwoordigers van de PVV hier vandaag naar voren hebben gebracht, dat we onze rechtsstaat volstrekt uithollen omdat we kennelijk zo bang zijn voor een gevaar dat we het allemaal bij het grof vuil zetten. Maar de rechtsstaat is meer dan een abstractie. De rechtsstaat is iets wat mensen ook dag in, dag uit moeten ervaren.

Een tweede dat wij verwachten van de bewindslieden is rust, reinheid en regelmaat in het justitieapparaat. De politie moet na jaren van reorganiseren op orde komen, aangevuld worden met verse nieuwe krachten. Dat geldt ook voor onze rechtbanken en voor onze gevangenissen, waar de mensen ook op hun achtste benen lopen, op hun tandvlees lopen. Er moest rust, reinheid en regelmaat komen in het justitieapparaat.

De heer Markuszower (PVV):
Ik hoorde de afgevaardigde van het CDA zeggen dat de PVV idiote voorstellen heeft gedaan zojuist in haar inbreng, die rechtsstaat nota bene uithollen. Maar vindt het CDA dan dat de strafmaat in Nederland hoog genoeg is? Ik heb veel voorbeelden genoemd, recente voorbeelden, van verschrikkelijk lage straffen. Stiefvaders die hun stiefvaders verkrachten en die maar twee jaar in de cel zitten. Wat vindt het CDA dan van die belachelijk lage straffen? Of vindt u het allemaal maar best zo?

De heer Van Dam (CDA):
Ik heb u horen spreken over het levenslang opsluiten van mensen. Ik heb u horen spreken over hoe u kijkt naar de tbs, wat volgens mij een waardevol instrument is bij de problemen die we in onze samenleving tegenkomen. Ik denk in dat opzicht dat u afbreuk doet aan de rechtsstaat. Natuurlijk zijn er voorbeelden te bedenken waar wij met ons verstand bij stilstaan en ons afvragen waarom een bepaalde straf is opgelegd, maar ik zal u dit vertellen. Ik ben jarenlang officier van justitie geweest. Ik heb jarenlang op open dagen van rechtbanken gestaan en heb daar zittingen nagespeeld van strafzaken die echt hadden plaatsgevonden. Wij stopten dan op het moment dat de straf opgelegd moest worden en ik heb nooit meegemaakt dat mensen hogere straffen oplegden dan de rechters in de echte zaak zelf hadden opgelegd. U kunt hier wel naar voren brengen dat wij in zijn algemeenheid in Nederland een stel, laten we maar zeggen, slappe watjes zijn als het gaat om straftoemeting. Ik heb u gewezen op het onderzoek dat er is, internationaal vergelijkend, over hoe wij in Nederland met straffen omgaan. Daar zijn we de laatste jaren naar de top gegaan. Heel terecht, denk ik, want mensen vragen dat ook. Maar dat is mijn verhaal en ik vind dat u daar bijzonder weinig antwoord op hebt.

De heer Markuszower (PVV):
Mijn vraag ging meer over levenslang voor heel enge verkrachters en misdadigers van ernstig geweld. Maar laten we het even bij verkrachters houden: vindt u niet dat een Robert M. beter levenslang in de gevangenis had moeten zitten?

De heer Van Dam (CDA):
Ik ga geen oordeel uitspreken over een zaak waarin de rechter een oordeel heeft gegeven. In zijn algemeenheid zijn wij als CDA voor de levenslange gevangenisstraf, maar als we het over de rechtsstaat hebben, moeten we het kind niet met het badwater weggooien.

De voorzitter:
Gaat u verder.

De heer Van Dam (CDA):
Mevrouw de voorzitter. Ik heb naar voren gebracht welke twee belangrijke punten wij zien als het gaat om de inspanningen die de bewindslieden van ons mogen leveren. Na zeven magere jaren komen wat ons betreft nu zeven vette jaren. Met het regeerakkoord en met de financiële onderbouwing liggen er mogelijkheden, waar wij de bewindslieden van harte succes mee wensen om er iets moois van te maken. Uiteraard zullen wij hen volgen. Ik ga nu een paar concrete dingen vragen op deze terreinen.

In de eerste plaats over de politie. Hoe zit het met het nieuwe Audit Committee dat kennelijk voor de politie wordt opgericht? Vooralsnog is de Kamer door voorgangers van de huidige minister daar bijzonder pover over geïnformeerd. Dit heeft natuurlijk alles te maken met het opheffen van de Review Board ICT en nog een andere commissie. Hoe zit dat? Zou de minister, liefst voor zijn eerste termijn, de Kamer hierover willen informeren?

Een ander punt is de uitbreiding van de politiesterkte. Bij de politie komt er op termijn structureel 267 miljoen euro bij. De minister heeft nu al 100 miljoen euro losgepeuterd bij de minister van Financiën. Dat is hartstikke mooi, maar ik zou graag het onderliggende plan willen zien voor die 100 miljoen. De minister heeft een plan in moeten dienen bij Financiën om dat geld los te krijgen. De Kamer kent dat plan niet. Ik wil graag weten wat daarin staat. Ik verzoek om dat ook voor de eerste termijn aan de Kamer te sturen.

Een ander punt is de besteding van die hele 267 miljoen over de vier jaren heen. Graag zou ik van de minister een plan ontvangen hoe de komende jaren die opbouw plaatsvindt. Daarbij speelt natuurlijk ook de redelijk overspannen arbeidsmarkt die wij in het verschiet hebben een rol, maar ook het voorkomen dat we over 30 jaar weer een enorme leegloop hebben bij de politie. Hoe komt daar een soort natuurlijke gang in? Zou het ook niet een optie zijn om eens te kijken of ander personeel dan personeel op niveau 4, al was het maar tijdelijk, met als voorbeeld de Koninklijke Marechaussee, te werven is om bepaalde klussen te doen? Nood breekt wetten. Nood leidt ook tot creativiteit. Het is ontzettend belangrijk dat wij de politie ook de komende jaren, als die mensen nog niet allemaal van de opleidingsschool zijn gekomen, inzetbaar houden.

Mevrouw Helder (PVV):
Ik vroeg er in mijn termijn ook al aandacht voor. Er staat inderdaad 267 miljoen in het regeerakkoord voor de politie. De minister heeft per brief laten weten dat 100 miljoen aan waarschijnlijk 480 fte wordt uitgegeven. Nu hoor ik collega Van Dam vragen naar een plan. Ik heb gevraagd naar een garantie, voor zover je een garantie kunt geven, maar in ieder geval naar iets meer dan een plan, om dat geld ook daadwerkelijk naar het ministerie van JenV over te hevelen. Vindt de heer Van Dam alleen een plan voldoende of moet daar ook echt wel de uitvoering aan vastzitten?

De heer Van Dam (CDA):
Er zijn twee plannen wat mij betreft. In eerste instantie moet er nu kennelijk al een plan zijn, want anders had de minister die 100 miljoen euro niet gekregen. Dat wil ik graag zien. Verder vind ik dat er, ik denk ergens in het voorjaar, een algemeen plan moet komen hoe over de kabinetsperiode heen het hele bedrag wordt geïnvesteerd en hoe dat wordt gerealiseerd, ook in een verdeling over het land. Die dingen moeten daar allemaal in staan.

De voorzitter:
Gaat u verder.

De heer Van Dam (CDA):
Voorzitter, ik ga door. De speciale rechtbank voor politiegeweld is een van de belangrijke dingen die wij als CDA gewenst hebben. Wij willen dat er één rechtbank wordt aangewezen waar zaken als de zaak rond het overlijden van Mitch Henriquez worden afgedaan. Kan de minister aangeven wanneer hij die rechtbank gaat aanwijzen en hoe die plannen eruitzien?

Dan het direct aangifte doen. Voorzitter. De afstand tussen politie en burgers is de afgelopen jaren alleen maar groter geworden. Dat heeft te maken met de sluiting van politiebureaus, maar ook met de wijze waarop de politie nu in grotere basisteams is georganiseerd. In 2014 waren er 400 politiebureaus en in 2025 zullen dat er nog 167 zijn. Niet voor iedereen is aangifte doen via internet een optie. Weinigen begrijpen dat je soms twee weken moet wachten om je verhaal kwijt te kunnen. Als de Rabobank geld kan brengen bij z'n klanten, zou dan de politie ook niet gewoon bij je thuis je aangifte op kunnen nemen? Zouden we daar niet naar toe moeten om juist die verbinding met de burger die in nood is — want hoe vaak overkomt het je dat je slachtoffer bent van een misdrijf — direct te maken? Mijn vraag aan de minister is: wat zijn zijn ideeën en wat kan hij op dit punt toezeggen en realiseren?

Dan over andere thema's: rechtspleging en rechtsbijstand, toegang tot het recht. Er is al eerder gememoreerd dat recent het rapport-Van der Meer is uitgekomen. Wat het CDA betreft, is er inmiddels voldoende onderzocht en gerapporteerd en moet er nu gehandeld worden. Want ja, een deel van de advocatuur is in nood. Wij staan er volledig achter dat we die nood niet met geld oplossen op de korte termijn. Ten aanzien van de gesubsidieerde rechtsbijstand, maar vooral de toegang tot het recht zal er een substantieel andere lijn gekozen moeten worden. Wij vragen de minister om in samenwerking met de advocatuur, vooral met rechtsbijstandsverzekeraars en de Raad voor de Rechtsbijstand, met een plan te komen en om dat plan voor de zomer op te leveren.

De heer Van Nispen (SP):
Ik dacht even iets heel anders te horen van de woordvoerder van de CDA-fractie dan wat de minister in zijn brief schreef. De minister schreef namelijk: er moet nog heel veel overlegd worden, er moet nog heel veel onderzocht worden, we gaan nog heel veel praten met de advocatuur. Waarop de advocatuur zei: we doen niet anders, sinds 2010 zijn we al in gesprek, er liggen stapels rapporten, er moet nou gehandeld worden. En vervolgens zegt de heer Van Dam: maar er mag geen geld bij. De hele eenvoudige vraag is: waarom mag aan de toegang tot het recht, een van de fundamenten van onze rechtsstaat, geen cent meer worden uitgegeven? Waarom moet daar zo nodig op bezuinigd worden? Wat is daarvoor de rechtvaardiging?

De heer Van Dam (CDA):
Op het gevaar af dat de voorzitter op een gegeven moment tegen mij zegt dat ik mij moet beperken in een antwoord: er is zo veel te zeggen over dit thema. Maar er ligt inmiddels ook al op papier zo veel materiaal om tot een lijn te komen. Laat ik het zo zeggen: op dit moment laat de gesubsidieerde rechtsbijstand zich het beste vergelijken met een ziektekostenstelsel wat alleen maar toewerkt naar een opname in een ziekenhuis. Als je dat gerealiseerd hebt, krijg je uitbetaald. Er zit een aantal grondlijnen in het huidige systeem van rechtsbijstand. Als we dat niet oplossen, zullen we tot in lengte van jaren er geld bij moeten pompen en dat is niet de oplossing.

De heer Van Nispen (SP):
Nou, volgens mij klopt dat niet. Maar als het zo zou zijn, als de minister komt met voorstellen die ertoe gaan leiden dat het op termijn goedkoper kan met behoud van kwaliteit, dan zouden we elkaar nog kunnen vinden. Maar de uitgangspositie is nu al verkeerd en dat was het al toen de commissie-Van der Meer de opdracht kreeg. De opdracht was namelijk: het mag niet meer geld kosten. En gelukkig zei de deskundige commissie-Van der Meer: u heeft mij een onmogelijke opdracht meegegeven, want de enige conclusie kan zijn dat het meer geld moet kosten. Of het budget is op in september, en dat willen we volgens mij ook niet. Dus waarom draait u het nou niet om, waarom zegt u nou niet: we gaan samen met de minister, met de partijen en met de sector zelf aan de slag om te kijken waar we het stelsel kunnen verbeteren? Dan zien we op termijn, als u ervan overtuigd ben dat het met minder geld kan, dat we elkaar vinden. Maar niet omdraaien en niet zeggen: er mag geen cent bij. Dat is toch een raar uitgangspunt voor een van de fundamenten van onze rechtstaat, namelijk de toegang tot het recht?

De heer Van Dam (CDA):
Ja, meneer Van Nispen, ik denk dat u echt een vertegenwoordiger van een socialistische partij bent. Want bij u kost een verbetering altijd meer geld. En daar denk ik fundamenteel anders over. Want ik vraag me af of een verbetering meer geld moet kosten. Het gaat niet om de advocatuur, het gaat om toegang tot het recht. Het gaat erom dat mensen, en zeker mensen die het zelf niet kunnen betalen, zich kunnen voorzien van adequate rechtsbijstand. Daar staan wij, denk ik, heel dicht bij elkaar. Maar in het rapport, dat u vast hebt gelezen, bent u ook een heleboel elementen tegengekomen waar we aan kunnen draaien en sleutelen om niet tot een extra financiële inspanning te komen.

De voorzitter:
Meneer Van Nispen, we hebben afgesproken: een vraag en een vervolgvraag.

De heer Van Nispen (SP):
Maar ik werd uitgedaagd!

De voorzitter:
Ja, hij zei dat u lid bent van de Socialistische Partij, dat is waar. Mevrouw Buitenweg.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Dat zou voor mij een uitdaging zijn!

Ik snap het punt van de heer Van Nispen. Het gaat er niet om dat er altijd alleen maar meer geld bijkomt, het gaat erom dat er gezegd wordt door de heer Van Dam, en ook in het regeerakkoord, dat er sowieso niet meer geld bijkomt. Dus draai het nu niet om. Het is niet zo dat de SP of GroenLinks zegt dat er per se meer geld bijkomt. De heer Van Dam zegt: er kan per se geen geld bij. Wij zouden willen dat we eens inhoudelijk gaan kijken wat er nodig is. Het kan zijn dat er minder geld bijkomt, het kan zijn dat er meer geld bijkomt. Maar dat is een rationeel debat. Dat wil u niet aangaan, het CDA wil alleen maar zeggen dat er in ieder geval niet meer geld bijkomt. Dat is vrij irrationeel en dat staat de oppositie niet aan.

De heer Van Dam (CDA):
Ik hoor het u zeggen, zou ik bijna willen zeggen. Ik herhaal mezelf. Ik wil uitdrukkelijk over de kwaliteit, de doelen en alle aspecten die met de rechtsbijstand te maken hebben, in debat. Sterker nog, ik ben heel enthousiast om daarover in debat te gaan, omdat ik heel veel mogelijkheden zie om te bereiken wat wij allemaal willen: dat groepen in onze samenleving die daaraan behoefte hebben, toegang tot het recht en de rechter houden. Ik weiger gewoon op voorhand te zeggen dat dit automatisch meer geld moet kosten. Ik geloof daar namelijk niet in.

De voorzitter:
En er ligt een rapport, begrijp ik. Mevrouw Buitenweg.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Dat is prima, misschien kunnen de heer Van Dam en ik ons hierin vinden en kunnen we daarover een goed debat hebben, waarbij we ons nergens op voorhand op vastleggen. Maar dan wil ik ook de belofte dat we ook niet van tevoren ons erop vastleggen dat er niet meer geld bijkomt. Is het mogelijk om die afspraak te maken? Wij zeggen dan niet van tevoren "er moet meer geld bij" en de heer Van Dam zegt niet van tevoren "er mag per se niet meer geld bij".

De heer Van Dam (CDA):
Ik ga het debat aan over de inhoud van de zaak. De belofte die u van mij vraagt, doe ik niet. Daar ben ik heel eerlijk in. Ik zie namelijk allerlei andere knoppen waarover we veel beter een debat kunnen voeren.

De voorzitter:
Gaat u verder.

De heer Van Dam (CDA):
Dank u wel. In elk geval zou ik graag voor de zomer van 2018 van de minister een plan zien over hoe het nu feitelijk moet gaan lopen.

Dan de modernisering van het Wetboek van Strafvordering, een project van imposante omvang. Graag zouden wij van de minister vernemen wat nu de feitelijke planning is. Er is in de feitelijke beantwoording van vragen wel wat over gezegd, maar ik wil het ook wel uit de mond van de minister horen. Ik wil ook van hem horen wat zijn intentie is om het niet tot een enorme administratievelastenverzwaring te laten leiden die allerlei kosten bij de uitvoeringsinstanties oplevert.

Voorzitter. De komende jaren komt er veel nieuwe wetgeving op ons af. Die wetgeving moet kwalitatief goed zijn en toepasbaar in de praktijk. De CDA-fractie hecht aan goede advisering vanuit de praktijk, ook van onze rechters en officieren van justitie. Daarom bepleiten wij continuering van de subsidie van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, de beroepsvereniging van de rechterlijke macht. Niet voor hun vakbondswerk, maar juist voor hun adviseringstaak. We zullen later een amendement daarover bespreken.

Tot slot de verkeersveiligheid. Het aantal dodelijke ongevallen stijgt. Het is gisteren ook in de begrotingsbehandeling van IenM uitdrukkelijk aan de orde gekomen. Ook het gebruik van de smartphone is daar aan de orde gekomen. Ik heb een concreet voorstel dat ik zo nodig per motie wil onderstrepen, maar ik hoop dat de minister mij hierin volgt. Dat gaat over het "ont-Mulderen" van het gebruik van de smartphone. Het in je handen hebben van een smartphone achter het stuur is strafbaar gesteld, maar het is nu een Mulderfeit. Dat betekent dat het, als je de boete betaalt, daarmee af en over is en dat je ook geen recidive opbouwt. Als zaken niet in Mulder, in de administratiefrechtelijke afhandeling worden afgedaan, maar in het strafrecht, dan biedt dat de mogelijkheid dat de officier bij herhaald feit ook zwaardere straffen op kan leggen, oplopend naar de ontzegging van de rijbevoegdheid. In het verleden heeft een voorganger van de minister dat ook gedaan. Die heeft een aantal feiten uit de Muldersfeer naar het strafrecht gehaald, dat zijn de zogenaamde "hufterfeiten". Het is niet de taal die het CDA gewoon is te bezigen, maar het verzoek is of de minister het gebruik van de smartphone in het verkeer ook als een hufterfeit wil benoemen. Daar wil ik graag een reactie op van de minister.

Dank u wel.

De voorzitter:
De heer Van Oosten wil iets zeggen over het gebruik van smartphones in de zaal.

De heer Van Oosten (VVD):
Ik neem daarom mijn smartphone nu even mee, want ik heb het even precies opgezocht. Mijn collega van de VVD-fractie heeft inderdaad gister het punt van het roekeloos rijden opgebracht in relatie tot de smartphones: je gebruikt je smartphone terwijl je aan het rijden bent. Past dit in de lijn die de heer Van Dam neerlegt of is dit in zijn ogen toch een volstrekt ander thema?

De heer Van Dam (CDA):
Het is hetzelfde thema, maar op thema's kun je variëren. Gisteren ging het om het wetsvoorstel dat de voorganger van de minister, minister Blok, aangekondigd heeft in de Kamer. Dat gaat mij volgens om de situatie dat het tot een aanrijding leidt en dat je dan kijkt in hoeverre het smartphonegebruik daarbij aan de orde is en dat tot strafvervolging moet leiden. Ikzelf ben ook niet geheel van smetten vrij op dit vlak, maar ik leg dat ding de laatste tijd in de kofferbak om mijzelf daarin niet te verleiden. Wat ik met dit voorstel wil doen, is dat wij allemaal die gedragsverandering ondergaan, die bij dit feit heel erg dringend nodig is.

De voorzitter:
Gaat u verder. O, u was klaar!

De heer Van Dam (CDA):
Ik wil best verdergaan, maar ik wil ook wel ophouden.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Van Dam. Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Van Toorenburg namens het CDA.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Voorzitter, dank u wel. Ik zal mij vandaag focussen op de ondermijning, op het witwassen, op cyberveiligheid en op prostitutie.

Ondermijnende criminaliteit is er in het bijzonder in Brabant, maar we zien die ook in Limburg en Zeeland en deze criminaliteit rukt op naar het Noorden. Ondermijnende criminaliteit zorgt steeds vaker voor een vermenging tussen de onderwereld en de bovenwereld. Dat tast rechtstreeks de leefbaarheid in kwetsbare wijken aan. Laten we het voortwoekeren, dan krijgen we een alternatieve samenleving waarin criminaliteit en crimineel geld als normaal worden beschouwd. De urgentie om deze criminaliteit effectief te bestrijden, is hoog. De handvatten daarvoor zijn opgenomen in het regeerakkoord. Er komen extra financiële middelen en extra juridische mogelijkheden. Over het ondermijningsfonds heeft mijn collega van de VVD de heer Van Oosten het nodige gezegd, ook namens ons. Wij gaan er wel van uit dat de 100 miljoen die in het fonds gaat, feitelijk verhoogd wordt omdat er ook al 30 miljoen is vrijgemaakt. Eigenlijk zou de omvang van het fonds wat ons betreft 130 miljoen moeten zijn. Graag een reactie van het kabinet hierop. Het treft natuurlijk alleen doel als het een langjarige impact heeft, zoals de heer Van Oosten terecht opmerkte.

We hebben al even een debat gehad over de noodzaak om bepaalde zaken niet alleen af te pakken, maar ook terug te geven aan de samenleving. Dat is heel ingewikkeld, want normaal willen we dat boetes en andere schikkingen naar de staatskas gaan. Maar juist de heel typische zaken die we criminelen ontnemen, zouden we willen teruggeven aan de samenleving. Kan het kabinet daar nog concreet op ingaan?

Laat mij me iets meer richten op de Ondermijningswet, want ik ben benieuwd wanneer de Kamer die tegemoet kan zien. Kan de minister misschien al de contouren hiervan schetsen? Wat het CDA betreft maakt die wet in elk geval informatiedeling mogelijk, wordt het toepassingsbereik van de Wet Bibob uitgebreid, worden sancties bij niet meewerken aangescherpt en wordt artikel 13b van de Opiumwet aangepast, verder nog dan het voorstel dat nu in de Kamer ligt. Mogelijk hebben burgemeesters nog meer noten op hun zang. De vraag is of zij bij de uitwerking worden betrokken.

Criminelen worden steeds brutaler. Een op de acht boeren in Brabant geeft aan door criminelen benaderd te zijn om bijvoorbeeld hun schuur of loods ter beschikking te stellen voor criminele activiteiten. Exorbitante bedragen worden geboden. Boeren worden geïntimideerd. Eenmaal in zee gegaan hiermee is het onmogelijk om van ze af te komen. Initiatieven die ervoor zorgen dat boeren en ondernemers zich gesteund weten en zij gemeenschappelijk een vuist kunnen maken tegen die maffiapraktijken, moeten volgens het CDA gefinancierd worden. Neem het CCV, dat met zijn Keurmerk Veilig Ondernemen, Keurmerk Veilig Buitengebied en een keurmerk voor veilige vakantieparken het verschil maakt, juist omdat het die problematiek samen met de sector aanpakt en niet van bovenaf. Zijn subsidie mag niet stoppen, vandaar het voorliggende amendement.

Sprekende over vermenging van onder- en bovenwereld: wij zien witwassen toenemen. Hoe omvangrijk de problematiek precies is, valt niet goed te zeggen, maar uit onderzoek uit 2007 leek het erop dat het om 18,5 miljard euro gaat. En listige constructies nemen toe. Neem de nieuwe vormen van de klassieke loan-backconstructie, waarbij criminelen hun eigen geld lenen aan zichzelf. In het Verenigd Koninkrijk winnen vormen van crowdfunding aan populariteit waarbij ondernemers met businessplannen die door de bank zijn afgekeurd uiteindelijk geld ontvangen via crowdfundingwebsites. Geheid wordt zo crimineel geld witgewassen. Het komt zelfs voor dat donateurs gefingeerd worden en de crimineel zichzelf crowdfundt. Is de minister bekend met dergelijke praktijken in Nederland, en is hij bereid onderzoek te doen om te bezien hoe hier effectief tegen kan worden opgetreden? Het Openbaar Ministerie waarschuwde onlangs voor de bitcoinapparaten, die ook in Nederland worden gebruikt als witwasmachines. Dat is fijn voor criminelen, die zo €15.000 kunnen witwassen, maar ik wil weten wat daar in het toezicht aan gedaan kan worden.

Voorzitter. Mede dankzij de tomeloze inzet van onze veiligheidsdiensten en de politie, die zich inzetten voor de bestrijding van terreur, is Nederland in het afgelopen decennium een aanslag bespaard gebleven. Maar we kunnen niet verslappen. Het blijft een topprioriteit.

De voorzitter:
Mevrouw Helder heeft een interruptie. Was u klaar met dit punt, mevrouw Van Toorenburg?

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Nee, maar ik denk dat mevrouw Helder het over het vorige punt wil hebben.

De voorzitter:
Hoe weet u dat?

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Ik denk dat, omdat ze opsprong.

De voorzitter:
Vertel, mevrouw Helder.

Mevrouw Helder (PVV):
Ja, dat heeft collega Van Toorenburg goed. Het ging over ondermijning, en volgens mij is dat blokje afgelopen. In het regeerakkoord staat dat er eenmalig 100 miljoen in zo'n ondermijningsfonds komt. Ik heb met collega Van Toorenburg in februari van dit jaar een motie ingediend — zij heeft dat samen met mij gedaan, moet ik zeggen, want het is haar motie — met daarin ook een zogeheten ondermijningsfonds. Maar toen was onze bedoeling nog dat het structureel zou zijn. We hebben die motie aangehouden. Mijn vraag is nu dus eigenlijk: is er nog enige beweging in te krijgen in de richting van een structureel ondermijningsfonds? Of heeft het CDA dat standpunt verlaten?

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
We hebben geen standpunten verlaten, maar we moeten altijd kijken wat haalbaar is. Vooralsnog hebben wij het voor elkaar kunnen krijgen dat er 100 miljoen in gaat. Dat is wat we nu bereikt hebben. Terecht geeft mevrouw Helder aan dat er meer nodig is, omdat we, als het op is, uiteindelijk wel voort moeten gaan. De vraag die ik de heer Van Oosten aan het kabinet heb horen stellen, is dus ook de vraag die ik aan het kabinet stel: hoe zorgen we ervoor dat het langjarig impact heeft? Want met alleen één keer een klap van 100 miljoen slaan we die misdaad volgens mij niet echt het wapen uit de handen.

Mevrouw Helder (PVV):
Dat is hoopgevend, want als je ziet wat er aan miljarden omgaat in deze business — we moeten het dan maar een business noemen — dan is 100 miljoen een aflaat. Dat heb ik hoogleraar Tops letterlijk horen zeggen. Ik hoop dus dat die eenmalige 100 miljoen een meerjarige impact heeft, maar ook dat die begrotingsschotten uiteindelijk worden opgeheven, zodat het mogelijk toch structureel kan gaan worden.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Als katholiek zeg ik dat niet alle aflaten vreselijk zijn, maar deze zou dat wel zijn.

De voorzitter:
Goed. Gaat u verder.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Voorzitter. Ik kom op het punt van de bestrijding van terrorisme. Ik zei daar al wat korte inleidende woorden over. Het begint natuurlijk bij deradicalisering. Dat moet effectiever en best practices moeten beter worden gedeeld. Daarnaast moeten haatpredikers geen podium krijgen, niet in Den Haag, maar ook elders niet. Daarom zullen wij ook voortgaan met ons wetsvoorstel om het verheerlijken van terroristisch geweld strafbaar te stellen. Want nu lijkt het erop alsof een haatimam in twee wijken in Den Haag niet meer mag komen, maar hij mag wat ons betreft ook zijn goddelijke gang niet gaan in Gouda of in Rotterdam.

Voorzitter. In het regeerakkoord staan goede plannen ten aanzien van het transparanter maken van geldstromen. Daarbij hoef ik ook niet lang stil te blijven staan. Maar ik wil wel nog even een aantal woorden wijden aan de strafbaarstelling van opzettelijk verblijf zonder toestemming in gebieden die door terroristische organisaties beheerst worden. Dat heeft wat ons betreft prioriteit. Ik wil graag van het kabinet horen of het dat ook zo ziet, en of dit ook geldt voor de opmerkingen die in het regeerakkoord zijn gemaakt over DNA-onderzoek en over de verlenging van de voorlopige hechtenis. In dit verband vraag ik ook opheldering over de IS-ganger die is aangetroffen in De Balie. Hij heeft daar een bijeenkomst bezocht en wist uiteindelijk weg te komen. Zoveel vragen als de heer De Graaf heeft gesteld, kan ik niet stellen, maar laat ik me daar gewoon bij aansluiten. De toon van sommige vragen was niet mijn toon, maar de volledigheid was te respecteren. Ik ben benieuwd wat het kabinet daarop kan zeggen.

Voorzitter. Ik ga door naar cybersecurity. De wereld om ons heen staat niet stil. Door digitalisering verschuift ook de dreiging van criminaliteit naar de online wereld. Statelijke actoren die onze democratische processen willen beïnvloeden, maar ook oplichting en internetdiefstal, maken dat we op een nieuwe manier dienen te kijken naar de online wereld. Die mag niet langer een vrijplaats zijn van een systeem zonder toezicht en regels. Met dit kabinet wordt meer dan ooit werk gemaakt van cyber security in Nederland, zowel wat personele capaciteit betreft als wat de investeringen betreft, bijna 100 miljoen. Maar er is meer nodig. Er is een cybersecurityagenda nodig. Wij verwachten op dit punt veel van de minister van Justitie en Veiligheid. Kan hij hier al zijn licht over laten schijnen? Mag ik in dit verband verwijzen naar de oproep van onze fractievoorzitter om na te denken over een internetautoriteit? Wat is de reactie van de minister van Justitie en Veiligheid daarop?

De heer Verhoeven (D66):
Ook ik heb afgelopen zaterdag het interview met de heer Buma in de krant gelezen. Ik ben heel blij met de aandacht van het CDA voor cyber security. Dat is een grote vooruitgang. Complimenten daarvoor, maar het voorstel van de heer Buma was wel rijkelijk vaag: een autoriteit. Wat moet die autoriteit precies gaan doen? Hoe ziet het CDA dat precies voor zich? Zoals ik het nu begrepen heb, leek het vooral op een soort internetcensuurachtige organisatie. Dat is volgens mij niet de kant die we op moeten. Ik zou dus heel benieuwd zijn naar de invulling van de autoriteit van mevrouw Van Toorenburg en meneer Buma.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Ik wist dat deze interruptie zou komen; ik voelde haar althans aankomen. Toen dacht ik: ik kan het u niet aandoen om te beginnen bij de Romeinen. Dat zou ik natuurlijk niet kunnen maken en toch maak ik een heel klein uitstapje. Wat is er indertijd gebeurd? Men zag dat de samenleving zich diende te ordenen en toen heeft men wetten gemaakt, maar al die oude wetten, waar ook ons huidige wetboek op gebaseerd is, gaan eigenlijk nog altijd over een fysieke wereld. We hebben er weleens wat zaakjes in weten te brengen over energie — dan doen we allemaal gekunsteld: hoe past dat dan in de fysieke wereld? — maar we moeten met elkaar vaststellen dat er een heel andere wereld is ontstaan op internet. Daar hebben we eigenlijk geen goed zicht op. Door D66 wordt altijd terecht aangegeven dat privacy van groot belang is en dat we ervoor moeten zorgen dat er open sources zijn. Dat is allemaal fantastisch. We willen van alles omdat we die beïnvloeding niet accepteren, maar dat betekent ook dat we hier kritisch op moeten zijn en dat je je niet achter je schermpje kunt verschuilen en vervolgens alles maar kunt doen wat je buiten ook niet kunt. Dat is wat ons betreft van belang. Wat kunnen we dan doen? We kunnen monitoren, surveilleren en toezicht houden op grote partijen, bijvoorbeeld Facebook, Google en Twitter. En we kunnen helpen om burgers en bedrijven wat meer actief bezig te laten zijn met de risico's, want het internet is niet alleen voor de heer Verhoeven en voor mij maar ook voor mijn moeder, die het af en toe als één grote bedreiging ervaart.

De heer Verhoeven (D66):
Absoluut. Een mooi visievol betoog over de veranderingen in de wereld en de impact daarvan op onze samenleving, inclusief de moeder van mevrouw Van Toorenburg. Dat de wereld verandert en dat digitalisering heel veel impact heeft, weten we allemaal. Dat dat risico's met zich meebrengt, weet ook iedereen. Dat het hier niet om privacy gaat, snap ik ook, maar mevrouw Van Toorenburg noemt aan het eind van haar betoog eigenlijk drie concrete dingen: monitoren en Facebook en Google aanpakken. Daar hebben we natuurlijk al twee organisaties voor, namelijk de AIVD, die monitort, en de Autoriteit Consument & Markt, die kijkt naar de positie van machtige techbedrijven in Nederland. Wat mij betreft mag je best een voorstel doen voor een autoriteit, maar zeg dan in ieder geval wat die autoriteit zou moeten gaan doen, want anders blijft het een beetje hangen in: we zijn ergens bang voor en dus bedenken we een autoriteit, want dan hebben we ook iets gedaan op het gebied van cyber security. Dat is wat mij betreft net iets te mager.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
De heer Verhoeven komt straks met een voorstel waarin hij aangeeft dat we een aantal zaken beter met elkaar moeten verbinden. Dat betreft ook dit. Alle organisaties die op dit moment actief zijn op internet, doen dat met een bepaalde doelbinding. Wij vinden het belangrijk dat we een autoriteit neerzetten die veel integraler kijkt wat er op internet gebeurt. We zien daar allerlei bewegingen waar we geen zicht op hebben. Dat zien we vanuit andere landen komen. Die discussie hebben we al honderd keer gehad en die hoef ik niet te herhalen, maar we weten hoe bepaalde landen proberen invloed te hebben op onze Nederlandse democratie. Dat is de ene kant. Aan de andere kant weten mensen ten aanzien van witwassen, bitcoins en alles wat er gebeurt, niet meer waarop ze moeten vertrouwen. Daarnaast zien we dit in de kleine wereld, met internetoplichting. We weten niet meer wat we moeten doen. Als u straks leuke cadeautjes voor uw kinderen heeft gekocht, misschien bij de Mediamarkt, vraag ik me af of u bij de echte Mediamarkt was, want daar schuift ook al een hele criminele organisatie in. Op talloze plaatsen zie je dat het internet eigenlijk uit zijn voegen wordt gerukt. Ik wil een autoriteit daarop, die ervoor zorgt dat het weer netjes bij elkaar wordt gebracht met een beter toezicht en een betere hulpverlening.

De voorzitter:
Gaat u verder.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Ik kan een enorm stuk verdergaan, want ik hoef niets meer te zeggen over die cybersecurityagenda. Ik ga verder met een ander deel van het regeerakkoord, waarin terecht staat dat wij ook moeten nadenken over boek 2, artikel 20 Burgerlijk Wetboek waarin wij eigenlijk spreken over antidemocratische krachten die proberen onze democratie te ondermijnen. Ik ben ook heel erg benieuwd hoe dit kabinet werk gaat maken van die passage uit het regeerakkoord.

Dan, voorzitter, over straffen en beschermen; een mooi evenwicht is dat altijd. Vorige week hebben wij het algemeen overleg over het gevangeniswezen gehad. Wij hebben ook gesproken over de voorwaardelijke invrijheidsstelling. Het is het CDA al heel lang een doorn in het oog dat mensen, ook al gedragen zij zich fout, toch in aanmerking kunnen komen voor een voorwaardelijke invrijheidsstelling. Gelukkig gaan wij dat nu eindelijk aanpassen en heeft de minister aangegeven dat hij inderdaad werk gaat maken van die detentiefasering. Ik heb nog één verzoek. Kan daar echt goed in worden meegenomen wat wij gaan doen voor jongvolwassenen in ons strafrecht? Het is meer dan alleen maar ophokken in een jeugdinrichting. Zij moeten een toekomst krijgen. Ik ben benieuwd hoe de minister voor Rechtsbescherming daaraan invulling wil geven.

Dan, voorzitter, door naar de staatssecretaris voor asiel en migratie. Ik ben nieuw op dit dossier. Het regeerakkoord heeft een omvangrijke uitgebalanceerde paragraaf over asiel en migratie, een van de grote uitdagingen van deze tijd. Nu het onderdeel migratie al uitvoerig aan de orde is geweest bij het debat over BuHa-OS, zal ik mij richten op asiel. Afgesproken is dat het kabinet onafhankelijk onderzoek laat doen of en zo ja, op welke wijze het Vluchtelingenverdrag uit 1951 bij de tijd moet worden gebracht om een duurzaam juridisch kader te kunnen bieden voor het internationale asielbeleid van de toekomst. Kan de staatssecretaris al iets zeggen over de manier waarop hij met deze opdracht aan de slag gaat, want het is nogal wat? Ik ben eigenlijk wel benieuwd hoe hij daarnaar kijkt.

Daarnaast is het zaak om wet- en regelgeving ook hier aan te passen waarbij het CDA in het bijzonder is geïnteresseerd in het voornemen om iets te doen aan die stapelingen en aan een verkorting van de asielvergunning. Het is niet de ontheemdenstatus, maar ik ben eigenlijk wel benieuwd hoe de staatssecretaris daaraan invulling gaat geven.

Over de vreemdelingendetentie staan ook belangrijke passages in het regeerakkoord. Wat ons betreft blijft dat een ultimum remedium, maar de effectiviteit moet omhoog. Daarvoor lijkt Europese regelgeving te moeten worden aangepast. De vraag is hoe de staatssecretaris die weg gaat bewandelen.

Dan licht ik er even een groep uit: de Albanezen. Zij veroorzaken dermate grote problemen dat een visumplicht voor hen in de rede ligt. Wij komen er nog over te spreken, maar misschien kan de staatssecretaris hier al iets over zeggen.

Onze collega Anne Kuik is er ook; zij is onze nieuwe woordvoerder op prostitutie en mensenhandel, maar wij hebben nu afgesproken dat ik toch dit deel hier voor mij rekening neem. Ik laat ook graag haar stem horen wanneer wij het hebben over de stemmen in het dossier mensenhandel. Als je de stemmen van die slachtoffers niet hoort, betekent dat niet dat zij er niet zijn. Schattingen lopen uiteen van 5.000 tot 7.500 slachtoffers van mensenhandel. Het zijn veelal vrouwen die onder dwang, door intimidatie en manipulatie worden gedwongen tot prostitutie. Zij kunnen hun stem niet laten horen en daarom komen wij voor hen op.

Wij hebben er met succes voor gepleit dat dit kabinet de strijd tegen de mensenhandel versterkt. Het regeerakkoord zet in op het geven van extra mogelijkheden voor gemeenten en politie bij de preventie, signalering en bestrijding van mensenhandel. De Nationaal Rapporteur gaf onlangs nog eens aan hoezeer dat nodig is. Veel gemeenten hebben op dit moment geen beleid op mensenhandel. 35% heeft geen idee of in hun gemeente mensenhandel voorkomt. Wij hebben daar al een brief over gekregen, maar ik wil er toch eigenlijk ook wat meer kleur bij krijgen van deze staatssecretaris, want het is allemaal zo verontrustend. Juist bij mensenhandel is een actief signaleringsbeleid van groot belang. Daarom gaat deze regering er ook voor zorgen dat er een wettelijke grondslag komt voor de lokale intakegesprekken met prostituees. Alleen dat geeft de GGD de mogelijkheid om vaker en op tijd misstanden te signaleren. Hiervoor is het van belang dat men precies weet waar op te letten bij signalering. Dus vragen wij aan de staatssecretaris om een plan van aanpak om medische professionals handvatten te bieden om slachtoffers van mensenhandel adequate zorg te bieden en mensenhandel te signaleren.

Mensenhandelaren mogen niet profiteren van ongelijke toezicht- en handhavingsmogelijkheden. Uniformiteit is van belang om misdaden tegen te gaan. Het moet afgelopen zijn met die schimmige praktijken rondom thuisprostitutie en ongelijke regelgeving. Het wetsvoorstel Regulering prostitutie wordt doorgezet. Dat maakt het mogelijk dat er een eenduidige registratieplicht komt voor alle prostituees/prostitués. Het is beter om zicht te krijgen op onderdelen van die sector, zoals de escort en zelfstandig werkende prostituees/prostitués. #MeToo is een item dat op dit moment in deze samenleving veel leeft. Ik moet u in eerlijkheid zeggen dat we ook een soort georganiseerde #MeToo hebben in Nederland en die noemen wij de prostitutie.

Voorzitter. Ik dank u voor uw aandacht. Ik wens deze bewindspersonen heel erg veel succes en genoegen met dit belangrijke werk; dat zij aan de slag mogen gaan voor de veiligheid van Nederland.

De heer Van Oosten (VVD):
Ik wil toch een opmerking maken over "een georganiseerde #MeToo in de vorm van prostitutie". Weet u, prostitutie is een legaal beroep. Met mevrouw Van Toorenburg zal ik er om het hardst voor strijden dat iedereen die onvrijwillig in de prostitutie wordt gebracht, wordt geëxploiteerd en noem het allemaal maar op, daaruit wordt gehaald. Daar moeten we keihard voor strijden, maar we kunnen natuurlijk niet zeggen dat elke sekswerker dat per se onvrijwillig zou doen. Dat vind ik te ver gaan.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Ik hoor de heer Van Oosten dat zeggen. Ik heb mij daar de afgelopen jaren echt in verdiept. Ik heb gezien wat voor ellende het allemaal is. Ik kan het gewoon niet anders samenvatten. De mensen zijn niet vrij. Er is een enorme onderdrukking. Uit alle cijfers van de politie en de GGD blijkt — af en toe, zeggen ze — dat 90% van de vrouwen gewoon gedwongen achter de ramen zit. Ik vind het een georganiseerde vorm van #MeToo. Misschien moet ik dat alleen voor mijn rekening nemen en geldt dat niet voor de heer Van Oosten in onze fantastische coalitie. Maar ik meen het serieus.

De voorzitter:
De heer Jasper van Dijk.

De heer Jasper van Dijk (SP):
Goedemiddag, voorzitter.

De voorzitter:
Ook goedemiddag. Fijn dat u er bent.

De heer Jasper van Dijk (SP):
Dank. Eensgelijks. Dat was geen interruptie.

Voorzitter. Mevrouw Van Toorenburg ging heel snel, dus ik wilde haar wat extra spreektijd gunnen op het gebied van asiel.

De voorzitter:
Ah! Dit soort trucjes, meneer Jasper van Dijk, …

De heer Jasper van Dijk (SP):
Trucjes? Trucjes?

De voorzitter:
Ja, elkaar spreektijd gunnen.

De heer Jasper van Dijk (SP):
Juist, ja. Maar ik heb een heel goede band met mevrouw Van Toorenburg.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Ja, over tickethandel vooral, voorzitter. Briljant zijn we daarin.

De heer Jasper van Dijk (SP):
Precies. Anyway, ter zake. Ik wilde vragen of mevrouw Van Toorenburg het met mij en met vele andere organisaties zoals de VN, maar bijvoorbeeld ook Amnesty, eens is dat Afghanistan op dit moment geen veilig land is door het enorme geweld en de aanslagen die daar plaatsvinden. Deelt u mijn mening?

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Ik kan niet zeggen dat ik de mening deel. Ik heb de heer Van Ojik daar iets over horen zeggen. Ik weet dat het in een ander debat aan de orde is geweest en dat veel leden in deze Kamer zich zorgen maken over de huidige situatie in Afghanistan. Ik weet dat het voornemen is om daar pas in juli, zo meen ik, een nieuw ambtsbericht over uit te brengen en dat je je iedere keer moet afvragen of je zo lang kan wachten. Dat heb ik de heer Van Ojik horen vragen aan dit kabinet en ik vond dat geen domme vraag.

De heer Jasper van Dijk (SP):
Dat ontvang ik mede namens de heer Van Ojik van harte, want u heeft volledig gelijk. De situatie in Afghanistan is zeer zorgelijk, en dat is een understatement. Er wordt inderdaad gewerkt aan een nieuw ambtsbericht; dat wachten we met belangstelling af. Het punt is natuurlijk dat er op dit moment uitzettingen kunnen plaatsvinden. Als je weet dat de regering, of het ministerie, deze situatie nog eens goed onder de loep aan het nemen is, dan is het nogal pijnlijk om toch door te gaan met die uitzettingen. Ik wilde daarom vragen of mevrouw Van Toorenburg het met mij eens is dat wij daar heel terughoudend mee om moeten gaan en die uitzettingen, dat beleid, misschien zelfs moeten opschorten totdat we de update van de situatie in Afghanistan hebben waar op dit moment aan gewerkt wordt.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Ik weet niet of dat iets te algemeen is. Ik denk dat dit kabinet goed heeft gehoord dat de Kamer zich daar zorgen over maakt. Dat betekent dus ook dat je moet bekijken wie je op dit moment uitzet. Tegelijkertijd weten we dat dit kabinet, althans de staatssecretaris, een discretionaire bevoegdheid heeft. Hij kan altijd maatwerk leveren. Ik denk dat wij hem die ruimte altijd moeten gunnen. Wat ik mijzelf heb voorgenomen — en ik merk dat dit heel moeilijk is op dit dossier — is om hier geen individuele zaken aan de staatssecretaris voor te leggen. Als ik het al zou doen, dan moet het zo'n extreem schrijnende situatie zijn dat ik eigenlijk ook geen nee van hem zal accepteren. Maar ik denk niet dat wij hier in de Kamer over individuele zaken moeten spreken. Wij moeten zorgen dat ambtsberichten op tijd komen en dat de staatssecretaris weet dat hij de vrijheid heeft om als hij denkt dat mensen in gevaar komen, te acteren. Ik denk dat de staatssecretaris mij, dankzij u, op dit dossier heeft gehoord vandaag.

De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Van Toorenburg. Nee, mevrouw Buitenweg, het spijt me, ik ga nu echt naar de heer Van Nispen. U heeft zo vaak geïnterrumpeerd. Dat is niet helemaal in balans. Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Van Nispen namens de SP.

De heer Van Nispen (SP):
De samenleving valt uit elkaar door de groeiende ongelijkheid tussen bevolkingsgroepen. In deze "ieder voor zich"-maatschappij doet de rechtsstaat niet meer wat hij hoort te doen: het waarborgen van gelijke kansen voor iedereen. Dat zijn wijze woorden maar helaas niet uit het regeerakkoord. Het zijn de woorden van eerder dit jaar van de minister van Justitie en Veiligheid die als eerste zichtbare daad op dit ministerie de naam wijzigde. De J moest voortaan voor de V komen te staan om te benadrukken dat we een rechtsstaat hebben, aldus minister Grapperhaus. Vervolgens is niet hij maar de minister voor Rechtsbescherming grotendeels verantwoordelijk voor de J. U weet wel, de minister voor Rechtsbescherming die gaat bezuinigen op de rechtsbijstand.

De harde bezuinigingen van de afgelopen jaren op veiligheid worden niet weggepoetst, hooguit op onderdelen verzacht, en dat vind ik teleurstellend. Maar de begrotingsbehandeling van Justitie en Veiligheid gaat niet alleen over geld. Voor mij gaat dit vooral over rechtvaardigheid en over vertrouwen. Het is hard nodig om het vertrouwen te herstellen in het ministerie dat moet waken over onze rechtsstaat en moet zorgen voor veiligheid. Het is ook hard nodig om zichtbaar te maken dat de overheid bereid is om te zorgen voor rechtvaardigheid. Vertrouwen betekent bijvoorbeeld ook dat de overheid er voor je is als je die nodig hebt. Bijvoorbeeld als je het slachtoffer bent van een misdrijf. Maar of je nou opgelicht bent op internet of zwaar mishandeld bent, de kans is erg groot dat je zaak op een stapel terechtkomt. En dat is toch eigenlijk ongelofelijk. Slachtoffers zijn mensen wie onrecht is aangedaan. Veel slachtoffers willen kunnen rekenen op een overheid die er ook voor hen is. De overheid moet dus een bondgenoot zijn van slachtoffers. Maar wat zien we gebeuren? Iemand die 's nachts mishandeld werd en tegen zijn hoofd werd geschopt alsof het een voetbal was, wacht al maanden op behandeling van de zaak tegen vier bekende verdachten op de zitting; het Openbaar Ministerie heeft het te druk. In Limburg kregen nabestaanden te horen dat het onderzoek naar hun moordzaak geparkeerd werd omdat er te weinig rechercheurs zijn. Een slachtoffer van diefstal van zijn digitale munt kan naar zijn centen fluiten. Er is te weinig capaciteit en expertise bij de politie. Met de tips van dit slachtoffer wordt niets gedaan. Minder dan 10% van de woninginbraken wordt opgelost. Voor cybercrime is dit 6%. Dit toont aan hoe er met slachtoffers wordt omgegaan. Hierdoor verliezen mensen het vertrouwen dat de overheid er voor hen is. Hoe krijgen slachtoffers nou het gevoel dat de rechtvaardigheid vooropstaat als ze maanden moeten wachten omdat de overheid niet heeft gezorgd voor voldoende rechercheurs, officieren van justitie en rechters? Waarom kunnen zij er niet op vertrouwen dat het onrecht dat hun is aangedaan, wordt aangepakt? Waar is dan de rechtvaardigheid? Zaken horen niet op een stapel maar moeten worden aangepakt. Moeten hier geen termijnen aan worden verbonden? Bijvoorbeeld een zware mishandeling met bekende verdachten binnen drie maanden op de zitting. Tips van een slachtoffer om een zaak op te lossen, horen serieus genomen te worden. Ik wil de minister vragen hierop uitgebreid in te gaan vanuit het perspectief van het slachtoffer.

"De politie verdient betere arbeidsvoorwaarden en loopbaanperspectieven." Dit is een citaat. Mag ik een reactie van minister Grapperhaus op deze interessante opvatting van de heer Grapperhaus van enkele maanden geleden, pagina 121 van zijn boek? De beloften van de nationale politie zijn niet nagekomen, niet voor de burgers maar ook niet voor de agenten. Dat laten ook recente onderzoeken zien. Wat is het plan B van de minister? Wat gaat hij doen aan de onvrede onder de agenten en de erbarmelijke ICT? Hoe gaat deze nieuwe minister ervoor zorgen dat agenten hun werk kunnen doen en burgers vertrouwen kunnen krijgen in de politie?

Onze politieagenten moeten zelf ook kunnen vertrouwen op hun leiding en op het ministerie. Hoe wordt ervoor gezorgd dat de omstandigheden waarin zij hun werk goed kunnen doen, optimaal zijn? Hoe moeten zij nou vertrouwen op een overheid die hen langer wil laten doorwerken terwijl zij er al zo veel dienstjaren op hebben zitten? We hebben het dan bijvoorbeeld over een agent die op z'n 67ste nog achter de boeven aan moet rennen, terwijl de stress van het werk al leidt tot een hoog ziekteverzuim op de werkvloer.

De VVD wil dat agenten die ziek thuiszitten weer aan de slag gaan en het CDA wil dat aangiftes binnen één dag worden opgenomen, terwijl vandaag blijkt dat er een groot tekort aan agenten is door de jarenlange bezuinigingen op het politieonderwijs. Hoe vaak hebben we daar niet voor gewaarschuwd? Hoe krijgt de volledige politieorganisatie dus weer het vertrouwen dat de overheid voldoende zicht heeft op de grote problemen die er spelen en deze ook echt op gaat lossen?

Gevangenispersoneel moet erop kunnen vertrouwen dat het kan werken in veilige omstandigheden, maar dat kan het helaas niet. De acties van het gevangenispersoneel hebben geholpen. Actievoeren helpt. Ik heb hen daarmee al gefeliciteerd. Er komt extra personeel bij, er komt rust en zekerheid, maar mijn vraag is wel: hoe gaat de minister deze beloftes waarmaken voor 25 miljoen euro per jaar? Dat geld moet ook nog eens uit het eigen vermogen van de Dienst Justitiële Inrichtingen komen. Is het dan geen sigaar uit eigen doos? Dat vraagt het bezorgde gevangenispersoneel zich af. Wat nou als uit het onderzoek naar die noodzakelijke personeelsinzet, die van belang is voor het verminderen van de werkdruk en de onveiligheid, blijkt dat er meer geld nodig is? Staat het geld of de veiligheid van de mensen dan voorop?

Voorzitter. Rechtvaardigheid betekent ook dat de overheid er moet zijn voor rechtzoekenden. Als je geen goede toegang tot het recht garandeert, blijft onrecht bestaan. Niet het recht van de sterkste moet gelden; iedereen heeft recht op recht. De reactie van de minister op het rapport van de commissie-Van der Meer is zeer teleurstellend. Er is al jaren te weinig geld beschikbaar voor de door de overheid gefinancierde rechtsbijstand. Daardoor neemt de kwaliteit van de rechtsbijstand af. Dat raakt het fundament van de rechtsstaat. Het lijkt op uitrookbeleid van de sociale advocatuur. Maar de minister zegt: we gaan alleen overleggen hoe we de bezuinigingen gaan doorvoeren. Er komt geen cent bij, ook al is de noodzaak daartoe nu door allerlei onderzoeken keihard onderbouwd. Deze minister staat niet voor de rechtzoekenden. U bent toch de minister voor Rechtsbescherming en toch niet de minister van rechtsongelijkheid? De strijd van de VVD om de toegang tot het recht af te knijpen, wordt voortgezet. Ik vind dat heel teleurstellend. Waarom maakt de minister deze keuze?

Toegang tot het recht betekent niet alleen dat het recht betaalbaar moet zijn. Het recht moet ook nabij zijn, letterlijk niet te ver weg, bij voorkeur in de buurt, zoals de sprekeruurrechter: een ervaren deskundige die in een snelle, laagdrempelige, eenvoudige en betaalbare procedure luistert naar alle partijen en vervolgens aanstuurt op een compromis. Samen met de betrokkenen wordt gezocht naar een voor iedereen geschikte oplossing. Dat heeft volgens de SP de toekomst. Dat zien we ook aan de eerste resultaten. Wil de minister toezeggen dat hij zich hierdoor wil laten inspireren? Het staat nu al onder druk. Ik heb hier deze week nog Kamervragen over moeten stellen, want het lijkt erop dat dit mooie project wordt tegengewerkt.

Ook mediation in het strafrecht is van heel groot belang. Voor bepaalde zaken is dit zeer geschikt. Het kan recidive voorkomen en het kan slachtoffers helpen bij de verwerking van het leed. Ook voor volgend jaar is minimaal 1,5 miljoen euro nodig. Waarom zouden wij hierop gaan bezuinigen? Dat is een vraag die ik nadrukkelijk ook aan de coalitiepartijen wil stellen. Het zou heel erg zonde zijn als het moois dat op dit gebied is opgebouwd wordt weggegooid.

Dan kom ik vervolgens op het griffierecht. Dan moet ik nog een keer de minister van Justitie en Veiligheid citeren: er zijn zelfs voorzieningen, zoals de aan de rechtbank te betalen griffierechten wanneer men wil procederen, die de laatste jaren bewust zo hoog zijn gemaakt, dat mensen met veel lagere inkomens niet zo gauw zullen proberen hun recht te halen. Pagina 95 van het boek. Dat is een interessante analyse, waarop ik graag een reactie wil van de minister voor Rechtsbescherming. De SP stelt vandaag concreet voor om van mensen die het echt niet kunnen betalen, mensen die onder de bijstandsnorm zitten, geen griffierecht te vragen. Deze mensen hoeven geen toegangskaartje meer te betalen voor de rechtszaal. Er is nu nog geen wettelijke basis voor, maar de hoogste rechters hebben al geoordeeld dat je hier niet omheen kunt, omdat je anders in strijd komt met de verplichting om de toegang tot het recht te waarborgen. Graag krijg ik een reactie op dit voorstel. Is de minister bereid een voorstel te doen om de griffierechten voor kleine geldvorderingen te verlagen? Daar vraagt het midden- en kleinbedrijf al heel lang om. Het is niet uit te leggen dat je voor het innen van een geldvordering van €500 eerst €470 aan griffierecht moet betalen. Wie gaat dat nu doen? Graag een reactie ook op dit voorstel.

De rechtspraak wordt al jaren onvoldoende gefinancierd. Er is een fors tekort op de begroting. Het eigen vermogen van de rechtspraak duikt in de rode cijfers. Vanwege puur budgettaire overwegingen houdt de minister zich niet aan de afspraken. Ook dat schendt dan feitelijk weer het vertrouwen. De SP wil met een initiatiefwetsvoorstel regelen dat de rechtspraak, als derde staatsmacht, een aparte begroting krijgt los van die van het ministerie van Justitie en Veiligheid.

Dan kom ik op de justitiële dwalingen. Onterechte veroordelingen zijn een ramp voor de rechtsstaat. Hoe staat het met de uitwerking van het SP-voorstel dat vorig jaar is aangenomen om justitiële dwalingen gemakkelijker te kunnen herstellen?

De SP vindt het goed dat er experimenten komen met wietteelt. Eindelijk. Is de minister bereid toe te zeggen dat dit verschillende experimenten zullen worden, zoals de gemeentes hebben aangegeven? als je allemaal uniforme experimenten organiseert, weet je na afloop nog niet wat wel en wat niet werkt.

Voorzitter. ik debatteer graag over het mooie werk van de Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken. Maar voor het derde jaar op rij hier weer over hetzelfde onderwerp debatteren, terwijl er niets is veranderd, gaat mij eigenlijk wel te ver. Want het is weer een onverstandige bezuiniging op een mooi, laagdrempelig en goedkoop alternatief voor een veel duurdere rechtszaak. Ik zei het vorig jaar en ik zei het het jaar daarvoor. Waarom wordt voor de derde keer op rij deze subsidie gekort en waarom moet de SP voor het derde jaar op rij hier een stokje voor steken? Dat geldt ook voor het Meldpunt Kinderporno, Sektesignaal en de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak. Het zijn totaal verschillende organisaties, maar allemaal op een heel andere manier ontzettend waardevol voor onze rechtsstaat. Ik vind dat de minister het erg bont heeft gemaakt door een structurele dekking, die de Kamer vorig jaar heeft gevonden, gewoon anders in te gaan zetten. Dat probleem heeft de minister zelf veroorzaakt en nu kan de Kamer het weer oplossen. Ik vind dat echt niet kunnen. Volgens mij ga je zo niet om met dit soort organisaties, door ze met een pennenstreek, zonder enige toelichting uit de begroting te schrappen. Ook dat schendt het vertrouwen. Als de coalitie voorstellen van de oppositie wil overnemen of kopiëren en daar een soort koehandel van maakt, is dat prima. Ik doe aan die politieke spelletjes niet mee, maar doe het dan wel goed en voor de bedragen die nodig zijn. Anders is de rechtzoekende weer de dupe. Ik neem dus aan dat jullie allemaal het amendement dat voorligt over de Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken gewoon weer steunen, want feitelijk is er niets veranderd ten opzichte van vorig jaar. Wie zwijgt, stemt toe. Anders hoor ik nu inderdaad graag.

De heer Van Oosten (VVD):
Ik zou de heer Van Nispen graag een vraag willen stellen naar aanleiding van het onderwerp geschillencommissie. Kan de heer Van Nispen mij uitleggen waarom de belastingbetaler al dan niet indirect het geschil moet meefinancieren dat een consument heeft met een producent die iets heeft geleverd waar die consument niet om heeft gevraagd en wat een fout is van die leverancier? Waarom moeten wij dat financieren? Waarom moeten wij niet gewoon tegen de producent zeggen: betaalt u het zelf maar? U moet leveren waarvoor u een contract gesloten hebt.

De heer Van Nispen (SP):
Een heel interessante opvatting. Volgens mij weet de heer Van Oosten heel erg goed dat nu al 80% van de Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken door het bedrijfsleven wordt betaald. Er is maar een heel klein deel dat door de overheid wordt betaald. Doen we dat niet en schrappen we die korting, zoals de minister in de begroting heeft voorgesteld, dan zullen we zien dat het bedrijfsleven die bijdrage niet verhoogt. De eerste opzeggingsbrieven zijn al binnen. Ik hoop dan ook dat u mij gaat steunen om dat tegen te houden. De eerste opzeggingsbrieven zijn al binnen en dit mooie, laagdrempelige en goede alternatief voor consumenten voor de veel duurdere rechtszaak zou je hiermee op het spel zetten. Dat is des te onverstandiger omdat er veel duurdere rechtszaken voor terugkomen als je deze alternatieve procedure weggooit. De belastingbetaler is dan alleen maar nog meer de dupe. De heer Van Oosten zou dan dus ook moeten uitleggen waarom de belastingbetaler meebetaalt aan de rechtspraak. Geschillenoplossing is nou eenmaal iets waar de overheid aan meebetaalt. Dat doen we bij de rechtspraak en dat doen we voor een heel bescheiden bedrag, een kleine subsidie, ook bij de Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken.

De heer Van Oosten (VVD):
Nou ben ik ook een beetje kritisch richting de heer Van Nispen over de beantwoording van de vraag die ik hem stel. Zoals u dat ook weleens bij mij doet — zo zeg ik via de voorzitter — ben ik dat nu in uw richting. Ik vraag u heel simpel mij uit te leggen waarom de belastingbetaler een bedrag moet toevoegen aan een geschil dat door de producent zelf is veroorzaakt, omdat hij niet heeft geleverd wat hij had moeten leveren. Waarom moeten wij dat betalen? Waarom zeggen we niet gewoon tegen die producent "sorry, maar u komt uw afspraken niet na; doe dat voortaan even netjes"?

De voorzitter:
Een kort antwoord, mijnheer Van Nispen.

De heer Van Nispen (SP):
Dat is precies dezelfde vraag als die ik net heb beantwoord. Eén, het bedrijfsleven betaalt al 80%. De overheid betaalt een heel klein beetje mee — dat is twee — omdat de overheid ook het gezag meegeeft aan die Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken. Bovendien weet de heer Van Oosten volgens mij ook dat er een Europese verplichting is. Die verplichting houdt in dat de overheid op allerlei terreinen, onder andere in de gezondheidszorg, alternatieven overeind moet houden. Die geschillencommissie moet deels dus ook blijven bestaan. Als u dat op het spel zet door een kleine subsidie te schrappen, zijn we alleen maar verder van huis en zijn we op de lange termijn alleen maar veel meer geld kwijt.

De heer Van Dam (CDA):
Ik denk dat het terecht is dat de heer Van Nispen dit punt naar voren brengt. Ik zou eigenlijk de minister willen vragen om in zijn antwoord nadrukkelijk aandacht te besteden aan die Europese verplichting. Waar die ons dan toe …? Waar die …? Waar verplicht die ons dan toe? Het woord "producent" is al moeilijk uit te spreken, maar dit helemaal.

De heer Van Nispen (SP):
Dit is een terecht aanvulling van de heer Van Dam. Maar ik zeg er wel iets bij en dat is het volgende: als je het zou beperken tot alleen waar je Europeesrechtelijke toe verplicht bent, dan blijft er zo weinig over dat dat niet uit kan. Dan houd je maar een hele kleine overheidsbijdrage over. Als je alleen maar zou doen wat wettelijk verplicht is, stijgen de kosten voor het bedrijfsleven. Als u er zeker van bent dat niemand op zal zeggen, komt dat voor uw verantwoording, maar ik weet dat de eerste opzeggingsbrieven al binnen zijn. Ik vind het een goede vraag en ik ben benieuwd naar het antwoord, maar laten we dit nou niet op het spel zetten. Andere jaren hebben we het gesteund. In de tussentijd is er geen enkele motivatie gekomen waarom de Stichting Geschillencommissies voor Consumentenzaken nu geen subsidie meer zou verdienen. Wat is er veranderd waarom we het nu niet meer zouden steunen? Volgend jaar komt er nota bene een evaluatie; laten we die in ieder geval afwachten.

De voorzitter:
Gaat u verder.

De heer Van Nispen (SP):
Ik zou het liefst een structurele financiering hebben.

Voorzitter, u mag mijn tijd weer door laten lopen. Ik ga verder met mijn betoog.

Ik vind het prima. Ik zou een structurele financiering het mooiste vinden, want dan weten we het meteen. Als het moet, laten we dan in ieder geval voor volgend jaar nog een keer de subsidie verlengen. Dan kunnen we daarna hierover een inhoudelijke discussie voeren. Ik vind het heel onzorgvuldig om zonder echte discussie — dat is het geval als dit het enige is — op basis daarvan een mooie organisatie om zeep te helpen. Volgens mij moeten we het in ieder geval niet zo doen.

Dan een opmerking over de fraudebestrijding in Nederland. Waarom worden er geen plannen aangekondigd om fraude beter te gaan bestrijden? Dat is toch ook een van de grote uitdagingen. Hier gaan miljarden in om! Het zou rechtvaardig zijn om ook mensen met stropdassen of witte boorden … "witteboordencriminaliteit" noemen we dat traditioneel. Ik heb het niet specifiek over u, mijnheer Verhoeven. U heeft ze toevallig allebei. Het zou rechtvaardig zijn om ook die witteboordencriminaliteit aan te pakken. De indruk bestaat weleens dat dit nauwelijks prioriteit heeft en daar ontvang ik graag een reactie op van de minister.

Voorzitter, ik kom tot een afronding. Ik wens beide ministers en de staatssecretaris veel succes. Zorg voor vertrouwen in het ministerie en in de rechtsstaat in het belang van de rechtvaardigheid!

