Plenair verslag

Tweede Kamer, 79e vergadering
Dinsdag 25 mei 2021

  • Aanvang 14:00 uur
  • Sluiting 00:00 uur
  • Status Ongecorrigeerd

Opening

Voorzitter: Bergkamp

Aanwezig zijn leden der Kamer, te weten:

De voorzitter:
Ik open de vergadering van dinsdag 25 mei 2021.

Vragenuur

Vragenuur

Aan de orde is het mondelinge vragenuur, overeenkomstig artikel 136 van het Reglement van Orde.

Vragen Sjoerdsma

Vragen van het lid Sjoerdsma aan de minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, minister van Buitenlandse Zaken over het bericht dat een intra-Europese vlucht kon leiden tot het oppakken van een blogger in Minsk.

De voorzitter:
Aan de orde zijn de mondelinge vragen. Ik geef allereerst het woord aan de heer Sjoerdsma van D66. Hij heeft een mondelinge vraag aan de minister van Buitenlandse Zaken over het bericht dat een intra-Europese vlucht kon leiden tot het oppakken van een blogger in Minsk. Ik heet de minister natuurlijk ook van harte welkom.

De heer Sjoerdsma (D66):
Dank, voorzitter. Uiteraard van harte beterschap gewenst aan de heer Van 't Wout en, als u mij toestaat, ook aan collega Omtzigt, die zich heeft moeten laten vervangen. Ik hoop dat beiden spoedig herstellen.

Dan kom ik bij het onderwerp waarvoor we hier staan: luchtpiraterij, staatsterreur; een ongekende daad van een land aan de rand van ons continent, de laatste dictatuur van Europa. Een Ryanairvliegtuig dat van een Europese lidstaat naar een Europese lidstaat vloog en dat onder dreiging van een bommelding en onder begeleiding van een straaljager van Belarus gedwongen werd niet te landen bij het dichtstbijzijnde vliegveld Vilnius maar bij het vliegveld van Minsk, om daar vervolgens een dappere journalist van Belarus en zijn vriendin uit het vliegtuig te halen. We hebben gisteravond ook de eerste beelden gezien van Protasevitsj. We hebben gezien dat hij heeft gezegd dat het hem goed ging, dat hij zich aan van alles schuldig achtte, en we weten natuurlijk met elkaar dat dat geen vrijwillige verklaring was. Als je inzoomde op zijn ogen kon je, denk ik, de brief die hij gedwongen werd voor te lezen bijna letterlijk zien.

Bij zoiets ongekends, bij zoiets ongehoords, bij zoiets onacceptabels past ook een heel krachtige reactie om te voorkomen dat landen die op het vinkentouw zitten — ik noem een China, een Rusland, ik noem staten die vaak in hun belang handelen — denken dat er ruimte is om dit te herhalen, denken dat er ruimte is om te herhalen wat Loekasjenko hier heeft gedaan. Daarom is het ook goed dat er een streep is getrokken en dat duidelijk is gemaakt dat de Europese Unie dit niet accepteert, en dat zij dat dit keer niet alleen in woord doet — de Europese Unie is vaak al te goed in veroordelende verklaringen — maar ook in de vorm van een stevig pakket aan sancties. Het gaat om sancties tegen personen, sancties tegen staatsbedrijven, sancties tegen de luchtvaartmaatschappij uit Belarus, Belavia. Dat is een niet mis te verstane stap, met als eis de vrijlating van deze journalist en van zijn vriendin.

Voorzitter. Daar gaat mijn eerste vraag over. Het pakket is enorm stevig; daar zal niemand iets aan afdoen. Maar was dit nou de enige eis die de Europese Unie op tafel had moeten leggen? Mijn fractie, D66, had zich kunnen voorstellen dat er met zo'n pakket ook om nog twee andere zaken was gevraagd: de vrijlating van de 300 à 400 politieke gevangenen en het opnieuw houden van verkiezingen, ditmaal vrij en eerlijk onder het toeziend oog van de OVSE. Ik vraag aan de minister van Buitenlandse Zaken of dat op tafel heeft gelegen en waarom dat niet is gebeurd.

Meer nationaal heb ik nog een tweede punt. Is dit kabinet bereid om de ambassadeur uit Belarus te ontbieden om ook persoonlijk ons eigen ongenoegen over de gang van zaken over te brengen en de vraag over te brengen die ik net stelde aan het kabinet, om opnieuw te herhalen dat wij willen dat alle politieke gevangenen in Belarus worden vrijgelaten?

Voorzitter. Tot slot wil ik het kabinet vragen of het betrokkenheid van Rusland bij dit voorval ziet.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de minister.

Minister Kaag:
Veel dank, mevrouw de voorzitter. Ik dank de heer Sjoerdsma maar ook de vele andere Kamerleden die zich in hele duidelijke bewoordingen hebben uitgesproken over de feiten die zich hebben voltrokken. Het is duidelijk dat het kabinet het onacceptabel vindt dat Belarus een passagiersvlucht gedwongen heeft te landen. U heeft de vele opmerkingen, zowel van premier Rutte maar ook van collega Blok, gezien. De Europese Raad is inderdaad, gelukkig, unaniem gebleken en heeft een belangrijk signaal afgegeven. Er wordt een enorm pakket aan sancties en aanvullende maatregelen genomen. Wij hopen dat dit op korte termijn afgerond kan worden op ambtelijk niveau in Brussel en dat dit dan ook daadwerkelijk zijn uitwerking zal vinden.

De vraag die de heer Sjoerdsma terecht stelt: is dit genoeg of kan het nog strenger? De heer Sjoerdsma noemde daarbij twee zaken: de vrijlating van honderden politieke gevangenen en opnieuw verkiezingen. Zoals u weet, heb ik gisteren het stokje van Stef Blok overgenomen. In de berichtgeving heb ik geen details gezien die erop wijzen dat dit op die manier aan de orde is gebracht. Ik ga later deze week naar een informeel overleg van ministers van Buitenlandse Zaken in Gymnich. Ik doe de toezegging dat ik dit gesprek daar zal vervolgen met de collega's die dan aanwezig zijn. Ik denk dat het terecht is dat alle aandacht gericht is geweest op de veroordeling. Er komt een onderzoek door de ICAO. Wij vinden ook dat de ICAO moet gaan kijken of de internationale regelgeving niet moet worden aangepast. Dat hebben we al uitgezet bij de ICAO. En dan is er natuurlijk nog de afronding van het hele strenge pakket aanvullende maatregelen. Ik doe de toezegging dat ik op deze twee punten het gesprek zal vervolgen met mijn collega-ministers van Buitenlandse Zaken.

Dan de vraag over de betrokkenheid van Rusland. Wij kunnen formeel natuurlijk niet zeggen of Rusland hierbij betrokken was. Naar verluidt zijn er Russen aan boord geweest van het vliegtuig. We kunnen niet bevestigen of dat inlichtingenofficieren waren. Het is wel bekend dat Rusland en Belarus al jarenlang nauw verbonden zijn met elkaar en dat zij samenwerken in de zogenaamde uniestaat. Er is ook een duidelijke integratie van militaire structuren, zoals het luchtverdedigingssysteem van Belarus, dat is geïntegreerd. Er is dus een vermoeden dat de Russische krijgsmacht op de hoogte was, maar we hebben dat niet eigenstandig kunnen vaststellen. Ik denk dat ook hierover het gesprek vervolgd zal worden.

De voorzitter:
Dank u wel. De heer Sjoerdsma.

De heer Sjoerdsma (D66):
Ik denk inderdaad dat het gesprek zal worden voortgezet, zeker over dat vermoeden. De minister haalt dat terecht aan. Zolang er geen bewijs is, kunnen we daar niet op acteren, maar in de meeste gevallen waarin er rook opstijgt vanuit die regionen, blijkt het ook Russische rook te zijn. Laten we dat zo maar zeggen. Mocht dat het geval zijn, dan hoop ik dat het kabinet ook op dat punt stevig zal zijn.

Ik had de minister nog gevraagd of zij bereid was of misschien bereid zal zijn om de ambassadeur van Belarus te ontbieden om hem ons ongenoegen én het verzoek dat de minister van Buitenlandse Zaken in Gymnich neer zal leggen in dezelfde niet mis te verstane bewoordingen duidelijk te maken.

Helemaal tot slot zou het volgens mij goed zijn als de Kamer ook wat duidelijkheid krijgt over de gang van zaken bij de KLM. Wat is daar nu precies gebeurd? Eerst zou de KLM wel blijven vliegen, mede naar aanleiding van overleg met de overheid, maar uiteindelijk is dat dan toch niet meer zo. Dat strookt volgens mij niet met het convenant dat er onder druk van deze Kamer is gekomen. Het lijkt mij goed om daar nog een keer uitgebreid bij stil te staan.

Minister Kaag:
Ja. De eerste vraag is de makkelijkere. De ambassadeur is vanochtend ontboden. Hij is in niet mis te verstane bewoordingen toegesproken over de verwachtingen, de eisen en de positie van het kabinet en natuurlijk ook de Europese Unie.

De Europese Raad heeft alle EU-vliegtuigmaatschappijen opgeroepen om niet meer over het grondgebied van Belarus te vliegen en zal maatregelen nemen om Belarussische maatschappijen het vliegen van en naar de EU te verbieden.

Op het vervolg in de richting van KLM moet ik op een ander moment terugkomen.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik allereerst het woord aan de heer Brekelmans van de VVD en vervolgens aan mevrouw Agnes Mulder van het CDA en de heer Jasper van Dijk van de SP.

De heer Brekelmans (VVD):
De VVD is ook van mening dat het sanctiepakket of het pakket aan maatregelen dat nu is aangekondigd een goede eerste stap is. Het is ook goed dat dat snel tot stand gekomen is. Maar er is ook nog veel onduidelijk, bijvoorbeeld over de sancties. Op hoeveel personen, op welke entiteiten en welke sectoren zullen die worden gericht? Wil de minister er ook voor zorgen dat er vanuit Nederland maximale druk is, zodat het regime stevig wordt getroffen? Dat zou bijvoorbeeld kunnen door middel van sancties in de olie- en gassector.

Dan het tweede. Als de komende dagen zou blijken dat het pakket toch niet zo stevig is als we hadden verwacht, is de minister dan bereid om met gelijkgezinde landen, bijvoorbeeld met de VS en het VK, aanvullende maatregelen te nemen, zodat we toch met een stevig maatregelenpakket in de richting van Wit-Rusland komen?

De voorzitter:
Ik hoor twee vragen aan de minister.

Minister Kaag:
Inderdaad. De eerste vraag is waarom ik nog geen details heb genoemd over bijvoorbeeld de personen en de entiteiten waarop de economische sancties gericht zullen zijn. Dat is niet alleen omdat er nog over wordt onderhandeld, maar ook omdat degenen die mogelijkerwijs op een lijst zullen komen te staan niet van tevoren een waarschuwing moeten krijgen. Het moet zo effectief mogelijk zijn. Daarom is vertrouwelijkheid heel belangrijk.

Ik hoor uw oproep om in het geval dat wij het niet ver genoeg vinden gaan, te onderzoeken of wij met het VK en de VS zouden kunnen optreden. Onze inzet is er in eerste instantie op gericht om zowel de geloofwaardigheid als de slagkracht van de EU zo ambitieus mogelijk te houden. Mocht er sprake zijn van een wat ons betreft teleurstellende uitkomst, dan zullen we dat op dat moment beoordelen. Maar ik verwacht dat eerlijk gezegd niet, ook gelet op de snelheid en de unanimiteit die de EU in ieder geval in deze fase heeft kunnen laten zien. Maar we zullen dat heel goed en nauwkeurig volgen. Dus ik neem uw oproep ter overweging mee. Dat betreft natuurlijk ook het voorbeeld van de sectorale sancties. We moeten het hele pakket wegen.

De voorzitter:
Even voor de leden: het is de bedoeling om één vraag te stellen. U mag ook twee vragen stellen, maar dat is het maximum. Meneer Brekelmans, u heeft twee vragen gesteld. Dan geef ik het woord aan mevrouw Agnes Mulder van het CDA en daarna aan de heer Jasper van Dijk van de SP.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):
Ook vanuit het CDA hebben we met ongeloof gekeken naar de beelden op tv. Ongelofelijk dat dit kan gebeuren, want als het hier kan, kan het op heel veel andere plekken in de wereld natuurlijk ook. Nu worden sancties overwogen vanuit ons, vanuit de Europese Unie, richting het land dat dit heeft gedaan. Wij denken dan ook aan Magnitskysancties. Is dat ook iets waar de minister aan denkt? Dienen die sanctiepakketten er ook voor dat andere landen die dit overwegen en denken "nou, wij kunnen ook wel even een vliegtuig aan de grond gaan zetten", weten dat ze dan met de EU te maken krijgen? Hoe staat de minister daarin?

Minister Kaag:
In de verschrikkelijke situatie dat andere landen zich inderdaad "geïnspireerd" voelen door dit verschrikkelijke voorbeeld, zullen we sowieso het gesprek met de ICAO moeten voeren, juist om die regels aan te scherpen, maar ook om te kijken welke middelen en welke sancties daarop eventueel van toepassing zouden zijn. Daarom is effectief en snel optreden door de Europese Unie met de juiste maatregelen in deze casus zo belangrijk. Dat kan hopelijk een afschrikwekkend effect hebben voor andere landen die zouden denken: hé, hier is een kans. Dat is niet de bedoeling.

De voorzitter:
De heer Van Dijk en dan de heer Kuzu van DENK.

De heer Jasper van Dijk (SP):
Het is ongekend brutaal wat het Wit-Russische regime hier heeft uitgehaald. Het is ook een provocatie richting de Europese Unie. Het is dus terecht dat er wordt gereageerd en dat er gekeken wordt naar sancties et cetera. Wat je mijns inziens direct moet voorkomen, is dat de bevolking daardoor wordt geraakt, waaronder de mensen die protesteren voor een beter regime. Gaan de Europese Raad en deze minister er ook rekening mee houden dat die sancties vooral die elite raken, dat regime, en niet de bevolking?

Minister Kaag:
Jazeker. Naar mijn idee is dat ook echt aan de orde gekomen in de Europese Raad. We weten immers ook, vanuit de decennialange en wereldwijde ervaring met sancties, welke sancties werken en welke niet. In de keuze van sancties moet er zeker gekeken worden of je niet onbedoeld de bevolking raakt, in plaats van het regime en kornuiten. Dit geldt bijvoorbeeld voor de vraag of er sectorale sancties ondernomen moeten worden.

De heer Jasper van Dijk (SP):
Dat is heel goed om te horen. Graag worden wij daar als Kamer van op de hoogte gehouden, zo snel als mogelijk. Voorts heb ik nog de vraag of er ook wordt aangedrongen op een onafhankelijk onderzoek naar dit voorval, zodat we ervoor zorgen dat dit nooit weer kan gebeuren.

Minister Kaag:
Dit is het geval. U heeft gezien dat de sg van de NAVO, Stoltenberg, hier ook om heeft gevraagd. Maar wij vragen dit allemaal.

De voorzitter:
De heer Kuzu en dan mevrouw Teunissen van de Partij voor de Dieren.

De heer Kuzu (DENK):
Het is een bizarre actie van de laatste dictator van Europa. Mijn fractie veroordeelt deze actie dan ook en vindt de lijn die het kabinet heeft ingezet en die de Europese Raad, voor de verandering, heeft ingezet, goed. Het is goed dat daar unanimiteit over is. We hebben natuurlijk gezien dat bijna alle Europese leiders, waaronder die van Nederland, hebben aangegeven dit enorm te veroordelen. Maar ik vraag mij af of bij de minister al een reactie vanuit Wit-Rusland op dit hele voorval bekend is.

Minister Kaag:
Ik ben niet bekend — dat zegt niet alles — met de laatste formele reactie. De reactie van de ambassadeur vanochtend op ambtelijk niveau was langs de lijnen van "als er te veel druk komt, worden we in de armen van Rusland gejaagd". De feiten weerspreken dit, zou ik zeggen.

De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Teunissen van de Partij voor de Dieren, dan de heer Dassen van Volt en daarna mevrouw Piri van de PvdA.

Mevrouw Teunissen (PvdD):
Ook de Partij voor de Dieren vindt het afschuwelijk dat iemand die reist van een EU-land naar een EU-land met zo veel machtsvertoon uit de lucht wordt gehaald, en dan ook nog in opdracht van een dictator die elke afwijkende stem in de kiem smoort. Afgelopen weekend waren er voor de ambassade in Den Haag protesten van Wit-Russen — dappere mensen — om te laten zien dat Loekasjenko elke afwijkende stem vermorzelt. Mijn vraag aan de minister is: wat kan Nederland doen om deze Wit-Russen in Nederland beter te beschermen?

Minister Kaag:
Ik heb op dit moment niet genoeg inzicht in of geen advies wat betreft de mogelijke onveiligheid van deze mensen. Ik kan me een aantal van de risico's die zij lopen, voorstellen. Ik moet deze vraag neerleggen bij mijn collega van JenV, maar ook bij de minister van BZK en degenen die over de diensten gaan. Natuurlijk is de bescherming op gemeentelijk niveau belegd bij burgemeesters en de veiligheidsdiensten. Ik kan deze vraag meenemen, maar meer dan dat op dit moment niet.

De heer Dassen (Volt):
Het is ongekend en brutaal natuurlijk dat de Wit-Russen dit hebben gedaan. Zelfs de meest basale wet- en regelgeving die we over de hele wereld met elkaar delen, wordt hiermee geschonden. De heer Sjoerdsma sprak net al over Russische betrokkenheid. Het lijkt me overduidelijk dat de Russen hiermee te maken hebben, gezien hun nauwe banden met Loekasjenko en daarnaast omdat Loekasjenko mede dankzij Poetin in het zadel wordt gehouden. Het hoofd van RT, de Russische staatstelevisie, tweette na deze kaping: to envy Belarus; it was performed beautifully. Iemand anders, ook vanuit Rusland, zei: it's feasible and necessary. Mijn vraag aan de minister is eigenlijk als volgt. Misschien kan deze betrokkenheid niet eens aangetoond worden, maar kunnen we via Rusland daar ook de nodige sancties aan koppelen, ook om te kijken hoe we kunnen zorgen dat, welllicht via Poetin, Protasevitsj vrijgelaten kan worden, bijvoorbeeld door het tijdelijk opschorten van de Nord Stream 2-pijplijn?

Minister Kaag:
De heer Dassen doet een aantal suggesties. Die lopen via verschillende trajecten. Daar zul je niet alle lidstaten voor meekrijgen. Zoals u weet, kijkt Duitsland anders naar Nord Stream 2 dan een aantal andere landen. Duitsland heeft eigenlijk ook nog de beste contacten met Poetin. We moeten dus even kijken hoe er sowieso waarheidsvinding kan plaatsvinden over een mogelijke Russische betrokkenheid en, zo niet, hoe alles in het werk kan worden gesteld om de dissident en zijn vriendin sowieso zo snel mogelijk vrij en in veiligheid te krijgen en om al die stappen te doorlopen. Hier past ook stille diplomatie, ook op het niveau van leiders, maar ik wacht ook nog even op de terugkoppeling van de heer Rutte in dezen over wat er misschien nog verder aan andere, stille, afspraken is gemaakt hierover.

De voorzitter:
Mevrouw Piri en dan mevrouw Bouchallikh van GroenLinks.

Mevrouw Piri (PvdA):
Voorzitter. Ook mijn fractie is in ieder geval blij met een snelle en ferme reactie van de Europese Unie op deze Noord-Koreaanse praktijken van Loekasjenko en zijn regime. Er zal natuurlijk moeten blijken wat de uitwerking is van dat sanctiepakket, maar mijn vraag aan dit kabinet heeft eigenlijk te maken met iets wat je alleen bilateraal kunt doen. Als u nu ziet hoe journalisten en mensenrechtenverdedigers enorm onder druk staan in Wit-Rusland, is dit kabinet dan ook bereid te kijken naar een versoepeling van de humanitaire visa?

Minister Kaag:
Laat ik het zo stellen: elk kabinet, ook dit kabinet, zet zich in voor de vrijheid van meningsuiting en natuurlijk zeker ook voor de vrije pers. Minister Blok heeft een aantal maanden geleden een conferentie georganiseerd over deze thema's, ook over de bescherming van journalisten, zeker journalisten die werken in gebieden waar de vrijheid van meningsuiting enorm onder druk staat. Het is een suggestie. Ik zou zeggen dat ik dit nader moet bespreken. Dit moet ik meenemen, want dit betreft verschillende departementen, maar het is iets waarvan ik de logica wel inzie en het past dan eventueel ook bij het beleid. Maar dat is eerlijk gezegd het enige wat ik erover kan zeggen.

De voorzitter:
De heer De Roon van de PVV en dan de heer Eppink van JA21. O, sorry, mevrouw Bouchallikh. Ik zag u even niet. Eerst was mevrouw Bouchallikh en dan de heer De Roon.

Mevrouw Bouchallikh (GroenLinks):
Voorzitter. Ik vertelde net aan collega Piri dat ik precies dezelfde vraag had. Die is bij dezen dus beantwoord.

De voorzitter:
De heer De Roon van de PVV en dan de heer Eppink van JA21.

De heer De Roon (PVV):
Voorzitter. Ook de PVV vindt het natuurlijk verwerpelijk en ook streng te veroordelen dat Loekasjenko op deze manier een blogger heeft binnengehengeld om daar het zijne mee te doen; daar verwachten we niet veel goeds van. Het is natuurlijk ook voor iedereen makkelijk om dat verwerpelijk en abject te vinden. Het is iemand die alleen maar gebruikmaakt van de vrije meningsuiting en die zich misschien inlaat met het organiseren van geweldloos verzet tegen die dictatuur in Wit-Rusland. Maar mijn vraag aan de minister is: vindt de regering dit nou ook verwerpelijk en abject en zal de regering dit zelf nooit toepassen in andere gevallen? Om het even concreet te maken: stel nou eens even dat we van de hoofdverdachte van het neerhalen van MH17 zouden weten dat hij over Nederland gaat vliegen en dat we een unieke kans krijgen om dat vliegtuig zonder toepassing van daadwerkelijk geweld, maar misschien wel met een list aan de grond te krijgen in Nederland; zegt de regering dan dat ze dat toch gaat overwegen? Of zegt u: nee, onder alle omstandigheden is deze gang van zaken, het met een list naar beneden brengen van een vliegtuig, verwerpelijk en dat zal Nederland nooit doen?

Minister Kaag:
De heer De Roon brengt een theoretische, maar volgens mij wel heel relevante casus naar voren. Het enige wat ik kan zeggen, is dat de regering, mocht die informatie beschikbaar zijn, op basis van de informatie van dat moment de beste afweging zal maken.

De heer Eppink (JA21):
Mevrouw de voorzitter. Mevrouw de minister, we hebben hier te maken met staatsterrorisme. Dat is zeer ernstig. Ik ben blij dat de Nederlandse regering een harde lijn ondersteunt, zeker ook vanuit Europa. Ik hoop dat alle Europese landen hieraan meedoen, inclusief Noorwegen en Groot-Brittannië. Staatsterrorisme is zeer verwerpelijk. Is de EU ook bereid om even hard op te treden tegen andere landen die staatsterrorisme plegen, zoals Noord-Korea en Iran, die tegenstanders en dissidenten in het buitenland vermoorden?

Minister Kaag:
Ik begrijp de vraag heel goed. Het is heel belangrijk om naar de juiste precedentwerking te kijken. Maar de vraag die door de heer Sjoerdsma gesteld is, ging over de casus Belarus. Ik vind het heel gevaarlijk om nu in hele brede bewoordingen algemene lijnen en vergelijkingen te scheppen.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan wil ik de minister bedanken voor haar beantwoording. Dan gaan we even schoonmaken en dan gaan we over naar de volgende mondelinge vragen.

Vragen Westerveld

Vragen van het lid Westerveld aan de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het schrijnende tekort aan goede anorexiazorg.

De voorzitter:
We gaan over naar de volgende mondelinge vraag. Dat is een vraag van mevrouw Westerveld van GroenLinks. Dat is een vraag aan de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het schrijnende tekort aan goede anorexiazorg. Het woord is aan mevrouw Westerveld.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Dank u wel, voorzitter. Kinderen in Nederland die kanker hebben, kunnen terecht bij het Prinses Máxima Centrum, waar de beste specialisten uit het hele land de best mogelijke behandeling geven. En dat werkt. Behandelingen worden steeds beter en steeds minder kinderen overlijden aan kanker. Maar heb je in Nederland een mentale ziekte die ongeveer net zo dodelijk is, namelijk een eetstoornis, dan krijg je een hele andere behandeling, want dan kom je op de wachtlijst. Niemand wordt beter van op een wachtlijst staan. Sterker nog, de situatie verslechtert in vrijwel de meeste gevallen. Kinderen komen soms ook in een levensgevaarlijke situatie in het ziekenhuis terecht. In de uitzending van Pointer, gisteravond, zei een arts dat ze het hele jaar kinderen met een eetstoornis op de afdeling hebben, niet om te behandelen, want daar zijn deze artsen niet voor opgeleid, maar eigenlijk om te verzorgen gedurende de tijd dat deze kinderen op wachtlijsten staan. Dit vinden deze artsen inmiddels normaal, maar dat is het natuurlijk niet.

Dit probleem is niet nieuw. Het is niet alsof we ineens worden opgeschrikt met kinderen die te maken krijgen met een eetstoornis. We weten al jaren dat er veel te weinig behandelplekken zijn. We vragen ook al jaren met de hele Kamer aan het kabinet om dit prioriteit te geven.

Daarom heb ik een aantal vragen aan de staatssecretaris. Hoeveel kinderen en volwassenen die een ernstige eetstoornis hebben zijn er eigenlijk? Hoeveel behandelplekken hebben we in dit land? Hoelang is de gemiddelde wachttijd inmiddels? Hoeveel kinderen liggen nu in het ziekenhuis omdat ze wachten? Wat zou de staatssecretaris ook namens het kabinet willen zeggen tegen ouders die ons benaderen, die aangeven dat ze vechten voor hun kind, dat ze soms al maandenlang bezig zijn en overal het gevoel hebben dat ze moeten leuren voor een passende behandeling?

En dan heeft de coronacrisis ook nog een forse impact. Het aantal aanmeldingen bij eetstoornisklinieken is volgens GGZ Nederland met 63% gestegen. Dit konden we zien aankomen, want het is iets wat ook in andere landen gebeurt. Ik vraag het kabinet of dit ook iets was waardoor alle alarmbellen afgingen en wat er wordt gedaan om het aantal meldingen goed op te pakken.

De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Blokhuis:
Voorzitter, dank u wel. Dank aan mevrouw Westerveld voor deze indringende vragen over heel belangwekkende materie. Inderdaad, het zal je kind maar zijn. Het is afschuwelijk als een gezin wordt geconfronteerd met een kind of een ander gezinslid met eetstoornissen. Wat mij betreft kunnen we daar niet genoeg aan doen. Dat verdient alle urgentie, alle prioriteit. Terecht dat mevrouw Westerveld daar aandacht voor vraagt. Zij memoreerde ook dat het niet de eerste keer is dat zij hier aandacht voor vraagt.

Zij begint met hele feitelijke vragen: om hoeveel kinderen en volwassenen gaat het, hoeveel behandelplekken zijn er, hoelang is de gemiddelde behandeltijd. Dat is gelijk een best wel ingewikkelde vraag, want bij de jeugdhulpverlening houden we niet exact bij welke patiënten met welk ziektebeeld behandeld worden. Dat is inherent aan het systeem. Ik wil wel tegen mevrouw Westerveld zeggen dat ik in gesprek ben met gemeenten en meer zicht wil hebben op de wachtlijsten, en dan ook uitgesplitst naar het ziektebeeld. Dat hebben we nu niet; dat is inherent aan het decentrale stelsel. Daar gaan we het wel over hebben en als het aan mij ligt, gaan we dat wel krijgen, maar dat hebben we nu gewoon niet.

Als we het hebben over de ggz voor volwassenen, hebben we een beter beeld van de ziektebeelden en de wachttijden. In de laatste brief die ik naar de Kamer stuurde over de wachttijden in de volwassenen-ggz, zijn eetstoornissen een van de hoofddiagnosegroepen, zoals we dat in het jargon noemen. Daar is de gemiddelde wachttijd veertien weken. Dat is heel lang, maar gemiddeld is dat net binnen de — wat we noemen — treeknormen. Maar daar kunnen natuurlijk ook uitschieters naar boven tussen zitten, wat eigenlijk volstrekt onaanvaardbaar is. Dat mensen een halfjaar moeten wachten met iets wat levensbedreigend is, dat moeten we met elkaar niet willen. Ik heb met de volwassenen-ggz, waar ik al eerder verantwoordelijk voor was dan voor het jeugdbeleid, zoals mevrouw Westerveld ook weet, de afspraak gemaakt dat ze vanaf dit jaar exact in beeld gaan brengen hoeveel wachtenden er zijn, en vanaf volgend jaar zelfs op individueel niveau. Dat heet de "transparantieregeling", en dat maakt dat we veel beter weten waar we het over hebben. Dus kan ik dat nu ophoesten? Nee, maar als het aan mij ligt, gaat dat wel komen.

Dan: welk antwoord heb je aan ouders? Ja, dat is een pittige vraag. Ik vind dat een hele lastige. En het was een indringende uitzending, waar een van de woordvoerders iemand was die ook betrokken is bij de opzet van de ketenaanpak eetstoornissen: Annemarie van Bellegem, kinderarts van het AMC. Zij zei, denk ik, terecht: dit is een zaak van iets wat we niet vandaag of morgen geregeld hebben; hier moeten we heel veel effort op zetten en dat kost nogal de nodige energie en aandacht, en dat is niet van vandaag op morgen geregeld. Die ketenaanpak eetstoornissen, "K-EET" zoals we die wel noemen, is in 2019 gestart en heeft al wel een aantal concrete resultaten. En dit is een naar antwoord naar ouders, want daar help je op dit moment hun kind niet mee, en in die zin voel ik me ook — zo zeg ik in alle openheid — verlegen bij deze beantwoording. Natuurlijk worden mensen goed geholpen. En het geldt ook voor kinderen en voor gezinnen, dat wij, en dat ik als stelselverantwoordelijke, doe wat ik kan.

Die K-EET-aanpak is uitgerold, die rollen we uit, en die leidt ook tot concrete resultaten. In de eerste plaats — en dat valt toevallig samen met de vragen en dat is niet zo bedoeld — start vandaag die K-EET-aanpak met een collegiale telefonische hulplijn, waar mensen uit de eerste zorg — en dan moet je denken aan diëtisten, huisartsen, praktijkondersteuners ggz — hulp kunnen vragen aan mensen uit de tweede lijn, specialisten, om te weten of er sprake is van een eetstoornis en wat we daar in dit stadium mee kunnen doen. Want: hoe eerder, hoe liever; dat zal mevrouw Westerveld van harte met mij eens zijn. Dat is dus de telefonische advieslijn, vandaag gelanceerd. Ten tweede komen er regionale eetstoornisnetwerken, om beter samen te werken tussen — wat ik net zei — de eerste lijn, wat begint bij de huisarts of de diëtist of de POH-ggz, en alles tot en met heel specialistische hulpverlening. Er zijn nu vijf netwerken. Het moeten er acht worden. Die andere drie volgen dit jaar. Daar zijn we volop mee bezig. En zoals mevrouw Westerveld ongetwijfeld ook weet: VWS financiert en faciliteert dit. In de derde plaats wordt dit jaar door K-EET een zorgkaart gelanceerd, waarmee hulpverleners heel direct het zorgaanbod in beeld hebben; een soort dashboard, zeg maar, waardoor de behandeling, de hulpverlening, eerder mogelijk is.

Betekent dit dat er voldoende hulp is? Nee. Dat is een harde realiteit. En dat brengt me bij het tweede punt. Het eerste is de K-EET-aanpak. Het tweede is: de middelen die nodig zijn om te zorgen dat er meer hulpverlening kan komen. Wij hebben enkele weken geleden met de Nederlandse gemeenten afgesproken dat zij voor dit jaar 613 miljoen euro krijgen boven op de middelen die zij al krijgen voor jeugdhulpverlening. Ze krijgen ook al 300 miljoen extra, en nog middelen in verband met corona, dus in totaal ongeveer een miljard euro extra. Een substantieel deel daarvan, namelijk 255 miljoen, is bedoeld om wachtlijsten en wachttijden aan te pakken in de jeugd-ggz en de jeugdhulpverlening breed, en 50 miljoen is bestemd voor acute jeugd-ggz. Wij doen daarbij een dringend beroep op gemeenten om die middelen in te zetten, ook voor deze problematiek.

Ten derde, en dan rond ik af, voorzitter: wat doe je als stelselverantwoordelijke? Deze twee dingen dus. En ten derde: wetgeving aanpassen waar dat kan. En dan noem ik in dit kader alleen het wetsvoorstel Verbetering beschikbaarheid zorg voor jeugdigen, waarin wordt aangekoerst op gedwongen samenwerking per regio, waarbij de regio's, dus niet meer elke gemeente individueel, ook in beeld brengen: waar is vraag en waar is aanbod, en hoe matchen we die beter? Dat moet op termijn zorgen voor een betere hulpverlening. Op dit moment betekent dat dat je tegen sommige gezinnen moet zeggen: afschuwelijk, maar op dit moment is er geen aanbod omdat de hulpverleners er niet zijn. Gelukkig voor velen wel, voor sommigen op dit moment niet; dat is de werkelijkheid.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Dank aan de staatssecretaris voor zijn antwoorden. Een heel aantal punten die hij hier beschrijft, hebben we natuurlijk al eerder kunnen lezen, bijvoorbeeld in de mail van november. Hierin wordt ook al een overzichtje gegeven, ook van wat K-EET doet. We lezen ook over de regionale netwerken en de regioscans. Het persbericht over de hulplijn heb ik vanochtend ook in mijn mailbox zien komen. Dat klinkt natuurlijk allemaal hartstikke mooi, maar mijn heel concrete vraag is wat er nu concreet gebeurt voor deze gezinnen. Zijn er meer plekken bij gekomen? Hoeveel plekken zijn er nog nodig? Het is fijn dat de wachtlijsten voor de volwassenen-ggz in kaart zijn gebracht, maar we hebben het hier ook over de jeugdzorg, de jeugd-ggz. Daarvan hebben we geen flauw benul. Het gaat hier wel om kinderen, zeg ik tegen de staatssecretaris.

