Plenair verslag

Tweede Kamer, 27e vergadering
Donderdag 19 november 2020

  • Aanvang 10:15 uur
  • Sluiting 22:17 uur
  • Status Ongecorrigeerd

Opening

Voorzitter: Arib

Aanwezig zijn 116 leden der Kamer, te weten:

Agema, Alkaya, Amhaouch, Arib, Asscher, Baudet, Becker, Beckerman, Beertema, Belhaj, Van den Berg, Van den Berge, Bergkamp, Van Beukering-Huijbregts, Bolkestein, Bosman, Bouali, Van Brenk, Bruins, Buitenweg, Van Dam, Diertens, Tony van Dijck, Emiel van Dijk, Gijs van Dijk, Jasper van Dijk, Remco Dijkstra, Dik-Faber, Van Eijs, El Yassini, Ellemeet, Fritsma, Futselaar, Geluk-Poortvliet, Van Gent, Van Gerven, Geurts, De Graaf, Van der Graaf, Graus, De Groot, Groothuizen, Van Haga, Rudmer Heerema, Pieter Heerma, Van Helvert, Hermans, Van den Hul, Jansen, Jetten, De Jong, Van Kent, Kerstens, Klaver, Koerhuis, Van Kooten-Arissen, Kops, Kröger, Krol, Kuik, Kuiken, Kuzu, Laçin, Van der Lee, Van der Linde, Lodders, Maeijer, Marijnissen, Markuszower, Van Meenen, Middendorp, Van der Molen, Agnes Mulder, Edgar Mulder, Van den Nieuwenhuijzen, Nijboer, Nijkerken-de Haan, Van Nispen, Omtzigt, Van Otterloo, Öztürk, Palland, Paternotte, Peters, Postma, Van Raan, Regterschot, Renkema, Rog, De Roon, Sazias, Schonis, Segers, Sjoerdsma, Slootweg, Smals, Smeulders, Sneller, Snels, Snoeren, Van der Staaij, Stoffer, Tellegen, Terpstra, Van Toorenburg, Verhoeven, Wassenberg, Van Weerdenburg, Westerveld, Weverling, Van Weyenberg, Wiersma, Van Wijngaarden, Wilders, Wörsdörfer en Ziengs,

en de heer Koolmees, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mevrouw Van Nieuwenhuizen-Wijbenga, minister van Infrastructuur en Waterstaat, mevrouw Van Veldhoven-van der Meer, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, en de heer Van 't Wout, staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

De voorzitter:
Ik open de vergadering van donderdag 19 november 2020.

Mededelingen

Mededelingen

Mededelingen

De voorzitter:
Ik deel aan de Kamer mee dat het volgende lid zich heeft afgemeld:

Voordewind.

Deze mededeling wordt voor kennisgeving aangenomen.

Begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2021

Begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2021

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

  • het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2021 (35570-XV).

(Zie vergadering van 17 november 2020.)

De voorzitter:
Ik heet iedereen van harte welkom, in het bijzonder de minister en de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. We gaan vandaag verder, meneer Van Kent, met de behandeling van de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Kamerstuk 35570-XV. Vandaag is de eerste termijn van de kant van de regering aan de orde.

Door mij zijn schriftelijke antwoorden ontvangen van de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid op vragen, gesteld in eerste termijn.

Deze antwoorden zullen worden opgenomen in een bijvoegsel bij de Handelingen van deze vergadering.

(Het bijvoegsel is opgenomen aan het eind van deze editie.)

De voorzitter:
Ik zie de heer Van Kent. Goedemorgen, meneer Van Kent.

De heer Van Kent (SP):
Een hele goede morgen, mevrouw de voorzitter. Ik zou een punt van orde willen maken. Er gaat voor miljarden euro's aan steun naar bedrijven om banen in stand te houden. De Kamer heeft als voorwaarde gesteld dat die bedrijven geen winsten mogen uitkeren, geen bonussen, en geen eigen aandelen mogen aankopen. Nou horen we vanmorgen via de NOS dat dat wel wordt toegestaan, dat er allerlei memo's en nota's zouden bestaan waaruit dat zou blijken. We hebben ons vanmorgen rot gezocht, maar we kunnen ze nergens vinden, ook niet in de Kamerbrief. Punt van orde: we verzoeken het kabinet om nog tijdens dit debat die memo's en informatie naar de Kamer te sturen en pas dat deel van het debat te behandelen nadat we die informatie hebben gekregen en hebben kunnen lezen.

De voorzitter:
Dat laatste weet ik niet, maar ik geef even het woord aan de minister.

Minister Koolmees:
Goedemorgen, mevrouw de voorzitter.

De voorzitter:
Ook goedemorgen.

Minister Koolmees:
Ik zag dat vanmorgen ook op NOS.nl. Dat komt uit een WOB-procedure, waarin alle memo's die op het ministerie zijn gemaakt bij het tot stand komen van deze regeling openbaar zijn geworden en naar een journaliste zijn gestuurd. Dat wordt ook naar uw Kamer gestuurd. Er is altijd een vaste termijn, zodat journalisten de tijd krijgen hun stuk te publiceren. Ik zal even navragen wat de termijn is, maar alle stukken worden openbaar. Ik heb daarin maximale transparantie betracht om te laten zien hoe dit pakket tot stand is gekomen. Dat geldt overigens voor de hele NOW-regeling, niet alleen dit onderdeel. Laten we helder zijn: als een bedrijf in Nederland NOW-steun aanvraagt, moet voldaan worden aan een aantal voorwaarden. Eén is: minimaal 20% omzetverlies. Twee is: dat het bedrijf in Nederland werknemers heeft en sv-loon betaalt, zodat je bij het UWV in de systemen staat en er loonheffing wordt ingehouden. Drie is: als je dan die steun krijgt, mag je geen bonussen of dividend uitkeren. Dat geldt ook voor bedrijven die in Nederland actief zijn. Het kan gebeuren — dat is een inhoudelijk punt — dat een bedrijf onderdeel is van een buitenlands bedrijf. Dan hebben we de afspraak gemaakt dat dit bedrijf geen dividend, geen bonus mag uitkeren richting de moeder.

De voorzitter:
Meneer de minister, dit was een punt van orde.

Minister Koolmees:
Ja, maar dit was wel een inhoudelijk punt.

De voorzitter:
Inhoud gaan we op een ander moment aan de orde stellen. Ten eerste de informatie. Daarvan begrijp ik dat de minister bereid is de informatie ook met de Kamer te delen, meneer Van Kent. Daarmee is dit punt qua informatie afgerond.

Minister Koolmees:
Sterker nog: het stond ook in de regeling die in juli naar uw Kamer is gestuurd.

De voorzitter:
Kijk. Tot slot.

De heer Van Kent (SP):
We hebben bij de NOS gezien dat er ambtelijke adviezen zijn om te voorkomen dat die bedrijven alsnog via moederbedrijven in het buitenland aan aandeelhouders dividend of bonussen uitkeren. Dat wordt afgeraden, omdat deze minister anders heeft besloten.

De voorzitter:
Nee, meneer Van Kent.

De heer Van Kent (SP):
Daar is de Kamer niet over geïnformeerd. Dus nogmaals, niet het verzoek om alle documenten naar de Kamer te sturen, maar specifiek de documenten die gaan over die bonussen …

De voorzitter:
Helder.

De heer Van Kent (SP):
... aan de Kamer te zenden nog voordat we in dit debat de NOW behandelen. Want dit is voor ons een zeer belangrijk punt, een Kamermeerderheid heeft een motie gesteund die dit als voorwaarde opneemt, en dat blijkt nu gewoon niet goed geregeld te zijn.

De voorzitter:
Ik zie dat de minister heel graag daarop wil reageren.

Minister Koolmees:
Voorzitter, drie punten. Eén: ik wil het heel graag met u delen, wat ik ook met de journaliste heb gedaan, zodat u kunt lezen wat er gebeurd is. Twee: er ontstaat nu een verkeerd beeld. Ambtenaren hebben inderdaad nagedacht over de eerste fase en hoe dit kan worden voorkomen. Ze hebben ook gesprekken gehad met bedrijven. Die zeiden: als dit in de regeling staat, gaan we wel degelijk werkgelegenheid in Nederland stoppen. Dat is niet de bedoeling, en daarom hebben ze het advies aangepast aan mij. Dat is wat er gebeurd is, en dat kunt u ook zien in de stukken die straks openbaar worden. Drie: er is een afspraak gemaakt met de journaliste over het delen van deze stukken. Het is een enorm stuk papier. Ik wil dat met alle liefde naar uw Kamer toesturen, maar het gaat niet lukken om het binnen een uur te lezen.

De voorzitter:
Dan is het helder: de informatie wordt met de Kamer gedeeld, alleen uw tweede punt, meneer Van Kent, om met de behandeling van het NOW-gedeelte te wachten tot de stukken zijn gelezen …

De heer Van Kent (SP):
Ja, veel fracties hebben vragen gesteld over de steunpakketten. Voordat we daar met deze minister met goed fatsoen over kunnen debatteren, moeten we wel precies weten hoe de vork in de steel zit.

