Plenair verslag

Tweede Kamer, 107e vergadering
Woensdag 11 september 2019

  • Aanvang 10:15 uur
  • Sluiting 00:00 uur
  • Status Ongecorrigeerd

Opening

Voorzitter: Lodders

Aanwezig zijn leden der Kamer, te weten:

De voorzitter:
Ik open de vergadering van woensdag 11 september 2019.

Mededelingen

Mededelingen

Mededelingen

De voorzitter:
Ik deel aan de Kamer mee dat er geen afmeldingen zijn.

Deze mededeling wordt voor kennisgeving aangenomen.

Hervorming beschikbaarheidbijdrage academische zorg (BBAZ) vanaf 2020

Hervorming beschikbaarheidbijdrage academische zorg (BBAZ) vanaf 2020

Aan de orde is het VSO hervorming van de beschikbaarheidbijdrage academische zorg (BBAZ) vanaf 2020 (32864-7).

De voorzitter:
Aan de orde is het VSO Hervorming van de beschikbaarheidsbijdrage academische zorg (BBAZ) vanaf 2020 (32864-7). Ik heet de minister voor Medische Zorg welkom. Ik heet ook de aanwezige Kamerleden hartelijk welkom en de mensen die dit korte debat volgen, hier in de zaal dan wel op een andere manier thuis. Ik geef graag als eerste het woord aan mevrouw Van den Berg voor haar inbreng. Mevrouw Van den Berg spreekt namens het CDA. Gaat uw gang.

Mevrouw Van den Berg (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Het CDA heeft meerdere malen aangegeven dat zorg ook in de regio goed bereikbaar moet zijn. We zijn blij dat er in ieder geval bestuurlijke afspraken zijn gemaakt met de universitaire ziekenhuizen, zodat patiënten worden verwezen naar algemene ziekenhuizen. Daarover gaat met name mijn motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat zorg beschikbaar, betaalbaar en bereikbaar moet blijven, ook in de regio;

van mening dat regionale algemene ziekenhuizen uitstekend basiszorg kunnen verlenen;

overwegende dat het uitgangspunt daarom moet zijn dat patiënten voor basiszorg in beginsel verwezen worden naar een algemeen ziekenhuis;

constaterende dat in het bestuurlijk overleg is afgesproken dat umc's zich ervoor gaan inspannen dat basiszorgpatiënten in een umc worden verwezen naar een ander (algemeen) ziekenhuis;

constaterende dat de minister tijdens de behandeling van de initiatiefnota van het CDA over zorg in de regio heeft toegezegd deze afspraak te zullen monitoren;

verzoekt de regering om de Kamer jaarlijks te informeren over de uitkomsten van de monitoring en aan te geven bij welke uitkomsten, welke maatregelen door de minister zullen worden genomen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van den Berg. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 8 (32864).

Mevrouw Van den Berg (CDA):
Dank u wel. Ik heb nog één andere motie, over de samenwerking tussen universitaire ziekenhuizen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het gedeelte van de beschikbaarheidsbijdrage academische zorg voor ontwikkeling en innovatie aan de hand van acht kostencategorieën verantwoord moet worden;

constaterende dat de databankfunctie en bigdataontwikkeling een van deze categorieën is;

van mening dat het onwenselijk is als meerdere zorginstellingen van publiek geld dezelfde databanken en big data ontwikkelen en dat daarom zo nodig samenwerking afgedwongen moet kunnen worden;

verzoekt de regering te onderzoeken op welke wijze samenwerking op het gebied van de databankfunctie en de ontwikkeling van big data tussen de umc's nu plaatsvindt, of deze nog verder uitgebouwd dient te worden en wat daarvoor nodig is,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van den Berg. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 9 (32864).

Mevrouw Van den Berg (CDA):
Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan mevrouw Ellemeet. Mevrouw Ellemeet ziet af van haar spreektijd. Dan zijn we aan het einde gekomen van de inbreng van de zijde van de Kamer. Ik kijk in de richting van de minister. Hij kan gelijk een reactie geven op de ingediende moties. Het woord is aan de minister. Gaat uw gang.