Dan over mevrouw Van Bellegem. Ik heb haar gisteren in Pointer horen zeggen dat het nog wel vijf jaar kan duren voordat er oplossingen zijn. Zijn we daar dan tevreden mee, vraag ik aan de staatssecretaris. Vijf jaar vanaf nu? Dat zorgt er heel concreet voor dat er nog meer slachtoffers gaan vallen. Volgens mij moeten we dat met elkaar niet accepteren.

Dan een laatste punt. In 2019 stelden we deze vragen ook al. Daar was ik niet de enige in. Een groot deel van deze Kamer stelde dit soort vragen aan de staatssecretaris. Toen is er vanuit het kabinet een actieplan gelanceerd. We lazen in allemaal grote, stoere krantenkoppen dat er een plan komt om eetstoornissen aan te pakken. We konden toen overal de voorganger van deze staatssecretaris zien in de media. Het leek erop alsof er echt van alles zou gaan gebeuren. We zijn nu twee jaar verder. Ik kan niet aan ouders en kinderen uitleggen wat er concreet wordt gedaan aan hulp voor hun kind.

Staatssecretaris Blokhuis:
Wat doen we nu? En hoe moeten we wat er nu aan de hand is, zien in het licht van wat er een paar jaar geleden is ingezet? Mevrouw Westerveld zei dat die vragen aan mij gesteld werden. Ik denk dat ze mijn ambtsvoorganger bedoelt, Hugo de Jonge, minister De Jonge. Die ketenaanpak, die K-EET-aanpak, is wel gestart. Dat is grote winst. Heb je daarmee het hulpaanbod op een niveau dat we willen? Nee. Dat wordt nog verergerd omdat de vraag nog is toegenomen. Het is op zich ook al afschuwelijk dat er meer gezinnen door geraakt worden.

Waar komen hulpverleners vandaan? Die kunnen uit een andere zorgsector komen, waarbij ze al de goede opleiding hebben en zo ingezet kunnen worden. Dat concurreert natuurlijk wel weer met andere sectoren, maar het is een mogelijkheid om er mensen vandaan te halen. Dat is één.

Twee. Er zullen mensen opgeleid moeten worden. Wat heb je daarvoor nodig? Mensen die dat willen en middelen om die opleidingen te realiseren. Dat is allemaal wel in gang gezet. Dat doen wij. Laten we ook even benoemen dat het Rijk op deze hoofdthema's als stelselverantwoordelijke zijn verantwoordelijkheid pakt. Het is vervolgens aan gemeenten en zorgaanbieders om goede contracten te sluiten, met de middelen en de facilitering vanuit het Rijk om die zorg in te kunnen kopen.

Als mevrouw Westerveld haar frustratie of haar ongenoegen uitspreekt over het feit dat we niet eens weten hoeveel mensen er nodig zijn, dan kan ik herhalen wat ik in mijn eerste termijn zei, namelijk dat dat zo is. Dat vind ik zelf ook niet bevredigend. Daarom wil ik in de jeugdhulpverlening eigenlijk hetzelfde als in de volwassenen-ggz, namelijk inzichtelijk maken waar de problemen zitten. Lange tijd hebben we gezegd: het is gedecentraliseerd, dus dat hoeven we niet te weten. Ik ben niet van die school. Ik vind dat we dat inzichtelijk moeten hebben, omdat je het letterlijk hebt over leven en dood.

De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Westerveld, afrondend.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Ik vind ook dat we dat inzichtelijk moeten hebben. Dat vind ik al jaren, met een groot deel van deze Kamer. Ik vind het heel onbevredigend dat we midden in deze coronacrisis precies kunnen bijhouden hoeveel mensen er dagelijks naar het ziekenhuis gaan en hoeveel mensen er op de ic belanden. Dat weten we heel precies. Maar bij een van de meest dodelijke ziektes onder kinderen weten we dat niet. We vragen er al jaren om, maar we weten nog steeds niet om hoeveel kinderen het gaat, hoeveel behandelplekken er zijn en wat er precies nodig is. Om met oplossingen te komen, ook vanuit ons als Kamer, moeten we natuurlijk wel een beeld hebben van hoe groot dat probleem is. Ik vind het echt heel onbevredigend dat we daar in de afgelopen jaren niet achter zijn gekomen.

Dan nog één laatste vraag, namelijk of de staatssecretaris het met ons eens is en of hij met een plan wil komen, zodat we dit probleem niet over vijf jaar opgelost hebben maar binnen een veel kortere tijd, en dan echt een oplossing hebben voor deze kinderen.

Staatssecretaris Blokhuis:
Ik versta de eerste opmerking van de vraagsteller als een opmerking, waarmee nog eens onderstreept wordt dat we er met z'n allen harder aan moeten trekken. Ik wil daarmee niet de suggestie wekken dat er niet hard aan getrokken is, maar ik zie het als een aansporing om nog harder gas te geven. En daaraan gekoppeld de vraag: moet er niet een plan van aanpak komen met een horizon, zodat je niet zegt dat het over vijf jaar opgelost is? Ik ga hier nu niet beloven dat het tussen nu en bijvoorbeeld twee jaar opgelost is. Ik zou het wel willen, maar dat kan ik gewoon niet. Wat ik wel kan doen, is aan de Kamer melden wat reëel is en hoe we stappen kunnen zetten die leiden tot een oplossing. Maar dan nog zijn we echt afhankelijk van externe factoren. Ik noem bijvoorbeeld de hoeveelheid mensen die een opleiding tot hulpverlener willen volgen en de hoeveelheid mensen die binnen de zorg de overstap willen maken naar deze specifieke hulpverlening. Er is vaak sprake van een onderliggende vraag, bijvoorbeeld een angststoornis, een trauma of een dwangstoornis. Daar moeten de hulpverleners zich ook op richten.

Dingen komen bij elkaar. Ik heb vorige week een klap gegeven op een brief over de aanpak van K-EET en over de regionale expertisecentra. Die komt deze week naar de Kamer. Ik wil proberen daar ook een kop op te zetten conform de vraagstelling en de bedoeling van mevrouw Westerveld waar het gaat om de tijdshorizon, om de vraag wanneer iets gerealiseerd kan zijn. Nogmaals, met inachtneming van externe factoren.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan zijn er een aantal vervolgvragen. Allereerst mevrouw Kuiken van de PvdA, dan de heer Raemakers van D66, mevrouw Maeijer van de PVV en mevrouw Den Haan van de Fractie Den Haan.

Mevrouw Kuiken (PvdA):
Het zal je kind maar wezen! En ik vind het verhaal dat we niet in beeld hebben om hoeveel kinderen het gaat, eigenlijk niet zo geloofwaardig, want ze zijn om te beginnen allemaal in beeld van hun huisarts. Daar vinden de doorverwijzingen plaats. We hebben overal in het land meer of minder goed werkende regiotafels, waar dit soort kinderen gewoon in beeld zouden moeten zijn. Dus ik heb niet het idee dat het nou maanden zou moeten duren om dat in kaart te brengen. Dat is één.

Maar het grootste probleem blijft gewoon het aanbod van hulpplekken. En het andere probleem heeft betrekking op de doorzettingsmacht. Ik had laatst nog een gesprek met een zorgverzekeraar, die zei: ik moet er niet aan denken dat we straks weer een vierde bestuurslaag erbij krijgen. Ik ook niet. Maar ik zie wel dat als het gaat om ingewikkelde en complexe zorg — en dat is vaak het geval bij anorexiazorg — het toch wel heel erg loont om door te schuiven, af te wachten of nog een behandeling ernaast aan te bieden in plaats van hoogcomplexe zorg aan te bieden. Mijn vraag gaat daarover. Hoe voorkomen we dat het een soort doorschuifsysteem blijft en hoe zorgen we ervoor dat we die kinderen met een hoogcomplexe problematiek echt in kaart brengen en die zorg ook daadwerkelijk bieden?

De voorzitter:
Dank u wel.

Mevrouw Kuiken (PvdA):
Want anders blijft het bij een beetje stapelen in plaats van dat we het echt acuut aanpakken. En we zijn nu echt al een aantal jaren onderweg.

Staatssecretaris Blokhuis:
Mevrouw Kuiken stelt twee vragen. In de eerste plaats stipt zij nog even het punt aan dat het niet zo lang hoeft te duren voordat je alles in beeld hebt. Ik weet dat het in de volwassenen-ggz heel ingewikkeld is. En bij de jeugdhulpverlening gaat het natuurlijk niet alleen om de jeugd-ggz, maar om de jeugdhulpverlening in brede zin. Of de vraagstellers moeten alleen de jeugd-ggz haarscherp in beeld willen hebben. Feit is dat het moeilijk is en dat het tot nu toe niet geregeld is. Mevrouw Kuiken zegt terecht dat de huisartsen daar wel zicht op hebben. Maar als ik alleen al in mijn eigen woonplaats Apeldoorn kijk, dan zijn daar, ik meen, 125 huisartsen werkzaam. Als je dat vermenigvuldigt met 355 gemeenten, dan moet je de informatie van heel veel verschillende bronnen krijgen om een beetje zicht te hebben. Dan heb je een route van de eerste lijn; de huisartsen. Dat is niet de informatie van de POH-ggz, hoewel die wel vaak in dezelfde praktijk zitten, en bijvoorbeeld ook niet van de diëtist.

Wat we willen, is de cijfers van gemeenten als opdrachtgevers. Daar moeten we het gesprek over voeren. Dat vraagt ook om een andere benadering dan tot nu toe. Maar volgens mij zijn mevrouw Kuiken en ik bondgenoten daarin, want we willen hetzelfde. Ik hoor haar oproep om het zo snel mogelijk te regelen. Ik wil dat ook zo snel mogelijk regelen, maar ik kan geen ijzer met handen breken. Dus wat mij betreft: hoe sneller, hoe liever. Ik weet wel dat het een ingewikkelde materie is.

De voorzitter:
Dank u wel.

Staatssecretaris Blokhuis:
Dat is één. Het tweede punt is de doorzettingsmacht. We hebben het met gemeenten in het kader van de regionale aanpak ook over de doorzettingsmacht gehad. Ik wil mevrouw Kuiken, en daarmee de Kamer, beloven dat ik dat weer onder hun aandacht ga brengen, ook in het licht van de gesprekken die wij juist nu hebben met gemeenten over budgetten en maatregelen die genomen moeten worden in de hulpverlening. Daar hoort dit type aanpak, een doorzettingsmacht, bij. Ik beloof de Kamer dus dat ik dat weer op de agenda zet.

De voorzitter:
Dank u wel. Ik wil de leden met het oog op de klok vragen om echt kort een vraag te stellen en niet een uitgebreide inleiding te houden. De heer Raemakers.

De heer Raemakers (D66):
Mevrouw Westerveld maakte terecht de vergelijking tussen corona- en anorexiazorg. Bij corona weten we nu heel goed hoeveel ic- en ziekenhuiszorg bezet worden terwijl we dat bij anorexiazorg niet weten. De staatssecretaris zegt dat hij er met gemeenten en aanbieders weer opnieuw over in gesprek gaat, maar ik wil hier duidelijk stellen dat er in de anorexiazorg echt sprake is van code zwart. We zien dat vaak jonge meiden — soms jongens — weken- of zelfs maandenlang moeten wachten op een behandeling. Het kan dodelijk zijn en dat is het in sommige gevallen ook. Erkent de staatssecretaris ook dat er in de anorexiazorg sprake is van code zwart, dat het alleen in gesprek gaan niet voldoende is maar dat dat hij als staatssecretaris ook de regie moet nemen?

Staatssecretaris Blokhuis:
Ik herhaal graag wat ik tegen mevrouw Kuiken zei: dat ik mijn uiterste best doe om dat zicht zo snel mogelijk te hebben. Volgens mij is het niet de bedoeling van de Kamer, tenzij ik de Kamer verkeerd begrijp, dat de Kamer alleen dat inzicht wil hebben voor anorexia. Anorexia is geen geïsoleerd probleem; het is vaak gelinkt aan trauma's of andere ziekten. Dan hebben we het over comorbiditeit. Als we alles in beeld willen brengen, is dat niet op een achternamiddag geregeld, maar ik ben heel gemotiveerd om het zo snel mogelijk te regelen.

De voorzitter:
Dank u wel. De tweede vraag van de heer Raemakers.

De heer Raemakers (D66):
We hebben als Kamer ook een voorstel aangenomen van mevrouw Westerveld over de expertisecentra. Daar hebben we vrij veel geld voor beschikbaar gesteld. Ik hoor uit het veld dat dit vooral gaat om netwerkcentra en eigenlijk niet zozeer om behandelcentra. Misschien hebben we die wel extra nodig in Nederland. Is de staatssecretaris ook bereid om te kijken, bijvoorbeeld via de zorgverzekeraars, hoe we snel kunnen zorgen voor voldoende behandelplekken voor ernstige ziekten zoals anorexia?

Staatssecretaris Blokhuis:
Dan moeten we wel uit elkaar houden dat de gemeenten in charge zijn voor jongeren onder de 18, zeg maar de Jeugdwetpatiënten en -cliënten. Zij vallen onder de verantwoordelijkheid van de gemeenten en de volwassenen onder de zorgverzekeraars waar het gaat om ggz. Met beide ben ik intensief in overleg. Natuurlijk wil ik daar het gesprek over voeren, maar de gemeenten moeten een totaalpakket aan hulpverlening contracteren, oneerbiedig gezegd, met aanbieders die de goede hulp leveren. Ik ben het gelijk met de heer Raemakers eens dat het code zwart is. Elk kind dat lijdt aan anorexia en niet goed wordt geholpen of heel lang moet wachten, is er een te veel. Nogmaals, ik ben zeer gemotiveerd om alles op alles te zetten om dit goed te regelen.

De voorzitter:
Mevrouw Maeijer, dan mevrouw Den Haan en dan de heer Peters.

Mevrouw Maeijer (PVV):
Ook wij vonden de uitzending van Pointer verontrustend en schokkend. Het geeft maar een heel klein kijkje in de enorme impact die dit moet hebben op het gezin en op de vaak jonge patiënt. Die problemen zijn helaas niet nieuw. Ze zijn er al jaren en worden helaas ook alleen maar erger. Mevrouw Westerveld zei al dat er een enorme toename is door de coronacrisis. Ik zou toch wat concreter van de staatssecretaris willen horen wat hij gaat doen voor de patiënten die nu zitten te wachten op hulp, die nu in het ziekenhuis liggen in plaats van op een behandelplek te zitten. Zij hebben nu hulp nodig en niet allerlei plannen waar ze over een halfjaar wat aan hebben, want misschien is het dan te laat. Wat gaat u dus nu voor deze patiënten doen? Misschien kunt u in dit kader ook de uitspraak meenemen die in de uitzending werd gedaan door een klinisch psycholoog, die zei: we hebben maar tien bedden, maar we mogen er nu maar acht gebruiken vanwege corona. Hoe zit dat precies?

Staatssecretaris Blokhuis:
Gelijk reagerend op dat laatste punt: gelukkig gaan de signalen daar juist weer de goede kant op. De aan corona gerelateerde bezetting neemt af, wat meer ruimte biedt voor reguliere hulpverlening, zoals deze hulpverlening. Ik noem het "regulier", maar het is verschrikkelijk dat die hulpverlening überhaupt nodig is, zeker als het in een ziekenhuis nodig is, omdat je zou willen dat dier er veel eerder is. Mevrouw Maeijer vraagt wat ik nu kan doen. Ik kan nu geen behandelaren toveren. Ik kan wel met de gemeenten en verzekeraars kijken of we ons optimaal kunnen stretchen om de behandelcapaciteit die er is, optimaal in te zetten. Dat wil ik ook graag beloven. Worden daarmee alle ouders op dit moment geholpen? Nou, misschien niet. We zien sowieso dat de hele sector over dwangvoeding als ultimum remedium zegt: dat willen we eigenlijk niet; we willen er eerder bij zijn en adequate hulpverlening bieden. Voor mensen die nu wachten en voor wie er geen adequate hulpverlening is, kunnen we wel — dat heb ik nog niet genoemd in de antwoorden richting mevrouw Westerveld — een vorm van overbruggingshulpverlening bieden, zodat er in ieder geval een lijn wordt gehouden met het betreffende gezin en mensen niet aan hun lot worden overgelaten. Er is een achtweeksprogramma voor gezinnen met kinderen bij wie anorexia aan de orde is. Er is een website, stopmetwachten.nl, en er zijn inloophuizen. Kortom, onder de vlag van K-EET wordt alles in werk gesteld om mensen die nu niet direct kunnen worden geholpen, te helpen om die afschuwelijke tijd van overbrugging zo goed mogelijk te overbruggen.

De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Den Haan van Fractie Den Haan.

Mevrouw Den Haan (Fractie Den Haan):
Dank aan de staatssecretaris voor al zijn antwoorden en plannen. Ik heb toch nog even een vraag. Heel veel kinderen met deze problematiek die lang thuis moeten blijven, komen uiteindelijk niet in een behandelcentrum terecht, maar na een acute opname in het ziekenhuis, waar vaak wel moet worden overgegaan tot dwangvoeding. Ik snap dat het financieel lastig is, maar zou u toch nog een keer kunnen kijken naar de herallocatie van middelen? In een gespecialiseerde behandelkliniek zoals de Rintveld is namelijk vaak wel ruimte, maar geen geld, terwijl er wel geld en ruimte is voor acute klinische opnameafdelingen, waar je eigenlijk niet wilt dat je kind op dat moment terechtkomt. Dat is mijn eerste vraag.

Mijn tweede vraag is: zou de staatssecretaris ook nog even kunnen kijken naar de groep tussen 17 en 23? Ik heb namelijk begrepen van een jeugdpsychiater die hiermee bezig is dat die kinderen vaak tussen wal en schip vallen. Die moeten van de gemeente naar de Zorgverzekeringswet, zijn voor de ene behandelmogelijkheid te jong of weer te oud, of te suïcidaal. Er is kortom een enorm groot probleem voor deze leeftijdsgroep.

Staatssecretaris Blokhuis:
Twee vragen. In de eerste plaats: als er niet behandeld wordt vanwege geld, dan zou ik in reactie daarop tegen de Kamer willen zeggen dat ik dat argument nu niet meer wil horen, want het Rijk heeft de gemeenten echt honderden miljoenen euro beschikbaar gesteld, juist om wachtlijsten en acute ggz-problematiek op te pakken. Dat geld mag echt niet het argument zijn. Ik hoop dat alle mensen die een beroep doen op hulpverlening dat horen. Ik spreek de gemeenten een paar keer de komende weken en wil dat ook met ze delen. Geld kan echt niet het argument zijn, maar ik koop niet in bij Rintveld; dat doen gemeenten. Zij kopen in bij de specialistische hulpverlening. Dat kunnen ze ook bovenregionaal doen. Wij hebben het in de Jeugdwet zo geregeld dat gemeenten dat inkopen en niet het Rijk. Als we dat stelsel willen herzien, dan doet zich daarvoor binnenkort een kans voor bij de kabinetsformatie. Dat is niet om mij er flauw vanaf te maken, maar het stelsel is nu zoals het is. Dat is één.

Vraag twee ging over de ingewikkelde groep 18-min, 18-plus, 17 tot 23. Het is wel heel simpel. Jongeren onder de 18 vallen onder de Jeugdwet. Sterker nog, als zij een indicatie hebben voor hulpverlening onder de Jeugdwet en ze worden 18, dan kan die indicatie ook nog verlengd worden. Als zij een beroep doen op bijvoorbeeld Wmo-hulpverlening bij een gemeente, dan blijven zij bij diezelfde gemeente in zorg en dan hoop ik dat gemeenten in staat zijn om dat zo soepel mogelijk te doen. Als ze naar de zorgverzekeraar overstappen, omdat ze volwassen worden en een beroep doen op de volwassenen-ggz, dan zouden we er in dit land toch eindelijk eens naartoe moeten dat die overgang ook soepel gaat. Het is immers helder wie er verantwoordelijk is: zorgverzekeraars boven de 18, gemeenten onder de 18. Gelukkig werken gemeenten en zorgverzekeraars steeds beter samen. Een van de drie speerpunten in het overleg tussen verzekeraars en gemeenten is juist ook de ggz. Daar heb ik ook regelmatig contact over. Ik wil op dit punt ook doorgeven dat wij die signalen krijgen.

De voorzitter:
Dank u wel. De heer Peters van het CDA, tot slot.

De heer Peters (CDA):
Tot slot, voorzitter. De staatssecretaris zegt een paar woorden waar ik graag bij wil stilstaan. Het eerste is comorbiditeit. Hij geeft aan: er is meestal niet sprake van één probleem, maar van meerdere problemen. Vervolgens heeft hij het over gespecialiseerde jeugdzorg, over zorg dus die zich gespecialiseerd heeft op telkens een van die problemen. Zou dan het feit dat wij toestaan dat de ggz zich zo specialiseert, niet een heel groot deel van de oorzaak kunnen zijn dat wij kinderen met complexe problemen als hete aardappels door het systeem kunnen blijven sturen? Als het antwoord daarop ja is: hoe ziet de staatssecretaris dan de verandering die op dit plek nodig is? En hoe gaat u dat dan doen?

Staatssecretaris Blokhuis:
Een terechte en zeer goede vraag van de heer Peters. Wij zien dat inderdaad ook. Het gebeurt letterlijk dat kinderen, die bijvoorbeeld dankzij hulpprogramma's op gezond gewicht zijn, een hulptraject ingaan voor traumaverwerking, angststoornissen of dwangstoornissen. Als hun gewicht dan weer niet meer op peil is, wordt de lopende behandeling stopgezet en worden ze weer teruggestuurd naar die gewichtscoach, of hoe je die ook noemen wilt. Dat past dus niet in wat wij willen. Wij willen dat er onder de vlag van K-EET een ketensamenwerking is en dat de behandeling van de hulpverlener die de dwangstoornis helpt tegen te gaan — wat vaak ook succesvol is — wordt doorgezet, ook al is iemand niet op de goede BMI. Dat valt onder de vlag van K-EET. Dat is het uitgangspunt. Het goede nieuws is dat er ook in bijna heel Nederland een dekkend netwerk is voor die aanpak. U mag ons eraan houden dat dat ook zo uitgerold wordt.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):
Het blijft een onbevredigend onderwerp voor ons allemaal. Het is fijn dat de staatssecretaris er eerlijk op antwoordt dat wij vinden dat het een tandje sneller gaat. In de uitzending van gisteren zagen we dat een eetstoornis ook voor ouders en eigenlijk voor het hele gezin een enorme impact kan hebben. Sommige ouders stoppen met werken of gaan minder werken, omdat ze zo ontzettend veel bezig zijn met de zorg voor hun zoon of meestal dochter. Ik wil de staatssecretaris vragen wat hij nog meer kan doen om er ook voor te zorgen dat ouders ondersteund worden. Het is namelijk nogal heftig wat in die gezinnen gebeurt.

Staatssecretaris Blokhuis:
Ik heb zo niet een goed antwoord paraat. Als ik nu wat ga zeggen, dan is dat iets waarvan ik over vijf minuten denk: dat had anders gemoeten. Ik ga het dus niet mooier maken dan het is. De brief waar ik het over had, waar de K-EET-problematiek en de regionale expertisecentra in behandeld worden, staat klaar om naar de Kamer te komen. Ik wil beloven dat ik daar een passage aan toevoeg over hoe we dat zouden kunnen oppakken, zonder de indruk te wekken dat dat dé oplossing is. Maar het is een reële vraag. Ik zal kijken hoe we daar aandacht aan zouden moeten besteden. Het lijkt mij logisch dat dat onder de vlag van K-EET moet. Als je het over ketensamenwerking hebt, lijkt het voor de hand te liggen dat je dingen als mantelzorg, ondersteuning of verlofregelingen daar ook in meeneemt.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan wil ik de staatssecretaris bedanken voor zijn beantwoording en mevrouw Westerveld voor het inbrengen van dit onderwerp.

Vragen Koerhuis

Vragen van het lid Koerhuis aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over onbeantwoorde schriftelijke vragen inzake het bericht "Alkmaarse raad rebelleert tegen provinciaal verbod op woningbouw in Stompetoren" (2021Z05065).

De voorzitter:
Dan gaan we even schoonmaken en dan geef ik het woord aan de heer Koerhuis van de VVD. Hij heeft een vraag aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, die ik van harte welkom heet, over onbeantwoorde schriftelijke vragen inzake het bericht "Alkmaarse raad rebelleert tegen provinciaal verbod op woningbouw in Stompetoren". Wat dat is, gaat de heer Koerhuis toelichten, denk ik.

De heer Koerhuis (VVD):
Voorzitter. Het woningtekort is groot in Nederland. We moeten 1 miljoen woningen bouwen de komende tien jaar. De minister sluit hiervoor woondeals met regio's. Een woondeal laat zien hoeveel woningen we waar en wanneer gaan bouwen. De minister heeft woondeals gesloten van Eindhoven tot en met Amsterdam. Dat is goed. Maar de regio Noord-Holland Noord staat ook te springen om een woondeal. Die regio heeft niet alleen zelf woningen nodig, maar kan ook de woningmarkt van Amsterdam verlichten. Die regio heeft al voor de zomer vorig jaar aan deze Kamer en aan de minister een woondeal aangeboden om 60.000 woningen te bouwen. 60.000 woningen: dat is gewoon heel veel. Na een halfjaar wachten, heb ik hier eind vorig jaar een motie ingediend, die deze Kamer heeft aangenomen, waarin staat dat de minister die woondeal moet sluiten. Nu sta ik hier weer, na weer een halfjaar wachten. Ik wil dat de minister die woondeal nu eindelijk sluit. Graag een reactie.

Voorzitter. Ik stel regelmatig Kamervragen over woningbouwprojecten waarbij de provincie Noord-Holland op de rem staat. Dit is zo exemplarisch. Vandaag is het Alkmaar, gisteren was het Landsmeer en eergisteren waren het Wijdemeren en Akersloot. De hele Kamer roept de minister al een tijd op om de regie te pakken voor het bouwen van woningen. Ik wil dat de minister nu eindelijk die regie pakt, om te beginnen in de provincie Noord-Holland, allereerst voor het sluiten van die woondeal. Graag een reactie.

Vandaag is het Alkmaar, zoals ik al zei, en om precies te zijn Stompetoren. Stompetoren heeft onze hulp met die woondeal nodig om woningen te bouwen in het buitengebied. Klopt het dat de provincie Noord-Holland een beschermd provinciaal landschap aanwijst, op de rem staat en dat Stompetoren geen woningen meer mag bouwen in het buitengebied? Ik wil dat de minister die remmen van de provincie Noord-Holland eraf haalt en dat gemeenten de ruimte weer krijgen om te doen wat we zo hard nodig hebben: bouwen, bouwen, bouwen.

De voorzitter:
Dank u wel. Het woord is aan de minister.

Minister Ollongren:
Dank, voorzitter. Dank ook aan de heer Koerhuis. Allereerst het volgende. Er is inderdaad een schriftelijke vraag gesteld die per abuis nog niet is beantwoord. Die vraag had beantwoord moeten zijn. De termijn is verstreken. Er had een uitstelbriefje uit moeten gaan, maar dat is niet gebeurd. Daar bied ik mijn excuses voor aan. Daar wil ik altijd netjes mee omgaan en volgens mij doe ik dat doorgaans ook, maar deze is ertussendoor geglipt, waarvoor excuses.

Dan de vragen die de heer Koerhuis hier nu in de zaal stelt. Hij wijst erop dat de afgelopen kabinetsperiode veel woondeals zijn gesloten. Dat is een manier om vanuit het Rijk afspraken te maken, om de regie te voeren — dat is het woord dat de heer Koerhuis net ook gebruikte — met de regio's waar de schaarste het grootst is en waar grote woningbouwprojecten mogelijk zijn. Die woondeals zijn dus een goed instrument gebleken. Ik denk dat de heer Koerhuis er daarom op aandringt om dat ook voor andere gebieden te doen, waaronder het gebied rondom Alkmaar. Ik begrijp dat heel goed. Hij zegt dat vaak. Ik ben ook blij met de erkenning dat het instrument goed werkt, maar bij het instrument moet je niet met lege handen staan. We zitten nu in een demissionaire fase van dit kabinet. Ik leun niet achterover. Dat doet niemand in Nederland als het gaat over woningbouw. Dat zou wel het laatste zijn dat je zou willen, dat de woningbouw stil zou liggen in afwachting van een nieuw kabinet. Dat gebeurt echt niet, maar ik vind het wel aan een nieuw kabinet om besluiten te nemen over voortzetting en uitbreiding van het instrument.

In de tussentijd vind ik het wel belangrijk om door te gaan, met bijvoorbeeld de regio Alkmaar. Onder andere dankzij de aansporingen van de heer Koerhuis zelf is er natuurlijk in die regio het een en ander gebeurd de afgelopen jaren. Er is in de eerste tranche van de Woningbouwimpuls geld naar Alkmaar gegaan. We zijn erin geslaagd om in Hoorn, Heiloo en Castricum woningbouwprojecten los te trekken. Waar de besluitvorming vastzat, is die losgetrokken. De regie waar de heer Koerhuis nu ook weer op aandringt, heb ik op die manier invulling gegeven.

Tot slot. Zijn laatste vraag ging over de provincie en het aanwijzen van gebieden of eigenlijk het veranderen van de regels van de provincie en de omgang met beschermingsregimes. Die wijziging is inderdaad doorgevoerd. Dat heeft effect gehad in de planvorming voor woningbouw. Dat is wel beperkt, zeg ik erbij. Van de 240.000 woningen die in de planning zitten, zijn er als gevolg van die wijziging van de beschermingsregimes 1.200 gesneuveld. Dat is dus op het totaal van de plannen die er zijn overzichtelijk. Dat neemt niet weg dat ook daar veel gerealiseerd zal moeten worden en daar moeten we op blijven letten.

De voorzitter:
Dank u wel. De heer Koerhuis.

De heer Koerhuis (VVD):
Dank u wel, voorzitter. De minister wijst op het feit dat ze demissionair minister is en dat is zij ook. Alleen hebben we in de procedurevergadering — volgens mij deelt de minister dat woningbouw belangrijk is en door moet blijven gaan — op het gebied van woningbouw niks controversieel verklaard. En dan nog, woondeals zijn lopende zaken. Ik stel geen uitbreiding van het instrument woondeal voor. Ik stel gewoon, en met mij de Kamer, een woondeal Noord-Holland Noord voor. Dus nogmaals de vraag aan de minister wanneer die woondeal wordt gesloten, want die motie is niet voor niks gesteund door de Kamer. De minister zegt dat het effect van de rem van de provincie in Noord-Holland Noord beperkt is. Dan stel ik de minister voor om daar alleen of met mij eens te gaan kijken. Ik noemde Alkmaar al. Stompetoren zit helemaal op slot nu. Landsmeer zit bijna helemaal op slot. Wijdemeren zit op slot. De minister zegt vanuit hier dat het beperkt is, maar als je daar gaat kijken en de mensen daar spreekt, zie en hoor je dat het hele dorp op slot zit. Ik vind ik het dus niet beperkt en het is ook gewoon belangrijk voor de leefbaarheid van die dorpen dat we door blijven bouwen.

Minister Ollongren:
Ik ben het met het Koerhuis eens dat er hoewel het kabinet demissionair is niet gestopt moet worden met alles wat we kunnen doen rond de woningbouw. De Kamer verklaart het inderdaad ook niet controversieel. Ik denk dat de Kamer ook van het kabinet en van mij verwacht dat we daar gewoon mee doorgaan en dat doe ik ook. Het is echt heel belangrijk. Vandaag is de derde tranche van de Woningbouwimpuls opengesteld. Daar kunnen nieuwe projecten voor komen. We hebben het Volkshuisvestingsfonds opengesteld voor met name herstructureringsprojecten.

Alles wat aan loopt aan overleg, gaat gewoon door, ook rond de uitvoering van de motie van de heer Koerhuis — het was de motie-Koerhuis/Terpstra dacht ik — over de woondeal Noord-Holland Noord. De ambtelijke gesprekken zijn gewoon direct daarna gestart. Die lopen en die gaan ook door. De informatie die daaruit komt, bepaalt natuurlijk hoe je dat vervolgens zou kunnen vormgeven. Dat betekent misschien niet dat die woondeal er van de ene op de andere dag is, maar wel dat er gewerkt wordt en dat er geïnventariseerd wordt hoe we dat zouden kunnen doen. De verschillende gemeenten die de heer Koerhuis heeft genoemd, komen dan ook aan bod, inclusief Stompetoren. Dat hoort natuurlijk bij Alkmaar, maar dat is een dorpskern ten oosten van Alkmaar waar mogelijkheden zijn.

De voorzitter:
Dank u wel. De heer Koerhuis, tot slot.

De heer Koerhuis (VVD):
De minister zegt: de ambtelijke gesprekken lopen door. Die lopen volgens mij al anderhalf jaar door en deze Kamer heeft een halfjaar geleden een motie aangenomen dat die deal nu getekend moet worden. Is het misschien eens tijd, als minister, om te zeggen: genoeg gesprekken gevoerd, ik sluit nu die woondeal?

Dan het tweede deel van mijn vraag. De minister zegt dat de gevolgen beperkt zijn. Is de minister bereid om te gaan kijken in die dorpen Stompetoren, Wijdemeren en Landsmeer? Want nogmaals, vanuit hier bekeken is het heel makkelijk om te zeggen: het is beperkt. Maar als je daar woont en daar werkt, dan merk je dat je dorp gewoon op slot staat.