De voorzitter:
Ja, maar dat is een ander ordevoorstel. Ik ga gewoon kijken of daar een meerderheid voor is. Wilt u dat helemaal goed formuleren? Dan kunnen de Kamerleden daarop reageren.

De heer Van Kent (SP):
Een onderdeel van deze begrotingsbehandeling zijn de steunpakketten. Een belangrijke voorwaarde die de Kamer heeft gesteld aan die steunpakketten is dat bedrijven geen bonussen en dividend mogen uitkeren. Nu blijkt dat er iets aan de hand is. Het verzoek van de SP is dat we precies willen weten wat er aan de hand is voordat we dat onderdeel hier in dit debat met elkaar kunnen bespreken.

De voorzitter:
Dan is het ordevoorstel helder. Ik ga gewoon kijken of daar een meerderheid voor is, want anders gaan we daar nu eindeloos over praten.

De heer De Jong (PVV):
Voorzitter. Als het gaat om het specifieke punt waar de heer Van Kent het over heeft, dan steun ik het. Maar ik wil wel tijdens dit debat direct vragen kunnen stellen over het steunpakket, bijvoorbeeld over de verlenging daarvan. Als het gaat om het specifieke punt waar de heer Van Kent het over heeft, vind ik het prima, maar als het gaat om de rest van de steunpakketten, en dus ook om de NOW, de vraag of we die wel of niet gaan verlengen en hoe die eruit gaat zien, wil ik gewoon mijn vragen kunnen stellen.

De voorzitter:
Dus geen uitstel. Begrijp ik het goed?

De heer De Jong (PVV):
Alleen als het gaat om het onderdeel van de heer Van Kent. Ik vind het prima als dat in de loop van het debat komt of wanneer de informatie komt. Dat vind ik allemaal goed, maar ik moet wel mijn vragen over het steunpakket kunnen stellen vandaag.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Steun voor het voorstel van de heer Van Kent.

De heer Smeulders (GroenLinks):
Voorzitter. Ik vind de lijn van de heer De Jong heel goed. Het lijkt me goed als die stukken zo snel mogelijk onze kant op komen.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):
Steun, vooral voor hoe de heer De Jong het verwoordt.

De heer Van Weyenberg (D66):
Voorzitter. Ik kan me ook vinden in de woorden van de heer De Jong. Misschien is het goed als de minister ook nog even het linkje naar het Kamerstuk stuurt met de regeling die we blijkbaar hebben gehad, waar dit in staat.

De voorzitter:
Meneer Stoffer, bent u het daar ook mee eens?

De heer Stoffer (SGP):
Ja.

De voorzitter:
Geldt dat ook voor de anderen? Dan is er toch een meerderheid om gewoon door te gaan en om vragen te stellen over het onderdeel waar u naar verwees. Dus geen uitstel van het debat of ergens halverwege stoppen.

De heer De Jong (PVV):
Even voor de helderheid: ik ben het eens met hetgeen de heer Van Kent verwoordde, namelijk het specifieke onderdeel met betrekking tot de NOW, het wel of niet uitkeren van bonussen en dat soort zaken. Maar ik vind dat ik in het debat over de rest van het steunpakket, de NOW, de Tozo en noem het maar op, gewoon mijn vragen moet kunnen stellen.

De voorzitter:
Helder.

Minister Koolmees:
We hebben de antwoorden voor de eerste termijn allebei in de set zitten.

De voorzitter:
Prima.

De algemene beraadslaging wordt hervat.

De voorzitter:
Dan is nu het woord aan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Minister Koolmees:
Dank u wel, mevrouw de voorzitter.

Voordat ik ga beginnen, eerst even de taakverdeling en de blokjes vooraf. Ik ga zo meteen in op mijn deel van het steun- en herstelpakket: zzp'ers, de arbeidsmarkt, de pensioenen, integratie en inburgering, en een paar blokjes overig. De staatssecretaris zal ingaan op armoede en schulden en ook op het steun- het herstelpakket, met name de Tozo. Hij heeft ook een blokje overig. Mis ik nu iets? Het breed offensief en de banenafspraak. Daar gaat de staatssecretaris op in. Ik heb ook nog een inleiding van een minuut of vijf, zes. Ik wil u vriendelijk verzoeken om mij die inleiding te laten doen. Dit is mijn laatste begrotingsbehandeling, dus ik wil wat context geven.

De voorzitter:
Natuurlijk gunnen we u dat!

Minister Koolmees:
Ja, gaat u er maar even voor zitten, want ik ga u allemaal uitdagen en dan mag u niet interrumperen.

De voorzitter:
We zijn een en al oor. Het woord is aan de minister.

Minister Koolmees:
Dank u wel, mevrouw de voorzitter.

Dit is de laatste SZW-begroting van dit kabinet voor de verkiezingen. Althans, dat is voor 99% zeker. Het is met recht een historische begroting van bijna 100 miljard euro, 95 miljard. Het is een begroting die getekend wordt door de ingrijpende corona-uitbraak, waar we helaas nog steeds middenin zitten. Het is een crisis die heel veel mensen hard raakt en die grote onzekerheid veroorzaakt.

Voorzitter. Ik ben nu op de kop af drie jaar en drie weken minister. Aan het begin van de rit stonden we er goed voor. Het werkloosheidspercentage was laag en bleef elk kwartaal dalen. Er kwamen meer banen bij. In maart van dit jaar, nog maar zeven maanden geleden, stelde het CBS het percentage op 2,9%. Het was de laagste werkloosheid in 20 à 25 jaar. Mijn grootste zorg en ook uw grootste zorg was de krapte in heel veel sectoren van onze economie, ook in cruciale publieke sectoren, zoals het onderwijs en de zorg. Tegelijkertijd was er de notie dat er nog veel mensen aan de kant stonden. Maar het is een te plat beeld van de werkelijkheid om te zeggen dat er geen grote uitdagingen lagen op dat moment. Integendeel. De werkloosheid was laag en de overheidsfinanciën werden steeds gezonder, maar wie goed keek, zag wel degelijk onderliggende problemen.

Verschillende leden van uw Kamer — de heer Bruins, de heer Van Weyenberg, de heer Gijs van Dijk — hebben daar dinsdag ook terecht op gewezen. Ze hebben gelijk. Want wie goed keek zag een arbeidsmarkt uit balans, met een kloof tussen vast en flex en tussen mensen die mee kunnen doen en mensen die aan de kant staan. Maar wie goed keek zag ook een pensioenstelsel dat aan hervorming toe was om weer te kunnen aansluiten op de veranderende manier waarop we in Nederland leven en werken.

Voorzitter. De afgelopen jaren zijn er belangrijke stappen gezet om de arbeidsmarkt, de sociale zekerheid en de pensioenen te verbeteren. Dat was niet altijd makkelijk, maar zeker de afgelopen twee jaar hebben we gezamenlijk vooruitgang geboekt. En daar ben ik gewoon trots op. Met de Wet arbeidsmarkt in balans verkleinen we de verschillen tussen vast en flex. Door afspraken met sociale partners wordt de loondoorbetaling bij ziekte door werkgevers makkelijker en duidelijker. Ook is het geboorteverlof voor partners, de Wieg, voor een betere combinatie van arbeid en zorg, uitgebreid naar zes weken, met daarbovenop binnenkort de invoering van negen weken deels betaald ouderschapsverlof.

Verder hebben we stappen gezet op het gebied van een leven lang ontwikkelen. Denk bijvoorbeeld aan de SLIM-regeling voor het mkb, voor de bedrijfscultuur. In 2022 introduceren we ook het STAP-budget voor scholing met eigen regie van alle werkenden, of u nou werknemer of zzp'er bent.

Deze zomer werd ook de wet voor een nieuw inburgeringsstelsel met een hele grote meerderheid van uw Kamer aangenomen. Daarmee komt een einde aan het leenstelsel, en wordt taal en werk vanaf dag één gestimuleerd om nieuwkomers in Nederland echt de kans te geven om mee te doen.

Last but not least is er na tien jaar overleg een breed gedragen pensioenakkoord, waardoor er zicht is op een toekomstbestendig stelsel. De afgelopen twee weken zijn de wetsvoorstellen over een minder snelle stijging van de AOW-leeftijd voor zware beroepen en de mogelijkheid van een bedrag ineens bij de pensioenen met algemene stemmen in uw Kamer aangenomen. Ook daar ben ik trots op.

Kortom, we hebben grote stappen gezet. Stappen waar ik trots op ben en die tot stand kwamen in — dat zeg ik de heer Gijs van Dijk na — nauw overleg met vakbonden en werkgeversorganisaties. Maar ik wil hier vandaag benadrukken dat dit ook tot stand kwam door een samenwerking tussen coalitie en oppositie in dit parlement. Ook dat vind ik een mooi resultaat. Bij bijvoorbeeld de pensioenen en het inburgeringsstelsel zie je dat een brede meerderheid van uw Kamer heeft ingestemd met deze wetten. Het mag ook weleens gezegd worden dat die samenwerking toch loont.