Minister Bruins:
Voorzitter. Dank voor het debat dat wij afgelopen maandag hebben gehad over zorg in de regio. Dat was zeker niet het laatste debat dat wij zullen hebben over de verschuivingen in het zorglandschap, die wij allemaal zien. Of iets praktischer gezegd: de ontwikkeling om minder zorg in ziekenhuizen te organiseren en de opdracht om die zorg bijvoorbeeld bij huisartsen of misschien vaker thuis te organiseren. Als je dat beredeneert vanuit de patiënt, kan dat heel voordelig zijn. In het debat van maandag kwam het voorbeeld aan bod van telemonitoring of beeldbellen. Als je als patiënt thuis gebruik kunt maken van een instrument als beeldbellen, dan ben je altijd connected, verbonden, met zorg. Dan kun je de goede kwaliteit van zorg behouden zonder dat mensen in een ziekenhuis hoeven te zijn. Ik vond dat een heel interessant debat. De beide moties die zijn ingediend door mevrouw Van den Berg hebben een raakvlak met het debat van maandag.

In de eerste motie wordt de regering verzocht om de Kamer jaarlijks te informeren over de uitkomsten van de monitoring. Dat gaat over het verwijzen, niet zozeer van ziekenhuis naar huisarts maar van umc naar een algemeen ander ziekenhuis. Ik was dat van plan en ik denk dat we dat maandag ook hebben gewisseld. De NZa zal die monitoring voor haar rekening nemen. Dan worden het onafhankelijke cijfers. Ik denk ook dat dit goed kan. Inzicht bieden door monitoring zou moeten kunnen lukken, omdat we jaarlijks iets terughoren van de NZa over contracteringsafspraken. Ik zie dus inderdaad kans om dat te doen. Om die reden zou ik de motie op stuk nr. 8 oordeel Kamer willen geven.

De voorzitter:
Dank u wel. De motie op stuk nr. 8: oordeel Kamer.

Minister Bruins:
In de motie op stuk nr. 9 wordt de regering verzocht om te onderzoeken op welke wijze de samenwerking op het gebied van de databankfunctie en de ontwikkeling van big data tussen umc's nu plaatsvindt, of deze nog verder uitgebouwd dient te worden en wat daarvoor nodig is. Dat is een interessante motie. Toen ik luisterde naar mevrouw Van den Berg dacht ik eerst: het is niet zo dat wij een gezamenlijke databank moeten samenstellen omdat het een gezamenlijke databank moet zijn, als een soort holistisch begrip. Maar ik kan me wel goed voorstellen dat als er een bepaalde vorm van darmkankeronderzoek in Groningen wordt gedaan en weer een andere vorm in Utrecht, je wilt dat die gegevens bij elkaar worden gebracht en die wetenschappers op die manier van elkaar kunnen leren, maar wel zo dat het patiëntveilig blijft. Dan is het de vraag of je een werkwijze kunt bedenken waarbij de gegevens bij de bron beschikbaar blijven maar daar waar wetenschappers kunnen leren van elkaar, er een vorm van delen is van databankgegevens. Er wordt al veel samengewerkt. Daar kan echt nog wel een tandje bij. Straks hebben we een apart debat over gegevensuitwisseling in de zorg. Maar met deze motie kan ik goed uit de voeten, voorzitter. Wat mij betreft krijgt ook deze motie dus oordeel Kamer.

De voorzitter:
Dank u wel. De motie op stuk nr. 9 krijgt ook oordeel Kamer.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
Ik dank de minister voor de toelichting op de moties en de gegeven oordelen. We stemmen pas dinsdag 24 september over deze moties in verband met Prinsjesdag volgende week. We stemmen dus een week later dan gebruikelijk is. Dan zijn we aan het einde van de beraadslaging gekomen. Ik dank de minister en de ondersteuning voor hun bijdrage.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Petitie Wemos inzake hormoonverstorende stoffen

Petitie Wemos inzake hormoonverstorende stoffen

Aan de orde is het VSO Petitie Wemos inzake hormoonverstorende stoffen (32793, nr. 395).