De voorzitter:
Dank u wel, mijnheer Van Nispen. Dan geef ik nu het woord aan de heer Jasper van Dijk.

De heer Jasper van Dijk (SP):
Voorzitter. Na dit vlijmscherpe betoog van mijn collega Van Nispen mag ik nog iets zeggen over asiel en migratie. Migratie is van alle tijden. Sinds mensenheugenis zijn mensen op zoek naar een beter leven elders. Dat kan zijn vanwege oorlog en geweld, maar ook vanwege een gebrek aan perspectief. Dat is begrijpelijk, maar het vraagt ook om grenzen, want het leidt tot spanningen als miljoenen mensen naar een en dezelfde plek trekken. Daarom zijn er grenzen nodig, zowel geografisch als politiek. Grenzen die migratie aanvaardbaar maken voor de eigen inwoners, maar ook menselijk ten aanzien van mensen die vluchten voor oorlog en geweld. De meeste mensen zijn graag bereid om mensen in nood te helpen, mits het beheersbaar blijft. Het gaat erom een balans te vinden tussen beheersbaarheid en menselijkheid.

De SP pleit voor een realistisch immigratiebeleid. We bieden een plek voor mensen in nood, maar we kunnen niet iedereen opvangen. Het is de kunst om kansloze migratie te beperken. Dan gaat het allereerst om de aanpak van de grondoorzaken. De regering wil dat ook en dat is goed, maar laten we wel heel precies zijn, want wat zijn die oorzaken? Armoede, oorlog, gebrek aan perspectief. Wat kan Nederland daaraan doen? Wat ons betreft doen we niet langer mee aan oorlogen die de ellende vergroten. Dat is een grondoorzaak. Stop dus met deelname aan oorlogen in Irak, Afghanistan en Mali. Stop ook met oneerlijke handel, met foute handelsverdragen en met het faciliteren van belastingontwijking door multinationals, waardoor ontwikkelingslanden miljoenen mislopen, wat ook weer migratie tot stand brengt. Zolang die zaken doorgaan, worden grondoorzaken niet werkelijk aangepakt. Deelt de regering die mening?

Het kabinet schrijft in het regeerakkoord dat de landen waarmee vluchtelingendeals worden gesloten, materieel moeten voldoen aan de voorwaarden van het Vluchtelingenverdrag. Wat bedoelt u met het woordje "materieel"? Bedoelt u dat landen de mensenrechten moeten respecteren? Dan is de logische vervolgvraag: voldoet de Turkijedeal materieel aan het Vluchtelingenverdrag? Het lijkt mij niet, want er schort van alles aan die deal. Niet voor niets zitten duizenden vluchtelingen vast in Griekenland. Mensenrechtenschendingen in Turkse opvangkampen zijn aan de orde van de dag, zo rapporteerde ook de Vrije Universiteit. Uitbuiting van kinderen die werk moeten verrichten, noem maar op.

Een deal met Libië lijkt mij eveneens een lastig verhaal, to put it mildly. Toch zijn er al afspraken, direct of indirect, tussen de EU en Libië. De EU traint de Libische kustwacht om migranten tegen te houden. Een deal met een land in puin, waar volgens de Verenigde Naties duizenden vluchtelingen in nood zitten, zonder toegang tot basisvoorzieningen. Vorige week zagen we beelden van slavenhandel. Veel barbaarser kan het niet worden. Deelt u de mening dat vluchtelingen niet naar Libië mogen worden teruggestuurd, dat dit in strijd is met het non-refoulementprincipe? Zo ja, in hoeverre worden op dit moment met steun van de EU vluchtelingen naar dit land teruggestuurd? En indien het antwoord ja is, wilt u daar een eind aan maken?

Een derde deal is gesloten met Afghanistan. Mensen worden teruggestuurd naar een land dat steeds gewelddadiger wordt, waarvoor nota bene een negatief reisadvies geldt en waarvoor steeds breder wordt gepleit voor een uitzetstop: de Verenigde Naties, Duitsland, Amnesty, noem maar op. Vanochtend ontvingen wij een petitie van Haroon. Hij is ook hier aanwezig. Bij terugkeer is hij zijn leven niet zeker. Ondertussen werkt de Nederlandse regering aan een nieuw ambtsbericht over Afghanistan, om te beoordelen of het land veilig is of niet. Het feit dat daaraan wordt gewerkt zegt eigenlijk al genoeg. Tegelijk gaat de regering wel door met uitzettingen. Dat is krom. Daarom pleit ik voor een uitzetstop naar Afghanistan zolang dat nieuwe beleid er nog niet is. Graag een reactie. Ik heb daar ook een motie voor. Gaat de staatssecretaris deze deals als voorbeeld nemen voor toekomstige afspraken? Hoe gaat hij ervoor zorgen dat nieuwe deals wel in lijn zijn met het internationaal recht? Aan welke landen denkt het kabinet om deals mee te maken? Is de staatssecretaris bereid om vooraf onderzoek te doen naar de mensenrechtensituatie in het land waar we een deal mee sluiten? Wil hij onafhankelijk juridisch advies vragen over een mogelijke nieuwe deal?

Voorzitter. De ChristenUnie en D66 hebben zich altijd met ons sterk gemaakt voor een ruimhartig kinderpardon, maar helaas was de lokroep van de macht sterker dan hun principes. Het is bijna onmogelijk om aan het meewerkcriterium te voldoen. Op deze manier is het kinderpardon een dode letter. Is de regering dat met mij eens? Kinderen die hier zijn geboren, worden naar een land gestuurd waar ze nog nooit geweest zijn. Ingeruild voor het regeringspluche van D66 en ChristenUnie. Geen misverstand: sommige ouders van deze kinderen hebben tegen beter weten in doorgeprocedeerd. Maar de kinderen hebben daar geen schuld aan. Dan is het aan ons om het systeem te verbeteren, waarbij kansloos doorprocederen wordt tegengegaan, en om te investeren in juridische capaciteit. Daarom is ook rechtsbijstand van belang, maar daar wil het kabinet nu juist op bezuinigen. Hoe denkt de staatssecretaris dat dit de duur van procedures gaat verkorten? Hoe gaat dit het langer doorprocederen voorkomen?

Voorzitter, tot slot bied ik een plan aan om asielzoekers eerlijker over Nederland te verdelen. Op dit moment zien we dat arme gemeentes drie keer meer asielzoekers opnemen dan rijke gemeentes. We kennen de voorbeelden, zoals dat van een villawijk in Den Helder. Daar kochten de bewoners van die wijk een pand op dat bestemd was voor vluchtelingen, voor statushouders, waardoor de komst van die statushouders voorkomen is. Ik zou daar graag een reactie op willen van de staatssecretaris. Vond hij dat niet ook schaamteloos?

Met ons plan vragen we om te kijken naar de draagkracht van gemeentes en om niet alleen naar arme gemeentes te kijken, maar ook naar rijke en om ook binnen die gemeentes te kijken naar de verschillende wijken. We zeggen ook dat moet worden gezorgd voor kleinschalige opvang, zodat het draagvlak groter wordt. Dat zegt het kabinet ook in het regeerakkoord, dus volgens mij kunnen we het eens worden. De regering wil ook kleinschalige opvang voor asielzoekers. We zeggen ook: speel in op toekomstige instroom, zorg voor een noodbuffer in de opvang.

Voorzitter — hiermee beëindig ik mijn spreektekst — ik wil graag mijn voorstel aanbieden aan de regering. Ik heb ook exemplaren voor de collega's. Ik heb ook de petitie van Haroon, die hij namens alle Afghanen in Nederland aanbiedt: 17.000 handtekeningen in twee weken tijd.

De heer Fritsma (PVV):
De SP houdt een pleidooi voor spreiding van asielzoekers, maar als het op de SP-manier gaat dan staat straks in echt iedere straat van Nederland een asielzoekerscentrum. Toen de afgelopen jaren alle asiel- en immigratierecords werden gebroken, moesten er van de SP nog meer migranten komen. Het was nog niet genoeg. Realiseert de heer Van Dijk zich dat het niet gaat om het spreiden van asielzoekers in Nederland, maar om het tegenhouden van asielzoekers? Want de massa-immigratie die ook, eerlijk is eerlijk, door de SP steeds wordt aangewakkerd, ontwricht onze hele samenleving. Wanneer realiseert de SP zich dat?

De heer Jasper van Dijk (SP):
Voorzitter, als Kamerleden in herhaling vallen dan wijst u ze daar altijd op. Maar deze keer even niet. Vooruit, ik zal antwoord geven. Dit is de grijsgedraaide plaat van de heer Fritsma. Ik heb een genuanceerd betoog gehouden zojuist. Ik had gehoopt dat u daar ook wat over zou zeggen, mijnheer Fritsma. De SP staat voor een realistisch immigratiebeleid. We kunnen niet iedereen opvangen in Nederland. Voor economische migranten is geen plek. Wij willen plek bieden aan mensen in nood, die vluchten voor oorlog en geweld. We willen ze ook niet terugsturen naar landen die overduidelijk wel in oorlog zijn op dit moment, zoals Afghanistan. Ik vind dat onmenselijk. Ik hoop dat u mij ook steunt als we zeggen: nu niet mensen daarnaar terugsturen. Want je stuurt ze mogelijk letterlijk de dood in.

De heer Fritsma (PVV):
Het gaat niet alleen om woorden maar ook om wat de SP doet en heeft gedaan. Nogmaals, toen alle asiel- en immigratierecords waren gebroken in de afgelopen jaren vond de SP het nodig om te zeggen dat er nog meer migranten bij moesten komen, nog meer partner- en gezinsmigranten, meer asielzoekers, meer mensen voor het generaal pardon en illegalen moesten ook worden opgevangen. Het spijt me dat ik in herhaling val volgens de heer Van Dijk, maar dát is de SP.

Ik stel nog één vervolgvraag. Als u het heeft over draagvlak, dan moet u kijken wat het draagvlak onder de Nederlanders verpest. Nederlanders kunnen fluiten naar een sociale huurwoning. Meer dan de helft van alle bijstandsuitkeringen gaat naar niet-westerse allochtonen. Er is overlast, ellende, …

De voorzitter:
Dat heeft u in uw inbreng gezegd.

De heer Fritsma (PVV):
… islamisering, mensen worden vreemden in eigen land. Als u zegt op te komen voor de gewone Nederlanders — dat doet de SP heel vaak — dan moet u zich realiseren dat de gewone Nederlanders alleen maar last hebben van de massa-immigratie, die ook de SP altijd aanwakkert.

De voorzitter:
Dit is uitgebreid in uw inbreng aan de orde gesteld. De heer Jasper van Dijk.

De heer Jasper van Dijk (SP):
Zo is het, voorzitter. Ik dacht dat een dialoog is: iemand stelt een vraag, iemand anders geeft een antwoord en dan gaat de vragensteller daarop in. Maar ik krijg exact hetzelfde praatje te horen. Het is een monoloog, met een slecht werkende megafoon. Het is een oud verhaal. Ik kan daar niks aan toevoegen.

De voorzitter:
De heer Groothuizen.

De heer Jasper van Dijk (SP):
En het klopt niet. Het deugt van geen kanten.

De voorzitter:
De heer Groothuizen. Nee, nee, nee, meneer Fritsma.

De heer Fritsma (PVV):
Met alle respect hoor, maar dit is geen inhoudelijk antwoord.

De voorzitter:
De heer Groothuizen.

De heer Jasper van Dijk (SP):
Nee, maar het was ook exact dezelfde vraag, meneer Fritsma.

De heer Fritsma (PVV):
Waar geen antwoord op komt.

De heer Jasper van Dijk (SP):
U houdt een verhaal dat nergens op gestoeld is. Ik heb u in eerste instantie een keurig antwoord gegeven, namelijk dat de SP staat voor een realistisch asielbeleid. Er is geen plek voor iedereen in Nederland. We bieden wel plek aan mensen in nood.

De voorzitter:
Ook dit is herhaling.

De heer Fritsma (PVV):
Mijn verhaal was gestoeld op moties van de SP …

De voorzitter:
Meneer Fritsma, u …

De heer Fritsma (PVV):
… die aangaven dat er alleen maar meer migranten naar Nederland moeten komen.

De voorzitter:
U heeft uw punt gemaakt.

De heer Jasper van Dijk (SP):
Nu doe ik een beroep op de voorzitter.

De voorzitter:
Ja, ik ga hier een einde aan maken.

De heer Jasper van Dijk (SP):
Ik hoor nu drie keer exact hetzelfde verhaal.

De voorzitter:
De heer Groothuizen.

De heer Groothuizen (D66):
Interessant betoog van de heer Van Dijk over de spreiding van vluchtelingen. Ik herken daar veel in van wat in het regeerakkoord staat. Maar is de heer Van Dijk het niet met mij eens dat het veel wijzer is om mensen te plaatsen daar waar ze perspectief op een baan en een woning hebben in plaats van te kijken naar wat het inkomen in een bepaalde gemeente is?

De heer Jasper van Dijk (SP):
Zeer eens, zeer eens. Laten we vluchtelingen, statushouders en asielcentra daar plaatsen waar perspectief is. Als u mijn rapport leest — ik zal het u straks aanbieden — dan ziet u dus dat de asielcentra nu voornamelijk komen in achterstandswijken en dat die verdeling ongelijk is. Dat is ook slecht voor de bewoners, die zeggen: hé, we hebben het hier al zwaar en nu komt er ook nog eens een asielzoekerscentrum bij; waarom kan dat niet in die andere wijk? Nee, maar daar zitten villabewoners en die kopen dat pand op en houden daarmee de komst van vluchtelingen tegen. Dat wil ik meer in balans brengen.

De voorzitter:
Tot slot, de heer Groothuizen.

De heer Groothuizen (D66):
Dat begrijp ik, maar dan concludeer ik dat de heer Van Dijk het mij eens is dat het voor de rest en in bredere zin wijzer is te kijken waar mensen aan de slag kunnen, dus dat het wijzer is om een asielzoeker uit Syrië met havenervaring in de buurt van Rotterdam te plaatsen dan in Zuidoost-Drenthe.

De heer Jasper van Dijk (SP):
Ja. Ik vind dat u een heel reële factor inbrengt. Ik hoop dat u ook kijkt naar de variabelen die ik inbreng: eerlijke verdeling, niet alleen in arme gemeentes. Volgens mij zouden we het dan eens moeten worden.

De voorzitter:
Dank u wel. U was klaar hè?

De heer Jasper van Dijk (SP):
Ja.

De voorzitter:
Dan geef ik nu het woord aan de heer Groothuizen namens D66. De heer Groothuizen. Meneer Groothuizen! U werd afgeleid door de heer Verhoeven, zag ik.

De heer Groothuizen (D66):
Voorzitter.

De voorzitter:
U wordt afgeleid door de heer Verhoeven, zag ik.

De heer Groothuizen (D66):
Ik moet tot mijn spijt bekennen dat multitasking inderdaad niet mijn grootste kwaliteit is. Om maar gelijk af te trappen: ik zal vandaag spreken over justitie en asiel en migratie, en de heer Verhoeven, die mij zo-even afleidde, over politie, terrorisme en alles wat te maken heeft met cybersecurity.

Voorzitter. D66 wil dat mensen in vrijheid hun eigen leven vorm kunnen geven. Een sterke rechtstaat is daarvoor het fundament dat waarborgt dat de vrijheid van de een eindigt waar de vrijheid van de ander begint. Die rechtstaat beschermt de rechten van kwetsbare individuen, slachtoffers van ernstige criminaliteit bijvoorbeeld, en beschermt ons allemaal tegen de willekeur van de Staat. Onze rechtsstaat staat er in het algemeen goed voor. Nederland staat hoog in allerlei internationale ranglijstjes. Dat is goed nieuws, maar geen reden om tevreden achterover te hangen. Er zijn een aantal stevige uitdagingen. De begrotingsbehandeling van het ministerie van Justitie en Veiligheid, bij uitstek het departement om het recht in Nederland te handhaven, is dan ook dé plek om stil te staan bij de stand en de toekomst van onze rechtstaat.

Voorzitter. Onafhankelijke rechtspraak neemt een cruciale plaats in in onze rechtstaat. Het vertrouwen van mensen in onze rechters is onverminderd groot. Maar onze maatschappij verandert en de rechtspraak moet de ruimte krijgen om mee te veranderen. Steeds vaker wordt de vraag gesteld of onze juridische modellen nog wel voldoen. Duurt het allemaal niet te lang? Worden geschillen niet onnodig aangewakkerd in plaats van opgelost? In het familierecht bijvoorbeeld worden procedures doorgaans ingeleid met een verzoekschrift van de ene partij, beantwoord met een verweerschrift van de andere partij. Bij een verzoek om alimentatie wakkert dat procesmodel, vaak wel het toernooimodel genoemd, al snel het geschil aan. We moeten kijken hoe dat anders en beter kan. Een experimenteerbepaling geeft de rechtspraak de mogelijkheid tijdelijk iets anders te gaan proberen. Als het dan werkt, kunnen we dat in regelgeving vatten. D66 is blij met de afspraken die we hierover in het regeerakkoord hebben gemaakt. Ik wil graag van de minister voor Rechtsbescherming weten wanneer hij met voorstellen naar de Kamer komt om de rechtspraak daadwerkelijk die experimenteerruimte te gaan geven.

Voorzitter. Hier past tegelijk een kritische opmerking aan het adres van de overheid. Recent las ik een artikel over de spreekuurrechter in het noorden van ons land. Een interessant middel om geschillen op te lossen op een eenvoudige manier. Het zijn echter vooral bestuursorganen die weigeren die weg te bewandelen. Ik lees en hoor dat wel vaker. De overheid maakt geschillen zelf juridisch en is vervolgens niet bereid problemen op een andere manier op te lossen. Ik zou graag van de minister van Justitie en Veiligheid horen of hij dat probleem onderkent en zo ja, wat hij daaraan gaat doen.

Voorzitter. Ik noemde het al: het is van belang dat geschillen echt worden opgelost. Bij mediation is daar aandacht voor. Achter een mishandeling schuilt soms een burenruzie. Na die strafzaak moeten mensen dan nog steeds naast elkaar wonen. Mediation is dan een goede oplossing, zodat we ervoor kunnen zorgen dat mensen, slachtoffers en daders, na het gebeurde weer samen verder kunnen. Daarom zal D66 samen met de Partij van de Arbeid een amendement indienen om 1 miljoen euro vrij te maken voor mediation. Op die manier kan mediation in het strafrecht worden voortgezet. Ik zie de heer Van Nispen op de interruptiemicrofoon aflopen, voorzitter.

De voorzitter:
Ik ook. De heer Van Nispen.

De heer Van Nispen (SP):
Hartstikke fijn dat D66 weer opkomt voor mediation in het strafrecht. We hebben altijd zij aan zij gestaan op dit onderwerp. Maar u weet heel goed: vorig jaar ging er 1,5 miljoen euro naar mediation in het strafrecht. Dit jaar bezuinigt u hierop door een voorstel in te dienen voor 1 miljoen euro. Dat lijkt een klein verschil, maar het maakt heel veel uit. Dat scheelt namelijk de helft van het aantal mediations, heb ik mij laten vertellen, omdat er ook een deel naar de organisatiekosten et cetera gaat. Wat rechtvaardigt nou de halvering van het aantal mediations in het strafrecht voor komend jaar?

De heer Groothuizen (D66):
Daar zijn twee antwoorden op. De eerste is politiek keuzes maken. Als je een aantal wensen hebt, moet je kijken wat daar de ruimte voor is en wat je kunt doen. Soms is dit dan gewoon de uitkomst. Maar ten tweede: belangrijker is dat we ook nog een andere organisatie hebben die zich bezighoudt met mediation, en die zit meer aan de achterkant van het traject. Waar ik vind dat we op aan moeten gaan sturen, is dat die achterkant en de voorkant meer gaan samenwerken, zodat we synergievoordelen kunnen behalen.

De heer Van Nispen (SP):
Synergievoordelen ben ik altijd voor. Maar dat rechtvaardigt nog steeds geen halvering van het aantal mediations in het strafrecht voor komend jaar, want dat is heel wat anders. Nou hoor ik de heer Groothuizen zeggen: politiek is keuzes maken. Dat is een ongelooflijke dooddoener, want het is wel waar, maar we hebben collega Van Dam net horen zeggen: na al die magere jaren komen er nu vette jaren. We weten allemaal dat er geld is, ook op de justitiebegroting, maar zeker daarbuiten. Als er 1,4 miljard euro is om dividendbelasting uit te keren aan buitenlandse aandeelhouders en andere belastingdiensten, waarom is er dan niet bijvoorbeeld 1,5 miljoen euro beschikbaar voor mediation in het strafrecht? Mijn vraag aan de heer Groothuizen is: gaat u het amendement over de Geschillencommissies voor Consumentenzaken steunen? Of laat u de consumenten in de kou staan? Kortom, wat is belangrijker, de buitenlandse aandeelhouders of de Nederlandse rechtszoekenden?

De heer Groothuizen (D66):
Dat zijn heel veel vragen in één, maar in essentie komt het steeds neer op iets wat de heer Van Nispen als een dooddoener ziet, namelijk dat politiek een kwestie is van keuzes maken. Er zijn heel veel dingen belangrijk. Het is belangrijk dat ons vestigingsklimaat goed is en het is ook belangrijk dat we aan mediation doen. Binnen de kaders en de budgetten die je hebt, maak je daar een keuze in.

De voorzitter:
Gaat u verder.

De heer Groothuizen (D66):
Dank u wel, voorzitter. Een goed rechtssysteem heeft alleen waarde als het voor iedereen bereikbaar is. Het gaat daarbij om de klassieke toegang tot een onafhankelijke rechter, maar ook om toegang tot informatie en de begrijpelijkheid van onze regelgeving. D66 constateert tevreden dat in het regeerakkoord is afgesproken om de griffierechten niet te verhogen. Dat is goed voor de toegang tot het recht. Ook is het goed dat er geen rechtbanken en gerechtshoven worden gesloten. Toegankelijkheid betekent immers ook dat een rechtszoekende niet naar de andere kant van het land moet reizen om zijn recht te halen. Ook buurtrechters kunnen daarin een belangrijke rol spelen.

Voorzitter. Goede rechtsbijstand is ook een belangrijk element voor de toegankelijkheid van het recht. Er zijn de laatste jaren veel rapporten geschreven over dit thema. Het is duidelijk dat het stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand moet worden hervormd. Daarbij is het van groot belang dat de toegang tot het recht gewaarborgd blijft. Er moet aandacht zijn voor kwaliteit en betaalbaarheid, maar ook voor het voorkomen van perverse prikkels, zoals het opknippen van zaken die beter in één keer behandeld zouden kunnen worden. Ik wil graag van de minister weten of hij de veranderingen in de strafrechtketen en de innovatie in de rechtspraak meeneemt als hij gaat nadenken over de hervorming van de rechtsbijstand. Wat mij betreft kunnen die zaken niet los van elkaar worden gezien. Ik wil ook graag van de minister weten of hij de uitgangspunten onderschrijft, namelijk: toegang tot het recht, kwaliteit en betaalbaarheid.

Voorzitter. Onderdeel van de rechtsstaat is ook dat er een passende straf volgt als mensen zich niet houden aan onze regels. Bijzondere aandacht daarbij verdient wat mij betreft ondermijnende criminaliteit.

Mevrouw Kuiken (PvdA):
Ik heb nog een vraag over het vorige punt; sorry, ik zal de volgende keer iets alerter zijn. Toegang tot de rechtsbijstand is ontzettend belangrijk. Niet voor niets is er gevraagd om een onafhankelijk onderzoek: hoe gaan we verder met de toekomst van de rechtsbijstand? Nu is er een onderzoeker die zegt dat de financiering niet voldoende is om de toegang voor de toekomst te kunnen waarborgen. Wat zegt u dan?

De heer Groothuizen (D66):
Dat klopt, dat staat inderdaad in het rapport. Ik heb het ook gelezen, maar ik heb de afgelopen week de moeite genomen om álle rapporten te lezen. Dan zie ik, en dat kan ik vanuit mijn eigen praktijkervaring bevestigen, dat er heel veel problemen zijn in de rechtsbijstand. Er is een kwaliteitsprobleem in sommige vormen van de advocatuur en er is het probleem dat mensen soms een rechtsbijstandsverzekering hebben of lid zijn van een vakbond maar daar geen gebruik van maken en vervolgens rechtsbijstand aanvragen en dat ook krijgen. Er is het probleem dat we eindeloos blijven procederen. Ik zei al dat in het familierecht soms drie of vier dingen een rol spelen die iedere keer worden opgeknipt: de kinderen, de alimentatie, de boedelscheiding. Dat vind ik onverstandig. Daar moet je aan gaan werken en daar zit volgens mij de inhoudelijke hervorming van het stelsel.

Mevrouw Kuiken (PvdA):
Ik hoor veel procedurele dingen achter elkaar. Feit blijft dat gewoon geconstateerd is dat je, als je de rechtsbijstand in de toekomst overeind wilt houden iets zult moeten regelen, ook aan de kant van de advocatuur, die de toegang moet waarborgen. Mijn vraag is: bent u, zoals uw partij dat in het verleden deed, bereid om uw nek daarvoor te blijven uitsteken? Of verschuilt u zich achter nog meer onderzoeken, nog meer rapporten en nog meer processen?

De heer Groothuizen (D66):
U hebt mij net heel duidelijk horen zeggen dat de toegang tot het recht cruciaal is en dat rechtsbijstand daarin een belangrijke rol speelt. De minister heeft gisteren of eergisteren een brief geschreven waarin hij schrijft dat hij voor de zomer met een voorstel naar de Kamer komt en dat hij met alle partijen om de tafel gaat. Daar gaan we vervolgens goed naar kijken. Ik zit helemaal niet te wachten op nieuwe onderzoeken.

De voorzitter:
Meneer Van Nispen, u bent net geweest op dit punt, precies hetzelfde punt.

De heer Van Nispen (SP):
Maar dit is een ander punt.

De voorzitter:
Een heel ander punt? Ik ben benieuwd.

De heer Van Nispen (SP):
Mediation en de Geschillencommissies voor Consumentenzaken is heel iets anders dan de gesubsidieerde rechtsbijstand, dat weet u natuurlijk ook. Terecht zegt de heer Groothuizen: ik zit niet te wachten op allerlei nieuwe onderzoeken. Nee, die stapel onderzoeken is er al. Wolfsen, Barkhuysen, Van der Meer: we kennen ze allemaal. Maar de vraag aan de heer Groothuizen is als volgt. Hij is graag bereid om te kijken naar verbeteringen in het stelsel en dat zijn de advocaten zelf ook, maar is het uitgangspunt van de heer Groothuizen dat het per se tegen lagere kosten moet — zie de begroting van de minister voor Rechtsbescherming — of is hij ook bereid om al die goede voorstellen in te voeren en daarna wel te zien wat het kost? Dan hebben we daar de discussie over.

De heer Groothuizen (D66):
Ik heb de heer Van Nispen eerder horen zeggen dat er wordt bezuinigd en dat in september het potje leeg is, maar dat is natuurlijk helemaal niet het geval, want het is een openeinderegeling. Als in september de aanvragen binnenkomen, worden die gewoon uitgekeerd. Het gaat ook niet om minder kosten. Maar de afspraak in het regeerakkoord is dat het wel binnen de budgettaire kaders moet. We geven enorm veel geld uit aan rechtsbijstand: 400 miljoen euro. We moeten echt gaan zorgen dat we dat systeem toekomstbestendig maken. Dat doen we door er inhoudelijk naar te kijken.

De heer Van Nispen (SP):
"Binnen de budgettaire kaders" betekent dat er de komende jaren bezuinigd wordt, want de budgettaire kaders gaan naar beneden. Dat is de afspraak uit het regeerakkoord. Maar het uitgangspunt van de heer Groothuizen is ook dat het binnen die kaders moet. De conclusie is dus dat er moet en zal worden bezuinigd op de sociale advocatuur. Als u niet vindt dat er bezuinigd moet worden, net zoals vroeger, toen D66 altijd opkwam voor de gesubsidieerde rechtsbijstand, dan moet u met voorstellen komen hoe het stelsel verbeterd kan worden. Dan zien we elkaar en kijken we wat het gaat kosten. Anders is de conclusie dat D66 gewoon hard gaat bezuinigingen op de rechtsbijstand.

De heer Groothuizen (D66):
De conclusie van de heer Van Nispen laat ik aan hemzelf. Ik wijs erop dat mijn collega Berndsen al in 2013 heeft gewezen op het belang van de betaalbaarheid van het stelsel. Die staat onder druk. Een stelsel is alleen duurzaam hanteerbaar als het inhoudelijk klopt en het binnen bepaalde budgetten kan. Je kunt niet eindeloos geld bijplussen. Dat is gewoon onmogelijk.

De voorzitter:
Gaat u verder.

De heer Groothuizen (D66):
Voorzitter. Ik ga verder met ondermijnende criminaliteit. De onderwereld probeert soms door te dringen in de bovenwereld. De bovenwereld faciliteert soms de onderwereld. Door die vermenging wordt het gezag feitelijk en moreel ondermijnd en verslechtert onze veiligheid. Als voormalig officier van justitie in Brabant ken ik de problematiek van dichtbij, al wil ik zeker ook waarschuwen het niet als een exclusief zuidelijk probleem te zien, want het speelt overal in Nederland. In het regeerakkoord worden goede stappen gezet voor de bestrijding van ondermijnende criminaliteit. Het afpakken van crimineel vermogen verdient daarbij speciale aandacht. Het onderstreept het beginsel dat misdaad niet mag lonen, het belemmert toekomstige investeringen in criminaliteit en het raakt vaak juist de top van criminele organisaties. Maar criminelen zijn niet dom. Ze zoeken steeds naar nieuwe wegen om geld weg te sluizen en worden steeds gewiekster in het verhullen van hun bezit. Het is daarom van belang om vooral te investeren in kennis, zodat onze opsporingsdiensten en het Openbaar Ministerie de juiste gereedschapskist hebben om het probleem aan te pakken.

Ondermijning kent veel facetten, maar een wil ik er vandaag uitlichten. Deze zomer was ik op bezoek bij een boswachter in West-Brabant. Hij had heel veel last van drugs- en afvaldumpingen in zijn natuurgebieden, waarin ook aan waterwinning wordt gedaan. De politie had niet de mankracht om er steeds mee aan de slag te gaan. Vaak stond deze man er alleen voor. Toch is het van belang — dat zal iedereen onderschrijven — dat onze natuurgebieden schoon blijven en ons drinkwater niet wordt vervuild. Wellicht kan het ondermijningsfonds hier een rol in spelen. Ik hoor dan ook graag van de minister hoe hij daartegen aankijkt en of hij andere ideeën heeft over hoe dat fonds kan worden ingezet.

Dit kabinet zet een historische stap op een dossier dat al decennialang vastzit. Het scheve gedoogbeleid rond de wietteelt is niet alleen D66, maar ook burgemeesters, rechters en coffeeshopondernemers altijd al een doorn in het oog. D66 is er dan ook trots op dat dit kabinet een eerste stap durft te zetten met experimenten om tot gereguleerde wietteelt te komen. Graag hoor ik van de minister hoe hij samen met zijn collega van VWS ervoor gaat zorgen dat we over zes maanden wetgeving tegemoet kunnen zien, zoals in het regeerakkoord is opgenomen.

Een ander belangrijk onderwerp is re-integratie en resocialisatie van veroordeelden. Straf is een kernonderdeel van een …

Mevrouw Kuiken (PvdA):
Voorzitter, ik wil graag een vraag stellen op het vorige punt!

De voorzitter:
Gaat u verder, meneer Groothuizen. Eerst even deze zin afmaken.

De heer Groothuizen (D66):
Ik was eigenlijk aan een nieuw blokje begonnen.

De voorzitter:
Nou, ik zou het blokje maar afronden.

De heer Groothuizen (D66):
Ik richt me uiteraard naar uw woorden, voorzitter.

Voorzitter. Re-integratie en resocialisatie van veroordeelden. Straf is een kernonderdeel van een effectief rechtssysteem, als afschrikking, als vergelding, maar ook als voorkoming van herhaling. Met enkel straf zijn we er niet. Het regeerakkoord stelt terecht dat resocialisatie en reclassering steviger worden gepositioneerd. Recent verscheen het rapport Van detineren naar re-integreren, waarin wordt geadviseerd om het re-integratiebeleid in alle gevangenissen zo te organiseren dat alle gedetineerden direct bij binnenkomst gescreend worden op een vijftal basisvoorwaarden, te weten het bezit van een geldig ID, onderdak na detentie, inkomen en schuldhulpverlening. Dat betekent niet dat er voor elke gedetineerde direct een re-integratieplan opgezet moet worden, maar wel dat bekeken moet worden of dat zinvol is. Graag vraag ik de minister serieus deze mogelijkheden te onderzoeken om al vroeg in te zetten op resocialisatie. Wellicht kan de minister dat onderzoek meenemen in zijn te presenteren visie op het gevangeniswezen, waarmee hij in het voorjaar komt.

Mevrouw Kuiken (PvdA):
Experimenten met wiet zijn hartstikke goed, maar ik heb een vraag. Gemeenten zeggen: geef ons nu meer ruimte om maatwerk te leveren en geen uniforme proeven te doen, maar juist te variëren, zodat je ook echt kunt testen. Mijn vraag aan D66 is: pakt u die handschoen op?

De heer Groothuizen (D66):
De afspraak in het regeerakkoord is dat er in zes tot tien middelgrote tot grote gemeenten wordt geëxperimenteerd. Voor de rest denk ik dat de bewindslieden moeten komen tot een goede invulling van experimenten die recht doet aan die afspraak in het regeerakkoord.

De voorzitter:
Tot slot.

Mevrouw Kuiken (PvdA):
Ik heb het regeerakkoord ook gelezen; wederom dank voor de uitleg. Maar mijn vraag aan u was een andere. Gemeenten zeggen wat ze van u moeten hebben om de ondermijning aan te pakken. Ze zeggen: doe nou slim, gun ons maatwerk en kom met ons tot een goede oplossing. Mijn vraag aan u, via de voorzitter, is: bent u bereid om die handschoen op te pakken en het kabinet te vragen om dat maatwerk te leveren? Volgens mij kan dat.

De heer Groothuizen (D66):
Dingen slim doen lijkt me altijd wijs, maar voor de rest laat ik de invulling van experimenten aan de ministers van Justitie en VWS.

De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.

De emoties lopen hoog op in de zaal, zie ik. Is iedereen bijgekomen? Gaat u verder, mijnheer Groothuizen.

De heer Groothuizen (D66):
Voorzitter. Ik ga door naar het onderwerp asiel- en vreemdelingenbeleid. We kennen allemaal nog de beelden van de vluchtelingenpiek in 2015. Lokale bestuurders moesten met spoed gymzalen leegvegen om voldoende opvangplekken te regelen voor de vele gevluchte Syriërs. Als Nijmegenaar herinner ik mij Kamp Heumensoord, dat plek bood aan ruim 3.000 mensen. Gevluchte gezinnen werden van noodopvang naar crisisopvang naar azc gesleept. Kinderen werden steeds weer uit hun klas gehaald, op naar de volgende locatie. Het leidde tot chaos en onzekerheid onder de asielzoekers, maar ook onder de omwonenden. Het was funest voor het draagvlak en funest voor de integratie. Mensen moesten soms maanden op hun procedure wachten zonder te kunnen werken en zonder de taal te leren.

Voorzitter. Nederland was destijds niet voorbereid op deze asielinstroom. Alle diensten en lokale bestuurders hebben er desondanks voor gezorgd dat er nooit iemand op straat heeft hoeven slapen. Maar dat dit anders moest, was helder. Ik ben dan ook blij dat dit kabinet in gaat zetten op een beter, progressiever en flexibeler asielsysteem. Dit houdt in: taalles vanaf dag één, kleinschalige opvang, direct starten met integratie, rekening houden met werkkwalificaties en een lokaal baanaanbod. Geen gesleep meer met asielzoekers en geen onnodige verhuizingen voor kinderen. Dat is beter voor het draagvlak en beter voor de integratie. Ik hoor graag van de staatssecretaris hoe hij deze plannen gaat realiseren. Kan hij al een concrete invulling geven?

Voorzitter. Dan wil ik graag aandacht vragen voor een specifieke groep asielzoekers, namelijk degenen die hebben moeten vluchten omdat zij niet zichzelf konden zijn in hun eigen land, soms vanwege hun seksuele oriëntatie, soms vanwege hun religieuze achtergrond. Juist Nederland, met zijn open, liberale houding en zijn ruimte voor godsdienstvrijheid, moet deze mensen goed kunnen opvangen. Als volksvertegenwoordiger krijg ik soms signalen over zorgen van betrokkenen dat de beoordeling van asielverzoeken niet voldoende zorgvuldig is. Het is van groot belang dat de beoordeling van deze kwetsbare groep zo zorgvuldig mogelijk plaatsvindt. Daarom vraag ik de staatssecretaris of hij kan bekijken hoe die beoordeling verder verbeterd zou kunnen worden. Ik hoor graag hoe hij daartegen aankijkt.

Voorzitter. Dan het Europese asielbeleid. Mijn fractie acht het van groot belang dat er snel een functionerend gemeenschappelijk Europees asielstelsel komt. Gezamenlijke buitengrenzen vragen om gezamenlijk beleid. Is de staatssecretaris bereid om daar druk op te zetten bij zijn collega's in Brussel?

Voorzitter. Dit kabinet wil gaan inzetten op afspraken met derde landen als het gaat om migratie. Dit is een geopolitieke realiteit, waarbij het kabinet strenge randvoorwaarden stelt. Deze derde landen moeten materieel voldoen aan de voorwaarden van het Vluchtelingenverdrag, en het non-refoulementprincipe is leidend. Mijn vraag aan de staatssecretaris is wanneer hij in gesprek gaat met zijn Europese partners over de aanpak van die afspraken. Hoe gaat hij de Kamer maximaal geïnformeerd houden over de invulling van die afspraken, zodat wij voldoende controle kunnen houden op de internationaalrechtelijke voorwaarden die we hebben gesteld?

Voorzitter. Tot slot de situatie op Lesbos en in Afghanistan. De situatie in Griekenland is nog steeds niet op orde. Ik kijk bijvoorbeeld naar Kamp Moria, waar mensen onder erbarmelijke omstandigheden vastzitten. Ik hoor graag van de staatssecretaris wat de inzet van het kabinet is om de situatie daar te verbeteren en de herplaatsingsafspraken volledig na te komen.

Voorzitter. Tot slot Afghanistan. Een aantal mensen hebben daar al vragen over gesteld. Ik sluit me daar graag bij aan. Hoe kijkt de staatssecretaris aan tegen de situatie in Afghanistan? En ziet hij reden om zijn beleid jegens dat land aan te passen?

Dank u wel.

De voorzitter:
Wie was de eerste? De heer Jasper van Dijk.

De heer Jasper van Dijk (SP):
We zijn het eens geworden; dat gaat altijd heel soepel met de heer Van Ojik. De heer Groothuizen vraagt het kabinet terecht hoe het zit met Afghanistan. U voelt het al aankomen; ik stel deze vraag natuurlijk ook aan u. We weten al dat het kabinet aan de slag is met een nieuw ambtsbericht. Bent u het met mij eens dat eigenlijk duidelijk is dat het niet goed gaat in Afghanistan, dat we daardoor zeer terughoudend moeten omgaan met het uitzetten van Afghanen en dat opschorting van het uitzetbeleid eigenlijk terecht zou zijn?

De heer Groothuizen (D66):
Dat weet ik niet zo goed. Ik heb gelezen dat Duitsland in de zomer de uitzetting een tijdje heeft opgeschort maar ik heb ook gelezen dat het die inmiddels weer heeft hervat. Dat is dus toch weer een signaal dat een andere kant op wijst. Voor de rest weet ik wel dat de IND, als die tot uitzetting overgaat, altijd een individuele beoordeling maakt of het voor die persoon echt veilig is om terug te gaan naar Afghanistan. We weten allemaal dat Afghanistan ook een grillig verloop kent. Het ene gebied is het andere niet en de ene situatie is de andere niet. Ik ga er dus van uit dat de IND daar altijd zorgvuldig naar kijkt; dat mogen we volgens mij ook vragen van de IND. Voor de rest denk ik dat het heel goed is als de staatssecretaris reageert op de zorgen die breed leven over Afghanistan.

De heer Jasper van Dijk (SP):
Dat is eigenlijk een beetje een antwoord waarmee we alle kanten op kunnen. Ik ben het er zeer mee eens dat de situatie in Afghanistan verandert. Volgens mij is er een tendens naar meer geweld, aanslagen en invloed van de taliban. Als het kabinet al zegt dat het dit opnieuw goed gaat bekijken — daar ben ik het zeer mee eens — dan is het toch terecht dat wij ook als Kamer zeggen: kijk dan tot die tijd, totdat het nieuwe ambtsbericht er is, heel goed uit met uitzettingen? Dan is het toch logisch dat we dat als Kamer vragen? Mag ik in dat opzicht op uw steun rekenen?

De heer Groothuizen (D66):
Volgens mij heb ik die vraag al beantwoord. Ik vind dat je daar goed naar moet kijken, maar ik vind niet dat je, als je iets goed laat bekijken, al je staande beleid automatisch moet opschorten, zeker niet als ik tegelijkertijd constateer dat bijvoorbeeld een land als Duitsland, dat blijkbaar ook een tijd een pas op de plaats heeft gemaakt, toch weer reden heeft gezien om zijn uitzettingen te hervatten. Dan vind ik de situatie toch complex en dan vind ik het te steil om te zeggen dat je daar per definitie mee moet stoppen, maar je moet daar natuurlijk wel kritisch naar kijken. De IND zal per individueel geval die afweging moeten maken: kan deze uitzetting veilig geschieden of niet?

De heer Van Ojik (GroenLinks):
Vanochtend had ik een debatje met de heer Azmani over zijn plan en de mate waarin dat heeft bijgedragen aan de Turkijedeal maar ook de mate waarin dat een leidraad is geweest voor het regeerakkoord. De heer Azmani was daar duidelijk over. Hij zei: dat is wat mij betreft de inzet van het kabinet, zodat straks niemand meer in Europa asiel kan aanvragen. Ook de heer Groothuizen sprak over het Europese asielbeleid. Ik zou hem willen vragen of dat ook zijn inzet is.

De heer Groothuizen (D66):
Ik ben blij dat de heer Van Ojik die vraag stelt, want ik merk dat er af en toe verwarring is. Ik denk dat het goed is om de afspraken in het regeerakkoord nog eens uiteen te zetten. Daarin is afgesproken dat er afspraken gemaakt kunnen worden met derde landen, migratieovereenkomsten, als zij voldoen aan een aantal voorwaarden. De eerste voorwaarde is dat het een veilig land is. De tweede voorwaarde is dat het land materieel voldoet aan het Vluchtelingenverdrag en dat mensen ook niet uitgezet kunnen worden naar een ander veilig land. Een heel andere belangrijke voorwaarde is dat er een werkende asielprocedure is via de UNHCR of vanuit dat land zelf. Pas dan kunnen die migratieovereenkomsten worden gesloten. Dan kunnen mensen uit die regio daar hun asielaanvraag indienen, maar dat geldt natuurlijk alleen voor die regio. Het is niet zo dat je, als je vanuit Minsk naar Amsterdam vliegt om hier asiel aan te vragen omdat je aan dat enge regime van Loekasjenko wil ontsnappen, vervolgens naar Tunesië wordt gestuurd om daar je asielaanvraag in te dienen.

De heer Van Ojik (GroenLinks):
Mensen die uit Europa komen, kunnen dus nog in Europa asiel aanvragen. Dat is geheel conform het plan-Azmani, het VVD-plan of het plan-Samsom. Mensen die uit Afrika komen, kunnen niet meer in Afrika asiel aanvragen. Kunnen de lhbti-mensen, waar we ons allebei heel veel zorgen over maken en die hier zorgvuldiger gescreend moeten worden, hier straks dus geen asiel meer aanvragen?

De heer Groothuizen (D66):
Nee, dat is een onjuiste conclusie. Ik ben blij dat u die vraag stelt want dan kan ik dat misverstand ophelderen. Het is namelijk zo dat als die migratie-overeenkomsten zijn gesloten en de asielprocedure er is, voor mensen die dan alsnog naar Europa komen, in een korte procedure wordt gekeken of iemand onder die deal valt en of er misschien bijzondere redenen zijn waarom die persoon, bijvoorbeeld die Ugandese homo, niet veilig is in Tunesië. Dat staat allemaal in het regeerakkoord. Dus die Ugandese homo kan dan nog steeds onder omstandigheden hier asiel vragen als die opvang in dat derde veilige land niet voldoet.

De heer Azarkan (DENK):
Even een kort intermezzo, een vraag aan de heer Groothuizen over de gefinancierde rechtsbijstand. Ik lees namelijk een prachtig interview. Mijn vraag is: met wie is dit interview? Daarin wordt gezegd: "D66 vindt het vooral belangrijk dat laagdrempelige toegang tot de rechter behouden blijft voor iedereen. Zo wil D66 het Juridisch Loket behouden. Het kabinet bezuinigt daarop en dit alternatief dreigt weg te vallen. Juist geschillencommissies hebben een toegevoegde waarde voor de toegang tot het recht. Verder wil D66 dat de kwaliteit van de rechtsbijstand bewaakt wordt."

De voorzitter:
Nee, nee, niet het hele interview voorlezen. Welk interview is dit?

De heer Azarkan (DENK):
Wie geeft hier antwoord, is mijn vraag aan de heer Groothuizen.

De voorzitter:
Meneer Groothuizen, herkent u dit interview?

De heer Groothuizen (D66):
Het zal ongetwijfeld een interview met mij zijn geweest als de heer Azarkan het zo brengt.

De heer Azarkan (DENK):
Wat is er veranderd? Wat is er gebeurd?

De heer Groothuizen (D66):
Er is weinig veranderd. Ik heb juist uitgelegd hoe wij aankijken tegen rechtsbijstand. Toegang tot het recht is …

De heer Azarkan (DENK):
Het gaat om de afschaffing van de geschillencommissie.

De heer Groothuizen (D66):
Toegang tot het recht is essentieel en de geschillencommissie is daar een onderdeel van, meneer Azarkan. Kijk, u moet het natuurlijk wel in een breder verband zien. Er zijn heel veel manieren waarop mensen hun geschillen kunnen oplossen. De klassieke weg is dat je naar de rechter gaat en vervolgens daar een oplossing krijgt; ik heb het daar vrij uitgebreid over gehad. Wij constateren ook met elkaar dat dat niet altijd goed gaat. Wij gaan nu in het regeerakkoord kijken hoe wij dat wel kunnen doen. Je hebt geschillencommissies, je hebt mediation, je hebt buurtrechters, er zijn allerlei mogelijkheden. Ik ben niet zo erg getrouwd met een specifiek instrument. Het gaat er mij om dat mensen altijd toegang hebben tot een plek waar hun geschil onafhankelijk berecht kan worden.

De voorzitter:
Tot slot, want deze vraag is net ook door de heer Van Nispen gesteld.

De heer Azarkan (DENK):
Nee hoor, dat was bij een vorige spreker. Ik heb dat nog gecheckt bij de heer Van Nispen.

De voorzitter:
Dat is prima. Tot slot.

De heer Azarkan (DENK):
Dit is gewoon, om het maar in het Nederlands te zeggen, een lulkoekverhaal. U zegt zelf in het interview dat de behandeling door geschillencommissies erg van belang is. Dat is laagdrempelig, dat zegt u. Dat geeft ook aan dat wij op die manier onze andere vormen van recht kunnen ontlasten. Nu zegt u: ik kom met een breed verhaal, het was minder belangrijk, wij kunnen het op vele manieren doen. U komt gewoon uw woord niet na. Dat is wat ik constateer.

De heer Groothuizen (D66):
Die kwalificatie laat ik voor rekening van de heer Azarkan. Ik stel vast dat in het regeerakkoord, en ook in mijn verhaal, er allerlei elementen zijn waarmee wij kunnen werken aan de toegang tot de recht: buurtrechters, mediation, gewoon de klassieke toegang, de spreekuurrechter. Daar gaat het om: geef mensen toegang tot het recht op een adequate manier. Dan kan het best weleens zijn dat je voor het ene instrument kiest en niet voor het andere. Ik vind het nooit zo verstandig om getrouwd te zijn met instrumenten. Volgens mij moet je je richten op het uiteindelijke doel.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan ga ik naar de heer Verhoeven namens D66.

De heer Verhoeven (D66):
Voorzitter. In navolging van mijn collega Groothuizen behandel ik nog drie zaken: terrorismebestrijding, de politie en natuurlijk, zou ik bijna willen zeggen, cybersecurity. Ik begin met terrorismebestrijding.

Nog steeds vinden wereldwijd terreuraanslagen plaats en ook in Nederland blijft de dreiging reëel. Voor D66 staat een effectieve terreuraanpak centraal waarbij vrijheid en veiligheid in evenwicht zijn. Dit kabinet maakt meer geld vrij voor terreurbestrijding. Wat D66 betreft houden wij daarmee de focus op de wijkagent, zetten wij in op antiradicalisering en lokale samenwerking, naast een stevige aanpak van terugkeerders waarmee wij door het verval van IS meer te maken krijgen; zie ook het recente voorval van de IS-strijder in De Balie waarover wij vanochtend ook al hebben gesproken. Kan de minister toelichten hoe hij de extra middelen voor terreurbestrijding gaat inzetten en wat nu zijn beleid gaat worden ten aanzien van terugkeerders? Is hij het met mij eens dat deze mensen opgespoord en berecht moeten worden voor de terreurdaden die zij hebben begaan?

Dan mijn tweede onderdeel: de politie. Tijdens de reorganisatie heeft de politie een turbulente tijd meegemaakt. Het was een verbouwing waarbij de winkel natuurlijk moest openblijven. Inmiddels zijn we op de goede weg, maar voor D66 zijn er nog wel de volgende belangrijke aandachtspunten. Allereerst is dat een meer divers politiekorps, in de breedste zin van het woord. Het is essentieel dat de politie, de grootste publieke werkgever in Nederland, een goede afspiegeling is van de Nederlandse samenleving. Ten tweede is dat een professionalisering van de organisatie en de opleiding, zodat ook de politie mee kan komen met bijvoorbeeld technologische ontwikkeling en innovatie. Ten derde is dat een betere samenwerking binnen de veiligheidsketen om uitdagingen als cybercrime, fraude en grensoverschrijdende criminaliteit aan te kunnen. En ten slotte is dat een heldere duiding van het extra budget dat dit kabinet vrijmaakt voor de politie. Dat extra geld is hard nodig. Het is mooi dat het geregeld wordt. D66 hoort wel graag van de minister hoe hij van plan is dat budget in te gaan zetten. Ik noem hier met name de opleiding van nieuwe agenten op alle niveaus. Vacatures worden niet vanzelf vervuld en een gedegen opleiding is natuurlijk noodzakelijk. Graag hoor ik met name op dat punt een reactie.

Voorzitter. Dan kom ik bij de cyberveiligheid in ons land. Mevrouw Van Toorenburg heeft het vanochtend al heel mooi gezegd. Onze samenleving digitaliseert in een rap tempo. Dat biedt veel kansen, maar het betekent ook dat de veiligheid van digitale technologie steeds belangrijker wordt. Er zijn dus ook risico's. Daarom ben ik heel blij dat dit regeerakkoord vol staat met ambitieuze plannen om onze cyberveiligheid te vergroten. Zo komen er veiligheidsstandaarden voor op internet aangesloten apparaten, het internet der dingen; we hebben het er vaak over. Via softwareaansprakelijkheid worden bedrijven gestimuleerd om veilige software te maken. Het Nationaal Cyber Security Centrum, het NCSC, wordt versterkt. Digitale vaardigheden worden een vast onderdeel van het lespakket voor kinderen. We verbeteren voorlichtingscampagnes voor veilig gebruik van het internet. Ook wordt 95 miljoen extra geïnvesteerd in cyberveiligheid bij de verschillende ministeries. Kortom, een brede en ambitieuze aanpak. D66 is daar heel blij mee.

Ik heb wel een paar vragen. Is cyberveiligheid voor deze minister ook een topprioriteit? Ik zie aan zijn glimlach dat het eigenlijk vragen is naar de bekende weg en dat het antwoord daarop natuurlijk "ja" is, maar ik wil het hem morgen toch nog graag even horen zeggen. Is de minister bereid om een brief naar de Kamer te sturen waarin hij een duidelijke visie geeft op cybersecurity en waarin hij uiteenzet hoe en wanneer hij de verschillende punten in het regeerakkoord gaat uitvoeren? Hoe ziet de minister zijn coördinerende rol ten opzichte van collega's die ook met cybersecurity aan de slag moeten?

Voorzitter. Een ander punt in het regeerakkoord is het feit dat het kabinet het onderzoek naar cybersecurity wil stimuleren. Een aantal hoogleraren heeft vorige week aan de alarmbel getrokken: talentvolle onderzoekers vertrekken naar Duitsland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en andere landen omdat daar meer geïnvesteerd wordt in cybersecurityonderzoek. Dat is natuurlijk gevaarlijk, want daardoor verliezen wij heel veel talent, terwijl wij dat juist nodig hebben en willen behouden voor onze positie op het gebied van cybersecurity. Dat geldt voor onderzoek, maar ook voor de veiligheid zelf. We hebben juist extra professionals nodig, bijvoorbeeld bij de AIVD, bij Defensie, bij de politie en bij onze bedrijven. D66 wil daarom extra investeren in cybersecurityonderzoek, maar wij zien het liefst dat dit wordt gebundeld in één onderzoeksinstituut. Wij denken hierbij aan een cybersecurityonderzoeksinstituut dat fundamenteel en toegepast onderzoek combineert en dat zowel publieke als private gelden aan kan trekken. Zo kunnen we op het gebied van cruciale technologie voor de toekomst, in Europa als digitale koploper voorop blijven lopen. Is de minister bereid om met zijn collega's van Economische Zaken en van Onderwijs te kijken naar de mogelijkheid voor een instituut voor cybersecurityonderzoek? Graag hoor ik een reactie.

Voorzitter. Een ander punt gaat over encryptie, over het versleutelen van data. Heel belangrijk. Ik heb een amendement ingediend met het doel €410.000 te investeren in zogenaamde open-source encryptieprojecten. Encryptie is cruciaal voor veilige communicatie, voor internetbankieren. Zij wordt gebruikt door miljoenen websites, mailservices en telefoonapplicaties die wij dagelijks gebruiken. Overigens doen wij dat zonder dat wij daarbij stilstaan. Het is van groot belang voor onze samenleving. Echter, deze cruciale software wordt te vaak gemaakt door een aantal vrijwilligers en techneuten die afhankelijk zijn van donaties. Dus daarom lijkt het D66 een goed idee dat deze mensen ook een beroep kunnen doen op budget vanuit de overheid. We hebben dit amendement ingediend waarvan ik hoop dat ik dit ook samen met mijn collega van de Partij van de Abeid, mevrouw Kuiken, kan doen. Ik hoop in ieder geval ook dat de minister bereid is om dit amendement te steunen en uit voeren.

Mijn laatste punt gaat over privacy. Sommige partijen vinden privacy een vies woord maar voor D66 betekent privacy niks anders dan vrijheid, vrijheid van het individu. Daarmee zit het bewaken van onze privacy ook in het DNA van D66. Ik zeg tegen de heer Koopmans dat ik het dan niet alleen heb over horizontale privacy maar ook echt over verticale privacy, dus de relatie tussen bedrijven, overheden en de burger. Ik ben blij dat de Autoriteit Persoonsgegevens een extra budget heeft gekregen om onze privacy te beschermen. Mijn vraag aan de minister is of de autoriteit met dit extra geld voldoende budget heeft om goede voorlichting te geven en om mee te kunnen denken met ondernemers over de nieuwe Europese privacyregels, de GDPR, de algemene gegevensverordening, die vanaf volgend jaar mei wordt gehandhaafd en die overigens al in werking is getreden.

Bij nieuwe technologieën maar ook bij nieuwe bevoegdheden zien we vaak dat stap voor stap steeds meer privacy wordt weggesnoept. Als het concrete voordelen biedt voor de veiligheid behoeft dat niet problematisch te zijn, maar als bevoegdheden niet de beloofde werking hebben, worden ze bijna nooit teruggedraaid. Dan blijven ze als het ware bestaan, terwijl ze dus niet gebruikt worden. Zo bleek bijvoorbeeld dat vingerafdrukken in het paspoort nooit gecontroleerd worden. Is de minister het met mij eens dat als een bevoegdheid niet gebruikt wordt of geen of nauwelijks effect heeft, we dan ook moeten kijken of die bevoegdheid kan worden teruggedraaid, zeker als dat ook nog eens tientallen miljoenen euro's kost? Is de minister ook bereid om te kijken of er nog meer bevoegdheden zijn die op de plank liggen en die we ooit hebben gegeven zonder dat ze gebruikt worden? Graag een reactie.

Voorzitter, ik laat het hierbij, acht minuutjes.

De voorzitter:
Keurig. Mevrouw Buitenweg.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Een hartstochtelijk pleidooi van D66 voor meer privacy. Daarop vinden we ons aan elkaars zijde. Dat is waarschijnlijk ook de reden waarom in het regeerakkoord staat bij de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten dat het geen sleepwet mag zijn en dat er een evaluatie moet komen. Wat ik niet zo goed begrijp, is dat dit D66 tot grote tevredenheid stemt, waar een motie van gelijke strekking eerder bij de behandeling van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten nog bij D66 tot de verzuchting leidde dat die geen enkele garantie biedt tot privacy. Hoe kijkt u ernaar op welke wijze een motie of een regeerakkoord ook garanties biedt voor het al dan niet hanteren van een sleepwet?

De heer Verhoeven (D66):
Twee weken geleden hebben we de begroting van Binnenlandse Zaken behandeld met de minister van Binnenlandse Zaken, mevrouw Ollongren die over de uitvoering van de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten gaat. Toen heb ik een vraag gekregen van uw collega Özütok en tegen haar heb ik toen gezegd dat ik heel blij ben met de garanties in het regeerakkoord omdat ik denk dat het regeerakkoord heel duidelijk is: er zal, kan en mag geen sleepnet zijn. Er zal dus niet massaal en willekeurig getapt worden. Dat gaan we onafhankelijk binnen twee jaar onderzoeken door een onafhankelijke commissie. Als dan blijkt dat er toch die werking is die D66 absoluut niet wil, dan staat gewoon in het regeerakkoord opgenomen dat we dan de wet aanpassen. Ik vind dat een veel grotere en hardere garantie dan genoemde motie die tijdens dat debat werd ingediend, omdat ik er nu zelf als D66'er voor gezorgd heb dat in het regeerakkoord met vier partijen is afgesproken dat we dit niet gaan doen. Dus dat is een andere situatie.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Het is goed dat de heer Verhoeven mij herinnert aan dat debat. Daarin zei hij dat hij groot vertrouwen had in de minister en daarmee ook dat de rechten niet geschonden zouden worden en de privacy gewaarborgd zou blijven. Probleem is natuurlijk wel dat als het afhangt van de minister, het recht op privacy op de tocht dreigt te staan in het geval van een andere minister. Dus voor mij blijf overeind staan dat ik het merkwaardig vind dat een eerdere garantie via een motie door D66 als volstrekt onvoldoende werd ervaren maar dat de garantie via een regeerakkoord ineens wel op een hoop hoera kan rekenen. Maar dat is een constatering.

De voorzitter:
Deze discussie is uitgebreid gevoerd bij de behandeling van de begroting van Binnenlandse Zaken.

De heer Verhoeven (D66):
Dat klopt. Afrondend kan ik alleen zeggen dat ik inderdaad zelf heel veel vertrouwen heb in dit kabinet en in de minister van Binnenlandse Zaken om de afspraken uit het regeerakkoord te handhaven. Wij gaan het niet zelf doen, maar een onafhankelijke commissie gaat dit na twee jaar evalueren. Als blijkt dat er dan sprake is van zaken die wij allebei niet willen ...

De voorzitter:
Dat hebt u gezegd. Dit is een herhaling.

De heer Verhoeven (D66):
Mevrouw Buitenweg komt met die vraag. Twee weken geleden was dat mevrouw Özütok en over twee weken staat er weer een ander lid van GroenLinks bij de interruptiemicrofoon. Dan kan ik maar beter in één keer duidelijk zijn.

De voorzitter:
Dat is duidelijk, dank u wel.

De heer Verhoeven (D66):
Dan gaan wij de wet aanpassen. Dat is een belangrijke verandering ten opzichte van de motie, want daarin werd niet gesproken over het aanpassen van de wet.

De heer Van Dam (CDA):
Ik wil niet een herhalingsvraag stellen aan de heer Verhoeven, maar ik zou hem graag een retorische vraag willen stellen, namelijk: is hij het niet met mij eens dat de uitbreiding van de rol van de Autoriteit Persoonsgegevens — meneer Verhoeven had het daar net over: de autoriteit krijgt de komende jaren fors meer budget — ook zou moeten betekenen dat gewone Nederlanders en gewone Nederlandse bedrijven door die autoriteit worden geholpen om invulling te geven aan de privacy? Is het niet te veel alleen maar een waakhond geworden?

De heer Verhoeven (D66):
De waakhondfunctie vind ik het belangrijkst. Wij hebben in dit land een toezichthouder nodig, een waakhond, die er echt voor zorgt dat zowel door de overheid als door allerlei bedrijven er niet steeds meer gesnoept wordt van de privacy en de persoonsbescherming van Nederlanders. Ik vind het een goede waakhond. Die heeft meer taken gekregen en dus ook meer budget. Maar ik ben het wel eens met het CDA dat het ook absoluut mogelijk moet zijn om bijvoorbeeld bij de Europese wetgeving ervoor te zorgen dat het midden- en kleinbedrijf niet allerlei nieuwe regels moet opvolgen die ingewikkeld zijn. Het zou goed zijn als die autoriteit ook daarbij helpt, om ervoor te zorgen dat bedrijven die goede intenties hebben, weten waar zij aan toe zijn en kunnen voldoen aan de Europese wetgeving, daarbij geholpen door een onafhankelijke toezichthouder die zowel bedrijven helpt als burgers beschermt.

De voorzitter:
De heer Van Dam, tot slot.

De heer Van Dam (CDA):
Ik ben blij om te horen dat de heer Verhoeven het begrip retorische vraag op zijn waarde weet te schatten.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Verhoeven. Of wilt u ingaan op dit compliment?

De heer Verhoeven (D66):
Ik zal het woord nu graag geven aan mevrouw Kuiken van de Partij van de Arbeid.

De voorzitter:
Het woord is aan mevrouw Kuiken namens de PvdA.

Mevrouw Kuiken (PvdA):
Dank u wel voorzitter. Veilig op straat kunnen, ook na zonsondergang. Er zeker van zijn dat je dochter straks weer veilig thuiskomt. Ervan op aankunnen dat de politie je helpt als er dingen misgaan. Je recht kunnen halen als er een conflict is. Dat daders hun straf niet ontlopen op het moment dat er geweld is gepleegd. Wanneer dat allemaal niet vanzelfsprekend is, wankelt het vertrouwen in elkaar, in het rechtssysteem en in de overheid. Dat is iets wat wij met elkaar niet willen.

Je veilig voelen op straat kan alleen als er voldoende politie aanwezig is. Ondanks een grote reorganisatie van de nationale politie valt niet met zekerheid te zeggen dat het ook daadwerkelijk veiliger is geworden. Het gebrek aan wijkagenten en rechercheurs is te groot om de georganiseerde criminaliteit aan te pakken. Het kabinet trekt weliswaar meer geld uit, en dat juich ik toe, maar het is nog onvoldoende duidelijk of het ook voldoende zal blijken. De problemen zijn groot. In veel buurten in ons land is het dagelijks leven verweven geraakt met vormen van georganiseerde criminaliteit. Een kapperszaakje runnen is niet bedoeld om haar te knippen, maar om wiet te toppen. Een heel normaal bijbaantje. Een leegstaand zoldertje wordt als zonde gezien en moet vercommercialiseerd worden. Rondom scholen wordt op grote schaal gedeald en geronseld, en steeds brutaler. De hoofdrolspelers zijn enerzijds harde jongens, scharrelaars en meelopers en anderzijds mensen die simpelweg het hoofd boven water proberen te houden. Het gevoel om er samen voor te gaan op straat neemt af. Mensen voelen zich daarom niet meer thuis in hun eigen buurt. Er is ook een samenleving die denkt: wij lossen het zelf wel op, wij hebben die overheid niet nodig.

Het is dan ook nodig dat de bestuurders van onze steden, onze gemeenten, zo goed mogelijk worden ondersteund om die georganiseerde criminaliteit terug te dringen en het gevoel "de straat is van ons allemaal en van ons samen" weer terug te krijgen. Het kabinet kondigt een aantal maatregelen aan en die kunnen wij alleen maar ondersteunen. Maar er is wel meer voor nodig. Onze burgemeesters hebben stevige wapens nodig om de straat weer terug te veroveren. Zij weten wat werkt en wat nodig is. In het verlengde daarvan heb ik nu een cruciale vraag: waarom kiest het kabinet er niet voor om de wietproef samen met gemeentes op te tuigen? Waarom moet het per se uniform? Als je de bestuurders, de burgemeesters, zo serieus neemt, neem ze dan ook hierin serieus. Dat is een heel simpel verzoek. Mijn verzoek aan het kabinet is aan te geven hoe het daartegen aankijkt.