Voorzitter. Nu lijkt het wel een goednieuwsshow. Maar natuurlijk ben ik niet blij met alles. Helaas is niet alles gelukt. Zo had ik bijvoorbeeld meer willen doen met de urgente adviezen van de commissie-Borstlap en het WRR-rapport Het betere werk. Deze rapporten van de commissie-Borstlap en de WRR zijn in februari van dit jaar verschenen, dus ze zijn nog maar negen maanden oud. Maar februari lijkt ondertussen wel een eeuwigheid geleden; althans, bij mij is dat zo. Ik weet niet hoe dat bij u is, maar voor mij is het echt een eeuwigheid geleden. Door de uitbraak van corona en vanwege alle nood- en steunmaatregelen die wij in die korte periode hebben moeten optuigen, zijn mijn ambtenaren heel druk aan het werk geweest met de NOW, met de Tozo, met alle van-werk-naar-werktrajecten. Daardoor is er helaas geen tijd en ruimte geweest om hier verdere stappen in te zetten.

Dat geldt ook voor het zzp-dossier. Er zijn stappen gezet, maar ook hier geldt dat onze ambitie groter was dan de realiteit heeft toegelaten. Niettemin gaan we door op de weg die we aan het begin van deze kabinetsperiode zijn ingeslagen. Zo wordt bijvoorbeeld de zelfstandigenaftrek verder afgebouwd en de arbeidskorting verhoogd om de fiscale verschillen tussen verschillende soorten werkenden ook kleiner te maken. Ook dat is in lijn met het advies van de commissie-Borstlap. Een tweede punt is dat er op dit moment hard wordt gewerkt aan de precieze invulling van de verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen. Ook dit heeft tot doel de verschillen tussen werkenden in de lijn van Borstlap te verkleinen. Via de webmodule proberen wij zelfstandigen en opdrachtgevers duidelijkheid en zekerheid te bieden over de manier waarop werk georganiseerd kan worden. Ik kom daar zo meteen uitgebreider op terug.

Voorzitter. Sinds maart kwam al mijn werk in een ander licht te staan. Prioriteit werd de bescherming van de volksgezondheid, met name de gezondheid van kwetsbare mensen. Voor mij, maar ook voor collega Hoekstra en collega Wiebes, kwam daar al snel de opdracht bij om de economische klap op te vangen en zo veel mogelijk banen te redden. Geen maatwerk, geen complexe regels, maar simpele en overzichtelijke regelingen met snelle uitbetalingen. Er wordt met man en macht gewerkt om die crisis door te komen. Inmiddels loopt sinds 1 oktober het derde steunpakket. Zo helpen we ook de komende periode werknemers, zelfstandigen en bedrijven zo goed mogelijk in deze lastige tijd. Vandaag voer ik graag het debat met u over de begroting en over de discussies en vragen die de Kamer heeft opgebracht. Ik heb de volgende blokken. Ten eerste het steun- en herstelpakket, dan zzp en arbeidsmarkt, dan pensioenen, dan integratie en inburgering en tot slot een aantal overige vragen. Dan wil ik eindigen met een opmerking, misschien wel meer een hartenkreet, dat we ook realistisch moeten zijn.

Voor alles waar we het vandaag over hebben, geldt dat we te maken hebben met de grenzen van wat mensen, maar ook de uitvoering, aankunnen. Ik heb het vaker gezegd, ook in deze Kamer: ik ben zeer trots op hoe het gaat, op wat het UWV tot stand brengt en op wat de SVB tot stand brengt als het gaat om de steun- en herstelpakketten en de crisismaatregelen. Ook ben ik heel erg trots op alle mensen van het ministerie van Sociale Zaken die in die negen maanden die regelingen en die wetgeving hebben gemaakt en hebben nagedacht over hoe we misbruik en oneigenlijk gebruik tegengaan. De SVB is vorige week nog uitgeroepen tot overheidsorganisatie van het jaar. Dus ik ben zeer trots en heel erg groos — dat is een ander woord voor "trots" — op het werk van mijn ambtenaren en het werk van de uitvoeringsorganisaties in de afgelopen periode. Maar we vragen wel heel veel van onze organisaties. Dat bleek ook vorige week nog uit de parlementaire ondervraging onder leiding van de heer Bosman. We vragen heel veel en we moeten ook eerlijk zijn: niet alles kan meer. Uw Kamer heeft nog negen vergaderweken tot de verkiezingen, dus ook uw Kamer kan niet alles meer. Ik zal vandaag in de antwoorden op de terechte vragen en zorgen in de richting van uw Kamer aangeven wat er niet meer mogelijk is de komende tijd omdat we ook onze NOW-, TVL- en Tozo-regelingen overeind moeten houden en we mensen die in aanmerking komen voor een uitkering, snel moeten kunnen helpen om te voorkomen dat ze worden geconfronteerd met een verlies aan inkomen. Dat even als een soort algemene hartenkreet aan het begin van mijn eerste termijn.

Voorzitter. Dit was mijn inleiding. Als hier geen vragen meer over zijn, wil ik beginnen met het eerste blok: het steun- en herstelpakket. Ja, dit is uitlokking, hè!

Voorzitter. Het steun- en herstelpakket. Wij hebben gisteravond een set met schriftelijke antwoorden gestuurd op de technische vragen. Ik hoop dat u die vanmorgen allemaal nog heeft kunnen lezen. Ik ga er nu meer in hoofdlijnen doorheen. We zien dat de pandemie de economie en de arbeidsmarkt hard heeft geraakt. Helaas is het einde nog niet in zicht. Daarom hebben we ook besloten dat de NOW, de TVL en de Tozo doorlopen tot 1 juli 2021. Twee weken geleden heb ik hier met mijn collega's Hoekstra en Wiebes gezegd dat deze regelingen meebewegen met de maatschappelijke en economische realiteit, want de steun wordt groter als het omzetverlies ook groter is. Dat geldt zowel voor de loonkosten alsook voor de vaste lasten. Specifiek bij de NOW staat tegenover het verlagen van het vergoedingspercentage met 10% een loonsomvrijstelling van 10%, omdat wij zien dat bedrijven in een andere situatie terecht zijn gekomen na zeven, acht maanden crisis.

Zoals vorige week nog is vastgelegd in de motie-Asscher, waar uw Kamer in meerderheid voor heeft gestemd, streven we ernaar om eind november of uiterlijk begin december uw Kamer te informeren over de herijking en de mogelijke actualisering van het steun- en herstelpakket. Daarbij komt expliciet de vraag aan de orde wat we op 1 januari doen met de voorgenomen versobering op 1 januari. Daarover zijn we in overleg met sociale partners. We zijn aan het inventariseren in hoeverre aanpassingen nodig zijn. We hebben vorige week ook nieuwe cijfers gekregen. In het derde kwartaal hadden we een goede economische groei en een goede economische ontwikkeling. Volgende week hebben we weer een vergadering met de vakbonden en de werkgevers. In overleg kijken we waar nieuwe uitdagingen zijn en waar nieuwe knelpunten dreigen te ontstaan. Met het verlengen van de steunmaatregelen tot 1 juli 2021 blijven we inzetten op het behouden van werkgelegenheid en het overeind houden van bedrijven en bedrijvigheid. Ik heb steeds gezegd: tegelijkertijd kunnen we niet voorkomen dat er mensen ontslagen worden en dat bedrijven failliet gaan. Daarom hebben we in het derde steun- en herstelpakket een aanvullend sociaal pakket van 1,4 miljard euro opgenomen om ondernemers, maar ook werkenden te helpen om zich aan te passen aan de economische situatie. Dat is niet generiek, maar met name specifiek belangrijk voor sommige sectoren die hard geraakt worden geraakt door de crisis, en die ook al langdurig hard worden geraakt door de crisis.

De inzet van dit pakket is dat zo veel mogelijk mensen direct van werk naar nieuw werk gaan, omdat wij ook nog steeds zien dat er tekorten zijn, in de gezondheidszorg, in het onderwijs en in de techniek. We willen ook die kansen benutten om mensen van baan naar baan te helpen en ze waar nodig ook gericht te kunnen helpen. Daarom doen we dus die investering van 1,4 miljard in ten eerste intensieve ondersteuning en begeleiding naar nieuw werk, ten tweede scholing en ontwikkeling voor behoud van werk, ten derde de bestrijding van jeugdwerkloosheid, waar de staatssecretaris straks op ingaat, en ten vierde de aanpak van armoede en schulden.

Zal ik dit even afmaken, voorzitter?