De voorzitter:
Aan de orde is het VSO Petitie Wemos inzake hormoonverstorende stoffen (32793, nr. 395). Aanwezig is de minister voor Medische Zorg. Van harte welkom; dat geldt uiteraard ook voor de ondersteuning. Ook hartelijk welkom aan de Kamerleden en aan de meneer die het debat hier op de publieke tribune volgt. En de kijkers thuis, zeer hartelijk welkom. Graag geef ik mevrouw Kröger namens GroenLinks als eerste het woord voor haar bijdrage in dit VSO, een verslag van een schriftelijk overleg. Gaat uw gang.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Voorzitter. Mijn fractie maakt zich veel zorgen over hormoonverstorende stoffen, zowel vanuit het milieuaspect als de gezondheidsaspecten. Vandaar de volgende twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat steeds meer onderzoeken risicostoffen en blootstellingsrisico's aan hormoonverstorende stoffen identificeren;

overwegende dat het voor de keuzes van burgers en beleidsmakers van belang is om te weten welke stoffen via welke weg het menselijk lichaam bereiken;

verzoekt de regering om inzichtelijk te maken wat de belangrijkste bronnen van hormoonverstorende stoffen zijn en deze inventarisatie te actualiseren naarmate meer onderzoek meer inzichten verschaft;

verzoekt de regering tevens om inzichtelijk te maken welke aandoeningen worden geassocieerd met blootstelling aan hormoonverstorende stoffen, en hierover jaarlijks te rapporteren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kröger en Ellemeet. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 440 (32793).

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
De volgende motie dien ik in naar aanleiding van het nieuws dat in Denemarken besloten is om voedselverpakkingen met daarin PFAS, een belangrijk type hormoonverstorende stoffen, te verbieden.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat veel voedselverpakkingen PFAS-stoffen bevatten;

overwegende dat diverse PFAS-stoffen al als zeer zorgwekkende stof zijn aangemerkt;

overwegende dat juist voedselverpakkingen vaak ongecontroleerd als zwerfvuil in het milieu terechtkomen terwijl PFAS-stoffen zeer persistent zijn en niet afbreken;

overwegende dat in Denemarken inmiddels een verbod geldt op PFAS in voedselverpakkingen;

verzoekt de regering om te onderzoeken of ook in Nederland een verbod op PFAS-stoffen in voedselverpakkingen mogelijk is, en de Kamer hierover binnen drie maanden te informeren;

verzoekt de regering tevens om in Europa aan te dringen op een verbod op PFAS-stoffen in voedselverpakkingen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kröger. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 441 (32793).

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu graag het woord aan de heer Wassenberg, die spreekt namens de Partij voor de Dieren. Gaat uw gang.

De heer Wassenberg (PvdD):
Dank u wel, voorzitter. Ook de Partij voor de Dieren maakt zich ernstig zorgen over hormoonverstorende stoffen. We kijken soms met enige jaloezie naar België, dat een nationaal plan heeft tegen hormoonverstorende stoffen. Bij dezen wil ik achtergrondinformatie over dat plan aan de minister aanbieden. Dat doe ik via de bode. Het plan is in het Nederlands en in het Frans, dus het is ook nog goed voor de taalontwikkeling van de minister. Dat is een voordeeltje.

De voorzitter:
Ik neem aan dat er geen bezwaar tegen bestaat dat dit stuk ter inzage wordt gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Kamer.

(Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.)

De heer Wassenberg (PvdD):
Voorzitter. Ik heb twee moties. De eerste gaat over dat nationaal plan.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat België een nationaal plan heeft opgesteld gericht op het uitfaseren van hormoonverstorende stoffen;

verzoekt de regering om te onderzoeken of het Belgische plan als voorbeeld voor Nederland kan dienen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Wassenberg. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 442 (32793).