Voorzitter. Wie slachtoffer wordt van een misdrijf, moet er zeker van zijn dat de aangifte door de politie serieus wordt genomen en dat de politie voldoende capaciteit en kennis heeft om slachtoffers goed te helpen. Ik vertrouw natuurlijk de intentie van de politie. Daar zal niemand aan twijfelen, maar dat neemt niet weg dat er toch nog een hoop misgaat bij geweld, seksueel geweld en zedenzaken. Neem nou het slachtoffer in de Hoornse zedenzaak. Er is inmiddels erkend dat er grote fouten zijn gemaakt, maar toch zijn ook nog heel veel vragen onbeantwoord. Nog steeds is onduidelijk waarom het slachtoffer niet meteen serieus genomen is. Was ze niet bont en blauw genoeg? Wat maakte nou dat ze niet meteen werd geloofd? En dat alles gebeurde terwijl de parketofficier meteen tot actie is overgegaan. Camerabeelden mochten worden uitgelezen en er mocht een dader worden opgepakt, maar dat is allemaal niet gebeurd. Ook het verzoek om over te gaan tot een buurtonderzoek is niet nageleefd. Het meest absurde is nog wel dat het slachtoffer zelf achter haar dader heeft moeten aangaan. Dat is in ons land toch zeker onbespreekbaar? Dat zouden we niet moeten willen accepteren. Ik wil echt een reactie van de minister op deze zaak. We hebben er overigens ook Kamervragen over gesteld.

Voorzitter. Maar dit slachtoffer staat niet op zichzelf. Er komen meer mails en berichten binnen bij het meldpunt. Jonge meisjes melden zich bij ons en zeggen dat ze niet serieus zijn genomen door de politie. GGD-medewerkers melden ons dat ze vaak meisjes tegenkomen die onverrichter zake zijn weggestuurd door de politie. We krijgen ook andere individuele zaken onder ogen waarin er sprake is van meerdere slachtoffers van één dader. En zelfs dan zegt de politie: "Nee, wij denken niet dat wij iets met jullie zaak kunnen. Ik stuur u naar huis." Volgens mij kan dat van niemand in dit huis de bedoeling zijn. Mijn simpele verzoek is dan ook: is het kabinet bereid om tot een landelijk onderzoek te komen naar de aangiftes van slachtoffers van seksueel misbruik? Hoe zijn zij bejegend? Hoe wordt het landelijk uitgerold? Is er voldoende kennis en expertise? Ik vraag om een simpel onderzoek, zodat we met elkaar kunnen kijken welke acties we kunnen ondernemen om dit met elkaar te verbeteren. Ik hoop op een positieve reactie. Ik zal ook een motie daartoe indienen.

Voorzitter. Seksueel geweld is gruwelijk. Seksueel misbruik van kinderen is zo mogelijk nog gruwelijker. Het is iets waar je als ouder eigenlijk niet eens over wilt nadenken. Als daders van kinderporno en misbruik zijn opgespoord, dan wil je ook dat de beelden van die kinderen van het internet verdwijnen. Die beelden mogen niet langer beschikbaar zijn en er is techniek aanwezig om die beelden op te sporen, te verwijderen en slachtoffers te informeren. Maar daar is geld voor nodig. Daarom vind ik het ook zo ontzettend goed dat mijn collega Van Nispen van de SP daarvoor samen met ons en een aantal andere collega's een amendement heeft ingediend. Het doel daarvan is de techniek om die beelden op te sporen mogelijk te maken. Ik hoop op een positief oordeel van het kabinet en ik reken daar eigenlijk ook op.

Voorzitter. Ik zei het al: de grootste angst van iedere ouder is dat je kind niet meer veilig thuiskomt. Daarom moeten we er ook zeker van zijn dat psychisch gestoorde criminelen van de straat worden gehouden en niet opnieuw de fout in kunnen gaan. Dit soort mensen, ook als ze niet meewerken aan psychiatrisch onderzoek, moet tbs opgelegd kunnen krijgen. Michael P., de enige verdachte van de moord op Anne Faber, is hiervan een schrijnend voorbeeld. Hij is eerder veroordeeld geweest in een verkrachtingszaak, maar hij werkte niet mee aan psychiatrisch onderzoek, kreeg geen tbs en kwam vrij. We moeten voorkomen dat dit weer gebeurt. Daarom heb ik met collega Van Oosten van de VVD het voorstel gedaan om rechters de mogelijkheid te geven om twee jaar na het opleggen van de celstraf alsnog tbs op te leggen. In die twee jaar kan een crimineel zich niet verstoppen. Je kunt niet zeggen dat je niet meewerkt aan onderzoek; je wordt gewoon geobserveerd. Die twee jaar tijd kan net voldoende zijn voor een rechter om, op basis van de beoordeling door een psycholoog of gevangenisdirecteur, in een geval te zeggen: ik had al een vermoeden dat ik hier tbs zou moeten opleggen — die bevoegdheid heeft hij namelijk al — maar nu ben ik bevestigd in mijn vermoeden dat ik dat ook daadwerkelijk moet doen.

Voorzitter, er zitten nog wat haken en ogen aan, maar we denken echt dat het kan. We hebben het ook niet zelf verzonnen; er hebben oud-rechters met ons meegedacht over dit voorstel. Ik wil via de voorzitter dan ook vragen aan het kabinet om dit voorstel heel serieus te nemen en te kijken hoe we dit kunnen realiseren. Dat is in het belang van ons allemaal. Dan kunnen we er zeker van zijn dat we dit soort mensen niet ongeoorloofd op straat laten. In het verlengde hiervan sluit ik mij graag aan bij de vragen die zijn gesteld en opmerkingen die zijn gemaakt door collega Van Toorenburg over het gat tussen gevangenis, nog niet uitbehandeld zijn en psychiatrische instelling. Er is een probleem. Het maakt mij niet zo heel veel uit hoe we het oplossen. We praten er al tien jaar over. Ik had mijn collega Lea Bouwmeester gisteren nog aan de telefoon. Wat gaan we nu doen? Dit moeten we met elkaar kunnen en willen oplossen.

We hadden het in verschillende interrupties al even over de rechtsbijstand. Het recht moet in dienst staan van ons allemaal, niet alleen van hen die het kunnen betalen. Als je een juridische strijd aangaat, wat niemand wil, dan moet je er ook zeker van zijn dat je rechtsbijstand kunt krijgen en dat er een jurist beschikbaar is is om jouw recht te verdedigen. Vooral dat laatste is cruciaal, volgens het rapport-Van der Meer. Ik weet: geld is altijd schaars. Maar we moeten dit soort rapporten en de wijze waarop ze ons waarschuwen inzake het toegangsrecht, wel serieus nemen. Daar zijn al een hoop kritische vragen over gesteld en daar sluit ik mij graag bij aan.

Er zijn ook al belangwekkende opmerkingen gemaakt door onder andere collega Groothuizen van D66 over mediation in het strafrecht. Ik had graag iets meer geld daarvoor gezien, dat ben ik eens met collega Van Nispen. Toch hoop ik dat ook dit geld weer bijdraagt om mediation in het strafrecht de steun te geven die nodig is, juist omdat gebleken is dat die zo succesvol is.

De heer Van Nispen (SP):
Mooie woorden van collega Kuiken. Ik heb uit betrouwbare bron vernomen dat het geld dat de Kamer vorig jaar op initiatief van de Partij van de Arbeid beschikbaar heeft gesteld en dat vanwege het politieke gedoe heel laat beschikbaar kwam, niet helemaal op is gegaan. Het halve miljoen euro dat wij missen voor volgend jaar, zou mogelijk over zijn van dit jaar. Zou het interessant zijn om de regering te vragen — en dat is niet helemaal zoals de regels zijn; het is allemaal technisch en ingewikkeld — om dat budget mee te mogen nemen naar volgend jaar? Daarmee kunnen we het voorstel van D66 en de PvdA, wat eigenlijk gaat om te weinig geld, toch tot een volwaardig voorstel maken.

De voorzitter:
U stelt dus eigenlijk een vraag aan het kabinet via mevrouw Kuiken?

De heer Van Nispen (SP):
Ja. Ik ben zeer benieuwd naar de opvatting van mevrouw Kuiken daarover, omdat het ook gaat om haar amendement.

Mevrouw Kuiken (PvdA):
Voorzitter, ik wist dit niet, dus ik ben heel blij met deze vraag. Ik vind het een uitstekende suggestie. Ik denk ook dat het kan, want elk departement heeft altijd een beetje ruimte om achtergebleven geld door te schuiven naar volgend jaar. Dus het past ook binnen de systematiek. Het lijkt mij een uitstekend voorstel. Ik wil bij dezen de vraag graag doorgeleiden naar het kabinet.

Voorzitter. Ik haal nog een tweetal punten kort aan. Er zijn terecht door de collega van GroenLinks een aantal vragen gesteld over discriminatie binnen de politie. Ik vond het dapper van de collega's dat ze hebben aangetoond dat discriminatie binnen de politie helaas een feit is. Ik vond de reactie van de heer Akerboom ook heel goed, maar mijn vraag is nu wel hoe we er gezamenlijk voor zorgen dat die cultuurverandering vorm gaat krijgen.

Ten slotte asiel. Mijn belangrijkste punt op dat vlak is dit. Ik weet dat er een nieuw landenrapport komt over Afghanistan. Dat moet er op korte termijn komen. Kunnen we tot die tijd uitzettingen daarheen opschorten?

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Kuiken. Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Van der Graaf, namens de ChristenUnie.

Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):
Mevrouw de voorzitter, dank u wel voor het woord. Het recht is meer dan een systeem van wetten. Het zorgt voor vertrouwen tussen mensen die elkaar niet kennen en voor vrede in de samenleving. Deze bewindspersonen zijn verantwoordelijk voor het recht en de gerechtigheid in ons land. Dat klinkt abstract, maar het wordt wel heel concreet in de onderwerpen die vandaag de revue passeren, bijvoorbeeld de ondermijnende criminaliteit, die gepaard gaat met geweld, bedreiging en intimidatie van burgers en bestuurders. Eerdere sprekers hebben al vragen gesteld over de uitwerking van de ondermijningswet en het ondermijningsfonds uit het regeerakkoord. Ik sluit mij daar graag bij aan, want ook veiligheid is een verschijningsvorm van recht en gerechtigheid, en heel belangrijk in het dagelijks leven van mensen. De ChristenUnie is dan ook heel erg blij met het extra geld dat er komt voor de politie. Daarnaast is ook preventie noodzakelijk, bijvoorbeeld als het gaat om het voorkomen van vechtscheidingen, ook om schade te voorkomen bij de kinderen. Tot slot bevatten recht en gerechtigheid voor de ChristenUnie ook de kans op rehabilitatie en het werken aan herstel. Graag hoor ik van de bewindspersonen hun visie, van waaruit zij de komende jaren werk zullen maken van hun verantwoordelijkheid voor recht en gerechtigheid.

Voorzitter. Er zijn al een aantal vragen gesteld over terrorismebestrijding. Daar voeg ik graag de vraag aan toe hoe de minister het voornemen uit gaat werken dat geldstromen vanuit onvrije landen zo veel mogelijk zullen worden beperkt. Ik vraag vandaag in het bijzonder aandacht voor vier onderwerpen die ons na aan het hart liggen: de buurtrechter, de aanpak van mensenhandel, geestelijke ondersteuning bij de politie en terugkeer naar de samenleving na detentie.

Voorzitter. Rechtspraak is meer dan geschillenbeslechting; het gaat om herstel van verhoudingen of het oplossen van onderliggende problemen. Daarom is de ChristenUnie heel erg blij met de experimenten met de buurtrechter, die in het regeerakkoord een plek hebben gekregen. We hebben daar al langer voor gepleit. Binnen de huidige wetgeving is het al mogelijk om, onder de voorwaarde dat beide partijen ermee instemmen, een eenvoudige, snelle en goedkope procedure te volgen. Zo wordt in Brabant en Utrecht ervaring opgegaan met de burenrechter, die buren helpt bij het zoeken naar een duurzame oplossing bij een conflict, en in Noord-Nederland kennen we de spreekuurrechter, waar burgers en bedrijven snel op het spreekuur van de rechter kunnen komen. De rechter probeert eerst met een goed gesprek tot een oplossing te komen en beslist pas als dat niet lukt wat er echt nodig is om te doen.

Deze ervaringen tonen aan dat er behoefte is aan een experimentbepaling in de wet, om de mogelijkheden hiervoor te verruimen. Wat de ChristenUnie betreft, moeten we snel aan de slag met de experimenten, zowel met de buurtrechter als met de schuldenrechter, die de zaken van de schuldenaar in samenhang zal behandelen. Graag verneem ik van de minister voor Rechtsbescherming hoe hij dit wil vormgeven en hoe het tijdspad van het wetgevingstraject eruit ziet. Dit is echt een prachtige kans voor vernieuwing binnen de rechtspraak.

Voorzitter. De ChristenUnie is erg blij met de inzet in het regeerakkoord voor de strijd tegen mensenhandel en illegale prostitutie. Een eerste resultaat hiervan zagen we afgelopen vrijdag al, toen er extra geld beschikbaar kwam voor uitstapprogramma's voor prostituees. Maar er staat nog meer in het regeerakkoord. Zo wordt er geïnvesteerd in internationaal opsporingsonderzoek en in de regionale Prostitutie Controle Teams. Er is in het regeerakkoord voor volgend jaar ook al 4 miljoen euro gereserveerd voor de opvang van slachtoffers van mensenhandel. Dat extra geld moet volgend jaar al terechtkomen bij de opsporing en handhaving, maar ook bij zorgverleners zoals Fier, het Leger des Heils en andere. Gisteren ontvingen wij een brief met een plan van aanpak voor het eerste kwartaal. Daar zie ik naar uit. Maar kunnen we wel zo lang wachten met het geld dat 2018 al op zijn plek zou moeten komen? Graag een reactie van de staatssecretaris hierop. Graag krijg ik van de minister en de staatssecretaris een precies spoorboekje met wetgeving en investeringen op het gebied van de aanpak van mensenhandel. Welke stappen zullen de bewindspersonen zetten en welk tijdpad hoort daarbij?

Voorzitter. Mensenhandel is een enorm winstgevende criminele activiteit. Mannen en vrouwen worden uitgebuit en misbruikt om er grof geld aan te verdienen. Daarom schrokken wij van het bericht dat 95% van de gemeenten geen beleid zou hebben als het gaat om mensenhandel. Ik moedig de staatssecretaris aan om het gesprek met de gemeenten te blijven voeren, zoals met de wethouders van de 35 centrumgemeenten voor vrouwenopvang. Graag krijg ik hierop een reactie.

Voorzitter. Ik wil mijn waardering uitspreken voor onze politiemensen. Zij werken elke dag met hart en ziel aan onze veiligheid en daarbij maken ze ingrijpende gebeurtenissen mee. Een agent die in 2011 dienst had tijdens een schietpartij in Baflo waarbij ook een collega van hem om het leven kwam, beschreef in een brief aan mij de impact die die gebeurtenis heeft gehad op hem en binnen zijn team. In die crisissituatie stond er een Team Collegiale Opvang, een bedrijfsmaatschappelijk werker, een psycholoog en een geestelijk verzorger voor de eenheid klaar. Er was ruimte voor verwerking en bezinning en dat was hard nodig. Ruimte voor vragen — heb ik goed gehandeld, en wat is goed? — voor gedachten over angst voor je eigen leven, voor indringende vragen rondom leven en dood, goed en kwaad, gehoorzaamheid en verantwoordelijkheid. Het is daarom belangrijk te voorzien in adequate zorg, waaronder geestelijke ondersteuning.

Tien jaar geleden werd afgesproken dat hier een professionele voorziening voor zou komen, maar dat is nog niet goed van de grond gekomen. Ik vind dat maar moeilijk te begrijpen, want onze politiemensen werken met hart en ziel en zingeving is onlosmakelijk met hun werk verbonden. Met de nationale politie is er nu de mogelijkheid om dit ook op een uniforme wijze vorm te geven. Dat is noodzakelijk. Daarom dien ik vandaag samen met collega Van Dam een amendement in met als doel om voldoende mensen voor dit werk van geestelijke ondersteuning bij de politie beschikbaar te maken, om eenheden te ondersteunen bij zingevingsvraagstukken en in situaties van acute zorg en nood. Graag verneem ik van de minister hoe hij daar tegenaan kijkt en of hij bereid is om op korte termijn een brief naar de Kamer te sturen met een plan van aanpak hoe hij dat wil vormgeven.

Voorzitter. Er bestaat al jaren maatschappelijk werk, slachtofferhulp en psychologische ondersteuning. Toch zit een relatief groot deel van het korps thuis met PTSS-klachten. Daar maken wij ons zorgen over. Ik sluit mij graag aan bij de vorige sprekers die hier aandacht voor hebben gevraagd. Ik vraag de minister hoe hij dit wil aanpakken.

Daarnaast wil ik aandacht vragen voor de inzet van vrijwilligers bij politie en brandweer. Het aantal vrijwilligers staat onder druk. Welke mogelijkheden ziet de minister om de inzet van vrijwilligers op peil te houden?

De heer Bisschop (SGP):
Er is in het verleden door onder anderen collega Van der Staaij ook al eens aandacht gevraagd voor zingeving en geestelijke verzorging bij de politie. Ik begrijp dat er nu van de zijde van ChristenUnie en CDA opnieuw een motie komt. Is de strekking van die motie ongeveer de uitwerking van de brieven die we de afgelopen jaren naar aanleiding van de motie-Van der Staaij hebben gehad, of stellen ChristenUnie en CDA zich daar iets anders bij voor?

Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):
Dit grijpt terug op afspraken die tien jaar geleden al bij cao-onderhandelingen een plek hebben gekregen, namelijk dat er ruimte moet komen voor geestelijke verzorging bij de politie. Dat heeft echt heel lang stil gelegen. De moties waaraan u refereert, hebben dit wel een impuls gegeven — er is wel wat op gang gekomen — maar dit moet echt nog beter en concreter vorm krijgen. In het amendement dat wij indienen, stellen wij hiervoor twee ton beschikbaar. U kunt dat zien als een verdergaande lijn in initiatieven vanuit de Kamer die al eerder zijn ingezet, en waarbij overigens ook de ChristenUnie betrokken was.

De heer Bisschop (SGP):
Zeker, er stond "c.s." achter die naam. Dat klopt. Dan ben ik gerustgesteld, want ik was bang dat er weer een nieuw initiatief zou komen wat een inmiddels in gang gezet initiatief zou doorkruisen. Maar dat is gelukkig niet het geval. Dank u wel.

Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):
U kunt er gerust op zijn. Ik heb hier veel voorwerk voor gedaan en er bestaat behoefte aan meer inzet voor geestelijke ondersteuning bij de politie. Ik hoop vanzelfsprekend op uw steun.

Voorzitter. Na het uitzitten van een straf moeten mensen weer kunnen terugkeren in de samenleving. De ChristenUnie is erg blij met de inzet in het regeerakkoord om resocialisatie ook steviger te positioneren. In dit licht vraag ik de minister hoe hij de adviezen van de Raad voor Strafrechtstoepassing beoordeelt. Er zal niet alleen worden geïnvesteerd in professionals, maar er komt ook meer aandacht en ruimte voor vrijwilligerswerk. Organisaties als Gevangenenzorg Nederland en Exodus voeren herstelgesprekken, helpen bij het zoeken naar werk en het op orde brengen van de administratie en bezoeken de familieleden van gedetineerden. Dit draagt bij aan een succesvolle terugkeer in de samenleving en moet voorkomen dat ze opnieuw de fout ingaan. Om dit concreter vorm te geven dient de ChristenUnie vandaag samen met de SGP en het CDA een amendement in om het extra geld ook echt ten goede te laten komen aan het werk van dit soort vrijwilligersorganisaties.

Voorzitter, ik kom tot een afronding. Er rust een grote verantwoordelijkheid op deze bewindspersonen om werk te maken van recht en gerechtigheid en daarmee de vrede in de samenleving te dienen. Ik wens hun daarbij heel veel succes en ik zie uit naar de samenwerking.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Voordewind namens de ChristenUnie.

De heer Voordewind (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter. Ik zal het deel over migratie en asiel voor mijn rekening nemen namens de ChristenUnie.

Voorzitter. Dit kabinet staat een effectief, maar ook menswaardig asiel- en migratiebeleid voor. In het regeerakkoord staan dan ook de kaders daarvoor aangegeven. Afspraken met veilige derde landen kunnen en zijn ook nodig om ongecontroleerde toestroom van mensen en verdrinkingen op de Middellandse Zee te stoppen, maar deze zijn wel ingekaderd in het Vluchtelingenverdrag. Verder zal het kabinet inzetten op een beter en sneller integratietraject, taallessen vanaf dag één, goede bed-bad-broodvoorzieningen en een goede begeleidingsregeling, kleinschalige opvang, in principe geen verhuizingen voor gezinnen met kinderen en verhoging van het aantal hervestigingen van vluchtelingen. Dat zijn belangrijke winstpunten van dit regeerakkoord, maar dat wil niet zeggen dat wij geen zorgen meer zouden hebben. Van die zorgen zal ik er nu een aantal opsommen.

Allereerst noem ik de rechtsbijstand. Als de advocaat uit de eerste fase van de achtdagenprocedure verdwijnt, zullen vrijwilligers in moeten springen. Dan moet een organisatie als VluchtelingenWerk daarvoor ook extra middelen krijgen. Als de advocaat pas bij een voornemen tot afwijzing in beeld komt, moet hij niet nog maar één dag de tijd krijgen om de zienswijze voor te bereiden. Welke mogelijkheden ziet de staatssecretaris om de asielzoeker alsnog goed voor te bereiden op een voornemen tot afwijzing? Ik overweeg op dit punt een motie.

Vorige collega's hebben ook al uitgebreid over de veiligheidssituatie in Afghanistan gesproken. We hebben gehoord dat de VN-Veiligheidsraad niet meer spreekt over een conflictland, maar over een oorlogsland. De VN spreken ook over een toename van het aantal gewonden met 20%. Er zijn inmiddels 69.000 gewonden. De situatie verslechtert. Dat hebben we gisteren ook gehoord tijdens de technische briefing over de missie in Afghanistan. Is de staatssecretaris bereid om een versnelde veiligheidsanalyse te laten maken door Buitenlandse Zaken en te onderzoeken of het inderdaad nog veilig genoeg is om mensen terug te sturen naar Afghanistan? Is hij ook bereid om tot die tijd terughoudend te zijn met uitzettingen?

De heer Jasper van Dijk (SP):
Goed dat de heer Voordewind dat vraagt. Ik vraag hem wel toe te lichten wat hij bedoelt met "terughoudend", want dat kan er ook toe leiden dat uitzettingen alsnog plaatsvinden, terwijl de heer Voordewind en ondergetekende het daar helemaal niet mee eens zijn. Erkent hij dat? En zouden we daar niet iets harder op moeten duwen?

De heer Voordewind (ChristenUnie):
Ik heb net de schokkende cijfers genoemd die we van de VN hebben gekregen. Amnesty heeft hierover ook een rapport uitgebracht. Ik geef aan dat we zo snel mogelijk een veiligheidsanalyse van Buitenlandse Zaken zouden moeten krijgen. Ik begrijp dat dat ook snel kan, dat dat begin volgend jaar mogelijk is. Ik vraag de staatssecretaris om in de tussentijd terughoudend te zijn. Via de VN vernemen we dat de situatie verslechtert. Die VN-rapporten worden ook betrokken in onze eigen veiligheidsanalyses. Dat betekent dat ik ervan uitga dat er nu ook geen massa's richting Afghanistan zullen gaan. In het verleden zat er een moratorium op Afghanistan. Dat is inmiddels weer opgeheven; enkelen gaan die kant op, heb ik begrepen. Maar ik hoor graag de reactie van de staatssecretaris. Hoe denkt hij hiermee om te gaan?

De heer Jasper van Dijk (SP):
Er zullen geen massa's teruggaan, maar er zijn wel mensen die zwaar onder druk staan. Vanochtend heeft Haroon een petitie aangeboden namens vele Afghanen die op korte termijn uitgezet dreigen te worden. Het nieuwe ambtsbericht, dat er pas volgend jaar komt, zou dan te laat zijn. Accepteert de heer Voordewind dat? Of is hij het met mij eens dat we deze week al actie moeten vragen van de regering om dat niet te laten doorgaan?

De heer Voordewind (ChristenUnie):
Ik vraag aan de heer Van Dijk om de reactie van de staatssecretaris af te wachten. Misschien kunnen we in de tweede termijn hierop terugkomen. Ik wacht ook de reactie van de staatssecretaris af. Ik neem aan dat hij dezelfde rapporten van de VN heeft gezien. Laten we elkaar in de tweede termijn weer spreken.

De voorzitter:
Gaat u verder.

De heer Voordewind (ChristenUnie):
Voorzitter, ik ga snel verder, want de tijd tikt door.

Het kinderpardon is helaas niet verruimd. De ChristenUnie en D66 hebben zich daarvoor ingezet. Nu dat zo is en nu de regeling nog wel bestaat, vraag ik aan de staatssecretaris wat de mogelijkheden zijn in het bestaande kader van het kinderpardon om hier toch in alle redelijkheid mee om te gaan.

Dan de hervestigingen. Is Nederland bereid om een evenredig aandeel te nemen in het aanbod van de Europese Commissie om 50.000 mensen te hervestigen via UNHCR? Is dat los van het Nederlandse aandeel vanuit Turkije en ook los van de reallocatie vanuit Griekenland en Italië? Ik hoor graag de reactie van de staatssecretaris op dat punt.

Dan het aantal bronlanden en de situatie van de bekeerlingen en de lhbt's. Mensen kunnen de doodstraf krijgen als zij bekeerd zijn en terug zouden moeten naar Iran. Kan de staatssecretaris kijken naar de situatie van bekeerlingen en lhbt's en de beoordelingen verbeteren?

Tot slot de opvang op Lesbos. Ik sluit mij aan bij collega Maarten Groothuizen. Worden de achterstanden in de behandeling van de gezinsherenigingsaanvragen nu zo snel mogelijk weggewerkt?

Afrondend. Een nieuw kabinet met een nieuw regeerakkoord, daar heeft de ChristenUnie meer dan voorheen het volle vertrouwen in. Ik wens de nieuwe staatssecretaris dan ook alle wijsheid daarbij.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Voordewind. Voordat ik de heer Krol het woord geef, schors ik voor twee minuten.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:
Het woord is aan de heer Krol namens 50PLUS.

De heer Krol (50PLUS):
Voorzitter. Deze nieuwe minister van Justitie en Veiligheid zit met een lastige erfenis, maar 50PLUS waardeert hem. Hij is het voorbeeld van de uitgestoken hand. Als een van de weinigen van dit kabinet nam hij met zijn staatssecretaris de moeite om ook bij de oppositie op de thee te komen. Dank daarvoor.

Ik neem hem graag mee op een reis langs de strafrechtketen. Er worden jaarlijks 4,5 miljoen traditionele misdrijven gepleegd en inclusief cybercrime worden er 7 miljoen misdrijven gepleegd. Er worden 2,5 miljoen mensen slachtoffer. Er worden slechts een kleine miljoen aangiftes gedaan. Van deze aangiftes worden er 250.000 onderzocht en daaruit stromen 200.000 verdachten verder de strafketen in. Minder dan 100.000 verdachten komen voor de rechter. Hoe kan het dat we van 2,5 miljoen slachtoffers uitkomen op slechts 100.000 verdachten die zich moeten verantwoorden voor de rechter? Je moet als dader wel een heel grote sufferd zijn wil je dat overkomen.

Voor 50PLUS staat deze trechter symbool voor de erosie van de rechtsstaat. Er is een trendbreuk nodig om die te herstellen. 50PLUS wil dat slachtoffers weer gewoon aangifte doen, dat hun aangifte niet in de prullenbak verdwijnt, dat rechters weer recht kunnen spreken, dat daders veroordeeld worden, dat gegeven straffen worden uitgevoerd en dat opgelegde straffen door de samenleving weer als passend worden ervaren. En, de cirkel rond, dat de overheid zich niet alleen bekommert om veroordeelde daders, maar juist om de slachtoffers die hun leven weer op de rails willen krijgen.

We starten onze reis bij de politie. De aangiftebereidheid onder slachtoffers is laag. Heeft de minister recente gegevens over de redenen daarvoor? Slachtoffers die wel aangifte willen doen, wordt het steeds moeilijker gemaakt. Een politiebureau of een simpel politieloket in elke gemeente vond de vorige minister overdreven. Wat gaat deze minister doen om de aangiftebereidheid te verhogen? Is er wellicht behoefte aan een speciale aangifteagent: een medewerker die niet de hele politieopleiding hoeft te volgen, maar die wel erg goed is in het invullen van aangiftes?

De politie trekt zich terug uit het straatbeeld. We krijgen er bijzondere opsporingsambtenaren voor terug. Begonnen deze boa's als extra ogen en oren van de politie, inmiddels delen ze boetes uit. En dit alles zonder aansturing door de politie en met geweldsinstructie. De boa-boetes lopen op tot €340. Een man die zijn hond uitlaat in het bos terwijl het schemert, krijgt een boete. Een winkelier die op zijn stoep een kopje thee drinkt idem dito. 50PLUS is voorstander van het handhaven van de openbare orde, maar die moet wel onder druk staan voordat boa-boetes worden uitgedeeld. De burger krijgt de indruk dat overijverige boa's de ongevaarlijke burger bekeuren, terwijl justitie gevaarlijke criminelen met de fluwelen handschoen bejegent.

Afgelopen week bereikte ons het nieuws dat er twee zoenende vrouwen in Amsterdam zijn mishandeld door mensen die onze normen en waarden niet tot de hunne hebben gemaakt. Wat gaat de minister, die ik uit een gemeenschappelijk verleden ken als een waar pleitbezorger voor gelijke rechten, eraan doen om ervoor te zorgen dat dit niet meer gebeurt? Heeft de minister grip op handhaving door boa's of is het aan de gemeenten om handhavingsbeleid te maken en aan de gemeenteraden om dat te controleren? Krijgen we straks per gemeente een ander handhavingsregime? Dat is toch rechtsongelijkheid? Kan de minister een overzicht geven van de verschillen per gemeente in handhavings- en boetebeleid door boa's? Als we ons vergissen, horen we dat graag.

Terugkijkend zijn we een nieuw handhavingsmodel ingerommeld. Er zijn inmiddels 3.000 boa's en 50.000 agenten. Ontstaat er zo een soort van gemeentelijke politie naast de nationale politie? De politie moest toch juist nationaal? Klopt het dat er een boetequotum is voor Haagse boa's? Hoe verhoudt de boa's wapenstok zich tot de geweldsmonopolie van de politie? Graag een integrale visie op deze ontwikkelingen.

In de gemeente Rotterdam treden al een aantal jaren zogenaamde stadsmariniers op. Deze superambtenaren worden ingezet in bepaalde gebieden om problemen op te lossen, niet door het uitdelen van boetes maar door het wegnemen van de achterliggende oorzaken. Is de minister bekend met de stadsmariniers en wat is zijn mening?

Tot zover de politie of het gebrek daaraan. De overige problemen daar stel ik bij de evaluatie van de nationale politie aan de orde.

Ook bij justitie rommelen we nieuwe modellen erin, om te beginnen het EU-Openbaar Ministerie. Wordt er straks gezegd dat een Europees OM zonder EU-wetboek van strafrecht eigenlijk niet werkt? Rommelen we stap voor stap toe naar een EU-wetboek van strafrecht? Is dat de intentie?

50PLUS ziet een tendens waarbij de onafhankelijke rechter plaatsmaakt voor ambtenaren van het OM en de Dienst Justitiële Inrichtingen, beide onderdeel van het ministerie van Justitie. 16% van de zaken wordt door het OM inmiddels als strafbeschikking afgehandeld. Het OM sluist steeds minder verdachten door naar de rechter. Het zijn er nu al minder dan de helft van het aantal verdachten. Hoe zit dat over vijf of tien jaar? Is het dan nog maar 30%? Kan het OM beter rechtspreken dan een onafhankelijke rechter? Of is het een bezuiniging?

Als een verdachte dan toch celstraf krijgt opgelegd, dan is het aan de Dienst Justitiële Inrichtingen om die straf uit te voeren. Een gedetineerde mag na twee derde weg. Het is goed dat het kabinet een streep zet door dit automatisme. Wat 50PLUS betreft komen alleen daders in aanmerking die berouw hebben of die hun leven willen beteren.

Er mag ook geen tekort zijn aan rechters. Volgens Trouw is dat zo. Volgens de Raad voor de rechtspraak zou het wel meevallen. Maar volgens de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak is het toch echt zo. Er zijn in elk geval extra rechters nodig om de burgers beter te bedienen. Om de kennis en de kunde van die rechters te behouden, pleit 50PLUS ervoor de leeftijdsgrens voor rechter-plaatsvervangers die dat zelf willen, te verhogen en tegelijkertijd het functioneren van doorwerkende rechters te controleren. Hierdoor wordt langer gebruikgemaakt van die kennis en ervaring, het bespaart kosten en het vermindert de werkdruk. 50PLUS verzoekt de minister de mogelijkheden te onderzoeken om de wettelijke leeftijdsgrens voor rechter-plaatsvervangers desgewenst te verhogen.

Voorzitter. We gaan door naar de straffen. Uit onderzoek van het Sociaal en Cultureel Planbureau blijkt dat Nederlanders van mening zijn dat rechters laag straffen. Er zijn kanttekeningen te plaatsen of dit al dan niet terecht is, maar we kunnen dit signaal niet negeren. Het verhogen van straffen werkt weliswaar niet preventief, maar het geeft rechters wel meer bewegingsvrijheid. 50PLUS vraagt de minister te onderzoeken of het wenselijk is om bij recidive van ernstige delicten, in de toekomst levenslang op te leggen.

Dan komen we bij de positie van slachtoffers. Doen we wel voldoende voor hen? Voor een tbs'er trekken we €575 per dag uit. Dat is de prijs van een suite in het Amstel Hotel. Gemiddeld kost een tbs'er de samenleving 1,5 miljoen euro. Was het maar zo dat we als samenleving zo'n bedrag zouden investeren in het slachtoffer om zijn verwoeste leven koste wat kost weer op de rails te krijgen.

De ontvangsten uit boetes, transacties en afpakken worden voor 2018 geraamd op 1,7 miljard. 50PLUS wil dat geld graag oormerken. Wij zouden die opbrengsten graag deels ten goede zien komen aan slachtoffers van misdrijven. Uit de opbrengst kunnen eenmalige of periodieke uitkeringen worden uitgekeerd om de schade van de slachtoffers te verzachten. Wat vindt de minister daarvan? Onze rechtsstaat kent ook andere slachtoffers: onschuldigen, die door kwaadwillende medeburgers een civiele procedure worden ingetrokken. Na vrijspraak zitten zij met enorme kosten, die nauwelijks vergoed worden. Kan hier een regeling voor worden getroffen, bijvoorbeeld uit de opbrengst van boetes en afpakgeld?

De heer Markuszower (PVV):
De heer Krol pleit nu gelukkig ook voor hogere straffen in sommige gevallen en zelfs voor levenslang, zoals de PVV dat al eerder heeft gedaan. Dat is hartstikke mooi nieuws. Kan de heer Krol uitleggen waarom alleen levenslang moet worden opgelegd bij recidive, dus als het nog een keer gebeurt, en niet ook al aan het begin, als een dader in eerste instantie een heel ernstig strafbaar feit pleegt? Waarom wil hij niet ook levenslang als een dader voor de eerste keer heel erge dingen doet?

De heer Krol (50PLUS):
Ik ben nog van de school die gelooft dat zelfs heel kwalijke misdadigers berouw kunnen tonen en hun leven kunnen beteren. Als er sprake is van recidive, dan heb ik dat vertrouwen niet meer.

De heer Van Dam (CDA):
Ik hoor de heer Krol het sympathieke voorstel doen om de 1,8 miljard die kennelijk bijeengesprokkeld wordt met boetes en dat soort dingen, ter beschikking te stellen van slachtoffers. Dat is heel sympathiek, maar de heer Krol weet ook dat 1,8 miljard bestemmen voor iets anders een gat op de begroting betekent. Wat is zijn voorstel om dat gat op te vangen?

De heer Krol (50PLUS):
Het gaat om 1,7 miljard. Ik heb ook niet gezegd "in zijn geheel". Ik heb heel duidelijk gezegd "deels". Ik wil in ieder geval graag horen wat de minister ervan vindt om te kijken of slachtoffers op een of andere manier geholpen kunnen worden. Datzelfde geldt voor mensen die zich onterecht moeten verdedigen bij de rechtbank. Die krijgen van de rechtbank weliswaar vaak te horen dat de wederpartij veroordeeld is in de kosten, maar u weet zelf ook dat die kosten vaak maar een fractie zijn van de kosten die degene die aangeklaagd is, eerst heeft moeten voorschieten.

De heer Van Dam (CDA):
Ik vind het zo'n sympathiek voorstel dat ik graag wil weten over welk deel van die 1,7 miljard de heer Krol het dan heeft en hoe hij voor dat deel dan dekking zoekt in de begroting.

De heer Krol (50PLUS):
Ik heb nog niet gesproken over welk deel. Ik heb gezegd "een deel". Ik ben blij te horen dat dat bij het CDA sympathiek gevonden wordt. Laten wij het antwoord van de minister afwachten en dan kijken of wij dat genoeg vinden en of daar inderdaad dekking voor is.

De voorzitter:
Gaat u verder.

De heer Krol (50PLUS):
Dan kom ik bij de dreiging door terrorisme. 50PLUS heeft altijd gepleit voor het intensiveren van terrorismebestrijding. De vraag is of de extra middelen voldoende zijn. Terwijl Europa een slachtveld is, verliest Islamitische Staat in Irak en Syrië steeds vaker de regie. Dat heeft negatieve effecten voor de veiligheid in Nederland. Een onbekend aantal jihadisten komt richting Europa, een deel met als doel dood en verderf te zaaien. De situatie is levensgevaarlijk. Moeten wij niet meer maatregelen treffen om terreur het hoofd te bieden?

Het is terecht dat het kabinet extra alert is en maatregelen wil treffen. Het punt is ook hier: hoe gaat dit er in de praktijk uitzien? Met welke termijn wordt de voorlopige hechtenis verlengd? Welke maximumstraf komt er te staan op vrijwillig verblijf op terroristisch grondgebied? En verder, vindt de minister het wenselijk dat jihadgangers terugkeren naar Nederland? Hoe kijkt de minister aan tegen de uitspraak van Rutte in 2015 dat jihadisten beter kunnen sneuvelen dan dat ze terugkeren naar Nederland? En wat gaat hij doen met jonge kinderen van terugkerende jihadisten? Is er een draaiboek? Graag een reactie.

50PLUS wil de inlichtingendiensten versterken, samenwerking bevorderen en preventief optreden waar nodig. Het aanpakken van haatpredikanten is een stap in de goede richting. Maar hoe gaat dit kabinet daar invulling aan geven? Hoe krijgt het voornemen om alles in het werk te stellen om te voorkomen dat haatpredikers een podium wordt geboden, in de praktijk vorm? Wie kwalificeert dit kabinet als haatpredikant? En hoe komt dit kabinet tot die kwalificering? Gaat dit kabinet haatzaaiers weren? Waar en hoe dan? Of gaat het slechts om personen die eerder zijn veroordeeld voor bijvoorbeeld het aanzetten tot haat? Worden buitenlandse haatpredikanten tot ongewenste vreemdeling verklaard, aan de grens tegengehouden en teruggestuurd? Haatpredikanten moeten worden gestopt, zeker als ze aanzetten tot geweld. We moeten er daarom voor waken dat rechten, zoals de vrijheid van meningsuiting, kunnen worden gebruikt door hen die onze democratische rechtsstaat willen vernietigen.

Het regeerakkoord biedt hoop, want op pagina 5 staat: "de vrijheid van meningsuiting is geen vrijbrief voor het aanzetten tot haat en radicalisering". Maar wat wordt hier dan precies bedoeld? Wat is aanzetten tot radicalisering? Wat is eigenlijk radicalisering? En is aanzetten tot radicalisering iets anders dan aanzetten tot haat? En, zo ja, gaat het kabinet dan het aanzetten tot radicalisering strafbaar stellen? Waar ligt de grens? Welke personen, organisaties en handelingen heeft dit kabinet hier op het oog?

De heer De Graaf (PVV):
Het is goed om te horen dat de heer Krol van 50PLUS zijn kiezers wil beschermen en pleit voor meer maatregelen. Ik ben heel benieuwd of hij zijn kiezers net zo goed wil beschermen als de PVV dat wil doen door bijvoorbeeld administratieve detentie in te voeren? Steunt hij onze plannen daartoe?

De heer Krol (50PLUS):
Nee, dat voornemen hebben wij nog niet in ons programma staan, maar ik ga er met u graag een kopje thee over drinken.

De heer De Graaf (PVV):
Dan nodig ik bij dezen de heer Krol alvast uit voor dat kopje thee. Dat is prima. Natuurlijk heeft hij dat niet in zijn programma staan. Dat kan ook niet. Niet iedere partij kan alles in haar programma hebben, maar de heer Krol kan hier toch in ieder geval uitspreken of hij dat voorstel op zijn minst sympathiek vindt? Al die ouderen in Nederland, die 50PLUS vertegenwoordigt, zijn extra kwetsbaar voor dat tuig dat rondloopt en dat wij preventief vast willen zetten. Hij kan daar toch gewoon in meegaan door te zeggen "ik bescherm de ouderen ook op deze manier"?

De heer Krol (50PLUS):
De uitnodiging voor het kopje thee neem ik aan. Dan zal ik u vertellen wat ik er verder van vind.

De heer Azarkan (DENK):
Ik heb een vraag aan de heer Krol. Als het gaat om haatzaaien en het tegenhouden van mensen die onze samenleving vergiftigen, dan vindt u DENK aan uw zijde. Hoe stellen we eigenlijk vast dat er een soort causaal verband is tussen datgene wat iemand roept en de daden van een ander?

De heer Krol (50PLUS):
Dat is heel moeilijk vast te stellen. Dat is ook een van de redenen waarom ik dit probleem hier opwerp. Ik hoop dat ik daar van de minister antwoord op krijg, want wij maken ons daar terecht allebei druk over.

De heer Azarkan (DENK):
Maar heeft u daar ook ideeën bij? We praten er heel veel over. Ik heb het in een aantal andere bijdrages ook gehoord. Haatimams en mensen die haat prediken werden genoemd. Hoe stellen we dit vast? Heeft u daar zelf ideeën bij?

De heer Krol (50PLUS):
Ik geloof niet dat ik het woord "haatimams" heb genoemd.

De heer Azarkan (DENK):
Nee, dat zeg ik ook niet.

De heer Krol (50PLUS):
Ik heb gesproken over haatpredikanten. Dat komt helaas ook bij andere godsdiensten voor. Ik vind dat we met z'n allen moeten kijken wat we daaraan kunnen doen. Of er een causaal verband is? Ik vrees dat daar nog heel veel meer studie naar gedaan moet worden.

De voorzitter:
Ik stel voor dat u verdergaat.

De heer Krol (50PLUS):
Dat brengt mij bij een ander voornemen van dit kabinet, namelijk het uitbreiden van artikel 20 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, waarmee de overheid beter wordt toegerust tegen organisaties die tot doel hebben onze democratische rechtsstaat omver te werpen of af te schaffen. Gaat de regering met deze bepaling religieuze organisaties verbieden? En, zo nee, welke organisaties dan wel? Graag op dit punt meer duidelijkheid van het kabinet en deze minister.

Dan migratie. De Nederlandse samenleving heeft een enorme instroom van kansarme immigranten te verwerken gekregen. Het opvangvermogen en draagvlak staan inmiddels ernstig onder druk. 50PLUS staat voor een streng en rechtvaardig, maar ook humaan vluchtelingenbeleid. Vluchtelingen zijn wat 50PLUS betreft welkom en krijgen tijdelijk verblijfsrecht. Economische vluchtelingen en uitgeprocedeerde asielzoekers dienen zo snel mogelijk te worden teruggestuurd naar het land van herkomst. Het regeerakkoord biedt op dit punt perspectief. 50PLUS wil zo veel mogelijk opvang van vluchtelingen in de regio. Het idee om veilige havens in de regio te creëren, kan op instemming van onze fractie rekenen. Maar die veilige haven moet dan ook echt veilig zijn. Nu hebben we het idee dat dat nog niet altijd zo is. Welke garanties kan deze minister hieromtrent geven? Om echt stappen te maken pleit 50PLUS ervoor om asielzoekers die zich illegaal in Nederland aandienen, direct terug te sturen naar de veilige havens in de regio, om daar de asielprocedure af te wachten, en om dit niet af te wentelen op onze Europese partners. Gecombineerd met een betere bewaking van de Europese buitengrenzen en een effectieve bestrijding van mensensmokkel komt dat het draagvlak voor echte vluchtelingen én de Europese solidariteit ten goede.

Mevrouw de voorzitter, het is u misschien opgevallen dat ik nauwelijks heb gesproken over kwesties die vooral ouderen aangaan. Daarom ten slotte toch nog één specifiek punt, te weten leeftijdsdiscriminatie. 50PLUS is tegen alle vormen van discriminatie, ook leeftijdsdiscriminatie. Dat is een groot probleem. 50PLUS heeft eerder een motie ingediend over de strafrechtelijke aanpak van leeftijdsdiscriminatie, waarin wij de regering onder andere verzochten om de aanpak ervan te onderzoeken. Volgens de vorige minister is het niet aangewezen om te komen tot een strafbaarstelling van leeftijdsdiscriminatie. Daarbij ging de vorige minister slechts in op de artikelen 137c en d van het Wetboek van Strafrecht, terwijl de motie van 50PLUS echt breder is. Ook andere strafbepalingen zouden in ogenschouw moeten worden genomen, waaronder bijvoorbeeld de artikelen 429quater en de artikelen 137f en g van het Wetboek van Strafrecht. Wat is het standpunt van de minister hieromtrent?

Tot slot mag ik deze ploeg heel veel sterkte en wijsheid toewensen.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan ga ik nu naar de heer Van der Staaij namens de SGP.

De heer Van der Staaij (SGP):
Mevrouw de voorzitter. Het regeerakkoord begint met justitie en veiligheid en belooft de nodige investeringen, aanscherpingen van wetten. Dat is een terechte prioriteit in dienst van gerechtigheid; het is een kerntaak van de overheid. De SGP ziet uit naar een goede samenwerking met de nieuwe bewindslieden van Justitie en Veiligheid. Alle brieven van de afgelopen weken gelezen hebbend, hebben we kunnen vaststellen dat ze voortvarend aan de slag zijn gegaan.

Voorzitter. Ik zal zelf vooral wat opmerkingen maken op het terrein van het strafrecht en het personen- en familierecht, en mijn collega Bisschop zal daarna het een en ander naar voren brengen op het terrein van asiel en politie. Het kabinet wil de veiligheid vergroten door meer geld vrij te maken voor het bestrijden van recidive, meer aandacht en ruimte te geven aan vrijwilligers bij de uitvoering van straffen, en meer geld beschikbaar te stellen voor de strijd tegen terrorisme. Dat steunen wij. Kunnen de bewindslieden al een tipje van de sluier oplichten over hoe dat ingevuld gaat worden?

Het onbehagen van veel burgers over de rechtshandhaving in Nederland moet serieus genomen worden. Op veel punten is verbetering nodig en verbetering mogelijk. Het is de SGP een doorn in het oog dat wie een straf van twaalf jaar opgelegd krijgt, feitelijk maar acht jaar vastzit. De SGP wil hiervan af. Wie een onvoorwaardelijke straf krijgt opgelegd, moet die straf ook gewoon uitzitten. De maatregelen die daarna nodig zijn met het oog op terugkeer in de samenleving, zouden gekoppeld kunnen worden aan een voorwaardelijk strafdeel. Het initiatiefwetsvoorstel ligt inmiddels ter advies voor bij diverse betrokken instanties. Mogen wij rekenen op een constructieve reactie van het kabinet op deze plannen? Ik heb gezien dat ook het regeerakkoord verandering wil brengen in die voorwaardelijke invrijheidstelling. We hopen dus op een goede dialoog daarover.

Voorzitter. De aanscherping van de wetten in strijd tegen terrorisme is een goede zaak. Wij dringen aan op voortvarendheid. Het zou jammer zijn als de door ons al zo lang bepleite strafbaarheid van verblijf in terroristisch gebied eindelijk gerealiseerd wordt als er niemand meer naar ISIS-gebied reist, maar we vooral met terugkeerders te maken hebben. Hoe gaat het kabinet werk maken van een strengere aanpak van jihadisme en het weren van haatpredikers? Ik hoorde de heer Krol net over "haatpredikanten" spreken. Bij predikanten denk ik vooral aan mensen die in protestantse kerkdiensten voorgaan. De heer Krol bedoelt ongetwijfeld in een ruime betekenis vanuit het Latijnse "predicare": openlijk bekend maken, afkondigen. In die ruime betekenis van het woord kan ik hem volgen.

Voorzitter. Tijdigheid is in de rechtshandhaving wezenlijk. We dringen aan op snellere duidelijkheid over vervolging. Dat duurt vaak nog te lang. Het beleid rond de aanpak van haatdragende uitlatingen roept ook vragen op. Ik wil u een mail voorleggen die ik dezer dagen in mijn mailbox trof. Iemand zei: hoe kan het nu dat een Haags raadslid dat vredelievende Joodse kinderen die in deze Kamer op bezoek zijn, uitmaakt voor toekomstige kindermoordenaars geen strobreed in de weg wordt gelegd, terwijl een aangifte van een anti-zwartepietenclub tegen iemand die uitlatingen deed die evenmin door de beugel kunnen wel voortvarend voor de rechter wordt gebracht? Dat gaf een gevoel van een dubbele maat en misplaatste politieke correctheid. Ik moet deze meneer antwoord geven. Het zou handig zijn als ik kon zeggen: nou, ik heb de zaak voorgelegd en dit is het antwoord. Ik ben benieuwd.

Voorzitter. Wij zien slapheid in het Nederlandse drugsbeleid. Het kwaad van schadelijkemiddelengebruik wordt in het regeerakkoord niet aangepakt door de voordeur van de coffeeshops te sluiten, maar door de achterdeur open te zetten. Mijn vraag is: worden de overblijvende regels wel streng gehandhaafd? Of is het vooral versoepeling die de toon zet? Concreet: wordt het ingezetenencriterium — geen cannabis voor toeristen — gehandhaafd, ook in Amsterdam? Dat staat nog op het verlanglijstje. En hoe zit het met de afstand tot scholen? Nederland staat ook hoog op de lijstjes van de online drugshandel. Onze vraag is of het kabinet die online drugshandel voortvarend wil tegengaan.

Voorzitter. Meer daadkracht wordt getoond in de strijd tegen mensenhandel en misstanden in de prostitutie. Daar prijs ik de coalitiepartijen en deze bewindslieden voor. Is de minister ook bereid om werk te maken van een snelle indiening van de beloofde wetgeving op dit terrein? Ik heb bij een eerder debat al even gesproken over de wetsvoorstellen die nog steeds bij de Eerste Kamer liggen te wachten. Daarom ook een verzoek om daar snelheid mee te maken en ook aandacht te geven aan de uitvoering van de motie die vorig jaar in de Kamer is ingediend en aangenomen om gemeenten te stimuleren om beleid te maken rond het beëindigen van werk in de prostitutie, dus met betrekking tot de uitstapprogramma's. Hier moet op gemeentelijk niveau meer aandacht voor komen.

Voorzitter. Op het terrein van de verkeersveiligheid zou ik graag nog aandacht willen vragen voor de naar schatting 75 tot 140 verkeersdoden die elk jaar het gevolg zijn van rijden onder invloed. Ik heb begrepen dat het aantal controles in de afgelopen jaren eigenlijk is afgenomen. Zou dat aantal niet juist moeten toenemen op dit belangrijke punt, rijden onder invloed? En zouden er ook geen strengere straffen nodig zijn bij rijden zonder rijbewijs? Er zijn mensen die al veroordeeld zijn en van wie het rijbewijs is afgepakt wegens rijden onder invloed, en die vervolgens gewoon doorrijden. Die komen toch met een paar honderd euro weg voor het rijden zonder rijbewijs, terwijl de gevaarzetting gigantisch is. Graag ook een reactie op dit punt van strengere straffen voor rijden zonder rijbewijs.

Voorzitter. Geloofwaardige rechtshandhaving is essentieel in zaken van leven en dood. Een opvallende ontwikkeling is dat er ook steeds openlijker stappen worden gezet in de zogenaamde zelfeuthanasie. Denk aan de poeder van de Coöperatie Laatste Wil en het suïcidehandboek van een Australische arts. Nederland blijkt een netwerk te hebben van allerlei mensen die zich bezighouden met advisering over hoe een einde aan je leven te maken. We zagen dat dat handboek in Australië verboden werd. In Nederland wordt het juist gedrukt en verspreid. Wil het kabinet zich inzetten om ervoor te zorgen dat er een einde komt aan clandestiene hulp bij zelfdoding? En zou het wettelijke verbod op hulp bij zelfdoding niet juist uitgebreid moeten worden zodat elke vorm van directe of indirecte hulp daar ook onder valt?

Voorzitter. Een schakelteam rond de aanpak van verwarde personen is hard bezig. Dat was een vervolg op een eerder aanjaagteam en op de commissie-Hoekstra, waar we in deze Kamer ook uitvoerig over gesproken hebben na de afschuwelijke moord op oud-minister Borst en Loïs van Urk. Toen was er een sterk besef van urgentie. Deze Kamercommissie legde ook een werkbezoek af bij het schakelteam. Daar proefde je ook wel de zorg dat de urgentie wegebt, ondanks al het goede dat er gebeurt, ook in gemeenteland. Heel veel mensen zijn goed bezig, maar uiteindelijk gaat het wel om een ketting waarvan de kracht bepaald wordt door de zwakste schakel. Willen de bewindslieden zich dus inzetten voor een sluitende aanpak en de urgentie overeind houden om op dit punt echt niet te verslappen?

Voorzitter. Tot slot is er op het terrein van personen- en familierecht ook het nodige in beweging. Het regeerakkoord schermt op diverse plaatsen met het belang van het kind. Terecht, maar wij roepen op om dat in de praktijk ook waar te maken op al die terreinen waarop het aan de orde is. Het blijft soms een wat loos begrip. Kinderen zijn veel te vaak het slachtoffer van conflicten tussen ouders, zeker ook bij relatiebreuken. Mijn laatste vraag is: welke concrete plannen kunnen wij in dit verband van het kabinet verwachten?

De voorzitter:
Dank u wel. Ik geef het woord aan de heer Bisschop namens de SGP.

De heer Bisschop (SGP):
Voorzitter, dank u wel. Allereerst maak ik graag van de gelegenheid gebruik om uiting te geven aan mijn vreugde om te mogen samenwerken met deze drie bewindspersonen. Ik zie er verwachtingsvol naar uit, al is het dan maar op een tweetal dossiers, namelijk politie en asiel. Daarover wil ik graag een bijdrage leveren.

Over politie is de inzet van het regeerakkoord duidelijk: er gaat meer geld naar de politie. Daar is de SGP blij mee, maar de vraag is wel wat dit concreet betekent, allereerst, zo zouden wij zeggen, voor de wijkagenten in de dorpen en de wijken. Nog steeds zijn er plaatsen waar in geen velden of wegen een wijkagent te vinden is. En dat terwijl bij de wetsbepaling elk dorp van 500 inwoners recht heeft op een wijkagent. Het regeerakkoord meldt dat de verdeling over de regio's beter wordt, maar wat gaat de minister concreet doen om te zorgen dat de wijkagent ook echt overal beschikbaar is? Extra agenten in stadswijken zijn mooi, maar dat mag nooit ten koste gaan van de verdeling van de agenten in de regio en dus van het landelijke gebied.

Het takenpakket van de politie wordt steeds verder uitgebreid, breidt zich steeds verder uit. Alle taken zijn belangrijk. Maar wat betekent dat voor het concrete werk op straat? Is een wijkagent nog steeds beschikbaar voor de bestrijding van gewone criminaliteit, iets waar bijna iedereen wel eens tegenaan loopt? Hoe kijkt de minister aan tegen de breedte van de politietaak? Moet er niet meer worden gekeken naar de kern van de politietaken? Mogelijk moeten andere taken op een andere wijze worden belegd.

Ik had nog een opmerking over de geestelijke verzorging bij de politie, maar die heb ik bij de interruptie al gemaakt.

Dan het punt asiel. De SGP is blij met de voorgenomen inzet op de opvang in de regio. Daarvoor zijn afspraken tussen EU-lidstaten en andere landen nodig. Mijn vraag is: wat voor afspraken moet de EU volgens de staatssecretaris gaan maken en met welke landen moeten die afspraken precies worden gemaakt? Ik zou alvast een beetje een inkleuring willen hebben van de voornemens op dit terrein. Zolang er nog geen goede opvang in de regio is, blijven vluchtelingen doorreizen naar Europa. Daarnaast is er nog steeds geen succesvol terugkeerbeleid voor afgewezen asielzoekers. In dat licht vindt de SGP het onlogisch om extra asielzoekers uit te nodigen voor hervestiging in Nederland, zolang dat niet op orde is. Hoe kijkt de staatssecretaris daar tegenaan?

Het kabinet wil de asielprocedure versnellen, een punt waar de SGP al jaren voor gepleit heeft, en gelukkig niet de SGP alleen. Een goed punt dus. Maar zijn de voorgenomen maatregelen daarvoor afdoende? En ook een heel spannende vraag: waarom en hoe gaat het deze staatssecretaris, in tegenstelling tot zijn voorgangers, wel lukken om die procedures te versnellen?

Een van de eerste wapenfeiten van de nieuwe staatssecretaris van Justitie en Veiligheid is het versoepelen van het asielbeleid voor afvallige moslims uit Pakistan. Vaak gaat het om moslims die christen zijn geworden. De SGP is blij met dat besluit. Christenen hebben het uitzonderlijk zwaar in het gebied in en rond het Midden-Oosten. Vandaag kopten de kranten dat asielverzoeken van bekeerde christenen beter beoordeeld zullen worden. Ook dat is goed nieuws. Het kan wat ons betreft niet zo zijn dat de Staat de geloofwaardigheid van een bekeerling toetst zonder daarbij de kerk op een serieuze manier te betrekken. Vandaar de vraag welke rol de adviezen en rapporten van kerken in voorkomende gevallen precies gaan spelen bij de beoordeling van asielverzoeken.

Voorzitter, dat was mijn bijdrage, dank u zeer.

De voorzitter:
Dank u wel. Ik geef het woord aan de heer Azarkan namens DENK.

De heer Azarkan (DENK):
Voorzitter, dank. De bewindslieden zitten er al een tijdje, maar toch wil ook ik hen welkom heten bij hun eerste begrotingsbehandeling. De fractie van DENK rekent op een constructieve samenwerking.

DENK ziet een heleboel verstandige maatregelen op het gebied van justitie en veiligheid. Laat ik er in ieder geval twee uitlichten. DENK vindt het een goed experiment dat er buurtrechters en eenvoudige procedures zullen komen, maar wij willen wel dat die buurtrechters een goede afspiegeling van de samenleving vormen. Onder andere moeten er daarvoor voldoende vrouwen en mensen met een migrantenachtergrond worden gerekruteerd.

Wij vinden het prima dat er 95 miljoen euro wordt geïnvesteerd in cybersecurity. Een aantal sprekers heeft hier al uitgebreid over gesproken. Experts schatten immers in dat in de komende vijf jaar de helft van alle criminaliteit met cybersecurity te maken zal hebben. De economische schade voor Nederland wordt geschat op zo'n 10 miljard euro. Het lijkt dus een verstandige investering.

Voorzitter. DENK ziet nog veel meer positieve punten, maar DENK maakt zich ook zorgen, zorgen over Nederland. Er is nog zo veel fundamenteel onrecht. Juist op het gebied van justitie en veiligheid zou van dat fundamentele onrecht geen sprake mogen zijn. Laat ik dat eens illustreren aan de hand van de volgende vraag: in wat voor land zou ik willen leven?

Ik wil leven in een land waar burgers integraal en onvoorwaardelijk lid van onze samenleving zijn. Dat betekent dat iedereen dezelfde rechten en plichten heeft. Met die rechten en plichten gaan wij niet marchanderen. Politie en justitie handhaven die rechten. Denk bijvoorbeeld aan de situatie in Dokkum van twee weken geleden, toen op de A7 levensgevaarlijke situaties ontstonden toen een groep burgers het recht in eigen hand nam en anti-Zwarte Piet-demonstranten hun recht ontnam. Dan moeten de politie en het OM ingrijpen in plaats van een oogje toeknijpen. Dan moeten bewindslieden, zoals staatssecretaris Knops, geen begrip tonen.

Voorzitter. Ik wil leven in een land waar burgers niet hoeven te kiezen tussen twee nationaliteiten. Je laat mensen toch ook niet kiezen tussen hun vader en hun moeder? Het is meedogenloos om mensen te verplichten hun afkomst te verloochenen, zoals de regering bij de kinderen van nieuwkomers wil doen. Bovendien wordt je loyaliteit niet bepaald door je paspoort maar door je feitelijk waarneembaar gedrag.

Voorzitter. Ik wil leven in een land waar burgers niet onnodig door de politie worden aangehouden en waar de politie geen onnodig geweld gebruikt tegen burgers. DENK is blij en dankbaar dat heel veel agenten iedere dag een bijdrage leveren aan een veilige samenleving. Toch vinden wij dat de politie eerlijker en rechtvaardiger moet handelen en breder samengesteld moet zijn, wil zij het vertrouwen van alle burgers in het land genieten. Etnisch profileren moet echt stoppen. Je kunt niet mensen aanhouden simpelweg omdat ze een andere kleur hebben. Dat kan gewoon niet. Onderzoek van Brandpunt liet zien dat agenten bij 50% van de controles die zij op straat uitvoeren, op basis van hun onderbuik keuzes maken en dat zij veelal mensen met een migrantenachtergrond vaker staande houden. Op de Facebookpagina Stop Zinloos Politiegeweld zien we een lange stroom van disproportioneel politiegeweld voorbijkomen. Deze week nog, een paar dagen geleden, was het zwartboek over discriminatie bij de politie in het nieuws: onthutsende onthullingen door 26 politiemedewerkers. Hoofdagent Hicham Argani vatte het treffend samen: "Opkrikken van diversiteitspercentages draagt weinig bij als de cultuur bij de politie dezelfde blijft." Hoe gaat de minister sturen en monitoren dat de cultuur bij de politie zodanig gaat veranderen dat alle agenten zich er thuis voelen en dat iedereen zich uitgenodigd voelt om daar onderdeel van te zijn?

De heer Van Dam (CDA):
De heer Azarkan en de partij DENK komen regelmatig met dit onderwerp. Ik wil hem toch eens het volgende vragen. De politie heeft het lef om intern zo'n rapportage op te leveren. We weten — dat weet u, ook uit andere dingen — dat de politie enorm met dit onderwerp bezig is. We hebben een korpschef die er ook niet voor wegloopt. Wat moet er in uw beleving nog meer gebeuren anders dan het aan de minister vragen wat hij gaat doen? Wat vindt u dat er moet gebeuren?

De heer Azarkan (DENK):
Ik gaf in mijn bijdrage aan dat ik complimenten heb voor heel veel agenten die elke dag bezig zijn om onze veiligheid te waarborgen. Ik vind dat er op dit moment onvoldoende inzet wordt getoond op het veranderen van de cultuur. Ik ben blij dat korpschef Erik Akerboom bezig is met het opkrikken van het diversiteitspercentage. Dat gaat goed. Ik meen dat de instroom op dit moment zo'n 25% is. Maar er zal echt op een andere manier, op een veel nadrukkelijker manier, moeten worden gekeken hoe we deze problemen, deze cultuur die al door de vorige korpschef als een giftige pijl in de samenleving werd bestempeld, gaan oplossen. Dat is ook mijn vraag aan de minister. We zijn vier jaar verder en er is op dit punt, ook aangaande het zwartboek, te weinig vooruitgang geboekt.

De voorzitter:
De heer Van Dam, tot slot.

De heer Van Dam (CDA):
Jazeker tot slot, voorzitter. Het is toch een beetje zeggen dat iedere dag de zon moet schijnen, zonder dat je zegt hoe die dan moet schijnen. Zeker gelet op de achtergrond en de doelgroep waar de partij van de heer Azarkan voor staat, verwacht ik dat hij goede initiatieven heeft, dus dat er goede initiatieven zijn. Dat mis ik gewoon. Ik wil de heer Azarkan toch oproepen om niet alleen dit punt te maken maar om ook echt bij te dragen aan de oplossing, ook als dat dan niet nu is, maar op een ander moment. Want zeggen dat de cultuur moet veranderen is voor mij toch echt zeggen dat het morgen mooi weer moet zijn.