De voorzitter:
Ja, en ik heb een hele lijst. Ik schrijf mee. Ik heb de heer De Jong, de heer Bruins, de heer Gijs van Dijk en mevrouw Van Brenk. Gaat u verder.

Minister Koolmees:
De heer Gijs van Dijk, de heer Bruins en de heer Van Weyenberg vroegen mij wat ik kan zeggen over de uitvoering en de stand van zaken van het aanvullend sociaal pakket, waar het geld aan wordt uitgegeven en óf het wordt uitgegeven. Even een paar antwoorden. Via de nota van wijziging zijn de middelen voor 2021 op de juiste plek op de begroting gezet, zodat de middelen kunnen worden ingezet. Een deel hiervan is al overgemaakt naar het Gemeentefonds, onder andere voor de dienstverlening aan bijstandsgerechtigden om werk te kunnen vinden, maar ook voor het schuldenbeleid en de aanpak van de jeugdwerkloosheid. Dat is blok één.

Dan blok twee. Op het gebied van scholing is onder andere NL leert door nu al kosteloos beschikbaar. Sinds 1 december komen daar, naar aanleiding van de motie van de heer Smeulders, opnieuw 50.000 ontwikkeladviezen beschikbaar. Die worden vanaf 1 december dus opengesteld om mensen de gelegenheid te geven om advies te krijgen over de vraag: in welke richting moet ik mij laten omscholen, in welke richting zit mijn toekomst? Vanaf begin 2021 komt daar aanvullend een omscholingsregeling van 72 miljoen euro bij via werkgevers voor de cofinanciering van maatwerktrajecten. Daar vroeg de heer Van Weyenberg gisteren naar. Die wordt aangeboden door sectoren en deels ook gefinancierd uit de O&O-fondsen, die dat geld beschikbaar hebben, zodat ze ook bijdragen aan het behoud van banen. Die cofinanciering is een voorwaarde om gebruik te kunnen maken van die 72 miljoen-regeling. Ik heb een volledig overzicht van de regelingen voor scholing die beschikbaar zijn opgenomen in de Routekaart Leren en Ontwikkelen die op 13 november naar uw Kamer heb gestuurd samen met Ingrid van Engelshoven, de minister van Onderwijs. Daarin is eigenlijk een totaaloverzicht gegeven van de regelingen en de budgetten die er zijn, hoe het daar nu mee staat en wanneer mensen daar een beroep op kunnen doen.

Voor het onderdeel crisisdienstverlening — dan gaat het dus met name over mensen helpen van baan naar baan of van een uitkering naar een baan — zijn we op dit moment met vakbonden, werkgevers, UWV en de gemeenten, maar ook de onderwijsorganisaties, de mbo-instellingen en de roc's, aan de slag om die regionale mobiliteitsteams en dat ontschotte budget van 195 miljoen euro voor de dienstverlening uit te werken. Hierover zijn we in gesprek met sectoren met veel vraag, zoals inderdaad de technologiesectoren, de zorg en het onderwijs. Inmiddels zijn we in drie regio's waar de knelpunten het meest manifest zijn, gestart met het vormgeven van de dienstverlening naar ander werk via die regionale mobiliteitsteams. Binnenkort zullen we ook in die andere regio's daarmee starten. Ik probeer binnen nu en twee weken een groot akkoord te sluiten, een grote stap te zetten, met al deze partijen om hier invulling aan te geven. Over de precieze uitwerking van de regionale mobiliteitsteams en de bestuurlijke afspraken zal ik uw Kamer zeer binnenkort informeren. We zijn al gestart met heel veel trajecten, ook in de drie regio's waarin de knelpunten het grootst zijn, maar de ambitie is natuurlijk om het heel snel op te tuigen voor het hele land.

Voorzitter. De heer Van Kent vroeg mij wat ik ga doen voor degenen die buiten de boot vallen. Met het steun- en herstelpakket biedt het kabinet ondersteuning aan veel mensen bij het dragen van de gevolgen van de coronacrisis. Zo is er bijvoorbeeld ook specifieke steun gekomen voor de culturele sector en de sportsector, omdat we zien dat we daar niet voldoende steun kunnen genereren via bijvoorbeeld generieke NOW-regelingen. Daarnaast biedt het reguliere stelsel van arbeidsrecht en sociale zekerheid werkenden natuurlijk bescherming tegen verlies van inkomen en/of werk.

Om direct ook in te gaan op de vragen van de heer Van Weyenberg: dat geldt ook voor de bijstand voor werkenden met een fictief dienstverband die vanwege de aard van hun dienstverband in sommige gevallen niet onder de NOW of Tozo-regeling vallen. Gemeenten hebben bovendien de mogelijkheid om in het kader van bijzondere bijstand op basis van maatwerk schrijnende gevallen te helpen. Maar bij beide elementen geldt wel dat het kabinet — dat hebben we twee weken geleden ook gezegd in een debat over het steun- en herstelpakket — de vinger aan de pols blijft houden om te kijken wat er gebeurt. De heer Van 't Wout gaat daar straks ook nog iets over zeggen in zijn termijn. Er blijft dus oog voor mensen waarvoor het huidige pakket geen of maar beperkt uitkomst biedt. Over de mogelijkheden voor deze groepen wordt gesproken met alle stakeholders. Dat geldt voor vakbonden, voor de Divosa's, de sociale diensten, maar ook voor bedrijven die tussen wal en schip dreigen te vallen vanwege bijzondere omstandigheden. Over de uitkomsten van deze gesprekken, maar ook over de afweging die we daarin maken, wil ik u opnieuw verwijzen naar die brief die eind november, begin december komt. Daarin zullen we ook de vraag beantwoorden wat we op 1 januari doen met de mogelijke versobering; beter gezegd: de voorgenomen versobering. Daar zullen we deze dingen bij elkaar pakken en in één brief aan uw Kamer aanbieden, samen met de collega's Hoekstra en Wiebes.

Nog één punt in dit blokje, mevrouw de voorzitter. Nee, nog twee. De heren Gijs van Dijk en Smeulders hebben gisteren ook gesproken over belangrijke banen in vitale sectoren van onze economie, daarbij expliciet verwijzend naar onderwijs en naar de gezondheidszorg. Het kabinet zorgt er op verschillende manieren voor dat er meer mensen in deze vitale sectoren kunnen werken. Afgelopen maandag hebben collega Slob en collega Van Engelshoven nog een brief naar uw Kamer gestuurd met de titel "Extra handen voor de klas" om tijdelijk meer mensen naar het onderwijs te krijgen. Daarvoor is 210 miljoen euro uitgetrokken. De details staan in die brief van afgelopen maandag.

Ook op het gebied van de zorg zijn er verschillende initiatieven om meer mensen aan het werk te krijgen. Mevrouw Van Ark, de minister voor Medische Zorg en Sport, heeft daar met uw Kamer over gedebatteerd. Dat gaat via het initiatief "Extra handen voor de zorg" en door het investeren in werving en opleiding. Ik meen dat dat vorige week nog met uw Kamer is besproken in een algemeen overleg.

Ten derde hebben we in het voorjaar samen met de werkgevers, de vakbonden, het UWV, de gemeenten en het onderwijsveld afspraken gemaakt over Nederland werkt door. Bedrijven in vitale sectoren kunnen daar terecht met hun vraag naar personeel, bijvoorbeeld via bbl-trajecten, beroepsbegeleidende leerwegen.

Ten vierde zijn we als kabinet aan de slag met de coronabanen. Daar heb ik afgelopen maandag een brief over gestuurd. Ik kan me herinneren dat dat een motie van de heer Asscher was van twee weken geleden op basis van onze brief waarin stond dat we aan het zoeken waren hoe we in deze gure tijd belangrijke sectoren zoals de gezondheidszorg en het onderwijs maar bijvoorbeeld ook publieke handhaving kunnen ondersteunen om ons met z'n allen door de covidwinter heen te helpen. Ik heb afgelopen maandag een brief gestuurd. Er moet nog enig denkwerk gebeuren. Ik begrijp dat u heel veel haast heeft. Dat heb ik ook. De realiteit is alleen dat nu binnen een maand opgetuigd moet worden waar we normaal gesproken een jaar de tijd voor nemen. Nu moet het veel sneller, maar het moet ook wel zorgvuldig om te voorkomen dat we van de regen in de drup terechtkomen. Maar we werken hier heel hard aan, samen met het ministerie van JenV, het ministerie van OCW en het ministerie van VWS om dit van de grond te trekken.

Tot slot in dit kader: de heer Kuzu heeft mij gevraagd meer stageplekken binnen de rijksoverheid te realiseren om het tekort aan stageplekken tijdens de coronacrisis te verkleinen. Ik heb gezien dat u het daar dinsdag in het vragenuurtje met collega Van Engelshoven over heeft gehad. Bij de motie van de heer Bruins van 24 september jongstleden is diezelfde vraag aan de orde geweest. De ministeries van BZK, OCW en mijn ministerie trekken hier samen op. Komend voorjaar zal uw Kamer nader worden geïnformeerd over de voortgang, zoals ook gemeld door de minister van OCW in een brief van twee weken geleden over dit punt. Hier wordt breed op ingezet met de SBB, de 10 miljoen en extra stages.