De heer Wassenberg (PvdD):
Voorzitter. Mijn tweede motie is iets langer.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat hormoonverstorende chemische stoffen onder meer voorkomen in voeding, voedingsverpakkingen, bestrijdingsmiddelen, cosmetica en synthetische kleding;

constaterende dat deze hormoonverstorende stoffen ernstige gevolgen hebben voor mensen, de natuur en dieren in de natuur en reeds in kleine hoeveelheden kunnen leiden tot onder meer kanker en vruchtbaarheidsproblemen;

constaterende dat de Wereldgezondheidsorganisatie hormoonverstorende stoffen een wereldwijde bedreiging noemt;

constaterende dat het Institute for Risk Assessment Sciences van de Universiteit Utrecht de ziektekosten in Europa als gevolg van blootstelling aan hormoonverstorende stoffen schat op 46 tot 288 miljard euro per jaar;

constaterende dat de internationale koepelorganisatie van gynaecologen al in 2015 haar zorg heeft geuit over de blootstelling van zwangere vrouwen en jonge kinderen aan hormoonverstorende stoffen;

overwegende dat EU-lidstaten maatregelen mogen treffen om de volksgezondheid te beschermen tegen chemische en hormoonverstorende stoffen;

verzoekt de regering om zo spoedig mogelijk beleid te maken om blootstelling van mens, dier en natuur aan hormoonverstorende stoffen tegen te gaan,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Wassenberg. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 443 (32793).

De heer Wassenberg (PvdD):
Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan zijn we daarmee gekomen aan het einde van de inbreng aan de zijde van de Kamer. Ik kijk in de richting van de minister of hij gelijk over kan gaan tot de beantwoording. Hij verzoekt om een schorsing voor een enkel ogenblik.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:
Ik geef het woord graag aan de minister voor een reactie op de vier ingediende moties.

Minister Bruins:
Dank u wel, voorzitter. Allereerst ga ik in op de motie op stuk nr. 440 met twee verzoeken aan de regering. Dit gaat over een beoordeling van de werkwijze. Die beoordeling van de werkwijze ten aanzien van hormoonverstorende stoffen hebben we al in Europa. De vraag die eigenlijk in meerdere moties doorklinkt, is of we naast het Europese beleid ook nog een Nederlands beleid moeten maken. Ik ben daar eigenlijk geen voorstander van, omdat ik liever wil dat wij onze expertise op dit punt eerst voor Europa inzetten en dat wij dan in sommige gevallen kijken wat er extra nodig is vanuit Nederland. Zo heb ik dat ook opgeschreven in mijn plan van aanpak in de brief die uw Kamer heeft ontvangen op 1 april. Ik vind het bijvoorbeeld een Nederlandse taak om meer bewustzijn te creëren over waar hormoonverstorende stoffen allemaal in zitten. Bijvoorbeeld op de website waarzitwatin.nl hebben we daarover informatie verzameld, maar ook de folder Zwanger! bevat hier informatie over. Kort en goed, ten aanzien van de motie op stuk nr. 440 ben ik van mening dat in Europa een werkwijze bestaat om stoffen te beoordelen. Afhankelijk van de uitkomsten van de beoordeling wordt een stof op de lijst met zeer zorgwekkende stoffen geplaatst en worden waar nodig beperkingen gesteld aan het gebruik om de blootstelling te verminderen. Deze lijst is niet een statische lijst, maar wordt geactualiseerd. Daarom zie ik geen meerwaarde in een Nederlandse inventarisatie. Om die reden ontraad ik de motie op stuk nr. 440.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 440 wordt ontraden. Ik zie een vraag van mevrouw Kröger.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Volgens mij spelen er twee zaken, ten eerste de beoordeling van zeer zorgwekkende stoffen, die inderdaad plaatsvindt in Europees verband, en vervolgens de doorvertaling: hoe monitoren wij in Nederland wat de belangrijkste bronnen van blootstelling zijn en welke aandoeningen geassocieerd worden met die blootstelling? Deze motie vraagt eigenlijk dat wij in Nederland monitoren welke ziektes en aandoeningen veel voorkomen door blootstelling aan zeer zorgwekkende stoffen en of dat toeneemt. Dat is dus het tweede verzoek. Ik hoop dus dat de minister toch ruimte ziet om in Nederland aan de slag te gaan met dat monitoren om te zien welke blootstellingsrisico's er zijn en welke ziektes optreden.