Minister Ollongren:
Het toeval wil dat ik de regio goed ken. Nou, het is misschien niet helemaal toevallig, want het is ten noorden van Amsterdam, waar ik woon. Op mijn fietstochten kom ik daar ook weleens langs. Het is een prachtige oude dorpskern, zoals er daar meer zijn. De plannen die daar liggen, gaan over twintig woningen per jaar, maar dat wel twintig jaar lang. Dat betekent dus wel wat, hè. Dat betekent ook iets voor de ontsluiting van het gebied. Dus ik onderschat dat helemaal niet en ik zou willen onderstrepen wat de heer Koerhuis zegt.

De voorzitter:
Dank u wel. Ik wil de minister bedanken voor de beantwoording. Ik schors de vergadering voor een enkel moment. Daarna gaan we stemmen.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Mededelingen

Mededelingen

Mededelingen

De voorzitter:
Ik deel aan de Kamer mee dat het volgende lid zich heeft afgemeld:

Van 't Wout, voor de gehele week.

Deze mededeling wordt voor kennisgeving aangenomen.

Regeling van werkzaamheden (stemmingen)

Regeling van werkzaamheden (stemmingen)

Regeling van werkzaamheden (stemmingen)

De voorzitter:
Voordat we overgaan tot de stemmingen, geef ik het woord aan de heer Paternotte.

De heer Paternotte (D66):
Namens mijn collega Sneller zou ik graag willen voorstellen de stemmingen onder punt 3, over de Wet aanpassing Appa en enkele andere wetten, te verdagen naar volgende week. Omdat er nog overleg met het ministerie plaatsvindt over de juiste afbakening van het amendement op stuk nr. 9, hebben we van het ministerie begrepen dat een week uitstel geen problemen zou veroorzaken.

De voorzitter:
Is daar bezwaar tegen? Ik zie dat dat niet zo is. Dan worden de stemmingen onder punt 3 uitgesteld.

Stemmingen

Stemmingen

Stemmingen moties Belastingontwijking

Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het VAO Belastingontwijking,

te weten:

  • de motie-Van Raan over country-by-country reporting als criterium bij de aanvraag voor exportkredietverzekeringen (25087, nr. 274);
  • de motie-Alkaya over het onaantrekkelijk maken van constructies om belasting te ontwijken (25087, nr. 275);
  • de motie-Nijboer over het voortouw nemen om belastingontwijking aan te pakken en een stevig minimumtarief zo spoedig mogelijk te realiseren (25087, nr. 276);
  • de motie-Van Weyenberg/Gündoğan over een internationaal minimumwinstbelastingtarief afspreken in de OESO of EU (25087, nr. 277).

(Zie vergadering van 18 mei 2021.)

In stemming komt de motie-Van Raan (25087, nr. 274).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, Volt, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, JA21 en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van de VVD, de SGP, het CDA, BBB, FVD en Groep Van Haga ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Alkaya (25087, nr. 275).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, Volt, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, het CDA, BBB en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van JA21, FVD en Groep Van Haga ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Nijboer (25087, nr. 276).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, het CDA en BBB voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van de VVD, de SGP, JA21, FVD, Groep Van Haga en de PVV ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Van Weyenberg/Gündoğan (25087, nr. 277).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, het CDA en BBB voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van JA21, FVD, Groep Van Haga en de PVV ertegen, zodat zij is aangenomen.

Mevrouw Simons.

Mevrouw Simons (BIJ1):
Dank u, voorzitter. Ik zou graag genoteerd hebben dat BIJ1 geacht wordt te hebben voorgestemd bij de motie op stuk nr. 274. Dat is de motie-Van Raan over country-by-country reporting.

De voorzitter:
Dank u wel. Deze opmerking zal in de Handelingen worden opgenomen.

Stemmingen moties Medisch specialistische zorg/ziekenhuiszorg/patiëntveiligheid/medisch beroepsgeheim/kwaliteitszorg

Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het VAO Medisch specialistische zorg/ziekenhuiszorg/patiëntveiligheid/medisch beroepsgeheim/kwaliteitszorg,

te weten:

  • de motie-Paulusma over tot een voldoende dekkend "kijk- en luistergeld" komen (31765, nr. 550);
  • de motie-Kwint over voorstellen om de aansturing van ziekenhuizen te democratiseren (31765, nr. 551);
  • de motie-Kwint over de onwenselijkheid van de sluiting van ziekenhuisvoorzieningen (31765, nr. 552);
  • de motie-Kwint over ziekenhuizen laten samenwerken in plaats van laten concurreren (31765, nr. 553);
  • de motie-Van den Berg/Paulusma over de kwaliteit van hoogcomplexe laagvolumezorg inventariseren (31765, nr. 555);
  • de motie-Van den Berg/Paulusma over inventariseren hoe centrale registratie van zeldzame behandelingen kan bijdragen aan de vindbaarheid (31765, nr. 556).

(Zie vergadering van 18 mei 2021.)

In stemming komt de motie-Paulusma (31765, nr. 550).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, het CDA, BBB, JA21, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd, zodat zij is aangenomen.

Meneer Azarkan, ik dacht al dat u alleen maar zwaaide! Dat mag. Meneer Azarkan is in the house, zullen we maar zeggen.

In stemming komt de motie-Kwint (31765, nr. 551).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, DENK, de PvdA, de PvdD, de ChristenUnie, BBB, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Kwint (31765, nr. 552).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, DENK, de PvdA, de PvdD, de ChristenUnie, BBB, JA21, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Kwint (31765, nr. 553).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, DENK, de PvdA, de PvdD, de ChristenUnie, BBB, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Van den Berg/Paulusma (31765, nr. 555).

De voorzitter:
Ik constateer dat deze motie met algemene stemmen is aangenomen.

In stemming komt de motie-Van den Berg/Paulusma (31765, nr. 556).

De voorzitter:
Ik constateer dat deze motie met algemene stemmen is aangenomen.

Stemmingen moties Langer Thuis/dementiezorg/pgb/wijkverpleging/Wmo

Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het VAO Langer Thuis/dementiezorg/pgb/wijkverpleging/Wmo,

te weten:

  • de motie-Westerveld/Ellemeet over kostendekkend en congruent inkopen van systeemfuncties (31765, nr. 557);
  • de motie-Westerveld/Ellemeet over het sluiten van een woonzorgakkoord vóór 1 juni 2021 (31765, nr. 558);
  • de motie-Den Haan c.s. over ontmoetingscentra voor mensen met dementie (31765, nr. 559);
  • de motie-Van der Laan c.s. over het uitvoeren van de actiepunten van de landelijk aanjager respijtzorg (31765, nr. 560);
  • de motie-Van der Laan/Westerveld over uitvoeringsopties om inkomensafhankelijkheid in de Wmo in te voeren (31765, nr. 561).

(Zie vergadering van 18 mei 2021.)

De voorzitter:
De motie-Den Haan (31765, nr. 559) is in die zin gewijzigd dat zij thans is ondertekend door de leden Den Haan, Simons, Kuzu, Van der Laan, Kuiken, Agema, Van der Plas, Baudet en Van Haga.

Zij krijgt nr. ??, was nr. 559 (31765).

De motie-Westerveld/Ellemeet (31765, nr. 557) is in die zin gewijzigd en nader gewijzigd dat zij thans luidt:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat 24/7 beschikbaarheid, coördinatie van zorg en specialistische verpleging in de wijk niet kostendekkend worden gefinancierd;

overwegende dat verzekeraars nu de inkoopkaders aan het maken zijn;

verzoekt de regering te bevorderen dat zorgverzekeraars deze systeemfuncties congruent inkopen, waarbij er erkenning is voor de rol hiervan in de regio,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt nr. ??, was nr. 557 (31765).

Ik stel vast dat wij nu over deze gewijzigde moties kunnen stemmen.

In stemming komt de nader gewijzigde motie-Westerveld/Ellemeet (31765, nr. ??, was nr. 557).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, de VVD, BBB, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor deze nader gewijzigde motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Westerveld/Ellemeet (31765, nr. 558).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, het CDA, BBB, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fractie van JA21 ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de gewijzigde motie-Den Haan c.s. (31765, nr. ??, was nr. 559).

De voorzitter:
Ik constateer dat deze gewijzigde motie met algemene stemmen is aangenomen.

In stemming komt de motie-Van der Laan c.s. (31765, nr. 560).

De voorzitter:
Ik constateer dat deze motie met algemene stemmen is aangenomen.

In stemming komt de motie-Van der Laan/Westerveld (31765, nr. 561).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van GroenLinks, Volt, DENK, de PvdA, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de SGP en BBB voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

Stemming brief Focusonderwerp voor de verantwoording over het jaar 2021

Aan de orde is de stemming over de brief van de commissie voor de Rijksuitgaven over het focusonderwerp voor de verantwoording over het jaar 2021 (31865, nr. 187).

De voorzitter:
Ik stel voor conform het voorstel van de commissie voor de Rijksuitgaven te besluiten en het onderwerp bekostigingssystemen van uitvoeringsorganisaties als focusonderwerp aan te wijzen.

Daartoe wordt besloten.

Stemming motie Ontwikkelingen rondom het coronavirus d.d. 12 mei 2021

Aan de orde is de stemming over een aangehouden motie, ingediend bij het debat over de ontwikkelingen rondom het coronavirus d.d. 12 mei 2021,

te weten:

  • de motie-Kwint over een plan voor structurele waardering voor zorgverleners (25295, nr. 1193).

(Zie vergadering van 12 mei 2021.)

De voorzitter:
De motie-Kwint (25295, nr. 1193) is in die zin gewijzigd dat zij thans luidt:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Kamer met de aangenomen motie van SP en PvdA (25295, nr. 436) de regering heeft opgeroepen om met een plan voor een beter salaris en betere arbeidsvoorwaarden te komen;

constaterende dat uit het SER-advies "Aan de slag voor de zorg" blijkt dat de lonen in de zorg al jaren structureel lager zijn dan in de marktsector en de SER oproept deze lonen te verhogen;

verzoekt de regering om met het recente SER-rapport in de hand uiterlijk deze zomer in overleg met zorgpersoneel en hun vertegenwoordigers tot een plan te komen voor structurele waardering voor zorgverleners, waarin betere arbeidsvoorwaarden en een beter salaris worden gerealiseerd,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt nr. ??, was nr. 1193 (25295).

Ik stel vast dat wij hier nu over kunnen stemmen.

In stemming komt de gewijzigde motie-Kwint (25295, nr. ??, was nr. 1193).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, de ChristenUnie, de SGP, BBB, JA21, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor deze gewijzigde motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

Meneer Van Nispen, gaat uw gang.

De heer Van Nispen (SP):
Nu deze belangrijke motie is aangenomen, zou mijn fractie graag een brief ontvangen van het kabinet hoe het deze motie gaat uitvoeren. Wij ontvangen deze brief graag zo snel mogelijk, maar uiterlijk voor het volgende coronadebat.

De voorzitter:
Ik stel voor dit deel van het stenogram door te geleiden naar het kabinet.

Stemmingen moties Terugkeerregeling voor Syrische vluchtelingen

Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het debat over een terugkeerregeling voor Syrische vluchtelingen,

te weten:

  • de motie-Baudet over met Denemarken kijken naar mogelijkheden voor een veilige terugkeer van Syriërs in Nederland (19637, nr. 2727);
  • de motie-Baudet over na vijf jaar weer een tijdelijke verblijfsvergunning in plaats van een permanente (19637, nr. 2728);
  • de motie-Baudet over een delegatie naar Damascus sturen om in overleg met de Syrische regering tot een terugkeerbeleid te komen (19637, nr. 2729);
  • de motie-Baudet over per Syrische regio beoordelen of het wel of niet veilig is (19637, nr. 2730);
  • de motie-Kuzu c.s. over het veroordelen van de Deense attitude ten aanzien van het plan om Syriërs terug te sturen (19637, nr. 2731);
  • de motie-Kuzu over uitspreken dat Syrië geen veilig land is (19637, nr. 2732);
  • de motie-Eerdmans over in gesprek gaan om te leren van de Deense beoordeling van de veiligheid in Syrië (19637, nr. 2733);
  • de motie-Eerdmans over stoppen met het verstrekken van verblijfsvergunningen asiel voor onbepaalde tijd aan Syriërs (19637, nr. 2734);
  • de motie-Markuszower over het terugsturen van Syriërs en het sluiten van de grenzen voor asielzoekers en migranten uit islamitische landen (19637, nr. 2735);
  • de motie-Wiersma over een uitgebreidere beoordeling om bij te dragen aan een soepele terugkeer (19637, nr. 2736);
  • de motie-Kuik over knelpunten bij de integratie van statushouders in kaart brengen (19637, nr. 2737);
  • de motie-Koekkoek/Ellemeet over informatie over de situatie van kinderen en kwetsbare groepen opnemen in het nieuwe ambtsbericht (19637, nr. 2738).

(Zie vergadering van 19 mei 2021.)

De voorzitter:
De motie-Kuzu (19637, nr. 2731) is in die zin gewijzigd dat zij thans is ondertekend door de leden Kuzu, Koekkoek, Simons, Ellemeet, Jasper van Dijk en Den Haan, en luidt:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Deense regering Syrië deels "veilig" heeft verklaard en Syrische vluchtelingen wil terugsturen naar Syrië;

overwegende dat talloze internationale organisaties en mensenrechtenorganisaties aangeven dat Syrië niet veilig is;

overwegende dat inmiddels teruggekeerde Syriërs door het Assadregime worden bestempeld als verraders en te maken hebben met martelingen en mishandelingen;

verzoekt de staatssecretaris om aan haar Deense evenknie over te brengen dat Nederland de Deense attitude ten aanzien van het plan om Syriërs terug te sturen veroordeelt, en om steun te vergaren voor dit standpunt in EU-verband,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt nr. ??, was nr. 2731 (19637).

Mevrouw Kuik.

Ik geef gelegenheid tot het afleggen van een stemverklaring vooraf.

Mevrouw Kuik (CDA):
Dank, voorzitter. Als het aan het CDA ligt, gaan we Syrische vluchtelingen niet terugsturen naar Syrië, want het is daar niet veilig. Dat we tegen de motie-Kuzu op stuk nr. 2732 stemmen, betekent dus niet dat wij Syrië veilig achten. Wij stemmen tegen deze motie omdat we niet per motie vaststellen of een land veilig is of niet. Dat gebeurt op basis van een zorgvuldig samengesteld landsbericht en daar gaan we niet aan tornen. Los van deze motie zien wij een trend dat steeds vaker moties worden ingediend met "spreekt uit" zonder een opdracht maar met puur een mening. We hebben allemaal een mening natuurlijk, maar je wil wel dat moties effectief zijn, dus zullen wij daar streng op zijn om te voorkomen dat er sprake is van een motie-inflatie.

De voorzitter:
Dank u wel.

In stemming komt de motie-Baudet (19637, nr. 2727).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SGP, BBB, JA21, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Baudet (19637, nr. 2728).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SGP, BBB, JA21, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Baudet (19637, nr. 2729).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van BBB, JA21, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Baudet (19637, nr. 2730).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SGP, BBB, JA21, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de gewijzigde motie-Kuzu c.s. (19637, nr. ??, was nr. 2731).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan en D66 voor deze gewijzigde motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Kuzu (19637, nr. 2732).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan en D66 voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Eerdmans (19637, nr. 2733).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de VVD, de SGP, BBB, JA21, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Eerdmans (19637, nr. 2734).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SGP, JA21, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Markuszower (19637, nr. 2735).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van FVD, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Wiersma (19637, nr. 2736).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van Fractie Den Haan, de VVD, de SGP, BBB, JA21, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Kuik (19637, nr. 2737).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, het CDA, BBB en JA21 voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Koekkoek/Ellemeet (19637, nr. 2738).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie en BBB voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

Stemmingen moties Arbeidsmarkt

Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het VAO Arbeidsmarkt (arbeidsmarktbeleid/arbeidsmarktdiscriminatie/jongeren op de arbeidsmarkt),

te weten:

  • de motie-Van Baarle/Den Haan over geen verlaging van de capaciteitsinzet van het team arbeidsdiscriminatie bij de Inspectie SZW (29544, nr. 1048);
  • de motie-Van Baarle/Den Haan over zwaardere straffen en hogere boetes bij het bestrijden van discriminatie en racisme (29544, nr. 1050);
  • de motie-Van Baarle/Den Haan over hulpmiddelen voor een inclusieve werving en selectie door werkgevers (29544, nr. 1051);
  • de motie-Van Baarle over naming-and-faming van bedrijven met goede praktijken tegen discriminatie (29544, nr. 1052);
  • de motie-Van Baarle/Den Haan over aanvullende inspanning van de overheid om racisme en discriminatie te bestrijden (29544, nr. 1053);
  • de motie-Van Baarle/Den Haan over onderzoeken in hoeverre diversiteitsdagen in cao's opgenomen zijn (29544, nr. 1054);
  • de motie-Maatoug/Gijs van Dijk over stoppen met contracting bij de rijksoverheid (29544, nr. 1055);
  • de motie-Tielen over onderzoek naar de ervaringen met regionale mobiliteitsteams (29544, nr. 1056);
  • de motie-Den Haan c.s. over arbeidsmarktbeleid op kwetsbare groepen richten (29544, nr. 1058);
  • de motie-Pieter Heerma/Van Weyenberg over het gebruik van open hiring uitbreiden (29544, nr. 1059);
  • de motie-Van Kent over het opvoeren van het aantal inspecties bij maaltijdbezorgers (29544, nr. 1060).

(Zie vergadering van 20 mei 2021.)

De voorzitter:
Op verzoek van mevrouw Maatoug stel ik voor haar motie (29544, nr. 1055) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

In stemming komt de motie-Van Baarle/Den Haan (29544, nr. 1048).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de SGP, het CDA en BBB voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Van Baarle/Den Haan (29544, nr. 1050).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, het CDA en BBB voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Van Baarle/Den Haan (29544, nr. 1051).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP en het CDA voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Van Baarle (29544, nr. 1052).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD en het CDA voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Van Baarle/Den Haan (29544, nr. 1053).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, het CDA en BBB voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Van Baarle/Den Haan (29544, nr. 1054).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66 en de ChristenUnie voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Tielen (29544, nr. 1056).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, het CDA, BBB en JA21 voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Den Haan c.s. (29544, nr. 1058).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, het CDA en BBB voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Pieter Heerma/Van Weyenberg (29544, nr. 1059).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, het CDA en BBB voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Van Kent (29544, nr. 1060).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, het CDA, BBB en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

Stemmingen Wijziging van de Wet milieubeheer

Aan de orde is de stemming in verband met het wetsvoorstel Wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en ter uitvoering van het Klimaatakkoord (35626).

(Zie vergadering van 20 mei 2021.)

In stemming komt het gewijzigde amendement-Bisschop (stuk nr. 27, I) tot het invoegen van een onderdeel Ea.

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, de ChristenUnie, de SGP, BBB, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor dit gewijzigde amendement hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is verworpen.

Ik stel vast dat door de verwerping van dit gewijzigde amendement het andere op stuk nr. 27 voorkomende gewijzigde amendement als verworpen kan worden beschouwd.

In stemming komt het amendement-Van Raan (stuk nr. 14, I).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, JA21, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor dit amendement hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is verworpen.

Ik stel vast dat door de verwerping van dit amendement de overige op stuk nr. 14 voorkomende amendementen als verworpen kunnen worden beschouwd.

In stemming komt het amendement-Van Raan (stuk nr. 12, I).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, JA21, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor dit amendement hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is verworpen.

Ik stel vast dat door de verwerping van dit amendement de overige op stuk nr. 12 voorkomende amendementen als verworpen kunnen worden beschouwd.

In stemming komt het gewijzigde amendement-Hagen c.s. (stuk nr. 28).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, Volt, DENK, de PvdA, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, het CDA, BBB, JA21, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor dit gewijzigde amendement hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is aangenomen.

In stemming komt het amendement-Grinwis (stuk nr. 11).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, het CDA, BBB, Groep Van Haga en de PVV voor dit amendement hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is aangenomen.

In stemming komt het amendement-Grinwis (stuk nr. 10) tot het invoegen van een onderdeel BB.

De voorzitter:
Ik constateer dat dit amendement met algemene stemmen is aangenomen.

In stemming komt het amendement-Geurts (stuk nr. 13) tot het invoegen van een artikel IA.

De voorzitter:
Ik constateer dat dit amendement met algemene stemmen is aangenomen.

In stemming komt het wetsvoorstel, zoals op onderdelen gewijzigd door de aanneming van het gewijzigde amendement-Hagen c.s. (stuk nr. 28), het amendement-Grinwis (stuk nr. 11), het amendement-Grinwis (stuk nr. 10) en het amendement-Geurts (stuk nr. 13).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van GroenLinks, Volt, DENK, de PvdA, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, het CDA en BBB voor dit wetsvoorstel hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is aangenomen.

Stemmingen moties Wijziging van de Wet milieubeheer

Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij de behandeling van het wetsvoorstel Wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en ter uitvoering van het Klimaatakkoord,

te weten:

  • de motie-Bouchallikh over de vermenigvuldigingsfactor 4 toepassen voor elektrisch vervoer (35626, nr. 15);
  • de motie-Bouchallikh/De Hoop over het onderzoeken van de negatieve effecten van het bijmengen van restproducten op de productie van palmolie (35626, nr. 16);
  • de motie-Van Raan/Bouchallikh over externe risico's monitoren bij import van grondstoffen voor biobrandstof (35626, nr. 17);
  • de motie-Van Raan over een voorhangprocedure bij de ministeriële regeling over de Richtlijn hernieuwbare energie (35626, nr. 18);
  • de motie-Van Raan over alle vormen van houtige biomassa uitsluiten van gebruik als biobrandstof (35626, nr. 19);
  • de motie-Van Raan/Bouchallikh over het gebruik van voedsel- en voedergewassen als biobrandstof uitfaseren (35626, nr. 20);
  • de motie-De Hoop/Bouchallikh over een impactassessment naar toename van de vraag naar biobrandstoffen (35626, nr. 22);
  • de motie-Grinwis over het geaggregeerd inboeken van elektriciteit in het Register Energie voor Vervoer (35626, nr. 23);
  • de motie-Peter de Groot over leveringen van hernieuwbare energie in de zeevaart per kwartaal laten inboeken (35626, nr. 24);
  • de motie-Bisschop/Alkaya over onderzoek naar de risico's van biobrandstoffen voor scheepsmotoren in de binnenvaart (35626, nr. 25);
  • de motie-Alkaya/Bisschop over de bijmengverplichting voor de binnenvaart niet handhaven zolang het niet veilig, geschikt en duurzaam is (35626, nr. 26).

(Zie vergadering van 20 mei 2021.)

De voorzitter:
De motie-De Hoop/Bouchallikh (35626, nr. 22) is in die zin gewijzigd dat zij thans luidt:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat duurzame biomassa beperkt beschikbaar is en Nederland hier geen onevenredig groot beslag op zou mogen leggen;

overwegende dat de door het kabinet voorgenomen inzet van biobrandstoffen in het verkeer, scheepvaart en luchtvaart substantieel is en de gevolgen hiervan nog niet goed in kaart zijn gebracht;

verzoekt de regering een impactassessment uit te voeren naar de verwachte toename in de vraag naar biobrandstoffen door het (voorgenomen) kabinetsbeleid en daarbij indien mogelijk de verwachte herkomst van de biobrandstoffen te betrekken;

verzoekt de regering deze impactassessment de Kamer te doen toekomen vóór behandeling van het Besluit energie vervoer,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt nr. ??, was nr. 22 (35626).

Ik stel vast dat wij hier nu over kunnen stemmen.

In stemming komt de motie-Bouchallikh (35626, nr. 15).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, het CDA en BBB voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Bouchallikh/De Hoop (35626, nr. 16).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, het CDA, BBB, JA21, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fractie van FVD ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Van Raan/Bouchallikh (35626, nr. 17).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, het CDA, BBB, JA21, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fractie van FVD ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Van Raan (35626, nr. 18).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, de ChristenUnie, JA21, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Van Raan (35626, nr. 19).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, JA21, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Van Raan/Bouchallikh (35626, nr. 20).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, de SGP, JA21, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de gewijzigde motie-De Hoop/Bouchallikh (35626, nr. ??, was nr. 22).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, het CDA, BBB, JA21, Groep Van Haga en de PVV voor deze gewijzigde motie hebben gestemd en de leden van de fractie van FVD ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Grinwis (35626, nr. 23).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, het CDA, BBB, JA21, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fractie van FVD ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Peter de Groot (35626, nr. 24).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, het CDA, BBB, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Bisschop/Alkaya (35626, nr. 25).

De voorzitter:
Ik constateer dat deze motie met algemene stemmen is aangenomen.

In stemming komt de motie-Alkaya/Bisschop (35626, nr. 26).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, de ChristenUnie, de SGP, BBB, JA21, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

Stemmingen moties Gewasbeschermingsmiddelen

Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het VAO Gewasbeschermingsmiddelen,

te weten:

  • de motie-Tjeerd de Groot over het verhogen van het maximale areaal voor groene laagrisicogewasbeschermingsmiddelen (27858, nr. 538);
  • de motie-Tjeerd de Groot/Boswijk over een apart loket bij het Ctgb waarbij groene laagrisicomiddelen voorrang krijgen (27858, nr. 539);
  • de motie-Tjeerd de Groot/Boswijk over het aandeel biologische bloembollen en perkgoed (27858, nr. 540);
  • de motie-Vestering over de doelen uit de nota Gezonde Groei, Duurzame Oogst uiterlijk in 2023 halen (27858, nr. 541);
  • de motie-Vestering over ook woningen, scholen en speelplekken aanmerken als kwetsbare gebieden (27858, nr. 542);
  • de motie-Thijssen/Bromet over financiële compensatie om spuitvrije zones aan te houden (27858, nr. 543);
  • de motie-Bromet/Thijssen over een langetermijnstudie naar de gezondheidsgevolgen van blootstelling aan bestrijdingsmiddelen (27858, nr. 545);
  • de motie-Van der Plas over scherp zijn op polarisatie en valse framing op het gebied van gewasbescherming (27858, nr. 546);
  • de motie-Van Campen c.s. over een werkbaar alternatief voor het gebruik van neonicotinoïden door bietentelers (27858, nr. 547);
  • de motie-Van Campen c.s. over het Kennis- en Adviescentrum Dierplagen als aanspreekpunt (27858, nr. 548);
  • de motie-Boswijk c.s. over een plan van aanpak om de criminele handel in illegale gewasbeschermingsmiddelen aan banden te leggen (27858, nr. 549).

(Zie vergadering van 20 mei 2021.)

In stemming komt de motie-Tjeerd de Groot (27858, nr. 538).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, Volt, DENK, de PvdA, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, het CDA, BBB, JA21, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Tjeerd de Groot/Boswijk (27858, nr. 539).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, Volt, DENK, de PvdA, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, het CDA, BBB, JA21, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Tjeerd de Groot/Boswijk (27858, nr. 540).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de SGP en het CDA voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Vestering (27858, nr. 541).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66 en de SGP voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Vestering (27858, nr. 542).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD en Fractie Den Haan voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

En de Groep Van Haga heeft ook voorgestemd. Desondanks blijft het: verworpen.

In stemming komt de motie-Thijssen/Bromet (27858, nr. 543).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, Volt, DENK, de PvdA, Fractie Den Haan, D66 en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

Mevrouw Agema.

Mevrouw Agema (PVV):
We vroegen ons even af of wij als voorstemmers genoteerd zijn bij de motie op stuk nr. 542. En zo nee, dan wensen wij graag geacht te worden voor te hebben gestemd.

De voorzitter:
Dank u wel. Wij zullen in ieder geval deze opmerking meenemen in de Handelingen.

In stemming komt de motie-Bromet/Thijssen (27858, nr. 545).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, BBB, JA21, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Van der Plas (27858, nr. 546).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van Fractie Den Haan, de SGP, BBB, JA21, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Van Campen c.s. (27858, nr. 547).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van DENK, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, het CDA, BBB, JA21, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Van Campen c.s. (27858, nr. 548).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van DENK, Fractie Den Haan, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, het CDA, BBB, JA21, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Boswijk c.s. (27858, nr. 549).

De voorzitter:
Ik constateer dat deze motie met algemene stemmen is aangenomen.

Stemmingen moties Dierproeven

Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het VAO Dierproeven,

te weten:

  • de motie-Wassenberg over een vooraf uitgevoerde systematic review als voorwaarde voor een dierproef (32336, nr. 115);
  • de motie-Wassenberg over een structurele subsidie van SYRCLE (32336, nr. 116);
  • de motie-Tjeerd de Groot/Valstar over in kaart brengen hoe knelpunten op de route van lab naar praktijk kunnen worden weggenomen (32336, nr. 117);
  • de motie-Tjeerd de Groot/Valstar over een vervolg geven aan de regie op het partnerprogramma TPI (32336, nr. 118).

(Zie vergadering van 20 mei 2021.)

In stemming komt de motie-Wassenberg (32336, nr. 115).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, de SGP, BBB, JA21, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Wassenberg (32336, nr. 116).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, de SGP en JA21 voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Tjeerd de Groot/Valstar (32336, nr. 117).

De voorzitter:
Ik constateer dat deze motie met algemene stemmen is aangenomen.

In stemming komt de motie-Tjeerd de Groot/Valstar (32336, nr. 118).

De voorzitter:
Ik constateer dat deze motie met algemene stemmen is aangenomen.

Stemmingen moties Landbouw- en Visserijraad van 26 en 27 mei 2021

Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het tweeminutendebat Landbouw- en Visserijraad van 26 en 27 mei 2021,

te weten:

  • de motie-Bromet/Thijssen over inzetten op 10% groenblauwe dooradering voor de gehele landbouwsector (21501-32, nr. 1298);
  • de motie-Tjeerd de Groot/Boswijk over een convenant over de inzet van supermarkten inzake biologische producten (21501-32, nr. 1299);
  • de motie-Tjeerd de Groot/Boswijk over een prominente plek voor biologische landbouw in het Nationaal Strategisch Plan (21501-32, nr. 1300);
  • de motie-Boswijk c.s. over inzetten op "made in Europe"-eiwitten (21501-32, nr. 1301).

(Zie vergadering van 20 mei 2021.)

De voorzitter:
Aangezien de motie-Bromet/Thijssen (21501-32, nr. 1298) is ingetrokken, maakt zij geen onderwerp van behandeling meer uit.

In stemming komt de motie-Tjeerd de Groot/Boswijk (21501-32, nr. 1299).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de SGP, het CDA en BBB voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Tjeerd de Groot/Boswijk (21501-32, nr. 1300).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, het CDA en BBB voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Boswijk c.s. (21501-32, nr. 1301).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, Volt, DENK, de PvdA, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, het CDA, BBB en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

Stemming motie Voorhang concept-AMvB Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet

Aan de orde is de stemming over een motie, ingediend bij het VSO Voorhang concept-amvb Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet,

te weten:

  • de motie-Koerhuis over een impactanalyse op de bouwkosten voor iedere gemeente die lokaal een strengere energie-eis wil stellen (32127, nr. 245).

(Zie vergadering van 20 mei 2021.)

In stemming komt de motie-Koerhuis (32127, nr. 245).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van DENK, Fractie Den Haan, de VVD, BBB, JA21, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

Stemming motie Toezicht WSW 2019, strategisch programma WSW en governance corporatiesector

Aan de orde is de stemming over een motie, ingediend bij het VSO Toezicht WSW 2019, strategisch programma WSW en governance corporatiesector,

te weten:

  • de motie-Koerhuis over een nieuwe, onafhankelijke controle van de toereikendheid van het risicokapitaal van het WSW (29453, nr. 534).

(Zie vergadering van 20 mei 2021.)

In stemming komt de motie-Koerhuis (29453, nr. 534).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, Volt, de PvdD, Fractie Den Haan, de VVD, de SGP, BBB, JA21, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

De voorzitter:
De heer Azarkan.

De heer Azarkan (DENK):
Voorzitter. Het is al enige tijd geleden, maar ik wil graag een brief van de regering naar aanleiding van de motie op stuk nr. 1050 (29544), waarover is gestemd bij punt 10, de stemmingen over moties ingediend bij het VAO Arbeidsmarkt. Die motie is ontraden. Ik ben benieuwd hoe het kabinet deze motie gaat uitvoeren.

De voorzitter:
Dank u wel. Ik stel voor het stenogram van dit onderdeel van de vergadering door te geleiden naar het kabinet.

Stemming motie Acties lood in drinkwater

Aan de orde is de stemming over een motie, ingediend bij het tweeminutendebat Acties lood in drinkwater,

te weten:

  • de motie-Boulakjar/Grinwis over de modelbepaling voor de aanwezigheid van loden leidingen (27625, nr. 535).

(Zie vergadering van 20 mei 2021.)

De voorzitter:
De motie-Boulakjar/Grinwis (27625, nr. 535) is in die zin gewijzigd dat zij thans luidt:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat loden leidingen schadelijke gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van bewoners;

overwegende dat er momenteel geen volledig beeld is op welke locaties deze loden leidingen zijn verwerkt;

overwegende dat marktpartijen momenteel een modelbepaling uitwerken waarin de aanwezigheid van loden leidingen wordt opgenomen in huurcontracten;

verzoekt de regering om de Kamer over de voortgang van deze modelbepaling op de hoogte te houden, en indien deze niet voor het einde van 2021 gereed is, over te gaan tot een verplichting om bij kennis van aanwezigheid van loden leidingen dit te melden bij nieuwe huurders,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt nr. ??, was nr. 535 (27625).

Ik stel vast dat wij hier nu over kunnen stemmen.

In stemming komt de gewijzigde motie-Boulakjar/Grinwis (27625, nr. ??, was nr. 535).

De voorzitter:
Ik constateer dat deze gewijzigde motie met algemene stemmen is aangenomen.