De heer Azarkan (DENK):
Dat is echt te kort door de bocht. We hebben hier een aantal maanden geleden de aanpak racisme en discriminatie gepresenteerd. Ik zal die straks ook aan de nieuwe bewindslieden overhandigen. De rest heeft hem al. Daar staan vijf stappen in. Die zal ik straks nog even verder benoemen. Dat zijn concrete manieren om racisme en discriminatie te bestrijden. Daar kan ook de politie nog wat van leren.

De voorzitter:
Gaat u verder.

De heer Azarkan (DENK):
Ik wil leven in een land waar de overheid naar haar burgers luistert in plaats van dat ze haar burgers afluistert. Dan heb ik het natuurlijk over de aanstaande aftapwet. DENK is voor goede instrumenten voor de veiligheidsdiensten om Nederland veiliger te maken, maar DENK is er niet vóór om zonder toezicht van rechters massaal onschuldige burgers af te luisteren en deze informatie ongefilterd door te geven aan andere, buitenlandse veiligheidsdiensten.

Ik wil leven in een land waarin humaniteit ook een uitgangspunt is en waarin er ruimte is voor echte vluchtelingen. DENK wil het vluchtelingenprobleem oplossen op een constructieve en verstandige manier. Wij staan voor een vierpuntenaanpak. Ten eerste. Laten we nou eens beginnen bij de grondoorzaken. Die grondoorzaken zijn bekend. Het gaat om armoede, oorlog, internationale onrechtvaardigheid en vaak ook cynische geopolitiek. Ten tweede. De opvang in de regio. Het is ontzettend belangrijk dat er zo veel gebeurt in Libanon, Jordanië en Turkije. Het is ook belangrijk dat wij dat financieel blijven ondersteunen. Ten derde. De Europese Unie moet meer doen. We kunnen het niet alleen aan de regio overlaten. 97% van de vluchtelingen wordt in de eigen regio opgenomen. We moeten dus ook een eerlijk en aanzienlijk deel in Europa opvangen en deze mensen eerlijk over de EU-landen verspreiden. Daarbij moet Nederland andere landen aanspreken die hun afspraken gewoon niet nakomen. Ten vierde. Het draagvlak in Nederland moet worden vergroot. Dat doe je door kleinschalige opvang in wijken waar vluchtelingen snel in de samenleving kunnen worden opgenomen vanaf dag één en niet door grootschalige opvangen in heel kleine dorpen. Op het eerste oog lijkt het voorstel van de collega's van de SP sympathiek.

Ik wil ook leven in een land waarin discriminatie en racisme met prioriteit worden bestreden. 22% van de Nederlanders heeft met discriminatie te maken, aldus het Sociaal Cultureel Planbureau dit jaar. Dat zijn bijna 4 miljoen Nederlanders. Weet u wat de essentie is van discriminatie? Die raakt je in je hart en in de kern van wie je bent. Mensen die dat niet ervaren, wuiven dat echt veel te gemakkelijk weg. Ik wil deze bewindslieden straks dan ook de Ketenaanpak Discriminatie van DENK overhandigen. Dat is een uitvoerige aanpak met vijf componenten. De eerste is werken aan permanente bewustwording. De tweede is het vergroten van de meldingsbereid en aangiftebereidheid. De derde is meer controle door inspecties en door onderzoek. De vierde is effectievere vervolging door investering in expertise bij politie, het Openbaar Ministerie en de rechterlijke macht. De vijfde is het verzwaren en verbreden van de strafmaat door hogere boetes, meer naming-and-shaming en door de educatieve maatregel discriminatie, waar ik al eerder een motie over heb ingediend.

Voorzitter. Ik ben benieuwd wat de bewindspersonen vinden van de samenleving waar ik van droom. Herkennen zij de zorgen die ik zojuist geuit heb? Zijn zij bereid en in staat om zich ook in andere groepen in de samenleving te verplaatsen? Zijn zij bereid om te kijken naar het probleem van etnisch profileren of schieten ze meteen in de ontkenning en zeggen ze dat dat erbij hoort? Wat gaan ze doen om onnodig politiegeweld tegen te gaan? Wat gaan zij doen om de privacy van burgers te beschermen en om discriminatie en racisme met prioriteit te bestrijden?

Voorzitter. Dan heb ik nog een aantal losse vragen. Graag een reactie van de bewindspersonen op deze vragen. Een vraag over sexting: naaktfoto's die op het internet worden verspreid. Dit kan enorme gevolgen hebben voor de betrokkene. Dit jaar heeft er in Enschede zelfs een jongen zelfmoord gepleegd omdat er naaktfoto's van hem werden rondgestuurd. Moet u zich voorstellen, wat een drama! Het is goed dat de regering om die reden wraakporno strafbaar wil stellen. DENK neemt aan en hoopt dat sexting in die wet ook vorm en ruimte krijgt. Wij vragen ook of het mogelijk is dat daarbij rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het slachtoffer, zowel in de nieuwe wet als in het beleid van het Openbaar Ministerie. Want zou niet bij een dramatische uitkomst zoals zelfmoord een zwaardere straf passen? Als je iemand een blauw oog slaat, word je immers veel lichter gestraft dan als iemand later aan die klap overlijdt, ook al is dat nooit je bedoeling geweest.

Dan iets over terrorismebestrijding. Wij hameren al vele jaren op de balans in die terrorismebestrijding. Helaas moeten we constateren dat onze samenleving kwetsbaar is voor mensen die kwaad willen en daar moeten we ons tegen weren. Dat geldt voor alle groepen die kwaad willen. Terecht hebben we met elkaar een Actieprogramma Integrale Aanpak Jihadisme met 37 methodes en aanpakken, maar DENK constateert dat er voor extreemrechts geen vergelijkbaar actieprogramma is en dat terwijl experts erop wijzen dat de gevolgen van rechts-extremisme en het gevaar ervan onderschat worden.

Ik rond af met een terugblik op mijn interruptie vanmorgen met collega Markuszower van de PVV. Laat ik beginnen met mijn excuses aan te bieden. In een interruptie met de heer Markuszower heb ik te kort door de bocht gesproken. Ik heb op basis van losse krantenberichten in De Telegraaf conclusies getrokken die niet getrokken kunnen worden. Ik heb ook de suggestie gewekt dat veel PVV'ers criminelen zijn. De eerlijkheid gebiedt natuurlijk te zeggen dat er ontzettend veel eerlijke PVV'ers zijn en het klopt ook wat de heer Markuszower zei, namelijk dat hij zelf nooit is veroordeeld door een rechter. En mevrouw Van Toorenburg was er als de kippen bij om de omgangsnormen in de Kamer erbij te slepen om vast te stellen dat ik de PVV'ers en ex-PVV'ers had beschuldigd terwijl zij niet aanwezig waren om zich daartegen te verdedigen. Een interessant en terecht punt.

De heer Markuszower ging nog verder. Hij sprak van laster en smaad. Hij sprong al bijna op de schoot van de D66-rechter die hij vlak daarvoor in zijn bijdrage had gedegradeerd tot een soort dwalende minkukel. Helaas werkt dat zo bij de PVV. Als rechters en OM niet doen wat de PVV wil, dan deugen ze niet of, nog erger, dan zijn zij handlangers van terroristen. Als het College voor de Rechten van de Mens in het voordeel van een Nederlandse burger met hoofddoek uitspraak doet, dan deugt dat college niet en moet het terstond worden opgeheven. Blijven hakken met die botte bijl.

Het is niet alleen noodzakelijk maar ook onze plicht om op basis van feiten en normale omgangsnormen in deze Kamer met elkaar in debat te gaan en argumenten uit te wisselen, zodat met de zorgen en oplossingen die wij aan de ministers aanreiken de problemen in de samenleving kunnen worden aangepakt. Uiteraard moeten we elkaar scherp houden op deze uitgangspunten in debatten.

Maar waarom heb ik toch op deze manier gedebatteerd, voorzitter? Ik heb de PVV een spiegel willen voorhouden. Het is namelijk de PVV die in deze Kamer op deze manier over moslims en vluchtelingen spreekt. Halve waarheden en hele leugens worden in de grote PVV-blender van haat gesmeten. Ze doen er een onderzoekje bij waar ze selectief in gewinkeld hebben. Bosma slingert er nog een mooie oneliner in, zoals testosteronbom, straatterrorist of kopvoddentaks, en kijk eens aan, er ontstaat een dodelijke smoothie van haat en afkeer die bij een deel van de samenleving gretig aftrek vindt.

Wat is dan het gevolg? We hebben brandstichtingen gezien, bezettingen, varkenskoppen en zelfs een terroristische aanslag op een moskee. We hebben bij vele azc's incidenten gezien tot aan het bedreigen van bestuurders toe. Wat krijg je als je die haat zaait? Dan krijg je honderden incidenten met moskeeën, tegen vluchtelingen en een enorme toename van het geweld gebaseerd op islamofobie.

Voorzitter. Laat ik de Kamer een belofte doen. Zolang de PVV leugens blijft verspreiden en haat blijft zaaien over moslims en vluchtelingen zal ik ze hier in deze Kamer bestrijden met alle verbale middelen die mij ter beschikking staan.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik tot slot het woord aan de heer Hiddema namens het Forum voor Democratie.

De heer Hiddema (FvD):
Voorzitter, is er water in de zaak? O, dank u wel.

Ik zal namens Forum voor Democratie mijn licht laten schijnen op strafrechtelijke kwesties zoals die vermeld worden in het regeerakkoord. Maar eerst een klein persoonlijk woordje, als het mij is toegestaan. Het Forum voor Democratie wenst de ministers en de staatssecretaris alle heil en zegen bij hun gewichtige werkzaamheden.

Nog een persoonlijk woordje, dat ik verder zal toelichten. Schrikt u niet. Ik denk dat ook bescheidenheid aan de dag zal moeten worden gelegd. Het zou kunnen zijn dat er met name bij minister Grapperhaus enige hoogmoed op de loer ligt. Het kan zijn dat hij in de wolken loopt met zijn gedachten, omdat hij heeft gemerkt dat er bij zichzelf wellicht onvermoede capaciteiten zijn opgespeeld. Hij kan zeer de-escalerend werken in bijna-oorlogssituaties. Ik zal dat toelichten.

Pal na zijn aantreden heeft zich een wonder voltrokken. Een mirakel van hoop in bange dagen heeft zich onlangs in Amsterdam voltrokken. In een tijd dat ons land groot gevaar loopt door de terugkeer van de IS-beulen, wordt in Amsterdam een IS-strijder ontmaskerd, niet in een griezelmoskee, maar in een debatcentrum, in De Balie. Wat een spektakelstuk! Een ooit religieuze fanaat, naar ik aanneem vechtlustig gestemd, komt in Syrië in nauwe schoentjes terecht. Het wordt hem te heet op het zand en hij denkt: ik ga naar Nederland, ik ga terug. En wat gebeurt er? En nu zie ik de sturende hand van de minister. Hij wordt geïnspireerd — dat kan niet anders — door teksten van minister Grapperhaus. Die heeft gezegd: met Syrië-terugkeerders wil ik in debat; ik wil ze genade kunnen schenken. Nou, dacht de Syriër in kwestie, dat spreekt mij wel aan. Dat is die de-escalerende werking die van die woorden is uitgegaan. Dat is mooi meegenomen. Hoe kan het anders bestaan — het is een wereldwonder — dat een gefrustreerde IS-beul wordt aangetroffen in een debatcentrum? Dat is onverklaarbaar, tenzij je in die sturende hand van minister Grapperhaus kunt geloven. En ik kan dat wel. De Syriër was in dat debatcentrum om zich eens te oriënteren op de Hollandse debattechnieken, om zich te prepareren op zijn debat met minister Grapperhaus. En toen werd hij ontmaskerd, dus het is denk ik nooit tot een debat gekomen.

En weer de sturende hand van minister Grapperhaus: er voltrekt zich nog een klein wondertje. De Syriër in kwestie maakt geen tumult na zijn ontmaskering. Hij vertrekt, zo lees ik in de krant, en mengt zich met zijn fiets tussen het publiek. En weg is-ie. Die man is genezen; dat kan niet anders. Het is wonderbaarlijk. En dat alles dankzij de simpele oekaze van de minister over de manier waarop hij deze heren wenst te ontvangen. Het is wonderbaarlijk.

En daarom moet ik de minister ervoor waarschuwen om niet al te lichtzinnig over terugkerende Syriërs te blijven denken. Ik denk niet dat het verstandig is om te denken dat ook toekomstige terugkeerders zich met de verruiming van de openingstijden van het praatclubje van meneer Yoeri Albrecht laten paaien. Het blijft oppassen geblazen, denk ik.

Ik moet toegeven dat de minister ook gestrengheid betracht. Volgens het regeerakkoord is de minister van mening dat we het risico dat de terugkeerder zich mogelijk zou kunnen bewegen in onze samenleving niet moeten negeren. Daar zit wat in. Ik heb daar een vraag over, die ik serieus meen. De wonderlijke verdwijning van deze Syriër na zijn ontmaskering uit De Balie en zijn tochtje per fiets naar de onbekende oorden: is die gevolgd door hem vergezellend AIVD-personeel? Hopelijk waren die ook in het bezit van een rijwiel, want anders zijn ze hem alsnog kwijt. Ik wil graag weten of deze meneer in de smiezen werd gehouden en na zijn vertrek is gevolgd. Dat lijkt me voor 's lands veiligheid wel goed om te weten.

Vraag twee. In het regeerakkoord staat: er wordt wetgeving tot stand gebracht op basis waarvan terugkeerders gedurende lange tijd in voorlopige hechtenis gehouden kunnen worden. Vraag: op basis van welke dan bestaande verdenking kan deze langere voorlopige hechtenis worden opgelegd? Blijft de vereiste mate van verdenking ongewijzigd, maar wordt de voorlopige hechtenis langer opgelegd? Het is mij niet duidelijk uit deze formulering.

Verder met het regeerakkoord: alles moet in het werk worden gesteld om te voorkomen dat haatpredikers een podium wordt geboden. Nou, misschien weer een beetje scherpslijperij: wie worden hier bedoeld? Predikers? Haatpredikers van doopsgezinde snit? Hervormd? Christelijk? Vrijgemaakt? Joost mag het weten. Ik ben net door de heer Krol ingewijd in de wetenschap dat er ook haatpredikanten bestaan. Nou, dan doen we die er ook maar bij als mogelijk alternatief. Het is niet zo gek dat ik u dat vraag, omdat in het regeerakkoord het woord "islam" nou net helemaal niet voorkomt als weleens een mogelijke oorzaak van, laat ik maar zeggen, maatschappelijk ongemak. Het wordt totaal niet genoemd!

Mijn fractieleider, meneer Thierry Baudet, heeft geïnterrumpeerd bij de minister-president en die kreeg toen toegeblaft: "Maar ook niet het boeddhisme! Dat is ook niet aan de orde geweest bij de totstandkoming van het regeerakkoord." Toen viel voor mij het kwartje. Al die religieuze hysterie waarmee we kennis hebben gemaakt, al die kalasjnikovs, al die kogels, al dat bloed, al die betonpalen bij het Centraal Station en in de Kalverstraat, kortom al die signalen van boeddhistisch vandalisme: als daar onze minister-president geen oog voor heeft, snap ik waarom hij aan het juiste zicht op de islam ook helemaal niet kan toekomen. Dus dat raadsel is opgelost.

Een vraag aan de minister: hoe worden ze van het podium geweerd? Welke nieuwe methodes van aanpak worden toegepast? Dat wordt volstrekt niet duidelijk. Dat zal nog vaak een punt van kritiek zijn. Dat regeerakkoord laat zich lezen als een grabbelton, want het is voor elk wat wils. Er wordt parmantig en beslist gesproken over toekomstig beleid en methodes van aanpak, maar nergens wordt het van inhoud voorzien. Je vraagt je af of men het bij de totstandkoming van dit akkoord alleen maar eens is geworden over vergezichten. Hoe we dat later invullen: nou, dat zien we dan wel weer. Dat is de sterke indruk die ik overhoud aan dit regeerakkoord. Mist alom! Komen er nieuwe wetten om deze haatpredikanten, -predikers van het podium te weren? Dat is mijn vraag.

Er komt een verbod op outlaw motorcycle gangs. Dat klinkt ook heel krijgshaftig. De regering staat volop in de samenleving! Dat zijn criminele motorbendes, zo wordt er ter verduidelijking bij gezegd. Komt daar een verbod op? Op een criminele bende? Was dat er al niet? Dat is wel heel bijzonder. Welk verbod zal dat dan wel worden dit keer? Ik denk dat ik het zo moet begrijpen: het is de regering, althans het OM, tot op heden niet gelukt om motorgangs te verbieden, vanwege de omstandigheid dat het doel van de vereniging of club illegaal moet zijn. Alleen dan kan die ontbonden worden. Als de werkzaamheden van de club illegaal zijn, kan die verboden worden. Het lukt het Openbaar Ministerie maar niet om zo'n verbod los te krijgen bij de rechter. En nou lees ik hier dat het verboden zál worden. Nou, dan ligt de vraag wel heel duidelijk voor het oprapen: hoe dan nu? Er komt een motie over deze kwestie omdat het Forum voor Democratie u de weg wil wijzen en het op een andere manier wil proberen. En hoe zullen we dat dan wel doen? Dat is heel simpel. Een club zonder crimineel lid is een lid kwijt. Dat is simpel.

Het is een feit van algemene bekendheid dat die clubs steeds onder de loep worden genomen omdat hun leden massaal de wet overtreden. In niet geringe mate. Denk aan het overtreden van de Wet wapens en munitie, redeloos geweld in clubverband — vaak buiten het clubhuis — Opiumwetdelicten, wapendelicten, wat al niet. Dat liegt er niet om. Tot op heden worden die mensen dus via het commune strafrecht een paar jaar de gevangenis ingeduwd. Maar dan wordt het helemaal wat, want dan zitten ze voor de club hun straf uit, en worden ze met gejubel weer de club binnengehaald. Dat is ook weer zo wat, en die club krijgen we niet verboden.

Wat vindt Forum nou dat de regering zou moeten doen? Wij komen morgen met een motie over een omgekeerde aanpak. Wat bindt namelijk de leden van zo'n club? Een ijzeren fascinatie voor een motor van immense omvang met knalpotten van hier tot gunder, joekels van vesten en een kale kop. Dat mag je wel zo'n beetje zeggen, dat is de sfeer binnen het clubhuis. Als je die veroordeelde criminelen, die met die harde criminele feiten in aanraking zijn gekomen en tegen gevangenisstraffen oplopen, nou eens hun rijbewijs zou ontzeggen? Dan zijn ze waardeloos voor de club. Ziet u het gebeuren? Op de fiets naar het clubhuis met je kale kop en je grote vest en je tatoeages. Afgebrand!

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Ik vraag me af of de heer Hiddema de laatste rapporten over de criminele motorbendes heeft gelezen. Ongeveer een derde heeft namelijk al niet eens een rijbewijs.

De heer Hiddema (FvD):
Mevrouw praat zo snel en zo gedecideerd dat het mij te hard gaat, hoor.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Ik was benieuwd of de heer Hiddema de laatste rapporten heeft gelezen over criminele motorbendes. Daar staat namelijk in dat ongeveer een derde niet eens een motorrijbewijs heeft.

De heer Hiddema (FvD):
Neemt u nou maar van mij aan dat iemand bij een rijontzegging van substantiële duur op zijn fiets voor aap zit, met zijn vest en zijn kale kop. Dan is hij waardeloos voor de club. De hele machocultuur wordt dan afgebrand. Het voorstel zal dus zijn: zorg ervoor dat de mensen die in groepsverband — vaak clubleden — tegen torenhoge gevangenisstraffen aanlopen, bij die gevangenisstraf een bijkomende straf krijgen, namelijk een ontzegging van substantiële duur. Dat kan als de rechter, zoals dat nu ook al in het commune strafrecht bij sommige delicten mogelijk is, in aanmerking neemt dat hij tot de overtuiging is geraakt — er kan een psychiater bij komen — dat de commune delicten zijn gepleegd in de sfeer van die club en dat zijn mentale gesteldheid, zijn gedrag en zijn gewelddadigheid voortkomt uit het milieu waarin hij heeft verkeerd binnen die club. Dan moet de rechter zeggen: als je eruit komt, ben je een poosje weg bij de club.

Dat lijkt mij efficiënter dan maar steeds proberen langs die andere weg tot een clubverbod te komen. Maar goed, daarover dienen we morgen een motie in en daarbij kan mevrouw Van Toorenburg dan nog enige verduidelijking verwachten.

Maar nu wil ik wel weten hoe de regering denkt te bewerkstelligen dat die clubs worden verboden. Dat zou officieren van justitie die nu met dit soort procedures bezig zijn zeker welkom in de oren klinken. Rechters kunnen anticiperen op toekomstige wetgeving, dus je weet maar nooit of het dan wel lukt. Maar dat zullen we zien.

Ik heb ook nog wat losse vragen, over die grabbelton waarvan ik waarachtig niet weet hoe de regering beoogt die kwesties inhoudelijk van kracht te voorzien. "In de EU zet Nederland in op een veel strengere aanpak van jihadisme", zo lees ik. Wat wordt daarmee bedoeld, met die veel strengere aanpak? Geen idee. "Geldstromen vanuit onvrije landen, waarbij misbruik wordt gemaakt van onze vrijheden, zullen zoveel mogelijk worden beperkt." Pats-boem! Daar hebben we hier ook al heel wat vragen over gehad. Hoe zit het nou met Saudi-Arabië? Toen de vraag door meneer Van Raak werd gesteld, dook de minister-president als door een wesp gestoken weg en moest-ie elders wezen. Toen raakte meneer Van Raak een beetje driftig in gesprek met u, voorzitter. We hebben nog steeds niet begrepen wat dat onderzoek nou heeft opgeleverd. Welke onvrije landen worden hier bedoeld? Wie zijn dat dan? Saudi-Arabië misschien? Qatar? Koeweit? Allemaal landen waar ons vorstenhuis van harte welkom wordt geheten. Moeten we die nu "onvrije landen" noemen? Geen idee. Ik hoor het graag van de minister.

Dan komen we bij 137d, het haatzaaiartikel. Meneer Azarkan, luister u mee? Er is het volgende aan de hand. Er wordt gesteld dat de maximumstraf binnen 137d wordt verlengd van één jaar naar twee jaar. Is de minister bekend met de omstandigheid dat binnen dat artikel al een maximumstraf van twee jaar genoemd wordt? Wat gaat daarmee gebeuren? In lid 2 staat een maximumstraf van twee jaar, maar hier in het regeerakkoord staat dat de strafmaat in artikel 137d wordt verhoogd van één jaar naar twee jaar. Simpel. Nou, dan komt u wel in de problemen met het volgende lid. Wat moet daar dan mee gebeuren? We horen het wel.

Het Forum voor Democratie is tegen deze verhoging, allereerst omdat die zinloos is. Er moet nu een straf van twee jaar op haatzaaien komen, maar de thans geldende maximumstraf van één jaar voor haatzaaien is nog nooit opgelegd. Sterker nog, bij mijn weten worden gevangenisstraffen voor haatzaaien — ik heb ze nog niet kunnen vinden — alleen maar in voorwaardelijke zin opgelegd. Waarom moet dat nou twee jaar worden? Geen idee. Nooit zijn er vanuit de rechtspleging, vanuit de rechtspraak jammerklachten opgeklommen of die straf omhoog mag. Ons is geen enkel signaal in deze richting bekend. Helemaal niks. Dan creëer je dus symboolwetgeving, en dat ondergraaft de rechtshandhaving. Dan maak je de wet onwaardig om zo te heten. Dan is het symboolwetgeving. Bovendien laadt u, regering, met deze wetsvoorziening in dit stadium de verdenking op u dat er onzuivere politiek kán worden bedreven. Een zeker Kamerlid hier bepleit nu zijn onschuld in een haatzaaizaak. Uitgerekend tijdens dit proces wordt deze zinloze verhoging voorgesteld. Zou het publiek niet kunnen denken dat dat voor de rechters die met de berechting van deze politicus bezig zijn, een signaal moet zijn dat ze bij eventuele straftoemeting zouden kunnen anticiperen op de aankomende twee jaar? Dat kunnen rechters doen. Dat is geen smaakvolle vertoning. Het is zinloos, het is nergens voor nodig en het wekt de schijn bij het publiek dat hiermee een onzuiver politiek spelletje is verbonden.

De heer Groothuizen (D66):
Is de heer Hiddema het met mij eens dat aangepaste strafbepalingen nooit met terugwerkende kracht kunnen werken?

De heer Hiddema (FvD):
Pardon?

De heer Groothuizen (D66):
Ik vroeg of u het met mij eens bent dat aangepaste strafbepalingen nooit met terugwerkende kracht kunnen werken.

De heer Hiddema (FvD):
Nee, natuurlijk, maar u heeft niet goed geluisterd. Ik zeg dat de rechters bij de eventuele straftoemeting rekening kunnen houden met signalen vanuit de Tweede Kamer dat er strafverhoging komt. Dat heet anticiperen. Die wetten zijn er dan nog niet, maar houden rekening met de stemming en humeuren van de Kamer. Zeker als die wordt aangenomen, zullen ze er nog meer rekening mee kunnen houden. Maar dat kunnen ze nu al, hoor.

De heer Groothuizen (D66):
Ik heb nog nooit een rechtbank ontmoet die op deze manier anticipeert op een strafbepaling. Ik vind eigenlijk dat de heer Hiddema zelf het punt creëert dat hij probeert te maken, namelijk dat er een bepaald suggestief beeld wordt geschapen.

De heer Hiddema (FvD):
Dat u van bepaalde kwesties en mogelijkheden niet gehoord heeft … Ik praat u graag bij, hoor. Maar dat is laat op deze dag. Dat wil ik best doen.

Goed, dat moeten we dus niet doen om vier redenen. Ik was gebleven bij de onzuivere reden, zoals ik die wil noemen.

Vijf. Het zorgt voor een heilloze verdeling in de samenleving. Het verhevigt het racismedebat met steeds weer de gang naar de rechter. Het debat wordt alleen nog maar gevoerd door scherpslijpers, niet waarachtig gedupeerden. Ter linkerzijde aanschouwen we inmiddels hoog bebrilde, maar ook zeer hooggeleerde, types die zeggen dat als je wit bent, je vanaf je geboorte al schuldig bent. Ter rechterzijde heb je allemaal schrille geluiden over zwartepieten en wat voor onzin al niet onderhand.

Dit artikel is de motor achter dit soort zinloze discussies. Men wil de gang naar de rechter, daarmee komt men in de publiciteit en daarmee kan men z'n punt maken. Het bestaan van deze wet loopt dus uit op een spastisch debat. De kalme, bedaarde burger houdt zich schuw koest, want die denkt: anders ben ik een racist, laat maar gaan. Het is toch van de zotte dat nu een simpele — dat wil ik niet zeggen — een heel laconieke, vrolijke mevrouw ineens, pardoes toch haar eigen schrik en verbazing op een schild wordt gehesen als de Friese Jeanne d'Arc vanwege de simpele verzuchting: laat onze kinderen met rust? Hemel nog aan toe! Nou, dat worden ook weer gangen naar de rechter, allemaal door dit artikel. Het is echt van de zotte. Maar de meest funeste werking gaat uit van de aanblik van de berechting die plaatsvindt op basis van dit artikel. Hoe ziet die er uit? Wat wordt dag in, dag uit zichtbaar? Vreselijk is dat. Steevast is het zwart dat klaagt en is het wit dat in de beklaagdenbank zit. Daarmee creëer je geen verbinding.

Dit artikel bevestigt zo het beeld dat zwart bescherming geniet, steun nodig heeft, omzichtig bejegend moet worden en een kwetsbare mensensoort typeert. Het discours is gekmakend, lijkt mij, voor de trotse zwarte man of vrouw die dit moet aanzien en die de types moet aanzien die zich opwerpen als zijn of haar beschermer. Dat hij steun nodig heeft, dat hij de gang naar de rechter nodig heeft, dat hij aangifte moet doen en dat hij niks moet pikken als er bepaalde kwalificaties jegens hem worden geuit. De echte trotse, fiere neger — mag ik hem zo noemen? — zou toch in opstand komen als hij wel voldaan voor de spiegel staat, zin heeft in een nieuwe dag, de radio aanzet en weer van die types hem hoort beschermen. Daar zit hij niet op te wachten. Dit artikel staat een goede emancipatie van de trotse, sterke neger — noem hem dan maar zo — die het beu is, al die hulpverlening om hem heen, in de weg.

De heer Groothuizen (D66):
Voorzitter, ik maak bezwaar tegen dit soort woorden. Ik vind echt dat de heer Hiddema zich vergaloppeert als hij op deze manier over mensen spreekt. Ik verzoek u hem dat te beletten.

De heer Hiddema (FvD):
Ik spreek over een heel trotse meneer die ik een kwalificatie geef waar totaal niks diskwalificerends mee gemoeid kan zijn. Wat is dat voor onzin? Totaal niet! Dat is het nou weer. Alsof door uw optreden iemand zich beschermd moet weten tegen mijn diskwalificerende opmerkingen. Zo iemand moet er helemaal niet zijn, want zo iemand heeft ogen in zijn hoofd. Die kan van mij heus wel begrijpen dat ik hem niks minder waardig oordeel dan u of mezelf of wie dan ook. Dat hele debat dat op basis van dit artikel wordt gevoerd, maakt de maatschappij ziek. Als dat zo blijft, dan zeggen wij: het gaat maar door. Dan moet je dat artikel niet ophogen. Dan moet je het wegdoen, behoudens een uitzondering. En dat is aanzetten tot geweld. Dat staat ook in dat artikel. Dat geldt voor Forum als strafbaar als de pieten. Laat dat nou staan. Dan wordt het speelveld ook duidelijk voor de rechter, want er is geen beginnen meer aan. Maar nu is het een speelterrein voor beroepsactivisten, querulanten en, ja, de usual suspects bij talkshows. Dag in, dag uit. Weg ermee. Ten bate, lees ik, van een naturelle omgang van mensen met verschillende kleuren. Hoe kom ik erop. Maar behoud artikel 137d, waar het gaat om aanzetten tot geweld. Motie volgt.

Dan hebben we weer het regeerakkoord hier voorliggen. De inzet is de aangiftebereidheid te vergroten — nou, dan weet u het wel — het ophelderingspercentage te verhogen en de doorlooptijden te bekorten. Nou, mooi toch? Dat is een verhaal uit de oude, de stokoude doos. Al die voornemens zijn hier zo vaak de revue gepasseerd en het heeft niets uitgehaald. Iedereen kent de dramatische opsporingscijfers, de grote gaten in het traject van rechter-aangifte of vice versa. Het zijn allemaal uitzichtloze exercities en mooie voornemens gebleven en er is niets veranderd. De burger is niet tevreden met de kwaliteit van het recht, mogelijkheden qua aangifte en berechting en duur van het traject dat hij krijgt aangeboden. En dat wordt er niet beter op.

Dus gooit het Forum voor Democratie het nu maar eens over een andere toer. Er moet druk komen op de organisatie politie-justitie om tot een betere opsporing en vervolging te komen. Gewoon druk op de ketel. En die druk moet van boven komen, van boven naar beneden. Bovenin in de keten moet iemand zitten die bij de aangifte — de prullenbakman of de stiekemelademan, want daar verdwijnen ze allemaal — op de bel moet drukken en moet zeggen: aan het het werk, want als jij het niet doet dan ben ik aansprakelijk. Hoe krijg je nou die druk boven naar beneden? Als je de druk op boven gooit. Als boven niet vervolgt dan wordt beneden gepiept, want boven moet vervolgen. Het OM moet simpel een vervolgingsplicht krijgen. Nu het OM het opportuniteitsbeginsel heeft, weet men binnen de organisatie allemaal redenen, en smoesjes vaak, aan te wenden om lui te zijn. Luie politiemensen heb je ook. Er wordt allemaal zeer waarderend gesproken over het moeilijke werk. Nou, lees de interne rapporten en boeken maar eens over hoe ijverige collega's aankijken tegen mensen die er een potje van maken. Die zijn er legio. En die mensen, die hun werk niet doen, denken dan: ik kom ermee weg als ik verder niets doe met die aangifte, want boven is toch niemand die ik dan dupeer. Zo creëer je een klimaat waarin aangiftes verdwijnen, waarin de keten heel langgerekt wordt en waarin uiteindelijk in arren moede de klager maar een beklagprocedure begint bij het hof omdat het OM niet vervolgt. En daarmee zijn de hoven overbelast geraakt.

De heer Van Dam (CDA):
Ik wil even de oogst voor het moment ophalen. Als ik het goed begrijp, moet artikel 137c uit het wetboek verdwijnen.

De heer Hiddema (FvD):
Nee, d.

De heer Van Dam (CDA):
Nee, c. D is die geweldstoestand en c is dat andere ding.

De heer Hiddema (FvD):
Nee, meneer. U ziet het weer verkeerd.

De heer Van Dam (CDA):
Nou, daarom vraag ik even of ik het goed of verkeerd zie. Dus groepsbelediging moet eruit en het opportuniteitsbeginsel moet aan de kant.

De heer Hiddema (FvD):
Nee, nee. We komen er wel uit. 137c is groepsbelediging en 137d is haatzaaiing.

De voorzitter:
Ja, maar eerst even de heer Van Dam.

De heer Van Dam (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Dus groepsbelediging moet eruit.

De heer Hiddema (FvD):
Nee!

De voorzitter:
Wacht even, meneer Hiddema.

De heer Van Dam (CDA):
Het opportuniteitsbeginsel moet aan de kant en wat we nodig hebben — dat is echt Jacobse en Van Es — is een sterke man aan de bovenkant. Is dat ongeveer de samenvatting?

De heer Hiddema (FvD):
Nou, als u tot zo'n gewaagde conclusie komt op basis van wetskennis die u nu tentoonspreidt dan kan ik die conclusie niet geheel en al serieus nemen. Ik weet niet wat u bedoelt, simpel gezegd.

De heer Van Dam (CDA):
Ja, misschien is dat ook precies wel mijn probleem met wat u zegt. Dank u wel.

De heer Hiddema (FvD):
Zijn er wetboeken in huis?

De voorzitter:
Ja. Gaat u verder.

De heer Hiddema (FvD):
Het komt goed. Dus de druk moet van boven komen. De officier van justitie moet niet meer vanwege het opportuniteitsbeginsel in zijn luie stoel kunnen blijven zitten van "nou, dat doe ik niet, daar heb ik niet zo'n zin an" of helemaal niets aangeleverd krijgen van beneden af, omdat ze beneden denken "nou, boven zitten ze er ook niet om te springen".

Nee, de officier moet aan het werk. Wij gaan het legaliteitsbeginsel voorstellen, wat in Duitsland ook vigerend is. Daar is de officier van justitie, de Staatsanwalt, verplicht te vervolgen. Dat geeft vaart in de zaak, dat geeft de burger bevrediging én het versnelt de procedures. Ik zal de regering morgen in een motie vragen om aan het WODC te vragen of zij kunnen nagaan in hoeverre het legaliteitsbeginsel de procedures kan versnellen. Want nu lopen de hoven vol met allerlei klachten van burgers die oplopen tegen een niet-vervolging en die in beklag komen via artikel 12 Sv. bij het hof. Dat worden er steeds meer en dat vertraagt het traject immens. Als er niet vervolgd wordt, zijn we een jaar verder. Dan gaat de klager naar het hof. Daar moet hij een jaar wachten op een behandeling. Dan krijgt hij, als hij mazzel heeft, een verwijzingsbeschikking van het hof. Dan moet hij weer een jaar wachten, en dan is hij na vier jaar terug bij de rechtbank waar hij vanaf dag één had kunnen zitten. Daar moeten wij van af. Morgen hoop ik een welkome motie op dit punt te kunnen indienen, alles in het belang van de rechtsheilstaat zoals Forum die wenst te aanschouwen.

Dank u wel.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
De heer Hiddema begon zijn betoog met een verwijzing naar een IS-ganger die zich blijkbaar heel erg goed had aangepast aan Nederland, die in het debatcentrum was en er op de fiets vandoor ging. Is de heer Hiddema dan niet benieuwd naar het nieuws dat net tot ons komt, dat er een IS-ganger is aangehouden in een parenclub? Deze was helemaal bijzonder geïntegreerd! Ik denk dat ook de heer Hiddema wel van dit kabinet wil weten hoe dat zit.

De heer Hiddema (FvD):
Nou, misschien heeft een andere minister iets met paarden gehad. Ik weet waarachtig niet hoe …

De voorzitter:
Paren-club.

De heer Hiddema (FvD):
Parenclub? Ja, nou wend ik mij af van de verzamelde ministers. Ik weet niet wie ik daarvan de schuld moet geven!

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:
Goed, dank u wel. Dan zijn we hiermee aan het eind gekomen van de eerste termijn van de zijde van de Kamer. Het was een lang debat, maar er hebben 22 sprekers aan meegedaan. Dat is ook een unicum, volgens mij.

De vergadering wordt van 18.07 uur tot 18.11 uur geschorst.

Telecomraad 4 december 2017

Telecomraad 4 december 2017

Telecomraad 4 december 2017

Aan de orde is het VAO Telecomraad 4 december 2017 (AO d.d. 29/11).

Voorzitter: Martin Bosma

De voorzitter:
Aan de orde is het VAO Telecomraad. De 29ste was uw AO, begrijp ik. Een hartelijk woord van welkom, ook aan de staatssecretaris. Fijn dat u bij ons bent. Wij hebben vier sprekers van de zijde van de Kamer. De eerste spreker is de heer Paternotte. Hij heeft zoals iedereen twee minuten spreektijd. Het woord is aan hem.

De heer Paternotte (D66):
Dank u wel, mijnheer de voorzitter. In het volgende decennium zijn wij nergens zonder 5G. Het is de absolute voorwaarde voor de innovaties van de komende tien jaar: de zelfrijdende auto, drones en het internet der dingen. En Nederland, de snelst groeiende economie van Europa, kan niet anders dan daarin vooroplopen. De Europese Commissie heeft een actieplan hiervoor neergelegd en terecht, want de uitrol van 4G in Europa was veel te traag. In 2015, twee jaar geleden, had driekwart van de Amerikanen 4G en slechts een kwart van de Europeanen. Zo'n trage uitrol kunnen wij ons niet nog een keer veroorloven.

In het actieplan is de ambitie opgenomen dat alle lidstaten volgend jaar hun 5G-steden bekendmaken. Dat zijn de steden die al in 2020 5G live hebben. De Commissie gaat ervan uit dat landen voor 2018 hun steden bekendmaken. Tot nu toe wilde Nederland geen steden noemen en niet meedoen met deze ambitie. Wat ons betreft moeten wij dat juist wel doen. Wij hopen de nieuwe staatssecretaris daarbij aan onze zijde te vinden. Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de uitrol van communicatienetwerken met zeer grote capaciteit noodzakelijk is om het groeipotentieel van de digitale economie maximaal te benutten;

overwegende dat steeds meer bedrijven en industrieën op gigabitconnectiviteit moeten kunnen rekenen voor het toekomstbestendig maken en houden van hun bedrijfsmodellen;

overwegende dat er een Europese doelstelling is om 5G-connectiviteit als commerciële dienst aan te kunnen bieden in ten minste één stad per lidstaat in 2020;

overwegende dat Nederland een van de Europese koplopers op het gebied van connectiviteit is en dat moet blijven;

constaterende dat de EU verwacht dat elke lidstaat eind 2018 een 5G-stad heeft aangewezen;

constaterende dat er vanuit hoogtechnische steden als Enschede en Eindhoven ook interesse bestaat;

verzoekt de regering om alle geïnteresseerde potentiële 5G-steden te stimuleren en te ondersteunen zodat er één of meerdere Nederlandse 5G-steden zijn in 2020,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Paternotte, Weverling, Bruins, Van der Lee en Van den Berg.

Zij krijgt nr. 676 (21501-33).

In uw tekst stond "verzoekt de staatssecretaris". Meestal zeggen wij "verzoekt de regering".

De heer Paternotte (D66):
Dat is veranderd.

De voorzitter:
Dat is veranderd. Dat geeft verder niks. De heer Van der Lee.

De heer Van der Lee (GroenLinks):
Dank u wel, voorzitter. Vanuit onze constructieve rol van oppositie ben ik heel blij met de goede samenwerking met de vrienden van de coalitie op dit dossier. Dan heb ik het vooral over de uitrol van 5G. Ik sta dan ook met veel plezier onder de motie van de heer Paternotte. Straks zal de heer Weverling ook een motie indienen die ik van harte ondersteun. Dat heeft ermee te maken dat wij Kamerbreed graag zien dat er flink tempo wordt gemaakt met die uitrol. Dat is belangrijk voor onze economie, voor onze concurrentiekracht, maar ook voor de enorme transitie waar wij voor staan als het gaat om de aanpak van klimaatverandering en de energietransitie. Dat wil ik toch speciaal benadrukken. 73 miljoen ton CO2 zouden wij in Nederland kunnen besparen met optimaal gebruik van digitale toepassingen. Ook om die reden zou ik graag vaart willen zien en steun ik beide moties.

Ik wil nog één ander punt maken. Daar hebben wij vanochtend in het algemeen overleg ook over gesproken. Ik wil toch nog de oproep doen aan de staatssecretaris om even na te denken over de alleingang van Nederland en België op het artikel over de aanpak van duopolies. Is het wel zo verstandig om daarmee door te gaan? Is het niet beter om toch de door het Europees Parlement aangedragen oplossing te volgen, al was het maar om snelheid te krijgen in dit dossier en daarmee duidelijkheid te bieden voor grote investeerders die straks het kapitaal moeten leveren om die uitrol in heel Europa tot stand te brengen? Ik hoop dat u mijn oproep meeneemt naar de Raad straks in Brussel. Dank u wel.

De voorzitter:
En "u" is de staatssecretaris, denk ik.

De heer Van der Lee (GroenLinks):
Dank u wel, voorzitter. Dat is inderdaad via u de staatssecretaris.

De voorzitter:
Heel goed. Mevrouw Van den Berg van het CDA.

Mevrouw Van den Berg (CDA):
Voorzitter, dank u wel. Meneer Van der Lee heeft net heel correct het belang van de digitale ontwikkelingen aangegeven. Dat is ook de reden waarom het CDA zowel de motie van meneer Weverling als van meneer Paternotte onderschrijft. De digitale ontwikkeling moet voorgaan, maar het is ook belangrijk om de burger te kunnen beschermen bij het gebruik.

In dat geval willen wij graag nog een vraag stellen over de verordening voor e-privacy. Wij ondersteunen die verordening van harte. Natuurlijk is het belangrijk dat de eindgebruiker toestemming moet geven voordat bepaalde gegevens verwerkt kunnen worden. Anderzijds willen wij ook benadrukken dat de bedrijven die al die mooie, nieuwe, innovatieve en gebruiksvriendelijke applicaties maken, die applicaties verder moeten kunnen verbeteren en ontwikkelen en ook weer nieuwe applicaties moeten kunnen maken. Dat kunnen ze niet als ze die gegevens niet kunnen hebben.

De staatssecretaris wil vasthouden aan een limitatieve lijst van uitzonderingen als het gaat om de vraag welke gegevens bedrijven kunnen gebruiken. Hoe wil de staatssecretaris borgen dat aan de ene kant die bedrijven hun werk kunnen blijven doen en dat aan de andere kant de eindgebruiker beschermd blijft en dus toestemming moet geven?

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. De laatste spreker van de zijde van de Kamer is de heer Weverling van de fractie van de VVD.

De heer Weverling (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Hartelijk dank dat de staatssecretaris vanmorgen in het algemeen overleg zo helder was in haar beantwoording en dat er zo veel eensgezindheid is tussen de partijen, zoals de heer Van der Lee al zei. Ook de staatssecretaris onderschrijft dat.

Het is wat de VVD betreft belangrijk dat er snel duidelijkheid komt over de vervolgstappen, zodat de markt zich kan gaan voorbereiden op de vanochtend besproken veilingen en de investeringen die hierbij horen. Een van de belangrijkste dingen die we moeten weten, is wanneer welke veiling plaats zal vinden. Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de uitrol van 5G alsmede de veiling van diverse megahertzbanden van groot belang is voor de connectiviteit in Nederland;

overwegende dat het ministerie van Economische Zaken en Klimaat het belang en de rol van de markt bij deze uitrol en veilingen groot acht;

overwegende dat diverse landen reeds bezig zijn met de veilingen van diverse megahertzbanden en daarmee met de uitrol van 5G;

overwegende dat Nederland zijn leiderspositie op het gebied van hoogwaardige connectiviteit niet mag verliezen;

verzoekt de regering de Kamer inzicht te geven in de beoogde data voor veilingmomenten van zowel de 700, 2.100 als de 3.500 megahertzbanden en de onderlinge samenhang tussen die beoogde veilingmomenten;

verzoekt de regering tevens dit overzicht uiterlijk voor de Voorjaarsnota 2018 aan de Kamer toe te sturen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Weverling, Paternotte, Van der Lee en Van den Berg. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 677 (21501-33).

De voorzitter:
Dank u wel. Tot zover de termijn van de Kamer. Er zijn twee moties ingediend.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:
Het woord is aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Keijzer:
Dank u, voorzitter. Ik ga in op de moties. De motie op stuk nr. 676 van de leden Paternotte, Weverling, Bruins, Van der Lee en Van den Berg gaat over potentiële 5G-steden. We hebben vanmorgen uitgebreid met elkaar gedeeld dat vooropstaat dat 5G zeer belangrijk is; het is van het grootste belang dat dit ook uitgerold wordt. Verschillende steden en gebieden zijn met projecten rond de specifieke connectiviteit bezig. Amsterdam wil bijvoorbeeld als speelstad voor het EK 2020 5G-toepassingen rond de Amsterdam Arena mogelijk maken. In de Rotterdamse haven zijn diverse bedrijven bezig met specifieke mobiele oplossingen en wordt er nagedacht over een veilig netwerk voor het bedrijfsleven. Ook Schiphol is hiermee bezig. In steden als Eindhoven en Enschede wordt er gewerkt aan de technologie achter 5G en in het kader van 5Groningen wordt er geëxperimenteerd met diverse toepassingen. Ik ondersteun dat ook.

Het is dan ook mijn verwachting dat de modernste techniek in 2020 in meerdere steden beschikbaar zal zijn, maar ook in andere gebieden zoals de haven en het buitengebied. Mijn rol is om de juiste randvoorwaarden op orde te hebben, zoals de beschikbaarheid van voldoende spectrum en een beleidskader ten behoeve van de investeringszekerheid. Het is goed om hier te zeggen dat het plan van de Europese Commissie niet zozeer ziet op het aanwijzen van steden als wel het identificeren daarvan. Daarom breid ik ook de landelijke frequentieveiling in het najaar van 2019 voor en werk ik aan het beschikbaar stellen van andere, nog hogere frequentiebanden, zoals de 3,5GHz en de 26GHz. Ik ondersteun hiermee al de verschillende steden in mogelijke toepassingen van 5G. Het stimuleren, zoal in de motie verwoord, vat ik dan ook in het verlengde van het actieplan op als ondersteuning van beleid. Ik laat het oordeel over de motie daarom aan de Kamer.

De voorzitter:
Meneer Paternotte, één vraag. Gaat uw gang.

De heer Paternotte (D66):
Tot nu toe was het zo — dat stond ook in Telecompaper — dat het ministerie geen stad wilde noemen die 5G-stad kon zijn in 2020. Mijn vraag is of u dat hiermee dan wel gaat doen volgend jaar. U noemt het "identificeren". Ook vraag ik u om bij de Telecomraad met uw Duitse collega te bespreken op welke manier de Duitse overheid Berlijn ondersteunt bij die ambitie, omdat zij volgend jaar Berlijn gaat noemen als de 5G-stad van dat land.

Staatssecretaris Keijzer:
Het stimuleren zoals in de motie verwoord, vat ik op een zodanige manier op dat ik een gesprek zal aangaan over de mogelijkheden en dat ik zal bezien of er belemmeringen zijn die weggenomen kunnen worden. Daarvoor moet ik uiteraard ook in gesprek met de genoemde steden en andere steden die zich daarvoor nog melden. Maar ik heb wat moeite met "aanwijzen van een stad". Sowieso moet ik dan gaan kiezen, en alle steden zijn mij uiteraard even lief. Dus ik denk dat het veel beter zou zijn, en dat voldoet ook aan hetgeen de heer Paternotte nastreeft, om te kijken waar we steden die dat willen kunnen stimuleren en dat we daarover het gesprek met ze aangaan in plaats van dat wij er een soort wedren van maken en een stad aanwijzen. Ik denk dat ik daarmee het initiatief van de steden en de wil van de steden om dit te doen, tekort zou doen.

De voorzitter:
Prima, de motie op stuk nr. 677.

De heer Paternotte (D66):
Mag ik nog wat vragen?

De voorzitter:
Nee.

De heer Paternotte (D66):
Een correctie dan?

De voorzitter:
Als het een opmerking van orde is, bij dezen. Maar dan moet het wel een opmerking van orde zijn.

De heer Paternotte (D66):
Niet per se van orde, maar het is in ieder geval zo dat niemand het woord "aanwijzen" heeft gebruikt. Het gaat er wel om dat de stad die het dan wordt in 2020 ook 5G live heeft in de hele stad en niet alleen in een deel van de stad bij een stadion of de haven.

De voorzitter:
Prima.

Staatssecretaris Keijzer:
De tweede motie, op stuk nr. 677, zoals ook door u aan de orde gesteld, is van de leden Weverling, Paternotte en Van der Lee. Deze motie is in lijn met de toezegging die ik tijdens het AO heb gedaan, namelijk dat ik deze informatie in de Nota Mobiele Communicatie zal opnemen en aan de Kamer zal toesturen. De Nota Mobiele Communicatie vormt het beleidskader waarbinnen ik in ieder geval de 700, 1.400 en 2.100MHz en 3,5GHz-banden ga uitgeven. Excuus voor alle techniek, maar dat is nou eenmaal het onderwerp. Het concept van de Nota Mobiele Communicatie is begin dit jaar openbaar geconsulteerd via het internet en is daar ook nog in te zien. In de definitieve nota zal ik zo veel mogelijk duidelijkheid geven over het tijdstip waarop die banden beschikbaar komen en over de voorwaarden waaronder dit gebeurt. De veiling van 700, 1.400 en 2.100MHz-banden zal in 2019 plaatsvinden. In de Nota Mobiele Communicatie zal ik specifiek voor de 3,5GHz-band de Kamer inzicht geven in het huidige gebruik en de afwegingen die rond die band moeten worden gemaakt. Zoals in de voortgangsbrief voor de nota van 3 juli 2017 aan uw Kamer is beschreven, rond ik de nota af zodra het advies dat ik aan de ACM heb gevraagd, is afgerond. De ACM heeft recent een concept van haar advies geconsulteerd, maar is nog bezig met de afronding. Tenzij de ACM haar advies niet voor de Voorjaarsnota heeft afgerond, kunt u het gevraagde overzicht dus op de door u gevraagde termijn verwachten. Daarmee laat ik het oordeel over deze motie aan de Kamer.

De voorzitter:
Dank u wel.

Staatssecretaris Keijzer:
Dan was er nog een vraag van mevrouw Van den Berg. Zij vroeg hoe ik een goede band borg tussen innovatie en bescherming in het kader van e-privacy. In de woorden van mevrouw Van den Berg beluister ik de zorg dat het voor het bedrijfsleven op een gegeven moment zo ingewikkeld gaat worden, dat het innovatie in de weg staat. Hier speelt dus eigenlijk een tegenstelling tussen het belang van het bedrijfsleven en de bescherming van privacy, terwijl tegelijkertijd innovatie ook in het belang van de consument kan zijn. Het is echter wel zo dat in de EU-privacyverordening het belang van privacy vooropstaat, omdat je nooit van tevoren weet wat voor zaken er op randapparatuur staan. Je zult daar dus beschermend in moeten zijn waar dat absoluut nodig is. Daar waar innovatieverbeteringen aan de orde zijn, kunnen mensen daar natuurlijk altijd goedkeuring voor geven. Ook wordt het in deze plannen mogelijk gemaakt dat dat in de toekomst makkelijker wordt.

Daarmee kom ik aan het einde van mijn beantwoording, voorzitter.

De voorzitter:
En daarmee komen wij aan het eind van dit debat. Fijn dat u bij ons aanwezig was.

De beraadslaging wordt gesloten.

Aanstaande dinsdag, nee, morgen stemmen wij over de beide moties. Ik schors tot de klok van 19.00 uur. Dan gaan we door met de begroting Infrastructuur en Water.

De vergadering wordt van 18.27 uur tot 19.07 uur geschorst.

Begroting Infrastructuur en Waterstaat (34 775-XII) inclusief Infrastructuurfonds (A) en Elektrisch Vervoer uit de begroting EZK/LNV (XIII), exclusief Klimaat en Ruimte 2018

Begroting Infrastructuur en Waterstaat (34 775-XII) inclusief Infrastructuurfonds (A) en Elektrisch Vervoer uit de begroting EZK/LNV (XIII), exclusief Klimaat en Ruimte 2018

Begroting Infrastructuur en Waterstaat (34 775-XII) inclusief Infrastructuurfonds (A) en Elektrisch Vervoer uit de begroting EZK/LNV (XIII), exclusief Klimaat en Ruimte 2018

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

    - het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (XII) voor het jaar 2018 (34775-XII);
    - het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaat van het Infrastructuurfonds voor het jaar 2018 (34775-A).

(Zie vergadering van 28 november 2017.)

De voorzitter:
Door mij zijn schriftelijke antwoorden ontvangen van de minister van Infrastructuur en Waterstaat en de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat op vragen, gesteld in eerste termijn.

Deze antwoorden zullen worden opgenomen in een bijvoegsel bij de Handelingen van deze vergadering.

(Het bijvoegsel is opgenomen aan het eind van deze editie.)

De voorzitter:
Dames en heren, wij gaan herbeginnen. Aan de orde is het tweede deel van de begroting IenW, Infrastructuur en Waterstaat. Gisteren hebben we deel één gedaan, de eerste termijn van de Kamer. We gaan zo van start met de eerste termijn van het kabinet. We hebben afgesproken dat per fractie vijf keer geïnterrumpeerd mag worden in deze termijn. Daar gaat iedereen zich aan houden. We hebben een aantal blokjes. Ik neem aan dat de minister ons gaat vertellen welke blokjes dat zijn. Dat is dan meer voor de mensen thuis, want hier is inmiddels een fotokopietje rondgedeeld met de blokjes erop. Zo ver gaat onze service. Na ieder blokje bestaat steeds de mogelijkheid tot interrumperen.

De algemene beraadslaging wordt hervat.

De voorzitter:
Ik geef graag het woord aan de minister. Zij zal ongetwijfeld later gevolgd worden door de staatssecretaris. Het woord is aan de minister.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Dank u wel, voorzitter. Ik wil graag beginnen met mijn dank uit te spreken aan de Kamerleden voor hun inbreng in eerste termijn. Ik zal zo meteen beginnen met een algemene introductie. Daarna verdeel ik de beantwoording van de vragen in vijf blokjes. Het eerste blokje is "wegen", het tweede is "verkeersveiligheid", het derde is "slimme mobiliteit", het vierde "luchtvaart" en het vijfde "zee- en binnenvaart".

Voorzitter. We hebben een mooie week: maandag het wetgevingsoverleg Water en gisteren en vandaag de begroting. We komen er lekker in, zo! Ik vind het geweldig dat ik me mag inzetten voor de mobiliteit in Nederland en voor onze waterstaat. IenW is een ministerie van doeners, een ministerie van "schop in de grond", met oog voor de omgeving, want klimaat en ruimte mogen dan weg zijn bij IenW, ze zijn niet weg uit onze aanpak. Ik heb veel zin om samen met Stientje … Met "de staatssecretaris", moet ik natuurlijk zeggen. Oeh, vergissing!

De voorzitter:
Een beetje formeel, hè! Een beetje formeel, vandaag.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Ik heb er ontzettend veel zin in om met de staatssecretaris samen aan dit totaalplaatje te gaan werken.

Voorzitter. Als ik door mijn oogharen kijk naar de grootste uitdaging van de komende jaren, dan is dat de groei van de mobiliteit. Hoe voorkomen we dat Nederland dichtslibt? Onze economie draait op volle kracht en dat is een groot goed. Maar het gevolg is dat de mobiliteit onder druk staat. De files worden langer, de perrons voller en de fietspaden hectischer en het kost meer moeite om goederen van A naar B te krijgen. Vooral in en rond de steden loopt het vast. Daarom investeren we extra in onze infrastructuur. We hebben een duidelijke opdracht gekregen in het regeerakkoord. De Nationale Markt- en Capaciteitsanalyse wijst aan waar het knelt. Namen en rugnummers van de plekken waar we de komende jaren moeten investeren, zijn genoemd in het regeerakkoord. Tot 2030 komt er minstens 1.000 kilometer aan rijstroken bij. We hebben grote en mooie projecten in het vat.

Maar daarnaast verjongen, vernieuwen en verduurzamen we onze infrastructuur. Veel wegen naderen het einde van hun technische levensduur. Dit biedt een kans om met een nieuwe blik naar ons wegennet te kijken. Tijdens renovaties maken we de wegen toekomstfit, bijvoorbeeld door ze gereed te maken voor zelfrijdend vervoer en door ze met ledverlichting duurzamer te maken: vernieuwen, verjongen en verduurzamen. We maken ook slimmer gebruik van onze wegen. We pakken storingen aan en we vervangen en renoveren waar nodig. Dat laatste klinkt minder sexy, maar is voor de doorstroming minstens zo belangrijk.

Dit kabinet trekt extra geld uit voor infrastructuur. Als je niet beter weet, zou je zelfs denken dat het veel geld is.

De heer Van Raan (PvdD):
Voorzitter …

De voorzitter:
De minister is nog bezig met haar algemene blokje en een inleiding. Zullen we dat even afmaken voordat we gaan interrumperen?

De heer Van Raan (PvdD):
Is dit nog wel de inleiding?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Dit is de inleiding. Het is nog geen blokje.

De heer Van Raan (PvdD):
Het leek op het blokje "wegen".

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Nou, ik raak misschien alles een beetje aan in de inleiding, maar het blokje moet nog komen.

De voorzitter:
Meneer Van Raan staat op scherp, dat is goed om te weten.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Ik ben gewaarschuwd.

Voorzitter. Niet alles kan. De uitdagingen zijn groter dan het beschikbare budget. Het is een continue zoektocht naar goedkoper, slimmer en duurzamer. We zetten vol in op nieuwe technieken, hoogwaardig verkeersmanagement, innovatieve vormen van mobiliteit en oplaadinfrastructuur. Mobiliteit wordt op termijn een dienst waarin het onderscheid tussen vervoersmiddelen vervaagt. Een zelfrijdende auto die komt voorrijden, is dat een auto, een taxi of openbaar vervoer? Het doet er eigenlijk niet toe, want je wil gewoon veilig en snel van A naar B. Hoe, is minder interessant. Om die reden gaan we het Infrastructuurfonds omvormen tot een mobiliteitsfonds. Tot 2030 is het geld verdeeld tussen de traditionele modaliteiten weg, water en openbaar vervoer. Daarna staat de mobiliteit centraal en niet langer de modaliteit.

Innovaties helpen bij de doorstroming van het verkeer. Daarnaast zijn ze goed voor het milieu en verbeteren ze de verkeersveiligheid. Ook met dat laatste, verkeersveiligheid, gaan we hard aan de slag. Want de trend is negatief, zoals u dat allemaal gisteren ook hebt gezegd. Het aantal slachtoffers stijgt en dat mogen we niet laten gebeuren.

De verkeersstromen groeien en dat geldt zeker ook voor de luchtvaart. Een gezonde groei kan alleen in goede balans met de omgeving, met een belangrijke stem voor omwonenden, zeg ik daar maar meteen bij.

Ook het goederenvervoer kent de komende jaren flinke uitdagingen. Het zou goed zijn als er meer vracht naar het water ging. We hebben krachtige waterverbindingen en sterke havens. En anders dan op de wegen is daar nog wél ruimte om te groeien.

Voorzitter. Ik wil nog één overkoepelend thema toevoegen. Een van de grootste uitdagingen van deze tijd is namelijk het beveiligen van onze ICT. Het ministerie van IenW en Rijkswaterstaat zijn samen de hoeders van veel kritische infrastructuur in Nederland: drinkwater, Schiphol, bruggen, sluizen, kerncentrales, het spoor. Cybersecurity is van groot belang voor de hele economie. Voor het draaiende houden van Nederland moet de dataconnectiviteit gegarandeerd zijn. Dat betekent dat data ongestoord van A naar B moeten kunnen gaan. Daarbij moeten we er zeker van zijn dat er onderweg niet gerommeld kan worden met die data, dus dat de integriteit van die data gegarandeerd is. Dat is ook essentieel voor het veiligstellen van privacy. Om dit te bereiken, moeten zowel preventie en monitoring als plan B, de rampenplannen, op orde zijn.

Voorzitter. Dan wil ik nu graag starten met het eerste blokje, "wegen".

De voorzitter:
Dat betekent ook dat er een blokje is afgerond, meneer Van Raan.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Het introductieblokje is afgelopen, ja.

De voorzitter:
U kunt ook alle tien uw interrupties nu even doen …

De heer Van Raan (PvdD):
Dat mocht u willen, voorzitter. Maar dank voor de aansporing.

Eerst even een reactie op van A naar B en hoe we dat doen. Dat is interessant. Ik verschil erover van mening over met de minister, want het is natuurlijk júíst interessant hoe we van A naar B gaan. Want omdát we dat misschien minder interessant vonden, zitten we nu misschien wel met een heel groot klimaatprobleem. Dus hoe we van A naar B gaan, is wel degelijk van belang.

Maar daar gaat mijn interruptie niet over. Mijn interruptie gaat over de beantwoording van de vragen die we gesteld hebben. Wat mij opviel in de beantwoording — dank voor die beantwoording, overigens — is dat er een reactie ontbreekt op het algemene betoog dat wij hielden. Hoe staat de minister dus tegenover ons punt dat je in een begrensde planeet niet onbegrensd kan groeien? We hebben expliciet om een reflectie hierop gevraagd. Is de minister bekend met de ideeën van Kate Raworth in dit verband? Want die gaan over het onbeperkt groeien op een beperkte planeet. Kan daar een reflectie op komen?

De voorzitter:
Heel goed.

De heer Van Raan (PvdD):
Eigenlijk, met andere woorden — sorry, voorzitter — is het huidige systeem van onbeperkte groei op een beperkte planeet achterhaald. Dat is doodlopend. Daar graag een reflectie op. Dank u wel.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Laat ik daar dan heel algemeen op reageren, want het is ook een vrij algemene vraag. U vraagt: beseft u wel dat alles met alles samenhangt? Ik heb niet bedoeld te zeggen dat de modaliteit op zich er niet toe doet, want natuurlijk gaat het er ook om welke consequenties er verbonden zijn aan welke manier van vervoer. Ik kan u vertellen, ik ben pas bij de SpaceXperience geweest van André Kuipers. Hij had een heel inspirerend voorbeeld voor al die duizenden kinderen in de zaal. Hij zei: jullie zijn eigenlijk allemaal astronauten, want wij zitten met zijn allen op die ene planeet Aarde, in een heelal waar meer sterren zijn dan zandkorrels op aarde. Dat gaf meteen al die kinderen het gevoel: hé, we hebben maar één aarde. Hij liet ook heel mooi zien dat je op al die andere planeten niet kunt leven met z'n allen, dus dat we heel erg zuinig moeten zijn met die ene planeet waar we allemaal als astronauten op rondreizen. Met zo'n blik kijk ik ook naar deze portefeuille. Ik denk dat dat een goed algemeen antwoord is.

De heer Van Raan (PvdD):
Een heel algemeen en goed antwoord, maar dat betekent dus inderdaad dat u het eens bent met onze stelling dat het huidige systeem wat dit betreft is doodgelopen en moet veranderen. Want op de huidige manier doorgaan, betekent dat de planeet met al die lieve astronauten het niet lang meer gaat maken. Dat is niet onze mening, overigens, maar de mening van recent nog 15.000 wetenschappers. Dus, nogmaals, deelt u de mening dat we op deze planeet met al die astronauten in een vastgelopen systeem zitten?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Juist in een portefeuille van mobiliteit moet je nooit blijven stilstaan. We omarmen heel erg alle innovatieve mogelijkheden die wij hebben, omdat je voortdurend kunt blijven ontwikkelen en blijven leren. Dat zullen we ook doen. Wij zetten asfalt in waar dat nodig is, wij zetten openbaar vervoer in waar het kan helpen en wij investeren in de fiets. Ik kom daar allemaal straks nog op terug. We proberen duurzamer te zijn. Je moet met elkaar proberen er het beste van te maken in een combinatie van al die modaliteiten die wij hebben.