Minister Bruins:
Over die tweede aanbeveling, de aanbeveling over de blootstelling, gaat ook de motie op stuk nr. 443. Ik zou willen zeggen dat we met mijn brief van 1 april ook op dat punt al beleid in Nederland hebben gemaakt. Dat is mijn brief. Ik beschouw mijn brief van 1 april niet alleen als een reactie op de Wemos-nota, maar ook als de werkwijze die ik voorsta in Nederland. Daarnaast zou ik erop willen wijzen dat ook de nieuwe Europese Commissie zich hier weer heel actief toont. Misschien heeft u het ook gelezen, maar ik vond het mooi om in de brief die Von der Leyen gisteren heeft geschreven aan de nieuwe healthcommissaris, mevrouw Kyriakides — als ik het goed uitspreek — te lezen: "You should help protect citizens from exposure to endocrine disruptors". De aandacht is er dus niet alleen in Nederland, met het werkprogramma dat ik u met de brief van 1-4 heb voorgelegd, maar is er daarnaast ook actief in Europa, dus niet weggeschoven. Ik vind het bemoedigend en ook terecht dat Von der Leyen juist hiervan een punt maakt in haar opdracht aan de nieuwe Eurocommissaris. Ik blijf dus bij mijn oordeel over de motie op stuk nr. 440.

De voorzitter:
Dank u wel.

Minister Bruins:
De motie op stuk nr. 441 gaat over de voedselveilige verpakkingen en verzoekt de regering te onderzoeken of ook in Nederland een verbod op PFAS-stoffen in voedselverpakkingen mogelijk is en de Kamer hierover binnen drie maanden te informeren en verzoekt de regering om in Europa aan te dringen op een verbod op PFAS-stoffen in voedselverpakkingen. De zorg die in de motie schuilgaat, delen u, ik en overigens ook de staatssecretaris van IenW, met wie u al eerder hierover heeft gesproken. U weet dat in de aangenomen conclusies van de Milieuraad van juni dit jaar de milieuministers deze zorg ook hebben uitgesproken en de Europese Commissie hebben opgeroepen om al het niet-essentiële gebruik van PFAS te verbieden. Dat is een Europese richting waarnaartoe wordt gewerkt. Die Europese aanpak heeft mijn voorkeur; ik heb dat net bij de vorige motie aangegeven.

De opdracht, het verzoek, in de motie wil ik in die zin wel omarmen dat ik zal uitzoeken wat de effecten zijn van een eventueel verbod én of er een geschikt alternatief beschikbaar is. Dat is natuurlijk ook van belang. Zodra dat onderzoek is afgerond, zal ik de Kamer informeren over de uitkomsten en mogelijke vervolgstappen.

Praten wij hier nu over heel grote technische dingen? Nee, we praten hier ook over de binnenkant van een pizzadoos of een laagje op een teflonpan. Ik zie de spreker ja knikken, maar ik dacht: er zitten ook mensen op de tribune die misschien minder hebben met PFAS, maar wel meer met pizzadozen.

Als ik de motie op die manier mag uitleggen? Ik wil dus uitzoeken wat de effecten zijn van een eventueel verbod op PFAS-stoffen in voedselverpakkingen en of er geschikte alternatieven beschikbaar zijn. Dat doe ik als Nederland. Ik zou dat het liefste in Europees verband doen, maar als dat onvoldoende tot stand komt, dan vind ik dat wij als Nederland daarin een stap voorwaarts moeten zetten. Ik wil dat onderzoek ook doen.