Stemmingen moties Klimaatakkoord gebouwde omgeving

Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het tweeminutendebat Klimaatakkoord gebouwde omgeving,

te weten:

  • de motie-Kops over ervoor zorgen dat aardgasvrij wonen nooit een verplichting wordt (32813, nr. 691);
  • de motie-Kops over onmiddellijk stoppen met het aardgasvrij maken van woningen en het Programma Aardgasvrije Wijken (32813, nr. 692);
  • de motie-Kops over het terugdraaien van de afschaffing van de gasaansluitplicht (32813, nr. 693);
  • de motie-Koerhuis/Eerdmans over gemeenten niet de bevoegdheid geven om dwangsommen in te stellen om woningen van het gas te halen (32813, nr. 694);
  • de motie-Koerhuis/Beckerman over een maximumprijs instellen voor het fysieke energielabel (32813, nr. 695);
  • de motie-Koerhuis/Agnes Mulder over het voorlopig niet overstappen op het nieuwe model (32813, nr. 696);
  • de motie-Eerdmans over het opzeggen van het Klimaatakkoord en het intrekken van de Klimaatwet (32813, nr. 697);
  • de motie-Eerdmans over garanderen dat niemand gedwongen van het gas hoeft (32813, nr. 698);
  • de motie-Grinwis c.s. over evaluatie van het isolatiebeleid (32813, nr. 699);
  • de motie-Boulakjar/Grinwis over de uitkomsten van de Amersfoortse pilot gebouwgebonden verduurzamingsdienst met de Kamer delen (32813, nr. 701);
  • de motie-Boulakjar/Grinwis over de Kamer informeren over het aantal gemeenten met een afgeronde transitievisie (32813, nr. 702);
  • de motie-Beckerman/Grinwis over het nationaal isolatieprogramma ook richten op lage en middeninkomens (32813, nr. 703);
  • de motie-Beckerman/Koerhuis over de derde tranche van het Programma Aardgasvrije Wijken pas starten nadat het onderzoek naar bewonerstevredenheid gereed is (32813, nr. 704);
  • de motie-Nijboer over informatie over praktische afwegingen bij verduurzaming makkelijk vindbaar maken (32813, nr. 705);
  • de motie-Van Esch/Teunissen over fossiele restwarmte en restwarmte uit biomassa-installaties niet langer aanmerken als hernieuwbare energie (32813, nr. 707);
  • de motie-Agnes Mulder/Grinwis over het aardgasvrij-ready maken van de gebouwde omgeving (32813, nr. 708);
  • de motie-Bisschop over een contingentenaanpak voor de verduurzaming van de gebouwde omgeving (32813, nr. 709).

(Zie vergadering van 20 mei 2021.)

In stemming komt de motie-Kops (32813, nr. 691).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van DENK, Fractie Den Haan, de SGP, BBB, JA21, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Kops (32813, nr. 692).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van BBB, JA21, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Kops (32813, nr. 693).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van JA21, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Koerhuis/Eerdmans (32813, nr. 694).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, DENK, Fractie Den Haan, de VVD, de SGP, het CDA, BBB, JA21, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Koerhuis/Beckerman (32813, nr. 695).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdD, Fractie Den Haan, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, BBB, JA21, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Koerhuis/Agnes Mulder (32813, nr. 696).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, het CDA, BBB, JA21, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fractie van D66 ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Eerdmans (32813, nr. 697).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van JA21, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Eerdmans (32813, nr. 698).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, DENK, Fractie Den Haan, de SGP, BBB, JA21, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Grinwis c.s. (32813, nr. 699).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de SGP, het CDA en BBB voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Boulakjar/Grinwis (32813, nr. 701).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de SGP, het CDA, BBB en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Boulakjar/Grinwis (32813, nr. 702).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de SGP en het CDA voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Beckerman/Grinwis (32813, nr. 703).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de SGP, het CDA, BBB en FVD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Beckerman/Koerhuis (32813, nr. 704).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, DENK, Fractie Den Haan, de VVD, de SGP, het CDA, BBB, JA21, FVD en Groep Van Haga voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Nijboer (32813, nr. 705).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, het CDA en BBB voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Van Esch/Teunissen (32813, nr. 707).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, BIJ1, Volt, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, JA21 en Groep Van Haga voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Agnes Mulder/Grinwis (32813, nr. 708).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, het CDA en BBB voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Bisschop (32813, nr. 709).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, het CDA en BBB voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

De heer Wassenberg, gaat uw gang.

De heer Wassenberg (PvdD):
Voorzitter. Met uw welnemen ga ik nog heel even terug naar agendapunt 15, de stemmingen over moties Landbouw- en Visserijraad van 26 en 27 mei 2021. Wij wensen geacht te worden tegen de motie op stuk 1299 (21501-32) te hebben gestemd. Ik weet niet of dat helemaal was doorgekomen.

De voorzitter:
Helder. Uw opmerking zal in de Handelingen worden opgenomen.

Stemmingen moties Raad Buitenlandse Zaken

Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het tweeminutendebat Raad Buitenlandse Zaken,

te weten:

  • de motie-Kuzu/Jasper van Dijk over het steunen van een eventueel Belgisch initiatief voor maatregelen tegen Israël (21501-02, nr. 2336);
  • de motie-Kuzu/Teunissen over het er bij Israël op aandringen om het bestoken van civiele doelen onmiddellijk te staken (21501-02, nr. 2337);
  • de motie-Kuzu over een onderzoek bij het Internationaal Strafhof om de heer Netanyahu te vervolgen voor oorlogsmisdaden (21501-02, nr. 2338);
  • de motie-Brekelmans over veiligheid en terrorisme als agendapunt voor de zesde EU-Afrikatop (21501-02, nr. 2339);
  • de motie-Amhaouch over onderzoek naar schendingen van het humanitair oorlogsrecht in de strijd tussen Hamas en Israël (21501-02, nr. 2340);
  • de motie-Van der Staaij over het voorkomen van wapentransporten naar Hamas en andere terreurorganisaties in de Palestijnse gebieden (21501-02, nr. 2341);
  • de motie-Segers/Van der Staaij over zich aansluiten bij de oproep van de Franse president aan Azerbeidzjan om de troepen onmiddellijk terug te trekken (21501-02, nr. 2342);
  • de motie-Jasper van Dijk over alle verantwoordelijken voor het plegen van oorlogsmisdaden bestraffen (21501-02, nr. 2343);
  • de motie-Jasper van Dijk over een extra inspanning om de humanitaire crisis in Gaza te bestrijden (21501-02, nr. 2344);
  • de motie-Teunissen/Kuzu over steun uitspreken voor het onafhankelijk onderzoek van het Internationaal Strafhof naar oorlogsmisdaden in de Palestijnse gebieden (21501-02, nr. 2345).

(Zie vergadering van 20 mei 2021.)

De voorzitter:
De motie-Teunissen/Kuzu (21501-02, nr. 2345) is in die zin gewijzigd dat zij thans luidt:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het Internationaal Strafhof in Den Haag heeft aangekondigd onafhankelijk en onpartijdig onderzoek te gaan doen naar oorlogsmisdaden in de Palestijnse gebieden door de Israëlische autoriteiten en Hamas;

constaterende dat onder andere de Verenigde Staten, Canada, Duitsland en Hongarije de legitimiteit van het onderzoek in twijfel trekken;

overwegende dat de versterking van de internationale rechtsorde een van de pilaren van het Nederlands buitenlandbeleid is;

overwegende dat Nederland als gastland van het Internationaal Strafhof een bijzondere positie heeft;

verzoekt de regering landen die de legitimiteit van het onderzoek naar mogelijke oorlogsmisdaden betwisten aan te spreken,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt nr. ??, was nr. 2345 (21501-02).

Ik stel vast dat wij hier nu over kunnen stemmen.

In stemming komt de motie-Kuzu/Jasper van Dijk (21501-02, nr. 2336).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, BIJ1, DENK, de PvdD en Fractie Den Haan voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Kuzu/Teunissen (21501-02, nr. 2337).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, BIJ1, DENK, de PvdD en Fractie Den Haan voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Kuzu (21501-02, nr. 2338).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van BIJ1, DENK en de PvdD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Brekelmans (21501-02, nr. 2339).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, het CDA, BBB, JA21, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Amhaouch (21501-02, nr. 2340).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de VVD, het CDA en JA21 voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Van der Staaij (21501-02, nr. 2341).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, Volt, de PvdA, de PvdD, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, het CDA, BBB, JA21, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Segers/Van der Staaij (21501-02, nr. 2342).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, het CDA, BBB, JA21, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Jasper van Dijk (21501-02, nr. 2343).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan en D66 voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Jasper van Dijk (21501-02, nr. 2344).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan en D66 voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de gewijzigde motie-Teunissen/Kuzu (21501-02, nr. ??, was nr. 2345).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan en D66 voor deze gewijzigde motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

De heer Segers.

De heer Segers (ChristenUnie):
De motie die ik samen met de heer Van der Staaij heb ingediend met een oproep om ons aan te sluiten bij de inzet van president Macron als het gaat over het conflict tussen Armenië en Azerbeidzjan, is breed aanvaard. Ik zou graag een reactie willen van het kabinet hoe deze wordt uitgevoerd.

De voorzitter:
Dank u wel. We zullen dit onderdeel van het stenogram doorgeleiden naar het kabinet.

Stemmingen Verdere behandeling van aanhangige stukken

Aan de orde is de stemming in verband met Verdere behandeling van aanhangige stukken (35718).

In stemming komt het voorstel tot het toevoegen van brieven (35718, stuk nr. 44).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD en het CDA voor dit voorstel hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is aangenomen.

In stemming komt het voorstel van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap tot het toevoegen van brieven (35718, stuk nr. 45).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, het CDA en BBB voor dit voorstel hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat het is aangenomen.

De heer Azarkan.

De heer Azarkan (DENK):
Voorzitter, u merkte het al op: ik was wat laat. Ongelofelijke werkdruk, maar ik wil toch in de Handelingen opgenomen hebben dat wij bij de stemmingen onder agendapunt 3, over de Wet aanpassing Appa (35548), voor de amendementen-Sneller op stuk nr. 9 en stuk nr. 10 en voor het wetsvoorstel geacht wensen te worden te hebben gestemd.

Dat geldt ook voor agendapunt 4, de bij de behandeling van dat wetsvoorstel ingediende moties op de stukken nrs. 274, 275, 276 en 277.

De voorzitter:
Deze opmerkingen zullen we in de Handelingen opnemen. Over agendapunt 3 gaan we de volgende keer stemmen, dus dat is geen probleem. Maar uw andere opmerking zullen we in de Handelingen meenemen.

Ik stel voor de lijst vast te stellen zoals die nu is komen te luiden.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:
Ik schors voor een enkel moment, zodat we dan over kunnen gaan naar de regeling van werkzaamheden.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Mededelingen

Mededelingen

Mededelingen

De voorzitter:
Op de tafel van de Griffier ligt een lijst van ingekomen stukken. Op die lijst staan voorstellen voor de behandeling van deze stukken. Als voor het einde van de vergadering daartegen geen bezwaar is gemaakt, neem ik aan dat daarmee wordt ingestemd.

Regeling van werkzaamheden

Regeling van werkzaamheden

Regeling van werkzaamheden

De voorzitter:
Aan de orde is de regeling van werkzaamheden. Ik deel aan de Kamer mee dat de heer Jetten met ingang van heden fractievoorzitter van de fractie van D66 is.

Ik deel aan de Kamer mee dat de fractie van JA21 bij de stemmingen op 18 mei jongstleden over de motie-Van der Plas (25295, nr. 1219) geacht wenst te worden voor deze motie te hebben gestemd en dat de fractie van de VVD bij de stemmingen op 20 mei jongstleden over de motie-Teunissen (21501-20, nr. 1667) ook geacht wenst te worden voor deze motie te hebben gestemd.

Aangezien de motie-Van Esch/Wassenberg (35732, nr. 17) is ingetrokken, maakt zij geen onderwerp van behandeling meer uit.

Aangezien de motie-Van Esch/Van Raan (25295, nr. 602) is ingetrokken, maakt zij geen onderwerp van behandeling meer uit.

Aangezien de motie-Van Esch (25295, nr. 964) is ingetrokken, maakt zij geen onderwerp van behandeling meer uit.

Ik stel voor toe te voegen aan de agenda van de Kamer:

  • het wetsvoorstel Wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met aanpassingen op het gebied van de doorstroom van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs en wijziging van de stelselinrichting van doorstroomtoetsen en toetsen verbonden aan leerling- en onderwijsvolgsystemen in het basisonderwijs (35671).

Ik stel voor toe te voegen aan de agenda:

  • het tweeminutendebat Evaluatie Wet dieren (28286, nr. 1183), met als eerste spreker het lid Vestering van de Partij voor de Dieren;
  • het tweeminutendebat Vermeende tlv-fraude op Tyltylschool De Maasgouw in Zuid-Limburg en de uitzending Reporter Radio (31497, nr. 396), met als eerste spreker het lid Kwint van de SP;
  • het tweeminutendebat Telecommunicatie (CD d.d. 20/05), met als eerste spreker het lid Inge van Dijk van het CDA;
  • het tweeminutendebat Wijziging van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 (32847, nr. 745), met als eerste spreker het lid Koerhuis van de VVD.

Overeenkomstig de voorstellen van de voorzitter wordt besloten.

De voorzitter:
Dan geef ik allereerst het woord aan mevrouw Ouwehand van de Partij voor de Dieren voor haar verzoek.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Voorzitter, dank u wel. Een groot deel van de Kamer was het eens met de suggestie van de heer Tjeenk Willink om over de grote thema's openbare debatten te houden. Nu wil het geval dat ook een demissionair kabinet zich aan de rechtsstaat moet houden. Er dreigen twee rechtszaken: een nieuwe over klimaat en een nieuwe over stikstof. Collega Boucke heeft al een debat aangevraagd over de nieuwe dreigende klimaatrechtszaak. Dat is een dertigledendebat geworden. Ik zou willen voorstellen om daar een volwaardig debat van te maken en om ook de dreigende rechtszaak over stikstof daaraan toe te voegen.

De voorzitter:
Wie steunt dit verzoek?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Met de demissionaire minister-president.

De voorzitter:
Ik zie iemand nee knikken. Dan is het toch handig om van u te laten horen. Mevrouw Beckerman van de SP.

Mevrouw Beckerman (SP):
Van harte steun, voorzitter.

De voorzitter:
Steun.

De heer Stoffer (SGP):
Geen steun.

De voorzitter:
Geen steun.

Mevrouw Piri (PvdA):
Steun, voorzitter.

De voorzitter:
Steun.

De heer Van der Lee (GroenLinks):
Steun.

De heer Boswijk (CDA):
Geen steun.

De voorzitter:
Geen steun. Mevrouw Tellegen van de VVD en dan de heer Eerdmans van JA21. O, de heer Eerdmans mag als eerste. Nee, ik geef toch het woord aan mevrouw Tellegen.

Mevrouw Tellegen (VVD):
Geen steun.

De voorzitter:
Mevrouw Eerdmans.

De heer Eerdmans (JA21):
Mevrouw Eerdmans?

De voorzitter:
O …

De heer Eerdmans (JA21):
We zijn allemaal in de war. Van ons hoeft het niet, voorzitter.

De voorzitter:
Geen steun. De heer Paternotte en dan de heer Baarle.

De heer Paternotte (D66):
Op dit moment geen steun, voorzitter.

De voorzitter:
De heer Baarle, DENK.

De heer Van Baarle (DENK):
Van Baarle, voorzitter.

De voorzitter:
Van Baarle, excuus.

De heer Van Baarle (DENK):
Om het juist te houden. Maar ik til er niet zo zwaar aan, hoor. Het doet mij geen pijn. Steun voor dit verzoek van mevrouw Ouwehand. Maar ik kan mij ook zo het volgende voorstellen. Er is binnenkort een groot debat over energie en klimaat in de commissie, met zes minuten spreektijd. Dat is wellicht ook een moment.

De voorzitter:
Ja. Maar u steunt het verzoek.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Geen steun, voorzitter.

De voorzitter:
Geen steun. Mevrouw Den Haan van de Fractie Den Haan en dan mevrouw Koekkoek van Volt en dan mevrouw … Ik zie allemaal mevrouwen.

Mevrouw Den Haan (Fractie Den Haan):
Geen steun, voorzitter.

De voorzitter:
Geen steun.

Mevrouw Koekkoek (Volt):
Steun.

De voorzitter:
De héér Markuszower van de PVV.

De heer Markuszower (PVV):
Dank u wel, mevróúw de voorzitter. Geen steun.

De voorzitter:
Geen steun.

De heer Van Houwelingen (FVD):
Steun, maar wel graag aandacht voor de wijze waarop rechters de macht van de Tweede Kamer beperken.

De voorzitter:
Maar wel steun.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik schudde al nee, maar dan zeg ik het hier ook nog even: geen steun.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Dan horen we het ook nog even.

De voorzitter:
Geen steun. Er is volgens mij geen steun voor uw verzoek om een meerderheidsdebat, mevrouw Ouwehand.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Nee. Dan zou ik een dertigledendebat willen laten noteren voor de zaak over stikstof. Ik wil de Kamer eraan herinneren dat iedereen die naar de rechter ging over klimaat en over stikstof steeds gewonnen heeft. We kunnen het er dus beter van tevoren over hebben.

De voorzitter:
Maar volgens mij wilde u juist een debat omzetten naar een meerderheidsdebat. Daar is geen steun voor.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Ik dacht: ik doe constructief ...

De voorzitter:
Jazeker.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Er is een dertigledendebat genoteerd voor de klimaatzaak. Ik dacht: er komt een stikstofzaak bij, dus laten we daar één debat van maken. Als daar geen steun voor is, dan zou ik graag een dertigledendebat over de stikstofzaak laten noteren.

De voorzitter:
Dan zetten we dat op de lijst. Dank u wel, mevrouw Ouwehand.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):
Fijn. Dank u wel.

De voorzitter:
Dan geef ik het woord aan de heer Eerdmans van JA21.

De heer Eerdmans (JA21):
Dank u wel, voorzitter. Wij willen graag een debat voeren over de huisvesting van statushouders. We hebben daar eind maart een overzicht van gekregen van de staatssecretaris van Justitie. Daaruit bleek dat 11.000 statushouders nog dit jaar een woning moeten krijgen. We merken dat meerdere gemeentes zeggen: dat is moeilijk, zo niet onhaalbaar. Dat gaat knijpen. Het gewone publiek kan rustig tien jaar wachten op een sociale huurwoning — dat is helaas niet uitzonderlijk — terwijl voor de groep statushouders de tijdelijke woningen als paddenstoelen uit de grond schieten. Woningen worden omgekat of grond wordt heel snel bouwrijp gemaakt, maar de rest van Nederland moet wachten. Dus JA21 wil graag een debat voeren met de staatssecretaris, mevrouw Broekers-Knol, samen met de minister van Huisvesting, mevrouw Ollongren dus.

De voorzitter:
Dat is de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Ik geef eerst het woord aan de heer Van der Lee van GroenLinks en dan aan de heer Van Baarle van DENK.

De heer Van der Lee (GroenLinks):
Geen steun. Het kan prima in de commissie, want dit punt wordt uitentreuren gemaakt. Ik heb dus echt geen behoefte aan een debat.

De heer Van Baarle (DENK):
Voorzitter. Volgens mij zijn er inderdaad genoeg commissiedebatten waar de heer Eerdmans dit punt kan maken. Geen steun.

De voorzitter:
Geen steun.

De heer Markuszower (PVV):
Wel van harte steun van ons van de PVV. Mijn collega Kops maakt hier inderdaad al jarenlang veel gewag van, maar het kabinet weigert zijn mening te wijzigen. Dus van harte steun.

De voorzitter:
Steun. Mevrouw Tellegen van de VVD en dan mevrouw Kuik, CDA.

Mevrouw Tellegen (VVD):
Onze voorkeur gaat ernaar uit om dit gewoon in een commissiedebat te doen.

De voorzitter:
Dus geen steun.

Mevrouw Kuik (CDA):
Geen steun. Dit kan in een commissiedebat.

Mevrouw Den Haan (Fractie Den Haan):
Hetzelfde. Geen steun. In de commissie doen.

De voorzitter:
Geen steun.

De heer Paternotte (D66):
Voorzitter, ik vond dat de heer Van der Lee het goed samenvatte.

De voorzitter:
Dus geen steun.

Mevrouw Piri (PvdA):
Geen steun.

De heer Van Houwelingen (FVD):
Steun namens FVD.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Geen steun. Dit kan in de commissiedebatten.

De heer Wassenberg (PvdD):
Geen steun, voorzitter.

De voorzitter:
Geen steun.

De heer Stoffer (SGP):
Steun, voorzitter. Maar als het eerder in de commissiedebatten besproken kan worden, dan lijkt me dat op zich ook goed.

Mevrouw Koekkoek (Volt):
Zeker geen steun.

De voorzitter:
Sorry, wat zegt u?

Mevrouw Koekkoek (Volt):
Geen steun.

De voorzitter:
Geen steun.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Steun. En ik sluit me aan bij de woorden van de heer Stoffer.

De voorzitter:
Er is geen meerderheid en er zijn ook geen dertig leden voor uw aanvraag.

De heer Eerdmans (JA21):
Laat ik het als volgt zeggen. Er zijn genoeg mensen die zeggen: laten we hier een commissiedebat over voeren. Wij vinden het zo urgent dat ik het graag hier had gedaan, maar dan is dat de weg die we lopen. Dan kunnen we dus beide bewindslieden hiervoor uitnodigen? Dat lijkt ons namelijk heel relevant.

De voorzitter:
Via de procedurevergadering kunt u daar een verzoek toe doen.

De heer Eerdmans (JA21):
Dat gaan wij oppakken. Dank u.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Eerdmans.

Ik geef het woord aan mevrouw Van Ginneken van D66 voor haar verzoek. Gaat uw gang.

Mevrouw Van Ginneken (D66):
Dank u, voorzitter. Op 20 april stond ik hier tijdens het vragenuurtje om aandacht te vragen voor de inmenging van Chinese techleveranciers in onze telecominfrastructuur. Daar vroeg ik toen ook een plenair debat voor aan. In de tussentijd heeft de staatssecretaris van Economische Zaken allerlei aanvullende informatie beschikbaar gesteld. Die informatie heeft wat mij betreft de urgentie van dat plenaire debat dubbel en dwars onderstreept. Ik zou hier dus heel graag willen vragen om dat plenaire debat in te plannen voor het zomerreces.

De voorzitter:
Is er steun voor het verzoek om het voor het zomerreces in te plannen? Volgens mij zie ik daar geen bezwaren tegen, dus u heeft steun voor uw verzoek.

Mevrouw Van Ginneken (D66):
Dank u wel.

De voorzitter:
Dan gaan we door naar de heer Markuszower van de PVV voor zijn verzoek.

De heer Markuszower (PVV):
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Wederom mogelijk een aanslag, door een moslim gepleegd op vier Amsterdammers: één vermoord en drie ernstig verwond. De automatische reactie is dan altijd: verwarde man. Daar wil ik toch graag een keer een debat over hebben, want hoe kan het dat al die moslims die mensen steken altijd maar verward zijn? Daar wil ik graag een debat over hebben.

De voorzitter:
Dank u wel. Is er steun voor dit verzoek van de heer Markuszower?

Mevrouw Kuik (CDA):
Een ernstige aanslag op mensenlevens. We hebben voor de zomer nog veertien commissiedebatten staan. Ik denk ook dat het de kortste klap is om het daarin te bespreken.

De voorzitter:
Dus geen steun voor het verzoek.

De heer Van Baarle (DENK):
Voorzitter. Geen steun voor het verzoek en voor de notulen merk ik graag op dat ik echt ver afstand neem van hoe de heer Markuszower 1 miljoen mensen in dit land stigmatiseert met zijn opmerkingen.

Mevrouw Tellegen (VVD):
Geen steun. Dit kan in een commissiedebat.

De heer Stoffer (SGP):
Wij zouden graag een brief willen hebben. Vooralsnog geen steun, eerst die brief.

Mevrouw Den Haan (Fractie Den Haan):
Geen steun. En ik sluit me aan bij de woorden van meneer Van Baarle.

De heer Van Nispen (SP):
Voorzitter. Deze uiterst tragische gebeurtenis is nog zeer vers. Ik denk dat het goed is dat eerst wordt onderzocht wat zich hier nou precies heeft afgespeeld en welke lessen daar eventueel uit te trekken zijn.

De heer Van der Lee (GroenLinks):
Ik sluit me aan bij de heer Van Nispen, dus geen steun voor een debat.

De heer Paternotte (D66):
Voorzitter. Dit kan het snelst behandeld worden in een commissiedebat. Het is een verschrikkelijke aanslag, maar we gaan hier niet over elke aanslag een debat voeren en we hebben nog veertien commissiedebatten staan waarin het aan de orde kan komen.

De heer Wassenberg (PvdD):
De heer Van Nispen heeft het goed omschreven. Daar sluit ik me kortheidshalve bij aan. Geen steun.

De voorzitter:
Mevrouw Piri, PvdA, en dan de heer Ceder, ChristenUnie.

Mevrouw Piri (PvdA):
Ook namens mijn fractie geen steun.

De voorzitter:
Geen steun.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik sluit me aan bij het verhaal van de heer Van Nispen. Geen steun.

De heer Van Houwelingen (FVD):
Zeker steun.

De voorzitter:
Steun. Dan mevrouw Van der Plas van de BBB en dan de heer Eerdmans van JA21.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Voorzitter. Dit is altijd een heel moeilijk iets. Ik ben persoonlijk ook niet zo'n fan van de woordkeuze van de heer Markuszower, maar ik snap de achterliggende gedachte van de aanvraag van het debat wel. Deze woordkeuze is polariserend, maar ik vind ook weer niet dat je dan 1 miljoen mensen in deze gemeenschap wegzet. Dat wilde ik even toelichten bij het geven van mijn steun. Ik snap de achterliggende gedachte van het debat wel, want deze vraag speelt wel in de samenleving en ik denk dat het goed is om daar gewoon een debat over te voeren.

De voorzitter:
Dank u wel. U steunt het verzoek.

De heer Eerdmans (JA21):
Wij snappen wel de achterliggende gedachte, maar hier een debat voeren over deze ene zaak lijkt mij ook wat heel erg gering. In dat opzicht denk ik dus dat het beter is om dit te bespreken in een volwassen debat, een groter debat van Justitie. Daarin kunnen we dan de punten die de heer Markuszower aangeeft delen en bespreken met het kabinet.

De voorzitter:
Er is geen steun voor het verzoek, meneer Markuszower.

Maar u heeft nog een tweede verzoek. Gaat uw gang.

De heer Markuszower (PVV):
Zeker. Nog in februari van dit jaar liet mevrouw Kaag, minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking, weten dat ze zou stoppen met het subsidiëren van terroristen en nog geen drie maanden later, nu in mei, zegt ze dat ze toch weer graag die terroristen wil subsidiëren. Als de pers haar daar wat over vraagt, loopt ze als een haas weg. Dus eerst betaalt ze als een haas terroristen en dan loopt ze als een haas weg als de media haar daarover bevragen. Ik denk toch dat het goed is dat deze Kamer weet waar het Nederlandse belastinggeld naartoe gaat en dat mevrouw Kaag zich daarover verantwoordt voor deze Kamer.

De voorzitter:
Ja. Dank u wel. Mevrouw Tellegen, VVD, en dan de heer Paternotte, D66.

Mevrouw Tellegen (VVD):
Op dit moment geen steun. We hebben schriftelijke vragen gesteld. Daar willen we eerst antwoord op hebben. Daarna kijken we verder.

De heer Paternotte (D66):
Voorzitter. Of de heer Markuszower het nou leuk vindt of niet, we noemen mevrouw Kaag hier de minister van Buitenlandse Zaken, en we noemen haar niet bij de naam. Dat is één. Ten tweede — nog los van de onzin die de heer Markuszower hier net heeft staan debiteren — geen steun.

De voorzitter:
Geen steun. De heer Van Baarle, DENK.

De heer Van Baarle (DENK):
Geen steun, voorzitter.

Mevrouw Kuik (CDA):
Voorzitter. Op 12 mei is er ook een brief gekomen van de regering. En er loopt nog een onderzoek. Ja, een debat, maar na het onderzoek.

De heer Stoffer (SGP):
De heer Ceder en ik hebben hier ook schriftelijke vragen over gesteld. Daar wil ik eerst antwoord op. Als die antwoorden er zijn, wil ik een debat. Dus steun, na beantwoording van de vragen.

De voorzitter:
Wel steun, maar eerst die beantwoording.

Mevrouw Den Haan (Fractie Den Haan):
Geen steun.

De voorzitter:
Geen steun.

De heer Eerdmans (JA21):
Wij geven steun. Het is dan even aan u, voorzitter, om te bekijken wanneer het kan plaatsvinden.

De voorzitter:
Steun. De heer Van der Lee en dan de heer Ceder.

De heer Van der Lee (GroenLinks):
Geen steun.

De voorzitter:
Geen steun.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Wij hebben samen met de heer Stoffer vragen gesteld. Wij wachten graag eerst de antwoorden daarop af.

De voorzitter:
Geen steun.

De heer Wassenberg (PvdD):
Geen steun, voorzitter.

De heer Van Houwelingen (FVD):
Zeker steun namens FVD.

De heer Markuszower (PVV):
Ik zie dat meneer Paternotte heel nerveus aan het rondlopen is omdat hij bang is dat er genoeg steun is.

De voorzitter:
Dat weet ik niet. Misschien heeft de heer Paternotte gewoon een vraag.

De heer Markuszower (PVV):
Hij is een beetje nerveus.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik sluit me aan bij de woorden van de heer Stoffer. Op zich wel steun, maar ik wil wel even de brief met de antwoorden afwachten.

De voorzitter:
We gaan het even berekenen. Er is geen meerderheid.

De heer Markuszower (PVV):
Nou, ik zie dus dat mevrouw Kuik van het CDA wel steun heeft gegeven, maar dat meneer Paternotte van D66 haar wat coalitie-instructies geeft. Maar ik hoorde duidelijk: steun. Het is natuurlijk aan de voorzitter om het moment te bepalen, maar er was duidelijk steun, ook van het CDA, tenzij de heer Paternotte de opdracht heeft gegeven om die in te trekken. Dat zou kunnen.

De voorzitter:
Meneer Markuszower, we gaan het nu allemaal van mevrouw Kuik horen.

Mevrouw Kuik (CDA):
Voor de helderheid: er is volgens mij helemaal geen coalitie meer. Mijn punt was als volgt. Er loopt een onderzoek. Dat moeten we afwachten. Daarna kunnen we daar een debat over voeren. Of dat dan een commissiedebat is of een plenair debat, wil ik natuurlijk gewoon aan de hand van het onderzoek bezien.

De heer Markuszower (PVV):
Oké. Meneer Paternotte, bent u daar ook blij mee? Is dat goed?

De voorzitter:
Dus, meneer Markuszower, er is geen meerderheid voor uw verzoek.

De heer Markuszower (PVV):
Oké. Goed gedaan!

De voorzitter:
Dan gaan we naar mevrouw Inge van Dijk van het CDA voor haar vooraankondiging. Het mag ook bij de interruptiemicrofoon.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Voorzitter. Vanavond is er een commissievergadering over de Raad Concurrentievermogen. Wij willen graag een tweeminutendebat inclusief stemmingen aankondigen.

De voorzitter:
Daar is geen bezwaar tegen. Dan gaan we dat zo inplannen. Dank u wel, mevrouw Van Dijk.

Dan geef ik het woord aan de heer Kops van de PVV voor zijn verzoek.

De heer Kops (PVV):
Voorzitter. Het gaat maar door: de zoveelste stijging van de energierekening. Er komt gemiddeld €200 bij, terwijl nu al vele honderdduizenden huishoudens in energiearmoede leven en de energierekening nauwelijks tot niet meer kunnen betalen. Dat kan écht niet. Dat mag gewoon niet. Daarom wil ik heel graag een debat hierover met de minister van EZK.

De heer Stoffer (SGP):
Dit is een goed punt van de heer Kops. Maar we hebben op 10 juni een commissiedebat staan. Wat mij betreft pakken we ook dit item op bij het commissiedebat.

De voorzitter:
Geen steun.

De heer Van der Lee (GroenLinks):
Ook geen steun, want dit is gewoon een gevolg van marktprijzen die stijgen. De heer Kops komt in ieder debat over klimaat op dit punt, dus vast ook weer straks in het commissiedebat.

De heer Van Nispen (SP):
Steun voor het verzoek.

De voorzitter:
Steun.

De heer Van Baarle (DENK):
Voorzitter. Dit is een belangrijk onderwerp, maar het kan snel in de commissie, dus geen steun.

De voorzitter:
Geen steun.

Mevrouw Tellegen (VVD):
Geen steun.

Mevrouw Kuik (CDA):
Geen steun. Dit kan in de commissie.

De voorzitter:
Dank u wel. De heer Van Houwelingen, Forum voor Democratie, en dan de heer Eerdmans, JA21.

De heer Van Houwelingen (FVD):
Steun namens FVD.

De voorzitter:
Steun.

De heer Eerdmans (JA21):
Voorzitter, iedereen zegt: doe het maar in de commissie. Maar volgens mij lopen die commissievergaderingen ook helemaal vol en over, of niet? Dus ik zou het niet zo gek vinden om dit thema ook hier in de plenaire zaal te bespreken, zeker als de commissie helemaal vol zit.

De voorzitter:
U steunt dus het verzoek.

Mevrouw Den Haan (Fractie Den Haan):
Geen steun.

De voorzitter:
Geen steun.

Mevrouw Simons (BIJ1):
Het lijkt me goed om dit debat plenair te voeren, voorzitter. Steun.

De voorzitter:
Steun.

De heer Paternotte (D66):
Voorzitter. We zouden graag een brief zien, maar geen steun voor het debat.

De voorzitter:
Geen steun. De heer Wassenberg, Partij voor de Dieren, en dan mevrouw Van der Plas, BBB.

De heer Wassenberg (PvdD):
Geen steun, voorzitter.

De voorzitter:
Geen steun.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Steun namens BBB.

De voorzitter:
Even kijken. Er is geen meerderheid voor uw verzoek.

De heer Kops (PVV):
Helaas.

De voorzitter:
Ik zie u graag terug.

De heer Kops (PVV):
Absoluut!