Ik begin met het blokje wegen. Ik zei het al: het wordt steeds drukker op de weg. Vooral de Kamerleden Van Aalst en Dijkstra, maar ook heel veel anderen, hebben daarvoor aandacht gevraagd. De heer Dijkstra drong aan op het kleiner maken van het filemonster. In zijn betoog kwam het woord filemonster zo vaak voorbij dat ik het gevoel kreeg dat het bijna een fillimonster werd. Hij had er nog heel lang over door kunnen spreken, maar het is een heel terecht pleidooi. Vorige week brak de drukte in de spits twee keer een record. Dat komt een beetje doordat het november is. Het is donker, bijna niemand is op vakantie en het is vaak slecht weer. Maar ook draait de economie weer goed en dat leidt tot meer drukte op de weg. Daarnaast — u hebt het allemaal benoemd — is die drukte structureel.

Het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid voorspelt in het Mobiliteitsbeeld 2017 dat de files tot en met 2022 verder zullen blijven toenemen. En stilstaan kost geld. Alle reden voor mij om vaart te zetten achter de wegprojecten, want uitbreiding van het wegennet helpt enorm. De aanleg van extra rijstroken heeft tussen 2005 en 2016 gezorgd voor een afname van het reistijdverlies met 46%. Hierin investeren loont dus. We gaan daarom aan de slag met de A4, A7 en A15 in de Randstad en met de verkeersaders van en naar het zuiden, oosten en noorden, de A1, A2, A12, A28 en A58. We hebben er een mooi bedrag bij gekregen, maar ik wil benadrukken dat het nog steeds krap is.

De NMCA is hierbij leidend. We investeren daar waar de meeste winst zit voor de reiziger, waar de meeste winst zit voor de doorstroming op de drukste verkeersaders. We zullen als eerste de meest rendabele projecten aanpakken waarvoor cofinanciering vanuit de regio's beschikbaar is. Ook gaan we door met de aanleg van projecten als de Ring Utrecht, de A16 Rotterdam, de Blankenburgverbinding en het doortrekken van de A15. Daarnaast zijn we bezig met de Fileaanpak 2020. Rijkswaterstaat stelt makkelijker spitsstroken open en gaat met kleine aanpassingen van de weg de doorstroming verbeteren. Door de weggebruiker beter te informeren, maken we zijn routekeuzes bovendien slimmer en reistijden betrouwbaarder.

Naast investeringen in de infrastructuur gaan ook innovaties en nieuwe vormen van mobiliteit helpen om Nederland bereikbaar te houden. Ik noem truck platooning, de zelfrijdende auto en Mobility as a Service. Daar kom ik in mijn derde blokje, slimme mobiliteit, graag op terug.

De heer Van Aalst vroeg of ik bereid ben om de beschikbare middelen voor infrastructuur aan te passen aan de mobiliteitsbehoefte. Volgens zijn partij ligt die behoefte bij de auto. Ik vind dat alle modaliteiten van belang zijn. Dit kabinet zet daarom in op een inhaalslag voor én de wegen, én het spoor én de vaarwegen. In het regeerakkoord is afgesproken dat we tot 2030 vasthouden aan de verdeelsleutel wegen, spoor en vaarwegen. Op die manier werken we aan de gehele mobiliteitsbehoefte.

Mevrouw Van Tongeren vroeg naar slimme plannen voor duurzame wegen en naar energieopwekking bij wegen. Ik kan haar verzekeren dat duurzaamheid in infraprojecten vanaf de eerste fase wordt meegenomen. Dat gebeurt al in het MIRT-onderzoek. Bij aanbestedingen wordt ook gestuurd op CO2-reductie en in de uitvoering worden zoveel mogelijk materialen hergebruikt. Ook besteden we veel aandacht aan duurzame inpassing. Samen met de ministeries van EZK en BZK onderzoek ik de mogelijkheden van energieopwekking bij infrastructuur. De ambitie is dat het hele netwerk van Rijkswaterstaat in 2030 energieneutraal functioneert. Sinds 2012 is de Ramspolbrug tussen Kampen en Emmeloord bijvoorbeeld al energieneutraal. De Sluis Eefde wordt energieneutraal en we zijn bezig met de eerste energieneutrale snelweg, de A6 bij Almere. De A2, bijvoorbeeld, heeft sinds 2016 tussen Holendrecht en Maarssen ledverlichting. En zo is er natuurlijk meer. Hiermee proberen we een goede bijdrage te leveren aan de doelstellingen voor duurzame energie in het regeerakkoord.

De heer Von Martels vroeg naar de verdeling van infrastructuurgelden tussen krimpregio's en stedelijk gebied. Ik heb net al genoemd dat we de afweging over de toedeling van het geld baseren op de knelpunten uit de NMCA, de ambities uit het regeerakkoord en de bereidheid van decentrale overheden tot cofinanciering. Begin december spreek ik samen met de staatssecretaris in de Bestuurlijke Overleggen MIRT over de bereikbaarheid via weg, spoor en water. In die overleggen spreken wij met de regionale bestuurders over de agenda voor de komende jaren. Zoals gebruikelijk informeer ik u kort voor uw eigen notaoverleg MIRT over de uitkomsten van deze gesprekken. Dan kunnen we daarover in het notaoverleg MIRT met elkaar van gedachten wisselen.

Voorzitter. Laat ik nog wat zeggen over de BO's MIRT. Het is begrijpelijk dat de Kamer nu al precies wil weten welke concrete stappen in de komende jaren worden gezet. Maar ik vraag u om geduld, om dit gesprek in het notaoverleg MIRT en in de komende jaren met elkaar te gaan voeren. Gezien de omvang van alle ambities blijft het namelijk nodig om keuzes te maken. Hierbij wil ik niet alleen kijken naar de bereikbaarheid, maar ook naar hoe opgaven slimmer en duurzamer kunnen worden aangepakt. Daarnaast wil ik dat deze investeringen ook een bijdrage leveren aan de veiligheid van de netwerken. We hebben nu ook nog geen afwegingskader voor het mobiliteitsfonds. Het is dus niet logisch om al wel geld uit te geven voor na 2030.

Voorzitter. De heer Jetten vroeg naar mijn bereidheid om in de filosofie van het nieuw te vormen mobiliteitsfonds altijd eerst te kijken naar slimme oplossingen voordat wordt ingezet op extra asfalt. Het kabinet zet in op een slim en duurzaam vervoerssysteem. Zo neemt het programma SmartwayZ op de A58 in Brabant slimme mobiliteit als uitgangspunt en voegt alleen asfalt toe indien dat nodig is. Dit programma heeft echter ook geleerd dat slimme maatregelen op dit moment nog onvoldoende effectief zijn om asfaltoplossingen overal te vervangen. Dus ja, ik ben bereid om zo veel mogelijk naar slimme oplossingen te kijken, maar op korte en middellange termijn blijft het in ieder geval noodzakelijk om ook de capaciteit van de weg te vergroten.

Ik kom op het vrachtvervoer. De heer Dijkstra vroeg naar de voorzieningen voor truckers. Hij vroeg te kijken naar mogelijkheden van cofinanciering met private partijen. De rijksoverheid is verantwoordelijk voor voldoende parkeercapaciteit voor vrachtwagens langs de snelwegen voor korte rustpauzes. Samen met marktpartijen bekijken we voortdurend of en, zo ja, waar private truckparkings kunnen worden aangelegd. We faciliteren dit proces al een aantal jaren. Voorbeelden van recent geopende beveiligde particuliere truckparkings zijn de truckparkings Hazeldonk, Maasvlakte Plaza en James Cookweg in Venlo. En binnenkort opent een truckparking in Duiven. Het blijft echter een uitdaging.

Mevrouw Van Tongeren en de heer Jetten hadden allebei vragen over de vrachttaks. Ik begrijp de wens om de vrachttaks, de Maut, zo spoedig mogelijk in te voeren. Het kabinet wil dat ook. Een zorgvuldige invoering duurt echter minimaal vijf jaar. Dat is ook de ervaring in andere landen, zoals recent nog in België. We hebben een nieuwe wet nodig, en dat kost tijd. In de komende periode ga ik met staatssecretaris Snel van Financiën de uitgangspunten voor de heffing uitwerken. Denk daarbij aan de uitgangspunten voor het systeem, het juridische kader, de tarieven en de wijze waarop de uitvoering moet worden georganiseerd. Daarbij zal ik, ook om tijdwinst te boeken, zo veel mogelijk gebruikmaken van de ervaringen uit de buurlanden. Het stappenplan voor de invoering kan ik u begin 2018 doen toekomen.

De heer Van Dijk vroeg naar de capaciteit van de ILT in relatie tot internationale chauffeurs en de drukte op parkeerplaatsen. Ook ik maak me zorgen over de drukte op sommige parkeerplaatsen. Vooral langs de goederencorridors voor het wegvervoer en in de buurt van de mainports is het erg druk. Dat is onder andere het gevolg van een toenemend aandeel buitenlandse chauffeurs en het beleid in ons omringende landen, zoals het verbod in Duitsland en België om de normale wekelijkse rust in de vrachtwagencabine door te brengen. Het verblijf in de vrachtwagencabine voor de normale wekelijkse rust is in Nederland op dit moment nog niet verboden. Daarop wordt dus ook niet gehandhaafd. Er is onduidelijkheid of de Europese regels hiervoor wel de juiste grondslag bieden. Er zijn nu zogenaamde prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie om daar duidelijkheid over te scheppen, zodat we de regels in alle EU-landen op dezelfde manier kunnen toepassen. Dit is ook onderdeel van de Mobility Package.

Hoewel een vrachtwagencabine doorgaans comfortabel genoeg is om in te overnachten, mits er voldoende voorzieningen zijn op de parkeerplaats, wil ik in Nederland geen extra belasting op de verzorgingsplaatsen als gevolg van een verbod in de omringende landen. Van belang hiervoor is dat we binnen Europa een eerlijk speelveld bereiken en de interne markt versterken. In verband met het gelijke speelveld steunt Nederland een verbod van het verblijf in de vrachtwagencabine tijdens de wekelijkse rust. Samen met mijn ambtsgenoot van SZW heb ik dit op 2 november ook aan uw Kamer gemeld. De ILT handhaaft risicogericht en zet inspecteurs in waar dat het meeste maatschappelijke effect heeft. De handhaving op arbeids- en rusttijden bij het goederenvervoer is daarbij een van de prioriteiten.

Dat waren de vragen tot nog toe over het blokje "wegen".

De heer Remco Dijkstra (VVD):
Ik dank de minister voor de beantwoording over de wegen. U noemde een aantal A's, de A4, de A15, de A7 en de ontbrekende schakels; de hele rits. Nu hebben wij het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid, dat heel goed kan doorrekenen wat voor soort scenario's er zijn: hoge en lage scenario's. Mijn vraag is wat nou een soort stip op de horizon zou zijn, een soort eindpunt in 2030. Waar staan we dan met het filemonster? Kunt u ook aangeven waar we op de iets kortere termijn, in 2022, dus over vijf jaar, staan? Hoeveel koppen van dat filemonster hebben we dan afgehakt?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Om de toekomst te kunnen voorspellen moet je een glazen bol hebben. Die heb ik niet. Die heeft het KiM ook niet, want dat is natuurlijk heel afhankelijk van de ontwikkeling van de economische groei. Maar we zullen er alles aan doen om natuurlijk wel te proberen om dat filemonster, zoals u het steeds noemt, goed aan te pakken. Het woord "filemonster" brengt me bijna op Cookie Monster, maar ik kan natuurlijk niet als een Cookie Monster of een pacman overal op de kaart de files weghappen. Dat zou mooi zijn. Maar we gaan wel alle hens aan dek zetten en alle mogelijkheden van alle modaliteiten inzetten om Nederland in beweging te houden en op die manier zo veel mogelijk koppen van het filemonster af te slaan.

De heer Remco Dijkstra (VVD):
Dat is goed, want het is gewoon een lelijk ding dat als een soort deken over met name de Randstad hangt, maar ook over bepaalde regio's. Dat werkt gewoon verstikkend voor onze economie. We hebben dat instituut dat heel goede scenario's heeft. Stel je nu voor dat we al de A's die u net noemde en die ook in mijn hoofd zitten, uitgevoerd hebben. Waar staan we dan over vijf jaar of over tien jaar? Daar ben ik wel benieuwd naar. Is zoiets inzichtelijk te maken — zeg maar dat het moeilijk is — als we al die investeringen gerealiseerd hebben? Natuurlijk hebben we het filemonster dan niet verslagen, maar ik hoop dat we het dan echt een stuk kleiner hebben gemaakt en dat we daadwerkelijk een aantal problemen substantieel hebben opgelost.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Die hoop deel ik met u, maar dat zal ook afhankelijk zijn van hoe de economische situatie zich ontwikkelt. Als we blijven groeien, blijft de mobiliteitsbehoefte ook groeien. Daar moeten we toch een beetje voorzichtig mee zijn. We moeten niet al te veel de verwachting wekken dat we in deze kabinetsperiode het filemonster gaan verslaan, want dat is gewoon niet realistisch. We hebben gezien dat extra asfalt in de afgelopen jaren heeft geleid tot 46% vermindering van het reistijdverlies. Het is dus ontzettend de moeite waard om daarin te investeren, maar we kunnen niet verwachten dat we het daar helemaal mee opgelost krijgen. Dat is ook niet realistisch.

De heer Von Martels (CDA):
Ik wil de minister graag een vraag stellen over de NMCA. Het lijkt erop dat de toekomstige investeringen alleen afhankelijk zijn van de NMCA en dat de capaciteitsproblemen nu leidend zijn. Ik vind dat duurzaamheid, leefbaarheid en veiligheid eigenlijk ook onderdeel moeten zijn van de toekomstige investeringen. Het is bekend dat de veiligheid op bepaalde wegen in het geding is. Als bepaalde wegen geen prioriteit hebben op de lijst van de NMCA, bent u dan bereid om aspecten als veiligheid en leefbaarheid toch een rol te laten spelen in de afweging of de investeringen wel of niet plaatsvinden.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Uw Kamer heeft het kabinet een opdracht gegeven in het regeerakkoord. Daar staat in dat de Nationale Markt- en Capaciteitsanalyse leidend is. Verder wordt onder andere gekeken naar de cofinanciering, maar er staan natuurlijk ook projecten in die heel specifiek gerelateerd zijn aan verkeersveiligheid. Dus het is een leidraad voor ons en daar gaan we ons ook aan houden, maar we proberen er natuurlijk zo veel mogelijk dingen aan te koppelen. U hebt terecht opgemerkt dat verkeersveiligheid niet voor niks een speerpunt is in datzelfde regeerakkoord.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):
Er wordt heel veel gezegd: ik sta in de file. Nee, u bent de file. Dus aan de VVD: versla het filemonster in jezelf. Het is niet iets buiten jezelf. Als je in de file staat, ben je zelf onderdeel van dat monster.

Aan de minister de volgende vraag. In de capaciteitsanalyse zie je dat meer asfalt ertoe leidt dat mensen een klein beetje later van huis gaan en dat een heleboel van de ruimte die gecreëerd wordt door nieuw asfalt ingenomen wordt door mensen die wat later van huis gaan en die vervolgens als het weer drukker wordt iets eerder van huis gaan. Toch gaat deze minister stug door met 1.000 kilometer extra file aanleggen, eigenlijk alleen om te zorgen dat mensen ietsjes later van huis kunnen om vervolgens met z'n allen toch nog een file te vormen. Is het niet tijd om echt naar een andere manier te kijken om onze wegen en ons vervoerssysteem in te zetten in plaats van steeds maar te denken: nou ja, we hebben nu genoeg geld voor 1.000 kilometer extra; laten we dat maar doen?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Ik denk dat we nu juist een weg ingeslagen zijn naar dat andere systeem. Mensen moeten natuurlijk wel een alternatief hebben. In heel veel gevallen hebben mensen geen andere keus dan met de auto te gaan. Overigens worstelt mijn collega de staatssecretaris ook met een probleem van grote drukte, want het loopt niet alleen op de wegen vast, ook op de perrons staan mensen stijf tegen elkaar aan en wordt het steeds drukker. Zelfs over fietspaden hoor je berichten dat mensen liever een ander vervoermiddel kiezen omdat ze in een fietsfile terechtkomen. Vandaar dat dit kabinet er ook echt voor kiest om maximaal alle mogelijkheden bij alle modaliteiten uit te nutten. Daar vormen de wegen zeker een belangrijk aspect bij, maar we kijken heel nadrukkelijk ook naar alle andere modaliteiten. We kijken ook hoe we goederenvervoer van de weg naar het water kunnen krijgen. We kijken naar nieuwe innovatieve concepten, waarvan ik het voorbeeld platooning al noemde. We zetten alles op alles om al het mogelijke te doen wat we kunnen.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):
Ik ben blij met een minister die zegt: we gaan proberen wegen duurzamer in te richten en gebruik te maken — neem ik aan — van zonne-energie bij borden, sluizen en dijken. Dat is fantastisch. Volgens mij beseffen we met ons allen dat je bezig kunt blijven met meer asfalt en spoor aan te leggen, waardoor het weer drukker wordt, maar dat op een gegeven moment maximaal 20% van alle auto's rijdt. Daar valt geen asfalt tegen aan te leggen. Dus hebben we — nieuw begin, nieuwe minister — echt een andere visie op het vervoer nodig dan die van "beetje spoor erbij, beetje asfalt erbij".

De voorzitter:
En uw vraag?

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):
Is de minister bereid om daar in deze regeerperiode samen met de Kamer over te debatteren en over na te denken, zodat we echt tot een ander systeem en een andere visie kunnen komen?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Ik denk dat we daar al een heel mooie aanzet voor hebben gedaan in het regeerakkoord, doordat we na 2030 vanuit een mobiliteitsfonds gaan werken. In mijn inleiding gaf ik al aan dat het verschil tussen de modaliteiten steeds meer vervaagt. Het wordt steeds meer hybride. Dus je moet naar de mobiliteit kijken en niet specifiek per modaliteit. Maar aan de andere kant weten we dat we ook gewoon nog nieuwe stukken asfalt nodig hebben. Het is absoluut niet de bedoeling van dit kabinet om Nederland helemaal te gaan asfalteren. We hebben de bestaande verhoudingen gehandhaafd. Dat betekent dat er ook een heel belangrijk deel van het geld naar het openbaar vervoer en naar de vaarwegen gaat. Tot 2030 zijn we overigens al allerlei verplichtingen aangegaan. Dus heel veel mogelijkheden om het anders te doen, heb je ook niet. Maar we kijken nadrukkelijk naar alle mogelijkheden die we hebben met innovatieve concepten. Het is dus zeker niet een oververtegenwoordiging op lange termijn van alleen maar meer asfalt. We kijken naar ontbrekende schakels, we kijken naar verbredingen, we bekijken echt waar het asfalt nog nodig is. Wat ik in de beantwoording van de heer Jetten ook heb aangegeven: als het niet nodig is, gaan we het zeker niet doen, maar het is op een aantal plekken echt nog nodig.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):
Ik begin een beetje angstig te worden. Ik denk dat ik vanavond een lichtje aanlaat en nog even extra onder mijn bed kijk, want wellicht ligt het filemonster er. Het wordt een apart beeld, maar daar wil ik het niet over hebben.

Ik wil het graag hebben over het vrachtverkeer en de parkeerplaatsen. Ik heb goed naar de minister geluisterd. Volgens mij delen wij de zorgen over de overlast die wij nu zien, met name in de grensregio's. Niet alleen op overvolle parkeerplekken, maar ook in woonwijken staan buitenlandse vrachtwagens te rusten. Waarom? Omdat België en Duitsland handhaven op de weekendrust. Los van de vraag of het Europees mag of niet, waarom doen wij in Nederland niet een beetje stout en gaan wij ook handhaven zonder te wachten op een Europese uitspraak?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Ik voel niet zo veel voor een oproep om stout te gaan doen. We hebben in Nederland natuurlijk gewoon de houding dat wij de wet respecteren. Dat doen we in dit geval ook. We wachten gewoon af wat er gebeurt in die uitspraak van het Hof van Justitie. Ik heb wel aangegeven dat dit kabinet ervoor kiest om, als andere landen dit doorzetten, zich daarachter te scharen. Alhoewel wij op zich van mening zijn dat overnachten met goede voorzieningen prima in de vrachtwagens zou kunnen, wil ik niet in de situatie terechtkomen dat al die vrachtauto's bij ons langs de wegen staan, omdat het in de buurlanden niet mag. In Duitsland mogen ze op zondag niet rijden. Wij moeten dat niet allemaal extra naar ons toe trekken. Juist in het kader van het Europese gelijke speelveld gaan we ons aansluiten bij andere landen, mocht die keuze definitief zijn. Dat geldt natuurlijk breed voor alle afspraken in de Mobility Package.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):
Kijk, het is geen hypothetische situatie. Het is nu aan de hand, het is eigenlijk al een paar jaar aan de hand dat er vrachtwagens naar Nederland komen om hier in het weekend te rusten met alle overlast van dien. Ik roep de minister echt op om niet te wachten op een Europese maatregel, op een Mobility Package — dat is hartstikke hard nodig — maar om nu actief te gaan handhaven. Die vrachtwagens komen wel, ieder weekend. Volgens mij moeten we niet wachten, maar dit nu echt oppakken en snel aanpakken.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
De Nederlandse wet biedt geen grondslag voor handhaving op dit terrein. We zijn natuurlijk wel al een aantal jaren heel hard bezig om te kijken wat we kunnen doen om voldoende parkeerfaciliteiten te ondersteunen. We kijken wat de mogelijkheden zijn. Daar gaan we zeker mee door. Ik hoop dat er heel snel duidelijkheid komt van het Hof van Justitie.

De heer Laçin (SP):
Ik ben blij om te horen dat Nederland zich gaat scharen achter de landen die nu al handhaven, die zich nu al hebben uitgesproken over het feit dat weekendrust in de cabine niet wenselijk is. Die visie deelt de SP, dus we komen uiteindelijk bij hetzelfde uit, alleen met andere redenen. Wij maken ons alleen wel zorgen. Ik ben het met de heer Van Dijk eens dat we meteen moeten gaan handhaven, maar daarvoor moeten we wel naar de capaciteit bij de ILT gaan kijken. Ik hoor de minister zeggen dat het kabinet risicogestuurd wil gaan inspecteren. Maakt de minister zich dan geen zorgen over het aantal vrachtwagens tegenover de capaciteit van de ILT? Kan er dan wel goed gehandhaafd worden? Hebben we dan volgens de minister niet meer capaciteit nodig bij de ILT?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Ik begin met uw eerste opmerking. Dat handhaven kun je alleen maar doen als er een wettelijke grondslag voor is. Uw voorgangster, mevrouw Karabulut, heeft daar destijds vragen over gesteld. Dat is uitgezocht. Er is een motie over ingediend, maar het blijkt niet te kunnen. Heeft de ILT wel voldoende capaciteit? De ILT heeft een aantal prioritaire projecten en daar is dit er een van. De ILT zet wel degelijk uitdrukkelijk in op het bewaken van de rust- en rijtijden.

De heer Laçin (SP):
Dank voor het antwoord, maar het stelt mij niet gerust. De afgelopen maanden hebben wij te horen gekregen, ook van vrachtwagenchauffeurs zelf, dat de rustplekken langs de snelwegen vol met vrachtwagens en chauffeurs staan die uit andere landen komen om hier, omdat het hier wel kan, hun weekendrust door te brengen. U komt uit Brabant en u zult het vast zelf ook gezien hebben. Als we dat loslaten en kijken naar de handhaving op cabotage, rij- en rusttijden en allerlei andere aspecten, zien we dat er onvoldoende gehandhaafd wordt. Die signalen krijgen wij en de chauffeurs zeggen het zelf ook. Risicogestuurd inspecteren of gaan kijken is wat ons betreft onvoldoende. Dus wat gaat u eraan doen om ervoor te zorgen dat er risicogestuurd of niet — en hoe u het verder ook maar wilt noemen — voldoende wordt geïnspecteerd om dit soort taferelen te voorkomen?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Nou, het succes van de handhaving is niet per definitie een-op-een afhankelijk van het aantal inspecteurs dat ter plekke gaat kijken. Er wordt natuurlijk ook heel veel gedaan met het uitlezen van apparatuur. Er kunnen allerlei data voor worden geanalyseerd en het kan dus ook op modernere manieren. Het is niet altijd alleen die inspecteur ter plekke. Maar nogmaals, het is een prioritair punt van de ILT. Ze zijn er volop mee aan de slag, maar als een probleem groot is, dan moet je er veel aan doen. En dat zullen ze dan ook blijven doen.

De heer Van Aalst (PVV):
Ik hoorde de minister nog even gekscherend terugkomen op het monster, maar dat is natuurlijk absurd. Het zijn nota bene Rutte II en Kunduz die dit monster gecreëerd hebben. U heeft ervoor gezorgd dat we nu met z'n allen vaststaan. 6,4 miljard hebben Rutte II en Kunduz in de afgelopen periode bezuinigd op dit verhaal. U komt dan terug met 2 miljard, terwijl u weet dat u jaarlijks structureel 1 miljard nodig hebt. Een aantal fantastische organisaties heeft zich gebundeld in de Mobiliteitsalliantie en die heeft u dit ook medegedeeld. En dan neemt u ze niet serieus! Waarom neemt u deze mensen niet serieus en besteedt u niet gewoon 1 miljard structureel aan onze infrastructuur?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Ik dacht even dat u ging zeggen dat wij voor die files hadden gezorgd doordat we de economie weer aan de praat hebben gekregen, maar dat vermeldt u dan even niet. Maar dat is natuurlijk wel een belangrijke oorzaak, veel meer dan de bezuinigingen waar u op doelt. U zegt dat we de Mobiliteitsalliantie niet serieus nemen, maar dat doen we zeer zeker wel. Ik heb aangekondigd dat we al bezig zijn met een fileaanpak voor 2020, waarbij we nu juist al die ideeën en de inzet van al die partners in de Mobiliteitsalliantie heel serieus nemen. Dat zult u ook zien als u die aanpak straks naar de Kamer toegestuurd krijgt. We nemen daarin juist heel veel over.

De heer Van Aalst (PVV):
De minister weet als geen ander dat de Mobiliteitsagenda een plan heeft neergelegd dat heel duidelijk laat zien dat we minimaal structureel 1 miljard per jaar nodig hebben om de knelpunten op te lossen en om in 2030 niet met z'n allen vast te staan. Deze minister komt met een fooi van 100 miljoen structureel. Hoe gaat u dan die problemen oplossen?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Het is niet een fooi van 100 miljoen. Noem dat maar een fooi! We hebben natuurlijk ook al gewoon 2 miljard extra en dat is geen klein bier. Ik heb het genoemd: het is niet genoeg, want je hebt altijd meer wensen. Je wilt altijd meer projecten doen en daarom zullen we slimme en scherpe keuzes moeten maken. Maar ik denk dat de staatssecretaris en ik heel blij zijn met deze extra middelen, want hier kunnen we echt ontzettend veel mee doen. De lijst met projecten die in het regeerakkoord genoemd zijn, is toch een heel respectabel lange lijst. Als ik zie wat we nog allemaal voor ambities hebben op andere gebieden, dan denk ik dat we daar voorlopig vol mee aan de slag kunnen.

De heer Van Aalst (PVV):
Een tweede interruptie, voorzitter?

De voorzitter:
Een tweede interruptie? Gaat uw gang.

De heer Van Aalst (PVV):
Een tweede vraag, voorzitter, over de transportsector. Ik hoor de minister iets zeggen over een gelijk speelveld van weg naar water. Onze transportsector had het de afgelopen jaren al zwaar te verduren. Bedoelt u met van weg naar water dat u keihard een vrachttaks gaat invoeren? Gaat u die mensen echt zo keihard benadelen?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Nee, daar heeft het helemaal niets mee te maken. Er zijn ook heel veel transportondernemingen die een tak hebben die zich bezighoudt met vervoer over water of met vervoer over spoor. In de tijd dat ik nog gedeputeerde mocht zijn in Brabant, had Schuttevaer van die mooie stressknijpbootjes met daarop de tekst: hier vaart een file van 100 vrachtwagens. Ik denk dat dat een fantastisch voorbeeld is van wat je met multimodaal vervoer kunt bereiken. Dat heeft helemaal geen enkele relatie met het punt dat het vervelend zou zijn voor de transportsector. Ik was afgelopen zaterdag op een congres van TLN en daar hoorde ik juist, in een heel groot pleidooi, dat men vreest voor een tekort aan chauffeurs omdat het echt wel weer goed gaat met de sector. Het is niet voor niks dat er weer meer files zijn, want een deel daarvan komt door het vrachtvervoer. Ik denk dus dat we beter met ze mee kunnen denken hoe we dat duurzamer, slimmer en effectiever kunnen oplossen, bijvoorbeeld met platooning, dan dat we zeggen dat ze vooral alleen op de weg moeten blijven en niet naar het water mogen.

De heer Van Aalst (PVV):
Zo'n soort antwoord had ik wel van deze minister verwacht, met name dat laatste gedeelte en dat duurzaamheidsverhaal. De transportsector is de afgelopen jaren naar de knoppen geholpen. We hebben heel Oost-Europa hier naartoe gehaald. Onze sector is overgenomen. Onze mainports zien hun concurrentiepositie verdwijnen. Het gaat erom onze concurrentiepositie richting de rest van Europa op peil te houden, en het enige wat deze minister doet is keihard een vrachttaks invoeren voor onze transportsector. U weet toch wel ten koste van wie dat straks gaat? Dat wordt keihard doorberekend en dat komt weer bij de mensen in Nederland terecht.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Ik weet niet waar u dat vandaan haalt, want in het regeerakkoord staat heel duidelijk dat de opbrengst van die vrachttaks ingezet wordt voor verlaging van de motorrijtuigenbelasting — daar hebben ze geen bezwaar tegen, kan ik u melden — en dat de rest van het geld wordt ingezet voor innovatie in de eigen sector. En weet u wat daar het leuke van is? Niet alleen de Nederlandse transporteurs betalen dat, maar ook de buitenlandse bedrijven die hier over onze wegen rijden. Die betalen daar ook aan mee, aan de Nederlandse innovatie. Ik vind het dus echt helemaal niet zo vreselijk als dat u het voorstelt.

Dan wil ik graag starten met het blokje verkeersveiligheid. Het belang van verkeersveiligheid is evident. Iedereen in Nederland wil zich op een comfortabele manier verplaatsen en weer heelhuids thuiskomen. In een dichtbevolkt land als Nederland is dat een hele klus. We waren op de goede weg. Sinds het begin van deze eeuw is het aantal verkeersdoden gehalveerd, maar de laatste jaren neemt het aantal ongevallen toe, vooral bij kwetsbare groepen als ouderen en fietsers en met name op lokale en regionale wegen. Dat mogen we niet laten gebeuren. We moeten die negatieve trend keren. De makkelijke maatregelen liggen niet meer voor het oprapen. Ik ben daarom ontzettend blij dat zo veel partijen met ons meedenken. Zoals ook in het regeerakkoord staat, ga ik samen met organisaties en provincies en gemeenten aan de slag met het manifest "Verkeersveiligheid: een nationale prioriteit". We werken daarnaast aan een nieuw strategisch plan voor verkeersveiligheid. We zetten een nieuwe koers uit. Op basis van data en gedetailleerde risicoanalyses gaan we daar maatregelen nemen waar de risico's het grootst zijn en maatregelen het meeste effect hebben.

Samen met mijn collega van Justitie en Veiligheid ben ik daarnaast op veel fronten bezig met de smartphone in het verkeer. De smartphone is een grote zorg. Dagelijks zien we slingerende fietsen en automobilisten. Het doel is duidelijk: het aantal verkeersslachtoffers moet omlaag. De heer Dijkstra, mevrouw Van Tongeren, de heren Von Martels en Jetten, mevrouw Dik-Faber en mevrouw Van Brenk: ze hebben allemaal dit punt van het gebruik van de smartphone in het verkeer naar voren gebracht. De heer Dijkstra doet een oproep om in het wetsvoorstel roekeloos rijden van het ministerie van JenV gerichte handhaving en sanctionering goed vast te leggen. Mijn collega van Justitie en Veiligheid werkt aan een wetsvoorstel om inderdaad de straffen voor roekeloos gedrag in het verkeer te verhogen. Dit wetsvoorstel zal voorstellen bevatten voor verhoging van het strafmaximum voor een aantal delicten en voor een nadere invulling van het begrip "roekeloosheid". Ik zal de verzoeken van de Kamer over de straffen bij het gebruik van mobiele telefonie in het verkeer overbrengen aan de minister van Justitie en Veiligheid en zal hem vragen hiermee rekening te houden bij het opstellen van het wetsvoorstel.

Mevrouw Van Tongeren vroeg of het niet beter is techniek in te zetten om appen achter het stuur te voorkomen. Zij vroeg ook of ik maar wil beginnen met onze eigen chauffeurs. Om afleiding door de smartphone tegen te gaan, zet ik in op twee sporen. Het eerste spoor is een nieuwe campagne. In de loop van 2018 zal deze van start gaan. Het tweede spoor is het uitdagen van marktpartijen zoals producenten en werkgevers om stappen te nemen. Er zijn volop technische snufjes te koop die zorgen dat je niet kunt appen of sms'en zodra je de auto start. Dat is natuurlijk mooi, maar het gaat erom dat mensen die slimme snufjes ook gaan gebruiken. In september heeft het ministerie met 43 partijen een convenant gesloten over afleiding in het verkeer. De telecomsector was hierbij betrokken, net als werkgevers. Die kunnen immers afspraken maken met hun personeel. Ik vind het een goed idee van mevrouw Van Tongeren om technisch te regelen dat chauffeurs binnen ons ministerie tijdens het rijden niet kunnen appen. Ik ga daar ook mee aan de slag, want ik ben het met haar eens: goed voorbeeld doet goed volgen. Daarnaast kunnen verzekeraars een belangrijke rol spelen door goed gedrag te belonen.

Mevrouw Van Brenk vraagt hoe ik de handhaving ga versterken en of in de opleiding aandacht wordt geschonken aan de risico's van appen achter het stuur. In het plan voor verkeershandhaving in relatie tot infrastructuur en voorlichting van juni 2017 gaat de minister van JenV uitgebreid in op acties om de pakkans te vergroten. In dit plan staan ook de prioriteiten van de teams Verkeer genoemd. Afleiding, waaronder gebruik van de telefoon, is een van de prioriteiten. Het verbod op appen achter het stuur komt aan de orde bij het rijexamen. Het is belangrijk dat rijscholen hieraan aandacht blijven besteden.

Mevrouw Van Brenk heeft ook opgemerkt dat mijn voorgangster heeft aangekondigd het appen op de fiets te verbieden. Ze vraagt wanneer het voorstel hierover naar de Kamer komt. We hebben verschillende onderzoeken gedaan om meer duidelijkheid te krijgen over de relatie tussen het gebruik van smartphones op de fiets en ongevallen. Op het moment zijn we die nog aan het bestuderen, maar ik kan u toezeggen voorafgaand aan het AO van 14 december hierover een brief te sturen waarin wij u zullen informeren over de stappen die we gaan zetten.

Mevrouw Van Tongeren heeft ook in zijn algemeenheid meer aandacht voor verkeersregels gevraagd. Ze noemde daarbij het Zweedse model. Daarbij wordt eerst in kaart gebracht waar de grootste risico's zich bevinden, en daar worden de maatregelen op gericht. Dat is ook precies de koers van ons nieuwe Strategisch Plan Verkeersveiligheid: vooraf risico's in kaart brengen en daar preventieve maatregelen op nemen.

De heer Von Martels — ik zie dat hij net wou weglopen — vroeg hoe het Strategisch Plan Verkeersveiligheid zich verhoudt tot het manifest verkeersveiligheid van de maatschappelijke partners en de losse afspraken in het regeerakkoord om bijvoorbeeld slim te handhaven en N-wegen veilig in te richten. Het afgelopen jaar zijn we samen met andere overheden en maatschappelijke partners gestart met het opstellen van dat nieuwe Strategisch Plan Verkeersveiligheid. Het kabinet heeft daarnaast het manifest verkeersveiligheid van de maatschappelijke partners omarmd. De acties die hierin genoemd staan vormen een belangrijke basis voor die nieuwe strategie. Ik noemde al de innovaties, maar ook het gedrag, veilige infrastructuur, het verbeteren van de registratie en het verhogen van de pakkans komen terug. Ik verwacht het Strategisch Plan Verkeersveiligheid eind 2018 naar uw Kamer te kunnen sturen. In dit plan gaan we met partijen na waar de grootste risico's zitten, zodat we hier gericht maatregelen op kunnen nemen. Dat geldt voor alle wegen: rijkswegen, provinciale wegen en gemeentelijke wegen. Voor de veilige weginrichting van N-wegen zullen provincies en Rijk samen plannen maken. Ik zal de Kamer jaarlijks op de hoogte houden van de ontwikkelingen. Binnenkort ontvangt u voor het algemeen overleg Verkeersveiligheid een brief van mij. Daarin zal ik ook ingaan op de ongevallencijfers over 2016 en zal ik ook mijn aanpak beschrijven. Dat zal een combinatie zijn van gedrag, techniek en regelgeving.

Mevrouw Van Brenk vroeg of ik bereid ben om ter voorkoming van willekeur duidelijke criteria op te stellen ten aanzien van het per direct opschorten van het rijbewijs. Ik kan u verzekeren dat er geen sprake is van willekeur. Het CBR kan de geldigheid van een rijbewijs alleen schorsen in gevallen die concreet in de ministeriële regeling staan opgesomd. Een van die gevallen is dat er duidelijke aanwijzingen zijn dat betrokkene leidt aan een aandoening waardoor hij geestelijk of lichamelijk niet goed functioneert of ernstige psychiatrische problemen ondervindt. Bij twijfel moet een medisch deskundige dat bevestigen.

De heer Bisschop vroeg of ik werk wil maken van een bestuursakkoord verkeersveiligheid. Ik noemde net al het Strategisch Plan Verkeersveiligheid dat we maken, samen met VNG, IPO en het ministerie van JenV. Ook andere partijen zoals de ANWB, de SWOV, de Fietsersbond en Veilig Verkeer Nederland doen mee. We betrekken ook IPO en VNG erbij, juist omdat veel slachtoffers vallen op provinciale en gemeentelijke wegen. Ik vind het belangrijk dat deze partijen erbij betrokken zijn en zich aan het strategisch plan committeren. Het gaat nadrukkelijk veel verder dan alleen de bestuurlijke partners. Welke vorm het meest geschikt is, of we dat nou een bestuursakkoord moeten noemen of iets anders, wil ik graag aan de hand van de uitkomsten bekijken.

De heer Bisschop vroeg ook nog of het kabinet gaat zorgen voor meer staandehoudingen en meer alcoholcontroles en of ik hierop wil aandringen bij mijn collega van Justitie en Veiligheid. In het plan voor verkeershandhaving in relatie tot infrastructuur en voorlichting van juni 2017 gaat de minister van Justitie en Veiligheid uitgebreid in op de acties om het aantal staandehoudingen te verhogen. In januari van dit jaar heeft de minister van JenV de Kamer gemeld dat de korpsleiding heeft besloten de verkeershandhaving te intensiveren. Ik denk ook dat dat een goed signaal is. Handhaven op alcoholgebruik in het verkeer is en blijft een van de prioriteiten.

Dat was het setje vragen over dit blokje, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel.

De heer Remco Dijkstra (VVD):
Gisteren ging het erg over verkeersveiligheid en specifiek het appen in het verkeer. Ik ben blij dat de minister in overleg treedt met haar collega van Justitie. Kunnen we het appen zo meteen ook gaan scharen onder roekeloos rijden?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Dat zullen we juist goed moeten bespreken met de collega's van Justitie en Veiligheid, want dan kom je in de juridische beschrijving van de term "roekeloos" en of dit daaronder zal vallen. Ik denk dat wij het in het algemeen spraakgebruik heel snel met elkaar eens zijn dat het roekeloos gedrag is. Maar of dat juridisch goed dicht te timmeren is, moeten wij echt aan de collega's van JenV overlaten omdat het in hun wetgeving moet passen. Ik ga graag met hen in overleg en zal er graag op aandringen dat zij daar heel goed naar kijken.

De heer Remco Dijkstra (VVD):
Het is natuurlijk een combinatie van preventie, waar de minister het een en ander over noemde, van handhaving, waar zij ook het een en ander over noemde en wat ons betreft van sanctionering. Als ik zo beluister wat er thans gaande is en hoe vaak een smartphone in het verkeer wordt gebruikt met een dodelijk ongeluk tot gevolg, dan denk ik dat wij hier de maatschappelijke norm moeten stellen dat dat gewoon niet kan. Ik denk ook dat wij dat gelijk moeten stellen aan andere zaken die bij roekeloos rijden van toepassing zijn. Ik wil graag dat je als veroorzaker van een dodelijk ongeluk niet meer kan wegkomen met een taakstraf. Ik vind dat je bij recidive, wat helemaal ernstig is, nooit meer achter het stuur moet kunnen komen. Kan de minister daarop reflecteren?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Ik denk dat we die gevoelens met elkaar delen en dat we het appen en het gebruik van de smartphone achter het stuur willen aanpakken. Het gaat er alleen om hoe je dat goed opgenomen krijgt in dat wetsvoorstel. Ik wil mij daar heel graag voor inzetten in de contacten met de collega's van JenV, maar we zullen het aan hen moeten overlaten hoe dat dan precies in de wet moet worden opgenomen.

De heer Remco Dijkstra (VVD):
Dan ben ik blij dat we dit gewisseld hebben. Het moet natuurlijk juridisch houdbaar zijn. Dat is van belang.

De voorzitter:
Dank u wel. Dit was uw derde keer.

De heer Jetten (D66):
Ik dank de minister voor de beantwoording en voor een aantal heel mooie toezeggingen die zij doet aan deze Kamer. Er zijn veel suggesties vanuit de Kamer gekomen. Ik ben blij dat de minister daar direct mee aan de slag gaat.

Tegelijkertijd ben ik, zeker als ik de schriftelijke beantwoording lees, wat teleurgesteld over twee punten. Het eerste punt is de timing van het strategisch plan. Ik vind het een beetje ouderwets denken om als de brancheorganisaties samen met de gemeenten, het OM en de politie al een manifest klaar hebben liggen, te zeggen: we gaan een strategisch plan maken en dat krijgt u eind 2018. Dat vind ik eigenlijk niet passen bij dit onderwerp en bij de urgentie die we allemaal voelen. Ik wil de minister uitdagen om gewoon te zeggen: dat strategisch plan doen we lekker dun, dat krijgt u in het voorjaar al en we gaan gewoon gaandeweg de komende vier jaar dat strategisch plan steeds updaten. Dan wordt het meer een actieagenda die we met elkaar aangaan. Ik zou graag de minister daartoe uitdagen.

Mijn tweede punt zit hem op de registratie van de ongevallen. Ik snap dat de minister antwoordt dat zij natuurlijk nooit 100% kan registreren wat er is gebeurd. Maar dan zegt zij ook: de registratie kan wel leiden tot inzicht in de locatie, maar geen inzicht in de echte oorzaak van ongevallen geven. Daar missen we toch een enorme kans, denk ik.

De voorzitter:
Dank u wel.

De heer Jetten (D66):
Als we niet beter gaan onderzoeken wat de oorzaken zijn, kunnen we er ook niet gericht mee aan de slag. U moet ook nog een motie van Belhaj uitvoeren en ik zou u toch willen vragen om dat te doen.

De voorzitter:
Uw vijfde punt, ja. De minister.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Het strategisch plan was het eerste punt waar u naar vroeg, meneer Jetten. U vroeg of dat niet eerder kan. Ik wil juist even de tijd nemen om niet weer alleen met een plan, met een visie, aan te komen. De manier waarop ik "plan" uitleg, is ook echt gevuld met acties. Wat gaan we doen en in welk tijdframe? Het wordt eind 2018 echt geen opsomming van wat de alliantie al heeft opgeschreven. Nee, dan gaan we echt laten zien wat we ermee doen.

Uw tweede punt was het registreren van ongevallen. Ik denk dat we dat met elkaar delen en dat we er allemaal behoefte aan hebben om zo precies mogelijk te weten waarom er waar ongelukken gebeuren. Het is alleen in de praktijk ontzettend ingewikkeld om die informatie te krijgen. Ik noem één voorbeeld. Als er ergens een dodelijk ongeval gebeurt waarbij alcohol of drugs in het spel zijn, speelt bij het krijgen van de informatie privacy een rol. Dus dat weet je vaak niet. Als iemand naderhand, een aantal dagen later, alsnog overlijdt in een ziekenhuis, wordt het ook niet altijd meer teruggebracht naar de plek en hoe het ongeluk precies gebeurd is. Ik deel dus heel erg met u het streven om dat zo goed mogelijk te optimaliseren, maar we moeten ook met elkaar beseffen dat het geen makkelijke opgave is om dat heel precies te doen. Maar ik deel zeker de ambitie om te bekijken waar we dat kunnen verbeteren — in die zin ben ik ook blij dat de politie er meer aandacht voor heeft — en om te kijken hoe we dat op een zo hoog mogelijk plan kunnen krijgen.

De heer Jetten (D66):
Ik dank de minister voor de beantwoording. Ik ga ervan uit dat zij als zij de registratie verder uitwerkt, ook uitvoering geeft aan de motie-Belhaj. Maar de beantwoording nu stelt me geruster dan de schriftelijke beantwoording.

Voorzitter, tot slot. De minister heeft net aangekondigd een grootscheepse campagne te starten over telefoongebruik in het verkeer. Dat zie ik dan maar als de eerste actie uit het strategisch plan en ik hoop dat we in de loop van 2018 meer van dat soort concrete plannen gaan zien, voordat de brede agenda komt.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Het zal zeker niet zo zijn dat we niets doen totdat het plan er is. We gaan gewoon al voortvarend aan de slag.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):
Ik deelde de teleurstelling een beetje. De algemene richting is goed. Maar we hebben een vorige campagne gehad, Een beetje chauffeur laat zich niet afleiden, ook samen met de rijksoverheid. Daar zaten bedrijven bij als Esso, BP, Shell, Allsecur, de Gasunie, EVO en Tata Steel. Die zouden allemaal, alle mensen die in werktijd reden, stoppen met het in hun hand hebben van hun telefoon. Daar is niet zo heel erg veel van terecht gekomen, als de analyse is dat het aantal ongelukken vanwege die telefoons toch toeneemt. Ik ben blij dat de chauffeurs van de ministeries aan de slag gaan met de techniek om dat te stoppen. Maar ook dat is een ding dat gesteund wordt en dat relatief simpel in te voeren is. Je hebt dan ook het probleem met de bewijslast niet bij een ongeluk. Als je dat hebt ingesteld, kan je op de telefoon zien dat daar gewoon niet mee geappt kan zijn. Ik noem die hele nare zaak van Yannick, waar werd gekeken of het wel of niet zo was, Als jij gewoon als burger dat niet wil, kan je een van die niet te omzeilen apps in je auto hebben met een klein zendertje erbij en dan is het klaar. Het hoeft toch geen jaar te duren voordat de minister bijvoorbeeld met de sector daarover in gesprek gaat? Twee mensen per dag gaan dood in het verkeer.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Het is ook niet dat we het een doen en het ander laten. Het voorbeeld dat u noemt over het voorbeeldgedrag van de chauffeurs is één ding. Het is ook altijd van belang om toch een goede campagne in te zetten. De heer Dijkstra wil juist vooral inzetten op het wetgevingstraject. Het zal een kwestie zijn van gedrag, techniek en regels. We zullen dat allemaal maximaal moeten inzetten waar we kunnen om er gezamenlijk voor te zorgen dat het echt ook letterlijk iets is wat niemand meer wil doen.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):
We hebben ook metrochauffeurs, buschauffeurs en treinchauffeurs. Er zijn heel veel mensen in dienst bij JenV en bij andere departementen. Een gedragsbeïnvloedingstechniek vereist een heel lange adem. Zijn deze bewindspersonen bereid om vlotter in gesprek te gaan met al die organisaties om te kijken of de technische oplossing niet veel sneller, beter en afdoende is? Het is ook beter voor de persoon zelf: je kan dan nooit ten onrechte beschuldigd worden van appen achter het stuur, want je kan gewoon zien dat jij dat niet gedaan hebt.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Dan val ik in herhaling. Ik zal graag bij organisatie waar ik mee in aanraking kom, er aandacht voor vragen. Het gaat om én proberen om toch, hoe moeilijk het ook is, dat gedrag te beïnvloeden, én om duidelijk regels stellen én om gebruikmaking van techniek, zoals u dat ook voorstelt.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik wil graag reageren op het schriftelijke antwoord op ons voorstel om een cursus en een certificaat voor de scootmobiel te introduceren. De minister heeft ons voorstel helaas niet goed begrepen. Wij willen helemaal geen zware eisen stellen of drempels opwerpen, zoals zij suggereert. Wij willen juist de veiligheid van de gebruikers zelf en van de medeweggebruikers bevorderen. Wat ons betreft is daar niets geks aan en is die nu onvoldoende. Daarnaast vinden wij, en ik vind het belangrijk om dat toch te zeggen, het antwoord zoals de minister het geformuleerd heeft, stigmatiserend. Eigenlijk zegt ze: we stellen geen eisen, omdat de mensen het toch al zo moeilijk hebben en dat we het dan moeilijker maken. Wat ons betreft is dat geen argument. Het allerbelangrijkste is dat mensen weten hoe zijn hun scootmobiel op een veilige en een juiste manier moeten gebruiken. Daar gaat het om. Zo help je hen juist om zelf actief mobiel te blijven, en op een veilige manier. Deze mensen zijn gewoon volwaardige verkeersdeelnemers en ik vind ook dat de minister ze als zodanig moet behandelen. De minister spreekt ook over de SWOV.

De voorzitter:
Gaat u richting een vraag?

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
De SWOV doet een dieptestudie. Hoe diep is diep? Heel diep; sinds 2015 ondergedoken, lijkt het wel. Er was een toezegging voor eind 2017.

De voorzitter:
En uw vraag is?

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Nu is het medio 2018. Wij willen een exacte datum. Wanneer komt die studie nou?

De voorzitter:
Heel goed. De minister.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik was nog niet klaar, voorzitter.

De voorzitter:
Nee, dat dacht ik al.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Er was ook een vraag over de veiligheid rondom spiegels. Daar komt de minister niet op terug. En zij geeft net een reactie op de criteria van het CBR. Wij krijgen echt andere signalen. Wij krijgen signalen dat die deskundigen niet ingeschakeld worden …

De voorzitter:
Gaat u afronden?

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
… en dat het dus willekeur is. Ik zou de minister toch graag daarop nog een keertje willen bevragen.

De voorzitter:
Heel goed. De minister.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Mevrouw Van Brenk zegt dat wij de gebruikers van de scootmobiels stigmatiseren. Ik denk juist het tegenovergestelde. Wij laten zien dat we ze net als iedere andere verkeersdeelnemer hun eigen verantwoordelijkheid laten nemen. Er zijn al allerlei mogelijkheden voor cursussen over hoe om te gaan met een scootmobiel. Dat is ook helemaal prima. Als mensen daar behoefte aan hebben, juichen we van harte toe dat ze daar gebruik van kunnen maken. Het voorstel van mevrouw Van Brenk heb ik als volgt begrepen. Mevrouw Van Brenk zegt dat het allemaal niet zo zwaar is, maar ze stelt toch voor dat mensen een certificaat moeten halen. Sterker nog, dat ze daarna dan ook nog weer voortdurend terug moeten voor een opfriscursus. Dat vind ik nogal belastend. Of dat allemaal nodig is, laat ik ook dan voor een deel echt wel afhangen van dat onderzoek, wat inderdaad een diepgravend onderzoek is, naar wat er precies aan de hand is met die scootmobiels in ons verkeer. Waar zitten de problemen? Waar komt dat precies door? Als we daar een gedegen onderzoek van hebben, kan ik misschien ook de vraag beantwoorden hoe dat nou precies zit met die spiegels en wat dat doet voor de veiligheid. Daar kan ik zo uit de losse pols geen antwoord op geven. Dat wil ik echt in samenhang in dat onderzoek met u bespreken. Mevrouw Van Brenk noemde het voorbeeld van het CBR. Zij hoort andere geluiden in die zin dat er wel willekeur zou zijn bij het CBR. Ik heb daar nog geen bewijzen van gezien, dus ik vertrouw er gewoon op dat het CBR de regels zoals wij die met elkaar hebben gesteld keurig naleeft.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik zal het antwoord niet herhalen, maar het is zeker wel stigmatiserend. Maar goed, dat is een verschil in opvatting. Maar ik wil toch echt een datum horen. "Medio 2018" klinkt heel ver. Dat kan juni zijn. Dat kan juli zijn. Kan dat niet in het eerste kwartaal? Ik neem aan dat ze sinds 2015 toch echt wel een keertje opgeschoten zijn. Waarom moet dat zo lang duren? Een datum graag.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Als het in het eerste kwartaal had gekund, dan hadden wij dat wel aangegeven. Er staat "medio 2018". Ik kan hier echt geen losse datum aan gaan koppelen. U zult het daar echt mee moeten doen, want meer specifiek kan ik het niet plannen.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
U bent geen opdrachtgever?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Ja, maar dat gaat niet precies op een datum: op vrijdagmiddag 23 nog wat om 12.00 uur moet het rapport er zijn. Zo strak zijn wij niet.

Dan ga ik verder met het blokje slimme mobiliteit. Ik begon mijn verhaal vandaag met mijn belangrijkste ambitie: hoe houden wij Nederland bereikbaar? Investeringen in infrastructuur zijn slechts een deel van het verhaal. Wij zullen het ook moeten hebben van innovatie en slimme mobiliteit. Nieuwe technieken kunnen helpen om Nederland in beweging te houden, maar ook om de CO2-uitstoot van het verkeer terug te dringen en de verkeersveiligheid te verbeteren. Op dit moment wordt meer dan 90% van de ongevallen veroorzaakt door menselijke fouten. Ik heb hoge verwachtingen van de analyse van de toenemende stroom aan data. Die brengt ons slimmere reis- en routeadviezen, en nieuwe mobiliteits- en deelconcepten. Ik zie ook grote potentie in de nieuwe generatie voertuigen, die steeds meer zelfrijdend wordt. Nu al kunnen sommige auto's automatisch remmen als ze achterop een file dreigen te rijden. Ook kunnen ze je binnen de lijntjes houden. De techniek is er al. Begin 2018 beginnen wij in het publiek-private project Talking Traffic met auto's die voorzien zijn van realtime informatie over incidenten op de eigen route, zodat bestuurders sneller en veiliger kunnen inspelen op verkeerssituaties. In de logistiek wordt al getest met truck platooning, waarbij twee of meer trucks met elkaar verbonden zijn via wifi. Hierdoor kunnen ze veilig dicht op elkaar rijden en 5% tot 10% brandstof besparen.

Het regeerakkoord noemt ook Mobility as a Service. Mobility as a Service gaat over multimodale apps, waarmee reizigers eenvoudig kunnen plannen, boeken, reizen, aanpassen en betalen. Alle vervoer in één app: ov, maar ook deelauto's en deelfietsen. Mijn doel is om dit soort innovaties te versnellen, aan de ene kant door regelgeving aan te pakken en experimenten mogelijk te maken, en aan de andere kant door onze infrastructuur gereed te maken. Daarnaast oriënteren wij ons op innovatieve toepassingen die wat verder in de toekomst liggen, zoals vervoer met drones en de hyperloop. Innovaties in het verkeer zijn goed voor de mobiliteit én onze economie, dus ik moedig ze graag aan, waarbij ik wel benadruk dat de vraagstukken rond privacy en cybersecurity ook goed geregeld moeten zijn.

De heer Jetten, de heer Dijkstra en de heer Amhaouch vragen welke mogelijkheden er zijn om nieuwe ontwikkelingen als de hyperloop mogelijk te maken. Zoals u weet, is er in het regeerakkoord aandacht voor innovaties en smart mobility. De hyperloop lijkt hier goed in te passen. We hebben in Nederland veel kennis van smart mobility, testen en standaardiseren. Ik ben in gesprek met de initiatiefnemers over een testlocatie. Op basis van gegevens van twee hyperloopbedrijven heeft TNO uitgebreid onderzoek gedaan naar de haalbaarheid van een testlocatie. Ook het bedrijfsleven heeft aangegeven graag een testlocatie te willen. Het heeft mijn voorkeur dat het geld vooral uit het bedrijfsleven komt, want een testbaan is alleen nuttig als er ook echt ontwikkelpotentie is. Interesse vanuit het bedrijfsleven is daarvoor doorgaans een goede test. Daarnaast kunnen we bekijken of naast kennis en expertise ook een bescheiden bijdrage vanuit overheden, IenW, EZK, OCW of eventueel de Europese Commissie mogelijk is. Een interessante optie zou wellicht ook Invest-NL kunnen zijn. Afsluitend: steun voor het initiatief, maar een goede, stevige businesscase is voor mij wel een harde voorwaarde om hier als overheid financieel in te stappen.

Mevrouw Van Tongeren stelde de vraag hoe je komt tot toekomstbestendige infrastructuur. O, ik zie dat zij een plekje opgeschoven is. In het regeerakkoord hebben we afgesproken bij ontwerp, aanleg en onderhoud van infrastructuur rekening te houden met zelfrijdende voertuigen. Voor de rijtaakondersteuning die sommige auto's nu al hebben, is het bijvoorbeeld nodig dat de belijning eenduidig en herkenbaar is. Auto's zijn in toenemende mate in staat om verkeersborden te lezen. Ook daarvoor geldt: eenduidige verkeersborden met meer symbolen en minder tekst. Stelt u zich eens voor dat u Nederland binnenrijdt via Limburg en dat u een bordje ziet staan met daarop "na zoveel meter ritsen". Dat is nu al zo. Als buitenlanders het woord "ritsen" gaan opzoeken, dan weet ik niet of het goed komt. Dat gaat natuurlijk straks ook een rol spelen. We moeten steeds meer naar symbolen toe om het uniform door heel Europa goed herkenbaar te krijgen.

Voor de ontwikkeling van de zelfrijdende auto moet de fysieke omgeving bovendien digitaal beschikbaar zijn. Het inwinnen, up-to-date houden en beschikbaar stellen van data over die omgeving is essentieel. Daar komt bij dat auto's die nu in ontwikkeling zijn, niet meteen op alle wegen en in stedelijk gebied zelfstandig kunnen gaan rijden. In overleg met autofabrikanten wil ik eisen vastleggen waar die infrastructuur specifiek aan moet voldoen om zo snel mogelijk veilig met de nieuwe technieken de weg op te kunnen.

In de laatste jaren is al hard gewerkt aan de connectiviteit tussen voertuig en wegkant. Samen met Duitsland en Oostenrijk ontwikkelen we hiervoor technieken. Het gaat dan bijvoorbeeld om waarschuwingen in de auto voor wegwerkzaamheden. Op langere termijn ontstaan ook kansen om de ruimte op de weg beter te benutten. Het is cruciaal dat we het mogelijk maken om ervaring op te doen. Testen op de openbare weg leveren daarvoor waardevolle kennis.

Dat was het wat dit blokje betreft. Iedereen is tevreden. Nou, dan ga ik verder met het blokje "luchtvaart".

De voorzitter:
Snel, voordat iemand wakker wordt.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Ja. Voorzitter. Een goede luchthaven Schiphol is belangrijk voor de Nederlandse economie en onze aantrekkingskracht als vestigingsland. In de afgelopen jaren is de luchtvaart fors gegroeid. Niet alleen voor het zakelijke verkeer, maar ook voor een weekendje Wenen of voor een vakantie naar Thailand pakken mensen het vliegtuig. Schiphol is de Europese luchthaven met de meeste directe verbindingen en een sterk internationaal netwerk. Daar kunnen we trots op zijn. Aan de groeiende populariteit van vliegen zit echter ook een andere kant. Meer vliegtuigen zorgen voor meer geluid en daar hebben mensen last van. De groei van het vliegverkeer heeft ook gevolgen voor de CO2-uitstoot. We moeten al deze belangen zorgvuldig tegen elkaar afwegen. We willen een omslag naar een duurzamere en slimme luchtvaart.

De ervaringen rond Lelystad Airport leren dat er een brede behoefte bestaat bij bewoners, overheden en gebruikers van het luchtruim om hier meer bij betrokken te worden dan in het verleden. Die behoefte neem ik serieus en zal ik een plek geven bij het opstellen van de nieuwe Luchtvaartnota. Vanaf het begin wil ik bewoners, andere overheden, kennisinstellingen en deskundigen daarbij betrekken en samen een plan maken voor de toekomst.

Voorzitter. Veel partijen in de Kamer gingen in op de uitbreiding van Lelystad Airport en de herindeling van het luchtruim. Mevrouw Kröger vroeg bijvoorbeeld of ik mij het afgenomen vertrouwen bij de omgeving van Schiphol aantrek. Ik kan haar zeggen dat ik mij dat zeker aantrek. Voor alle partijen in de Omgevingsraad Schiphol is het cruciaal dat er op basis van vertrouwen gesproken wordt over de twee adviesaanvragen die nu voorliggen. Begin volgend jaar spreek ik met de partijen van de ORS over de lopende adviesaanvragen. Deze week heb ik u de beantwoording gestuurd van de schriftelijke vragen over de wijziging van het Luchthavenindelingsbesluit. Ik heb hierin benadrukt dat nieuwe bewoners rondom Schiphol geen zwijgplicht hebben. Voor de details verwijs ik naar de brief. Vertrouwen is cruciaal. Ik hecht er daarom aan dat nieuwe bewoners goed geïnformeerd worden over de mogelijke geluidsoverlast die zij zullen kunnen gaan ervaren. Op basis daarvan kunnen ze dan een bewuste keuze maken om ergens wel of niet te gaan wonen. De regio en de sectorpartijen hebben afspraken gemaakt over het informeren van nieuwe bewoners. Ik denk dat dat een stap in de goede richting is.

De heer Laçin stelde een vraag over de uitbreiding van Lelystad Airport. Mijn inspanning is erop gericht Lelystad Airport op 1 april 2019 open te laten gaan voor commercieel verkeer. Dat heeft mijn voorganger begin dit jaar met uw Kamer afgesproken. Dit is belangrijk voor de positie en ontwikkeling van Schiphol als internationaal knooppunt van verbindingen. De afgesproken grens van jaarlijks 500.000 vliegbewegingen op Schiphol tot en met 2020 is in zicht. Er is tot die tijd nauwelijks meer groeiruimte op Schiphol. Dit legt een grote druk op de door het kabinet onderstreepte hubfunctie van Schiphol. Voor Lelystad Airport dient nog besluitvorming plaats te vinden over de aansluitroutes. Ik heb begrip voor de zorgen die er in de regio leven over die aansluitroutes, zeker als nog niet precies helder is hoe deze routes gaan lopen en hoe hoog gevlogen gaat worden.

Over mijn inzet wil ik duidelijk zijn. Ik wil de omgeving, provincies, gemeenten, de kleine luchtvaart en, last but not least, de inwoners heel goed bij de besluitvorming betrekken. Het proces naar de openstelling moet zorgvuldig en transparant verlopen op basis van de juiste gegevens. De afgelopen tijd hebben we ons best gedaan om bewoners te informeren en stakeholders erbij te betrekken. In de regio zijn informatiebijeenkomsten gehouden. Daarna heeft een uitgebreide en zorgvuldige internetconsultatie plaatsgevonden. Parallel hieraan liep het consultatietraject van luchtruimgebruikers. Er is met veel partijen, zoals vliegveld Teuge en koepelorganisaties, gesproken. Met uw Kamer is verder afgesproken om een bewonerscomité te vragen advies uit te brengen. Dat advies zal ik aanstaande vrijdag in ontvangst nemen. Maar ik besef dat er meer nodig is. Ik wil werken aan de zorgvuldigheid en kwaliteit van het proces.

De heer Laçin stelde dat het kabinet af wil van een maximumaantal vluchten op Schiphol, terwijl nu al veel mensen hinder ondervinden. In het regeerakkoord staat dat de focus niet moet liggen op het aantal vliegtuigbewegingen maar op hinderbeperking. Via de fiftyfiftyverdelingsregel van de milieuwinst geven we een eerste invulling aan het belang van hinderbeperking. Bij milieuwinst door bijvoorbeeld stillere vliegtuigen mag slechts de helft van deze winst worden ingezet voor de verdere groei van de luchthaven.

De heer Jetten en de heer Bisschop vroegen wanneer de Tweede Kamer het plan van aanpak voor de herindeling van het luchtruim krijgt. Ook werd gevraagd naar de rol van belanghebbenden in dat proces. U krijgt voor het kerstreces een plan van aanpak. Hierin zal ik ook een voorstel opnemen over hoe ik de rol van belanghebbenden zie. Die betrokkenheid wil ik samen met belanghebbenden uitwerken. Mijn ambtsgenote van Defensie en ik zijn samen opdrachtgever van de luchtruimherziening. Ik ben er erg blij mee dat ik hier met haar zo goed in kan gaan optrekken. We gaan dit echt samen integraal bezien. Het zal plaatsvinden in nauwe samenwerking met en tussen de militairen en de civiele luchtverkeersleiding. De civiele en militaire partijen spreken ook al met onze buurlanden; daar was ook naar gevraagd. Het doel is om tijdig tot afspraken op politiek niveau te komen.