Dat was blokje twee, voorzitter, over het steun- en herstelpakket.

De voorzitter:
Nee, meneer Kuzu, ik heb een hele lijst. Ik voeg uw naam toe aan de lijst van Kamerleden.

Minister Koolmees:
Voorzitter, mag ik nog iets toevoegen?

De voorzitter:
Ja, wat wilde u nog zeggen?

Minister Koolmees:
Ik heb ondertussen bericht gekregen dat de stukken op rijksoverheid.nl zijn geplaatst, inclusief een linkje naar de regeling die in juli aan uw Kamer is aangeboden. Dat betreft het punt van orde van de heer Van Kent.

De voorzitter:
Ik snap het. Dan heb ik de heer De Jong, de heer Bruins, de heer Gijs van Dijk, mevrouw Van Brenk, de heer Van Kent en de heer Kuzu. De heer De Jong kan altijd heel kort en bondig interrumperen.

Minister Koolmees:
Ja, hij kan dat wel, maar de vraag is of hij dat wil.

De voorzitter:
Ja, echt waar.

Minister Koolmees:
Ik denk niet dat hij dat wil, mevrouw de voorzitter.

De heer De Jong (PVV):
...

Minister Koolmees:
Dat is wel heel kort.

De heer De Jong (PVV):
Kunt u dat bevestigen?

Minister Koolmees:
Nee.

De heer De Jong (PVV):
Vanochtend hebben we kunnen lezen dat zelfs wanneer de economie zich weer herstelt, voor volgend jaar door de ING 100.000 banen minder worden voorspeld, dus dat 100.000 meer mensen werkloos raken. Nu heb ik al een aantal keren gevraagd: joh, er ligt een steunpakket; hartstikke mooi, maar daar staan ook versoberingen in; kunt u er nu niet voor zorgen dat die versoberingen in ieder geval vanaf gaan? Ik ga het heel kort houden. Als het gaat over het totaalpakket, de vraag of dat meebeweegt en of we dat moeten verlengen, verbreden of uitbreiden, heeft de minister zojuist aangegeven dat hij daar eind november of begin december mee gaat komen. Maar dat staat los van dit punt. Want ik heb het specifiek over de versoberingen. U kunt natuurlijk zeggen: we gaan het verbreden of verlengen. Dat zou ik heel mooi vinden. Maar het zou ook mooi zijn als u vandaag al zou kunnen toezeggen dat u die versoberingen van tafel haalt, zodat bijvoorbeeld de horeca, de reisbranche of de evenementenbranche weet waar die aan toe is. Kunt u dat toezeggen?

Minister Koolmees:
Even voor de volledigheid en om te voorkomen dat we langs elkaar heen praten: het derde steun- en herstelpakket gaat van 1 oktober tot 1 juli. Voor de fase 1 oktober tot 1 januari was er sprake van een versobering, met name in de vermogenstoets in de Tozo. Toen de maatregelen werden aangekondigd, heeft het kabinet die versobering teruggetrokken. Niet versoberen: dat ben ik met de heer De Jong eens. De heer De Jong heeft gelijk — dat heb ik twee weken geleden al tegen hem gezegd — dat het kabinet van plan is om de regeling vanaf 1 januari verder te versoberen. Dat gaat over de omzetpercentages en de vergoedingspercentages. De Kamer heeft terecht aan ons gevraagd of dat verstandig is in het licht van de nieuwe ontwikkelingen in de tweede golf. Wij hebben toen gezegd dat we de vraag uit de motie-Asscher begrijpen, maar geef ons even de tijd om dat te analyseren, ernaar te kijken en ook om de nieuwe cijfers van het derde kwartaal van de Nederlandse economie even te bekijken. En dan komen we eind november, begin december daarop terug bij uw Kamer, inclusief het antwoord op de vraag of we daadwerkelijk gaan versoberen op 1 januari. Dat gaan we in die brief doen. Want naast overleg met de sociale partners is er ook overleg met de uitvoeringsorganisaties noodzakelijk, zoals het UWV en de gemeenten, om na te gaan wat hier mogelijk is. Dat is dus het antwoord. Die analyse gebeurt op dit moment en volgende week is het overleg met sociale partners en dan ontvangt u die brief eind november, begin december.

De heer De Jong (PVV):
Ik neem daar geen genoegen mee. Er staan honderdduizenden banen op het spel. Er zijn mensen die thuis richting de kerst moeten en niet weten waar ze aan toe zijn. We zien dat bijvoorbeeld horecaondernemers die zich nu moeten gaan voorbereiden, zich afvragen: ben ik wel of niet open met de feestdagen? Die gaan gigantische problemen krijgen als ze zo meteen te horen krijgen dat die versoberingen bijvoorbeeld wel doorgaan. Ze moeten kunnen anticiperen. Het kan toch niet zo zijn dat deze minister gewoon zegt: we zijn nog in overleg, we gaan nog hier en daar een kopje koffie drinken. Ik wil gewoon dat de minister vandaag zegt dat minimaal die versoberingen van tafel gaan. Daar heeft u helemaal geen overleg voor nodig, minister. Daar bent u zelf voor aan zet. U bent hier de minister. U bent hier degene die dat kan regelen. Waarom doet u dat niet gewoon? Er zijn honderdduizenden mensen die zich grote zorgen maken. Er zijn nu al heel veel werklozen en deze minister moet dat oplossen. Ik vind ook dat het pakket moet worden uitgebreid als dat nodig is, hartstikke goed. Maar haal vandaag die versobering van tafel en ga niet een discussie voeren over de vraag of er wel of niet versoberingen zijn geweest. In de Tozo zat eerst geen partnertoets. Die zit er nu wel in. Die moet u daar gewoon ook uit halen. Ik snap niet waarom u dat niet doet. Heel veel zzp'ers laat u daarmee in de steek. Maar haal de versoberingen vandaag nog van tafel!

Minister Koolmees:
Deels is dit een herhaling van zetten van twee weken geleden. Toen hebben we dit debat ook uitgebreid gevoerd. Ik hecht eraan om twee dingen te zeggen.

Een. Ik begrijp dat het een heel ingewikkelde tijd is voor de horeca. Ik begrijp ook dat er veel onzekerheid is. Maar nog veel belangrijker is wat er wel weer kan en wanneer. Eergisteravond is de persconferentie geweest en gisteren is er een debat geweest over de coronamaatregelen. "Wanneer kunnen we weer open, misschien deels" is het belangrijkste voor de ondernemers.

Twee. Ik begrijp uw vraag heel goed. Ik begrijp ook de vraag van de Kamer breed om erover na te denken of de voorgenomen versobering wel verstandig is. Maar we moeten wel ook echt even nadenken over hoe je dit doet. Waarom? Ik geef één voorbeeld. Naast het dalen van het vergoedingspercentage zit in de regeling die we hebben neergelegd bij uw Kamer, ook een daling van de loonsommogelijkheid. Die stijgt ook door. Zeker in sectoren waarin er al zeven of acht maanden sprake is van grote omzetverliezen, zoals in de horeca, is de realiteit dat niet alle mensen meer hun baan hebben. Dat hebben we al in de maanden april, mei en juni gezien. We moeten dus met de werkgevers en de organisaties goed bekijken wat verstandig is. We hebben aangekondigd dat we eind november, begin december met een brief met een besluit daarover, een voorstel, naar uw Kamer komen.

De voorzitter:
Ik wilde vier interrupties in tweeën of acht vragen voorstellen. De heer De Jong, en daarna krijgt u het woord, meneer Bruins.

De heer De Jong (PVV):
Er is geen tijd te verliezen. Honderdduizenden mensen maken zich zorgen. Heel erg veel huishoudens hebben het nu al enorm zwaar. Huishoudens waarvan een partner zijn baan al is verloren en de ander zijn baan op het spel ziet staan. Dan kunt u niet zeggen: weet u, we zijn in overleg. U bent toch aan zet? U heeft toch de regie? Waarom pakt u de regie dan niet op? Haal gewoon die versoberingen van tafel. Als u dat niet doet, dan maakt u zich dus helemaal niet druk over die mensen. Dat is toch niet wat u zou moeten willen? U gaf net vol trots aan drie jaar minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid te zijn. Sloop het dan niet, maar zorg ervoor dat u die mensen helpt door in ieder geval die steunmaatregelen niet verder te versoberen. Zeg dat nou vandaag toe en laat die mensen niet nog weken of maanden in onzekerheid. Help ze vandaag!

Minister Koolmees:
Ik herhaal mijn vorige antwoord, wat ook het antwoord van twee weken geleden is. We komen eind november, begin december met een brief conform de motie-Asscher, waarover vorige week dinsdag door uw Kamer is gestemd.