De voorzitter:
Dan geef ik het woord aan de heer Van Nispen voor een vooraankondiging.

De heer Van Nispen (SP):
Dank u wel, voorzitter. Morgenochtend is er een commissiedebat over iets heel fundamenteels: de toegang tot het recht. Het gaat over de gesubsidieerde rechtsbijstand. Ik zou graag willen voorstellen om het tweeminutendebat dat daaruit gaat voortvloeien nog deze week op de agenda te zetten, zodat we daar volgende week over kunnen stemmen. Maar als de hele Kamer zegt "Michiel, we willen er per se deze week over stemmen", dan ga ik daar niet voor liggen. Maar wat mij betreft kan dat dinsdag.

De voorzitter:
Is daar bezwaar tegen? Ik zie dat er geen bezwaar tegen is, dus daarmee wordt uw verzoek ingewilligd.

Dan geef ik het woord aan de heer Van Baarle van DENK voor zijn verzoek.

De heer Van Baarle (DENK):
Voorzitter, dank u wel voor het woord. Binnenkort staat het dertigledendebat over discriminatie op de woningmarkt op de rol. Gezien de zwaarte en grootte van dit probleem zouden wij het verzoek willen doen om dat debat op te plussen naar een regulier meerderheidsdebat.

De voorzitter:
Dank u wel. Wordt dit voorstel gesteund? U moet toch allemaal weer even wat zeggen, want de meningen verschillen daarover. Ik zie dat de heer Markuszower het verzoek steunt.

De heer Van Nispen (SP):
Wij steunen het ook.

De voorzitter:
U steunt het verzoek.

De heer Stoffer (SGP):
Geen steun.

De voorzitter:
Geen steun.

Mevrouw Simons (BIJ1):
Van harte steun, voorzitter.

De voorzitter:
Steun. Meneer Markuszower, weet u waar u ja of nee tegen heeft gezegd?

De heer Markuszower (PVV):
Ik was in de war, want ik zag twee keer een verzoek van DENK. Dit gaat om het eerste verzoek van DENK?

De voorzitter:
Dit gaat over het verzoek om het dertigledendebat over discriminatie op de woningmarkt om te zetten naar een meerderheidsdebat.

De heer Markuszower (PVV):
Nee, dat lijkt me geen debat waardig.

De heer Van Baarle (DENK):
Dat vind ik jammer!

De voorzitter:
Toch geen steun van de heer Markuszower.

Mevrouw Tellegen (VVD):
Geen steun.

De voorzitter:
Geen steun.

Mevrouw Den Haan (Fractie Den Haan):
Wel steun.

De voorzitter:
Steun.

Mevrouw Kuik (CDA):
Geen steun.

Mevrouw Piri (PvdA):
Steun, mede namens GroenLinks.

De voorzitter:
Steun.

De heer Van Houwelingen (FVD):
Voor ons is een dertigledendebat voldoende, dus geen steun.

De voorzitter:
Geen steun.

De heer Paternotte (D66):
Steun, voorzitter.

De voorzitter:
Steun.

Mevrouw Koekkoek (Volt):
Steun.

De heer Eerdmans (JA21):
Geen steun.

De voorzitter:
Geen steun.

De heer Wassenberg (PvdD):
Wel steun, voorzitter.

De voorzitter:
Wel steun.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Geen steun.

De voorzitter:
Er is geen meerderheid voor uw verzoek.

De heer Van Baarle (DENK):
Helaas, voorzitter.

Dan gaan we naar het volgende verzoek. Op de planning voor deze week staat het tweeminutendebat Openbaar vervoer en taxi. In het commissiedebat is destijds gewisseld tussen ondergetekende en de staatssecretaris om nog het een en ander te wisselen met betrekking tot de problematiek van taxichauffeurs. Ik zou de Kamer dus graag het verzoek willen doen dit tweeminutendebat uit te stellen.

De voorzitter:
Is daar bezwaar tegen? Volgens mij niet. Ik zie dat de heer Markuszower dit ook een goed verzoek vindt. Volgens mij is uw verzoek ingewilligd.

De heer Van Baarle (DENK):
Dank in de richting van de collega's.

De voorzitter:
Dank u wel.

Dan geef ik het woord aan mevrouw Piri van de PvdA voor haar verzoek.

Mevrouw Piri (PvdA):
Voorzitter. Er zijn Kamerbreed grote zorgen over de veiligheid van de Afghaanse tolken. Dat zijn de mensen die de afgelopen jaren onze Nederlandse militairen daar hebben gesteund en ondersteund. Gezien de verslechterde veiligheidssituatie in Afghanistan — we zien vandaag bijvoorbeeld al dat de Australische ambassade heeft aangekondigd haar ambassade te sluiten — maar ook gezien het feit dat binnen een aantal weken alle NAVO-troepen zich terugtrekken, is het verzoek van mijn fractie om hier na de technische briefing op donderdag, uiterlijk volgende week, met z'n allen een debat over te voeren.

De voorzitter:
Dus het verzoek is: volgende week een debat.

De heer Wassenberg (PvdD):
Voorzitter, de Partij voor de Dieren steunt dat verzoek.

De voorzitter:
Steun.

De heer Van Nispen (SP):
Goed voorstel. Ook steun van de SP.

De voorzitter:
Steun.

Mevrouw Tellegen (VVD):
Zeker steun.

De voorzitter:
Steun.

De heer Van der Lee (GroenLinks):
Van harte steun. Het is zeer urgent.

De heer Ceder (ChristenUnie):
Het is urgent, dus steun, ook namens de SGP.

De heer Van Baarle (DENK):
Voorzitter. DENK steunt dit verzoek. Dat is mede namens mevrouw Simons van BIJ1.

De voorzitter:
Steun.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Steun.

De voorzitter:
Steun.

De heer Markuszower (PVV):
Steun.

De voorzitter:
Steun. Volgens mij is er inmiddels al een meerderheid. Ik zie nog meer steun. Er is een meerderheid. Ook van harte steun van mevrouw Koekkoek.

Mevrouw Piri (PvdA):
Heel fijn, voorzitter.

De voorzitter:
Dan gaan wij ons best doen om dat zo spoedig mogelijk in te plannen. Daarmee zijn wij aan het einde gekomen van de regeling van werkzaamheden.

De vergadering wordt van 16.19 uur tot 16.32 uur geschorst.

Voorzitter: Paternotte

Wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen

Wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen

Aan de orde is de behandeling van:

  • het wetsvoorstel Wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen en enige andere wetten in verband met het versterken van de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen (35513).

De voorzitter:
Aan de orde is de Wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen en enige andere wetten in verband met het versterken van de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen.

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:
Er hebben zich zeven sprekers voor dit debat gemeld. De allereerste is de heer De Kort van de VVD. Ik geef hem graag bij dezen het woord.

De heer De Kort (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Ik ben nog niet zo heel lang Kamerlid, maar voordat ik Kamerlid werd, was ik actief in de lokale politiek. Als raadslid en als wethouder heb ik ervaringen met gemeenschappelijke regelingen. Ik erken dat het met name als volksvertegenwoordiger lastig was om voldoende grip en invloed te houden op die gemeenschappelijke regelingen, terwijl er steeds meer in regionale samenwerking plaatsvindt. Denk daarbij aan de Participatiewet, die rechtstreeks het budgetrecht van gemeenteraden raakt. Of denk daarbij aan de Regionale Energiestrategie, die direct van invloed is op de leefomgeving van burgers. Des te belangrijker is het dus dat de democratische legitimatie goed geregeld is.

Er zitten een aantal verbeteringen in het voorstel. Wij zijn vooral benieuwd naar de effecten van die verbeteringen. Kan de minister dan ook toezeggen dat de Kamer jaarlijks wordt geïnformeerd over de effecten van de verbeteringen die voortkomen uit dit voorstel?

Het tweede punt voor de VVD is de ondersteuning van de griffiers, want de werkdruk voor raadsleden, Statenleden en waterschapsleden is hoog. Dat weten we. Er komen dus wellicht verbeteringen, maar als die werkdruk zo hoog is, is het maar de vraag of die voldoende worden toegepast. We zijn dus benieuwd hoe de minister aankijkt tegen verbetering van de ondersteuning van de griffiers.

Voorzitter, tot zover mijn bijdrage in eerste termijn.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer De Kort. Dan geef ik nu het woord aan de heer ... Nee wacht, er is een interruptie van mevrouw Leijten.

Mevrouw Leijten (SP):
Het is interessant om de VVD hierover te horen, zeker een oud-raadslid dat hier veel mee te maken heeft gehad. Kan de heer De Kort aanwijzen op welk vlak dit wetsvoorstel nou wel echte democratische grip geeft aan zo'n gemeenteraadslid?

De heer De Kort (VVD):
Er zitten meerdere verbeteringen in dit voorstel. Neem het recht van onderzoek. Dat heb je wel als raadslid in je eigen gemeente, maar er komt nu ook een mogelijkheid om met raadsleden uit andere gemeenten in de regio het recht op onderzoek uit te oefenen. Een ander punt is de actieve informatieplicht. Een derde punt zijn de zienswijzes, die niet alleen maar bij een begroting worden ingediend maar de raad ook eerder in positie brengen om meer grip te krijgen.

Mevrouw Leijten (SP):
Maar lost dit ook het democratisch tekort van het gebrek aan zeggenschap op?

De heer De Kort (VVD):
Het is een stap in de goede richting. Daarom ben ik juist heel benieuwd naar de effecten van de verbeteringen en vraag ik de minister ook om de Kamer daarover jaarlijks te rapporteren.

Mevrouw Leijten (SP):
De drie zaken die de heer De Kort namens de VVD noemt als verbeteringen, lossen niet op waar hij mee begon, namelijk dat je als gemeenteraadslid op belangrijke dingen wel taken maar geen zeggenschap hebt. Het recht op onderzoek is prima. Een zienswijze geven? Dat kan allemaal terzijde worden geschoven. Een actieve informatieplicht? Hoezo was die er niet, kun je je afvragen. Is de heer De Kort niet van mening dat dit wetsvoorstel het democratisch tekort aan zeggenschap niet oplost en wel juist die regionale samenwerkingen legitimeert?

De heer De Kort (VVD):
Onze burgers denken helemaal niet in die gemeentegrenzen. Daarom is het juist logisch dat er meer regionaal wordt samengewerkt. Ik denk dat de verbeteringen die worden voorgesteld, daar echt wel een bijdrage aan kunnen leveren. Dat zal moeten blijken, dus vandaar dat ik het heel belangrijk vind dat de Kamer er jaarlijks over wordt gerapporteerd en geïnformeerd of het voldoende effect heeft. Want dat ben ik met mevrouw Leijten eens: het moet wel effect hebben.

De voorzitter:
Mevrouw Leijten, tot slot.

Mevrouw Leijten (SP):
De heer De Kort heeft een heel kort betoog. Hij begint eigenlijk met de kern van het probleem, namelijk: er zijn wel gemeentelijke taken, maar dat kan niet goed worden ingevuld door de lokale volksvertegenwoordiging omdat je die regionale tussenlaag hebt gekregen. Moet je die dan wel hebben? Dat moet de kern van dit debat zijn. Is het dan niet zinvoller om de Raad van State te volgen, die zegt: "Daarom kan worden betwijfeld of het zinvol is om aan de wetgeving over gemeenschappelijke regelingen te sleutelen. Dit lost namelijk het achterliggende bredere probleem niet op." Kunnen we, met andere woorden, niet veel beter tegen de minister zeggen: hartstikke fijn, maar deze wet nemen we niet aan; we moeten eerst het probleem oplossen dat er geen democratische zeggenschap is?

De heer De Kort (VVD):
Mijn inschatting is, en dan val ik in herhaling — dat zeg ik vanuit mijn ervaring als wethouder én als raadslid — dat er wel degelijk verbeteringen in staan. Dat moeten we gaan afwachten, maar ik heb er op zich een goed gevoel over. Ik ben heel benieuwd naar de effecten.

De voorzitter:
Dank u wel. Ik zag dat er nog een interruptie was van de heer Bosma, als ik het goed heb. Nee, dat was niet het geval. Hij stond op om zijn betoog te gaan houden. Ik dank de heer De Kort voor zijn bijdrage en dan geef ik het woord aan de heer Bosma van de PVV voor zijn eerste termijn. Meneer Bosma, vangt u aan met uw betoog.

De heer Martin Bosma (PVV):
Dank u wel, voorzitter. We bespreken vandaag opnieuw een keuteltje van Ollongren. Het is natuurlijk uiterst logisch dat gemeenten samenwerken. Dat gebeurt in het kader van de WGR, de Wet gemeenschappelijke regelingen. Er zijn 424 van die gemeenschappelijke regelingen. Een grote gemeente heeft gemiddeld 46 van die samenwerkingsverbanden. Het gaat om samenwerkingen op het gebied van volksgezondheid, veiligheid, milieu, ruimtelijke ordening, welzijn, noem maar op. Die samenwerkingsverbanden groeien als kool. In 2005 ging het nog om een bedrag van 8,5 miljard euro; dat was 8% van de gemeentelijke budgetten. Inmiddels is dat gegroeid tot tegen de 30% van de gemeentelijke begroting die in regioverband wordt uitgegeven. Het gaat in totaal om 16 miljard euro. Dat schuurt omdat gekozen gemeenteraadsleden nauwelijks grip hebben op dit soort mega-uitgaven en burgers veelal het bestaan van die samenwerkingsverbanden niet kennen. Er is een schimmige wereld ontstaan waar niemand grip op heeft en niemand zicht op heeft.

Ik sprak even met de fractieleider van de PVV in Zaanstad, Peter van Haasen. Hij vatte het bondig samen. Hij zei: "Onze gemeente zit in veel te veel gemeentelijke regelingen. We betalen ons scheel aan al die clubjes waar helemaal niemand iets over te vertellen heeft." Het is totaal logisch dat hij dat vindt, want naast zijn werk als gemeenteraadslid moet hij dus ook nog een veertigtal gemeenschappelijke regelingen in de gaten houden. Hoe moet hij dat doen? En hoe moeten al die duizenden andere gemeenteraadsleden dat doen? Professor Maarten Allers noemt de situatie ronduit alarmerend. Hij zegt: "Ik vind het bizar dat zo'n groot deel van de overheidsbegroting wordt onttrokken aan democratische controle, en niemand die zich er druk om maakt."

Er is eigenlijk een dubbel democratisch tekort. We kunnen namelijk ook de minister er niet op aanspreken, dus niet de gemeente én niet de minister. Kortom: het is een gapend gat in onze democratie, een zwart gat. Dat weten we al jaren. Daarom stond ook in het regeerakkoord dat deze wet, de WGR, moet worden aangepast. Er was blijkbaar haast bij. Maar we weten wat "haast" betekent als Ollongren het moet doen: het verdwijnt in het grote vergeetboek. Datzelfde gebeurde toen Ollongren een wet aankondigde over de right to challenge. Daar hebben we nooit meer iets over gehoord. Of net zoals Ollongren bij de Algemene Beschouwingen werd gevraagd het probleem van de bevolkingsgroei in kaart te brengen. Nooit meer iets over gehoord. En net zoals Ollongren een grote broek aantrok inzake het nepnieuws. Nooit meer iets van gehoord. Vier jaar lang klopten onze harten vol verwachting. Hoe ging zij dit varkentje wassen? We keken vier jaar lang naar onze inbox, controleerden wat er binnenkwam bij de commissie, spelden de kranten. Maar niks, nada, noppes.

Maar toen, meneer de voorzitter, ver in blessuretijd, toen het kabinet reeds demissionair was, zelfs ver na de verkiezingen, komt de minister. Kijk eens aan; we hadden de moed al opgegeven! Het gevoel voor urgentie is blijkbaar enorm. Dat regeerakkoord heette "Vertrouwen in de toekomst". Nou, die toekomst heeft dan lang geduurd. In de tussentijd heeft mevrouw Ollongren wel de democratie uitgehold, het referendum afgeschaft en 40 gemeenten vernietigd. Dat allemaal door een lid van de partij die is opgericht om de democratie te verbeteren, om kanalen te graven naar de macht. 40 gemeenten minder. Oftewel: op lokaal niveau is het bestuur nóg verder van de burger geplaatst, nóg verder weg, nóg ondoorzichtiger.

Daarbovenop is er die duistere wereld van 424 gemeenschappelijke regelingen. Arme ambtenaren, die vier jaar lang hebben zitten te zoeken. Hebben ze iets gevonden? Nou, niet echt. Wat gebeurt er om een derde van de gemeentelijke begrotingen weer onder controle van de democratie te brengen? Hoe ging Ollongren de gordiaanse knoop doorhakken? Hoe ging zij de kwadratuur van de cirkel oplossen? Nou voorzitter, houd u vast. U weet — u bent nieuw op die stoel — dat die stoel ook veiligheidsgordels heeft. Ik zou die even aansjorren als ik u was. Want het is niet gering. Fasten your seatbelts … Er komt, meneer de voorzitter, een uitbreiding van de zienswijzeprocedure! Jajaja! Een uitbreiding van de zienswijzeprocedure! Is het niet geweldig? Wat ís een zienswijzeprocedure? Ik had er nog nooit van gehoord. Nou ja, een zienswijzeprocedure is een beetje peilen bij gemeenteraadsleden wat ze ervan vinden. Dat is alles. Die procedure wordt nu in beton gegoten — waar was jíj toen je het hoorde? Het is gebakken lucht. Niet meer. En wat als die gemeenteraadsleden en leden van andere gemeenteraden het oneens zijn? Er komt ook de mogelijkheid — niet meer dan de mogelijkheid — om een gemeenschappelijke adviescommissie in te stellen. Zo! Thorbecke wordt definitief in de schaduw gesteld. Een heuse commissie. Toe maar! Ook wordt iets ingesteld wat ''actieve informatieplicht'' heet. Dan denk ik: bestaat er ook zoiets als een passieve informatieplicht of zo? De Raad van State schrijft daarover: wat het is het verschil met de reeds bestaande inlichtingenplicht? Het antwoord: dat verschil is er niet. Dat is mijn eigen antwoord. Poeh, poeh, een beetje college van B en W informeert sowieso. Het is toch je eer te na om zaken te verzwijgen? Het is prima om het in de wet te zetten. Dat is hartstikke leuk, maar in de praktijk verandert er helemaal niets.

Voorzitter. Nog een "krachtige" maatregel: de lokale rekenkamers kunnen die regio's nu in de gaten houden. Dat kunnen ze ook allemaal al, als ze maar willen. Daarom zegt de Raad van State, samenvattend: hooguit wat marginale veranderingen. Die Raad van State wordt ook nog eens geleid door een D66'er, die nota bene door partijgenoot Ollongren geparachuteerd is zonder enige parlementaire goedkeuring, maar zelfs die Raad van State leest het plan van Ollongren gapend en is totaal niet onder de indruk.

Voorzitter. Veel heeft Ollongren niet gepresteerd de afgelopen jaren. Ze heeft een paar dingen afgeschaft, zoals het referendum. Ze heeft 40 gemeenten gesloopt. Plus nog wat marginale dingetjes die ze naar de Kamer heeft gestuurd; dit is er daar één van. Dit is net zo'n keuteltje als haar recente voorstel dat grondwetsherzieningen in de tweede termijn in de verenigde vergadering moeten plaatsvinden. Niemand kon ontdekken wat dat in de praktijk zou veranderen, ook deze minister niet. Geen wonder; het is weer net zo'n keuteltje als de wet van vandaag. Het is met het blote oog niet waarneembaar, net zoals met het blote oog niet waarneembaar is wat Ollongren precies heeft bijgedragen aan onze democratie. De enige reden waarom wij ons als fractie haar zullen blijven herinneren, is dat zij de PVV in haar Hannie Schaftlezing vergeleek met nazi's. D66'ers zijn namelijk heel inclusief en heel tolerant.

Voorzitter. Ik zal eindigen met een persoonlijke bekentenis, die ik al vaker gedaan heb. In het jaar onzes Heren 1990 studeerde ik af in de politieke wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam. Mijn afstudeerscriptie ging over die Wet gemeenschappelijke regelingen. De WGR is dus al 31 jaar mijn lust en mijn leven. Dat heb ik eerder verteld. Toen kwam de heer Van Raak naar voren om te eisen dat mijn afstudeerscriptie deel zou gaan uitmaken van de Handelingen, maar ik kon haar op zolder nergens terugvinden. Ik heb ook geen idee wat ik daar allemaal heb beweerd. Ik hoor u zeggen "het zal in ieder geval briljant geweest zijn". Dank voor uw steun, maar de WGR zoals ik die 31 jaar geleden onderzocht, was een andere. Er waren toen een stuk of 40 regio's; ik ben het aantal kwijt. Alle samenwerkingen moesten plaatsvinden in die regio's. Ik liep voor mijn onderzoek een halfjaar rond op het ministerie van Binnenlandse Zaken. Daarna verhuisde ik naar Amerika en ben ik die wet uit het oog verloren. Het is meteen bergafwaarts gegaan. Ja, zo gaat dat. Die vaste regio's zijn vervallen. Dat is uiteindelijk jammer. Het passen van gemeenschappelijke activiteiten binnen zo'n regio kan moeilijk zijn. Als het gaat om het betalen van een zwembad, heb je aan twee dorpen genoeg. Andere voorzieningen vragen juist om een veel grotere schaal. Je bent dus dingen in elkaar aan het passen die vaak niet in elkaar passen. Maar die oude structuur van de Wet gemeenschappelijke regelingen 1985 had wel een voordeel. Het was een herkenbare eenheid, een herkenbare regio, die een naam en een adres had. Het Regionaal Overleg Amsterdam of het Openbaar Lichaam Rijnmond waren daar voorbeelden van. En zij hadden in ieder geval een zekere democratische legitimiteit of ze waren bezig met het organiseren daarvan. Oftewel: de kwadratuur van de cirkel was al eerder opgelost.

Dank u wel, meneer de voorzitter.

De voorzitter:
Dank aan de heer Bosma. De microfoon wordt eventjes schoongemaakt. Ondertussen ga ik mevrouw Bromet van GroenLinks uitnodigen om naar het spreekgestoelte te komen voor haar eerste termijn. Mevrouw Bromet, aan u het woord.

Mevrouw Bromet (GroenLinks):
Dank u wel, voorzitter. Ik was ook gemeenteraadslid en wethouder, en wel van de gemeente Waterland, een gemeente ten noorden van Amsterdam met 18.000 inwoners. Wij hadden daar diverse gemeenschappelijke regelingen, omdat het ondoenlijk was om als gemeente zelf bijvoorbeeld de GGD of het archief te organiseren. We hadden ze ook om mee te doen in het openbaar vervoer in de vervoerregio of in de veiligheidsregio of om recreatiegebieden te onderhouden die over gemeentegrenzen heen gingen. Ook een eigen ombudsman konden we ons niet veroorloven; daarom zaten we in een gemeenschappelijke regeling Ombudsman. Ook de decentralisaties in het sociaal domein hadden we belegd in een gemeenschappelijke regeling, omdat het gewoonlijk ondoenlijk was om dat met een gemeente van 18.000 inwoners allemaal zelf te doen. Ook het openbaar onderwijs was zo'n voorbeeld van een gemeenschappelijke regeling. En heb ik daar nou als raadslid veel plezier van gehad? Want ik vond het debat over die gemeenschappelijke regelingen eigenlijk oersaai. Je bevroeg de portefeuillehouder, de wethouder, dan over wat hij moest gaan doen in dat overleg, over wat hij moest gaan zeggen namens de gemeenteraad. En hij of zij deed dat dan wel of niet; dat kon je niet controleren. Achteraf vroeg je dan wel: hoe hard heeft u dat toen gespeeld? "Ja, ik heb het verloren ..." En daar moest je het dan mee doen. En de begrotingen kwamen natuurlijk ook eens per jaar langs, en die gingen eigenlijk als een soort hamerstuk voorbij. Ik heb als wethouder wel het genoegen mogen meemaken om één gemeenschappelijke regeling op te heffen. Dat was geen sinecure; daar zijn we vier jaar mee bezig geweest.

Maar ja, door de decentralisaties hebben gemeenten, provincies en waterschappen de afgelopen tijd steeds meer taken erbij gekregen. Deze taken, die vaak betrekking hebben op de dienstverlening aan de burgers, hebben grofweg twee aspecten: enerzijds moet er beleid gemaakt worden en anderzijds moet het beleid worden uitgevoerd. En veel gemeenten, zoals mijn gemeente Waterland, kunnen dat helemaal niet zelf, omdat ze een te klein ambtelijk apparaat hebben of omdat ze niet de geografische schaal hebben om deze taken zelf uit te voeren. Daarnaast is het ook logisch dat gemeenten met elkaar en met provincies en waterschappen samenwerken om beleid te maken en om dit beleid uit te voeren. Dus GroenLinks vindt het best logisch dat er gemeenschappelijke regelingen zijn. Maar de vraag is natuurlijk wel hoe deze vaak regionale bestuurslagen zo georganiseerd zijn dat ze ook effectief kunnen werken, en dat de lokale en regionale democratie uiteindelijk de beslissingsbevoegdheid behoudt, de dienstverlening aan de burgers wordt geborgd en burgers desgewenst ook nog kunnen participeren.

We hebben de afgelopen jaren gezien dat er steeds meer zorgen zijn ontstaan over de democratische legitimatie van de gemeenschappelijke regelingen. Het beleid en de uitvoering worden op grote afstand van de lokale democratie belegd en de democratische controle wordt dus steeds lastiger. GroenLinks heeft hier, net als diverse andere partijen hier in de Kamer, regelmatig aandacht voor gevraagd, en we zijn daarom blij dat we nu deze wet kunnen bespreken.

Als we naar het wetsvoorstel kijken, dan zien we een reeks van wijzigingen waarvan we kunnen zeggen dat ze een stapje in de goede richting zijn. Maar wel dient de vraag zich aan of deze wijzigingen nu echt zo'n verschil zullen maken dat het vanaf nu ineens wel allemaal heel democratisch wordt. En uiteraard kan niet alles per wet worden geregeld en zal voor een deel ook de bestuurscultuur — die term hebben we de laatste tijd vaker gehoord — moeten worden verbeterd, maar de wetswijzigingen zouden daar wel bij moeten helpen. Voor nu heeft mijn fractie daar wel aantal vragen over, die we graag aan de minister willen stellen. Allereerst blijft voor mijn fractie de vraag leven hoe we nu kunnen organiseren dat raadsleden echt goed kunnen controleren wat er mede namens hun gemeente wordt besloten in een gemeenschappelijke regeling. We horen en zien nu vaak dat er vragen zijn of kritiek is op het functioneren van een samenwerkingsverband, maar dat de bestuurders, vaak wethouders of burgemeesters, zich achter zo'n gemeenschappelijke regeling verschuilen: "Ja, ik snap uw kritiek, maar het is nu eenmaal zo in de gemeenschappelijke regeling besloten". En zolang de gemeenteraadsleden hun eigen collegelid ter verantwoording moeten roepen en dus niet het bestuur van bijvoorbeeld de GGD of de veiligheidsregio rechtstreeks ter verantwoording kunnen roepen, blijft de vraag of er van een echte goede democratische controle sprake kan zijn. Mijn fractie begrijpt alle mitsen en maren van de rolvermenging in het verlengd lokale bestuur, maar op dit wezenlijke punt wil ik wel graag van de minister horen hoe zij denkt dat deze wet hierbij kan gaan helpen.

Een ander punt van zorg van mijn fractie is de betrokkenheid en de participatie van burgers. Voor veel burgers belangrijke zaken worden vooral bij kleinere gemeenten belegd bij de gemeenschappelijke regelingen. En hierdoor gaat de betrokkenheid van burgers soms verloren, omdat het beleid en de uitvoering ergens bij een anonieme gemeenschappelijke regeling is neergelegd. In het wetsvoorstel komt de minister met het voorstel dat participatie expliciet moet worden geregeld, maar het wordt niet verplicht. Er kan dus ook besloten worden dat er geen participatiemogelijkheden komen, en dat vind ik ongelukkig. Ik overweeg daarom om een amendement in te dienen om de burgers in ieder geval de mogelijkheid te geven om in te kunnen spreken bij vergaderingen van het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regelingen, en om bijvoorbeeld een petitie aan te kunnen bieden. Op die manier wordt het voor gemeenschappelijke regelingen verplicht om, als burgers daar behoefte aan hebben, over een bepaald voorstel met burgers in contact te treden. Ik ben benieuwd naar de reactie van de minister op zo'n eventueel voorstel.

Dit wetsvoorstel regelt de actieve informatieplicht naar de raden. Dat is op zich natuurlijk goed, maar wat gaat er nou precies veranderen, zo vraag ik aan de minister; die vraag werd volgens mij ook al door de vorige spreker gesteld. Want zij schrijft zelf in de memorie van toelichting dat artikel 17 van de WGR nu al de mogelijkheid geeft aan raadsleden om vragen te stellen en dat er geen verantwoordingsverplichting is naar gemeenteraden. Wat is dan het materiële effect van een actieve informatieplicht? Wat is de mogelijke sanctie als de informatieplicht niet goed wordt nageleefd?

Een ander punt van zorg van mijn fractie is dat de meeste verbeteringen van de democratische legitimatie die met dit wetsvoorstel worden geregeld pas effect hebben als alle betrokken gemeenteraden instemmen. We kennen allemaal regelingen met veel verschillende gemeenten. Hoe zorgen we ervoor dat niet een gemeenteraad of enkele om politieke redenen dwarsliggende gemeenteraden extra democratische controle van andere gemeenteraden kunnen blokkeren? Stel dat er een gemeenschappelijke regeling is met tien deelnemende gemeenten. Negen van die tien gemeenteraden willen een onderzoek instellen of een adviescommissie in het leven roepen, maar dan gaat het feest toch niet door omdat één gemeenteraad in meerderheid daar geen behoefte aan heeft. Moeten we een kleine minderheid echt een veto geven, of kan dit anders? Graag een reactie van de minister.

In de wet wordt steeds gesproken over raadsleden, maar vooral in kleinere gemeenten maken kleinere fracties veelvuldig gebruik van duocommissieleden, om fracties meer slagkracht te geven. Kunnen die ook namens de gemeenteraad in een gemeenschappelijkeregelingcommissie plaatsnemen, zo vraag ik de minister.

Voorzitter, tot slot. Deze wet ziet op het versterken van de democratische controle van gemeenteraden op gemeenschappelijke regelingen, publiekrechtelijke vormen van interbestuurlijke samenwerkingen. Steeds vaker zien we echter dat overheden via privaatrechtelijke overeenkomsten in convenanten of een akkoord samenwerken. Dat is dus niet sec een gemeenschappelijke regeling. De RES is daar een voorbeeld van. Het is niet echt een gemeenschappelijke regeling, maar wel een samenwerking. Daarop is de democratische controle ook niet altijd goed geregeld. Ik vraag de minister om daarop in te gaan. Hoe kunnen we de lokale volksvertegenwoordigers beter zicht geven op dat soort samenwerkingsverbanden? Hoe kunnen we hun de middelen in handen geven om hun democratische controle op dat vlak te verbeteren?

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel voor uw bijdrage in de eerste termijn, mevrouw Bromet. De microfoon wordt weer even schoongemaakt. Vervolgens nodig ik mevrouw Leijten van de SP uit om zich naar het spreekgestoelte te begeven voor haar eerste termijn.

Mevrouw Leijten (SP):
Dank, voorzitter. Het was het kabinet-Rutte II dat met het briljante voorstel kwam om supergemeenten in te stellen van minimaal 100.000 inwoners of groter. Daarbij werd een opschalingskorting opgelegd. Die bestaat overigens nog steeds, maar het idee van deze supergemeenten is wel gestrand, omdat er geen visie was op lokale democratie. Sluipenderweg is er een nieuwe bestuurslaag gekomen, de gemeenschappelijke regelingen. We hoorden het net al: het zijn er meer dan 400 in ons land. Deze gemeenschappelijke regelingen gaan de uitvoering van gemeentelijke taken in samenwerking doen. Er komt een dagelijks bestuur, dat wordt gecontroleerd door een algemeen bestuur. Maar echte democratische zeggenschap door een gekozen volksvertegenwoordiging is er niet.

Naast die gemeenschappelijke regelingen zien we nog een trend, namelijk dat het aantal gemeenten sterk vermindert. In 1995 waren er 633. Nu zijn er nog 352. Lokaal bestuur komt dus steeds verder weg te staan van mensen. De laatste belangrijke trend die we hebben gezien, is de decentralisatie, het over de schutting gooien van overheidstaken, met gigantische bezuinigingen. Deze zijn altijd verkocht met het sausje dat "dingen dichtbij regelen nu eenmaal alles beter maakt". Maar hebben mensen nu echt betere thuiszorg gekregen door die decentralisatie? Hebben mensen echt gezien dat de problemen in de jeugdzorg zijn opgelost? Hebben mensen vanuit een uitkering sneller werk gekregen omdat de gemeente dat nu uitvoert? Op al deze vragen is het antwoord nee. Want als je een hardvochtige overheid hebt, wordt er ook hardvochtig gedecentraliseerd, met een gigabezuiniging. Dan krijg je niet een betere overheid.

Wat je ook niet hebt gezien, ook niet bij die decentralisaties, is dat er is gevraagd: willen de inwoners van Nederland dit wel? Wat is eigenlijk de visie op wat een gemeente doet? Waarvoor moet zij verantwoordelijk zijn? Dat gesprek van onderop wordt niet gevoerd, en dat zou wel nodig zijn; dat zouden we moeten doen.