Mevrouw Van Brenk vroeg mij om een reactie op het verhaal dat het niet nodig is om tot 2023 te wachten met de herindeling van het luchtruim. De roep is, heel begrijpelijk, om sneller met een herinrichting van het luchtruim te komen. Deze herinrichting moet onder andere ruimte bieden om de aansluitroutes voor Lelystad Airport standaard hoger te laten lopen. Ik deel deze behoefte zeer, maar het moet wel kunnen. Zoals gezegd is de herziening van het luchtruim een zeer ingrijpend proces. In het regeerakkoord heeft het kabinet daarom aangegeven de voorgenomen aanpassing van het luchtruim per 2023 te willen realiseren, of zoveel eerder als mogelijk. Zoals toegezegd zal ik uw Kamer voor het kerstreces het plan van aanpak voor de herziening van het luchtruim toesturen.

De heer Jetten vroeg wat ik ga doen om het gebruik van biokerosine te verhogen bij luchtvaartmaatschappijen die Nederland aandoen. We doen al veel om het gebruik van duurzame biokerosine te verhogen. Zo maken de ministeries van IenW en EZK deel uit van het Bioport Holland-initiatief. Hierin zijn partijen uit de hele keten betrokken. Daarnaast neemt mijn ministerie deel aan het KLM Corporate BioFuel Programme. Uiteindelijk zal de markt aan zowel de gebruikers- als de aanbiederskant op gang moeten worden gebracht. Innovatie en opschaling moeten ervoor zorgen dat het prijsverschil tussen fossiele kerosine en biokerosine kleiner wordt. Met een actief stimuleringsbeleid kan Nederland zich ontwikkelen als belangrijke Europese leverancier van biokerosine. We bekijken de mogelijkheden voor subsidies.

De heer Jetten, mevrouw Van Brenk en de heer Bisschop vroegen naar de belasting op luchtvaart en hoe ik die wil aanpakken op Europees niveau. Om een bijdrage te leveren aan de klimaatdoelen van Parijs is het kabinet van plan om een aanvullende prijsprikkel te introduceren. Die komt boven op het bestaande EU-emissiehandelssysteem voor de luchtvaart en het mondiale CO2-compensatiesysteem voor de luchtvaart dat in 2021 van start gaat. In het regeerakkoord is aangegeven dat het kabinet inzet op Europese afspraken hierover. Verder bekijken we of een heffing op lawaaiige en vervuilende vliegtuigen mogelijk is. Als dat alles onvoldoende oplevert, komt er per 2021 een nationale vliegbelasting. Het kabinet wil medio 2018 — daar is het weer, mevrouw Van Brenk — schetsen welke opties er zijn voor een Europese luchtvaartbelasting en of daarvoor draagvlak is bij de andere EU-lidstaten.

Mevrouw Van Brenk vroeg waar een heffing op lawaaiige en vervuilende vliegtuigen van afhankelijk is. In de eerste plaats moet de heffing passen binnen de internationale afspraken hierover. Daarnaast moet zo'n heffing het doel dienen. Ze moet te handhaven zijn en de operationele en uitvoeringsconsequenties moeten helder zijn. Ik sprak eerder al over onze inspanningen op het gebied van duurzame biokerosine en technologische innovatie. Wellicht kunnen we de heffing hieraan koppelen. De ministeries van Financiën, IenW en EZK zullen deze heffing in Europese dan wel nationale belasting gezamenlijk vorm gaan geven.

Dan vroeg mevrouw Van Brenk ook nog wat we in het regeerakkoord bedoelen met slimmer vliegen. Ik heb al gezegd dat ik innovatie belangrijk vind. Vliegtuigbouwers werken aan hybride vliegtuigmotoren. Misschien is dat wel een eerste stap naar elektrisch vliegen. Natuurlijk zullen er ook nog andere nieuwe technologieën worden geïntroduceerd. Maar bij slimmer en duurzamer gaat het om verschillende aspecten: een efficiënt gebruik van het luchtruim, het inzetten van duurzame biobrandstoffen en het benutten van de mogelijkheden van de huidige technologie om het vliegen efficiënter te maken. Dat kan bijvoorbeeld door lichtere materialen toe te passen. Bij nieuwe technologie kan dan sprake zijn van een totaal ander concept van vliegen, zoals het elektrisch of hybride vliegen.

De heer Bisschop stelde mij de vraag of ik mij wil inspannen om laagvliegherrie zo veel mogelijk te voorkomen. Uiteraard wil ik de geluidshinder van de aansluitroutes voor Lelystad Airport zo veel mogelijk beperken. Op dit moment worden de voorstellen van de verschillende consultaties verwerkt. Met de luchtverkeersleiders bekijken we of we in het ontwerp tot verbeteringen kunnen komen die tot minder hinder op de grond leiden en ook bijdragen aan efficiënter vliegen. Het streven is om uw Kamer in december aan te geven welke voorstellen kunnen worden overgenomen. Overigens is het zo dat in de praktijk, als het overige verkeer dat toestaat, vaak hoger zal kunnen worden gevlogen. Op termijn zal de herziening van het luchtruim mogelijk ruimte bieden om de aansluitroutes voor Lelystad Airport beter, bijvoorbeeld hoger, in te passen. Dat was het blokje luchtvaart.

De heer Laçin (SP):
Ik ben blij om te horen dat de minister begon met te zeggen dat ze het vertrouwen van de mensen wil terugwinnen en dat ze daarvoor een aantal stappen wil nemen. Een paar zinnen later hoorde ik de minister ook zeggen dat ze wil vasthouden aan de openingsdatum van de uitbreiding van Lelystad Airport op 1 april 2019. Dat gaat wat ons betreft niet samen. Er zijn hier 80.000 handtekeningen overhandigd, er zijn duizenden mensen die mailtjes hebben gestuurd, bijeenkomsten hebben bijgewoond en actie hebben gevoerd. En dan is het antwoord van de minister dat ze wil vasthouden aan 1 april. Daarmee wint de minister niet het vertrouwen terug van de mensen. Want wat is het geval? De ongebreidelde groei van Schiphol zou pas in 2020 de 500.000 bewegingen raken, maar dat gebeurt dit jaar al. Dat komt doordat we op Schiphol de lowcostcarriers en de Midden-Oostencarriers allemaal met open armen hebben ontvangen.

De voorzitter:
En uw vraag?

De heer Laçin (SP):
Ik werk ernaartoe, voorzitter.

De voorzitter:
Ja, dat vreesde ik al.

De heer Laçin (SP):
Dat wentelen we nu af op Lelystad Airport en 700.000 mensen die hierdoor geraakt worden. Dat wentelen we af op die mensen. Waarom? Omdat we 2% van de vliegbewegingen van Schiphol op Lelystad moeten hebben tot 2023.

De voorzitter:
U blijft toewerken naar de vraag, hè?

De heer Laçin (SP):
Zeker. En die herindeling van het luchtruim komt toevallig ook in 2023 of zo veel eerder als mogelijk is. Dus waarom spreken we hier niet af met z'n allen dat we eerst wachten op de herindeling van het luchtruim, dat we op Schiphol gaan kijken hoe we die 2% groei vast kunnen houden of tegen kunnen houden de komende jaren en dat we de mensen het vertrouwen teruggeven en het gevoel geven dat ze gehoord worden? Waarom kan de minister dat niet zeggen?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Er ligt een opdracht vanuit deze Kamer om de uitbreiding van Lelystad Airport uiterlijk 1 april 2019 tot stand te brengen. Dat is al een keer uitgesteld. Ik ben aangesteld om uw opdrachten uit te voeren. Dat probeer ik zo goed mogelijk te doen. Nogmaals: als we dat kunnen halen — en daar zijn we mee bezig — gaan we dat zeker doen, want dat is de opdracht die ik vanuit de Kamer heb gekregen. Dat neemt niet weg dat ik zeker voor de lange termijn kijk waar we tot verbeteringen kunnen komen. Ik ben er echt van overtuigd dat het anders en beter kan. Ik zal er alles voor doen om dat proces op een andere manier vorm te geven en ik wil u daar graag binnenkort over informeren.

De heer Laçin (SP):
Ik ben blij met delen van dit antwoord, omdat ik toch een opening zie om dingen anders aan te pakken als de Kamer dat zou willen en als dat zou kunnen. Daar ben ik blij mee. Ik heb nog de volgende vervolgvraag. Die 10.000 bewegingen: het gaat om 2% van de vliegbewegingen op Schiphol, terwijl Schiphol in 2016 met 6% is gegroeid. Die 2% stelt helemaal niks voor, zo wil ik benadrukken. Gaat die 2% voor deze minister voor of zijn de wensen en eisen van duizenden inwoners en omwonenden die hierdoor geraakt worden belangrijker?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
In deze Kamer heeft een zorgvuldige afweging plaatsgevonden van belangen van Schiphol als mainport, van alle Nederlanders die willen reizen, van werkgelegenheid die ermee is gemoeid en ook van overlast voor omwonenden. Dat alles is in de Kamer op een evenwichtige wijze afgewogen en daaruit is deze opdracht voortgekomen die ik probeer uit te voeren.

De heer Amhaouch (CDA):
De minister heeft niet geantwoord op de vragen die wij hadden over de veiligheid, over de OVV. In een schriftelijke beantwoording hebben wij die antwoorden wel gehad, dus er komt nog een debat. De mensen op de vloer en de Vereniging Nederlandse Verkeersvliegers hebben daarover al de alarmbellen laten afgaan en voor ons is het heel belangrijk dat wij die echt gaan betrekken. Dat bewaar ik dan voor het debat. Waar ik naartoe wil, is de vraag of de minister voor de definitieve herindeling, die gepland staat voor 2023, in de tussentijd mogelijkheden ziet voor een uitwisseling tussen de burgerluchtvaart en defensie. Mijn collega Hanke Bruins Slot heeft dit ook in het Defensiedebat naar voren gebracht. De minister van Defensie heeft gezegd dat ze er kritisch naar wil gaan kijken bij de definitieve herindeling. Mijn vraag is: ziet u ook ruimte in de tussentijdse periode, kunnen we dan iets?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Ik heb net in de beantwoording aangegeven dat we wat betreft de aanvliegroutes naar Lelystad in het proces zitten om alle reacties die tot verbeteringen zouden kunnen leiden, goed te beoordelen en om te kijken of we op dat punt nog tot verbeteringen kunnen komen. Als we in het proces samen met Defensie quick wins ontdekken, waardoor dingen sneller zouden kunnen, dan gaan we dat zeker doen. Maar het is wel een klus die we gezamenlijk integraal moeten oppakken. Ik ben bijzonder blij met de constructieve samenwerking met Defensie, want militair en civiel maken nu eenmaal samen gebruik van het luchtruim. Ik ben erg blij dat ze bereid zijn om mee te denken en niet strak vasthouden aan "dit deel en deze routes zijn van ons en die zijn onaantastbaar". Ik vind het ontzettend waardevol dat we daar samen open in zitten.

De heer Amhaouch (CDA):
Wij benadrukken ook de zorgvuldigheid die de minister betracht op dit punt. Het is goed om te horen dat de minister nu al aan het kijken is of er een mogelijkheid is in die uitwisseling. Dank.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
De minister begint haar pleidooi over de luchtvaart met "vertrouwen". Een van de belangrijkste zaken bij vertrouwen is dat mensen weten waar ze aan toe zijn. De minister schetste, onder andere in de antwoorden over het kettingbeding, dat er geen sprake is van een zwijgplicht. Maar het draait allemaal om het woordje "voorzienbaarheid". Wat is het geluid dat mensen die een huis kopen, kunnen voorzien? Wat is het geluid dat mensen bij Lelystad Airport, die straks geconfronteerd worden met laagvliegroutes, zullen horen? Wat is de echte herrie, het echte lawaai waarmee ze geconfronteerd worden? Het draait allemaal om een technisch punt. Daar heb ik een vraag over. De beantwoording van de minister op dit punt stelde me namelijk echt teleur. In Nederland werken we alleen met geluidsberekeningen. Waar gevlogen mag worden, hoeveel er gevlogen mag worden en de geluidscontouren, dat is allemaal op basis van berekeningen. Nu zegt de minister: nee, dat is niet zo, want er wordt ook gebruikgemaakt van metingen. Dat zijn metingen in een fabriek onder ideaaltypes, maar daarna wordt niks meer gedaan met alle metingen die gemeenten en Schiphol zelf doen. Dus met het feit dat mensen om 05.00 uur 's ochtends rechtop in hun bed zitten en daar echt gezondheidsklachten aan overhouden, wordt vervolgens niks gedaan in de prognoses. Mijn vraag aan de minister is of ze de berekeningen over geluidsoverlast wil valideren met de metingen die op dit moment al worden gedaan, of ze op die vergelijking een analyse wil laten uitvoeren en of ze die met de Kamer wil delen.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Ik heb in ieder geval geprobeerd om het in de schriftelijke beantwoording heel uitgebreid uiteen te zetten. Wij voldoen aan de Europese regels over hoe je moet omgaan met deze problematiek van geluidsberekeningsmodellen. Daar hebben we met elkaar Europese afspraken over. Daarnaast monitoren we in de omgeving van Schiphol wat er daadwerkelijk plaatsvindt. Maar we houden ons aan alle regels. We zijn daar transparant in. Er is een website waarnaar gekeken kan worden. Ik zie niet in wat we daar op dit moment nog aan zouden moeten verbeteren.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Er is echt sprake van een vertrouwenscrisis tussen de luchtvaart in Nederland en burgers, omwonenden. Het gaat om vier provincies. Het gaat om de omgeving van Schiphol. Het gaat erom dat burgers geen vertrouwen hebben in het feit dat er alleen maar wordt gewerkt met berekeningen, dat er een soort papieren werkelijkheid wordt gecreëerd en dat we worden "geschiphold". Eigenlijk alle geluidsexperts die ik heb gesproken, zeggen dat de berekeningen gevalideerd kunnen worden met meetgegevens. We hebben die meetgegevens. Laten we die dan goed gebruiken. Ik stel mijn vraag dus nogmaals. Het antwoord dat we voldoen aan Europese regels, lijkt me niet goed genoeg als er sprake is van echt een grote breuk in het vertrouwen. Andere landen doen het ook. Laten we gaan kijken hoe we die meetgegevens kunnen inzetten om berekeningen sterker te maken.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Het wordt wel degelijk getoetst. Op die manier wordt de systematiek ook verfijnd. Door gebruik te maken van metingen zijn de rekenmodellen in het verleden wel degelijk aangepast. U kunt nu wel nee schudden, maar het is echt waar. U hebt het over beeldvorming, maar ik wil in dat verband toch echt nog een keer ontkrachten dat er ook maar enige vorm van zwijgplicht is voor de bewoners rondom Schiphol. Het is opgenomen om ervoor te zorgen dat iemand die daar als volgende bewoner een huis wil kopen, weet wat er speelt en wat de geluidsbelasting is. Dan weet hij wat voor huis hij koopt. Dat is dus een positieve reden en absoluut geen negatieve reden. Ik wil echt uit de wereld hebben dat mensen niet zouden mogen klagen. Die mensen mogen net zo veel klagen als ieder ander over wat dan ook. Dat is terecht. Daarom wil ik echt de suggestie van tafel hebben dat dat niet zo zou zijn of dat dat door de afspraken niet meer mogelijk zou zijn. Iedereen moet weten dat dat gewoon wel blijft kunnen.

De heer Van Raan (PvdD):
Dit is allemaal aan elkaar gerelateerd. Mijn vraag gaat over het volgende. Weet de minister op basis van welke situatie, van hoeveel vliegtuigbewegingen op dat moment, het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid gemaakt is? Is de minister bekend met dat aantal? Dat is vraag één. Vraag twee gaat over het volgende. Om Lelystad op tijd, in 2019, open te krijgen is er een aanpassing nodig van het huidige luchtruim. Hoe kenschetst de minister die aanpassing? Want daar zal iets moeten gebeuren. Daar zal een besluit moeten vallen. Er zal iets moeten zijn van een herindeling of een aanpassing daarvan. Hoe kenschetst de minister dit? En nu komt mijn slotvraag en conclusie. Kan de minister ons hier en nu verzekeren dat hoe zij handelt, met de beste bedoelingen uiteraard, niet in strijd is met wat het OVV-rapport klip-en-klaar voorschrijft? Kan zij ons die garantie geven?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Wij zijn zeer serieus aan de slag met de aanbevelingen uit het OVV-rapport. We volgen dat eigenlijk integraal op. De OVV heeft ons daar zelf ook een positief signaal over gegeven. Hoe zien we dat in relatie tot de herinrichting van het luchtruim? Het moge duidelijk zijn dat dat niet met elkaar in tegenspraak moet zijn. Dit zeg ik ook maar weer in de richting van de heer Amhaouch, die een pleidooi hield over datzelfde OVV-rapport. Hij zei dat veiligheid voor hem vooropstaat. U kunt ervan verzekerd zijn dat dat bij ons ook het geval is. In relatie tot de herindeling van het luchtruim heb ik net aangegeven dat ik ontzettend blij ben met de opstelling van Defensie, namelijk om dat integraal en in samenspraak goed te bekijken. Hoe kunnen we aan de wensen en eisen, de randvoorwaarden, van Defensie voldoen en tegelijkertijd op een zo slim en duurzaam mogelijke manier — daar kom ik weer — toch ook de civiele luchtvaart faciliteren? Wellicht kunnen we elkaar helpen door de routes wat te verplaatsen. U weet dat Defensievliegtuigen ook geluid maken, zo zal ik het maar voorzichtig omschrijven. We moeten dus gewoon met elkaar kijken hoe we al die belangen samen goed kunnen afwegen. Dat is lastig. Het is geen eenvoudige opgave. Maar luchtvaart is een essentieel onderdeel van de mobiliteit.

De heer Van Raan (PvdD):
Dank voor het antwoord. Ik stel vast dat de minister zegt dat zij volgens haar niet in strijd handelt met de aanbevelingen uit het rapport. We stellen ook vast dat de indeling van het luchtruim die nodig is voor de opening van Lelystad, suboptimaal is. Het is nog niet de finale indeling die na wordt gestreefd in 2023. Met betrekking tot de eerste vraag gaat het om 480.000 vliegtuigbewegingen. Schiphol zegt nu al daar overheen te willen gaan naar de 500.000. Dat is …

De voorzitter:
Dat was geen vraag, stel ik vast.

De heer Van Raan (PvdD):
Dat is geen vraag.

De voorzitter:
Prima. De heer Jetten.

De heer Jetten (D66):
Ik ben blij dat de minister zich wil inspannen voor verdere vergroening van de luchtvaart. Dat is hard nodig. Dat hebben we gisteren in de eerste termijn van de Kamer ook geconstateerd. In 2013 is een green deal voor het biofuelprogramma afgesloten. De deelnemers daaraan stoten 75% minder CO2 uit, omdat ze op biokerosine vliegen. Op dit moment is alleen het ministerie van IenW daarop aangesloten. Ik hoor graag van de minister of zij bereid is om ervoor te zorgen dat alle ministeries zich aan dit programma gaan verbinden, zodat het Rijk weer het goede voorbeeld geeft met het vliegen op biokerosine en de besparing van CO2.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Het lijkt me een uitstekend voorstel om er bij de collega-ministeries op aan te dringen dat zij daar ook bij aansluiten. We doen het zelf ook niet voor niks, natuurlijk. Dus in het kader van het voorbeeldgedrag zal ik dit graag bij de collega's onder de aandacht brengen.

De heer Jetten (D66):
Ik dank de minister voor deze toezegging. Ik hoor het graag als ministeries dwarsliggen, want dan gaan we die collega's van de minister daarop aanspreken.

Voorzitter, ik heb nog een aanvullende vraag. De minister zei ook dat zij medio 2018 met een brief komt over de Europese inspanning om te komen tot accijns op kerosine. Collega Wiebes van Economische Zaken en Klimaat is al op campagne in Europa om de lidstaten aan die 55% CO2-besparing te committeren. Ik zou graag deze minister willen oproepen om ook nu al bij die campagne aan te sluiten, zodat we ook bij de luchtvaart een Europese kopgroep kunnen vormen. Ik ben ook benieuwd of de minister bereid is om een kopgroep te vormen als blijkt dat we niet met alle Europese lidstaten tot accijns op kerosine kunnen komen.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Ik kan de heer Jetten geruststellen. Het is niet zo dat wij omdat wij u medio 2018 gaan informeren dan ook pas laat in actie komen, maar u zult begrijpen dat we te maken hebben met nogal wat transportcollega's. Het is een heel rijtje en het is ook niet iets waarover je bij de eerste kennismaking meteen vraagt: nou, wat vindt je ervan? Dus ik denk dat we dat heel zorgvuldig moeten doen. Ik ga er graag serieus over in gesprek met die Europese collega's. Er is echt even wat tijd voor nodig om dan ook een diepgaande discussie met elkaar te kunnen hebben.

De heer Remco Dijkstra (VVD):
Er is een capaciteitsprobleem op Schiphol, hoorde ik de minister zeggen. Het mooie is dat we daar in het regeerakkoord afspraken over hebben gemaakt. Ik wil graag de interpretatie van de minister hiervan horen. Op pagina 42 staat onder "De door de sector behaalde milieuwinst": sinds het ingaan van de Aldersovereenkomst, het Aldersakkoord, mag conform afspraken aan de Alderstafel voor 50% benut worden voor groei van het vliegverkeer en de overige 50% milieuwinst wordt gebruikt voor vermindering van de overlast voor de omwonenden. Het Aldersakkoord is in 2008 gesloten. We hebben gezien dat de luchtvaart al veel aan innovatie heeft gedaan, dus ook milieuwinst heeft geboekt. Geeft dat niet enige verlichting richting 2020?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
We moeten daar natuurlijk vol op blijven doorgaan en kijken waar we tot verlichting kunnen komen door innovaties. We moeten dat gewoon doorzetten. We gaan ook met de heer Alders om tafel om te kijken hoe we dit voor de toekomst verder vorm moeten geven. Maar ik kom hier graag meer en detail op terug bij de debatten over de luchtvaart die we in de komende tijd nog krijgen.

De heer Remco Dijkstra (VVD):
Dat gaan we zeker doen, want het is goed om dat goed te interpreteren en te weten wat er al geboekt is, zodat je die ruimte ook kan inboeken.

De tweede vraag die ik heb betreft de luchtruimherindeling. Erg belangrijk. Dat willen we zo snel mogelijk; dat wilt u ook zo snel mogelijk. Wat ik begreep is dat we in december een soort plan van aanpak krijgen. Staat daar dan ook in of die versnelling inderdaad mogelijk is voor 2023, waar we altijd van uitgingen, of dat nog niet?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Laat ik er nog niet op vooruitlopen wat er allemaal in die brief komt te staan, want dan hoef ik die niet meer naar u te sturen. U kunt ervan overtuigd zijn dat ik alles wat ik kan aanwenden wat tot versnelling zou kunnen leiden meeneem. Maar laat ik niet op de inhoud van die brief vooruitlopen.

Voorzitter, dan kom ik aan mijn laatste blok: zee- en binnenvaart. Ons land is een logistieke wereldmacht en niet in de laatste plaats vanwege onze maritieme prestaties. Rotterdam en Amsterdam behoren tot de grootste zeehavens van Europa. Ruim 70% van alle goederen die in ons land komen, bereikt ons via de zeehavens. Ruim een derde van het goederenvervoer binnen Nederland gaat over water. Cijfers om trots op te zijn. Scheepvaart heeft immers belangrijke voordelen boven vervoer over land of door de lucht. Het is een efficiënte manier van transport. Een standaard containerschip kan al 100 vrachtwagens van de weg halen. En dat scheelt files. Er is bovendien, anders dan bijvoorbeeld op de weg of in de lucht, nog volop ruimte op het water. We investeren daarom fors in onderhoud, vervanging en uitbreiding van onze vaarwegen. Op dit moment bouwen we bijvoorbeeld twee grote zeesluizen bij IJmuiden en Terneuzen. Ze gaan tot de grootste ter wereld behoren. Vergelijkingen met Panama zijn op z'n plaats.

Ook voor de scheepvaart geldt dat het duurzamer moet. In het regeerakkoord is afgesproken dat we met de sector een green deal gaan sluiten. Ik denk aan het terugdringen van de CO2-uitstoot van schepen, de energietransitie in de havens, nieuwe financieringsmodellen en andere mogelijkheden.

Maar de scheepvaart beleeft moeilijke tijden. De concurrentie is enorm. Daarom werken we dezer jaren met de sector aan een maritieme strategie. Begin 2018 stellen we het nieuwe werkprogramma voor de komende drie jaar vast met daarin acties op het gebied van kennis, innovatie en digitalisering. Ook praktische zaken als verbetering van het scheepsregister en de veiligheid komen aan de orde. Als we praten over innovaties, vind ik smart shipping een interessante ontwikkeling. Denk bijvoorbeeld aan het autonoom in colonne laten varen van binnenvaartschepen. Morgen bezoek ik in Rotterdam de Smart Shipping Challenge, waar we vele voorbeelden zullen zien. Ik hoop dat er ook heel veel over in de media te zien zal zijn, want het is echt iets waar we trots op kunnen zijn. Het is en blijft hard werken om het innovatieve vermogen in de sector en onze concurrentiepositie te verbeteren.

Onze zee- en binnenvaart zijn van wereldklasse, maar ook voor een zeevarende natie als Nederland geldt: aan de top blijven is niet zo makkelijk als aan de top komen. De heer Dijkstra stelde de vraag of ik zijn mening deel dat de mainport Rotterdam belangrijk is voor Nederland, voor de werkgelegenheid en voor het vestigingsklimaat. Het kabinet onderschrijft, uiteraard zou ik bijna zeggen, het belang van de mainports. We hebben het dan niet alleen over de haven van Rotterdam en de luchthavens Schiphol en Eindhoven, maar ook over onze greenports. Deze zorgen met elkaar, zoals de heer Dijkstra ook aangeeft, voor honderdduizenden banen en miljarden aan toegevoegde waarde. IenW steunt onze mainports en greenports met goede infrastructuur. In het regeerakkoord kondigen we daarnaast maatregelen aan op het gebied van verduurzaming, energie en klimaat.

Het kabinet gaat bovendien verder met het topsectorenbeleid, bijvoorbeeld via de topsectoren Logistiek en Water. Mevrouw Dik-Faber vroeg naar de green deal en of ik bereid ben oplaadpunten en meer kadekilometers als maatregelen op te nemen. De green deal komt zeker samen met de sector tot stand; daar vroeg u ook naar. De eerste oriënterende gesprekken hierover zijn al gevoerd en worden de komende maanden voortgezet. Alle maatregelen die kunnen bijdragen aan vergroening en verduurzaming zal ik samen met de betrokken partijen verkennen. Dat geldt uiteraard ook voor het voorstel van u, mevrouw Dik-Faber. In de green deal zullen we kiezen voor de meest kansrijke initiatieven met het grootste effect. Maar, zoals gezegd, het ministerie gaat daar niet alleen over. De inhoud van de green deal bepalen wij in de komende tijd samen met de sector.

De heer Bisschop vroeg naar de capaciteitsuitbreiding van de Volkerak-, Kreekrak- en Krammersluizen. De passeertijden bij sluizen voldoen op de meeste vaarwegen aan de streefwaarden, maar op belangrijke vaarwegtrajecten tussen Rotterdam en Zeeland is dat inderdaad, moet ik toegeven, niet het geval. Dit komt vooral door een capaciteitstekort bij enkele sluizen op die corridor. De Volkerak- en Kreekraksluizen en de sluis bij Terneuzen zijn om die reden ook opgenomen in het MIRT. Bij de Krammersluizen wordt het huidige systeem voor zoet-zoutscheiding de komende jaren vervangen door een innovatief bellenscherm, een zacht, flexibel scherm waar schepen door kunnen varen. Dat voorkomt vertragingen in het scheepsverkeer. Hierdoor worden vanaf 2022 de passeertijden sterk verbeterd.

De heer Bisschop vroeg naar de verhoging van het budget van onderzoeksinstituut MARIN. Uw Kamer heeft daartoe een motie ingediend. Ik wil benadrukken dat maritiem onderzoek heel belangrijk is en blijft voor innovatie in de maritieme sector. MARIN speelt bij dat onderzoek een belangrijke rol. Het ministerie van EZK heeft als budgetverantwoordelijke in maart het evaluatieonderzoek over organisaties voor toegepast onderzoek naar uw Kamer gestuurd. Hierin is ook aandacht besteed aan MARIN. Binnenkort ontvangt u de kabinetsreactie op deze evaluatie. Daarnaast is in het regeerakkoord een intensivering voor toegepast onderzoek en innovatie aangekondigd. Het kabinet maakt zo spoedig mogelijk bekend wat dit voor MARIN betekent.

Dat was het wat dit blokje betreft, voorzitter.

De voorzitter:
Nou, dat roept geen vragen op! Dat had ik niet moeten zeggen: de heer Laçin.

De heer Laçin (SP):
Ik ben blij om te horen dat de minister erkent dat er in onze binnenvaart en in onze vaarwegen nog heel veel ruimte en capaciteit zit. Dat heb ik ook begrepen van de binnenvaartschippers met wie ik op hun schip een gesprek heb gehad. Het is ook veel duurzamer dan bijvoorbeeld de vrachtwagen. U gaf net het voorbeeld van de stressballen waar dat op stond. Ik heb zelf binnenvaartschepen voorbij zien varen waar ook echt "dit is goed voor 56 vrachtwagens" op staat. Waarom houden we dan toch tot 2030 vast aan die oude verdeelsleutel, waarbij maar 7% van die 2 miljard naar de binnenvaart en de scheepvaart gaat? Is de minister bereid om die verdeelsleutel voor goede voorstellen, die de duurzaamheid bevorderen en de wegen ontlasten, los te laten en, als dat nodig is, toch te kijken naar meer geld voor de binnenvaart?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Ik ben heel blij dat de heer Laçin ook zo'n enthousiast pleitbezorger is van de binnenvaart. Dat is ook de reden waarom we er heel veel aan doen. Maar als je alleen al naar de kaart van Nederland kijkt, zie je dat je met die vaarwegen natuurlijk op een heleboel plekken niet kunt komen. We moeten alle ruimte die we op het water nog kunnen benutten, zeker benutten. Maar voor wat wordt omschreven als de last mile, het laatste stuk, zul je het toch over de weg moeten doen.

De heer Laçin (SP):
Eens. Die last mile hebben we zeker nodig. Die vrachtwagen hebben we zeker nodig en dat erkennen wij ook. Alleen vinden wij dat die last mile op dit moment nog een te kleine rol speelt en dat de vaarwegen op dat deel waar het wel kan, het grootste deel, nog niet volledig benut worden. U zegt zelf ook dat de capaciteit er is. De binnenvaartschippers zeggen dat die ruimte er is, ook qua schepen. Laten we dan waar het kan vooral meer investeren in onze vaarwegen en in het goederenvervoer over water. En die last mile moet er uiteraard blijven. Juist daarom vraag ik of die 7% van die oude verdeelsleutel in de gevallen waar dat kan, losgelaten kan worden, zodat er meer over water kan.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Ik denk niet dat we samen uit die verdeling gaan komen, want ik denk dat we nu een verstandige verdeling hebben. Daarbinnen is er nog heel veel ruimte voor de toename van de binnenvaart. Ik hoop dat we elkaar er dan in ieder geval in kunnen blijven vinden dat we daarop moeten blijven inzetten en dat we juist goed moeten kijken naar die multimodale knooppunten. We mogen daar natuurlijk ook het spoor niet bij vergeten, want juist bij die knooppunten is nog heel veel winst te halen. Daar maak je het mogelijk dat er op een vervoerstraject gebruik wordt gemaakt van meerdere modaliteiten, zodat we echt efficiënt die modaliteit voor dat stukje van het vervoer kunnen inzetten, die het het meest efficiënt en effectief maakt.

De heer Van Aalst (PVV):
Volgens mij staat er nog een amendement van ons open. De minister heeft daar nog niet op gereageerd en volgens mij is dit het laatste blokje. Mijn vraag aan de minister is dus of ze haar oordeel kan geven over het amendement van de PVV over de ILT.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Ik had me voorbereid om daar in de tweede termijn op te reageren. Als u het niet heel erg vindt, doen we dan de hele stapel in één keer.

De heer Remco Dijkstra (VVD):
Nederland Waterland, daar kunnen we trots op zijn. We hebben voor meer dan 500 miljoen euro de allergrootste zeesluis ter wereld aangelegd bij IJmuiden. U weet waar ik naartoe wil: in Amsterdam willen ze een brug leggen over het IJ. Ook heel fijn! Bent u al in gesprek met Amsterdam? Zo ja, wat is daar dan de status van?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Nou, ik ben in mijn eerste maand nog niet in Amsterdam geweest. Ik ben vooral op de vierkante kilometer rond het Binnenhof geweest. Ik ben overigens wel bij de opening van de sluis bij Terneuzen — "bij de start van de bouw" moet ik zeggen — geweest. Nee, de eerste contacten met de regio gaan plaatsvinden tijdens de BO MIRT-gesprekken die we binnenkort krijgen. Dan zullen we, denk ik, van alle regio's alle plannen en voornemens ter tafel krijgen. Daarna gaan we u daar uiteraard per brief over informeren.

De heer Remco Dijkstra (VVD):
Bij wegen maken we afspraken met de gemeentes en provincies voor het onderliggend wegennetwerk. Het lijkt me verstandig om dat hier ook te doen. Als er een fietsbrug over het IJ komt en we vervolgens voor een half miljard een minder effectieve zeesluis hebben, dan zou dat toch hartstikke zonde zijn.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Ik kan me zo voorstellen dat dit onderwerp van gesprek zal zijn.

De voorzitter:
Dank u wel. Tot zover de minister in de eerste termijn. Voordat we naar de staatssecretaris gaan luisteren, schors ik voor een paar minuutjes en daarna is mevrouw Van Veldhoven aan de beurt.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:
Het woord is aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Van Veldhoven:
Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
De staatssecretaris kennen we als iemand die zich kort en puntig uitlaat en zo ook de interrupties beantwoordt. De Kamerleden kennen we als mensen die bij de interruptiemicrofoon heel snel bij de kern van de zaak weten te komen. Dus dat gaat allemaal goedkomen.

Staatssecretaris Van Veldhoven:
Precies, voorzitter. We gaan al uw verwachtingen waarmaken!

Voorzitter. Een bijzonder moment, en laat ik dat moment beginnen met de Kamerleden te danken voor alle vragen die ik zo meteen zoals gevraagd kort en puntig zal beantwoorden, maar toch natuurlijk met alle inhoud daarin waar de Kamerleden om vragen.

Voorzitter, het is een bijzonder moment om hier nu te staan. Toen ik hier gisteren zat dacht ik: het is nieuw, maar het is tegelijkertijd ook vertrouwd om hier met u allen in deze zaal te zitten en te spreken over de onderwerpen waarover we de afgelopen zeven jaar ook zo vaak met elkaar in debat zijn geweest. Ik kijk er ook naar uit om op deze manier met u verder te spreken over die onderwerpen. Als staatssecretaris heb ik nu een andere rol en een andere verantwoordelijkheid maar mijn drijfveer — en dat zult u hopelijk ook herkennen — is dezelfde gebleven.

Wat bij mij vooropstaat is ons land toekomstbestendig maken, en vanuit deze positie heb ik daar natuurlijk een paar bijzondere aandachtspunten bij. Voorop staat voor mij voor de komende jaren de zorg voor een goed openbaar vervoer, en daarnaast wil ik vanuit transport en circulaire economie bijdragen aan het halen van de doelstellingen van het Parijs-akkoord dat we allemaal ondertekend hebben. Daarnaast wil ik eraan werken om Nederland steeds schoner, veiliger en leefbaarder te maken. Het milieu is weliswaar uit de naam van het ministerie verdwenen, zoals mevrouw Kröger al opmerkte, maar niet uit mijn hart. Tegen de rest kan ik ook zeggen dat het zeker ook niet uit mijn agenda is, als ik zo de afspraken en de stapels stukken zie die daarvoor op mijn bureau belanden. Daar gaan we het met elkaar dus nog veel over hebben.

Voorzitter, ik kijk uit naar de samenwerking met de Kamer, maar ik kijk ook erg uit naar de samenwerking met de minister. We hebben een hele fijne start gemaakt samen en zien op heel veel plekken terreinen waar we echt samen willen en kunnen optrekken. Ik denk dat de Kamer dat ook al in de beantwoording van de minister heeft gemerkt.

Voorzitter. Ik heb ook een aantal blokjes. Ik ga eerst kort in op die belangrijkste opgave, en welke agenda ik daarbij zie. Dat doe ik in een algemeen blokje. Daarna zal ik de vragen beantwoorden in drie blokken: openbaar vervoer en spoor, de bijdrage aan Parijs — daar zit zowel circulaire economie als emissieloos vervoer in — en daarna een gezonde en veilige leefomgeving.

Voorzitter. Zoals velen van u hebben opgemerkt, is het voor de mobiliteit op de weg en het spoor alle hens aan dek, om meteen maar even aan de heer Bisschop en mevrouw Dik-Faber te laten zien dat ook de binnenvaart natuurlijk bij ons heel goed op het netvlies staat.

We zullen echt topsport moeten gaan bedrijven, als ik naar de cijfers kijk. Tot 2030 verwachten we een kwart meer treinritten en de komende tien jaar komen er alleen al in de Randstad een half miljoen mensen bij. Al die mensen gaan elke dag naar hun werk of naar school en 's avonds weer naar huis. Zij lopen dus elke dag tegen de drukte aan. Om dat op te lossen — dat hebt u ook de minister horen zeggen en dat vinden we echt samen — zullen we dus slim moeten inzetten op én de weg, én het spoor én de bus én een slimme inzet van de fiets. En op goede reisinformatie. Het gaat de reiziger er immers niet om hoe hij er komt, als hij of zij er maar komt, comfortabel en snel. We gaan dus op zoek naar slimme combinaties — dat zeg ik ook tegen de heren Dijkstra en Von Martels, die hierop aandrongen — zowel in als buiten de Randstad. Dit laatste zeg ik ook in het bijzonder tegen de heren Von Martels en Amhaouch, die daar aandacht voor vroegen. Ik kom daar later nog op terug.

We hebben dus alles nodig, maar het is ook mooi om te zien dat er heel veel gebeurt in de sector. Zoals de minister al zei wordt mobiliteit op heel veel plaatsen meer een dienst, waarbij het onderscheid tussen de middelen een beetje aan het verdwijnen is. Minder hokjes en meer aansluiten bij wat de reiziger wil, dat is ons doel. Daarmee zetten we stappen naar dat mobiliteitsfonds, waarmee we dit op een gegeven moment ook beter kunnen financieren.

Gelukkig is er ook ruimte om te investeren en dat is goed nieuws, want de stevige opgaven die er zijn op het gebied van openbaar vervoer en spoor liggen daar. Dat zijn er veel. Niet alles kan, dat is helder, dus we zullen steeds slimme keuzes moeten maken. Ik geloof dat het ongeveer de eerste zin was die de heer Van Aalst uitsprak: we moeten ons geld slim gaan inzetten. Dat ben ik van harte met u eens, meneer Van Aalst.

Voorzitter. Geld is belangrijk, maar de mensen die het werk uitvoeren vormen uiteindelijk ons echte kapitaal. Zonder de inzet van al die duizenden conducteurs, machinisten, chauffeurs, monteurs en al die andere medewerkers bij bedrijven als de NS, ProRail en de regionale vervoersmaatschappijen zijn we letterlijk helemaal nergens. We gaan hun inzet de komende jaren nog heel erg hard nodig hebben. Ik wil ze alvast bij voorbaat, vast mede namens u, heel erg hartelijk bedanken voor al die inzet.

Voorzitter. Dan de hoofdlijnen van mijn tweede prioriteit. Die heeft te maken met wat ik beschouw als de grote uitdaging waar we deze eeuw met elkaar voor staan, de doelstellingen van Parijs waarmaken. Als we klimaatverandering willen tegengaan … Dit is nog steeds het blokje algemeen, meneer Laçin. Ik kom zo meteen nog op specifieke vragen. Dit is een beetje de inkleuring van wat u ongeveer van mij mag verwachten in de blokjes. Als we klimaatverandering willen tegengaan, moeten alle sectoren van de economie veranderen. Het regeerakkoord gaat daar ook echt van uit en geeft dit departement een heldere opdracht om een aantal punten aan te pakken. Daarvan liggen er twee bij mij: minder verspilling, meer hergebruik en een circulaire economie, en de CO2-uitstoot in de transportsector moet omlaag. Dat vraagt nu om acties. Ik zie al heel veel goeie initiatieven: zero-emissiebussen, stoeptegels die worden gemaakt van afval, 3D-inkt van oude dashboards van auto's en duizenden matrassen die elk jaar worden gerecycled.

Dat is allemaal heel mooi, maar er is nog veel meer nodig. Een afvalloze economie krijgen we alleen door alle slimme ideeën te benutten: van bedrijven, uit de wetenschap en ook uit de Kamer. Ik ben heel erg blij met het aanbod dat mevrouw Kröger deed om hierover vanuit de Kamer gezamenlijk heel constructief en creatief na te denken, met coalitie, oppositie en kabinet. Ik kijk daarnaar uit. Ik bundel heel graag de krachten en mijn inzet op dit dossier is ook vooral om zo veel mogelijk belemmeringen weg te nemen. Er liggen heel veel kansen. Laten we met elkaar kijken hoe we die kunnen benutten. Ik weet dat dit onderwerp breed leeft in de Kamer. Ook de VVD heeft hier regelmatig aandacht voor gevraagd.

Tot slot in dit blokje algemeen: ik wil de komende jaren ook echt een bijdrage leveren aan een gezond en veilig land. Gezonde lucht en een veilige leefomgeving voor iedereen staan hierbij voorop, ook in gebieden waar grote chemische bedrijven staan en ook in gebieden waar vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Laat het helder zijn, een risicovrije samenleving bestaat niet, maar mensen moeten er wel van op aan kunnen dat we wel continu werken aan een verbetering van hun veiligheid en hun gezondheid.

Dat was mijn algemene blokje, mijn algemene inzet. Ik ga nu graag over naar het blokje ov en spoor, tenzij er vragen zijn natuurlijk.

Voorzitter. Openbaar vervoer en spoor. Met dagelijks ruim 1,2 miljoen treinreizigers is ons spoor een van de meest intensief gebruikte netwerken ter wereld. Internationaal gezien is de punctualiteit hoog. Dat moet ook, want we leggen de lat ook hoog. ProRail is hierin een belangrijke speler. Daarom toch een opmerking hierover. ProRail draagt bij aan een veilige, snelle, comfortabele en betaalbare reis van deur tot deur voor de treinreiziger tegen zo laag mogelijke kosten voor de belastingbetaler. De publieke taken worden grotendeels bekostigd met belastinggeld, jaarlijks ongeveer 2 miljard. Dat rechtvaardigt een principiële keuze hoe we dat geld controleren en hoe we publieke sturing uitoefenen. Daarom wordt ProRail omgevormd tot een publiekrechtelijk zbo met een rechtspersoonlijkheid. Die omvorming zal zonder gevolgen voor de rechtspositie en de arbeidsvoorwaarden van de werknemers tot stand worden gebracht. Dit staat ook helder in het regeerakkoord, maar ik vind het toch belangrijk om het hier nogmaals te noemen naast de brief die ik u stuur. Ik kom volgend jaar met een brief naar u over hoe we dat allemaal gaan doen. Ik vind het heel terecht dat dat als aandachtspunt duidelijk is meegenomen, ook in het regeerakkoord.

Een intensief gebruikt netwerk betekent ook voldoende geld om de basis op orde te hebben. We moeten dus ook voldoende geld uittrekken om te investeren in beheer, onderhoud en vervanging. Daarnaast hebben we geld dat we kunnen investeren in nieuwe projecten. Dat is natuurlijk altijd het leukste. Dat geld wil ik zo goed mogelijk inzetten op de grootste problemen, of noemt u het maar met zo veel mogelijk effect. Dan zie ik vier belangrijke lijnen. Ten eerste de verbinding tussen de heel belangrijke steden sneller maken. Ten tweede regionaal en stedelijk ov verbeteren. Ten derde internationale verbindingen voor personen en goederen versterken. In de grensregio's kan op heel veel plaatsen echt nog veel verbeteren aan het openbaar vervoer. Internationale treinverbindingen spelen daarbij een belangrijke rol. Ook voor het goederenvervoer, ook op de lange lijnen tussen de hoofdsteden, hebben we ambities. Ten vierde vernieuwing, verduurzaming en extra veiligheid, bijvoorbeeld door nieuwe vervoersconcepten volop de ruimte te geven — de minister sprak daar ook al over — in minder dichtbevolkte gebieden, heel belangrijk. Een ander voorbeeld zijn onbeveiligde overwegen. We schrikken allemaal elke keer weer als we daar een ongeluk zien gebeuren. Dan vragen we ons af waarom dat nog zo is. Daar vallen nog te veel onnodige slachtoffers. Het is voor mij een van de punten waarvan ik hoop dat we er de komende jaren met elkaar mee aan de slag kunnen. Ik zeg mee aan de slag, met u, maar natuurlijk ook met de sector, met het bedrijfsleven en met de regionale bestuurders, die echt onmisbare partners zijn bij eigenlijk al deze agendapunten.

De eerste stap met de regionale bestuurders komt al snel, zoals de minister ook al zei. Begin december zullen we bij het BO MIRT in een eerste ronde spreken met de regionale bestuurders over hun prioriteiten voor de komende jaren. Ook daar zal niet alles kunnen. Ze zullen consistente keuzes moeten maken. We zullen dat in goed overleg doen. Op 11 december gaan we met u in overleg over de resultaten van dat overleg met de regio.

De heer Jetten en de heer Amhaouch hebben heel specifieke vragen gesteld over de Maaslijn, waarop ik graag wil ingaan. De heer Jetten vroeg zich af of dit niet een mooi pilotproject kan zijn voor 3 kV. 3 kV, een spanningsverhoging op het spoor, is interessant. Als dat lukt, geeft het capaciteitswinst, vermindert het het energieverbruik en draagt het bij aan minder CO2-uitstoot. Maar het is wel een heel groot en complex project en dus moeten we het heel zorgvuldig onderzoeken en uitvoeren. In december 2015 hebben NS en ProRail al een MKBA voor de 3 kV opgeleverd aan IenW. Dat was een afspraak uit de Lange Termijn Spooragenda. Er wordt nu gekeken naar een update hiervan. Daarbij wordt goed gekeken naar de kansen, ook in de context van de klimaatopgaven en de verdichting die we op het spoor willen realiseren, maar ook naar de kosten en de risico's om te kijken of het project goed behapbaar te maken is. Die informatie moet ik natuurlijk meenemen in een zorgvuldig besluit. De update van de MKBA is naar verwachting in december gereed. Zodra ik die heb, zorg ik natuurlijk dat ik hierover een brief aan de Kamer stuur. In dat kader moeten we ook kijken naar de mogelijkheden voor private financiering. Als je door energiebesparing een deel van het geld terugverdient, kan dat weer helpen om een businesscase rond te krijgen. Dus in dat kader gaan we daarnaar kijken en gaan we ook kijken naar het doen van een proef. De heer Jetten deed de suggestie om voor die proef eens naar de Maaslijn te kijken. Om met de 3 kV een proef te kunnen uitvoeren, moet zowel de infrastructuur als het materieel worden aangepast. Dan is even de vraag of de Maaslijn daarvoor het meest geschikt is. Op dit moment wordt er gedacht aan het uitvoeren van een proef in een railcenter, maar op een gegeven moment moet je natuurlijk ook het spoor op. Ik houd de suggestie van de heer Jetten graag in beraad, maar ik kan er op dit moment nog geen echte uitspraak over doen. We nemen het allemaal mee en we komen erop terug.

De heer Amhaouch vroeg naar de planning en financiering van het project Maaslijn Nijmegen-Sittard. Ik ken zijn grote betrokkenheid bij dit project. De planning en de financiële beheersing van het project zijn een verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer en dat is de provincie Limburg. Deze worden in een stuurgroep met de medeopdrachtgevers, de provincies Noord-Brabant en Gelderland, afgestemd. Ik realiseer me heel goed dat er nog knelpunten zijn. De Maaslijn is een regionaal project. Het Rijk heeft daar uiteraard ook aan bijgedragen, want het is een belangrijk project. Maar goed, er zijn dus nog knelpunten. Ik wil op korte termijn — ik beoog te bekijken of we dat gesprek kunnen doen voordat we met de Kamer spreken over het BO MIRT — samen de provincie een laatste poging doen om bekijken of we de knelpunten in dit al lang lopende dossier nog kunnen oplossen. Maar ik vind het ook eerlijk om vandaag tegen u te zeggen dat ik, het allemaal nog goed bestudeerd hebbende, niet direct aanknopingspunten zie voor een extra financiële bijdrage. Maar laten we wel kijken of een slimme oplossing kunnen vinden. Dat is het antwoord dat ik graag aan de heer Amhaouch wil geven. Ik ben dus graag bereid om, zoals hij vraagt, nog een keer met de bestuurders om tafel te gaan zitten om te kijken of we tot een slimme combinatie van inzet, middelen en ideeën kunnen komen voor een oplossing voor dat project, waar ik ook zeker belang aan hecht.

Dan toegankelijkheid van het regionaal openbaar vervoer. Mevrouw Van Brenk vroeg daar onder anderen aandacht voor. We streven naar een kwalitatief goed openbaar vervoer voor iedereen en dan bedoel ik ook echt iedereen. Ook als je een beperking hebt, moet je gewoon goed gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer. Dat geldt ook voor het regionale openbaar vervoer, mevrouw Van Brenk. Absoluut. We zijn op de goede weg. Het openbaar vervoer wordt steeds toegankelijker. Dan gaat het om alle soorten van openbaar vervoer en ook haltes en stations. Dat gebeurt natuurlijk wel stapsgewijs, want al die haltes en stations hebben een een eigen levensduur.

We kunnen niet alles tegelijkertijd aanpakken, maar het is wel een continue agenda. Zo wordt bij iedere vervanging van verouderd materieel en bij verbouwingen van stations en haltes rekening gehouden met de eisen van toegankelijkheid. Denk dan bijvoorbeeld aan een lage instap bij nieuwe treinen en trams of geleidelijnen voor mensen met een visuele beperking — dat was recent ook in het nieuws, dat we er daar weer heel veel van hebben kunnen realiseren — en lichtborden in bussen waar informatie over de volgende halte op staat voor mensen die het niet goed kunnen horen. Maar ook heel praktisch. Tijdens mijn eerste werkbezoek aan het spoor stond ik op het perron en sprak ik een man met een blindengeleidehond die aan het reizen was. Hij was er heel trots op dat hij zelfstandig kon reizen. Hij zei ook: heel fijn dat er niet alleen assistentie is, maar dat er ook middelen zijn, zoals die geleidelijnen, waardoor ik zelfstandig kan reizen en niet afhankelijk ben van die assistentie. Hij zei wel: denk goed na bij het ontwerp, want bijvoorbeeld die stations met die schuine palen zijn voor mij een probleem. Toen dacht ik: dat is logisch, als je er even over nadenkt. Het zijn dit soort inzichten die we steeds moeten blijven verzamelen en die we moeten blijven meegeven. We moeten ervoor zorgen dat we daar in het ontwerp gewoon rekening mee houden. Want als je je richt op een lijn op grond, maar niet op een schuine paal dan creëer je toch een probleem. Dus terecht dat we hier steeds met elkaar scherp op zijn en proberen dat zo goed mogelijk te verbeteren.

Er waren ook nog vragen over de tarieven voor het regionaal openbaar vervoer, maar helaas is dat de verantwoordelijkheid van de provincies en de vervoersregio's in overleg met de vervoerders. Dus op dat punt kan ik hier, vanaf deze plek, niet heel veel doen voor mevrouw Van Brenk.

Zij vroeg overigens ook nog wat specifieker naar de buurtbus. Wat doe ik om die verbeteren, ook in het licht van de eenzaamheid van ouderen? Dat is een vraag die volgens mij heel erg goed past in het nadenken over het op een andere manier omgaan met het openbaar vervoer op het platteland. Ik kijk even naar het dorp waar mijn moeder woont. Daar rijdt één keer per uur een bus. Heel veel mensen maken dus geen gebruik meer van die bus, omdat het eigenlijk te weinig is om echt in je vervoersplan, in je dagelijkse plannen, in te passen. En dan ga je warme lucht verplaatsen, zoals de heer Dijkstra zei. Dat willen we allemaal niet, maar we willen wel dat de mensen die daar wonen ook openbaar vervoer hebben waar ze goed gebruik van kunnen maken. Dan moeten we vooral slimme combinaties maken. We willen ook kijken of we dat vervoer vraaggerichter kunnen maken. Als iemand wil, kan hij een vraag stellen en kan worden gezegd: oké, we gaan.

We zijn aan het kijken of we het kunnen integreren met het zogeheten doelgroepenvervoer. Dat doe ik samen met de minister van VWS, medeoverheden en belangenorganisaties. We kijken of we de busjes die er toch zijn, die toch rijden, op de een of andere manier kunnen combineren met meer vraaggericht openbaar vervoer in de regio. Waar we verder niet een heel fijnmazig netwerk kunnen aanleggen, proberen we slimme oplossingen te vinden. Er zijn ook een heel aantal goede voorbeelden die al zijn uitgerold. Denk bijvoorbeeld aan Limburg. Daar is een Voor Elkaar Pas ingevoerd voor mensen, ouderen die slecht ter been zijn. Zij kunnen die pas gebruiken voor een taxi en voor het reguliere openbaar vervoer. De vervoerders en de gemeenten verrekenen de kosten achter de schermen. Mensen hebben er dus geen gedoe van, maar worden heel goed geholpen in hun mobiliteit. Dat is de eerste stap op weg naar wat we al een aantal keer genoemd hebben mobiliteit als een dienst, Mobility as a Service, afgekort MaaS, zodat reizigers in een keer hun reis boeken en betalen, en geen gedoe hebben met overstappen.

Voorzitter. Dan kom ik bij de hsl, die de bijzondere aandacht heeft van de heer Dijkstra. Kwaliteit willen we overal bieden, op het hele spoor: in het ov in de regio, maar natuurlijk ook op de hsl. De heer Dijkstra vindt dan ook terecht dat ook daar de reiziger waar moet krijgen voor zijn geld. We weten allemaal dat de betrouwbaarheid op de hsl een blijvend aandachtspunt is, en dan formuleer ik het maar even zachtjes. Gelukkig wordt daar ook hard aan gewerkt. Er is een verbeterprogramma IC Direct, en daar werken NS en ProRail hard aan. De NS heeft aangegeven dat de prestaties sterk verbeterd zijn ten opzichte van het begin van dit jaar. Als dat zo is, dan is dat echt goed nieuws voor de reiziger en dan mogen we daar allemaal heel blij mee zijn. Ik moet de resultaten natuurlijk nog afwachten, en dat zal ik ook netjes doen voordat ik u mijn eindoordeel geef, maar laten we met elkaar hopen dat de reiziger dit jaar goed heeft kunnen profiteren van de hsl. En als het de NS lukt om de prestaties flink omhoog te brengen, dan is dat natuurlijk ook een compliment waard aan de mensen die dat realiseren.

Verder laten NS en ProRail nog een externe review uitvoeren op hun prestaties en op het verbeterprogramma op de hsl, omdat we eigenlijk allemaal willen weten dat we voor de reizigers echt het maximale uit die lijn halen. Dat mogen ze ook van ons verwachten. Ik zal deze review van de NS beoordelen in samenhang met de uitkomst van de marktverkenning die ik u deze week stuurde. Ik kom daar begin 2018 met u over te spreken als we echt alle resultaten hebben.

Voorzitter. De hsl-discussie gaat al een beetje over marktordening. Daar had de heer Van Dijk nog wat nadere vragen over. In het rapport Kiezen voor een goed spoor, waar ik de Kamer ook een brief over heb gestuurd, wordt het belang van een consistente marktordening onderstreept. In het rapport worden verschillende scenario's met meer en met minder marktwerking uitgewerkt. Een keuze voor sturing en marktordening moeten we natuurlijk heel zorgvuldig maken, op basis van de juiste informatie en met nadrukkelijke weging van al die belangrijke elementen die de heer Van Dijk ook noemde, zoals veiligheid, betrouwbaarheid en betaalbaarheid. Dat zijn allemaal dingen die we zeker zorgvuldig zullen meewegen. Het kabinet heeft in het regeerakkoord afgesproken bij die keuze de optie voor meer marktwerking open te houden, en omdat het geformuleerd staat als "open" wil ik er ook nu niet op vooruitlopen. Die discussie gaan we met elkaar voeren nadat de midterm review is uitgevoerd. Dat zal dus in 2020 zijn. Tegen de heer Van Dijk zeg ik: het is goed om vooruit te blikken, maar hier loopt u toch iets voor de troepen uit.

Dan vroeg de heer Van Dijk nog specifiek naar de provincie Limburg, die een aanbesteding wil starten met de lijn Eindhoven-Düsseldorf. Hij vraagt naar mijn positie hierin. Ik heb nog geen besluit genomen over deze verbinding, want nog niet alles is uitgewerkt. Hier moeten we ook echt met de partners, en ook met de partners aan Duitse kant, heel goede afspraken over maken. Ik weet nu in ieder geval wel wat de gedeputeerde van Limburg graag wil, maar het is toch een besluit dat ik hier met u in deze Kamer wil bespreken. De provincie is dan uiteindelijk niet de aangewezen partij, maar we weten nu in ieder geval wat ze willen. Ik neem dat natuurlijk heel erg graag mee. Ik zal u voor het BO MIRT met een brief informeren over de stand van zaken.

Voorzitter. Ik stipte het al even aan in het begin: onderhoud. Voor een betrouwbaar openbaarvervoernetwerk zijn goed onderhoud, goed beheer en tijdige vervanging cruciaal. Ik weet dat de Kamer dat ook vindt, want daar zijn regelmatig vragen over gesteld. Ook weleens vanuit de D66-fractie, nog voordat de heer Jetten de spoorportefeuille deed. De heer Jetten vraagt naar de stand van zaken van het potentiële tekort voor het in stand houden van het spoorwegennet en hoe we die tekorten kunnen aanpakken. En hij denkt mee, want hij doet bijvoorbeeld de suggestie om op regionale spoorlijnen ook in de avond werkzaamheden toe te staan vanwege lagere kosten.

Allereerst op het punt van die tekorten. Ik kan de heer Jetten geruststellen. Het potentiële tekort van 475 miljoen, dat eerder was gesignaleerd, wordt door ProRail opgelost met allerlei besparingsmaatregelen. Daar is een heel programma voor. Ook de nieuw ontwikkelde werkwijze werken aan het spoor draagt daaraan bij. ProRail heeft mij laten weten dat hij de beoogde besparingen vanaf 2019 ook heeft verwerkt in het financiële overzicht. Daarnaast zal er de komende jaren structureel geld nodig zijn voor beheer, onderhoud en vervanging. Daarbij moeten wij ook het risico incalculeren dat er ook weleens een keer wat tegenvalt als je maatregelen neemt. Daar zal ik dus geld voor moeten reserveren op mijn begroting. Dat zal ik ook doen en daarover kom ik bij u terug.

Voor het werk in de avond heeft ProRail samen met regionale vervoerders, overheden, NS, reizigersorganisaties en goederenvervoer een nieuwe werkwijze ontwikkeld. Die heet Toekomstbestendig werken aan het spoor. Die werkwijze moet leiden tot minder hinder, lagere kosten en voor de aannemers beter uitvoerbare werken. Dat lijken mij alle drie heel belangrijke elementen om te combineren. Als het ons lukt om dat op die manier te doen, dan maken wij een grote slag. Dit kan ook leiden tot een andere verdeling van werkzaamheden over dag en nacht, doordeweekse dagen, in het weekend en over drukke perioden in vakanties. En meneer Jetten, dat zou inderdaad ook kunnen betekenen dat wij er af en toe voor kiezen om in de avond de werkzaamheden uit te voeren.

De heer Amhaouch vroeg ook naar werken op het spoor. Hij vroeg of wij dat met zo min mogelijk hinder voor de reizigers kunnen doen. Dat is absoluut de inzet. Het is ook een heel belangrijk onderdeel van het programma Toekomstbestendig werken aan het spoor. Hij vraagt hier heel terecht aandacht voor. Het doel is minder hinder voor reizigers en verladers en efficiënt omgaan met het geld. Als je ziet over wat voor soort budgetten dit gaat, is dit geen sinecure. Het plan van aanpak ontvangt u met het Beheerplan ProRail 2018 in december van dit jaar. Als u daar nog gedetailleerdere vragen over heeft, kunnen wij elkaar daar nog nader over spreken.

Voorzitter. Er zijn heel wat onderwerpen in dit blokje openbaar vervoer en spoor. Ik had het eigenlijk openbaar vervoer en spoor en fiets moeten noemen, want terecht hebben verschillende leden gevraagd naar de inzet van de fiets. De heer Von Martels introduceerde zelfs een mooie nieuwe term: VGV (Vélo à Grande Vitesse). Een prachtige trouvaille! Ik ben blij met die belangstelling, want ik vind de fiets zelf een ontzettend belangrijke schakel in onze hele mobiliteit. Persoonlijk kwam ik vaak op de fiets naar de Kamer en als het weer het een beetje toelaat, doe ik dat nog steeds, maar dan naar het departement. Even frisse lucht aan het begin of het einde van de dag, even je hoofd leegmaken en een beetje beweging; mij bevalt het heel erg goed. Maar dat komt ook omdat ik op een afstand woon waar dat ook te doen is. Het kabinet trekt 100 miljoen uit voor de fiets als onderdeel van oplossingen bieden voor files en drukte. In het woon-werkverkeer ligt voor heel veel meer mensen een groot potentieel. Want 25% van het woon-werkverkeer gaat al met de fiets, maar 70% van de afstand van woon-werkverkeer is onder de 15 kilometer. Dat is met een gewone fiets al best te doen, maar helemaal natuurlijk als je een elektrische fiets hebt. Dan wordt het echt een afstand die makkelijker te overbruggen is. Daarmee wil ik niet zeggen dat dat voor iedereen de oplossing is, maar voor mensen die het overwegen zou ik zeggen: mijn ervaringen daarmee zij heel goed.

Mevrouw Dik-Faber, de heer Jetten en de heer Azarkan vroegen naar de manier waarop wij de 100 miljoen gaan besteden en hoe wij provincies en gemeenten erbij gaan betrekken. Dat moeten wij natuurlijk echt in samenhang doen met al deze partijen. Ik ga de komende tijd na waar de grootste behoeftes liggen, waar de meest kansrijke routes liggen en waar de grootste tekorten aan stallingen liggen. Ik betrek hier natuurlijk heel nadrukkelijk de regio's bij. In het voorjaar van 2018 kom ik bij u terug over hoe wij dat geld op een effectieve manier zouden kunnen besteden.

Tegen mevrouw Van Tongeren zeg ik: dit plaats ik ook in een breder perspectief, want er is een nationale fietsagenda van de Tour de Force. Wij blijven wel aan de Franse kant vanavond, geloof ik. Tour de Force is een samenwerkingsverband van overheden, maatschappelijke organisaties zoals ANWB, Fietsersbond en de industrie. Ik zou bijna zeggen: het is het fietsakkoord waar mevrouw Van Tongeren het over had. Het is mijn voornemen om het geld voor zowel het fietsparkeren als de infrastructuur minimaal te verdubbelen via cofinanciering door de partners. Want daar liggen zo veel wensen dat wij daar alleen wat van kunnen maken als de regionale partners eraan bij kunnen dragen. Ik geloof dat er alleen al voor fietssnelwegen voor 400 miljoen aan plannen liggen. Dat ga ik dus met die 100 miljoen niet redden, maar als wij nou alle krachten bundelen, dan kunnen wij waarschijnlijk van die 100 miljoen een nog grotere investering maken voor de fiets, fietspaden en fietsparkeerplaatsen. Maar dan nog: je hebt fietsen en fietsen. Dat weet u ook. Het assortiment aan fietsen in Nederland wordt steeds mooier, bonter en rijker. Als ik mijn fiets parkeer bij het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, dan zie ik het hele scala staan. Dat neemt wel ruimte in in zo'n fietsenstalling. We zullen dus ook moeten nadenken over de vraag hoe we in de stations waar al een tekort is aan plaatsen, ruimte gaan bieden voor die andere fietsen. We moeten ervoor zorgen dat we dat op een beetje een ruimtebesparende manier doen. Daar is nog heel veel aan innovatie te doen.

Fietssnelwegen zijn gericht op snelle fietsers en daarmee bij uitstek geschikt voor e-bikes. Meneer Jetten maakt zich zorgen over de paaltjes. Die passen er inderdaad niet goed bij, dus als we die snelle routes gaan uitrollen, laten we er dan ook met elkaar voor zorgen dat ze snel kunnen zijn en niet met allerlei onnodige hindernissen zijn bezaaid. Daar gaan we scherp op zijn.