De heer Bruins (ChristenUnie):
De minister heeft vier duidelijke tekortsectoren genoemd: onderwijs, zorg, handhaving en techniek. We weten het dat we in die sectoren heel veel mensen tekortkomen. Die eerste drie zijn overheidssectoren of in ieder geval sectoren die door de overheid gefinancierd worden. Ik maak me zorgen om de vierde sector. Ik hoor dat die 1,4 miljard van het aanvullend sociaal pakket voor een groot deel naar het UWV, het Gemeentefonds en naar consultants, coaches en begeleiders gaat. Dat willen we niet. Ik zie de minister gelukkig nee schudden. Kijk, technici kunnen alleen worden opgeleid in de technologische sector. Ze worden niet opgeleid door het UWV. Hoe zorgen we dat een groot deel van die 1,4 miljard ook echt terechtkomt in de technologische sector, bij bedrijfstakscholen en leerwerkbedrijven? Hoe gaat het daar terechtkomen? Ik maak me er echt zorgen om dat we straks een heleboel mensen op kosten van de overheid laten begeleiden en adviseren, maar dat het niet bij de technologische sector terechtkomt.

Minister Koolmees:
Dat ben ik met de heer Bruins eens en dat is ook absoluut niet de bedoeling. Die 195 miljoen voor de regionale arbeidsmarktdienstverlening gaat bijvoorbeeld niet alleen in mensen zitten die gaan begeleiden, maar ook in trajecten, zoals bbl-trajecten — beroepsbegeleidende leerwegen — en omscholingstrajecten. Die 73 miljoen euro waar ik net aan refereerde en de cofinanciering met de O&O-fondsen is gericht op: hoe kunnen we mensen opleiden om in de tekortsectoren aan het werk te kunnen? Er gaat absoluut geen geld naar consultants en duur briefpapier, maar juist naar instrumenten om mensen te helpen van baan naar baan ofwel van uitkering naar baan. Daar hebben we ook het UWV en de gemeenten voor nodig, bijvoorbeeld als mensen in een WW- of bijstandsuitkering zijn terechtgekomen en heel snel weer aan het werk willen.

De heer Bruins (ChristenUnie):
Dat is bemoedigend. Kan de minister toezeggen dat wanneer er bijvoorbeeld opleidingstrajecten nodig zijn — iemand wil van lichttechnicus in de evenementensector worden opgeleid tot installatietechnicus om zonnepanelen of warmtepompen te installeren — die opleidingstrajecten, die gefinancierd worden uit dat geld, opleidingstrajecten zijn die in de sector zelf bestaan en dat die dus niet opnieuw door de overheid uitgevonden gaan worden en dat de sector dit zelf kan gaan regelen en de lead en de regie kan nemen?

Minister Koolmees:
Ja, zo veel mogelijk. Dit raakt ook aan de vraag van mevrouw Palland en van u gisteren over de regionale opleidingsstructuur, de roc's, waar we natuurlijk ook bij aansluiten en waar heel veel met name mkb-bedrijven met elkaar nadenken over het goede opleidingstraject voor hun mensen. Dus ja, dat is de intentie van de regelingen. We leren ook van de ervaringen die de O&O-sectoren en technieksectoren de afgelopen jaren hebben opgedaan in allerlei pacten en trajecten. Het is dus de bedoeling om het daarbij te laten aansluiten.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):
Op dit moment dreigt voor veel mensen ontslag. Zo hebben Campina, Ahoy, BAM en vele andere bedrijven al ontslagen aangekondigd. Dat is zorgelijk. Wij willen — daarom hebben wij bij het derde steunpakket ook aangedrongen op een werkgarantie — dat mensen van het ene naar het andere werk kunnen gaan. Dat is inmiddels een tijdje geleden. Ik heb er alle begrip voor dat uitwerken ingewikkeld is, maar hierover hebben we toen — eind september — gezegd dat we ervoor moeten zorgen dat we er nu doorheen breken. We kennen alle partijen die vaak en heel veel met elkaar praten, maar die vaak weinig doen. Wanneer kan die ontslagen Campina-medewerker nu aanspraak maken op dat bedrag om zo snel mogelijk van de ene baan naar de andere baan te gaan?

Minister Koolmees:
Zoals ik net al zei, zijn we daar in drie regio's nu al mee begonnen. Daarmee lopen we vooruit op de definitieve regelingen en subsidiekanten, want we vinden het belangrijk dat het snel gebeurt. Ik ben het met de heer Gijs van Dijk eens. Overigens, het is pas zes weken geleden. Het lijkt altijd alsof er jaren voorbijgaan, maar dat is niet zo. Het is zes weken geleden. We zijn heel intensief met elkaar in overleg. Iedereen staat te trappelen. Dat vind ik het positieve nieuws. Iedereen staat te trappelen om aan de slag te gaan: de gemeenten, het UWV, maar ook de sociale partners. Het gaat echt de goede kant uit. De eerste trajecten zijn al begonnen, ook al uit het tweede pakket NLWerktDoor, met de trajecten en scholingsadviespunten van de heer Smeulders. We zijn in drie regio's begonnen en ik hoop binnen nu en een paar weken de brief naar u te sturen over hoe we dit echt gaan uitvoeren en een kickstart kunnen maken.

De belangrijkste uitdaging zit met name in die 73 miljoen voor sectoren en branches met cofinanciering. Er wordt heel hard gewerkt aan concrete plannen om mensen van baan naar baan te helpen. Geloof mij: er is heel veel energie en heel veel urgentie. Binnenkort hoop ik meer te kunnen vertellen.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):
Mijn beeld is dat het in dit geval niet aan de minister ligt, en ook niet aan het ministerie.

Minister Koolmees:
In dit geval? Deze Handelingen wil ik uitgeprint hebben, voorzitter!

De heer Gijs van Dijk (PvdA):
Ik ben heel subtiel.

Maar het ligt vooral aan al die partijen die allemaal een belang hebben. Ik ken die wereld een beetje. Ik zou de minister graag willen vragen, of misschien wel willen opdragen of helpen, en ook vanuit de Kamer opdracht geven om dit gewoon voor 1 december te regelen. Die partijen moeten om tafel; er moeten knopen worden doorgehakt. Mensen hebben niks aan al het goedbedoelde gepraat. Er moeten gewoon trajecten komen in al die regio's.

Minister Koolmees:
Ik ben het hierover helemaal eens met de heer Gijs van Dijk. Het is ook mijn inzet en mijn vaste voornemen om dit te regelen.

De voorzitter:
Mevrouw Van Brenk, en dan de heer Van Kent, en dan de heer Kuzu. U kunt beter niet de middelste microfoon nemen, mevrouw Van Brenk, want daarbij moet u heel hard op het pedaal trappen. Die andere is wat makkelijker.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Is deze beter?

De voorzitter:
Ja.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ook goed.

Ik heb een antwoord gekregen van de minister en daar was ik wat ontevreden mee. Ik dacht: ik geef hem een nieuwe kans. Hij stond net vijf minuten te shinen over hoe prachtig alles was, en ik dacht: ik geef hem een nieuwe uitdaging. Die gaat over open hiring. Hij zei daarover dat hij de bevindingen binnenkort onder de aandacht gaat brengen van de werkgeversorganisaties en vakbonden. Nou heb ik de minister-president de microfoon zien pakken en die heeft een mooie, open advertentie of commercial laten zien. De minister-president kan fantastisch dingen verkopen. Ik dacht toen: als dit nu niet het moment voor deze minister is om de kansen te pakken die open hiring biedt, juist in deze periode ... En dan gaan wij er een filmpje van maken, ook al zie ik deze minister het liefst niet bij ons op de site. Maar misschien kunnen we het filmpje viral laten gaan. De uitdaging is dus: kan deze minister reclame maken voor open hiring, zodat al die bedrijven die kans zien?

Minister Koolmees:
Ik heb niet de illusie dat alle woorden die ik uitspreek dezelfde impact hebben als die van de minister-president. Dat gaat gewoon niet werken. Maar ik zou graag samen met mevrouw Van Brenk en marge van dit debat even een filmpje maken.

De voorzitter:
U gaat samen een filmpje maken.

Minister Koolmees:
We gaan samen een filmpje maken om dit onder de aandacht te brengen. Want ik vind het een goed initiatief. De Start Foundation heeft hier ook onderzoek naar gedaan. Dat heb ik ook laten weten aan uw Kamer. Het is een interessante toevoeging aan het palet. En als wij dan samen een filmpje maken, dan komt het helemaal goed op de 50PLUS-kanalen. Maar wel op 1,5 meter afstand natuurlijk.

De heer Van Kent (SP):
Ik krijg zomaar de indruk dat de versobering van het steunpakket van tafel is! Als dat anders is, dan hoor ik dat graag.