De decentralisatie heeft versterkt — u hoorde het net ook van mevrouw Bromet — dat er nog meer regionaal wordt samengewerkt. Want de taken die zo veel beter door de gemeentes zouden kunnen worden uitgevoerd, konden door heel veel gemeentes helemaal niet worden uitgevoerd, omdat ze qua schaal gewoon te klein waren. De nieuwe bestuursvorm die zijn intrede doet, heeft geen democratische inbedding. Al jaren wijzen wij erop dat er hierdoor een democratisch tekort is. Hier, in de Tweede Kamer, kunnen wij een minister niet verantwoordelijk houden voor de uitvoering van die overheidstaken, maar in de gemeenteraad kan een gemeenteraadslid ook de wethouder niet verantwoordelijk houden, want het ligt ertussenin. Het is een dubbel democratisch tekort. Dat is totaal onwenselijk. Dat is heel slecht voor het vertrouwen in de overheid. Het is ook heel slecht voor het zijn van volksvertegenwoordiger. De discussie die we moeten voeren, moet gaan over de vraag hoe we de democratie van onderop organiseren. Dat is niet wat in het wetsvoorstel staat dat hier vandaag ligt. Daarom zegt de Raad van State ook: daarom kan worden betwijfeld of het zinvol is om aan de wetgeving over gemeenschappelijke regelingen te sleutelen; dit lost de achterliggende, bredere problemen niet op. Waarom loopt de minister weg voor deze discussie? Waarom is er geen visie op wat democratie is?

Ja, en dan krijgen we in dit wetsvoorstel een aantal cadeautjes. "Er kan een zienswijze worden ingediend." Ja, maar die kan vervolgens ook weer niet worden beantwoord. "Er moet een reactie op een zienswijze komen." Dat lijkt me eigenlijk nogal logisch. Als een gemeenteraad zegt "hé, hallo, wij vinden iets van die samenwerking", moet dat samenwerkingsverband daarop reageren, dus wat is daar nou nieuw aan? Wat is er nieuw aan actief informeren? Dat hoort toch al zo te zijn? Openbaar bestuur hoort transparant te zijn. Er zijn geen overheidsdocumenten die van ambtenaren zijn. Het is allemaal van ons. De bestuurscultuur die we hier in Den Haag hebben gekregen van zo min mogelijk aan de volksvertegenwoordiging vertellen, wordt gekopieerd op lokaal, provinciaal en regionaal niveau, maar zo zouden we dat natuurlijk helemaal niet moeten doen.

Weet u wat ook interessant is? Dat er nieuwe termen komen. Als je een nieuw onderwerp in de politiek krijgt, moet je ook wennen aan nieuw jargon. Voor mij is de term "rolonduidelijkheid" nieuw. Eigenlijk is dat gewoon: wie controleert nu wie en wie heeft waar zeggenschap? Dat wordt niet opgelost, dat wordt groter gemaakt. Het wordt groter gemaakt door bijvoorbeeld voor te stellen dat gemeenteraadsleden zitting kunnen nemen in een algemeen bestuur dat dus het dagelijks bestuur van zo'n regionale samenwerking kan controleren. Daarvoor krijgen ze dan ook nog een extra vergoeding. Dat levert wel rare situaties op. Want wat zegt gemeenteraadslid Leijten, in mijn geval, als de meerderheid van de gemeenteraad zegt iets niet te willen, terwijl zij in dat algemeen bestuur heeft besloten dat ze dat wel willen?

Dat zie je eigenlijk ook bij de dubbelepettendiscussie over burgemeesters. Wat als de gemeenteraad van Alkmaar zegt "wij zijn het oneens met de politie-inzet bij een wedstrijd van AZ"? Dan moet de burgemeester van Alkmaar, die ook de voorzitter is van de regionale samenwerking, in dit geval de veiligheidsregio, tegen zichzelf zeggen: je hebt kritiek van je eigen gemeenteraad. Hoe gaat hij dat dan terugrapporteren? Gemeenteraadsleden lopen hier op dit moment tegen aan. Dit is niet hoe we het moeten doen. Die rolonduidelijkheid wordt niet opgelost. Sterker nog, die wordt vergroot, want gemeenteraadsleden die een extra taak op zich nemen om in zo'n extra bestuur te gaan zitten, waarbij dus die vermenging van verantwoordelijkheden ontstaat, krijgen ook nog extra betaald.

De voorzitter:
Er is een interruptie voor u van …

Mevrouw Leijten (SP):
Dat vindt de SP onwenselijk.

De voorzitter:
Er is een interruptie voor u van de heer De Kort van de VVD.

De heer De Kort (VVD):
Ik snap het punt van mevrouw Leijten over die rolonduidelijkheid, maar als ik het goed heb — ik zeg het uit mijn hoofd — staat op pagina 22 van de memorie van toelichting dat daar juist iets mee wordt gedaan. De VNG, het IPO en Raadslid.nu gaven aan dat dit wel een lastig punt is. Misschien kan de minister bevestigen dat het kabinet er anders mee omgaat.

De voorzitter:
Die vraag voor de minister noteren we. Dan horen we graag een reactie daarop van mevrouw Leijten.

Mevrouw Leijten (SP):
Het wordt niet opgelost, omdat dit wetsvoorstel in de analyse van de SP niet dat democratisch tekort oplost, niet die democratische discussie vormgeeft over de vraag wat wij nou de taak van gemeenten vinden. En als ze dan samenwerken — wat dat zal natuurlijk ook wel moeten — hoe doe je dat dan? Wie heeft dan het initiatief? Waar worden dan de beslissingen genomen? Dat wordt helemaal niet opgelost. Die discussie wordt uit de weg gegaan. De minister krijgt forse kritiek van de Raad van State, onder andere over deze onduidelijkheid. Men weet niet meer wie waarover gaat, wie waarvoor verantwoordelijk is en wie wat moet controleren. Dat is niet opgelost. Natuurlijk vinden het IPO en de VNG dit een geweldig wetsvoorstel, want dat legitimeert hun regionale samenwerking, dat legitimeert wat ze willen. Maar ik denk dat heel veel gemeenteraadsleden maar ook wethouders, als je die diep in hun hart kijkt, die legitimering niet willen. Het gaat hun veel meer om de discussie over de vraag: wat moet je lokaal regelen en hoe betalen we dat dan ook fatsoenlijk? De samenwerkingsverbanden zijn er alleen maar gekomen door die decentralisatie met gigantische kortingen en door de onduidelijke invulling van waar inwoners van Nederland nog recht op moeten hebben. We verzuipen eigenlijk in de vergaderingen. U zei het zelf ook. Dat kost heel veel energie. Maar wordt het er daar ook beter van? Die vraag wil ik wel aan de minister stellen. Komt uit de evaluatie naar voren dat het er beter op wordt? Misschien is door de manier waarop ik die vraag stel, het antwoord van de SP daarop al duidelijk geworden.

De voorzitter:
Ik wilde gaan zeggen dat u uw betoog kunt vervolgen. Maar toch niet helemaal, want er is een interruptie van mevrouw Bromet van GroenLinks.

Mevrouw Bromet (GroenLinks):
Misschien ben ik te vroeg hoor, maar ik zat te luisteren naar het betoog van de SP en moest denken aan de tijd dat ik als bestuurder van zo'n gemeenschappelijke regeling ongeveer wekelijks aan het vergaderen was. Die ging over achttien mensen met een arbeidshandicap en daar zit ik wekelijks een hele dag over te vergaderen met mijn collega's. Dat was ook de gemeenschappelijke regeling die we uiteindelijk opgezegd hebben. Ik hoor mevrouw Leijten zeggen dat er heel veel gemeentes zijn opgeheven en dat de samenwerking democratischer moet verlopen. Maar hoe kan dat dan? Die gemeentes moeten van de SP dus klein zijn, maar ze moeten tegelijkertijd ook alle taken zelf doen. Sommige dingen kunnen je terughalen naar het Rijk. Van de decentralisaties kun je zeggen: daar gaat de provincie of het Rijk over. Maar als het nou gaat over een archief of over een openbaarvervoersysteem of over het beheren van recreatiegebieden? Dat kun je toch niet allemaal op rijksniveau beleggen? Daarvoor moet je toch samenwerken? Hoe ziet de SP dan die democratische indeling?

Mevrouw Leijten (SP):
Wat mij betreft kun je heel goed samenwerken. Dat komt van onderop. Dat wordt niet geboren vanuit de noodzaak van taken die je over de schutting geflikkerd krijgt, met enorm veel kortingen. Een gemeente kan bijvoorbeeld zeggen: wij hebben een archief, wij kunnen dat niet goed onderhouden; hoe doet onze buurgemeente dat, hoe kunnen we dat goed doen? En dat moet dan altijd gebeuren met de directe instemming van de gemeenteraad. Dat kun je volgens mij heel goed regelen. Ik zou me dat ook kunnen voorstellen bij de GGD-regio's. Dat gaf u ook als voorbeeld.

In de Wet publieke gezondheid wordt bijvoorbeeld wel véél beter omschreven wat ook de taken daarvan zijn. Dat is iets wat bijvoorbeeld in de Wmo of in de Jeugdwet nagelaten is, want hoe meer de taken omschreven waren, hoe minder het Rijk kon bezuinigen. Ik kan me die discussies in deze zaal nog levendig herinneren. En we weten nu waar we staan. Eigenlijk hebben samenwerkingen dat overgenomen, want dan heb je het schaalvoordeel bij het inkopen van bepaalde zorgvormen of het organiseren van re-integratietrajecten. Maar de zeggenschap, waarover het verhaal toch was dat die op lokaal niveau moet omdat je dan een lokale oplossing hebt, is niet geëffectueerd. Daarom vroeg ik de minister ook: is het er nou beter op geworden? Is het nou democratischer geworden? Volgens mij is dat dus niet zo en zou je een stap terug moeten doen. Je zou die discussie over de gemeentelijke taken moeten voeren en moeten zeggen: zo min mogelijk in ondemocratisch gelegitimeerde structuren.

Mevrouw Bromet (GroenLinks):
Laat er geen misverstand zijn, want ook GroenLinks vindt dat er zo veel mogelijk democratisch bestuurd moet worden. Maar ook bij GGD-en is het zo dat gemeenteraden soms heel ontevreden kunnen zijn over besluiten die in de regio genomen worden. Als ik naar de SP luister, lijkt het net alsof het allemaal niet deugt en moet worden afgeschaft. Maar ik zie niet hoe we het dan wel gaan oplossen. Als je samenwerkt, blijft er altijd een probleem als het gaat om de vraag wie het voor het zeggen heeft.

Mevrouw Leijten (SP):
Daarom moet je dus goed formuleren wat de taken zijn van een gemeente, waardoor je daar in ieder geval geen discussie over krijgt. Die discussie wordt nu van bovenaf gevoerd. Die wordt vanuit efficiency gevoerd. Die wordt niet vanuit het belang van de inwoners van Nederland gevoerd. De dienstverlening vanuit de overheid holt achteruit. Dat zien we allemaal met lede ogen aan. Als ik naar dit wetsvoorstel kijk, denk ik: dit wetsvoorstel doet precies niet wat we zouden moeten doen, het is daarom verloren tijd en we moeten het dus ook niet aannemen. Op het moment dat je dit gaat aannemen, wordt iedere discussie in de komende vier jaar doodgeslagen met "ga nou maar eerst de evaluatie van de wet afwachten". Mijn voorstel zou zijn dat we die discussie gaan voeren, met wat mij betreft wel het primaat voor de lokale uitvoering, maar dan ook wel met de middelen en de ruimte dat als een gemeente zegt "dit kunnen we niet", ze het ook niet hoeft te doen.

De heer Sneller (D66):
Ik denk dat we inderdaad niet moeten wachten met die fundamentele discussie, dus dat ben ik helemaal eens met mevrouw Leijten. Dat staat ook niet in dit wetsvoorstel. Ook in de beantwoording wordt gezegd: daar werken we aan door. In antwoord op mevrouw Bromet zegt mevrouw Leijten dat het eigenlijk beter is om preciezer te beschrijven, bijvoorbeeld bij de GGD'en, wat gemeenten moeten doen, zodat er lokaal minder beoordelingsruimte is en eigenlijk minder ruimte voor lokale democratie. Nu snap ik helemaal het punt dat er te weinig budget is meegegaan met de decentralisaties. Dat ben ik ook eens met mevrouw Leijten, maar ik snap niet zo goed hoe zij wel een lofzang op de lokale democratie kan doen maar vervolgens zegt dat je bij decentralisaties eigenlijk gewoon moet zeggen "dit moet je doen, gemeente". Dan wordt het een uitvoeringsloket.

Mevrouw Leijten (SP):
Nou, nee. Er zijn genoeg uitvoeringen waarbij wij bijvoorbeeld hebben gezegd: de aanrijtijden van politie en ambulances moeten een aantal minuten zijn. Daarmee is de lokale, regionale of provinciale uitvoering niet minder, maar geef je standaardnormen aan. Als het gaat over de Wmo-discussie hebben wij voorgesteld om een gemeentelijk zorgpakket te maken. Dat kun je vastleggen in de Wet publieke gezondheid. Dan ontstaat er geen discussie over wat een uit te voeren taak is. Als je thuiszorg nodig hebt of psychische ondersteuning, gaat de discussie niet over "heeft u dat wel nodig, meneer Sneller?" maar hebt u daar recht op. We vinden het belangrijk dat inwoners duidelijkheid hebben. Dat is altijd afgewezen onder het motto: als je dat doet, kunnen we niet zo hard bezuinigen want als we vaag beschrijven wat de uitkomstnormen zijn, kunnen we harder bezuinigen op, in dit geval, de thuiszorg. Ik denk dat een gemeentelijk basispakket in de Wet publieke gezondheid helemaal niet vreemd is, want dat zit nu al in de Wet publieke gezondheid. Over de uitvoering van de GGD-taken is zeker heel vaak onvrede, maar in iedere gemeente organiseren we een consultatiebureau omdat we het belangrijk vinden dat pasgeborenen worden gezien, een hielprik krijgen enzovoorts. Dat is overal geregeld. Weet u waarom dat is? Omdat het een lokale taak is waarvan wel vastligt dat iedere inwoner er recht op heeft. Het kan dus heel goed samengaan.

De heer Sneller (D66):
Het kan zeker samengaan. Er is natuurlijk ook gewoon een ondergrens die …

Mevrouw Leijten (SP):
Maar die is niet geformuleerd in de Jeugdwet en die is niet geformuleerd in de Wmo.

De voorzitter:
Eerst de interruptie van de heer Sneller en dan de reactie van mevrouw Leijten.

De heer Sneller (D66):
Ik zoek ernaar om wat meer gevoel te krijgen bij de kaderstellende rol van de gemeenten en de ruimte die mevrouw Leijten wil laten aan het lokale bestuur om zelf afwegingen te maken, misschien met een voorbeeld buiten het zorgdomein, waarvan zij veel weet. We zetten hier de uitkomsten vast, want aanrijtijden en dat soort dingen zijn hier natuurlijk heel precies geformuleerd. Dan mag de gemeente kijken hoe ze het gaat regelen, maar ze mag niet bepalen wat ze gaat regelen. De ondergrens is best wel strak gedefinieerd in de wet.

Mevrouw Leijten (SP):
Weet u, ik …

De heer Sneller (D66):
Hoeveel ruimte wil mevrouw Leijten, die spreekt over een fundamentele discussie over het lokaal bestuur, nou geven?

Mevrouw Leijten (SP):
Ik vind dat dat niet per se vanuit deze ivoren toren in Den Haag moet worden bepaald, dus ook niet door mij. Als een gemeenschap zegt het de taak van een gemeente te vinden om er bijvoorbeeld voor te zorgen dat iedereen kan zwemmen en sporten in de buurt, dan kan je dat vastleggen. Dan kan de ene gemeente ervoor kiezen om het op de ene manier vast te leggen, terwijl de andere gemeente misschien een andere schaal en een andere opdracht heeft. Ik zou er heel erg voor zijn om dat te doen, maar dan faciliteer je als rijksoverheid wel dat dat dus ook kan. Als het gaat over heel essentiële voorzieningen die wij nu met lede ogen zien verdwijnen, omdat de keuze of de jeugdzorg of de bibliotheek is, zou ik er op dit moment veel meer voor zijn om te zeggen dat er in iedere gemeenschap, dorpskern, buurt of stad in ieder geval een bibliotheek aanwezig is. In de ene situatie kan dat een vestiging zijn en in de andere situatie de bibliotheekbus, maar we zorgen er wel voor dat we deze voorziening terugbrengen bij onze lerende jeugd, die het als het goed is leuk vindt om boeken kapot te lezen. Dat kun je als ouder niet iedere week bij kopen; daar is de bibliotheek een voorziening voor. Dat zou je nu doen omdat je ziet dat het verdwijnt vanwege de schaarste die de hele tijd wordt verdeeld. Het liefst wil je natuurlijk dat er gewoon mogelijkheden zijn om die afwegingen lokaal te maken. Ik hoop dat dat een antwoord is.

De voorzitter:
Ik wil mevrouw Leijten uitnodigen haar betoog te vervolgen.

Mevrouw Leijten (SP):
Ik roep op tot een discussie van onderop over het lokale bestuur. We zijn hier al begonnen. Ik ben blij om te horen dat D66 dat ook wil. Ik vind dat je daarmee eigenlijk dit wetsvoorstel niet kan aannemen. Ik wil de minister ook vragen waar dit wetsvoorstel precies vandaan komt. Uit wiens koker komt dit? Het komt namelijk op mij heel erg over als iets wat van bestuurders afkomstig is, van managers of consultants, maar niet van raadsleden en niet van volksvertegenwoordigers. Daar ben ik heel erg benieuwd naar. Als je echt een discussie wilt hebben over lokale democratie, wat krijgen wij dan allemaal te horen van onze raadsleden? "We hebben de middelen niet. Het is niet duidelijk wat we moeten doen. We moeten kiezen in schaarste, omdat de rijksoverheid altijd maar aan het bezuinigen is. En we moeten heel veel taken uitvoeren waar we eigenlijk niet op zitten te wachten, omdat die zijn afgeschoven." Ik ben dus heel erg benieuwd waar dit voorstel precies een antwoord op en een verbetering voor is, en waar het vandaan komt.

Voorzitter. Ik ben ervan overtuigd dat mensen hun lokale bestuur zo dichtbij mogelijk willen hebben, dat ze hun raadsleden willen kennen, hun wethouder bij wijze van spreken op de fiets willen kunnen tegenkomen. Dat zou ook heel goed zijn, want dat is bestuur dichtbij. Ik denkt dat dit voorstel het niet dichterbij brengt, maar juist verder weg. Het schuift een fundamentele discussie vooruit, omdat iedereen gaat zeggen: wacht nou toch op die jaarlijkse of die vierjaarlijkse evaluatie van dit wetsvoorstel. Wij roepen dus op om dit wetsvoorstel niet aan te nemen, maar het te parkeren totdat dat grote debat heeft plaatsgevonden.

De voorzitter:
Dank u wel mevrouw Leijten voor uw bijdrage in eerste termijn. De microfoon en het spreekgestoelte worden weer even schoongemaakt en daarna ga ik de heer Sneller van D66 uitnodigen voor zijn bijdrage in eerste termijn. Daarna volgen nog mevrouw Inge van Dijk en de heer Van Meijeren.

De heer Sneller (D66):
Dank u wel, voorzitter. We behandelen vandaag het wetsvoorstel ter versterking van de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen, een saai maar toch belangwekkend thema. Ik snap veel van de voorliggende nieuwe instrumenten op zichzelf heel goed. Maar ik wil toch eerst even stilstaan bij die fundamentele vraag, en ik ben blij dat daar al wat beschouwingen op kwamen. Want doen we hier niet vooral aan symptoombestrijding? De minister — ik verwees er al even naar in reactie op mevrouw Leijten — antwoordde in de nota naar aanleiding van het verslag ook dat er parallel gewerkt wordt aan een voorbereiding van de fundamentele herziening. Dan is toch de vraag: wanneer is dat moment dan wel gekomen? Wanneer kunnen wij die discussie dan ook met de munitie van die parallelle trajecten hier gaan voeren? We zullen wat mij betreft ook moeten kijken naar de oorzaken van die bonte verzameling van deels overlappende regionale samenwerkingsverbanden. Of je het dan een vierde bestuurslaag noemt of niet: we moeten ze wel verminderen.

Wat mij betreft gaat die discussie over schaalgrootte, over bestuurskracht, maar ook over de financiering. Zeker na de decentralisaties, waar al naar is verwezen, is de toerusting van gemeenten op hun taken een groter probleem geworden. Het antwoord is dan vaak een gemeenschappelijke regeling. Maar ongeacht welke elementen we daaraan toevoegen, ook met deze wet: zo'n regeling blijft inherent de zeggenschap van de eigen raad en de stem van de eigen inwoners verminderen en de controle versnipperen. Wat D66 betreft werken we dan toe naar grotere gemeenten, zodat de controle ook beter samenvalt met de fysieke grenzen waar die bevoegdheid wordt uitgeoefend. Dan kan ook die discussie waar met name het CDA de afgelopen periode om vroeg, over ruimte voor differentiatie van die taken, aan de orde komen. Maar de eerlijkheid gebiedt natuurlijk wel te zeggen dat opschaling niet het einde betekent van gemeenschappelijke regelingen.

De voorzitter:
Een interruptie van mevrouw Bromet van GroenLinks.

Mevrouw Bromet (GroenLinks):
Voordat deze laatste zin kwam, kwam ik eigenlijk tot mijn vraag. Aan die opschaling zijn ook een heleboel nadelen verbonden, maar ik vind het wel een consequent verhaal van D66, want ze zeggen: we willen eigenlijk meer grip op de gemeenschappelijke regelingen en dat doen we door grotere gemeentes. Maar moeten die gemeentes dan zo groot worden dat ze samenvallen met de schaal van de huidige gemeenschappelijke regelingen?

De heer Sneller (D66):
Het leuke is dat dat niet kan. Daarom zei ik ook "deels overlappend". We hebben allerlei regio's opgetuigd die niet met elkaar samenvallen. Dat gaat dus niet helemaal lukken. Dat is helaas het eerlijke verhaal.

Mevrouw Bromet (GroenLinks):
Ja, dus dan blijf je altijd zitten met die gemeenschappelijke regelingen.

De heer Sneller (D66):
Ja, en dan ook nog met allerlei andere samenwerkingsverbanden. Die 434 werd al een paar keer genoemd. Maar het onderzoek dat wordt aangehaald laat ook zien dat er 1.200+ zijn als het gaat om gewone samenwerkingsverbanden. Die hou je dus wel. Alleen, we laten ze wel sterk verminderen. Van de nestor van het gezelschap begreep ik dat ze er ook al in 1985 waren. Maar ik denk wel dat het nu te veel is en dat de veelsoortigheid ervan de onduidelijkheid heeft versterkt.

De voorzitter:
Mijn indruk is dat "de nestor van het gezelschap" geen aanleiding is voor een persoonlijk feit, maar dat u een aanvullende interruptie heeft, meneer Bosma. Klopt dat?

De heer Martin Bosma (PVV):
Nee, maar ik schrok wel wakker.

De voorzitter:
Ah, kijk. Een interruptie van de heer Bosma van de PVV.

De heer Martin Bosma (PVV):
D66 wil minder gemeenten. Op hoeveel gemeenten of inwoners wil D66 dan uitkomen?

De heer Sneller (D66):
Het is geen blauwdruk. Volgens mij volgt het uit de schaalgrootte en de bestuurskracht waaraan voldaan moet worden, zoals ik al zei. Wat dat betreft is het proces van onderop vernietigen, zoals u dat beschreef, dus de opschaling van de afgelopen jaren zoals die van onderop gaat, op zich al een begin daarvan.

De heer Martin Bosma (PVV):
Er is geen proces van onderop. Die gemeentes worden gewoon gedwongen. Het zijn vooral de colleges die dat doen. Het komt nooit bij burgers vandaan, laten we eerlijk zijn. Maar ik wil het toch weten. De oude WGR uit 1985, waar ik het over had, had iets van 40 regio's. Ik herinner me ook een plan van Wiegel, toen hij minister van Binnenlandse Zaken was. Hij wilde naar een stuk of 40 kleine provincies toe. Moet ik de bestuurlijke kaart van Nederland zo voor me zien dat, als D66 het voor het zeggen krijgt, we naar dergelijke megagemeentes of miniprovincies, of hoe u ze ook noemt, toe gaan?

De heer Sneller (D66):
Ik denk dat je heel erg per gebied zal moeten kijken of iets bijvoorbeeld samenvalt met een provincie en wat logisch is om mee te eindigen. Ik vind "het moeten er 40 worden" wat makkelijk. Maar ik denk wel dat je, zeker in sommige gebieden, provincies op termijn overbodig zou kunnen maken en dat die schaal kan samenvallen met provincies, terwijl het op andere plekken misschien logisch is, ook vanwege geografische spreiding, om bij een lager aantal te blijven. Maar volgens mij moet je beginnen — dat was ook wat mevrouw Leijten terecht zei — met de vraag: welke taken wil je dat daar gebeuren? Vervolgens hou je ook nog andere regio's. Maar wat meneer Bosma zei, namelijk dat het in 1985 allemaal beter was omdat je Rijnmond had en daar een hoop gebeurde … Soms is dat misschien een veel te grote gemeenschappelijke regeling om bepaalde dingen uit te voeren en is het juist verder weg van mensen dan nodig is.

De voorzitter:
U kunt uw betoog vervolgen.

De heer Sneller (D66):
De eerlijkheid gebiedt dus te zeggen dat opschaling niet het einde betekent van gemeenschappelijke regelingen. Dat onderzoek laat ook zien dat 100.000+-gemeenten in meer samenwerkingsverbanden zitten dan gemeenten met minder dan 100.000 inwoners. Alleen, volgens mij zou er bij een volgend onderzoek zowel kwantitatief als kwalitatief wel een verdieping moeten komen. De kwantitatieve vraag is: die 100.000+-gemeenten hebben meer inwoners, dus zitten ze nou ook in meer samenwerkingsverbanden per inwoner? Want daar gaat het uiteindelijk om als je het een beetje wilt kunnen vergelijken. En de vraag is dan: waarom zitten zij in samenwerkingsverbanden? Is dat wettelijk opgelegd? Is dat een gebrek aan eigen bestuurskracht? Of is dat als het ware om de gemeenten eromheen te helpen die niet genoeg schaal hebben? Want dat zou toch een hele andere reden zijn.

Ik sluit mij aan bij de vragen van de VVD over de belastbaarheid van raadsleden en de ondersteuning van de gemeenteraden.

Dan kom ik bij de drie hoofdlijnen van het voorstel. Ten opzichte van wat mevrouw Leijten zei: ze zijn er voorlopig, dus laten we ook kijken hoe we het kunnen verbeteren. We moeten de VNG en de Nederlandse Vereniging voor Raadsleden wel serieus nemen als die zeggen dat dit kan helpen om het iets democratischer te maken. Want volgens mij is er niemand in deze zaal die verwacht dat het na het aannemen van deze wet allemaal is opgelost en dat het democratisch tekort of het dubbel democratisch tekort weg is. Laten we daarom qua verwachtingen bescheiden en reëel zijn. Over die rolverwarring gaat het de afgelopen tijd vaker. Ik moet het dan toch maar zeggen: ik heb ook in een algemeen bestuur van een WGR gezeten, stadsgewest Haaglanden, waar ik naast een wethouder zat die ook in het algemeen bestuur zat. Qua rolvastheid — ik controleer; jij voert uit — is dat toch tamelijk warrig; daar gaat het de laatste tijd vaker over.

Dan die actieve informatieplicht. Kan een raadslid die ook krijgen ten opzichte van zijn collega-raadslid als hij of zij bijvoorbeeld in zo'n algemeen bestuur zit? Want dat zou toch een beetje een vreemde figuur zijn.

Dan komt er een gemeenschappelijk recht van onderzoek. Alle raden moeten daarmee instemmen, voordat er zo'n onderzoek komt. Zou de minister kunnen reflecteren op het idee om dat een gekwalificeerde meerderheid van raden te laten zijn, zodat niet elke gemeenteraad dat kan tegenhouden? Mevrouw Leijten beschreef zelf al in andere woorden de Europese besluitvorming die we hier op een landelijke schaal aan het nabouwen zijn.

Dan de uittreding, of "exit", zoals de PVV het noemt, uit gemeenschappelijke regelingen. Ik denk dat dit een heel verstandige stap is. Ik denk ook dat het verstandig is dat die evaluatie strakker wordt vormgegeven. Ik heb daarom geen verdere vragen.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank aan de heer Sneller. De microfoon wordt weer even schoongemaakt. Ik ga het woord geven aan mevrouw Inge van Dijk namens het CDA. We gaan luisteren naar uw eerste termijn. Gaat uw gang.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Ik val een beetje in herhaling. Waarom dit voorstel? Het is al gezegd: steeds meer complexe taken komen terecht op het bordje van gemeenten en in mindere mate de Provinciale Staten en waterschappen. Het gaat om taken waarvoor ook steeds vaker de samenwerking met elkaar wordt opgezocht. Het gebeurt op verschillende manieren, inderdaad onder andere via die gemeenschappelijke regelingen. Hierbij worden bevoegdheden van het lokale bestuur overgedragen. Maar hoe zorg je er nou voor dat de politiek, de volksvertegenwoordigers, hun belangrijke kaderstellende en controlerende rol toch goed kunnen uitvoeren? Ze staan immers als gevolg van deze keuze meer op afstand. We zien dat ze hier op dit moment onvoldoende instrumenten voor hebben. Dat horen we ook nadrukkelijk terug uit onze achterban. Is dat dan erg, kunnen we ons afvragen. Het CDA vindt van wel. In de Peel bijvoorbeeld, waar ik vandaan kom en waar ik wethouder en raadslid was, faciliteren 30 samenwerkingsvormen zo'n 210.000 burgers, die vervolgens weer goed zijn voor 87.000 banen. Tel daarbij op hoeveel procent van de gemeentelijke begroting er naar deze samenwerkingsverbanden gaat, en je hebt je antwoord. Ik weet ook hoe het is om als wethouder, maar ook als raadslid, met een GR geconfronteerd te worden waar je structureel jaarlijks tekorten hebt. Ik weet hoe het is om dat aan je raad te moeten uitleggen, waarbij je eigenlijk met elkaar niet zo goed weet hoe je dit gaat veranderen.

Voorzitter. De Raad van State zet grote vraagtekens bij de voorgestelde instrumenten en vraagt nadrukkelijk om een evaluatie. De CDA-fractie deelt die zorgen. Ook wij vinden dat er een fundamentele stelseldiscussie moet plaatsvinden, niet beperkt tot hier in Den Haag, maar met alle betrokkenen, van onderop. Het is al door meerdere mensen gezegd. Het gaat om een discussie over de inrichting van het openbaar bestuur en de vraag hoe we de democratische legitimiteit van regionale samenwerkingsverbanden op de lange termijn kunnen borgen. De minister erkent dit wel, maar tot nu toe lijkt het daarbij te blijven. Wij zouden graag op korte termijn een concrete invulling van de aanpak van deze discussie willen zien, want ook financieel piept en kraakt het in gemeente- en provincieland. De vragen hoe je iets inricht, wie wat doet en hoe je vervolgens de middelen verdeelt, kun je namelijk niet los van elkaar beantwoorden.

De minister geeft vervolgens aan dat de wenselijkheid van deze discussie niet afdoet aan de noodzaak van dit wetsvoorstel. Daarbij zegt zij dat de urgentie groot is. Het CDA is er niet op tegen om nu iets te doen op dit punt, maar wel op het verder naar achteren schuiven van de andere fundamentele discussie, want daar is de urgentie ook hoog. De aankomende begrotingsbehandelingen in de diverse gemeenteraden zullen ons weer fijntjes met de neus op de feiten drukken. Kan de minister ons bijpraten over de roadshow met de provincies en BZK waar in een eerder stadium over gesproken is? Kan ze ons bijpraten over andere trajecten die op dit vlak lopen, waar zij ook over spreekt? Ik mis op basis van de stukken bijvoorbeeld vooralsnog de actieve betrokkenheid van gemeenten.

Voorzitter, dan heb ik nog een vraag en een opmerking. De extra vergoedingen voor raadsleden die zitting gaan nemen in bijvoorbeeld de gemeenschappelijke adviescommissie, komen voor rekening van de gemeenschappelijke regeling en dus van de deelnemende gemeenten. Waarom weer kosten bij de gemeenten neerleggen, terwijl we weten dat het daar al financieel piept en kraakt? Het zou jammer zijn als gemeenten uit financiële nood besluiten om te bezuinigen op een controlerende taak.

Dan het beter laten aansluiten van de begrotingscyclus van gemeenschappelijke regelingen op de gemeentelijke cyclus. Het is toch vreemd dat dit nog moet gebeuren en dat het niet standaard al zo is? Ik was onder andere wethouder van financiën. Hoe kun je een fatsoenlijke begroting maken als grote kostenposten gebaseerd zijn op nattevingerwerk omdat begrotingen van gemeenschappelijke regelingen er nog niet zijn? Wij zijn blij met het voorstel, maar wij vinden het ongekend dat dit aan de voorkant niet meteen goed geregeld is.

De voorzitter:
Er is een interruptie van de heer Bosma van de PVV.

De heer Martin Bosma (PVV):
Het is leuk dat het CDA in de techniek duikt en het is ook leuk dat het CDA allerlei vragen stelt aan de minister, maar de taak van een volksvertegenwoordiger is gewoon om een mening te poneren over een wet die voor ons ligt. Ik had heel graag gehoord van het CDA wat het vindt van dit voorstel. Laat ik het iets anders formuleren. De Raad van State zegt dat het om marginale aanpassingen gaat. Ik heb het een "keuteltje" genoemd. Het stelt niet zo veel voor. Het zijn piepkleine veranderingetjes. Vindt het CDA dat ook? Of zegt het CDA: nou, nu is het probleem echt aangepakt?

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Nee, wij vinden het probleem zeker niet aangepakt. Wij zien dat er een aantal handvatten voor lokale bestuurders en raadsleden worden toegevoegd om hun contolerende taak iets beter uit te voeren, maar wij vinden dat die fundamentele discussie plaats moet vinden. Wij horen dadelijk graag van de minister hoe zij dat ziet. Komt zij met een concrete planning om juist te voorkomen dat het als we wel hiertoe zouden besluiten met elkaar "we doen een plas en we gaan over tot de orde van de dag" is? We willen juist borgen dat als we hier ja tegen zeggen, het andere zeker niet nagelaten wordt. Je kunt ook zeggen: we doen nu niks. Maar ja, er gaat zo een jaar of anderhalf jaar overheen voordat we die hele discussie afgerond hebben. Dan laten we de gemeentes ook wel een beetje in de kou staan.