De heer Jetten vroeg ook naar de combinatie van de fiets met grootschalige infraprojecten. Daar letten we ook op. Het is interessant om te melden dat de fiets eigenlijk een heel eigen plek heeft verworven in het MIRT. Bij investeringen in rijksinfrastructuur wordt, waar het even kan, slim geïnvesteerd, bijvoorbeeld door regionale plannen voor fietsinfrastructuur gelijk mee te nemen in het ontwerp. Dat is natuurlijk niet voor alle plannen relevant, maar daar waar het relevant is, doen we dat. Dat betekent vaak aanzienlijke kostenbesparingen voor de decentrale overheden. Slim combineren, waar mevrouw Kröger het over had, doen we onder andere op deze manier.

Voorzitter. Heel veel provincies en vervoerregio's hebben extra plannen voor co-investeringen in extra stallingen. Dus ik hoop dat we daar met elkaar het meeste van kunnen maken.

Voorzitter. Dat was het einde van een lang blok over spoor en openbaar vervoer. Ik hoop dat ik aan uw doelstelling van relatief kort formuleren ben tegemoetkomen.

De voorzitter:
We zijn even goed bijgepraat; dat moge duidelijk zijn.

Staatssecretaris Van Veldhoven:
U bent goed bij, precies.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik wil de staatssecretaris graag bedanken voor haar uitgebreide antwoord over de doelgroepen en de bereikbaarheid. Het stelt gerust dat daar goed aandacht voor is. Op één onderdeel had ik toch gehoopt dat er iets meer kon. Ik snap dat u niet gaat over de vraag of we het vervoer voor AOW-gerechtigden na de spits goedkoper kunnen maken. In sommige steden is dat al gratis. Het verzoek is eigenlijk: zou u dat kunnen stimuleren? We kennen de voorbeelden uit Amsterdam, Rotterdam en Eindhoven. Daar is het zelfs gratis. Misschien kunt u iets doen om de andere gemeenten ook over de streep te trekken? Dat was ons verzoek.

Staatssecretaris Van Veldhoven:
Ik begrijp het verzoek van mevrouw Van Brenk heel goed en ik vind het ook heel sympathiek, maar het is ook belangrijk om de rolverdeling op sommige punten zuiver te houden. Wat ik wel kan doen, is de gemeenten vragen om hun best practices te delen met andere gemeenten. We spreken elkaar op heel veel verschillende momenten. Als een gemeente heel positieve ervaringen heeft opgedaan, dan is het natuurlijk heel mooi als zij die deelt met anderen. Ik wil de suggestie van mevrouw Van Brenk in die context zeker meenemen.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Dank u wel.

De heer Laçin (SP):
Ik wil eerst twee opmerkingen maken. Heel kort. Ik hoorde de staatssecretaris zeggen dat we niet vooruit moeten lopen op de discussie over marktordening en de vraag of er meer marktwerking moet komen. Ik ben blij om te horen dat we die discussie te zijner tijd kunnen voeren. Dan het tweede punt. Wat de SP betreft is het openbaar vervoer, de bussen, een basisvoorziening voor een goede en leefbare wijk. Maar daarover kunnen we op een later moment nog wel een discussie voeren.

Mijn vraag gaat over de hsl. We zien dat de punctualiteit, de klanttevredenheid en de kans op een zitplek stijgen. De signalen voor dit jaar, waar u ook aan refereerde, zijn veelbelovend, maar we moeten die nog even afwachten. Het onderzoek van het verbeterprogramma 2016 heeft aangetoond dat de NS en ProRail effectief werken aan het verbeteren van de prestaties van de Intercity direct. De marktverkenning van afgelopen week laat zien dat de NS verbeteringen zelf kan doorvoeren en dat andere vervoerders het materiaal niet hebben om op korte termijn op de hsl te gaan rijden en niet samen willen of kunnen werken met de NS. Waarom kiest het kabinet, met alle punten die ik heb opgenoemd, er dan toch voor om het "three strikes out"-principe van het vorige kabinet te verscherpen?

De voorzitter:
Helder.

De heer Laçin (SP):
Waarom zegt het kabinet in het regeerakkoord dat de NS bij three strikes out niet moet samenwerken, maar dat er opnieuw aanbesteed moet worden? Waarom wordt de NS in de hoek gedrukt, terwijl ik denk dat het juist nu op al deze punten goed is om samen met de NS te gaan werken aan die verbeteringen? Want de NS is net als ProRail een ontzettend belangrijke speler.

Staatssecretaris Van Veldhoven:
Dat laatste ben ik helemaal met de heer Laçin eens. Het is een heel belangrijke speler. Het is de partij die wij voor tien jaar het hele hoofdrailnet hebben gegund. Dus dat zegt ook iets over ons vertrouwen in de NS. Tegelijkertijd is het belangrijk — dat was natuurlijk ook de uitkomst van de parlementaire enquête naar de Fyra — dat we proberen alles uit die lijn te halen wat erin zit. Daaruit volgde dat "three strikes out"-principe. Bij de aanscherping naar aanleiding van de parlementaire enquête Fyra is gezegd dat, wanneer de NS en een aantal keren op rij op dezelfde indicator door de bodemwaardes heen zakt, je dan toch moet onderzoeken of er niet op een andere manier voor de reiziger meer uit die lijn te halen is. Als je de reiziger vooropstelt, is dat op zich dus reëel. Dat onderzoek is uitgevoerd, want je moet natuurlijk wel weten of zo'n partij er überhaupt is en of het überhaupt beter kan. Uit dat onderzoek kwam naar voren dat er partijen zijn die ook aannemelijk kunnen maken dat ze de bodemwaardes kunnen halen, dat ze zelfs meer kunnen halen dan de bodemwaardes. Maar die partijen zeggen ook heel duidelijk: we willen dat wel zelfstandig doen, en niet met de NS. Dat zijn allemaal gegevens die ik meeneem naar de discussie die we later met elkaar hebben over de vraag of we het na deze concessie nog een keer op dezelfde manier willen doen of dat we dan dingen willen veranderen. Maar op dit moment is er op basis van de uitkomsten geen sprake van three strikes out en heeft het dus voor de NS geen effect in die zin dat er een verandering zal plaatsvinden. Als zij het goed doen, hebben wij gewoon een contract met de NS.

De heer Laçin (SP):
Ik ben blij om te horen dat als zij het goed doen, wij dan gewoon een contract met de NS hebben. Alleen, onze insteek is om vooral toe te werken naar een goede uitwerking met de NS in plaats van te dreigen met die three strikes out en het in de hoek drukken van de NS. Bijvoorbeeld Arriva zegt dat het de NS uit de markt wil concurreren, dat het de grootste wil worden, dat het het hoofdrailnetwerk wil overnemen. Dat heeft ook recent in de krant gestaan. Dus in die zin vraag ik ook de staatssecretaris om naar mogelijkheden voor meer samenwerking en de verbetering van de NS te zoeken, en om niet te gaan zitten op meer marktwerking en dreigementen, die nu vanuit alle hoeken richting de NS komen. Wat kan de staatssecretaris daarover zeggen?

De voorzitter:
Helder.

Staatssecretaris Van Veldhoven:
Ik ga niet over de woorden van Arriva, dus dat moet ik geheel aan hen laten. Maar de heer Laçin vindt mij zeker aan zijn zijde als het gaat om het inzetten op een continue verbetering van de prestaties van de NS en het belang van de reiziger. Zo sta ik erin.

De voorzitter:
Heel goed. De heer Amhaouch.

De heer Amhaouch (CDA):
De minister ... Ik bedoel: de staatssecretaris; ik moet nog even wennen aan die wisselwerking. Ik heb zowel met de minister als met de staatssecretaris te maken, bij de luchtvaart en het spoor.

Ik kom eerst terug op de Maaslijn. We willen graag gebruikmaken van de handreiking van de staatssecretaris, want de Maaslijn is een partnership. Daar zit het Rijk in, daar zit ProRail in, daar zit de provincie Gelderland in, daar zit de provincie Limburg in, daar zit de provincie Brabant in. Er wordt 160 miljoen in geïnvesteerd, inclusief het station Greenport Venlo. Dan kan het er bij mij niet in dat als we samen uitgaan, niet samen thuiskomen om dat project te realiseren. Ik wil inderdaad onderstrepen wat de staatssecretaris zegt: wij gaan goed kijken wat we in de komende weken kunnen doen en zullen daar bij het MIRT op terugkomen. Dat is één.

Het tweede is station Eindhoven. Daar heb ik in mijn inbreng over gesproken, maar ik had er nog geen reflectie op gehad. Misschien kunt u daar kort op reflecteren, want dat past zeker in de lijn Eindhoven-Duitsland; ik bedoel niet alleen de spoorverbinding, de intercity, maar ook de ontwikkelingen op dat station.

De voorzitter:
U gaat nu afronden met een vraag.

De heer Amhaouch (CDA):
Mijn eerste vraag is of de staatssecretaris kan reflecteren op de ontwikkelingen.

De voorzitter:
Heel goed.

De heer Amhaouch (CDA):
Dan wil ik mijn tweede vraag inzetten, als dat kan. Of gaat de staatssecretaris eerst deze vraag beantwoorden?

De voorzitter:
Laten we eerst even naar de staatssecretaris gaan luisteren.

Staatssecretaris Van Veldhoven:
Dank u wel, voorzitter. Ik ga inderdaad graag het gesprek aan met de regio om dat te bekijken. Ik constateerde dat we natuurlijk ook als Rijk al ruim 70 miljoen hiervoor hebben vrijgemaakt. Dus wij vinden het ook een belangrijk project. Ergens zit er natuurlijk een eind aan wat wij daar aan rijksmiddelen bij kunnen zetten, maar de toezegging die ik daarstraks heb gedaan, namelijk bekijken of we slimme oplossingen kunnen vinden, doe ik heel graag gestand. Laten we inderdaad bij het MIRT bekijken of we daar nog verder mee gekomen zijn.

Op het punt van station Eindhoven: de lijn Eindhoven-Düsseldorf is onderdeel van een aantal van de concrete projecten die het regeerakkoord benoemt. Het is een belangrijke lijn voor het grensoverschrijdende verkeer in die regio. Daar gaan we met elkaar over spreken. Daarbij komt ook station Eindhoven natuurlijk om de hoek kijken. Heel veel meer concreets kan ik er hier nu niet over zeggen, maar we kunnen er bij het notaoverleg MIRT zeker ook nog verder over spreken.

De heer Amhaouch (CDA):
Oké. Dan heb ik nog een vraag, als dat mag, voorzitter. Die gaat over het gebruik van het spoor, over de maximale capaciteitsbenutting. De staatssecretaris heeft een aantal keer gezegd dat ze bezig is met een beheersplan of een perspectiefplan; ik kan het niet letterlijk citeren. Maar er worden blijkbaar nog steeds enkeldekstreinen besteld, terwijl u zelf ook aangeeft dat Nederland internationaal gezien bijna het drukste spoor heeft. Kan de staatssecretaris verklaren waarom dat nog gebeurt? Een ander punt is dat we, als er onderhoud aan het spoor plaatsvindt, blijkbaar nog altijd allebei de spoorlijnen dichtgooien. Hoe gaan de buurlanden daarmee om? Kunnen we op dat punt nog effectief zijn? Als ergens op de A67 aan de weg gewerkt wordt, worden niet alle vier of allebei de banen dichtgegooid.

De voorzitter:
Dank u wel. De staatssecretaris.

De heer Amhaouch (CDA):
Kunnen we dus kijken naar creatieve ideeën om het spoor maximaal te benutten?

Staatssecretaris Van Veldhoven:
Ik deel heel erg de intentie van de heer Amhaouch om het spoor maximaal te benutten en de overlast door werkzaamheden zo veel mogelijk te verminderen. Tegelijkertijd willen we het ook veilig doen. Ik weet zeker dat in het programma over toekomstbestendig beheer van het spoor dat ProRail heeft uitgewerkt, ook naar dit soort ideeën wordt gekeken. Dat heeft dus absoluut de aandacht. We willen de overlast zo veel mogelijk verminderen en het spoor zo maximaal mogelijk benutten, binnen wat veilig is voor de mensen die aan het spoor moeten werken. Ik weet zeker dat de heer Amhaouch daar ook groot belang aan hecht.

Dan de dubbeldekstreinen. Toen de heer Amhaouch dat gisteren zei, dacht ik ook: ja, dat is eigenlijk wel apart. Ik heb dat dus nagevraagd. Nu blijkt dat we daar een bewuste keuze voor maken vanwege de toegankelijkheid van het openbaar vervoer, ook voor mensen met een beperking. U ziet die dubbeldekstreinen allemaal voor u. Daarbij moet je óf een trappetje af óf een trappetje omhoog. Als je beperkt bent, heb je dus eigenlijk slecht toegang tot die treinen. Dat is een van de redenen waarom er een verandering heeft plaatsgevonden in het inkoopproces. We hebben Kamerbreed gezegd dat we die toegankelijkheid, ook voor mensen met een beperking, ontzettend belangrijk vinden.

De voorzitter:
Mevrouw Dik-Faber.

De heer Amhaouch (CDA):
Voorzitter?

De voorzitter:
Nee, u bent twee keer geweest, meneer Amhaouch, en u heeft hele lange vragen gesteld.

De heer Amhaouch (CDA):
Nee, het waren twee vragen. We hebben vijf vragen per fractie.

De voorzitter:
Dat is mijn schuld niet. Dan moet u één vraag stellen. Tenzij u zegt: ik ga er nog een interruptie aan wagen. Maar dan tellen we die er gewoon bij.

De heer Amhaouch (CDA):
Dit is mijn laatste vraag.

De voorzitter:
Nee, dat zou de derde keer zijn dat ik u het woord geef, en interrupties gaan in tweeën.

De heer Amhaouch (CDA):
Volgens mij heb ik nu twee …

De voorzitter:
Ja, u heeft heel veel vragen gesteld, maar interrupties gaan in tweeën.

De heer Amhaouch (CDA):
U kunt wel horen hoe lang de inleidingen zijn. Ik heb vrij korte inleidingen.

De voorzitter:
Uw vragen waren ook heel lang, dus u heeft een hele lange interruptie gehad.

De heer Amhaouch (CDA):
Mag ik nog heel kort …

De voorzitter:
Nee, nee, nee, want ik heb u al twee keer gehoord en interrupties gaan echt in tweeën. Mevrouw Dik-Faber.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):
Dit was voor mijn fractie een belangrijk blokje. Het openbaar vervoer en de fiets wekken bij ons warme gevoelens op. De staatssecretaris heeft gesproken over het onderhoud aan het spoor. Voor mijn fractie zijn ook de onbewaakte spoorwegovergangen belangrijk. Die zijn onveilig. Mijn vraag is: deelt de staatssecretaris die zorgen? En wat is zij van plan te gaan doen om die veiligheid te verbeteren?

Staatssecretaris Van Veldhoven:
Die zorgen deel ik absoluut. Ik hoop dat dat in mijn inleiding ook helder was. Het feit dat er nog steeds mensen doodgaan op een onbewaakte overgang is iets wat we met elkaar zo snel mogelijk moeten proberen terug te brengen. Ik wil er dus zeker van alles aan doen om die onbewaakte overgangen aan te pakken. Daar kom ik nog met u over te spreken, maar ik begrijp de vraag van de ChristenUnie heel erg goed. We willen hier tempo maken. Ik heb ook aan het departement gevraagd om eens in kaart te brengen waar de grootste risico's zitten en wat we kunnen doen om hier versnelling in aan te brengen om die zo veel mogelijk terug te brengen. Het is heel terecht dat dit een prioriteit is voor de ChristenUnie. Die deel ik heel erg en ik kom graag met verdere informatie daarover bij u terug. Het staat hoog op mijn agenda.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):
Mijn vervolgvraag is wanneer die informatie naar de Kamer zou kunnen komen, want ik kan natuurlijk niet uitsluiten dat de ChristenUnie hier bij het MIRT ook over zal spreken.

Ik smokkel toch een klein beetje, voorzitter. De fiets is voor ons ook erg belangrijk. De staatssecretaris zei dat ze in overleg gaat met decentrale overheden. Maar betrek daarbij alstublieft ook de maatschappelijke organisaties en organisaties als NS. Het lijkt mij ontzettend belangrijk dat het niet alleen iets bestuurlijks blijft.

Staatssecretaris Van Veldhoven:
Laat ik op dat laatste punt meteen antwoord geven. Dat ben ik helemaal met mevrouw Dik-Faber eens. We zullen alle partijen nodig hebben. Stations zijn vaak grote knelpunten. In het kader van de Tour de Force spreek ik natuurlijk echt met iedereen, maar ik zal zeker ook heel specifiek bij de fietsenstallingen partijen als NS en ProRail heel hard nodig hebben, naast de bestuurders, dus daar ben ik het zeker mee eens. Op het punt van de overwegen ga ik kijken of ik al voor het MIRT met iets kan komen, hopelijk voor 11 december 2017. Mocht dat echt niet lukken, dan laat ik u dat weten, maar ik hoop dat voor die tijd te kunnen doen.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Allereerst ben ik blij om te horen dat de staatssecretaris de analyse deelt dat het echt cruciaal wordt om op ov en spoor in te zetten om de maatproblemen aan te pakken. Mijn vraag is dan ook of zij de analyse en ambities deelt van de heer Pier Eringa, directeur van ProRail, dat treinen op korte afstanden in Europa sneller, makkelijker en goedkoper moeten worden dan vliegen. Als zij die analyse deelt, kan zij dan een analyse laten uitvoeren van wat er nodig is, zowel in financiële termen als in regelgeving en in alle mogelijke dingen die wij als overheid en samenleving kunnen doen om deze ambitie waar te maken?

Staatssecretaris Van Veldhoven:
Dat is een heldere vraag. Ik deel absoluut de ambitie dat het mooi zou zijn als meer mensen weten te kiezen voor de trein in plaats van het vliegtuig voor korte afstanden. Ik geloof ook dat zelfs in de Kamer de afspraak is gemaakt dat alle reizen onder de 500 kilometer met de trein gaan in plaats van met het vliegtuig. Laten wij dus zeker met elkaar kijken wat wij daaraan kunnen doen. Ik ben van plan, ook naar aanleiding van een vraag van het CDA, om te komen met een integrale agenda van al onze internationale spoorverbindingen Ik denk dat dat goed inzicht geeft in waar de capaciteit zit en waar de lijnen zitten waar wij iets mee kunnen. Ik neem het graag in die context mee.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Dank u wel. Ik hoop dat wij inderdaad een analyse krijgen die echt inzichtelijk maakt wat er kan gebeuren. Ik denk dat het belangrijk is dat de Kamer een dergelijke analyse heeft voordat wij grote besluiten nemen over de luchtvaart. Het is wat GroenLinks betreft echt waanzin om nu een nieuw vliegveld op te tuigen voor 45.000 extra vluchten, terwijl wij nog 60 keer per dag vluchten hebben van Schiphol naar Londen, wat je ook met de trein kunt doen. Zo direct sta je in vier uur in hartje Londen. Wat ons betreft dus echt een aansporing om met deze analyse te komen en hierop een duidelijke agenda te voeren voordat wij besluiten gaan nemen over welke luchthaven dan ook.

Staatssecretaris Van Veldhoven:
Maar nu wil ik toch wel een klein beetje de verwachtingen managen. Ik kan sowieso niet toezeggen dat ik daarmee kom voordat er besluiten worden genomen over de luchtvaart. Uiteindelijk blijft het ook aan mensen zelf om de keuze te maken of zij in de trein stappen of voor het vliegtuig kiezen. We kunnen heel veel doen — en ik verwacht ook heel veel van de heer Eringa, die hoofd is geworden van een Europese organisatie — om ervoor te zorgen dat alle treinverkeer internationaal makkelijker en soepeler gaat. Dat zijn allemaal dingen die nodig zullen zijn om het een aantrekkelijk aanbod te maken. Maar uiteindelijk kiezen mensen zelf en daarom is het misschien toch verstandig dat wij dat niet een-op-een koppelen aan de luchtvaartagenda, al snap ik de link die mevrouw Kröger legt goed. Als je immers meer met de trein gaat en minder met het vliegtuig helpt het wel. Dat zijn wij met elkaar eens.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):
Ik ben blij dat de staatssecretaris zegt dat de reiziger centraal staat en dat er hard moet worden gewerkt aan het ov en het spoor. Dat is hartstikke hard nodig. We hebben meer capaciteit nodig. We hopen ook dat steeds meer mensen het ov gebruiken. Dat is heel goed. Het is ook goed dat de medewerkers centraal staan. Die doen fantastisch werk dag in dag uit. De staatssecretaris zei vervolgens over de concessie dat het openstellen van intercitylijnen voor andere marktpartijen nog een afweging is van het kabinet. Dat is pas in 2025. Toch heeft dat ene zinnetje wel wat gedaan met de medewerkers. Die worden onrustig: wat betekent dat voor mijn baan? Wellicht denkt de reiziger ook: wat betekent dat voor de rust op het spoor? Wat was de ratio voor dat ene zinnetje?

Staatssecretaris Van Veldhoven:
Als je de reiziger centraal zet en als je weet dat je elke tien jaar opnieuw een afweging moet maken hoe je omgaat met de concessie op het hoofdrailnet, is het reëel om de mogelijkheid open te houden dat je, als je er voor de reiziger meer uit kunt halen, dat graag mee wilt wegen in de beslissing. Dat is gewoon een politieke weging geweest. Het is dus vanuit het belang van de reiziger. Als je dat centraal zet en niet de vervoerder, vind ik dat een heel logische afweging, die verder nergens op vooruitloopt. De reiziger staat centraal, niet de partij die de reiziger vervoert. Als je hem werkelijk op één, twee en drie zet, lijkt mij dat de strategie die je moet kiezen.

De heer Van Dijk noemt een heel aantal punten die van belang zijn. Natuurlijk gaan we die allemaal heel zorgvuldig meewegen. Ook naar de positie van de werknemers wordt natuurlijk altijd heel zorgvuldig gekeken. We zijn echt van deze mensen afhankelijk om ons dagelijks over al die sporen en buslijnen te vervoeren. We zijn heel dankbaar voor al hun harde werk. Dat nemen we natuurlijk allemaal mee.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):
Ik dank de staatssecretaris voor dit antwoord. Wellicht worden we het niet eens over wel of niet meer markt op het spoor. Wellicht is dat een principiële keuze die we elk anders maken. Maar ik ben wel voor wat anders. Weeg het belang van de reiziger, het belang van de medewerkers en het belang van een integrale aanpak — namelijk: het beheer van stations, het beheer van de veiligheid rond stations — allemaal mee voordat er besluiten worden genomen over mogelijk meer marktpartijen. Wellicht kan dat al worden betrokken bij het eerste besluit, over de HSL-Zuid, ook een intercitylijn, richting Düsseldorf.

Staatssecretaris Van Veldhoven:
Misschien — al dan niet; we zullen het zien — zijn de heer Van Dijk en ik het uiteindelijk eens over de conclusie. Over het proces zijn we het volgens mij in belangrijke mate eens. Al die punten moeten erbij worden betrokken als je de reiziger centraal stelt en als je op een reële manier wilt omgaan met de partijen en medewerkers op het spoor. We moeten het zorgvuldig doen. Dat ben ik absoluut van plan.

De heer Jetten (D66):
De reiziger heeft jarenlang moeten wachten op een fatsoenlijk product op de hsl. Het lijkt erop dat het dit jaar eindelijk gaat lukken. Dus de druk op NS en ProRail heeft wel degelijk geholpen. Ik hoop ook dat ze het gaan halen. Net als veel collega's heb ik in de afgelopen maanden meegelopen met machinisten op de hsl en gezien dat ze keihard werken om die prestaties te halen. Maar we zijn er nog niet. Daarom heb ik drie korte vragen aan de minister. Ten eerste: kan de minister in de brief over de prestaties in 2017 ook aangeven waar we staan met de verbetering van de infra op de hsl en wat er in de komende jaren eventueel extra nodig is? Ten tweede: wil ze aandacht besteden aan station Dordrecht, dat door alle extra aandacht voor de hsl nu het slachtoffer is wat betreft bereikbaarheid over het spoor? Tot slot heb ik nog de volgende vraag. De voorganger van deze staatssecretaris heeft mij voor de zomer toegezegd dat de toeslag op de IC direct, buiten de spits zou worden geschrapt. Die voorganger van deze staatssecretaris heeft daar toen twee pagina's in De Telegraaf goede sier mee gemaakt. Aankomende vrijdag is het 1 december. Die toeslag is nog steeds niet geschrapt. Ik hoor graag van de staatssecretaris of zij er bij de NS op gaat aandringen om dat nog dit jaar voor elkaar te krijgen.

De voorzitter:
Per vraag mag ze gewoon met "ja" of "nee" antwoorden, hè?

Staatssecretaris Van Veldhoven:
Ben ik bereid om in de brief over 2017 ook in te gaan op de infrastructuurmaatregelen? Van een aantal punten op de infrastructuur is bekend dat daar problemen zijn. Ik heb er al 60 miljoen voor uitgetrokken om die aan te pakken. Ik zal in de brief ingaan op wat de plannen daarvoor zijn. Het punt betreffende Dordrecht is een langlopende discussie. Ik heb de laatste stand van zaken nu niet paraat. Ik zal kijken of we dat nog in tweede termijn voor u kunnen regelen. En anders informeer ik u daar schriftelijk over. Datzelfde geldt voor de toeslag.

De voorzitter:
De heer Amhaouch nog?

De heer Amhaouch (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Ik kom nog even terug op wat de staatssecretaris in haar antwoord zei over de toegankelijkheid. We hebben in de Kamer het VN-verdrag betreffende de toegankelijkheid voor iedereen, ook in het openbaar vervoer, geratificeerd. Maar ik vraag de staatssecretaris wel om met de spoorwegen, met de aanbieders eens kritisch te bekijken of de toegankelijkheid ook op een andere manier kan worden geregeld of georganiseerd. Als we op dit heel drukke spoor alleen nog maar meer enkeldekstreinen gaan bestellen, dan komen we in de knoei. Ik zeg daar nogmaals bij: zonder de mensen met beperkingen die van A naar B moeten, tekort te doen.

Staatssecretaris Van Veldhoven:
Ik denk dat ik het verzoek van de heer Amhaouch zo kan begrijpen: zijn er niet combinaties mogelijk waarbij je én voldoende zitplaatsen in een trein hebt én die toegankelijkheid er is? Dat is zeker een vraag die we zeker ook bij de vervoerders kunnen neerleggen, zodat ze aandacht hebben voor de grote drukte en voor de grote hoeveelheid mensen die we op een fatsoenlijke manier met die treinstellen willen vervoeren. Ik zal die suggestie graag meenemen naar de vervoerders. Het gaat om beide dingen. Ik hoor ook bij het CDA dat ze deze beide punten graag goed gecombineerd ziet.

Ik kom op mijn blokje "bijdrage aan klimaatverdrag Parijs". We gaan naar een wereld met 9 miljard mensen. In de afgelopen eeuw zijn we 34 keer meer materialen gaan gebruiken, 27 keer meer mineralen en 12 keer meer fossiele brandstoffen. Dat zal echt anders moeten, willen we de generaties na ons niet opzadelen met onomkeerbare problemen. De heer Van Raan sprak over een spagaat met aan de ene kant groei en aan de andere kant de grenzen van ons ecosysteem. Ik zeg tegen hem: in the end heeft u natuurlijk gelijk, want op een eindige planeet kun je niet oneindig groeien. Als je een spagaat aan het doen bent, is het wel van belang dat je lenig en flexibel bent. Hoe beter je daarin bent, hoe beter die lukt. Ik ben ervan overtuigd dat we vervolgens nog flink kunnen trainen om die spagaat beter te doen. Door forse ambities, groene innovaties en strenge normen zouden we volgens mij enorm lenige uitdagingen aankunnen. Ik denk dat er ook heel erg veel kansen zitten in die ombuiging. Ik denk dat de heer Van Raan weet dat ik heel erg naar die kansen kijk, dat ik de noodzaak zie en die kansen heel graag benut. Ik zet daar graag vol op in.

Zo zie ik dan ook onze ambitie om te gaan naar een circulaire economie. Ik zal niet meteen een teller aanzetten, maar over minder dan 12.000 dagen is het 2050. Dan willen wij een volledig circulaire economie hebben zonder afval, een economie die draait op hergebruik; zonder verspilling en met slim design. Mevrouw Van Eijs onderstreepte het belang hiervan al. Dat ben ik echt van harte met haar eens en dus zijn er nu acties nodig. Die ondernemen we ook. We hebben een mooi startpunt met het grondstoffenakkoord waar de Partij voor de Arbeid zich ook altijd hard voor heeft gemaakt. Bij heel veel partijen in de Kamer breed zie ik dat ze de ambities van het grondstoffenakkoord steunen. Met name alle partners buiten de Kamer steunen het, want daar moet het vandaan komen. Mevrouw Kröger, nogmaals, gaf aan graag met mij op te willen trekken. Ik spoor alle anderen daar ook toe aan. Laten we hier met elkaar het maximale uit halen. Ik zie dat mevrouw Mulder van het CDA aandachtig zit mee te luisteren. Ik ken haar ook als een warm pleitbezorger van dit onderwerp.

Mevrouw Kröger en de heer Laçin vroegen mij naar de transitieagenda's en de budgetten van het rijksbrede programma. Die transitieagenda's komen eraan: volgend voorjaar. Die gaan een actieagenda, een kennisagenda, een sociale agenda en een investeringsagenda bevatten. Ik hoop dat die allemaal in januari 2018 worden afgerond. Daarna komt het kabinet met een reactie. Hierbij houd ik ook rekening met het SER-onderzoek naar de inzetbaarheid van het bestaande financiële overheidsinstrumentarium en de financieringsmogelijkheden via bijvoorbeeld Invest-NL of de Europese structuurfondsen. Voor de bestaande maatregelen van IenW uit het rijksbrede programma hebben we ongeveer 18 miljoen euro beschikbaar in 2018. Daarnaast hebben we natuurlijk nog andere departementen die hun eigen maatregelen hebben en daar zelf de kosten voor dragen. Ten slotte wil ik nog opmerken dat circulaire economie onderdeel is van de klimaatopgave. Daarvoor heeft het kabinet jaarlijks 300 miljoen euro vrijgemaakt in aanvulling op de lopende middelen van de SDE+. Voordat wij denken dat we jaarlijks 300 miljoen hebben, zeg ik dat dit niet zo zal zijn. Want we moeten dat geld delen met een heleboel andere departementen die ook heel grote opgaven hebben. We komen nog te spreken over hoe dat geld precies verdeeld gaat worden. In ieder geval is dat een envelop waarin ook aandacht is voor circulaire economie.

Er wordt ook nog een akkoord gesloten met de waterschappen, provincies en gemeenten. Zij hebben destijds in hun inbreng aan de formatietafel — dat heeft u toen meegekregen — de circulaire economie als iets belangrijks benoemd. U weet allemaal dat de waterschappen daar heel ambitieus mee aan de gang zijn.

Mevrouw Dik-Faber en mevrouw Van Eijs vroegen naar textielrecycling. In het Rijksbrede programma Circulaire Economie heb ik aangegeven dit te gaan verkennen. Ik ga kijken hoe we de invulling van de bestaande verantwoordelijkheid van producenten kunnen uitbreiden. Ik denk bijvoorbeeld aan afspraken over de hoeveelheid herbruikbare materialen. Die verkenning is al gestart. Daarnaast wordt hierover in het imvo-convenant Duurzame Kleding en Textiel en in de transitieagenda's gesproken. Zoals ik al zei, komt er een reactie in het voorjaar. Er komt ook nog een reactie op dat imvo-convenant. Mevrouw Dik-Faber heeft zorgen over de labeling van kleding. Zij vraagt zich af of het wel klopt wat daarop staat en wil inzicht hebben in hoe duurzaam de ene stof is ten opzichte van de andere stof. Dat neem ik allemaal daarin mee. Dat zijn heel terechte aandachtspunten, want je wilt als consument wel weten of je het goed doet. Als dat niet helder is of als de informatie ontbreekt, weet je niet hoe je de juiste keuze moet maken. Dus daar komen we op terug.

Zwerfafval en statiegeld zijn een pièce de résistance in de discussie met de Kamer over circulaire economie. Meerdere Kamerleden vroegen naar statiegeld en naar het tegengaan van zwerfafval. In februari heeft een meerderheid van de Kamer de motie die we allemaal kennen als de petitiemotie van de Plastic Soup Surfer gesteund. Die motie vraagt om het nemen van effectieve maatregelen, zodat binnen drie jaar een reductie van kleine plastic flesjes in zwerfafval van 90% wordt bereikt.

Ik onderschrijf die ambitie zeer, want het tegengaan van plasticsoep in de oceanen is van groot belang. We mogen trots zijn op mensen als Boyan Slat, die de plasticsoep in de oceanen opruimen; het is natuurlijk nog mooier als we weten te voorkomen dat er allemaal plastic in zee verdwijnt. Daarom is het aanpakken van die kleine plastic flesjes zo belangrijk. We zijn er als Kamer allang over in gesprek, want we sturen op effect en niet op middel. Zo hebben we onder andere de pilot Schoon Belonen met elkaar opgezet. Dat wil zeggen: dat hebben Natuur & Milieu, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en het verpakkende bedrijfsleven met elkaar opgezet. Die hebben verschillende beloningssystemen uitgeprobeerd. De evaluatie die ik de Kamer heb toegestuurd is vers van de pers. Er komt nog een toelichtingsbrief van de partners met hun interpretatie van deze evaluatie. Die krijgt u ook. Ik ga het in ieder geval heel goed bekijken in samenhang met de resultaten van het onderzoek naar de invoering van statiegeld voor kleine flesjes en blikjes. Dat is nog gedaan onder het vorige kabinet. Natuurlijk is ook de evaluatie van de Raamovereenkomst Verpakkingen hierbij van belang. Tegen de heer Laçin zeg ik dat het verminderen van zwerfafval en het recyclen van materialen en producten natuurlijk ook heel nadrukkelijk onderdeel uitmaakt van de circulaire economie en van de transitieagenda's. Dus ook daar komt het zeker terug.

Voorzitter. Dan ga ik naar duurzaam transport en luchtkwaliteit. Dat is het tweede blokje onder Parijs. Ook op het gebied van schoon vervoer is de urgentie groot. Transport is wereldwijd verantwoordelijk voor een derde van de CO2-uitstoot. De afspraken uit Parijs betekenen dan ook dat ook de mobiliteitssector moet verduurzamen. Er gebeurt al veel, maar er is nog veel meer nodig om het tussendoel voor 2030 te halen. Op dit punt wil ik ook voor de zomer met alle betrokken partijen afspraken maken over hoe we deze opgave uit het regeerakkoord gaan bereiken.

Mevrouw Van Eijs vroeg of ik kansen zie voor bijvoorbeeld de groei van elektrische en waterstof-elektrische bussen. Ik zeg haar heel graag toe dat ik in de context van de brief die ik over mobiliteit schrijf daarop terugkom, want ik weet dat het een punt is waar de D66-fractie allang aandacht voor heeft. Dit zijn kansen om samen met decentrale overheden zo veel mogelijk emissieloze ov-bussen de weg op te krijgen. Daar zijn een aantal afspraken over gemaakt. Ik kom daar graag wat meer in detail op terug in de context van de brief. Het ziet er hoopvol uit. Er rijden inmiddels al bijna 200 elektrische en waterstof-elektrische bussen. Die worden ook via MIA/Vamil gesubsidieerd. Ik kom op de details nog terug, maar dit is absoluut een belangrijk punt.

Mevrouw Van Eijs vroeg eveneens naar de ambitie van nieuwe emissieloze auto's in 2030 in relatie tot het recente voorstel van de Europese Commissie over de uitstoot van auto's. Het voorstel dat er lag was niet voldoende om aan onze doelstelling voor 2030 te voldoen. Dat was helder. Maar daarom ga ik me natuurlijk als allereerste in de aankomende onderhandelingen in Brussel inzetten om dat voorstel aan te scherpen. Dat ga ik niet alleen doen, want er zijn ook een aantal andere landen die wel graag die norm wat hoger willen hebben, omdat het Europese bronbeleid natuurlijk voor iedereen een heel efficiënt middel is om de uitstoot omlaag te krijgen. Dus ik ga ernaar kijken, maar we weten ook allemaal dat het voor sommige landen een lastig punt is. Dat worden waarschijnlijk nog pittige onderhandelingen, maar u heeft mijn volledige inzet in die context.

Daarnaast heeft het regeerakkoord ook een heldere opgave voor laadinfrastructuur en differentiatie van parkeertarieven. Dat gaat allemaal helpen om schoner rijden aantrekkelijker te maken.

Voorzitter, dat waren mijn antwoorden in het blokje over onze bijdragen aan Parijs. Dan heb ik straks als laatste nog een blokje gezonde en veilige leefomgeving.

Mevrouw Van Eijs (D66):
Wij zijn de staatssecretaris dankbaar voor de schriftelijke antwoorden die wij eerder vandaag mochten ontvangen. Daarin refereerde ze ook aan de vraag die ik had over het meewegen van CO2-uitstoot en andere negatieve milieueffecten bij maatschappelijk verantwoord inkopen. Ik ben blij dat ik lees dat de staatssecretaris al actie heeft ondernomen om te onderzoeken hoe zij de CO2-uitstoot kan meewegen. Wij vroegen ons af of zij kan aangeven wanneer wij de eventuele resultaten van dit onderzoek kunnen verwachten. Verwacht zij dat dit meewegen van CO2 kansen biedt voor innovatieve, nieuwe, vaak kleinere spelers op de markt?

Staatssecretaris Van Veldhoven:
Wanneer we daar precies mee kunnen komen, ga ik even navragen. Ik kom er in tweede termijn op terug. Dan moet ik eventjes kijken hoever we daar precies mee zijn en wat een logisch moment is om daarop terug te komen bij de Kamer. Misschien kan het worden meegenomen in de context van een brief die we al gepland hebben. Bij al dit soort dingen is het van belang dat we zorgen dat het mkb goed toegang heeft en dat het ook voor het mkb goed uitvoerbaar is, want daar zit nou juist heel veel van de innovatie. De heer Ziengs weet dat als economiewoordvoerder als geen ander. In het mkb zit ontzettend veel innovatie. Die moeten we natuurlijk kunnen benutten. Zo'n systeem zal daar altijd goed rekening mee moeten houden.

Mevrouw Van Eijs (D66):
Dat is goed om te horen. Ik hoop dat we inderdaad nog nieuws krijgen over wanneer we dit kunnen verwachten. Ik heb een motie in voorbereiding, maar ik hoop dat we hier snel op kunnen terugkomen. Ik ga ervan uit dat het snel genoeg gebeurt en dan zal ik mijn motie dus niet indienen.

Staatssecretaris Van Veldhoven:
We zullen u zo snel mogelijk een indicatie proberen te geven. Laten we hopen dat we elkaar daarin kunnen vinden.

De voorzitter:
De vijfde interruptie van de heer Laçin. We houden het allemaal bij.

De heer Laçin (SP):
Ik hou het ook bij, voorzitter. Ik ben blij om te horen dat de staatssecretaris in tegenstelling tot het regeerakkoord wél veel aandacht besteedt aan de circulaire economie. Ik wil graag een vraag stellen over de uitbreiding van statiegeld tot kleine flesjes en blikjes. D66 bepleit zo'n uitbreiding. Het staat als serieuze optie in het verkiezingsprogramma. Ook de partij van mevrouw Dik-Faber, de ChristenUnie, onderschrijft dit als een serieuze optie. Mijn eerste vraag aan de staatssecretaris is: waarom is die uitbreiding niet gewoon via de onderhandelingstafel in het regeerakkoord geregeld?

Staatssecretaris Van Veldhoven:
Er is een link tussen de eerste en de tweede vraag. Waarom staat er maar zo weinig over circulaire economie in het regeerakkoord. Misschien is dat een kwestie van "underpromise overdeliver". Achter die zin kan heel veel schuilgaan. Laten we er met elkaar het mooiste van maken. Het regeerakkoord is op sommige punten heel erg gedetailleerd en op andere punten minder. Ik ben heel erg blij dat circulaire economie in het regeerakkoord verankerd is als onderdeel van de klimaatopgave. Ik denk dat dat een ontzettend belangrijke haak biedt om hier vol mee aan de slag te gaan in de komende jaren. Het laat ons ruimte om zelf, maar ook met alle maatschappelijke partijen die wij daarbij nodig hebben, die agenda goed in te vullen. We kunnen dat alleen van de grond trekken als we al die partijen echt aan boord hebben. Ik ben persoonlijk wel blij met de ruimte die het regeerakkoord mij daartoe biedt.

Statiegeld is één, heel specifiek element van die hele circulaire economie waar we het terecht heel vaak met elkaar over hebben. Maar ook daar gaat het erom om met elkaar een verstandige afspraak te maken. Hoe willen we met de verschillende partijen die hier heel nauw bij betrokken zijn — daar hoort de Kamer misschien wel als eerste bij — een goede conclusie trekken? Daarvoor hebben we een aantal gegevens nodig. Ik vond het heel belangrijk dat wij de evaluatie van die pilots Schoon Belonen hadden. We hebben dat rapport dat al is samengesteld. En we hebben straks nog de evaluatie van de raamovereenkomst.

De heer Laçin (SP):
Dank voor het antwoord. Wij zullen zeker gebruikmaken van de ruimte die er is om samen te werken en tot goede ideeën, goede uitvoerbare moties en plannen te komen om de circulaire economie te bevorderen. Maar ik keer toch ook terug naar het punt van het statiegeld. Er liggen rapporten van CE Delft en van het CPB. We hebben een volgens mij unaniem aangenomen motie over de Plastic Soup Surfer. Wij hebben de evaluatie of het rapport over Schoon Belonen gisteren gekregen. Als partij zijn wij de fase van het bekijken voorbij. Wij willen dat die uitbreiding van het statiegeld gaat gebeuren. Mijn vraag aan de staatssecretaris is dan ook wanneer het onderdeel van het actieprogramma dat zij net noemde, naar de Kamer komt. Dat heb ik effe gemist. Is hoe wij een uitbreiding van het statiegeld gaan realiseren ook een onderdeel van het actieprogramma? Wordt dat een actieplan in dat actieprogramma?

Staatssecretaris Van Veldhoven:
Voordat wij alle actieplannen in alle actieplannen gaan bespreken: de transitieagenda's komen. Daar zit de hele kunststofketen in en dat is breder dan alleen het statiegeld. Ik neem kennis van het feit dat de SP al een analyse heeft gemaakt van alle rapporten die er liggen en tot een conclusie is gekomen. Ik wil alles nog even afwachten, ook de evaluatie van de RRAAM-overeenkomst, want ik vind het wel belangrijk om die erbij te nemen. We zullen er hier begin volgend jaar zeker met elkaar opnieuw over komen te spreken. Ik zou ook met een brief kunnen komen, waarin ik mijn analyse van die verschillende stukken nog eens even bij elkaar neem, zodat we er zeker nog met de Kamer over zullen spreken.

De voorzitter:
Mevrouw Dik-Faber.

De heer Laçin (SP):
Even een kort vraagje.

De voorzitter:
Neenee, u bent twee keer geweest en dat waren hele lange mededelingen. Mevrouw Dik-Faber!

De heer Laçin (SP):
Ik vroeg alleen wanneer het actieprogramma bij de transitieagenda zou komen?

Staatssecretaris Van Veldhoven:
De transitieagenda's komen, geloof ik, in januari. Zodra ik alle stukken heb, ga ik ook aan de slag met de actieprogramma's.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):
De staatssecretaris begon dit blokje met een schets van hoeveel grondstoffen wij deze eeuw meer zijn gaan gebruiken. Dat was voor mij nieuwe informatie. Ik ben er erg van geschrokken. Ik moedig haar dus ook aan om die circulaire economie met kracht voort te zetten en ik weet zeker dat ze dat zal gaan doen.

Een van de grondstoffen die ik er nu uit wil pakken, is textiel. Ik heb er onlangs ook Kamervragen over gesteld. Ik zie dat we eigenlijk in een neerwaartse spiraal terecht zijn gekomen, omdat de materialen die gebruikt worden voor de kledingproductie, van steeds slechtere kwaliteit zijn. Daar zit ook een component arbeidsomstandigheden bij, maar ik beperk me nu even tot het milieu omdat we daar nu over spreken. We zitten in een neerwaartse spiraal en ik wil natuurlijk ook niet gaan over de verantwoordelijkheid van de kledingindustrie. Maar hoe kunnen we die trend van fast fashion doorbreken? Is de staatssecretaris bereid om daar ook afspraken over te maken?

Staatssecretaris Van Veldhoven:
Ik denk dat mevrouw Dik-Faber een hele belangrijke trend signaleert, want die stelt ons inderdaad voor een uitdaging. De vraag is hoe we dat oppakken in de context van de circulaire economie. Ik denk dat daar geen hele makkelijke antwoorden voor te vinden zijn, maar we kunnen wel een gesprek aangaan met de kledingindustrie over hoe we er nou voor zorgen dat die materialen goed recyclebaar blijven. Misschien moeten we dat wel doen in combinatie met die fast fashion. Als dat snel gaat en je kunt alle materialen goed hergebruiken, is het een heel ander verhaal dan wanneer ze van zulke slechte kwaliteit zijn dat ze niet herbruikbaar zijn. Nogmaals, het is geen onderwerp voor quick fixes maar het is wel een heel terecht aandachtspunt van de ChristenUnie. Het is iets wat we zeker mee moeten nemen in de discussie over textiel.

En nogmaals, ook mevrouw Dik-Faber zei dat de gegevens over de grondstoffen nieuw zijn. Ik kwam er op een gegeven moment achter dat een T-shirt 7.000 liter water is. Een spijkerbroek gooi je weg als er een scheur op de knie zit, maar eigenlijk is dan 95% van de vezels nog prima herbruikbaar voor een nieuwe spijkerbroek. Als je die niet opnieuw met duizenden liters water hoeft te produceren doordat je de vezels kunt hergebruiken, kunnen we met elkaar een heleboel dingen doen. Het is een heel terecht aandachtspunt. En net als bij de kwaliteit van de stoffen, laten we dit meenemen in het gesprek met de kledingbranche. Daar hebben we dat imvo-gesprek voor en daarnaast hebben we onze eigen transitieagenda's. Daarvoor kunnen we hierover spreken met onze partners die dat willen.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):
Ik ben blij met deze toezegging. Ik heb in de vorige kabinetsperiode ook een initiatiefnota geschreven over dit onderwerp. Ik weet niet of de staatssecretaris die nog kent, maar anders doe ik haar die graag toekomen. Een aantal punten is gerealiseerd maar heel veel punten nog niet en ik zie ernaar uit om daar samen mee aan de slag te gaan.

Staatssecretaris Van Veldhoven:
Ik laat mijn geheugen op dit punt graag opfrissen.

Dan kom ik, voorzitter, bij mijn laatste onderwerp: een gezonde en veilige leefomgeving. Ik kijk daarvoor eerst naar de luchtkwaliteit.

De heer Van Raan vroeg naar de rechterlijke uitspraak over luchtkwaliteit en het feit dat een nieuw actieplan weer een jaar kost. De heer Laçin wilde weten welke kortetermijnmaatregelen ik ga nemen om de fijnstof- en stikstofproblematiek aan te pakken om aan de WHO-norm te voldoen. Ik denk dat het inderdaad belangrijk is om hierbij onderscheid te maken tussen de korte termijn en de lange termijn.

De korte termijn. De rechter heeft recent een uitspraak gedaan: Nederland moet op korte termijn gaan voldoen aan de EU-normen. Er zijn een aantal resterende knelpunten. We weten eigenlijk goed waar die zitten. Die zitten in grote steden als Amsterdam en Rotterdam en rondom gebieden met veel veehouderij als Nederweert. Ik ga uiteraard zorgvuldig invulling geven aan het vonnis en ik ben direct aan de slag gegaan met de aanpak hiervan. Ik doe dat netjes via aanpassing van het NSL en dat heeft gewoon een wettelijke procedure, maar ik ben er echt meteen mee gestart want we willen dit zo snel mogelijk uit de wereld hebben. De procedure is vastgesteld in de Wet milieubeheer en die vereist een aantal stappen, maar we maken er dus echt zo veel mogelijk haast mee.

In het regeerakkoord staat ook dat we op iets langere termijn komen met een nationaal actieplan luchtkwaliteit, niet te verwarren met het genoemde Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Dat laatste liep al, maar loopt nu af. We hebben besloten tot een nationaal actieplan luchtkwaliteit dat niet is gericht op de Europese normen maar dat echt is bedoeld om permanent te werken aan de verbetering van de luchtkwaliteit richting de WHO-streefwaarde. Daarom ga ik in 2018, op basis van het advies van de Gezondheidsraad over de vraag hoe we dit in Nederland moeten aanpakken, samen met decentrale overheden en belangenorganisaties op zoek naar maatregelen die we kunnen nemen om verdere stappen te zetten.

Voorzitter. Mevrouw Van Eijs stelde een vraag over het nieuwe nationale actieplan, waarin ruimte moet zijn voor milieuzones en voor eigen beleid van gemeenten. Het regeerakkoord geeft gemeenten inderdaad de ruimte om zelf keuzes te maken of zij extra maatregelen willen nemen voor de luchtkwaliteit en de gezondheid van hun inwoners. De mogelijkheid voor een gemeente om een milieuzone in te voeren was er al en die mogelijkheid blijft er. We gaan zelfs het systeem wat verduidelijken zodat het bijvoorbeeld voor een ondernemer die in Nederland rondrijdt in zijn bestelbus en in verschillende steden moet zijn, overal duidelijk is wat dat bord voor de milieuzone betekent. Ik denk dat we daar allemaal belang bij hebben.

Daarnaast komt er de mogelijkheid van differentiatie van parkeertarieven, zodat je bijvoorbeeld auto's die echt geen uitstoot hebben, goedkoper kunt laten parkeren in de binnenstad. Dat gaan we niet landelijk opleggen, maar het is wel een instrument dat we gemeenten gaan aanbieden zodat zij daar gebruik van kunnen maken als zij graag meer willen doen voor de luchtkwaliteit in de binnenstad.

Voorzitter. Ik wil nog kort iets zeggen over veiligheid. Ik zei het al een beetje in mijn inleiding: een risicoloze samenleving bestaat niet en 100% garantie dus ook niet, maar we moeten steeds blijven werken aan een gezonde en veilige omgeving. Dat geldt voor fijnstof, giftige stoffen in de bodem, het transport van gevaarlijke stoffen enzovoorts. Uit de incidenten die we bij de industrie soms hebben gezien, kun je opmaken dat een goede veiligheidscultuur echt de basis is voor het voorkomen en vermijden van die incidenten. Het blijft uiteindelijk ook in dat soort bedrijven mensenwerk, net als samenwerken in de keten. Daarom sluit ik safety deals met bedrijven die gericht zijn op het verbeteren en versterken van de veiligheidscultuur bij bedrijven, maar dat betekent ook dat ik bijvoorbeeld heel goed luister naar bewoners die in de directe omgeving van een kerncentrale of een chemische fabriek wonen en die zich zorgen maken. Een van mijn allereerste werkbezoeken was aan de regio Bergen op Zoom, en daar heb ik geluisterd naar de zorgen van de mensen in die regio over de vraag hoe hun zorgen goed worden meegenomen in de beslissingen in België. Mijn boodschap aan u is: een gezond en veilig Nederland is nooit af. Dat is steeds samen kijken waar het beter kan. Ik weet ook zeker dat uw Kamer mij daar scherp op zal houden.

Voorzitter. Dan ben ik nu aan het eind van mijn beantwoording gekomen. Ik hoop dat de Kamer ook mijn blokjes als helder heeft ervaren.

De voorzitter:
Heel goed. Dan kunnen we snel naar de tweede termijn. Misschien is er nog een enkele vraag. De heer Von Martels.

De heer Von Martels (CDA):
Helaas hoor ik in de beantwoording geen woord over asbestsanering. Gisteren had ik daarover iets gevraagd. In de schriftelijke beantwoording zie ik wel dat er voor het kerstreces een antwoord komt. Is dat antwoord alleen maar een signalering van de wijze waarop het nu gaat, of zit er ook een visie achter op de vraag hoe het nu verder moet? Ik wil zo graag dat er meer aandacht komt voor innovatie, marktwerking en de kwaliteitsborging en de coördinatie. Er zijn te veel ministeries bij betrokken, dus heel graag meer coördinatie op dit punt.

Staatssecretaris Van Veldhoven:
Ik ben bang dat ik er niet zo veel aan kan doen dat er meerdere ministeries bij betrokken zijn, want het is nu eenmaal een brede problematiek. Maar ik ben het eens met de heer Von Martels dat we moeten zorgen voor een goede coördinatie. Dat is ook onderdeel van de oplossing die hij vraagt, omdat we door innovatie wellicht kunnen versnellen, maar misschien ook door slim mee te koppelen. Als je toch je huis gaat verbouwen omdat je het gaat verduurzamen, kun je bijvoorbeeld ook meteen de asbest verwijderen en als je graag zonnepanelen op een boerenschuur zou willen leggen, is dat ook te combineren met het verwijderen van de asbest. Er lopen op dit punt ook al programma's. Ik heb daar heel nadrukkelijk aandacht voor en ik kom graag op al dit soort mogelijkheden bij u terug. De brief die er komt zal ook zeker in die zin een visie bevatten, maar liever nog gewoon concrete stappen die we kunnen nemen. Het is een heel belangrijk onderwerp. Het CDA vraagt daar terecht veel aandacht voor. De SP vraagt daar ook aandacht voor. Heel veel mensen doen dat hier in de Kamer, want die ziekte is natuurlijk afgrijselijk en we moeten echt heel zorgvuldig met dat asbest omgaan. Innovatie kan daar bijvoorbeeld enorm bij helpen. De rondetafel die de Kamer daar laatst over had was wat dat betreft ook heel nuttig. Technologische innovatie, financieringsinnovatie, laten we al die opties benutten.

De heer Von Martels (CDA):
Dank voor dit antwoord. Het komt een heel eind tegemoet aan de vragen die ik heb, maar ik hoop wel dat u straks ook een doorkijkje geeft in hoeverre we nu op schema liggen. Gaan we 2024 halen of niet? En zo niet, welke maatregelen moeten we dan treffen om in ieder geval goeie, pasklare oplossingen te hebben?

Staatssecretaris Van Veldhoven:
De uitdaging is groot en 2024 is ook een uitdaging. We zullen alle partijen en alle ideeën nodig hebben om te komen tot een plan dat ambitieus én haalbaar is, binnen de randvoorwaarden die we nu eenmaal hebben. Maar we komen daar zeker met elkaar over te spreken.

Mevrouw Van Eijs (D66):
De staatssecretaris noemde op het gebied van de verbetering van luchtkwaliteit onder andere de milieuzones, een mogelijkheid die ook in het regeerakkoord wordt genoemd. Nu was ik onlangs in het Benelux-parlement. Dat instrument is een beetje onbekend, maar wel nuttig. Daar werd onder andere een aanbeveling aangenomen waarin het ging over het afstemmen van milieuzones in heel de Benelux, want ook in België is geen eenduidig systeem. Zou het niet mooi zijn dat we, als we de zuidgrens overrijden, nog steeds snappen of we een stad in mogen of niet? Wil de staatssecretaris daar ook naar kijken?

Staatssecretaris Van Veldhoven:
Een terecht aandachtspunt. Je wilt dat natuurlijk graag zo breed mogelijk bekend hebben. In het regeerakkoord hebben we al gezegd: kijk nou ook eens hoe het in Duitsland is geregeld, omdat je dan in ieder geval een bepaalde mate van herkenbaarheid hebt. Ik ben heel graag bereid om ook naar het Belgische voorbeeld te kijken voordat we met een eenduidig systeem komen. Als we kunnen leren van de buren en er wellicht een manier is om daarop aan te sluiten … Ik zal dat overwegen. Ik kan nu natuurlijk niet inschatten of dat helpt om meer duidelijkheid te krijgen of de zaak alleen maar complexer maakt, maar ik neem de suggestie graag mee.

De heer Remco Dijkstra (VVD):
Ik heb ook een vraag over de milieuzones. Eigenlijk is heel Nederland een soort milieuzone, want we willen overal schone lucht. In een groot deel van Nederland hebben we dat gelukkig ook. U noemt terecht de steden Amsterdam en Rotterdam, waar we die knelpunten nog steeds hebben, en natuurlijk het agrarisch gebied. We hebben daar afspraken over gemaakt. Mijn vraag is: welke norm is nou juridisch leidend?

Staatssecretaris Van Veldhoven:
Juridisch leidend is de Europese norm. Die is bindend. Daar is ook het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit op gericht en daar gaat de uitspraak van de rechter over. Die gaat alleen over de juridisch bindende EU-norm, maar omdat die EU-norm niet gelijk is aan de normen die de Wereldgezondheidsorganisatie adviseert, is gezegd: we gaan in een nationaal actieprogramma kijken of we nog stappen kunnen nemen om daar dichterbij te komen. Maar dat is wat anders dan een bindende norm. Het is een ambitie, maar geen bindende norm.

De heer Remco Dijkstra (VVD):
Helder. Tegelijkertijd zie je initiatieven op diverse plaatsen, waar ze misschien problemen hebben maar misschien ook niet, om dingen te gaan verbieden. De een doet het met brommers, de ander doet het met auto's, met diesels, met trucks et cetera. We hebben ook afgesproken dat er uniformiteit moet komen, want er is nu een soort wirwar van bebording. Wanneer valt zoiets te verwachten? En nogmaals, welke norm gaan we dan hanteren? Want op dit moment buitelt iedereen over elkaar heen om maar strenger te zijn dan de buren.

Staatssecretaris Van Veldhoven:
Voor de knelpunten hebben we bindende Europese normen. Daarnaast hebben gemeenten zelf de vrijheid om verdergaande maatregelen te nemen voor de gezondheid van hun inwoners. Je mag niet onder die norm zitten, maar je mag er wel boven zitten. Het is geen norm in de zin van: je moet dit doen en je mag er niet van afwijken. Het is dus een ander soort norm. Dat er gevraagd wordt om eenduidigheid is heel helder. Dat is ook een opdracht uit het regeerakkoord en die ga ik uitvoeren. De punten die de heer Dijkstra nu noemt, zal ik daarin absoluut meenemen, net als de suggestie van mevrouw Van Eijs om zelfs die eenduidigheid nog groter te maken. Daarop kom ik bij u terug.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
We hebben het eigenlijk al de hele avond over allerlei milieuregels, maar het woord "handhaving" is heel weinig gevallen, terwijl wij ons daar wel heel erg zorgen over maken. Dat zat ook in mijn bijdrage. Milieubeleid is zo goed als het wordt gehandhaafd. Wij maken ons zorgen over het capaciteitstekort bij de ILT. We horen het van alle kanten: de situatie rond Chemours met de lozingen van GenX, de veiligheidsissues rond Schiphol die uit het OVV-rapport naar voren komen. Er is een taakstelling. Het budget is nu 103 miljoen. Wij maken ons echt zorgen over welke implicaties dat heeft voor de veiligheid. Zijn de bewindspersonen bereid om een doorlichting te laten doen van wat de gevolgen zijn van de taakstelling voor de mogelijkheden voor de ILT om haar taak uit te voeren?

Staatssecretaris Van Veldhoven:
Ik snap het aandachtspunt van mevrouw Kröger heel goed. Inderdaad, handhaving is cruciaal om milieubeleid echt te kunnen implementeren. Als je mooie regels op papier hebt staan maar niet kunt handhaven, als de dreiging van handhaving niet geloofwaardig is, loop je toch het risico dat daar de hand mee wordt gelicht.

De koppeling die zij een-op-een legt tussen "kun je voldoende handhaven" en "hoeveel mensen heb je" deel ik niet met haar. De vraag is ook hoe je die mensen inzet. Als je ervan uitgaat dat een inspectie altijd een inspecteur feet on the ground in het bedrijf is, dan heeft zij gelijk. Het wordt echter steeds belangrijker om de juiste analyse te kunnen maken en soms via ICT-systemen te kunnen inschatten: zie ik hier nou een afwijking van iets wat normaal is, dan gaat er bij mij een rood lampje branden en stuur ik er iemand naar toe. Of als we bedrijven zien waar vaak incidenten zijn, dan gaan we daar in het bijzonder controleren. Naast de omvang is de inzet van de mensen belangrijk. Daar zijn we nu juist heel scherp op. Dat maakt allemaal onderdeel uit van de nieuwe strategie van de ILT, die nu echt wordt doorgevoerd. Ik hoop dat we met elkaar de resultaten daarvan zullen zien.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Ik begrijp dat er een efficiëntieslag wordt gemaakt door de ILT met een andere strategie. Maar een ILT-brede risicoanalyse die nu wordt ingezet, is toch iets anders dan de vraag: wat zijn de gevolgen van jaar op jaar van korten, bezuinigen op de capaciteit van de ILT? Omdat het zo'n cruciaal onderwerp is voor de veiligheid van inwoners, van iedereen in Nederland, zouden wij echt een doorlichting door een externe partij willen krijgen van wat de implicaties zijn van deze taakstelling.

Staatssecretaris Van Veldhoven:
Juist omdat de ILT zo belangrijk is, heeft dit kabinet er bijvoorbeeld voor gekozen om niet extra te bezuinigen op de ILT. Ik wil dat misverstand wel even wegnemen. Het is meer dan een soort van efficiencyslag. Het is echt een andere aanpak, waarbij we zo veel mogelijk maken van de capaciteit die we hebben om daarmee de kwaliteit van de handhaving en de inspectie te kunnen verbeteren. Het is meer dan een efficiencyslag. Het is echt goed nadenken over hoe je die bedrijven zo goed mogelijk kunt controleren. Je kunt nooit elke dag bij iedereen zijn, hoeveel inspecteurs je ook hebt. Je moet echt heel goed nadenken over hoe je die mensen zo effectief mogelijk inzet. Dat gebeurt en daar zijn we dus hard mee aan de slag.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
De staatssecretaris heeft mijn vragen over glyfosaat, nogal een thema, schriftelijk beantwoord, waarvoor dank. Maar de antwoorden waren wel verontrustend en riepen nog meer vragen op. Dit kabinet heeft net als het vorige kabinet gezegd dat er wordt gewerkt aan een wetswijziging om een verkoopverbod voor particulieren mogelijk te maken, mocht dat nodig zijn. Wanneer komt die wetswijziging naar de Kamer?

Het kabinet heeft ook gezegd dat in 2018 wordt bekeken of wettelijke maatregelen nodig zijn. De schriftelijke beantwoording die we in dit debat ontvingen, sprak ineens over 2019. Daar maak ik mij zorgen over.

Tot slot de vraag over de nog bestaande uitzonderingen voor het verbod op het gebruik van bestrijdingsmiddelen buiten de landbouw. Die green deals lopen in 2020 af. Kunnen we met de staatssecretaris afspreken dat die uitzonderingen in 2020 dan ook echt verleden tijd zijn?

Staatssecretaris Van Veldhoven:
Toen ik mevrouw Ouwehand aan het begin van de avond niet zitten, dacht ik: het zal toch niet waar zijn dat ik de kans mis om met degene die het allermeeste weet van gewasbeschermings- of bestrijdingsmiddelen — het is net van welke kant je het bekijkt - hierover te spreken. Wij hebben vele debatten samen gevoerd over imidacloprid, neonicotinoïden en nu het gelukkig beter uitspreekbare glyfosaat. Het is terecht dat de Partij voor de Dieren daar steeds aandacht voor heeft, want het zijn echt stoffen waarvan we met elkaar zeggen: we moeten daar heel zorgvuldig mee omgaan, onderzoek naar blijven doen en heel alert op blijven. Dat zullen we ook doen.

Dan die wetgeving. Ik heb begrepen dat er een AMvB in werking is getreden. Met uitzondering van het gedeelte over de particulieren, omdat de Raad van State op dat punt heeft geoordeeld dat het niet uitvoerbaar en handhaafbaar was. Dan kom ik eigenlijk een beetje terug op wat mevrouw Kröger net zei: je moet het wel kunnen handhaven, anders heb je er niet zo veel aan. Hoewel we het misschien graag anders zou willen, is het, als dat dan het oordeel is, verstandig om dat niet te doen. Dan kun je helemaal niets doen of je kunt een green deal sluiten en kijken of je op die manier toch meer kunt doen. Dat heeft dan mijn voorkeur en vast ook de voorkeur van mevrouw Ouwehand. Die green deal is afgesloten en als ik het goed heb begrepen — maar ik laat me ook graag corrigeren, want is wel erg in detail — kunnen we de balans daarvan in 2019 opmaken. Dan zien we dus wat dit bijdraagt en of we op die manier toch zo veel mogelijk dat gebruik terug kunnen dringen als het niet op een goede manier kan met wetgeving.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik voel me een beetje beschroomd, want de staatssecretaris is natuurlijk nieuw op het ministerie en ik heb detailvragen. Er wordt gewerkt aan een wetswijziging om eventueel een verbod op de verkoop aan particulieren mogelijk te maken. Daar wordt al een jaar aan gewerkt en vlak voor dit debat begon, hebben we een brief gekregen van de minister van Landbouw, medeondertekend door de staatssecretaris IenW, waarin staat dat aan die wetswijziging nog wordt gewerkt. Ik zou graag weten wanneer die naar de Kamer komt.