Of dat dan weer binnen drie maanden gefikst kan zijn, waag ik te betwijfelen. Ik stel de Kamer voor om de motie op dit punt zo te lezen dat als dit niet binnen drie maanden gefikst is, ik haar laat weten waar wij dan staan en ik zal ingaan op de vervolgstappen om zo mogelijk tot een Europees verbod te komen, want dat heeft wel mijn voorkeur en niet een verbod per land dus een Belgisch, Nederlands of Deens verbod. Als ik de motie op die manier mag lezen, krijgt zij wat mij betreft oordeel Kamer.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 441 met de uitleg van de minister: oordeel Kamer. Ik zie de indiener van de motie instemmend knikken.

Nu de motie op stuk nr. 442.

Minister Bruins:
Ik heb een Belgisch plan gekregen; dat is dik en half in het Frans gesteld. In de motie op stuk nr. 442 wordt de regering verzocht te onderzoeken of het Belgische plan als voorbeeld voor Nederland kan dienen. Ik heb het niet gelezen en het is dus moeilijk om erop te reageren, maar ik zou willen waken voor het idee dat ik nog een plan ga maken, want ik heb al een plan gemaakt. De Kamer heeft dat ontvangen met de brief van 1 april. Ik wil niet onderzoeken of het Belgisch plan als voorbeeld voor Nederland kan dienen. Dus ik ontraad die motie.

Ik wil wel aan de indiener toezeggen dat ik een korte reactie geef op het Belgische plan. Er zit een baaierd aan acties in, heb ik al snel gezien. Een hele hoop werk valt in de categorie "dat doen wij al", maar ik zal u nog iets uitgebreider antwoorden. Hoewel ik de motie heb ontraden, hoop ik dat ik dan de indiener van de motie toch op de een of andere manier recht heb gedaan.

De voorzitter:
Dank u wel. De motie op stuk nr. 442 is ontraden, maar wij hebben wel een toezegging van de minister gehoord.

Dan de motie op stuk nr. 443.

Minister Bruins:
Eigenlijk heb ik daar al op gereageerd naar aanleiding van de motie op stuk nr. 440. Het verzoek aan de regering is om zo spoedig mogelijk beleid te maken om de blootstelling van mens, dier en natuur aan hormoonverstorende stoffen tegen te gaan. Dat beleid hebben wij al. Ik heb al verwezen naar de brief van 1 april en het Europese werkprogramma waarvan ik eigenlijk zeker weet dat het niet achter de kim verdwijnt, omdat de opdracht van Von der Leyen zo expliciet is verwoord in haar brief aan Kyriakides. Ik ontraad de motie op stuk nr. 443, omdat ik denk dat er al beleid is gemaakt.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan zijn wij hiermee aan het einde van de beraadslaging over het VSO gekomen.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
Over de ingediende moties wordt op dinsdag 24 september gestemd, in verband met Prinsjesdag.

Ik dank de minister voor zijn bijdrage en de ambtelijke ondersteuning en de Kamerleden voor hun bijdrage.

Ik stel voor om na de wissel direct over te gaan naar het volgende VSO.

Reactie op het advies van de Gezondheidsraad inzake ME/CVS

Reactie op het advies van de Gezondheidsraad inzake ME/CVS

Aan de orde is het VSO Reactie op het advies van de Gezondheidsraad inzake ME/CVS (34170, nr. 6).

De voorzitter:
Aan de orde is het VSO Reactie op het advies van de Gezondheidsraad inzake ME/CVS.

Ik heet de minister voor Medische Zorg van harte welkom. Ik heet verder welkom de Kamerleden en de mensen op de publieke tribune, die dit debat hier volgen, en dat geldt natuurlijk ook voor de mensen die het debat thuis volgen.

Ik geef graag als eerste het woord aan de heer Raemakers. De heer Raemakers spreekt namens de fractie van D66. Gaat uw gang.