De heer Martin Bosma (PVV):
Ja, maar we zitten niet in het bestuur van een debatcentrum. We zijn de Tweede Kamer der Staten-Generaal, dus we zijn hier niet gekozen om discussies te beginnen of zo. We zijn gekozen om onze duim omhoog of omlaag te doen naar aanleiding van een voorstel dat voor ons ligt. We hebben nu te maken met een wetsvoorstel. Het CDA lijkt hierin mee te gaan, maar het CDA kan toch niet anders dan concluderen dat de veranderingen marginaal zijn, dat die met het blote oog niet waarneembaar zijn en dat dingen die in de praktijk al lang en breed gebeuren nu worden vastgelegd in de wet? Er verandert toch echt helemaal niets?

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Wij zien met het blote oog dat er een aantal extra instrumenten toegevoegd worden. Ik denk dat het vooral belangrijk is dat zo'n gemeenteraad zich er überhaupt van bewust is dat die instrumenten er zijn en hoe zij ze moeten inzetten. De werkdruk is hoog. Ze hebben al veel op hun bordje liggen en dit komt er nog bij. Wij zeggen dus: faciliteer ze nu, maar ga vooral heel snel met die fundamentele discussie aan de gang. U kunt wel zeggen "geen praatclubje", maar we zullen juist ook met die lokale besturen moeten praten om te weten of we nu met een voorstel komen, ja zeggen tegen een voorstel, waar de gemeentes echt mee geholpen zijn. Dus ja, dat praatclubje zullen we wel even moeten zijn, maar minder hier en meer buiten op straat met de lokale bestuurders.

De voorzitter:
Er is een interruptie van mevrouw Leijten.

Mevrouw Leijten (SP):
Wat de SP betreft niet alleen met de bestuurders, maar vooral met de inwoners van ons land. Laten we dat vooral niet vergeten als die bredere discussie er komt. Wat vindt het CDA dan van de tijdigheid, als je eerst die discussie moet voeren en nu in een wet wordt vastgelegd dat je eigenlijk het ontstaan van die extra bestuurslaag legitimeert? Want dat is niks anders dan dit wetsvoorstel doet.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Wij vinden juist dat we met die fundamentele discussie moeten bepalen hoe de legitimatie en de inrichting van dat bestuur er uiteindelijk uit moeten zien: met of zonder GR? Ik heb ook in veel GR'en gezeten die gewoon prima functioneerden en iets wat goed is, hoeven we niet op voorhand weg te gooien. Als lokale overheden zeggen "deze vormen van GR'en vinden wij heel fijn en prima en daar kunnen we heel goed mee uit de voeten", vind ik dat we er gewoon open voor moeten blijven staan.

Mevrouw Leijten (SP):
Dat was natuurlijk niet mijn vraag. Mijn vraag was: stel dat je vindt dat die discussie gevoerd moet worden. U zegt dat het water de gemeenten aan de lippen staat, dus dat moet gedaan worden. Dan hebben we hier een wetsvoorstel dat gaat over zienswijzen, actieve informatieplicht en het recht op onderzoek. Dat lost dat allemaal niet op. De Raad van State zegt ook: het geeft geen antwoord op de brede discussie die hier eigenlijk gevoerd moet worden. Wat vindt het CDA er dan van dat we wel volgende week moeten stemmen over dit wetsvoorstel, maar dat we nog totaal in de mist staren over die andere belangrijke opdracht voor deze minister en dat we dus heel veel tijd en energie verliezen door dit zogenaamde "hallelujaverhaal" aan te moeten nemen, terwijl dat echte fundamentele nagelaten wordt?

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Ik vind eigenlijk, als oud-wethouder, dat deze discussie hier al jaren geleden gevoerd had moeten worden. Want ik ben al jaren mijn begrotingen aan het oplappen met allerlei middelen, manieren, OZB-verhogingen, en moties van wantrouwen omdat we zwembaden moeten sluiten. Dus ik vind dat deze discussie jaren geleden al plaats had moeten vinden. Maar dat is blijkbaar niet gebeurd, dus we zullen het nu vandaag moeten doen met wat er nu voorligt. En we zullen voor urgentie moeten zorgen bij die andere discussie, en ervoor moeten zorgen dat er wél heel snel iets komt te liggen. Zo sta ik er vandaag in.

Mevrouw Leijten (SP):
Dan zou ik de CDA-fractie en vooral ook de ervaringsdeskundige mevrouw Van Dijk willen meegeven dat je die urgentie volledig weghaalt als je dit wetsvoorstel aanneemt.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Je kunt het ook ...

De voorzitter:
Wacht, wacht, wacht, laat u eerst mevrouw Leijten haar interruptie afmaken. Daarna krijgt u weer het woord, mevrouw Van Dijk.

Mevrouw Leijten (SP):
U kunt ook tegen mevrouw Ollongren zeggen: "Dat wetsvoorstel gaan we eens een keer behandelen en/of aannemen als we dat andere voorstel hebben liggen." Nou: behandelen doen we nu al. U kunt dus zeggen: "We gaan het aannemen als we dat andere voorstel hebben liggen." Want dat andere voorstel hebben we pas écht nodig in die gemeenteraden. En ik ben zó bang dat het aannemen van dit wetsvoorstel één grote schaamlap wordt. Dat is dan de ervaring die ík hier heb. Dus eenzelfde frustratie die u op lokaal niveau heeft opgelopen, heb ik hier altijd gehad. Dan zegt men: "Nee, we hebben net iets aangenomen, dus wacht maar af, wacht maar af." Dan zouden we toch juist met dit wetsvoorstel in de hand deze demissionaire minister wel degelijk kunnen dwingen, en tegen haar kunnen zeggen: "Start die discussie en laten we dat eerst eens besluiten"?

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Ik heb, denk ik, goed geluisterd en volgens mij zegt bijna iedereen hier hetzelfde. We zeggen: die discussie moet er komen, die moet er snel komen, want er moeten snel besluiten worden genomen. Dus het is toch ook aan ons om te voorkomen dat die discussie niet gevoerd wordt en dat die besluiten niet genomen worden? Ik vind dit tenminste ook wel een verantwoordelijkheid van ons, van de Kamer. We moeten tegen de minister zeggen: "Dit hebben we en heeft ons lokaal bestuur nodig, en hier gaan we met elkaar voor staan." Ik voel die verantwoordelijkheid tenminste, en ik heb dat van meerdere woordvoerders gehoord, die er volgens mij precies hetzelfde inzitten.

De voorzitter:
Er is een interruptie van de heer De Kort van de VVD.

De heer De Kort (VVD):
Leuk om mevrouw Van Dijk te interrumperen, want de vorige keer dat ik dat deed, zaten we samen in een gemeenschappelijke regeling in Zuidoost-Brabant.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Zeker.

De heer De Kort (VVD):
In mijn eigen woorden samengevat zegt het CDA dat het wel een stapje in de goede richting is. Bent u het dan met de VVD eens dat het goed zou zijn dat we kijken wat de effecten zijn en dat de Kamer daarover jaarlijks gerapporteerd wordt?

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Jaarlijks rapporteren is leuk, maar ik zou er niet op willen wachten. Ik zou niet een jaar willen draaien en dan gaan bepalen of we die discussie met elkaar gaan voeren. Ik herhaal dat ik vind dat we die discussie al hadden moeten voeren, want ik vind echt dat we die gemeentes al jaren een beetje in de kou laten staan. Dus ik vind dat we het parallel moeten doen. Geef de gemeenten nu een paar handvatten zodat zij iets meer grip kunnen hebben, maar we moeten ook, liever gisteren dan vandaag, die fundamentele discussie opstarten.

De voorzitter:
Dank u wel. Dat was dan meen ik ook de interruptie die u in de gemeenschappelijke regeling bij elkaar niet kon plaatsen. Ik dank mevrouw Van Dijk voor haar bijdrage in eerste termijn.

We gaan naar de laatste spreker in de eerste termijn, namelijk de heer Van Meijeren van het Forum voor Democratie. Nadat de microfoon is schoongemaakt, kan hij achter het spreekgestoelte plaatsnemen. Het is tevens zijn maidenspeech. In deze zaal is het de gewoonte dat als er een maidenspeech wordt uitgesproken, het lid het privilege geniet om niet geïnterrumpeerd te worden. Meneer Van Meijeren, gaat uw gang voor uw allereerste speech in deze zaal.

De heer Van Meijeren (FVD):
Dank u wel, meneer de voorzitter. We bespreken vandaag een wetsvoorstel dat beoogt de democratie te versterken. Dat is een zeer nastrevenswaardig doel dat mij ook erg nauw aan het hart ligt. Want als onze democratie op dit moment goed zou functioneren, zou ík nooit de politiek ingegaan zijn.

Toen ik in 2006 de middelbare school verliet, verkeerde ik nog in de veronderstelling dat wij in een fantastische democratie leven. Ik wist simpelweg niet beter. We hebben hier een parlement, we mogen naar de stembus, we hebben rechters, een Grondwet en grondrechten; wat wil een mens nog meer?

Pas tijdens mijn rechtenstudie in Nijmegen kwam ik erachter dat dit allemaal pure schijn is. Ik ging namelijk zelf nadenken over de vraag: wat is eigenlijk democratie? Is de volkswil op dit moment wel bepalend voor het beleid dat in Nederland wordt gevoerd? Helaas moest ik constateren dat Nederland een stuk minder democratisch is dan ik mijn hele jeugd zo graag wilde geloven. Eén keer per vier jaar mogen Nederlanders naar de stembus en kunnen ze kiezen voor een van de kandidaten van hun voorkeur. En die kandidaten maken allemaal weer deel uit van fracties. En die fracties gaan samen proberen een regering in het zadel te helpen, die vervolgens voor een periode van vier jaar beleid mag maken. Maar de wil van de Nederlanders, de wil van de kiezer, raakt volledig vertroebeld in dit proces van compromis op compromis op compromis. Als het uiteindelijk gevoerde beleid niet representatief is voor de wil van de Nederlandse bevolking, dan is er niets dat Nederlanders daar nog tegen kunnen doen. Dan moeten ze wachten totdat ze vier jaar later weer naar de stembus mogen.

Voor zover de wil van de bevolking nog wel doorklinkt in het beleid dat hier gemaakt wordt, is het eigenlijk een wassen neus. Wij hebben namelijk überhaupt steeds minder te zeggen over wat er in ons land gebeurt. De hoogste wetten die vandaag de dag in Nederland gelden, worden niet door ons gemaakt. Die worden überhaupt niet door Nederlanders gemaakt. Nee, vandaag de dag worden onze hoogste wetten, wetten die boven onze Grondwet staan, gemaakt door EU-Commissarissen uit landen als Bulgarije en Roemenië. We hebben ze niet gekozen. We hebben geen idee wie het zijn. Ze hoeven geen verantwoording af te leggen, want we kunnen ze toch niet wegsturen. Dan hoor ik sommige mensen denken: "Maar meneer Van Meijeren, we hebben toch een Europees Parlement en daarvoor mogen we toch ook naar de stembus? Die honderden Europarlementariërs zullen er toch wel voor zorgen dat onze belangen behartigd worden?" Maar helaas, het Europees Parlement is zo mogelijk nog meer een schijnparlement dan het Nederlandse parlement. EU-parlementariërs hebben niet het recht om zelf wetten te maken. Dat mogen alleen de ongekozen Commissarissen. Ook kunnen EU-parlementariërs een Commissaris die zijn werk niet doet of die ze niet meer vertrouwen, niet naar huis sturen. Ze mogen alleen applaudisseren voor de voorstellen van de Commissie. Om ze tevreden te houden, worden ze gepamperd met torenhoge salarissen, onkostenvergoedingen, luxe dinertjes en zakenreisjes.

Voorzitter. Dat brengt me bij het voorstel. Met alle problemen die ik zojuist benoemd heb, zou je misschien verwachten dat ik wel heel blij zou zijn met het voorstel van minister Ollongren om onze democratie te versterken. Maar hopelijk heeft u er ook begrip voor dat ik enige twijfels over het voorstel heb. Ik heb het met de nodige scepsis bekeken. We hebben het hier immers wel over de minister die er meermaals blijk van heeft gegeven niet zo heel veel met democratie te hebben. Het eerste dat ze na haar installatie deed, was het raadgevend referendum afschaffen. Dat was zo ongeveer het laatste beetje echte democratie dat wij in dit land nog kenden. Toen begon ze haar oorlog tegen de vrijheid van meningsuiting door voorbereidingen te treffen om onwelgevallige meningen uit het publieke debat te verbannen. En toen minister-president Rutte en minister De Jonge volstrekt buitenproportionele grondrechtenbeperkingen doorvoerden onder het mom van corona en die ook keer op keer verlengden, was minister Ollongren, die verantwoordelijk is voor de bescherming van onze grondrechten, in geen velden of wegen te bekennen. Toen vreedzame demonstranten tegen dat beleid als zeehondjes werden neergeknuppeld en in elkaar werden geslagen door de ordetroepen van minister Grapperhaus, bleef minister Ollongren muisstil. En deze minister komt nu met een voorstel om onze democratie te versterken? Volstrekt ongeloofwaardig.

Desalniettemin heb ik het voorstel met veel belangstelling bestudeerd. Helaas bleek mijn scepsis terecht. Het is een marginale verbetering van de Wet gemeenschappelijke regelingen, maar die wet is als zodanig al antidemocratisch. We hebben in Nederland al een hele tijd geleden, in het jaar 1848, afgesproken dat besluiten worden genomen in drie bestuurslagen: de gemeentes, de provincies en het Rijk. Hiervoor mogen Nederlanders naar de stembus. Zo worden besluiten genomen door democratisch gelegitimeerde organen, die kunnen worden afgerekend bij verkiezingen. Dat is het Huis van Thorbecke. Maar dat hele idee van gemeenschappelijke regelingen omzeilt dit fundamentele uitgangspunt van onze democratie. Het komt er namelijk in een notendop op neer dat gemeenten met elkaar kunnen afspreken om een nieuwe entiteit, een nieuwe bestuurslaag, in het leven te roepen om daar taken en bevoegdheden naar over te dragen en nieuwe bestuurders te benoemen die vervolgens besluiten gaan nemen, zogenaamd ter behartiging van de belangen van die gemeente. Maar het probleem van deze werkwijze laat zich al raden: de nieuwe entiteit, die nieuwe bestuurslaag, is niet democratisch gelegitimeerd en wordt niet direct gecontroleerd door een volksvertegenwoordigend orgaan.

We zien de afgelopen jaren de trend dat steeds meer en steeds zwaardere besluiten door dit soort nieuwe entiteiten worden genomen. Denk aan de veiligheidsregio's en de metropoolregio's. Maar dat gebeurt ook buiten de WGR om, zoals bij de Regionale Energiestrategieën. Natuurlijk is het verleidelijk voor gemeentes om impopulaire besluiten te laten nemen door andere entiteiten. Zo wordt het onttrokken aan de directe controle van gemeenteraden. En als besluiten te veel weerstand oproepen of helemaal in de soep lopen, dan kunnen die gemeenten zeggen dat ze het zelf ook heel anders hadden gewild, maar dat het nu eenmaal in regionaal verband allemaal zo is afgesproken.

Met de komst van steeds meer van die regionale bestuursentiteiten, waarvoor niemand naar de stembus mag en waar geen democratische controle op plaatsvindt, is er een groot democratisch gebrek ontstaan. De Raad van State heeft ook gewezen op deze democratische tekortkomingen, waarop de regering heeft besloten "verbeteringen" door te voeren, maar de verbeteringen die nu worden voorgesteld, zijn marginaal. Ook de Raad van State noemt ze "marginaal". Een zienswijzeprocedure hier, een participatieproces daar, een actieve informatieplicht; het is eigenlijk wat we heel vaak zien als er wordt voorgesteld om onze democratie te "verbeteren". Mensen mogen wel meepraten, maar niet meebeslissen.

Ook de Raad van State noemt de voorgestelde maatregelen "marginaal" en wijst erop dat de procedures op sommige punten juist complexer worden. Hij adviseert om een fundamentele discussie te voeren over de democratische legitimatie van die regionale bestuurslagen, maar de regering vindt dat dat wel even kan wachten en komt met dit doekje voor het bloeden. Onderaan de streep zullen wij dit voorstel met tegenzin steunen. Een doekje voor het bloeden is beter dan geen doekje voor het bloeden, maar het stopt niet de oorzaak van het bloeden. Met het versterken van onze democratie heeft dit voorstel echt weinig tot niets te maken. Als minister Ollongren echt de democratie wil versterken, dan zal ze met iets beters moeten komen: referenda, gekozen burgemeesters of andere voorstellen die de burger écht meer zeggenschap geven. Zodat mensen niet alleen mee mogen praten, maar ook mee mogen beslissen. Want dat is echte democratie.

Dank u wel.

(Geroffel op de bankjes)

De voorzitter:
Dan dank ik de heer Van Meijeren en is aan mij de eer om hem als eerste te feliciteren met het houden van zijn maidenspeech. We zien uit naar zijn verdere bijdragen in deze Kamer. Ik heb met de heer Van Meijeren afgesproken dat er geen felicitaties plaatsvinden in de zaal. De minister heeft tien minuten nodig voor het voorbereiden van de beantwoording.

De vergadering wordt van 17.43 uur tot 17.56 uur geschorst.

De voorzitter:
Aan de orde is nog altijd de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen en enige andere wetten in verband met het versterken van de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen. We zijn toegekomen aan de beantwoording van de zijde van het kabinet in eerste termijn. Ik geef daarvoor graag het woord aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Minister Ollongren:
Dank u wel, voorzitter. Ik feliciteer de heer Van Meijeren met zijn maidenspeech van zonet en dank de anderen voor hun inbreng in eerste termijn. Inderdaad gaat het over de wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen, oftewel de WGR. Omdat iedereen, althans voor zover relevant, zelf even meldde of die daar wel of geen betrokkenheid bij heeft gehad, doe ik dat ook even. Ik heb als wethouder ook te maken gehad met WGR'en, dus in die zin ben ik ook ervaringsdeskundige, net als sommigen hier. Daarmee zeg ik eigenlijk ook dat dit wat mij betreft niet uit de lucht komt vallen, niet alleen omdat het al in het regeerakkoord van het vorige, inmiddels demissionaire, kabinet stond, maar ook omdat we gezien hebben en deels dus ook zelf hebben meegemaakt dat al die samenwerkingsverbanden tussen de overheden echt zijn toegenomen en de noodzaak daarvan ook groter is geworden.

Er zijn namelijk grote maatschappelijke opgaven die gewoon vragen om een gezamenlijke aanpak. Dat gebeurt via interbestuurlijk samenwerken in verschillende vormen. Soms gebeurt dat via afspraken, regiodeals of een interbestuurlijk programma, maar het gebeurt ook via zogenaamde intergemeentelijke samenwerking. Daarmee is die democratische legitimiteit eigenlijk belangrijker geworden, dus in belang toegenomen. Ik vind ook dat die onder druk is komen te staan. Dus ik denk dat het herstellen van de positie van gemeenteraden de drijfveer is geweest onder deze aanpak. Overigens is het daarmee maar een klein onderdeel in het repareren van het democratisch deficit, maar wel een belangrijk onderdeel.

Dit voorstel geeft dus niet alleen mogelijkheden om achteraf te controleren, maar ook om vóóraf gehoord te worden door de verplichting om afspraken te maken over het soort besluiten waarover eerst een zienswijze aan de raden wordt gevraagd. Nu is die verplichting er alleen voor de begroting. Maar waarom is die er niet voor andere besluiten die mogelijk grote financiële gevolgen hebben en waar de gemeenten voor aan de lat kunnen komen te staan, of voor besluiten van een gemeenschappelijke regeling waar ook een zogenaamde kaderstelling in zit, al dan niet onbedoeld? We kunnen dan formeel zeggen dat het gaat om een collegebevoegdheid, waar de raad niet over gaat, maar we kunnen ook zeggen — dat vind ik verstandiger — dat dit soort besluiten raakt aan het budgetrecht en raakt aan de kaderstellende rol van de raad. Dat rechtvaardigt een steviger stem vooraf en dat wordt met dit wetsvoorstel geregeld. Dat doen we zo licht mogelijk. Het voorstel biedt de mogelijkheid om dit te doen, waarbij de deelnemers er eigenlijk zelf invulling aan kunnen geven. We willen dus extra bureaucratie voorkomen. We willen mensen de ruimte geven om keuzes te maken die passen bij hun specifieke regeling en die ook passen bij hun lokale en regionale situatie.

In algemene zin is het doel van het wetsvoorstel om de democratische legitimiteit van de gemeenschappelijke regelingen te vergroten en om meer ruimte te bieden voor lokaal maatwerk bij de inrichting van die gemeenschappelijke regelingen. Dat doen we volgens de uitgangspunten van het principe van het verlengde lokale bestuur, dat ook ten grondslag ligt aan de huidige WGR. Het is dus niet een hele ingrijpende systeemwijziging. Het is een poging om zo veel mogelijk binnen de bestaande kaders de positie van de gemeenteraden te versterken en zo veel mogelijk ruimte te creëren voor lokaal maatwerk, in de variëteit die er nou eenmaal is in ons land.

De voorstellen zijn in drie categorieën te verdelen. De eerste is versterking van de positie van de gemeenteraden bij de besluitvorming van een gemeenschappelijke regeling. Ik wil dat de raden hun stem kunnen laten horen op het moment waarop zij dat nodig hebben, zodat ze ook hun kaderstellende rol beter kunnen invullen. De tweede zijn aanvullende controle-instrumenten voor gemeenteraden, om beter het gesprek te kunnen voeren als dingen niet goed gaan in gemeenschappelijke regelingen. Voorbeelden van dat soort zaken zijn als er tekorten zijn of als de resultaten niet gehaald worden. De derde is het verbeteren van de gemeenteraden met betrekking tot het functioneren van de regeling, zodat er momenten zijn waarop het gesprek kan worden gevoerd over nut en noodzaak van de regeling waar men in zit.

Ik ben er echt van overtuigd dat dit soort voorstellen alleen maar zin hebben als ze tegemoetkomen aan de problemen die mensen die hiermee werken in de praktijk ervaren. Dat is hier echt het geval. Ik zeg dat ook tegen mevrouw Leijten, die daar specifiek naar vroeg. Deze voorstellen zijn in samenspraak tot stand gekomen. Die samenspraak is er geweest met een brede groep van volksvertegenwoordigers — raadsleden dus — griffiers, bestuurders en andere betrokkenen bij regionale samenwerkingsverbanden. Het is zo opgezet dat dit gesprek eerst uitvoerig met hen is aangegaan, dus dat er goed is geluisterd naar de door hen ervaren problemen en ook naar de door hen aangedragen oplossingen. Pas daarna is er gewerkt aan het wetsvoorstel. Daarna is er nog de formele afstemming geweest, zoals wij die altijd doen via consultaties et cetera. Mevrouw Leijten vroeg: waar komt het vandaan? Daar komt het vandaan. Dat heeft ook tijd gekost, zeg ik er eerlijk bij. Het was heel nadrukkelijk niet de bedoeling om het hier in de ivoren toren te gaan zitten bedenken.

De voorzitter:
Er is een interruptie van de heer Bosma van de PVV.

De heer Martin Bosma (PVV):
Het heeft tijd gekost, ja. Dit voorstel werd al aangekondigd in het regeerakkoord. Pas ruim vier jaar later, na de verkiezingen en nadat het kabinet demissionair is geworden, komt er pas eens iets uit het kabinet gerold. De minister is toch niet vier jaar lang bezig geweest met het consulteren van al die wethouders en gemeenteraadsleden? Kom nou toch!

Minister Ollongren:
De heer Bosma is geloof ik al twintig jaar op zoek naar zijn afstudeerscriptie. Ik heb de tijd genomen om uitvoerig te spreken met gemeenteraadsleden en ook met alle andere betrokkenen. De heer Bosma en anderen zeiden ook dat er heel veel gemeenschappelijke regelingen zijn in Nederland. Er zijn ook veel betrokkenen hierbij. We willen hier een onderdeel verbeteren. Ik heb dat op 1 juni 2020 naar uw Kamer gestuurd. Dat is ook alweer een tijdje geleden. We hebben dus de tijd genomen en de Kamer neemt de tijd. Laten we hopen dat het voorstel er uiteindelijk in al die rijpheid beter van is geworden. Maar nogmaals, ik ben ervan overtuigd — daarmee ben ik weer terug bij mevrouw Leijten — dat je dit niet vanuit de ivoren toren, maar vanuit de praktijk moet doen.

De voorzitter:
Gaat u verder.

Minister Ollongren:
Tot slot. Het blijft in de gemeenschappelijke regelingen en in die wet natuurlijk gaan over het verlengd lokaal bestuur. Er zal dus altijd een iets grotere afstand zijn tussen de gemeenteraad en de uitvoering van deze bevoegdheden dan wanneer het helemaal op het gemeentelijke niveau van één gemeente kan worden uitgevoerd, maar ik denk wel dat met dit wetsvoorstel de positie van de gemeenteraad wordt versterkt met instrumenten die ook behulpzaam zijn. Uiteindelijk doe je een samenwerking alleen omdat je op die manier meer kunt bereiken dan wanneer je het exclusief op het gemeentelijke niveau had uitgevoerd. Die basisgedachte wil ik hier nog eventjes uitspreken, want daarvoor zijn ze er natuurlijk. Zij zijn er niet op zichzelf. Het doel is niet de gemeenschappelijke regeling. Het doel is beter beleid voor mensen in de gemeenten.

Over het bredere debat zijn ook wat opmerkingen gemaakt. Daar wil ik ook nog op ingaan. Natuurlijk is het logisch om ook te praten over allerlei andere vormen van samenwerkingsverbanden. Het gaat ook over regiovorming, waar we nu veel over spreken. Dat maakt inderdaad geen onderdeel uit van de drie lagen van Thorbecke. Het gaat vaak ook over informele samenwerkingen die er zijn. Dit wetsvoorstel gaat daar niet over. Het is een onderdeel van het geheel en er moet ook een bredere discussie zijn — die voeren we ook, natuurlijk ook in de afgelopen kabinetsperiode — over hoe de inrichting van het centrale versus het decentrale beter kan worden gemaakt. Dat vind ik een hele belangrijke discussie en ik denk dat we die bredere discussie ook verder moeten brengen. Ik denk dat het mooi zou zijn als in de formatie en straks met het nieuwe kabinet ook afspraken kunnen worden gemaakt: wat is nou de toekomst van die regio's en wat hebben we nou nodig in Nederland? Maar terwijl die brede discussie wordt gevoerd, denk ik dat het ook nodig is om die legitimiteit van de gemeenschappelijke regelingen te versterken door de positie van de gemeenteraden sterker te maken. Dat is waar dit voorstel op ziet.

Voorzitter. Ik loop nu even de vragenstellers langs. Ik kom even terug op dat punt van het draagvlak. Ik zei al dat we uitvoerig hebben gesproken met raadsleden en gemeentebestuurders en dat we met hen gekeken hebben wat de problemen in die gemeenschappelijke regelingen waren en wat voor oplossingen zij voorstellen. We hebben onderzoek laten doen naar de raadsbevoegdheden die de raad in eigen kring wel heeft, maar niet in de richting van de gemeenschappelijke regelingen. Daarna hebben we die voorlopige conclusies getrokken. Die hebben we weer getoetst in een aantal regiobijeenkomsten. Dat luisteren, ophalen en daarna die wetgeving maken is dus belangrijk. Dat ging dus allemaal vooraf aan de gebruikelijke formele consultatie. In die informele ronde is één voorstel overgebleven dat in de consultatie op weerstand stuitte, namelijk raadsleden in het algemeen bestuur als alleen colleges samenwerken. Dat hebben we alsnog uit het voorstel gehaald. Het is werkendeweg dus ook verbeterd en aangepast.

Mevrouw Leijten, de heer Sneller en anderen hadden het over de bredere discussie, de roadshow die BZK heeft gehad en de visie op wat democratie is. Daar heb ik natuurlijk invulling aan gegeven, bijvoorbeeld door die Thorbeckelezing te houden en daar ook een brief over te sturen. Er is ook een bredere discussie over mogelijk. Daar moeten we ook steeds aan werken. Het is niet zo dat Thorbecke ooit iets heeft bedacht en dat we daar altijd op kunnen terugvallen, want er is natuurlijk zo veel veranderd in de tussentijd. De Europese Unie kwam net even voorbij in de maidenspeech van de heer Van Meijeren, maar ik noem ook de regionale samenwerking en al die manieren waarop gemeenten proberen de meest optimale oplossing te bedenken om voor hun burgers te regelen waar ze recht op hebben. Dat is natuurlijk heel anders dan destijds. Mijn uitgangspunt bij die discussie is dus altijd geweest: laten we datgene wat Thorbecke heeft bedacht, optimaal en beter benutten. De Raad van State heeft ook een advies uitgebracht en zegt dat de regio soms samenvalt met de provincie. Ik ben dat gewoon met de Raad van State eens. Als de provincie en de regio min of meer natuurlijk samenvallen, zou je de provincie kunnen vragen om die regionale taken op zich te nemen. Dat doen we op dit moment nog niet. Ik zou daarvoor zijn. Maar ik ben er niet voor om met blauwdrukken te gaan werken. Ik geloof dat de heer Sneller net ook zoiets zei. Ik denk dat wij hier in Den Haag zelden in staat zijn om op de kaart van Nederland uit te tekenen wat de beste samenwerking is of wat de beste schaal is voor een bepaalde samenwerking. Ik ben ervoor dat we wel ruimte laten voor maatwerk, maar niet helemaal vrijblijvend. We kunnen daar best wat sturend in optreden.

Ik denk dat we nu wel verder zijn dan toen we daar een aantal jaren geleden over spraken. Het blijft in beweging. De roadshow waarnaar gevraagd werd, is eigenlijk het continue gesprek dat het ministerie van BZK heeft gevoerd met de medeoverheden, waarin we hebben geluisterd en waarbij we ook recente adviezen hebben betrokken, zoals over de voorlichting van de Raad van State, die ik al even noemde. Maar de discussie gaat ook over andere vragen, bijvoorbeeld over de financiële positie van de gemeenten. Dat is eigenlijk een roadshow die door moet gaan, want dat is natuurlijk niet klaar.

De heer De Kort zei: als we dit wetsvoorstel gaan doen, is het wel belangrijk om te weten of het werkt. Hij stelde voor om de Kamer daarover ieder jaar te informeren. Zoals het nu in de wet staat, is het voornemen om de wet na vier jaar te evalueren. De wet kent een implementatietermijn van twee jaar. Dat is overigens een jaar langer dan ik in eerste instantie zelf wilde, maar in overleg met de gemeenten is ervoor gekozen om ruim de tijd te nemen om die te implementeren. Ik denk dat het heel goed is om goed de vinger aan de pols te houden, zoals de heer De Kort voorstelt. Of dat jaarlijks moet zijn, zou ik nog even in het midden willen laten, omdat ik ook beducht ben voor een te grote monitorlast bij gemeenten. Maar ik wil graag kijken naar de beste manier om de Kamer regelmatig te informeren.

De voorzitter:
Dat roept een reactie op van de heer De Kort.

De heer De Kort (VVD):
Ja. In ieder geval fijn om te horen dat de minister van plan is om de Kamer regelmatig te informeren. Wellicht is de Staat van het Bestuur een optie daarvoor. Dan kan de Kamer iedere twee jaar geïnformeerd worden.

Minister Ollongren:
Dank voor deze suggestie. Dat vind ik een hele interessante. Die noteer ik. Ik zal het uitzoeken, maar het zou goed kunnen dat we dat zouden kunnen combineren.

De voorzitter:
Kjik aan. Dan kan de minister verder.

Minister Ollongren:
Dan vroeg de heer De Kort ook nog naar de griffiers. We hebben de afgelopen periode echt extra geïnvesteerd in ondersteuning van griffiers, bijvoorbeeld door een subsidie aan de Vereniging van Griffiers. Zij werken zelf ook aan de professionalisering van hun ambt. We hebben in het kader van Democratie in actie allerlei activiteiten ontwikkeld om griffiers te helpen om een rol te spelen bij regionale samenwerking, bijvoorbeeld door trainingen te doen. Ik ben het eens met dat punt.

We kunnen er altijd naar kijken hoe dat nog meer en beter kan, overigens ook in den brede. De heer De Kort vroeg naar griffiers, maar het is een breder punt dat gemeenteraden en Provinciale Staten goed toegerust moeten worden. We hebben de vergoeding voor gemeenteraadsleden in de kleinste gemeenten verhoogd in 2018. We hebben een wetsvoorstel ingediend voor de versterking van de decentrale rekenkamers. Die zijn heel erg belangrijk voor raadsleden. Het wetsvoorstel Versterking participatie op decentraal niveau is terug van de Raad van State, dus daar kan ik ook mee verder. En zo zijn er eigenlijk heel veel dingen gebeurd, ook vanuit het samenwerkingsprogramma Democratie in actie dat ik net noemde. Dat sluit ook goed aan bij adviezen die de Raad voor het Openbaar Bestuur en anderen hebben uitgebracht, dat een sterke democratie ook gebaat is bij een goede ondersteuning. Dat onderschrijf ik volledig. Ik heb de Kamer daarover ook verschillende brieven geschreven.

Dan vroeg mevrouw Bromet hoe we organiseren dat raadsleden echt goed kunnen controleren wat namens hen wordt besloten in zo'n gemeenschappelijke regeling. Ik zei al in mijn inleiding dat het principe van het verlengde lokaal bestuur helemaal overeind blijft. Er worden wel wat nieuwe instrumenten geïntroduceerd: het recht om een zienswijze in te dienen bij het treffen of wijzigen van een regeling, of het recht om een zienswijze in te dienen op besluiten waarvoor dat in de regeling is opgenomen, de mogelijkheid om een gemeenschappelijke adviescommissie in te stellen, die als een soort vooruitgeschoven post fungeert bij de voorbereiding van besluiten door het bestuur en eventueel bij indiening van een zienswijze door de raad, en een actieve informatieplicht over alles wat de raad behoort te weten om zijn taak goed te kunnen uitvoeren. En daarnaast zijn er nog controle-instrumenten achteraf, dus het instellen van een onderzoekscommissie naar het functioneren van de regeling en de mogelijkheid dat lokale rekenkamers onderzoek doen naar de regeling.