Er is wel echt discussie over de vraag of dit kabinet in 2018 gaat kijken of die vrijwillige maatregelen nou genoeg zijn geweest of dat er wettelijke stappen moeten worden gezet, of dat het ineens 2019 is geworden. Tot nu toe was het 2018. Misschien dat de ambtenaren er nog eventjes in moeten duiken.

Staatssecretaris Van Veldhoven:
We laten het nog even uitzoeken. Als het gaat over een wet die primair bij mevrouw Schouten ligt, is het waarschijnlijk een ander wetgevingstraject dan waar ik hier op aansloeg. Laten we kijken of we dat nog kunnen verhelderen voor u voor de tweede termijn.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Hartstikke goed. En dan de andere toepassingen buiten de landbouw door professionals, op bungalowparken en in siertuinen. Die green deals lopen tot 2020. Ik zou zo graag met deze staatssecretaris afspreken dat dat ook echt de einddatum is voor die uitzonderingen op het gebruik van bestrijdingsmiddelen, dus de bungalowparken, de siertuinen en het spoor. Laten we afspreken dat we daar over drie jaar echt vanaf zijn.

Staatssecretaris Van Veldhoven:
Ik snap de wens van mevrouw Ouwehand heel goed. Ik zeg haar toe dat ik er heel goed naar zal kijken en ook haar vraag daarin zal meewegen. Daar kom ik dan nog op terug. Ik vind het wel belangrijk dat je een green deal, als je die afsluit, goed evalueert, de resultaten daarvan goed meeneemt in je uiteindelijke besluiten en daar niet al meteen op vooruitloopt. Maar ik snap de vraag, zeker van de zijde van mevrouw Ouwehand, heel goed. We gaan ernaar kijken. Ik zal eens kijken of ik in tweede termijn nog even specifiek terug kan komen op de vraag over 2018 of 2019.

De voorzitter:
De heer Van Raan, begrijp ik.

De heer Van Raan (PvdD):
Goed begrepen, voorzitter. Dank u wel. Dank aan de staatssecretaris dat zij inderdaad het beeld herkent van de spagaat en ook fijn dat ze daarop gaat trainen, dat die spagaathouding kan worden vastgehouden. Maar ik kan u verzekeren, staatssecretaris: 12.000 dagen in een spagaat, dat overleeft echt geen mens. Dus we zouden toch willen aanraden om wat systeemveranderingen aan te brengen, zodat u überhaupt niet in die spagaat hoeft te zitten. Over die spagaat gesproken …

Staatssecretaris Van Veldhoven:
Vraagt u het maar eens aan een ballerina, zou ik zeggen.

De heer Van Raan (PvdD):
Na 12.000 dagen, dat is …

De voorzitter:
Zullen we weer naar het onderwerp gaan?

De heer Van Raan (PvdD):
Zeker, voorzitter. Luchtkwaliteit en de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris zegt: we gaan het NSL aanpakken en Nederland gaat dat doen. Ik denk dat de staatssecretaris zich dient de realiseren dat zij Nederland is in dezen, dus dat zij het moet doen. Zij vertegenwoordigt de Nederlandse staat in dezen. Ze zegt: we gaan het NSL aanpassen. Maar de kern van de veroordeling is nou juist dat dat NSL niet deugt. Dus er moet wel wat meer gebeuren dan een aanpassing. Daarnaast is ons ter ore gekomen dat sommige gemeenten zeggen — op aangeven van de staatssecretaris die zegt: we gaan in gesprek met de gemeenten, want we moeten dat samen doen — dat er gewoon geld te weinig is. Kan de staatssecretaris dat beeld bevestigen?

Een tweede interruptie — want ik heb er nog een over als het goed is; dank u wel, voorzitter — gaat over ultrafijnstof. We hebben al vastgesteld bij interruptie dat, ondanks het feit dat er een onderzoek is naar ultrafijnstof, de plannen voor uitbreiding, in dit geval bij Schiphol, gewoon doorgaan. Dus als we concluderen dat het toch heel schadelijk was, is dat jammer. Maar goed, de staatssecretaris is bereid dat risico te nemen. Ik heb een verzoek aan de staatssecretaris. Andere plekken waar veel ultrafijnstof vrijkomt, is waar er intensieve veeteelt wordt bedreven. Is de staatssecretaris bereid om daar ook vast metingen te gaan verrichten, zodat we daar niet achter de feiten aanlopen? Want én in een spagaat zitten én achter de feiten aanlopen, dat is wel een heel raar beeld. Dus is de staatssecretaris daartoe bereid?

Staatssecretaris Van Veldhoven:
Dat is een heel raar beeld. Laten we dat maar niet doen. Ik zal wel de vragen beantwoorden. De heer Van Raan zegt dat het NSL niet deugt. We hebben ontzettend veel knelpunten opgelost. Ik denk dat daarmee de stelling dat het NSL niet deugt, in ieder geval onderuitgehaald is. Wel zijn er nog resterende knelpunten. Die moeten we snel aanpakken. Daarvoor moet ik samenwerken met de steden en de gemeenten waar die knelpunten zitten. Dat gaan we ook doen. De heer Van Raan vroeg naar het geld. Daar is ook geld voor. Dus dat gaan we gewoon doen.

De heer Van Raan vroeg naar ultrafijnstof. Daarvoor is nog geen specifieke norm. Het is natuurlijk wel iets wat we heel scherp op ons netvlies hebben en waar we goed op moeten letten. We moeten steeds kijken wat we daaraan kunnen doen. Maar er is, zoals gezegd, geen specifieke norm voor. We moeten dus gewoon goed kijken wat er kan.

De voorzitter:
Dan was dit de termijn blijkbaar.

Staatssecretaris Van Veldhoven:
Ja voorzitter, daarmee was ik aan het einde. Ik heb wel inmiddels wat antwoorden gekregen op een paar vragen die ik nog niet kon beantwoorden.

De heer Van Raan (PvdD):
Voorzitter, punt van orde.

De voorzitter:
Ja?

De heer Van Raan (PvdD):
Ik wil nog even graag reageren op wat de staatssecretaris heeft gezegd.

De voorzitter:
Dan moet u dat doen.

De heer Van Raan (PvdD):
Ik zit te wachten tot ik het woord krijg.

De voorzitter:
Dat heeft u. Gaat uw gang.

De heer Van Raan (PvdD):
Dank u wel, voorzitter. De staatssecretaris zegt dat het NSL niet voldoende werkt. Dat is de essentie niet. De rechter heeft geoordeeld dat het NSL niet werkt. Dat is niet wat de Partij voor de Dieren zegt. Dat is wat de rechter zegt. Een aanpassing daarin volstaat niet; dat is eigenlijk de stelling. Het klopt inderdaad dat de wereldgezondheidsnormen niet leidend zijn, maar vanuit het voorzorgsbeginsel zou ik toch het verzoek willen doen om op plekken waar de wereldgezondheidsnormen worden overschreden, alvast metingen te laten plaatsvinden, ook in de buurt van de veeteeltbedrijven. De staatssecretaris zegt daarnaar te gaan kijken. Mag ik dat opvatten als een toezegging dat we erover in gesprek gaan dat daar metingen gaan gebeuren?

Staatssecretaris Van Veldhoven:
Voor ultrafijnstof is er nog geen norm. Het is dan dus ook moeilijk om te zien waar een norm overschreden wordt en waar je dan op moet meten. We komen zeker nog te spreken met elkaar over dat nationale actieprogramma, dat dus de opvolger is van het NSL. Laten we dan met elkaar kijken hoe we daar waar er zorgen zijn, er op een goede manier mee om kunnen gaan. De Gezondheidsraad komt dus met een advies over waar je in Nederland in het bijzonder nog aandacht aan zou moeten besteden. Dat vind ik een heel belangrijke basis voor het nationale actieprogramma. Ik ben het echt niet met de heer Van Raan eens dat het NSL niet werkt. We moeten knelpunten aanpakken. Dat klopt. Het NSL heeft nog niet voldoende gewerkt. Dat ben ik met hem eens. Er zijn nog knelpunten, maar dat is wat anders dan dat de systematiek van het NSL, waarin we samen met overheden werken aan het aanpakken van knelpunten en daar geld voor beschikbaar stellen, an sich niet zou werken. We hebben nog uitdagingen. De rechter heeft gezegd dat ik die moet aanpakken. Dat ga ik ook doen. Daar is ook geld voor.

Dan waren er nog een paar vragen van mevrouw Van Eijs en de heer Jetten. Wanneer kom ik terug op het meewegen van de CO2-prijs bij maatschappelijk verantwoord inkopen? Op dit moment worden de mogelijkheden onderzocht. Een advies wordt verwacht in het voorjaar van 2018. Overigens wordt binnen IenW en bij Rijkswaterstaat in MKBA's ook al met CO2-prijzen gerekend, zeg ik tegen mevrouw Van Eijs.

Dan had de heer Jetten een vraag over de toeslag IC direct. De NS zal het reizigersfonds na overleg met reizigersorganisaties gebruiken om de toeslag op de IC direct in de daluren tijdelijk af te schaffen totdat het bedrag op is. Inmiddels is duidelijk dat er vanaf de start van de nieuwe dienstregeling tijdelijk geen toeslag zal gelden tussen 9.30 uur en 16.00 uur, en 19.00 uur en 6.30 uur 's ochtends op werkdagen, en in het weekend gedurende de hele dag. De toeslag in de spits en het halfuur daarna blijft om grotere drukte met extra overlast te voorkomen.

U had ook nog een vraag over Dordrecht-Breda. Niet alleen ik kon mij dat nog herinneren — zoals ik al zei is het een langlopend dossier — maar de zorgen over de bediening van Dordrecht zijn ook bij de NS duidelijk doorgekomen. Er is een subsidie om in de dienstregeling 2017 en 2018 één keer per uur een intercity te laten rijden, specifiek om die zorg te adresseren. Dus daar wordt een subsidie voor gegeven door het ministerie van IenW. Ik kom hier voor de nieuwe dienstregeling uitgebreider schriftelijk bij u op terug, dus dat is volgende week al.

Voorzitter, dat waren de antwoorden.

De voorzitter:
Nou, dan zijn wij weer bij! Het begon al een beetje richting het MIRT te gaan, stelde ik vast.

Staatssecretaris Van Veldhoven:
Dat hebben wij net op tijd weten te voorkomen, voorzitter. Maar het MIRT komt ook nog.

De voorzitter:
Ja. Bestaat er behoefte aan een korte schorsing voor moties en dat soort zaken of kunnen wij gewoon door? Ja, twee minuten? Dan schors ik even voor twee minuten.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:
Wij hebben nog een uur spreektijd te gaan als ik alle spreektijden even bij elkaar optel. Als daar nog interrupties bij komen en detailvragen, dan wordt dat nog langer. Daarna hebben wij nog de tweede termijn van de regering. U heeft binnenkort een mooi MIRT. Dat duurt altijd minstens acht uur, dacht ik; je zal het maar moeten voorzitten. En er komt een AO Spoor in januari. Dan kunt u de staatssecretaris ondervragen. Dus u kunt het ook kort en puntig houden, is de enige suggestie die ik u wil meegeven. Anders gaan wij ver na middernacht eindigen vandaag. De heer Van Aalst gaat het goede voorbeeld geven. Het woord is aan hem voor zijn tweede termijn.

De heer Van Aalst (PVV):
Voorzitter, ik ga mijn best doen. Ik zal in ieder geval niet gaan filibusteren. De minister stelt het filemonster, dat grotendeels door de bezuinigingen van 6,4 miljard door Rutte II en Kunduz tot leven is gewekt, aan te willen pakken. Echter, daar blijkt buiten de reeds verdeelde 2 miljard weinig van. Want structureel komt er slechts een schamele 100 miljoen per jaar bij, terwijl daar volgens de Mobiliteitsalliantie minstens 1 miljard per jaar voor nodig is. Ik wens de minister dan ook veel succes om aan de Mobiliteitsalliantie uit te leggen waarom dit kabinet liever miljarden uitgeeft aan Afrika en buitenlandse aandeelhouders dan aan onze Nederlandse infrastructuur, terwijl het voor het klimaat voor de multinationals die zich hier willen vestigen ook belangrijk is dat onze infrastructuur niet volledig dichtslibt. Maar goed, dit kabinet van VVD, CDA, D66 en ChristenUnie maakt blijkbaar andere keuzes.

Voorzitter. Maar ook binnen de beschikbare middelen op de Infrastructuurbegroting en het Infrastructuurfonds die wij vandaag behandelen, kunnen wij verstandige keuzes maken om dat filemonster een kopje kleiner te maken. Ik heb daar in de eerste termijn al drie constructieve voorstellen voor gedaan. Dus vandaar de volgende drie moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid (KiM) heeft vastgesteld dat de mobiliteitsbehoefte van Nederlanders de afgelopen tien jaar vrijwel onveranderd is gebleven;

overwegende dat de huidige verdeelsleutel van financiële middelen voor de verschillende modaliteiten onvoldoende recht doet aan de mobiliteitsbehoefte van Nederlanders;

verzoekt de regering om de verdeelsleutel van financiële middelen voor infrastructuur aan te passen aan de totale mobiliteitsbehoefte van de Nederlandse bevolking,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Aalst. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 14 (34775-XII).

De heer Van Aalst (PVV):
Mijn tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er momenteel sprake is van een wirwar aan zes snelheidsregimes op ons hoofdwegennet;

overwegende dat dit voor automobilisten nauwelijks meer te volgen is;

verzoekt de regering om een einde te maken aan de wirwar van snelheidsregimes op het hoofdwegennet door deze terug te brengen van zes naar twee regimes, te weten de standaardmaximumsnelheid van 130 km/u en een lagere snelheid van 100 km/u op wegen indien dat om verkeersveiligheidsredenen noodzakelijk is,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Aalst. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 15 (34775-XII).

De heer Van Aalst (PVV):
En de laatste motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het om de files te bestrijden verstandig is om het beschikbare asfalt beter te benutten;

verzoekt de regering om zo veel mogelijk spits- en plusstroken van in ieder geval de linkerrijbaan om te zetten naar volwaardige rijstroken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Aalst. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 16 (34775-XII).

De heer Van Aalst (PVV):
Voorzitter. Afrondend: de PVV maakt zich ernstig zorgen dat dit kabinet het fileprobleem onderschat. We zullen er dan ook op blijven hameren dat deze minister het gas erop houdt en die beloofde 1.000 kilometer aan extra asfalt zo snel mogelijk realiseert. Vandaar nog een laatste vraag: wanneer kan de Kamer de Fileaanpak 2020 van Rijkswaterstaat verwachten?

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan de heer Remco Dijkstra van de fractie van de VVD.

De heer Remco Dijkstra (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Investeren in keiharde infrastructuur blijft hard nodig; dat hebben we gehoord. De VVD wil doorgaan met de aanleg en verbreding van wegen. We willen daarmee spoedig beginnen, want de maatschappelijke kosten van files lopen op tot 3,7 miljard euro per jaar. Gelukkig is er wat geld, want ondanks de investeringen zullen de files blijven toenemen. Dat moeten we bestrijden met extra en bredere wegen en de aanpak van urgente knelpunten.

Voorzitter. Ook in het openbaar vervoer is vernieuwing gaande. Die wereld staat gelukkig niet stil. Ik vind dat wij als Kamer en u als staatssecretaris de monopolist NS scherp moeten blijven houden. Ik heb vanmorgen in de NRC gelezen dat die druk heeft gewerkt. Dat moeten we blijven doen. Dat doen we niet voor onszelf of voor de NS, maar voor de mensen die gewoon fatsoenlijk en op tijd met het ov van A naar B willen komen.

Voorzitter. Ten slotte de verkeersveiligheid. Appen als automobilist of chauffeur kan gewoon niet. Dat kan niet. De VVD wil daarom dat de strafmaat omhooggaat. Bij een ernstig of zelfs dodelijk ongeval zou je het moeten kunnen scharen onder de noemer roekeloos rijden. Het wetsvoorstel is al in voorbereiding. Ik wil dat appen daaraan toegevoegd wordt. Wat de VVD betreft komt een veroorzaker van een ongeval voortaan ook niet meer weg met een taakstraf. Bij recidive mag je gewoon nooit meer achter het stuur en ben je je rijbewijs kwijt; dat heb ik al gezegd. We willen de verkeersveiligheid vergroten, niet alleen door preventie en handhaving, maar ook door de norm te stellen en het gebruik van de smartphone achter het stuur, dat alleen maar toeneemt, aan te pakken.

Ik heb een aantal moties.

De voorzitter:
Eén seconde. Mevrouw Van Tongeren.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):
Wat betreft die strafmaat: dan zit de collega van de VVD bij het verkeerde debat. De begrotingsbehandeling van Justitie en Veiligheid vindt op dit moment ook plaats. Ik zou zeggen dat de moties die daarover gaan, het beste bij Justitie en Veiligheid kunnen worden ingediend, omdat dat het relevante ministerie is.

De heer Remco Dijkstra (VVD):
Maar ik sta bij dit debat. Dit is dezelfde Kamer. We vergaderen morgen weer verder. Andersom heb ik het ook gezien. Een collega van het CDA die Justitie doet, begon ook over appen. Dus wat dat betreft is er een goede samenwerking in het kabinet. Mijn oproep is nu richting de minister en het kabinet. Zij moet zeker in overleg met haar collega van Justitie en Veiligheid om te kijken wat mogelijk is, zodat het ook handhaafbaar is.

De voorzitter:
Prima. U heeft nog een paar moties.

De heer Remco Dijkstra (VVD):
Ja, dank u wel. De eerste motie gaat over knelpunten op goederencorridors.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat overvolle verzorgingsplaatsen langs het hoofdwegennet gedurende avonden en weekenden en het parkeren van vrachtwagens op de vluchtstrook, de verkeersveiligheid ernstig in gevaar brengen;

constaterende dat er onvoldoende alternatieven zijn in de vorm van beveiligde truckparkings met voldoende voorzieningen;

constaterende dat het MIRT-onderzoek goederencorridor Oost en Zuidoost onderschrijft dat er behoefte is aan een aantal extra, grootschalige truckparkings om een alternatief te bieden voor de verzorgingsplaatsen;

constaterende dat het in het belang is van de verkeersveiligheid, doorstroming en criminaliteitspreventie, en ook urgent is, om deze acute knelpunten zo snel mogelijk aan te pakken;

verzoekt de regering om binnen het MIRT-programma goederencorridor Oost en Zuidoost samen met de regio's en marktpartijen na te gaan of er in de buurt van deze acute knelpunten rijksgrond is waar op korte termijn beveiligde, private truckparkings zouden kunnen worden gerealiseerd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Remco Dijkstra en Von Martels. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 17 (34775-XII).

De heer Remco Dijkstra (VVD):
Dan mijn tweede motie. Ik heb er in totaal vier, voorzitter. Deze motie betreft de doorstroming na incidenten.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat bij incidenten de rijstrook zo snel mogelijk moet worden vrijgemaakt voor het beperken van files als gevolg van incidenten en het voorkomen van economische schade door files;

overwegende dat files ontstaan dan wel verergeren doordat vaak gewacht wordt met het vrijmaken van de rijbaan totdat een berger ter plaatse is;

van mening dat uitgestelde berging de doorstroming kan bevorderen door het voertuig zo snel mogelijk in de berm te "schuiven" of op een andere veilige manier elders, zodat deze geen hinder meer veroorzaakt voor het overige verkeer;

verzoekt de regering deze werkwijze waar mogelijk toe te passen om zo de doorstroming na incidenten te verbeteren en het filemonster aan te pakken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Remco Dijkstra en Sienot. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 18 (34775-XII).

De heer Remco Dijkstra (VVD):
Voorzitter. De derde motie: het filemonster aanpakken met asfalt.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het wegverkeer blijft groeien en het reistijdverlies in 2022 hierdoor met 28% kan toenemen ten opzichte van 2016;

constaterende dat deze verwachte groei maar voor een deel wordt opgevangen door een uitbreiding van het wegennet;

constaterende dat de maatschappelijke kosten van files en vertragingen op het rijkshoofdwegennet tussen de 2,8 en 3,7 miljard euro per jaar bedragen;

overwegende dat volgens de Nationale Markt- en Capaciteitsanalyse exact bekend is waar en in welke mate de fileproblemen het grootst zijn;

verzoekt de regering het filemonster zo klein mogelijk te houden door in asfalt te blijven investeren en daarbij de NMCA als uitgangspunt te nemen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Remco Dijkstra. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 19 (34775-XII).

De heer Remco Dijkstra (VVD):
Dan mijn laatste motie, over de aanpak niet appen in de auto, gevolgd door een slotopmerking.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er regelmatig dramatische verkeersongevallen plaatsvinden als gevolg van appen en het gebruik van een smartphone in het verkeer;

overwegende dat dit onbeschrijfelijk leed met zich mee kan brengen en de maatschappelijke verontwaardiging over de opgelegde straffen soms groot is;

overwegende dat een succesvolle aanpak om appen in het verkeer te voorkomen altijd preventie, gerichte handhaving en sanctionering dient te bevatten;

constaterende dat het kabinet een wetsvoorstel Roekeloos rijden in voorbereiding heeft, dat voorstellen zal bevatten voor een verhoging van het strafmaximum voor een aantal delicten en voor een nadere invulling van het begrip roekeloosheid;

van mening dat ook appen in de auto als roekeloos rijden betiteld kan worden, aangezien het net als drank- of drugsgebruik kan leiden tot dezelfde consequenties, zijnde dodelijke ongelukken;

verzoekt de regering sterker in te zetten op preventie, gerichte handhaving en sanctionering van appen achter het stuur;

verzoekt de regering tevens appen achter het stuur te betrekken bij het wetsvoorstel Roekeloos rijden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Remco Dijkstra, Van der Graaf, Von Martels en Sienot. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 20 (34775-XII).

De heer Remco Dijkstra (VVD):
De laatste motie spreekt eigenlijk voor zich. Ik begrijp hoe moeilijk het is. Het moet juridisch ook standhouden. Ik hoop dat mensen dan niet meer met een taakstaf kunnen wegkomen. Ik hoop ook dat de minister alles doet wat in haar macht staat, samen met haar collega van Justitie en Veiligheid, om dit maatschappelijk belangrijke punt voor elkaar te krijgen. Dat is echt een roeping die ik voel als Kamerlid.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan mevrouw Kröger van de fractie van GroenLinks.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Voorzitter. De omslag naar een klimaatneutrale en circulaire economie en samenleving vergt grote ambitieuze stappen. Daarom dien ik de volgende drie moties in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat om de internationale klimaatdoelstellingen te halen de luchtvaartsector zijn bijdrage moet leveren;

overwegende dat voor korte vliegreizen binnen Europa de trein een goed alternatief zou kunnen zijn;

verzoekt de regering om, voortbouwend op het Toekomstbeeld OV, een analyse te doen naar wat er nodig is om de internationale reiziger te laten kiezen voor het meest milieuvriendelijke alternatief,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kröger, Jetten en Van der Graaf. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 21 (34775-XII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat in een volledig circulaire economie er geen ruimte is voor persistente stoffen, omdat deze zich ophopen in het milieu en niet, of zeer slecht, afbreekbaar zijn;

overwegende dat in het Rijksbrede programma Circulaire Economie gestreefd wordt om in 2050 volledig circulair te zijn in Nederland;

overwegende dat Nederland momenteel samen met Duitsland werkt aan een uitbreiding van de "Zeer Zorgwekkende Stoffen"-criteria, maar daarvoor nog steun dient te worden verworven in Europees verband;

verzoekt de regering in overleg met de Nederlandse industrie daarnaast afspraken te maken over de uitfasering van het gebruik van persistente stoffen en deze afspraken onderdeel te laten zijn van de transitieagenda's,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kröger. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 22 (34775-XII).

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Tot slot.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat controle en handhaving essentieel zijn voor goede uitvoering van (milieu)beleid;

constaterende dat de Inspectie Leefomgeving en Transport met minder middelen meer taken moet uitvoeren;

van mening dat onvoldoende inzichtelijk is wat de huidige personele bezetting en de aankomende bezuinigingen bij de Inspectie Leefomgeving en Transport voor risico's met zich meebrengen voor de maatschappij, de werknemers en het milieu;

verzoekt de regering door een externe partij door te laten lichten wat de gevolgen zijn van de dalende budgetten van de inspectie en zo spoedig mogelijk deze met de Kamer te bespreken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kröger, Gijs van Dijk en Van Raan. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 23 (34775-XII).

De voorzitter:
Dan mevrouw Van Tongeren.

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):
Dank u, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de veiligheid op weg en spoor van groot belang is en dat overheden, spoor- en busbedrijven vele chauffeurs en machinisten in dienst hebben;

constaterende dat de regering het goede voorbeeld geeft door voor haar eigen chauffeurs afleiding door smartphonegebruik tijdens de rit technisch onmogelijk te maken;

verzoekt de regering om met alle relevante overheden en vervoersbedrijven in overleg te treden om smartphonegebruik tijdens de rit technisch onmogelijk te maken, zodat in 2018 bijvoorbeeld de eerste 1.000 voertuigen hiermee rijden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Tongeren. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 24 (34775-XII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat moderne auto's technisch in staat zijn om de bestuurder te ondersteunen om veiliger en milieuvriendelijker te rijden;

overwegende dat lang niet alle bestuurders deze opties kennen;

verzoekt de regering om samen met de sector afspraken te maken om bestuurders wegwijs te maken met de chauffeur-ondersteunende opties, bijvoorbeeld door bij de aanschaf van een nieuwe auto een praktische introductierit te geven;

verzoekt de regering tevens om in overleg met de rijschoolbranche en het CBR ervoor te zorgen dat bij rijlessen voldoende aandacht is voor deze moderne opties,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Tongeren en Sienot. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 25 (34775-XII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het aantal doden en zwaargewonden sinds een aantal jaren weer stijgt;

constaterende dat "appen" door bestuurders met mobiele telefoons ook technisch kan worden voorkomen;

overwegende dat het verbod sinds 2002 tot nu toe onvoldoende succesvol is gebleken;

verzoekt de regering om in het eerste kwartaal van 2018 samen met de betrokken sectoren (autobranche, verzekeringsbranche, telecombranche, e.a.) te kijken hoe techniek ingezet kan worden om het gebruik van afleidende apparaten door bestuurders onmogelijk te maken en de Kamer hierover voor het zomerreces te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Tongeren. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 26 (34775-XII).

Mevrouw Van Tongeren (GroenLinks):
Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Dan de heer Von Martels van het CDA.

De heer Von Martels (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Ik ga niet herhalen wat ik gisteren heb gezegd. Minder files, meer veiligheid; daar kwam het samengevat op neer. Ik heb in de beantwoording van deze nieuwe bewindslieden gemerkt dat zij dat ook krachtig willen nastreven. Ik heb er dus alle vertrouwen in dat dat doel bereikt gaat worden.

Ik heb drie moties. Die wil ik hierbij graag voorlezen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de verkeersveiligheid door gebruik van de smartphone in het verkeer afneemt in Nederland;

overwegende dat bewustwording van het gebruik van de smartphone door te appen of sms'en bij mensen moet worden vergroot;

roept de regering op actief in gesprek te gaan met telecombedrijven om te bezien welke mogelijkheden er zijn om slimme technologie in te zetten tegen het gebruik van de telefoon in het verkeer,

verzoekt de regering een actieve en intensieve campagne te starten om iedereen bewust te maken van de gevaren van het gebruik van de smartphone in het verkeer om nog meer onnodige slachtoffers te voorkomen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Von Martels en Remco Dijkstra. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 27 (34775-XII).

De heer Von Martels (CDA):
De volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat cyberaanvallen op de vitale infrastructuur een reëel risico zijn;

verzoekt de regering de risico's van cyberaanvallen op de Nederlandse infrastructuur (sluizen, bruggen, wegmarkering enzovoort) in beeld te brengen en noodzakelijke maatregelen te treffen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Von Martels en Amhaouch. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 28 (34775-XII).

De heer Von Martels (CDA):
En ten slotte:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de verkeersveiligheid afneemt in Nederland;

overwegende dat het van groot belang is dat veilige weginrichting van de N-wegen snel wordt uitgevoerd;

verzoekt de regering in overleg met de wegbeheerders een structureel overzicht en evaluatie op te stellen van de wegaanpassingen van N-wegen waarbij inzichtelijk wordt of de aangepaste weginrichting in de praktijk ook zorgt voor meer veiligheid op de N-wegen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Von Martels. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 29 (34775-XII).

De heer Amhaouch.

De heer Amhaouch (CDA):
Voorzitter. Nederland mobiel en bereikbaar: dat is voor het CDA belangrijk. Dat geldt voor de stad en de regio, maar ook over de grens. Wij hebben twee moties. Eén motie dienen wij niet in gezien de handreiking die de staatssecretaris heeft gedaan over de Maaslijn. Wij kijken uit naar die samenwerking. Wij hebben een motie over grensoverschrijdend spoor.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat spoorverbindingen met België en Duitsland van belang zijn voor de connectiviteit en de regionale economie;

verzoekt de regering nader onderzoek te doen naar de kansen en voornemens van alle mogelijke grensoverschrijdende treinverbindingen en de Kamer daarover medio 2018 te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Amhaouch, Von Martels, Jetten, Van der Graaf en Ziengs.

Zij krijgt nr. 30 (34775-XII).

De heer Amhaouch (CDA):
Dan de laatste motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de capaciteit van het bestaande spoor optimaal gebruikt zou moeten worden;

overwegende dat bij de aanschaf van nieuw treinmaterieel en door de verminderde aanschaf van dubbeldekkerstreinen er een opstelcapaciteitsprobleem is ontstaan;

overwegende dat ook het uit gebruik nemen van sporen in verband met bijvoorbeeld onderhoud de capaciteit van het spoor doet afnemen;

verzoekt de regering in overleg met de beheerder en gebruikers van het spoor een plan op te stellen om de bestaande capaciteit van het spoor optimaal te benutten;

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Amhaouch, Von Martels, Ziengs, Jetten en Van der Graaf.

Zij krijgt nr. 31 (34775-XII).

De voorzitter:
De heer Laçin.

De heer Laçin (SP):
Dank, voorzitter. Ik heb een viertal moties, die ik kort zal toelichten. De minister verwees in het debat over Lelystad Airport nadrukkelijk naar de Kamer en het besluit van de Kamer. Daarom doe ik een beroep op de Kamer met de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering ervoor te zorgen dat de extra vliegbewegingen van en naar Lelystad Airport niet eerder plaatsvinden dan dat het luchtruim is heringedeeld op een wijze zodat overlast tot een minimum is beperkt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Laçin, Van Raan en Kröger. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 32 (34775-XII).

De heer Laçin (SP):
De tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat dit kabinet 2 miljard euro extra investeert in de infrastructuur;

constaterende dat bij nieuwe projecten dit echter nog steeds volgens de ouderwetse verdeelsleutel gaat, waarbij het merendeel van de investeringen in asfalt gaat zitten;

overwegende dat gelet op de opgaven voor mobiliteit er continu een afweging gemaakt moet kunnen worden over hoe middelen ingezet worden;

verzoekt de regering bij nieuwe investeringen vanuit het Infrastructuurfonds open te staan voor een verdeling van middelen die aansluit bij de infrastructurele opgave, waarbij de impact op milieu en klimaat zwaar wordt meegewogen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Laçin en Van Raan. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 33 (34775-XII).

De heer Laçin (SP):
Meer middelen en meer capaciteit zijn voor de SP ontzettend belangrijk om goed en daadkrachtig te kunnen handhaven. Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat onder de noemer risicogestuurd toezicht er fors bezuinigd is op de ILT;

constaterende dat als gevolg hiervan het veld zich beklaagt over het gebrek aan kennis en capaciteit bij de ILT;

overwegende dat dit ertoe leidt dat er te weinig misstanden worden opgespoord en aangepakt zoals bijvoorbeeld blijkt in de transportsector en bij lozingen van chemische stoffen;

verzoekt de regering om voor de Voorjaarsnota met een voorstel te komen om de bezuiniging van het vorig kabinet op de ILT terug te draaien,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Laçin en Van Raan. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 34 (34775-XII).

De voorzitter:
U bent door uw tijd heen.

De heer Laçin (SP):
Een laatste motie, heel kort. Ik wil de staatssecretaris stimuleren om aan de slag te gaan met de uitbreiding van het statiegeldsysteem. Haar antwoorden stellen ons nog niet helemaal gerust. Daarom deze motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat zowel de Tweede Kamer als de voormalig staatssecretaris zich achter de motie van de Plastic Soup Surfer heeft geschaard die stelt dat 90% van de plastic flesjes uit het zwerfafval dient te verdwijnen;

constaterende dat bestaande pilots zoals onder andere Schoon Belonen niet hebben geleid tot een landelijk opschaalbaar systeem;

constaterende dat uit onderzoek blijkt dat uitbreiding van het statiegeldsysteem wel effectief is in het terugdringen van plastic flesjes en blikjes uit het milieu en meerdere andere Europese landen dit systeem succesvol hebben ingevoerd;

verzoekt de regering een actieplan op te stellen om zo spoedig mogelijk het bestaande statiegelssysteem uit te breiden met de inzameling van kleine plastic flesjes en blikjes,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Laçin, Van Raan en Kröger. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 35 (34775-XII).

U bent een minuut door uw tijd heen, maar dat moet u zelf maar met uw fractiesecretaris proberen te regelen.

Het woord is aan de heer Jetten.

De heer Jetten (D66):
Voorzitter, dank voor uw geduld deze twee avonden. Dank ook aan beide bewindspersonen voor de uitgebreide beantwoording. D66 kijkt met vertrouwen naar de komende jaren, waarin dit kabinet gaat inzetten op slimme en schone mobiliteit, meer fiets en ov, verduurzaming van de luchtvaart en versterking van onze verkeersveiligheid.

Om beide bewindspersonen een duwtje in de rug te geven, heb ik een viertal moties. De eerste luidt als volgt.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat een groeiend aantal fietsers gebruikmaakt van een ander type fiets dan de klassieke stadsfiets;

constaterende dat er tot op heden onvoldoende rekening wordt gehouden met deze fietsgebruikers bij het inrichten van infrastructuur en voorzieningen;

verzoekt de regering bij aanleg van fietsenstallingen en fietssnelwegen zo veel mogelijk rekening te houden met elektrische fietsen, speedpedelecs en bakfietsen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Jetten, Van der Graaf, Von Martels, Kröger en Van Raan.

Zij krijgt nr. 36 (34775-XII).

De heer Jetten (D66):
De tweede motie gaat over fietswegen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de overheid het fietsgebruik moet stimuleren;

constaterende dat in het regeerakkoord is afgesproken om de toenemende drukte op de weg te verminderen;

verzoekt de regering bij elke nieuwe investering in infrastructuur die vanuit rijksmiddelen wordt bekostigd, na te gaan of een onderzoek naar een gelijktijdige verbetering van de fietsinfrastructuur in het betreffende gebied relevant is,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Jetten, Van der Graaf, Von Martels en Kröger. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 37 (34775-XII).

De heer Jetten (D66):
De volgende motie gaat over de testlocatie voor de hyperloop.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het hyperloopconcept snelle verplaatsingen van personen en goederen over grote afstanden mogelijk kan maken;

overwegende dat een grootschalige testlocatie kan leiden tot hoogwaardige banen en een versterking van de Nederlandse kenniseconomie;

constaterende dat TNO een positief advies heeft gegeven over de aanleg van een testbaan in Flevoland;

verzoekt de regering om in samenwerking met hyperlooppartijen en private partijen te onderzoeken of er een haalbare businesscase kan worden gemaakt voor een geschikte testlocatie voor het hyperloopconcept,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Jetten, Dik-Faber, Remco Dijkstra en Amhaouch. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 38 (34775-XII).

De heer Jetten (D66):
Tot slot. Ik ben ontzettend blij dat de minister in haar beantwoording heeft aangegeven dat zij bij investeringen in wegen wil inzetten op slimme innovaties, op beter benutten en daar waar nodig op extra asfalt om de doorstroming en verkeersveiligheid te verbeteren. Een van de projecten heeft onze bijzondere aandacht: de Noordelijke Randweg Utrecht.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat een aanpassing van de Noordelijke Randweg Utrecht (NRU) bijdraagt aan een betere verkeersdoorstroming, verkeersveiligheid en schonere lucht;

overwegende dat de gemeenteraad en Provinciale Staten van Utrecht al investeringsgelden hebben gereserveerd hiervoor;

constaterende dat in het regeerakkoord is afgesproken om ontbrekende schakels in het wegennet aan te pakken en met de regio Utrecht aan de slag te gaan met de NRU;

verzoekt de regering om zo snel mogelijk tot een akkoord te komen met de gemeente en de provincie Utrecht over de noodzakelijke investeringen voor de NRU,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Jetten en Van der Graaf. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 39 (34775-XII).

De heer Jetten (D66):
Dank u wel.

De voorzitter:
We zitten inmiddels op 26 moties. Dat is de tussenstand.

Het woord is aan mevrouw Van Eijs.

Mevrouw Van Eijs (D66):
Voorzitter, dank u wel. We danken allereerst de bewindspersonen voor de schriftelijke en de mondelinge beantwoording. We zijn blij met de ambitie van de staatssecretaris op het gebied van CO2 meewegen en het maatschappelijk verantwoord kopen. We zien uit naar de resultaten van het onderzoek in het voorjaar van 2018. We zijn ook heel blij met de inzet om de ambities van de Europese Unie nog wat meer aan te scherpen om te zorgen voor schonere auto's en dus voor schonere lucht voor onze inwoners. Daarbij heb ik ook een motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in voorgaande jaren niet alle posten binnen de begroting van Infrastructuur en Waterstaat volledig zijn benut;

overwegende dat de luchtkwaliteit van grote invloed is op de gezondheid van mensen en verbetering van de luchtkwaliteit dan ook kan bijdragen aan de kwaliteit van leven van mensen;

overwegende dat in het regeerakkoord staat dat de rijksoverheid haar verantwoordelijkheid in dezen wil nemen en wil streven naar een continue verbetering van de luchtkwaliteit;

verzoekt de regering om in samenwerking met provincies en gemeenten te onderzoeken wat er nodig is om een start te maken met het nationaal actieplan luchtkwaliteit en hierover de Kamer in het voorjaar van 2018 te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Eijs, Dik-Faber en Von Martels. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 40 (34775-XII).

Mevrouw Van Eijs (D66):
Ik kom op mijn laatste motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er in het grondstoffenakkoord transitieagenda's zijn opgesteld met als doel dat Nederland in 2020 wereldwijd koploper is op het gebied van circulaire economie in verschillende sectoren;

overwegende dat er op dit moment geen transitieagenda voor textiel is, maar productie en verbruik van textiel wel een grote milieudruk kennen;

constaterende dat het Leger des Heils in het artikel Van broek naar poetslap? constateert dat er een gat in de circulaire economie zit door een gebrek aan hoogwaardige recycling;

roept de regering op om bij de uitvoering van de transitieagenda consumptiegoederen apart aandacht te besteden aan textiel,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Eijs, Dik-Faber en Kröger. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 41 (34775-XII).

Dank u wel. Het woord is aan de heer Gijs van Dijk van de PvdA.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):
Voorzitter. Dank aan de bewindspersonen voor de beantwoording in eerste termijn. Ik heb drie punten. Het eerste gaat over de handhaving bij vrachtwagens die in de weekends in Nederland komen parkeren. Dat zit mij nog steeds dwars, want daardoor worden de grensregio's en de parkeerplaatsen overbelast en is het gewoon onveilig op de weg. België handhaaft. Duitsland handhaaft. Nederland zegt dat het Europees ingewikkeld is, dat het een juridisch probleem is en dat we het niet doen. Maar daarmee halen we de problemen naar ons toe. Ik wil dus heel graag nadere duiding hiervan. Wellicht kan dat niet nu in tweede termijn, maar wel op korte termijn. Wat is het juridische probleem? Is er niet iets te verzinnen om in de tussentijd toch zo veel mogelijk te handhaven op een creatieve manier? Wellicht moet dat niet stout, maar wel creatief zijn.

Dan de circulaire economie. Daar is net over gesproken. Dat is een belangrijk onderwerp, ook voor de komende jaren. Op initiatief van de Partij voor de Arbeid is het Rijksbrede programma Circulaire Economie gerealiseerd. Economie en milieu gaan in dat programma samen, maar er is wel focus nodig om kansrijke sectoren te zien en vooral om die te zien met actuele cijfers. We zijn op de goede weg, maar we moeten nu ook echt werk maken van nieuwe banen. We moeten daarvoor weten in welke sectoren dat mogelijk is. Ik kom daarom tot de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het Rijksbrede programma Circulaire Economie veel mogelijkheden biedt voor de regionale economie;

constaterende dat in opdracht van het ministerie in 2013 een onderzoek door TNO, Kansen voor de circulaire economie in Nederland, is uitgevoerd;

overwegende dat dit rapport uitgaat van 54.000 nieuwe banen en een kostenbesparing van ruim 7 miljard euro voor het bedrijfsleven oplevert;

verzoekt de regering om met een onderzoek te komen met actuele economische ontwikkelingen en cijfers, waarbij ook gekeken wordt naar arbeidsmarktcijfers (hoeveel banen levert het op) en welke sectoren kansrijk zijn,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Gijs van Dijk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 42 (34775-XII).

De heer Gijs van Dijk (PvdA):
Tot slot, voorzitter. Wij hebben een debat gehad over de aanbesteding van het spoor. Daar moet ik toch een motie over indienen. Wellicht dat we de komende tijd wel tot elkaar komen, maar laat deze motie een aansporing zijn.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering voornemens is om na het aflopen van de concessie van NS op het hoofdrailnet in 2025 nadrukkelijk uit te gaan van de optie van aanbesteding en marktopenstelling op het spoor;

constaterende dat er op dit moment ook al lijkt te worden begonnen met aanbesteding op het hoofdrailnet (traject Eindhoven-Düsseldorf) waarmee al een eerste stap wordt gezet in een marktopening met mogelijk vergaande gevolgen;

overwegende dat er vanuit zowel NS, reizigersorganisaties als bonden zorgen bestaan over de effecten op kwaliteit en stabiliteit op een dan versnipperd hoofdrailnet;

van mening dat het belangrijk is om meer zicht op effecten en gevolgen te hebben voor ook kleinere eerste aanbestedingsstappen gezet kunnen worden;

verzoekt de regering eerst te werken aan een duidelijk afwegingskader, een risicoanalyse en een internationale benchmark over de door de regering overwogen aanbestedingen, alvorens er zowel kleinschalig als grootschalig sprake kan zijn van het overwegen van verdergaande marktopening op het spoor,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Gijs van Dijk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 43 (34775-XII).

Het woord is aan mevrouw Dik-Faber.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Dank aan beide bewindspersonen voor de beantwoording. Vanwege de tijd wil ik gelijk drie moties indienen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit onderzoek van Natuur & Milieu blijkt dat 76% van de gemeenten het wagenpark niet duurzaam inkoopt en niet om minimale randvoorwaarden voor milieu vraagt;

overwegende dat een aantal gemeenten het goede voorbeeld geeft, zoals Utrecht, Leeuwarden, Groningen en Amsterdam;

overwegende dat voor bussen in het openbaar vervoer met succes een bestuursakkoord is gesloten om vanaf 2025 100% emissieloze bussen in te kopen, en dat steeds meer bedrijven besluiten om vanaf 2020-2025 uitsluitend elektrische voertuigen in te kopen;

verzoekt de regering:

    - in kaart te brengen op welke wijze de minimumcriteria voor duurzame inkoop van voertuigen stapsgewijs kunnen worden verhoogd om te voldoen aan de doelen voor klimaat en luchtkwaliteit;
    - zelf het goede voorbeeld te geven bij duurzame inkoop van voertuigen;
    - in overleg te treden met de VNG over de uitkomsten van het onderzoek, het wegnemen van knelpunten en verbeteringen van duurzame inkoop van voertuigen in het kader van het Manifest Maatschappelijk Verantwoord Inkopen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dik-Faber, Van Eijs en Kröger. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 44 (34775-XII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het regeerakkoord inzet op een green deal met de sector voor verduurzaming van de zeevaart, binnenvaart en havens;

overwegende dat de binnenvaartsector een belangrijke bijdrage levert aan het ontlasten van het wegverkeer en het beperken van de uitstoot van transport;

overwegende dat schone en hybride motoren en het varen op elektromotoren binnen havengebieden de uitstoot verminderen;

overwegende dat vermindering van wachttijden kansrijk is bij sluizen en bruggen, maar ook in havens door de realisatie van meer kadekilometers;

verzoekt de regering de binnenvaartsector nauw te betrekken bij de invulling van de green deal en onder meer schonere motoren en vermindering van wachttijden bij havens, sluizen en bruggen hierbij te betrekken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dik-Faber, Bisschop en Remco Dijkstra. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 45 (34775-XII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er een breed gedeelde en uitgesproken ambitie bestaat om het zwerfaval binnen drie jaar met meer dan 90% terug te dringen, zoals verwoord in de overgenomen petitiemotie van de Plastic Soup Surfer;

overwegende dat er in de voorbije periode veel kennis is opgedaan over de verschillende alternatieven voor de aanpak van zwerfafval, bijvoorbeeld via een praktijkproef met schoon belonen en het onderzoek naar de effecten van het invoeren van statiegeld voor kleine flesjes;

van mening dat het van belang is om in goed overleg met het bedrijfsleven, lokale overheden, milieuorganisaties en consumentenorganisaties tot een breed gedragen oplossing te komen waarmee deze ambitie gerealiseerd kan worden;

verzoekt de regering in overleg te treden met de genoemde partijen, met als doel begin 2018 een voorstel aan de Kamer voor te leggen voor een effectief pakket van maatregelen tegen zwerfafval, en daarbij de resultaten van het onderzoek, de pilot en de evaluatie van de Raamovereenkomst Verpakkingen te betrekken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dik-Faber en Van Eijs. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 46 (34775-XII).

Dat was de 33ste motie. Het woord is nu aan de heer Van Raan van de Partij voor de Dieren.

De heer Van Raan (PvdD):
Voorzitter, dank u wel. Dank ook aan de bewindslieden voor de beantwoording. Ik kan heel goed zien dat jullie er ontzettend veel zin in hebben. Dat is hartstikke mooi. Wij hebben dat ook, dus het wordt een mooie tijd.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van oordeel dat het uniformeren van milieuzones nergens mag leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit;

verzoekt de regering bij het uniformeren van milieuzones een voorbeeld te nemen aan het Duitse systeem waarbij emissieklassen landelijk bepaald zijn en de omvang van de zone lokaal wordt bepaald,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Raan, Kröger en Van Brenk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 47 (34775-XII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat alle producenten van verpakkingsmaterialen aan het afvalfonds eenzelfde bijdrage leveren per eenheid verpakkingsmateriaal, ongeacht het soort materiaal dat wordt geproduceerd;

overwegende dat het wenselijk is om de productie van slechte materialen af te remmen en de innovatie van materialen met een hoger milieurendement te stimuleren;

verzoekt de regering voorstellen te doen voor differentiatie van de financiële bijdrage van verpakkende bedrijven,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Raan, Laçin en Kröger. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 48 (34775-XII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat zwerfafval gevaren veroorzaakt voor dieren, doordat zij hiervan eten of doordat zij hierin verstrikt raken;

overwegende dat het onwenselijk is als dit zwerfafval tijdens het maaien (verder) wordt versplinterd en daardoor verder wordt verspreid in het milieu;

verzoekt de regering Rijkswaterstaat op te dragen om ervoor zorg te dragen dat zwerfafval langs rijkswegen eerst wordt opgeruimd voordat er wordt gemaaid,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Raan en Kröger. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 49 (34775-XII).

De heer Van Raan (PvdD):
Dan nog drie te gaan.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er jaarlijks 36 kilo ongeadresseerd drukwerk per huishouden binnenkomt en dat dit een significante milieubelasting met zich meebrengt;

constaterende dat in Amsterdam per 1 januari 2018 een systeem wordt ingevoerd waarbij huishoudens zelf met een ja-jasticker kunnen aangeven dat zij drukwerk wensen te ontvangen (een opt-insysteem);

overwegende dat een landelijke invoering van dit systeem aanzienlijke milieuwinst zou opleveren en tevens als voordeel heeft dat niet iedere gemeente dit afzonderlijk hoeft te regelen;

verzoekt de regering een voorstel te doen voor de landelijke invoering van een ja-jasticker voor ongeadresseerd drukwerk,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Raan en Kröger. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 50 (34775-XII).

De heer Van Raan (PvdD):
Dan nog twee te gaan.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Nederlandse Staat op 7 september 2017 door de Haagse rechtbank gesommeerd werd op de kortst mogelijke termijn aan de luchtkwaliteitsnormen te voldoen;

van oordeel dat met de aankondiging van een nieuw actieprogramma luchtkwaliteit dat eind 2018 zal verschijnen, niet wordt voldaan aan de "kortst mogelijke termijn" zoals bedoeld door de rechtbank;

verzoekt de regering zo snel mogelijk, uiterlijk voor het einde van eerste kwartaal van 2018, alle resterende knelpunten te hebben weggenomen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Raan, Laçin en Van Brenk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 51 (34775-XII).

De heer Van Raan (PvdD):
En de laatste.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering meermaals heeft uitgesproken te streven naar de waarden die de WHO voorschrijft op het gebied van luchtkwaliteit;

constaterende dat het vergunnen van activiteiten die een verslechtering opleveren van de luchtkwaliteit, een tegengestelde beweging is;

verzoekt de regering bij te verlenen vergunningen in gebieden waar de luchtkwaliteit zich tussen de EU-norm en de WHO-waarden bevindt, als voorwaarde te stellen dat een verbeterplan wordt opgesteld om de luchtkwaliteit te verbeteren richting de WHO-waarden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Raan en Laçin. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 52 (34775-XII).

De voorzitter:
Mevrouw Ouwehand.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Voorzitter, dank u wel. Het gifgebruik buiten de landbouw. Er spelen twee dingen. Professionele gebruikers als gemeenten en terreinbeheerders mogen sinds 1 november van dit jaar geen chemische bestrijdingsmiddelen als glyfosaat meer gebruiken bij hun onkruidbestrijding. Dat is mooi! Maar er zijn uitzonderingen op dat verbod. Daar lopen green deals over tot 2020, maar gelet op de hele discussie en de uitspraak van het Europees Parlement, moeten we toch met elkaar afspreken dat we dat in elk geval buiten de landbouw zo veel als we kunnen realiseren. Als je die uitspraak vertaalt, wil eigenlijk iedereen af van het gebruik van glyfosaat behalve de VVD en de SGP. Vandaar de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat per 1 november 2017 een verbod van kracht is voor het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen, waaronder glyfosaat, door professionele gebruikers buiten de landbouw;

constaterende dat dit verbond nog uitzonderingen kent waarover green deals zijn gesloten die aflopen in 2020;

verzoekt de regering in te zetten op een volledige beëindiging van het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen buiten de landbouw,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 53 (34775-XII).

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Voorzitter. De motie laat ruimte voor de staatssecretaris om de green deals zoals afgesproken in 2020 te evalueren en is echt bedoeld als een intentie om in te zetten op volledige beëindiging. Maar de motie legt haar niet helemaal vast, zo mag ze haar lezen.

Dan het gebruik door particulieren, de verkoop van glyfosaat en andere bestrijdingsmiddelen aan particulieren. De Kamer wilde daarvan af. Het kabinet heeft toen gezegd: dat kan niet zomaar; we stellen beperkingen aan het gebruik. Je mag het wel kopen maar niet op je tegels gieten. Toen zou er een evaluatie komen in 2016. Dat werd 2018. Inmiddels lijkt het erop dat daar weer een jaar bij is gekomen, gezien de schriftelijke beantwoording van de staatssecretaris. Ik hoop dat dat niet klopt en dat we 2018 vasthouden als evaluatiemoment om te kijken of er toch een wettelijk verbod moet worden ingevoerd omdat die vrijwillige maatregelen te weinig doen. Als we dat besluiten, is er een gewijzigde wet nodig en daar werkt het ministerie van deze bewindspersonen inmiddels een jaartje aan. Het zou mooi zijn als we die wetswijziging hebben, want dan is in ieder geval die juridische grond geregeld mochten we besluiten tot dat verkoopverbod. Dat is dan in ieder geval geen probleem meer. Ik heb dus twee vragen. Houden we vast aan 2018 om te evalueren? En wanneer komt die wetswijziging naar de Kamer, zodat we in elk geval de mogelijkheid hebben om over te gaan tot een verbod als we dat verstandig achten? Ik verklap u alvast dat de Partij voor de Dieren daar zeer voor is. Dank u wel.

De voorzitter:
Mevrouw Van Brenk.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Voorzitter. 50PLUS heeft de signalen van de lokale vertegenwoordigers van Veilig Verkeer Nederland en van de vrijwilligers die de scootmobielcursussen geven serieus genomen. Zij hebben er bij ons op aangedrongen om meer aandacht te vragen voor de veiligheid van scootmobielrijders. Dat is het doel van 50PLUS: meer verkeersveiligheid en minder slachtoffers in deze groep. Het rijden van een scootmobiel vraagt wel degelijk enkele vaardigheden en voorwaarden. Ik merk echter dat niet iedereen — ook de minister niet — openstaat voor ons verzoek voor certificering, maar toch willen we een stapje vooruit zetten. Daarom dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat verkeersveiligheid en het terugdringen van het aantal verkeersongevallen hoge prioriteit heeft;

overwegende dat scootmobielgebruik in de komende jaren naar verwachting zal toenemen;

van mening dat bij een scootmobiel voertuigbeheersing, kennis van en inzicht in verkeersregels noodzakelijk zijn voor veilig gebruik;

verzoekt de regering te onderzoeken, bijvoorbeeld in het onderzoek van de SWOV, of een vorm van certificering de verkeersveiligheid bevordert,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Brenk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 54 (34775-XII).

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Wij zien het onderzoek van de SWOV met belangstelling tegemoet en zullen het met de mensen die dit thema bij ons onder de aandacht hebben gebracht bespreken zodra dit beschikbaar is. Dat kan wat ons betreft niet snel genoeg zijn.

Wij willen de staatssecretaris bedanken voor de toezegging over de toegankelijkheid van het openbaar vervoer voor ouderen en gehandicapten zowel in de Randstad als in de kleine kernen in de regio. Verder wil ik haar bedanken voor het oppakken van het verzoek tot stimulering van de mooie voorbeelden die er zijn in Rotterdam, Eindhoven of in Amsterdam. Het is mooi dat zij dat verder wil brengen. Ook dank aan de minister voor haar antwoord inzake de aandacht voor appen achter het stuur tijdens de rijopleiding. We kunnen daarmee niet vroeg genoeg beginnen. Op dit punt had ik een motie voorbereid, maar die hoef ik nu niet meer in te dienen. Dank u wel.

De voorzitter:
De laatste spreker van de zijde van de Kamer is de heer Bisschop van de Staatkundig Gereformeerde Partij.

De heer Bisschop (SGP):
Voorzitter, hartelijk dank. Dank ook aan de bewindspersonen voor de degelijke beantwoording van de vragen en het schriftelijke voorwerk daarbij, en dat betekent uiteraard ook dank aan de ambtelijke ondersteuning.

Ik had twee moties. De ene laat ik vervallen, want die betrof het verzoek om afspraken te maken met andere betrokkenen ten aanzien van het terugdringen van het aantal dodelijke verkeersslachtoffers. Er ligt op dit punt echter een heldere toezegging van de minister.

De andere motie wil ik graag handhaven. Die betreft het aandachtspunt van de aansluiting van kleinere steden op het spoor. Ik vond de schriftelijke beantwoording wat mager op dat punt. De staatssecretaris is daar nog wel op teruggekomen, maar ik verzoek haar om deze motie als een steuntje in de rug te beschouwen in het gesprek met NS.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat intercityverbindingen en OV-aansluitingen voor kleinere steden regelmatig in het gedrang komen;

van mening dat zo veel mogelijk voorkomen moet worden dat inzet op snelle verbindingen tussen grotere steden ten koste gaat van de bereikbaarheid van kleinere steden;

verzoekt de regering de bereikbaarheid van kleinere steden als separaat aandachtspunt mee te nemen in de beleidsprioriteitenbrief voor de NS, toekomstige concessieverlening en het Toekomstbeeld Openbaar Vervoer 2040,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bisschop en Ziengs. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 55 (34775-XII).

Ik had gehoopt op een hele termijn zonder interrupties, maar bij de laatste motie komt de heer Jetten nog naar de microfoon.

De heer Bisschop (SGP):
Het is de enige kans die hij nog heeft, heel goed.

De heer Jetten (D66):
Dank u wel, voorzitter. Ik vind dat de heer Bisschop een zeer sympathiek thema aansnijdt. Ik heb eerder ook al aandacht gevraagd voor een aantal andere steden. Ik wil de heer Bisschop vragen of hij het met mij eens is dat we bij die intercitystops niet alleen moeten bekijken of het een grote of kleine stad is, maar ook welk achterland zo'n intercitystop bedient, want vaak zie je ook dat het achterland daarbij wordt vergeten.

De heer Bisschop (SGP):
Helder. Ik dien deze motie in omdat ik moet denken aan de versobering van de spoorverbinding vanuit Zeeland. Door druk vanuit de regio, het achterland, en door druk van de Kamer is daar uiteindelijk ingegrepen. Zo zijn er nog een paar voorbeelden. Daarom zou ik er bij de staatssecretaris op aan willen dringen dat ze erop toeziet dat de NS daar zorgvuldig naar kijkt.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Ik schors tot 30 november, en dan gaan we luisteren naar het antwoord van de bewindspersonen.

De vergadering wordt van 23.35 uur tot 00.00 uur geschorst.

De voorzitter:
Ik denk dat we zo als eerste naar de minister gaan luisteren. We hebben 42 moties en drie amendementen. Ik stel voor dat we de interrupties en de vragen beperken, in ieder geval tot de indieners van de desbetreffende moties en dan ook nog eens de eerste indieners ervan. Het is al laat, maar we moeten het niet nodeloos laat maken. Het woord is aan de minister.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Dank u wel, voorzitter. Ik ga mijn best doen om het compact te houden.

Er waren nog twee vragen die ik moest beantwoorden. De eerste was van de heer Van Aalst van de PVV. Wanneer kan de Kamer de Fileaanpak 2020 van Rijkswaterstaat verwachten? Ik zal u die in het eerste kwartaal van 2018 doen toekomen.

De tweede vraag die nog openstond, was van de PvdA en had te maken met de rij- en rusttijden. In het kader van de tijd zou ik u nogmaals willen verwijzen naar de motie van 13 december 2016 van het SP-lid Karabulut. Naderhand is de Kamer geïnformeerd dat de nationale wetgeving geen mogelijkheid biedt om te handhaven op het overnachten in de cabine, omdat het niet verboden is. Verder is in de brief aan de Tweede Kamer duidelijk doorgegeven dat er prejudiciële vragen zijn gesteld in België. We hebben dus geen wettelijke grondslag om een boete op te leggen, zoals eerder aan mevrouw Karabulut is uitgelegd.

Ik kom bij de amendementen, te beginnen met het amendement op stuk nr. 10 van de heer Van Aalst van de PVV. In het schriftelijke antwoord op de vraag van de heer Laçin heb ik al aangegeven dat de inzet van extra weginspecteurs naar verwachting niet per se het meest effectief is. Daarnaast zijn middelen benodigd voor het uitvoeren van allerlei andere geplande opdrachten en onderzoeken. Die hebben we vandaag ook de revue zien passeren. Die activiteiten zouden dan niet meer kunnen worden uitgevoerd. Daarom ontraad ik dit amendement.

De voorzitter:
De heer Van Aalst, kort, puntig, één keer.

De heer Van Aalst (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb toch een vraag. Ik hoor de minister zeggen dat zij het eigenlijk niet nodig vindt om de capaciteit uit te breiden. Uit de ILT-brede risicoanalyse van 2015 blijkt dat er 76 dodelijke ongevallen met vrachtwagens hebben plaatsgevonden, waarvan 25% te wijten is aan oververmoeidheid. Dat hadden we simpel met controles en handhaving kunnen voorkomen. Wij hebben nu een amendement ingediend met een dekking die wat ons betreft relatief flexibel is. Het is in ieder geval een goede dekking met niet juridisch verplichte uitgaven. Wij hopen eigenlijk dat de minister er toch nog een keer naar wil kijken, vooral ook omdat er brede steun is vanuit de Kamer.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Ik blijf erbij dat ik dit moet ontraden. De ILT is pas relatief kort bezig met het nieuwe risicogestuurde toezicht en met de nieuwe prioriteiten. Ik vind het nog veel te vroeg om daar nu al van te gaan afwijken.

Ik kom bij het amendement op stuk nr. 12 van mevrouw Kröger. Ook daarover kom ik op het oordeel ontraden. Daarvoor heb ik twee argumenten. De eerste, niet heel onbelangrijk, is dat er een ondeugdelijke dekking voor is. Meer inhoudelijk: toekomstige ontwikkelingen kun je niet meten. Daar praten wij over, als we het over de belangrijke dossiers hier hebben. Het al bestaande vliegverkeer meten en later valideren, gebeurt al. Op basis daarvan kun je ook tot aanpassingen komen. Ik moet dit amendement ontraden.

De voorzitter:
Mevrouw Kröger, één keer, kort en puntig.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Dank u wel, voorzitter. De minister en ik schijnen van mening te verschillen over hoe er op dit moment berekend wordt en welke rol metingen daarin spelen. Heel graag ontvang ik een brief van de minister waarin zij de Kamer uitlegt hoe op dit moment metingen van echt geluid elk jaar worden gebruikt voor het valideren van berekeningen.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Ik stel voor dat we daar in de komende debatten nog verder op doorgaan, want dat is voor nu een heel technische exercitie. Ik zie u typen, maar dat gaan we nu toch even niet meer doen. We komen daar in het vervolg nog wel op terug. We gaan hier nog voldoende over debatteren.

Dan kom ik bij het amendement op stuk nr. 13 van mevrouw Van Tongeren. Ook dat ga ik ontraden. In de eerste plaats, net als bij de vorige, vanwege een ondeugdelijke dekking. In de tweede plaats werken we al samen met de ANWB om inzicht te krijgen in hoe mensen nieuwe technologie ervaren en het beste kunnen gebruiken. Daar hebben we op dit moment geen extra budget voor nodig. Dat kunnen we met de huidige middelen doen.

Dan kom ik bij de moties. Ik zal ze even uit de map pakken. Als eerste de motie op stuk nr. 14 van de heer Van Aalst. Die motie wil ik ontraden, want die wil een andere verdeelsleutel dan die wij in het regeerakkoord hebben afgesproken.

De motie op stuk nr. 15, ook van de heer Van Aalst, wil ik ook ontraden, want met het snelhedenbeleid verminder ik het aantal snelheidswisselingen door op steeds meer trajecten 130 in te voeren. Op sommige trajecten is dat niet mogelijk vanwege de verkeersveiligheid of om milieuredenen, of alleen tegen heel hoge kosten. Daar rijden we dan 80, 100 of 120.

Dan de motie op stuk nr. 16 van de heer Van Aalst. Daar zie ik wat meer mogelijkheden mee, als we kunnen we afspreken dat we dat alleen doen waar het ook doelmatig is. Door realisatie van bestaande projecten wordt de komende jaren circa 25% van de huidige spitsstroken omgezet. Als u wilt dat ik het zo kan uitleggen, dat we het alleen doen waar het doelmatig is, zou ik hiervan kunnen zeggen dat ik het oordeel aan de Kamer laat.

De heer Van Aalst (PVV):
Daarom hebben we ook gecorrigeerd richting "zo veel mogelijk". Dat lijkt ons doelmatig en dus een doeltreffende motie.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Prima. Dan gaan we naar de motie op stuk nr. 17 van de heren Dijkstra en Von Martels over de knelpunten op de goederencorridors. Ik zou deze actie als een impuls kunnen zien en als ondersteuning van beleid. Het advies is derhalve oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 18 van de heer Dijkstra gaat over het filemonster en vooral over doorstroming na incidenten. Ik zie die motie als een onderdeel van de inhaalslag waar ik op korte termijn zelf ook mee aan de slag ga. Op deze manier kom ik tot oordeel Kamer.

Dan de motie op stuk nr. 19 van de heer Dijkstra over het aanpakken van het filemonster met asfalt. Dit is eigenlijk precies waar we mee aan de slag zijn. In dit geval zou ik zeggen dat we deze motie overnemen.

De voorzitter:
Als niemand daar bezwaar tegen heeft. En dat is het geval.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Dan de motie op stuk nr. 20 van Dijkstra, Van der Graaf, Von Martels en Sienot. Dat is de motie over de aanpak niet appen in de auto, waar we het met elkaar