Mijn vraag gaat over een steeds grotere groep mensen die buiten de boot valt. Die mensen vallen tussen wal en schip: ze raken hun inkomen kwijt omdat er niet meer gewerkt kan worden door de coronamaatregelen, maar ze kunnen geen of onvoldoende aanspraak maken op de regelingen zoals die zijn vormgegeven. Ik weet dat er bij werkgevers heel veel wensen leven en dat er bij werknemers allerlei ideeën zijn over uitkeringen met vaste bedragen — ik zie de staatsecretaris knikken. Ze willen allerlei regelingen met vaste bedragen. Hoever staat het daarmee? Kan daar alstublieft haast mee worden gemaakt? Want heel veel mensen komen echt in de problemen. Kan er in de brief die we gaan krijgen over de voortgang rond het steunpakket uitsluitsel worden gegeven? Dan kunnen al die mensen geholpen worden die bij ons en vele anderen aankloppen, die buiten de boot vallen en die echt in zware problemen komen, inclusief studenten, flexwerkers en zzp'ers.

Minister Koolmees:
De staatssecretaris zal daar zo op antwoorden, maar ik wil er twee dingen over zeggen. Ik begrijp de vraag heel goed. Als kabinet zijn we continu bezig om de vinger aan de pols te houden, om te zien: waar vallen mensen tussen wal en schip? Voor een aantal terreinen die de vorige keer ter sprake kwamen, ook in de motie van de heer Smulders voor jongeren tot 27 jaar, hebben we mogelijkheden gecreëerd en uitgebreid, om die groep tegemoet te komen.

Ik heb ook in mijn TOFA-brief, dus de brief over de Tijdelijke Overbruggingsregeling voor Flexibele Arbeidskrachten, zes andere varianten uit laten werken om te kijken wat er kan. Daarvoor geldt dat het uitvoeringstechnisch ontzettend ingewikkeld is. Dat gezegd hebbende, blijven we hiernaar kijken. De staatssecretaris gaat daar straks in zijn termijn op in.

De heer Van Kent (SP):
Ik ben blij dat de minister niet ontkent dat de versobering van het steunpakket inderdaad van tafel is. Dat is hoopgevend.

Minister Koolmees:
Formeel moet ik dit ontkennen.

De heer Van Kent (SP):
De vraag die ik stelde, gaat namelijk ook hierom. Ik begrijp dat er vanuit de bijstandsregelingen allerlei mogelijkheden zouden kunnen zijn. Maar het probleem is vele malen groter, en dat is ook waar bijvoorbeeld werkgevers en werknemers naar aan het kijken zijn. Dus de vraag aan deze minister is in hoeverre hij binnen zijn portefeuilleverantwoordelijkheid mogelijkheden ziet. Ik zal ook een motie indienen om de minister daartoe aan te sporen. De problemen zijn groot. Er moet meer gedaan worden, omdat heel veel mensen echt in de problemen komen.

Minister Koolmees:
Deze vraag begrijp ik toch niet helemaal. Ik begrijp niet precies waar de heer Van Kent aan refereert. Dit telt voor hem niet als vraag; ik wil gewoon graag een verduidelijking. Althans, voorzitter, u gaat daarover.

De voorzitter:
Nee, dat mag.

De heer Van Kent (SP):
Het gaat bijvoorbeeld over kortlopende WW die afloopt, mensen die in sectoren werken waar het NOW-bedrag dat werkgevers moeten betalen te hoog is, waardoor ze toch hun baan dreigen kwijt te raken, en mensen die even een overbrugging nodig hebben omdat ze bijvoorbeeld scholing nodig hebben om naar ander werk begeleid te kunnen worden. Al dat soort zaken zitten niet bij de staatssecretaris. Straks ga ik met de staatssecretaris het debat aan over de bijstand en alles wat daarbij hoort. Maar dit gaat echt over waar de minister voor verantwoordelijk is. De vraag is om echt alles op alles te zetten om er met die werknemersvertegenwoordiging uit te kunnen komen, om ervoor te zorgen dat iedereen echt kan rekenen op die steun.

Minister Koolmees:
Dat doen we eigenlijk continu, maar ik zal even heel specifiek worden. Bij de kortdurende WW hebben we bijvoorbeeld ook in het kader van die brief over de TOFA gekeken naar hoe we deze makkelijk kunnen verlengen. Dat kan uitvoeringstechnisch niet. Dat zou handmatig moeten gebeuren voor honderdduizenden mensen. Dat lukt gewoon niet. Dat is een voorbeeld waar we naar hebben gekeken. Wat zijn dan de alternatieven? Dan kom je dus in de NOW. Daarom hebben we in de NOW 2 bijvoorbeeld de percentages verhoogd voor de horeca, met name voor de horeca, van 0,3% naar 0,4%, om de tegemoetkoming te verhogen, om dus daaraan recht te doen.

Tot slot zien we ook dat het niet voor alle mensen en bedrijven voldoende zal zijn, omdat ze door de reserves heen zijn of in een sector werkzaam zijn waarin gewoon weinig perspectief is. Daarom hebben we die 1,4 miljard euro uitgetrokken voor scholing, omscholing en het van baan naar baan helpen, omdat we tegelijkertijd zien dat er in andere delen van de economie tekorten zijn. Langs die weg zijn we daar continu aan het bijsturen, continu vinger aan de pols aan het houden en continu aan het nadenken, ook in overleg met bedrijven en vakbonden, om te zien: waar is wat nu nodig? Dus dat doen we.

De heer Kuzu (DENK):
Er is een kwestie waar we al een tijdje mee bezig zijn. We hebben het daar tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen en tijdens het mondelinge vragenuurtje over gehad: het enorme tekort aan stageplaatsen. Het is gestegen tot een recordhoogte van 21.000. Ik had de minister in mijn eerste termijn gevraagd of hij een doelstelling zou willen formuleren om een aantal stageplaatsen te creëren en om het tekort terug te dringen.

Minister Koolmees:
Zit het antwoord hierop niet in de schriftelijke set die we hebben gestuurd? Ik kan me herinneren dat ik daar iets over gelezen heb gisterenavond. Er was een verwijzing naar een stuk van het ministerie van Onderwijs. Het ging over de SBB, 10 miljoen en dat soort zaken, waar de minister van Onderwijs in haar brief van 30 oktober over heeft geïnformeerd.

De voorzitter:
Maar gisteravond hadden we een debat, dat duurde tot 22.30 uur of zo. Maar misschien is het goed als de heer Kuzu het nakijkt en erop terugkomt.

De heer Kuzu (DENK):
We gaan even kijken, en anders kom ik er straks op terug in de tweede termijn.

Minister Koolmees:
Het zit in de schriftelijke set.

De voorzitter:
Prima, de heer Kuzu komt er anders op terug. Gaat u verder. U was bij de zzp'ers, volgens mij.

Minister Koolmees:
Ja, ik kom bij blok twee. Dat betreft inderdaad zzp en arbeidsmarkt. Uw Kamer heeft veel vragen gesteld over het zzp-dossier. Ik begrijp dat heel goed. Veel vragen gingen over de voortgang op dit dossier. Zoals ik in mijn inleiding al zei, heb ik inderdaad niet alle ambities kunnen waarmaken. Het gaat dan met name over bescherming aan de onderkant van de arbeidsmarkt en de zelfstandigenverklaring. Ik hoop dat uw Kamer mijn worsteling ook gezien heeft. Een onderdeel daarvan was de zoektocht in Europa. In het regeerakkoord hadden we de zogenoemde alt, de arbeidsovereenkomst bij laag tarief, als richting. Eigenlijk werd gesteld dat mensen die tot een bepaald tarief betaald krijgen geen zelfstandigen zijn maar werknemer moeten worden. Helaas liep dat vast op allerlei Europeesrechtelijke bezwaren, zoals vrij verkeer. Het kon niet.

We hebben toen een alternatief uitgewerkt. Dat alternatief was het minimumtarief voor zelfstandigen dat uitging van €15 tot €18 per uur. Het was volledig uitgewerkt tot een kant-en-klaar wetsvoorstel, met allerlei uitvoeringstoetsen, en ter consultatie opengesteld. Uit de consultatie en uit de behandeling in uw Kamer bleek dat het gewoon geen haalbaar alternatief was. Er waren namelijk grote administratieve bewaren en handhavingsbezwaren. Het komt op dit dossier niet vaak voor, maar iedereen was het daarover wel ongeveer eens. Dat gold voor de vakbonden, de werkgevers, de zzp-clubs, maar ook voor uw Kamer. Omdat ik mensen niet tegen hun zin gelukkig wil maken, heb ik toen besloten om het wetsvoorstel terug te trekken. Dat is ook voor mij een teleurstelling geweest. Ik zie namelijk echt wel dat er met name aan de kwetsbare kant op de arbeidsmarkt het risico is dat er vanwege kostenvoordelen wordt gekozen voor een constructie, voor een andere manier om het dienstverband vorm te geven.