Dan vroeg zij ook waarom ik niet met een verplichting kom tot inspraakmogelijkheden bij gemeenschappelijke regelingen. In het wetsvoorstel is wel opgenomen dat elke gemeenschappelijke regeling afspraken moet maken over participatie. Dat betekent dat iedereen verplicht wordt om over dat vraagstuk na te denken. In theorie kan die afspraak ook zijn dat er geen mogelijkheid tot participatie komt. De reden om die ruimte te laten — want ik denk dat het toch verstandig is om dat te doen — is dat er een enorme diversiteit aan gemeenschappelijke regelingen is. Dus een generieke verplichting — ik begrijp dat GroenLinks daar voorstander van is — gaat wel ver, omdat die weging eigenlijk kan worden gemaakt door de deelnemers zelf. Dat wordt verplicht hiermee. De raden kijken ook mee. En artikel 5 van de Grondwet — mevrouw Bromet weet dat heel goed — biedt het petitierecht: iedereen heeft het recht om zich schriftelijk te wenden tot het bestuursorgaan. Dus dat is via de Grondwet al geregeld; dat hoeft hier op zichzelf niet extra in geregeld te worden.

De voorzitter:
Een interruptie van mevrouw Bromet van GroenLinks.

Mevrouw Bromet (GroenLinks):
Ja, nog een vraagje over het wetsvoorstel zelf en de participatie. Is dat iets wat geldt voor nieuwe gemeenschappelijke regelingen, of moeten gemeentes al hun bestaande gemeenschappelijke regelingen hierop aanpassen?

Minister Ollongren:
Ja, dat is een heel goed punt. Ik ga ervan uit dat wij ook vragen om bestaande regelingen hierop te toetsen. Maar daar zal ik zo nog even op terugkomen, nadat ik dat even heb nagevraagd.

De voorzitter:
Dank.

Minister Ollongren:
Maar ik zou met mevrouw Bromet vinden dat dat ook moet gaan over het hele scala aan gemeenschappelijke regelingen.

Het petitierecht, het recht om zich tot het bestuur te wenden, heb je dus altijd. Mevrouw Bromet heeft volgens mij ook een amendement ingediend op dit onderdeel. Zoals zij het in het ingediende amendement heeft geformuleerd, heeft zij eigenlijk verduidelijkt wat de bedoeling is. Wat ik al zei: het wetsvoorstel verplicht om, net als nu al geldt voor gemeenten, regels op te stellen over de wijze waarop burgers worden betrokken. Dat gaat dan zowel over de totstandkoming van het beleid als over de uitvoering. Voor andere verzoeken gelden de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Daar moet je dan ook als gemeenschappelijke regeling behoorlijk mee omgaan. En als ik het amendement dat mevrouw Bromet nu heeft ingediend goed lees, dan verduidelijkt dat eigenlijk de toepassing van artikel 3.4 van de Awb, en zoals zij dat voorstelt, zou dat op zichzelf wel op die manier kunnen.

Dan de vraag, ook van mevrouw Bromet, of duoraadsleden of burgerraadsleden ook kunnen deelnemen aan de gemeenschappelijke adviescommissie. Dat kan niet, omdat die gemeenschappelijke adviescommissie bestaat uit door de raad uit zijn midden aangewezen leden. Dus dat moeten leden van de volksvertegenwoordiging zelf zijn, die zelf zijn gekozen en een direct democratisch mandaat hebben.

De unanimiteit bij het instellen van een onderzoekscommissie. Mevrouw Bromet vroeg daarnaar, en de heer Sneller heeft het daar ook over gehad. Zoals het voorgesteld wordt, met de introductie van het gemeenschappelijke recht van enquête, krijgen de gezamenlijke gemeenteraadsleden de mogelijkheid om onderzoek te doen naar eventuele misstanden en om een gezamenlijke enquête uit te voeren. Dat raakt natuurlijk aan alle deelnemers. Ik ben ervan uitgegaan dat het dan goed is dat alle deelnemers het ook eens zijn over de inzet daarvan, dus met andere woorden dat ze alleen een gemeenschappelijke onderzoekscommissie instellen als alle raden er bij meerderheid — dus niet per se alle raadsleden — mee instemmen, omdat het zonder overeenstemming tussen de raden natuurlijk lastig is om een goede enquête uit te voeren. Dat is dus het uitgangspunt geweest bij het voorstel. Mevrouw Bromet vroeg ernaar en de heer Sneller zei zelfs: zou je niet iets kunnen doen met een gekwalificeerde meerderheid? Kijk, we kunnen daar natuurlijk best over nadenken, maar het gaat wel over verregaande bevoegdheden, die veel vragen van het bestuur en van de gemeenteraden die ermee aan de slag gaan. En voor een onderzoek moet er eigenlijk ook weer een nieuw samenwerkingsverband worden ingericht, en over de deelname daaraan moet de raad dan wel zelf kunnen beslissen. Al met al blijft het toch wel logisch dat alle deelnemende raden daarmee zullen moeten instemmen.

Voorzitter. In een interruptiemoment maakte de heer De Kort nog een opmerking over de rolonduidelijkheid. Hij verwees naar pagina 22 van de memorie van toelichting op het wetsvoorstel. Datgene wat de heer De Kort net stelde, kan ik bevestigen, dus het voorstel om raadsleden de mogelijkheid te geven om zitting te nemen in het algemeen bestuur van de samenwerkingsverbanden waar zij geen deelnemer aan zijn, is inderdaad geschrapt naar aanleiding van de consultatie. Ik zei het in mijn inleiding ook al even kort.

Mevrouw Leijten en ik dacht ook de heer Bosma vroegen zich af wat er nieuw is aan die actieve informatieplicht. Het is eigenlijk een uitbreiding van wat er al is. Artikel 17 WGR geeft al de mogelijkheid om in antwoord op gestelde vragen de gevraagde informatie te verstrekken. Dat is een passieve informatieplicht. Dit voorstel voegt daar een actieve informatieplicht aan toe, eigenlijk vergelijkbaar met de informatieplicht van een college aan de gemeenteraad. Die richt zich niet alleen op informatie over te nemen besluiten, maar het betreft eigenlijk alles wat de raad hoort te weten om zijn taak goed te kunnen vervullen. In de regeling moeten wel afspraken worden gemaakt over de wijze waarop de informatie wordt aangeleverd. Dat is dus het verschil met de huidige stand van zaken.

Dan vroeg de heer Sneller in het verlengde hiervan of de informatieplicht ook geldt ten opzichte van een collega-raadslid, als hij of zij in zo'n algemeen bestuur gaat zitten. Raadsleden kunnen alleen in het bestuur van een gemeenschappelijke regeling zitten als raden deelnemen aan de regeling. Dat geldt voor een minderheid van het aantal gemeenschappelijke regelingen dat we kennen. De actieve informatieplicht geldt voor het hele bestuur van de gemeenschappelijke regeling en niet voor individuele bestuursleden.

Dan over het materiële effect van die actieve informatieplicht. Mevrouw Leijten vroeg welke sanctie er is als die niet wordt nageleefd. Ik beschreef net wat het toevoegt, maar dat betekent de facto dat er niet echt een sanctie op zit, anders dan dat de gemeenteraad de vertegenwoordiger uit het bestuur ter verantwoording kan roepen. Dat is wat je kunt doen.

De voorzitter:
Er is een interruptie van de heer Sneller van D66.

De heer Sneller (D66):
Ik snap dat het op het bestuur zit, maar dat betekent dus dat het raadslid als onderdeel van het algemeen bestuur wel indirect die actieve informatieplicht heeft richting de raad waar hij zelf uit komt.

Minister Ollongren:
Ja, maar dus inderdaad als onderdeel van het bestuur, en niet als individu.

De voorzitter:
Gaat u verder.

Minister Ollongren:
Mevrouw Leijten vroeg naar de zienswijze. Bij elke gemeenschappelijke regeling moet vastgesteld worden wanneer een zienswijze aan de gemeenteraden wordt gevraagd, dus voordat het besluit door de gemeenteraden wordt genomen. Zo is geregeld dat de raad vooraf inspraak heeft bij besluiten waar de raden dat belangrijk bij vinden.

Voorzitter. Dan tot slot nog een paar vragen van mevrouw Van Dijk en mevrouw Leijten die zagen op de vergoedingen. Er komt inderdaad een mogelijkheid tot het geven van extra vergoedingen voor raadsleden, voor rekening van de gemeenschappelijke regelingen en dus voor de deelnemende gemeenten.

Mevrouw Van Dijk vroeg terecht aandacht voor de financiën van de gemeenten. Zij zei dat deze kosten uiteindelijk voor rekening van de deelnemende gemeenten komen. Dat is helemaal juist. Zo is het nu in het voorstel opgenomen. De gemeenten voorzien daarmee dus ook in financiële zin in een betere democratische legitimiteit. Dat is in het algemeen ook het geval, bijvoorbeeld bij vergoedingen voor extra commissiewerkzaamheden. De raad moet zelf bepalen of hij die vergoeding wenselijk vindt. Daarbij zullen raden vooral rekening houden met de omvang van de werkzaamheden, denk ik. Maar deze manier van werken kennen we dus al. Ik verwacht niet een grote belasting voor de gemeenten, maar het is een keuze om daar een reële vergoeding voor te geven.

Mevrouw Leijten heeft inmiddels een amendement ingediend. Zij wil die vergoeding schrappen. Wat ik al zei: het is geen verplichting, maar een mogelijkheid. Het creëert de mogelijkheid. Raadsleden doen wel extra werk. Veel raadsleden, eigenlijk de meeste raadsleden, doen het raadslidmaatschap naast hun reguliere werk. Als zij meer tijd nodig hebben voor hun raadswerk, kunnen zij minder tijd besteden aan hun reguliere werk. Dus in zekere zin moeten zij zich daar uitroosteren en ontvangen zij daar ook minder salaris voor. Die extra vergoeding draagt dus bij aan het aantrekkelijk houden van het ambt van raadslid, omdat je weet dat er een vergoeding tegenover staat als je extra werk doet. Maar nogmaals, het is een keuze van de raad. Ik vind het verstandig om hun die keuze te laten.

De voorzitter:
Daarmee is uw oordeel over het amendement denk ik al uitgesproken. Dat oordeel luidt dan ontraden?

Minister Ollongren:
Ja.

De voorzitter:
Mevrouw Leijten, voor een interruptie.

Mevrouw Leijten (SP):
Er gaat intrinsiek natuurlijk een enorm perverse prikkel uit van die vergoeding. Want die betekent dat je je eigen werk en je eigen vergoeding kan creëren als raadslid. Als je in een gemeenschappelijke regeling zit en je als enige stad of gemeente iets niet wilt, dan word je gewoon overruled. Volgens mij moet je het niet doen. Het legitimeert vergaderen. Je moet geen kletsende klasse, maar inspraak van iedereen organiseren als het gaat over de democratie. Dit is geen inspraak. Dit is het zelf creëren van nieuwe vergaderplatforms, want je wordt er toch voor betaald. Ik roep de minister dus op om dat niet te doen, maar ik heb nog een andere vraag.

De voorzitter:
Oké. Eerst een reflectie van de minister op deze oproep.

Minister Ollongren:
Mevrouw Leijten en ik kijken daar toch echt anders tegen aan. Ik denk dat raadsleden geen raadslid zijn vanwege de vergoeding die ze daarvoor ontvangen. Ik denk niet dat raadsleden geprikkeld worden om extra te vergaderen omdat ze er meer vergoeding voor krijgen. Wij vragen van raadsleden dat zij het raadslidmaatschap naast hun gewone werk doen. Het is geen fulltimebezigheid, zoals het Kamerlidmaatschap dat wel is. Raadsleden zijn vooral in de avonduren en in het weekend actief om hun controlerende functie te kunnen uitoefenen. We vinden het belangrijk om de democratische legitimiteit te verbeteren en te versterken, ook in de gemeenschappelijke regelingen. Dat kost wel tijd, en die moeten de raadsleden dan wel vrij kunnen maken. Ik vind het niet onredelijk om raden die mogelijkheid wel te bieden, maar nogmaals, de keuze is aan de raad zelf, want die moet hiertegen ja of nee zeggen.

De voorzitter:
Dan heeft mevrouw Leijten nog een vraag.

Mevrouw Leijten (SP):
Ik zou zeggen: organiseer die vergaderingen niet, dan hoef je er ook geen vergoeding voor te vragen. Zorg dat je je als gemeenteraad organiseert om duidelijk het debat te voeren over vragen als: waar moeten wij over gaan en hoe kunnen wij onze vertegenwoordigende functie ook echt waarmaken? Want van beroepspolitici hebben we er al veel te veel in Nederland. Ik wil eens even van de minister weten wat zij nou überhaupt gaat doen met de oproep van de Kamer, van zo'n beetje iedereen hier: wanneer komt dat plan, die visie op de lokale democratie? Want dat heb ik nog niet gehoord, hoor.

Minister Ollongren:
Mevrouw Leijten heeft daar, net als de rest van de Kamer, gewoon een brief van het kabinet over ontvangen. Daar hebben we ook vaak over kunnen discussiëren. Dat heeft geleid tot allerlei voorstellen van het kabinet, die deels ook al door de Kamer zijn aangenomen. Maar ik zou, in deze blessuretijd van het kabinet — zo zei iemand het net — wel zeggen: we zijn op weg naar een volgende periode en die discussie moet natuurlijk wel voortgaan. Denk bijvoorbeeld aan de regio's. Wat doe je met de regiovorming? Hoe zorg je ook daar voor democratische legitimiteit? Hoe zorg je er ook daar voor dat burgers goed op de hoogte zijn van wat er gebeurt en waarom er in die regio's wordt gewerkt? Deze discussie gaat door. Maar mevrouw Leijten kan mij niet verwijten dat ik hier geen visie op heb gepresenteerd. Ik verwijs naar de brief, de Thorbeckelezing en allerlei andere stukken die daarover zijn verstuurd.

Mevrouw Leijten (SP):
Precies hierop is de Raad van State onverbiddelijk. Er is geen visie, er is niet het begin van een discussie. Daarom is dit wetsvoorstel eigenlijk verloren tijd. Dat zegt de Raad van State altijd wat netter dan ik dat doe, in klare taal, maar de raad is onverbiddelijk: dit wetsvoorstel lost niks op! Dit wetsvoorstel lost het dubbele democratische tekort niet op. De minister presenteert dit nu alsof het hosanna is, maar dat is het niet. Ik deed net een oproep aan de Tweede Kamer: neem dit wetsvoorstel niet aan; stink er niet in, want dit is geen oplossing voor het democratisch tekort op lokaal niveau, de decentralisatie met gigantische kortingen, die regiovorming, zoals de minister het noemt. Nee, dit is de creatie van een nieuwe bestuurslaag zonder dat wij hier ooit hebben gesproken over de vraag of dat wenselijk is of niet. En dan gaan we ook nog voor al die vergaderingen extra vergoedingen geven. Nou, ik weet wat de uitkomst daarvan zal zijn. Daar heb ik geen evaluatie voor nodig, zeg ik tegen de heer De Kort. Ze gaan nog meer vergaderen, er zijn nog minder gesprekken met gewone inwoners, voor wie de gemeente er moet zijn, en er is nog minder herkenning, überhaupt, van democratie in het lokale bestuur.

De voorzitter:
Dan ga ik naar de volgende interruptie. Die is van de heer Van Meijeren van Forum voor Democratie.

De heer Van Meijeren (FVD):
Zoals al een paar keer is gezegd, is het gevolg van de Wet gemeenschappelijke regelingen dat steeds meer besluiten worden genomen in nieuwe regionale bestuurslagen waar geen directe democratische controle op is. Nu hoorde ik de minister zojuist zeggen: dat Huis van Thorbecke, dat is niet onveranderbaar; de democratie is in beweging en we moeten voortdurend blijven kijken hoe we dat Huis beter kunnen benutten. Nu ben ik het er op zich mee eens dat de democratie voortdurend in beweging blijft en dat we moeten kijken waar dat gemoderniseerd kan worden, maar met nieuwe bestuurslagen waar geen democratische controle op is, wordt het Huis van Thorbecke niet beter benut, maar wordt het gewoon verlaten en eigenlijk in elkaar getrapt. Mijn vraag is dus: hoe ziet de minister dat "beter benutten" van dat Huis van Thorbecke voor zich?

Minister Ollongren:
Ik heb vorige week, of anders de week daarvoor, in de Eerste Kamer een heel uitvoerig debat gehad over de decentralisaties en de inrichting van het lokaal bestuur. Het was een zogenaamd beleidsdebat. Er werden geen besluiten genomen, er werd geen wetgeving aangenomen. Het was meer een beschouwend debat op basis van al die adviezen die er liggen, de voorlichting van de Raad van State, het advies van de Raad voor het Openbaar Bestuur en de stukken die het kabinet heeft gepresenteerd. Dat ging eigenlijk precies hierover, over wat de heer Meijering nu vraagt.

Ik heb niet gezegd — dat zeg ik ook tegen mevrouw Leijten — dat dit wetsvoorstel dé oplossing is voor al datgene wat in die bredere visie op het decentrale bestuur speelt. Dat is natuurlijk veel meer. De Wet gemeenschappelijke regelingen betreft alleen maar een deelverzameling. Er zijn honderden gemeenschappelijke regelingen in Nederland. Een gemiddelde gemeente zit in 27 samenwerkingsverbanden. Dat getal is op zich overigens nog best te overzien, maar het is wel veel. De Wet gemeenschappelijke regelingen heeft in onze ogen een tekortkoming, namelijk dat de democratische legitimiteit daarvan niet helemaal op orde is, waardoor raadsleden het soms lastig vinden om hun controlerende functie ten aanzien van die gemeenschappelijke regelingen uit te oefenen. Dat beoogt dit wetsvoorstel te verbeteren. Het wetsvoorstel beoogt dus ook helemaal niet het hele openbaar bestuur op de schop te nemen en een totaaloplossing aan te dragen voor alles. Ik geloof daar overigens ook niet in. Ik geloof wel dat je mee moet bewegen en steeds moet blijven toetsen of de democratische verantwoording en legitimiteit wel voldoende is, ook in bredere in, ook met betrekking tot andere zaken dan de gemeenschappelijke regeling waar het hier over gaat. Maar dat is wat hier voorligt. Het lost in een deelverzameling van het geheel het democratisch deficit op.

De voorzitter:
De heer Van Meijeren werd net de heer Meijering genoemd. Dat gebeurde eerder ook bij een spreker. Dus voordat dat school maakt, wil ik toch even benoemen dat hij de heer Van Meijeren heet. Hij is ongetwijfeld — net zoals ik — gewend dat enige creatieve benadering van zijn naam af en toe plaatsvindt. Het woord is aan de heer Van Meijeren.

De heer Van Meijeren (FVD):
Ik had het niet over het wijzigingsvoorstel dat vandaag voorligt, maar ik zoomde even uit en keek naar de Wet gemeenschappelijke regelingen als zodanig. Begrijp ik dan goed dat de minister in ieder geval erkent dat het hele idee van die gemeenschappelijke regelingen niet een vorm is van het beter benutten van het Huis van Thorbecke, maar daar haaks op staat?

Minister Ollongren:
Mijn excuses overigens dat ik de naam van de heer Van Meijeren verkeerd heb gezegd. Maar ik kon het handschrift gewoon niet zo goed lezen.

De voorzitter:
Het is vandaag meerderen overkomen. Daarom dacht ik: ik maak er even melding van. Dat deed ik om te voorkomen dat iedereen denkt dat dat echt zijn naam is.

Minister Ollongren:
Dank, voorzitter, heel nuttig. Nu vergeet ik die naam natuurlijk nooit meer.

Wat de heer Van Meijeren zegt, klopt. Als je breder kijkt naar het Huis van Thorbecke, dan kun je gewoon zien dat die drie bestuurslagen niet voldoende zijn om het openbaar bestuur in Nederland, ook op decentraal niveau, uit te voeren. Je kunt voor die 350 gemeenten die Nederland rijk is, niet volstaan met alles bij die gemeenten te beleggen en als dat niet kan, meteen naar de provincie te kijken. Er moet iets tussenin bestaan. Ik denk dat het goed is dat die Wet gemeenschappelijke regelingen er is, omdat sommige onderwerpen op die manier een goede wettelijke verankering hebben gekregen. Ik denk dat die samenwerking iets toevoegt, maar ik wil wel graag zien dat de gemeenteraden daar grip op hebben, dat ze hun controlerende functie beter kunnen uitoefenen. Daarom ligt dit voorstel er. Ik vind het dus een verbetering ten opzichte van de bestaande praktijk van de gemeenschappelijke regelingen.

De voorzitter:
Ik denk dat u het daar niet over eens zult worden, maar de minister kan wel haar betoog vervolgen.

Minister Ollongren:
Voorzitter. Ik denk dat ik bijna tot een afronding kan komen. Mevrouw Van Dijk heeft zorgen over de kosten. Het is niet zo dat het in financiële zin zo lastig is voor gemeenten dat ze dat niet zouden kunnen. Ze krijgen een keuze om zich aan te sluiten bij de bestaande praktijk van de commissiewerkzaamheden. Ik heb natuurlijk zeker ook oog gehad voor de vergoeding van raadsleden in de kleinere gemeenten. Hierover is veel overleg geweest met de gemeenten en ook met de VNG. Dit zou dus binnen de bestaande kaders en werkwijzen moeten kunnen.

Voorzitter. Daarmee kom ik aan het einde van mijn eerste termijn.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan kijk ik naar de Kamer of er behoefte is aan een tweede termijn. Dat is het geval, zie ik. Ik zie dat mevrouw Leijten vraagt om daarvoor twee minuten te schorsen. Ik geef daaraan gehoor. Wij vervolgen de beraadslaging om 18.35 uur.

De vergadering wordt van 18.33 uur tot 18.35 uur geschorst.

De voorzitter:
De vergadering is wederom geopend. Er zijn drie sprekers in de tweede termijn. Voordat ik de eerste van die drie het woord geef, is het wel goed — alle deelnemers in het debat hebben dat gedaan — dat ik eerlijk beken ook ooit lid te zijn geweest van het Centraal Nautisch Beheer Noordzeekanaalgebied. Daarvoor bestond volgens mij overigens geen vergoeding. Althans, mij is dat nooit meegedeeld.

Ik geef graag het woord aan mevrouw Bromet van GroenLinks voor haar bijdrage in tweede termijn.

Mevrouw Bromet (GroenLinks):
Voorzitter. Dank aan de minister voor de antwoorden. Het blijft, denk ik, een dilemma: ga je het een beetje verbeteren, ga je het hele stelsel op de kop gooien of ga je het allebei doen?

Ik heb één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat gemeenten, provincies en waterschappen op diverse beleidsterreinen in gemeenschappelijke regelingen samenwerken;

overwegende dat decentrale overheden naast samenwerkingen in de zin van de Wet gemeenschappelijke regelingen ook regelmatig via privaatrechtelijke constructies, bijvoorbeeld via akkoorden, convenanten en andere vormen, samenwerkingen aangaan;

overwegende dat de controle- en participatiemechanismen die op gemeenschappelijke regelingen van toepassing zijn niet gelden voor privaatrechtelijke samenwerking, terwijl decentrale volksvertegenwoordigers ook op dit soort samenwerkingen goed zicht moeten kunnen houden;

verzoekt de regering om in overleg met de decentrale overheden een kader op te stellen voor democratische controle op privaatrechtelijke samenwerkingen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Bromet.

Zij krijgt nr. 11 (35513).

Mevrouw Bromet (GroenLinks):
Voorzitter, dank voor het voorzitten. Ik vind dat u het doet alsof u al jaren hier zit.

De voorzitter:
Dank u wel. Die complimenten steek ik in de zak. Vervolgens geef ik direct het woord aan mevrouw Leijten van de SP voor haar bijdrage in tweede termijn. De microfoon wordt uiteraard nog even schoongemaakt. O, de microfoon staat nog aan. Zo zie je maar weer dat je als voorzitter nog steeds bepaalde routines moet opbouwen, ook al is dit debat alweer enige tijd bezig. Ik geef het woord aan mevrouw Leijten.

Mevrouw Leijten (SP):
Waarbij ik natuurlijk volledig begrijp dat u eventjes afgeleid was door de mooie complimenten die u kreeg van mevrouw Bromet voor uw maidenvoorzitterschap. Ook nog mijn felicitaties aan de heer Van Meijeren — dat zeg ik goed, hè? — van FVD voor zijn maidenspeech.

De voorzitter:
U zegt het helemaal goed.

Mevrouw Leijten (SP):
Ik moet heel eerlijk zeggen dat de inhoud wel interrupties uitlokte, dus misschien moeten we daar iets aan doen. Nee hoor, grapje; dat debat komt wel een andere keer.

Ik heb twee moties. De stellingname van de SP op dit wetsvoorstel is volgens mij glashelder.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen veel te wensen overlaat;

constaterende dat ook de Raad van State concludeert dat sleutelen aan gemeenschappelijke regelingen de achterliggende problemen van het democratische gebrek van deze regelingen niet oplost;

constaterende dat er een gebrek is aan een gedegen visie op het lokaal bestuur, de taken die horen bij gemeenten en provincies, en de democratische legitimiteit;

constaterende dat er weinig onderzoek is naar de democratische vooruitgang en de doelmatigheid van gemeentelijke herindelingen;

verzoekt de regering met een dergelijke visie te komen zodat de lokale democratie versterkt kan worden, en onderzoek te doen naar de doelmatigheid en democratische vooruitgang van gemeentelijke herindelingen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Leijten.

Zij krijgt nr. 12 (35513).

Dank u wel, mevrouw Leijten.

Mevrouw Leijten (SP):
De volgende motie, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen veel te wensen overlaat;

constaterende dat het ontstaan van een extra bestuurslaag van gemeentelijke regelingen leidt tot een dubbel democratisch tekort;

overwegende dat de effectiviteit, legitimiteit en doelmatigheid van regionaal samenwerken niet onderzocht is;

verzoekt de regering wetenschappelijk onderzoek te laten doen naar de effectiviteit, legitimiteit en doelmatigheid van regionale regelingen, en hierover de Kamer te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Leijten.

Zij krijgt nr. 13 (35513).

Dank u wel. Beide moties maken automatisch onderdeel uit van de beraadslaging. Dan geef ik als laatste spreker in tweede termijn het woord aan mevrouw Inge van Dijk van het CDA.

Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Ook wij hebben een motie voorbereid.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat een fundamentele discussie over de ontwikkelrichting van het binnenlands bestuur nodig is, waarbij Rijk, provincies, gemeenten, waterschappen en burgers betrokken zijn;

overwegende dat een dergelijke discussie moet uitmonden in concrete voorstellen;

verzoekt de regering de fundamentele discussie over de ontwikkelrichting van het binnenlands bestuur met concrete voorstellen af te ronden, en de Kamer daarover te informeren voor de zomer van 2022,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Inge van Dijk.

Zij krijgt nr. 14 (35513).

Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van de zijde van de Kamer. De minister heeft een paar minuten nodig om de appreciatie van de moties voor te bereiden.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:
Aan de orde is nog altijd de Wijziging van de Wet gemeenschappelijke regelingen en enige andere wetten in verband met het versterken van de democratische legitimatie van gemeenschappelijke regelingen. De minister gaat ongetwijfeld de moties van een appreciatie voorzien. Ik zou het ook appreciëren als de minister nog even helder de beide amendementen van een formele appreciatie voorziet. In het geval van mevrouw Leijten was dat reeds duidelijk. Over het amendement van mevrouw Bromet heeft de minister ook enkele woorden gesproken, maar ik vraag nog even om een heldere appreciatie, ook voor de kijkers thuis. Het woord is aan de minister van Binnenlandse Zaken.

Minister Ollongren:
Dan begin ik met de appreciatie van het amendement op stuk nr. 10 van mevrouw Bromet. Ik legde het amendement uit en volgens mij zag ik mevrouw Bromet daarbij knikken. Met die uitleg en haar aanpassingen van het amendement — althans, het ingediende amendement, zoals dat luidt — kan ik het oordeel aan de Kamer laten.

De voorzitter:
Het oordeel op het amendement op stuk nr. 10 is dus: oordeel Kamer.

Minister Ollongren:
Voorzitter. Dan tot slot nog vier moties, die zonet zijn ingediend. De motie op stuk nr. 11 van mevrouw Bromet verzoekt om een kader op te stellen voor democratische controle op privaatrechtelijke samenwerkingen. Er is eigenlijk een oud kader. Ik kan me voorstellen dat we gewoon nog even gaan kijken wat er is en wat je zou willen rondom privaatrechtelijke samenwerkingen. Op die manier zou ik uitvoering kunnen geven aan de motie. Ik laat het oordeel over de motie dus graag aan de Kamer.

De voorzitter:
De appreciatie van de motie op stuk nr. 11 is: oordeel Kamer.

Minister Ollongren:
De motie op stuk nr. 12 is van mevrouw Leijten. Mevrouw Leijten en ik zijn het natuurlijk niet helemaal eens. Zij vraagt om een visie. Ik heb gezegd dat die visie er al ligt en dat het kabinet in deze kabinetsperiode heel uitvoerig zo'n visie heeft neergelegd. Vanuit die visie werken we nu. Blijkbaar heeft mevrouw Leijten behoefte aan een andere visie, maar ik was niet van plan om dat te doen. Ik ontraad deze motie dus.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 12 is ontraden.

Minister Ollongren:
Dat geldt niet voor de motie op stuk nr. 13 van mevrouw Leijten. Die vraagt om een onderzoek naar de effectiviteit en legitimiteit van regionale regelingen. Ik zou mevrouw Leijten wel willen vragen om, mocht deze motie worden aangenomen — ik ben graag bereid om de motie oordeel Kamer te geven — ruimte te laten om een lopend onderzoek … De Rijksuniversiteit Groningen doet een onderzoek dat dit in ieder geval op het eerste gezicht mee lijkt te kunnen nemen. Het is een onderzoek dat al een jaar loopt en dat nog drie jaar doorgaat. Het is een zogenaamd langjarig onderzoek, dat ook ziet op die regionale regelingen en dit soort vraagstukken. Het is wel wat breder dan dat. Het is een onderzoek in het kader van brede welvaart. Maar ik wil kijken of dit onderdeel zou kunnen uitmaken van dat reeds lopende onderzoek.

Tot slot, voorzitter.

De voorzitter:
Ik zie mevrouw Leijten knikken. Daarmee is voor de motie op stuk nr. 13 het oordeel aan de Kamer.

Minister Ollongren:
Ja, precies.

Dan de laatste motie, de motie op stuk nr. 14 van mevrouw Van Dijk van het CDA. Ik noemde net al het debat dat ook in de Eerste Kamer is gevoerd. Daar was een soortgelijke wens. Daar werd gevraagd welke randvoorwaarden nodig zijn in de ontwikkelingen die we zien in het binnenlands bestuur. Denk aan regiovorming, differentiatie, maatwerk et cetera. Ik zou me kunnen voorstellen dat deze motie van mevrouw Van Dijk een soortgelijk doel heeft, namelijk zorgen voor fundamenten onder een inhoudelijke discussie die ook deze Kamer wil voeren. "De Kamer informeren voor de zomer van 2022": ik ga ervan uit dat dat helemaal aan het volgende kabinet is. Maar ik kan mij heel goed voorstellen dat het departement dat nu ook aan de slag is gegaan met de wens van de Eerste Kamer, deze motie daar ook bij betrekt. Ik laat het oordeel over de motie dus graag aan de Kamer.

De voorzitter:
Het oordeel over de motie op stuk nr. 14 is: oordeel Kamer. U bent daarmee aan het eind van de beantwoording, denk ik.

Minister Ollongren:
Ja.

De voorzitter:
Dan is er nog een interruptie van mevrouw Leijten van de SP.

Mevrouw Leijten (SP):
Wat betreft de invulling van de derde motie, mijn tweede motie, over kijken naar de doelmatigheid en de effectiviteit van regionale samenwerking en regionale regelingen. De minister stelt voor om dat bij een lopend onderzoek te voegen. Ik hou er altijd wel van als dat niet dubbel hoeft te gebeuren. Wel zou ik de minister willen vragen om ons in ieder geval even te informeren of a dat kan en b het dan bijvoorbeeld ook een deelonderzoek kan zijn dat al eerder met de Kamer kan worden gedeeld. Want als het zo'n langlopend onderzoek is, waar ik mij van alles bij voor kan stellen vanuit wetenschappelijk perspectief, dan is het misschien wel mogelijk om met een eerder afgerond onderzoek naar specifiek deze drie punten te komen. Ik snap ook dat de minister daarover moet bellen of schrijven met de Rijksuniversiteit Groningen, dus als dat gewoon een keer in een briefje naar ons kan komen, heel graag.

Minister Ollongren:
Een heel terecht punt van mevrouw Leijten. Juist ook omdat haar motie vraagt om wetenschappelijk onderzoek, leek me dit goed. Wetenschappelijk onderzoek kost meestal ook wat meer tijd. Als het kan, sluit het aan bij het lopende onderzoek. Ik zal graag haar beide vragen meenemen: kan het überhaupt en zou misschien een deelonderzoek ook al wat eerder wat inzichten kunnen geven? Ik zal de Kamer daarover informeren.

De voorzitter:
Dank aan de minister. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de behandeling van dit wetsvoorstel.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
Over het wetsvoorstel en de bijbehorende moties zal volgende week dinsdag 1 juni worden gestemd. Dank aan de Kamerleden en aan de minister voor haar komst en bezoek aan de Tweede Kamer. Ik schors de vergadering voor drie kwartier.

De vergadering wordt van 18.50 uur tot 19.37 uur geschorst.