De heer Raemakers (D66):
Voorzitter, dank voor het woord.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat ME/CVS een ernstige chronische multisysteemziekte is die het functioneren en de kwaliteit van leven van mensen die eraan lijden ingrijpend beperkt;

constaterende dat tegelijkertijd nog altijd niet duidelijk is hoe ME/CVS ontstaat en hoe de ziekte goed kan worden behandeld;

overwegende dat in de huidige richtlijn cognitieve gedragstherapie (cgt) en graded exercise therapy (get) als eerste en tweede keuze voor behandeling worden genoemd terwijl het veld verdeeld is over de gevolgen van deze therapieën en veel patiënten aangeven dat ze juist schade lijden door deze gedragsinterventies, maar de beroepsgroep niet van plan lijkt om de richtlijn op korte termijn aan te passen;

overwegende dat ME/CVS-patiënten bij de sociaal-medische beoordeling door het UWV ook zelfs nadeel zouden hebben ondervonden van het feit dat zij vanwege de potentiële schade weigerden deel te nemen aan deze gedragsinterventies;

verzoekt de regering formeel aan de Nederlandse Federatie van Universitair Medische Centra te vragen of zij een onderzoek wil starten naar de toegevoegde waarde van een centrum voor gebundelde expertise en voorlichting over ME/CVS voor de patiëntengroep;

verzoekt de regering om met zorgprofessionals te bespreken dat bij ME/CVS de laatste stand van de wetenschap goed dient te worden toegepast, dat de beroepsgroep actief nieuwe wetenschappelijke informatie vergaart en bij gebrek aan resultaat binnen redelijke termijn een herziening van de richtlijn wat betreft cgt en get voor plaatsing op de meerjarenagenda van het Zorginstituut aan te dragen waarbij het eindoordeel bij het Zorginstituut blijft;

verzoekt de regering onder het voorbehoud dat de herbeoordeling geen garantie biedt op een andere uitkomst, de ME/CVS-patiënten bij wie de aanvraag van een arbeidsongeschiktheidsuitkering is afgewezen, actief te informeren over hun mogelijkheden om zich opnieuw bij het UWV te laten beoordelen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Raemakers, Van den Berg, Van Gerven, Veldman, Dik-Faber, Ellemeet, Ploumen en Agema.

Zij krijgt nr. 7 (34170).

Dank u wel.

Dan geef ik nu graag het woord aan mevrouw Ploumen. Mevrouw Ploumen spreekt namens de fractie van de Partij van de Arbeid. Gaat uw gang.

Mevrouw Ploumen (PvdA):
Voorzitter. Gisteren ontvingen wij als commissie met u als voorzitter een delegatie van ME/CVS-patiënten. Zij overhandigden ons een enquête. Die enquête schetst eigenlijk wel een onthutsend beeld van hoe zij zich gekend en gezien voelen in de zorg. Vandaar dat velen van ons de motie van de heer Raemakers medeondertekend hebben. Wij willen graag dat mensen zich gezien voelen in de zorg en dat ook de randvoorwaarden daartoe aanwezig zijn.

Voorzitter. Wij hebben net antwoorden gekregen op de vragen die de heer Van Gerven heeft gesteld. Die gaan onder andere over de erkenning van de ziekte en de praktijk van het UWV. Ik heb daar twee moties over. Ik wou die moties toch snel even voorlezen. Misschien kan ik straks even met de minister in gesprek over de vraag wat we samen kunnen doen om patiënten het gevoel te geven dat wij pal achter hen staan.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de WHO ME/CVS in 1969 als neurologische ziekte heeft erkend, en dat ook landen als Noorwegen en Denemarken de ziekte officieel erkennen;

constaterende dat de minister het recente advies van de Gezondheidsraad heeft overgenomen, maar ME/CVS niet als ziekte heeft erkend;

overwegende dat de Gezondheidsraad al in 2005 adviseerde om ME/CVS officieel te erkennen als chronische aandoening;

overwegende dat ME/CVS-patiënten zich zowel door lagere overheden en semioverheden als door artsen niet serieus genomen voelen en dit tot veel frustraties leidt;

van mening dat officiële erkenning van ME/CVS als chronische ziekte zal bijdragen aan het wegnemen van veel frustraties en obstakels bij ME/CVS-patiënten;

verzoekt de regering uit te spreken dat zij ME/CVS officieel als chronische ziekte erkent,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ploumen, Raemakers en Ellemeet. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 8 (34170).