We blijven dus zoeken naar nieuwe haakjes en nieuwe mogelijkheden. Ik heb dat ook laten weten in mijn reactie op het rapport van de commissie-Borstlap, dat ik twee weken geleden naar uw Kamer heb gestuurd. Dat betreft onder andere de zoektocht naar platformwerk en de discussie over de toekomst van uitzendwerk. In al deze zoektochten zit eigenlijk de vraag: hoe zorgen we ervoor dat we met name de kwetsbare onderkant beter kunnen beschermen?

Het klinkt een beetje raar, maar ik wil uit al deze trajecten toch een paar punten benoemen die ik waardevol vind. Er is sinds de afgelopen jaren een gedeeld beeld dat "de zzp'er" niet bestaat. Het tweede punt is dat er grote verschillen zijn tussen sectoren en tussen zzp'ers met een hoog en een laag tarief. Ik wil dat daar ondertussen ook breed consensus over is. Er is meer inzicht in de complexiteit van het arbeidsrechtelijke vraagstuk en de randvoorwaarden waaraan zzp-maatregelen moeten voldoen. Er was recent nog een uitspraak van de Hoge Raad, waarover u ook vragen heeft gesteld. Ik zal daar binnenkort uitgebreider op terugkomen, na de analyse daarvan. Er zijn onderdelen waarop in dit taaie dossier belangrijke stappen voorwaarts zijn gezet. Ik noemde al dat de zelfstandigenaftrek wordt afgebouwd om de fiscale verschillen tussen mensen met een dienstverband en mensen die ondernemer zijn te verkleinen. Dat is wel met oog voor de koopkracht, door tegelijkertijd een verhoging van de arbeidskorting, om te voorkomen dat mensen erop achteruit zouden gaan.

Er wordt ook heel hard gewerkt aan de verplichte AOV, de verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zelfstandigen. Daarover zijn terecht heel veel vragen gesteld in uw Kamer, omdat mensen bijvoorbeeld onverzekerd rondreden als maaltijdbezorger. Ik vind dat ook de verplichte AOV een stap vooruit is. Bovendien werken we met collega Vijlbrief, de staatssecretaris van Financiën, nog steeds aan een succesvolle invoering van de webmodule. Hiermee willen we zelfstandigen en opdrachtgevers zo veel mogelijk zekerheid en duidelijkheid geven over de aard van de klus en of die in dienstverband moet gebeuren of als zelfstandige kan worden uitgevoerd. We starten de pilot daarvoor begin 2021. Daarna volgt de evaluatie om te bepalen of dit instrument de gewenste duidelijkheid en zekerheid creëert voor zelfstandigen en opdrachtgevers.

Ook waren wij in maart van dit jaar al van plan om een breed maatschappelijk gesprek te voeren over het werken als zelfstandige in bijvoorbeeld het onderwijs, de gezondheidszorg en allerlei andere sectoren. Corona heef daar gewoon roet in het eten gegooid. Die gesprekken wilden we voeren, maar dit is niet gelukt doordat de lockdown werd afgekondigd. De doelen van die gesprekken waren bewustwording van de regels, het nadenken over de implementatie ervan en een verantwoorde manier om dat te doen, om te voorkomen dat sectoren van de een op de andere dag worden geconfronteerd met een tekort aan bijvoorbeeld operatieassistenten of leraren. Dit is ook een onderdeel van het gesprek dat je wel moet meenemen om het zorgvuldig te doen. Dit zeg ik ook in antwoord op de vraag van mevrouw Van Brenk van eergisteren, over het verkleinen van de verschillen tussen zelfstandigen en werknemers en over de zelfstandigenaftrek. Ik zeg het ook in antwoord op de vraag van de heer Stoffer. Ik merk op dat tegenover de verlaging van de zelfstandigenaftrek een verhoging van de arbeidskorting staat, die voor alle werkenden geldt en die daarmee de koopkracht voor alle werkenden ondersteunt.

Verschillende Kamerleden — mevrouw Palland, de heer Smeulders, mevrouw Nijkerken en de heer Gijs van Dijk — hebben gevraagd naar de handhaving. Het is inderdaad van belang om de handhaving weer op te starten. Althans, niet "weer"; het is van belang om de handhaving op te starten. Dat moet wel zorgvuldig gebeuren. We willen niet terug naar de situatie van de Wet DBA van een paar jaar geleden. Toen stonden minister Asscher en staatssecretaris Wiebes met de Wet DBA in de hand. Toen ontstond er heel veel onduidelijkheid, onrust en terughoudendheid bij opdrachtgevers voor het inhuren van zelfstandigen. Die situatie wil ik niet nog een keer hebben, want dat gaat alleen maar leiden tot meer verstoringen, meer onrust en meer onduidelijkheid. Na de evaluatie van de pilot, nadat de webmodule is getest, wordt beslist over de mogelijke beëindiging van het handhavingsmoratorium. Ik heb in de brief van mij en collega Vijlbrief opgeschreven dat het op z'n vroegst op 1 oktober 2021 is, want dan zijn de uitkomsten van de pilot beschikbaar. Dan hebben we in de pilot ook kunnen zien welke knelpunten naar boven zijn gekomen uit de praktijk. Er zijn namelijk grote verschillen tussen sectoren en tussen hoge en lage tarieven.

Mevrouw Palland vroeg specifiek naar de handhaving bij kwaadwillendheid. Ook daarover hebben staatssecretaris Vijlbrief en ik maandag een brief gestuurd. In de recente voortgangsrapportage over het toezicht op arbeidsrelaties zie je dat het handhavingsmoratorium weliswaar geldt, maar dat de Belastingdienst en de Inspectie SZW wel degelijk toezicht houden op de kwaadwillenden, dat ze coachen en dat ze in gesprek met opdrachtgevers vragen: zou u niet uw werkzaamheden aanpassen aan de wet- en regelgeving? De Belastingdienst en de Inspectie SZW blijven bedrijfsbezoeken afleggen, voorlichting geven en boekenonderzoeken doen om dit punt op de radar te houden. Als gedurende het handhavingsmoratorium kwaadwillendheid bewezen kan worden, zal er gehandhaafd worden, al blijkt dat in de praktijk niet eenvoudig te zijn. Dat weet u ook. Ik heb al een aantal keren met uw Kamer gedeeld dat het bewijzen van kwaadwillendheid ontzettend ingewikkeld is.

Voorzitter, dat waren de vragen over zzp.

De voorzitter:
Dan heb ik de heer Smeulders, de heer Stoffer, mevrouw Nijkerken-de Haan en de heer Gijs van Dijk.

De heer Smeulders (GroenLinks):
Zoals eergisteren al werd aangegeven, is dit een dossier waarbij we het meest kritisch zijn op het kabinet. Vier jaar geleden waren er mooie woorden, maar uiteindelijk is de situatie de afgelopen vier jaar alleen maar verergerd. We zien nog steeds een toename onder het aantal zzp'ers. Wij zijn daar niet tegen, maar we zien ook een toename onder het aantal mensen die eigenlijk geen zzp'er horen te zijn. Wat ik daar lastig aan vind, is het volgende. Nu wordt er gezegd: we gaan de webmodule uittesten. Die webmodule is al uitgetest. Uit de eerste proef met het internetformulier onder 84 bedrijven die zzp'ers inhuren, bleek het in bijna de helft van de gevallen onterecht te zijn. Kan de minister aangeven hoe het kan dat, als dat uit zijn eigen test komt, er tot op heden nooit een naheffing is opgelegd, terwijl we eigenlijk weten dat er dingen gebeuren die eigenlijk niet kloppen? Blijkbaar durven we niet hard tegen sommige mensen te zeggen: u bent nu zzp'er, maar u mag dat eigenlijk niet zijn. Kan dat?

Minister Koolmees:
Ik heb vier antwoorden. Dat u hier het meest kritisch over bent, begrijp ik. Zoals ik in mijn inleiding al heb gezegd, ben ik dat nog met u eens ook. Maar wat betreft de toename van het aantal schijnzelfstandigen — eergisteren werd dat gezegd — weten we het eigenlijk niet. Als u informatie daarover hebt waaruit dat zou blijken, hou ik me zeer aanbevolen, want wij kunnen dat nergens vastleggen. Dat ten tweede. Ten derde klopt het dat we de webmodule hebben getest. Die is getest door externe experts, hoogleraren, belastingadviseurs, juridische experts en interne experts, zoals de Belastingdienst, het UWV en mensen die iets weten over loonheffingen. Daaruit blijkt — daar is een heel mooi stuk over geschreven op ZiPconomy door de heer Ruts — dat experts heel vaak van mening verschillen daarover. Verschillende experts geven verschillende oordelen over de aard van de arbeidsrelatie. Dat maakt dit punt zo razend ingewikkeld.

De heer Smeulders heeft wel gelijk — dat is het vierde punt — dat uit die analyse komt dat een groot deel van tevoren eigenlijk geen verklaring zou krijgen dat ze als zelfstandige de klus zouden mogen doen. Dat geeft al aan dat we hier echt wel serieuze vraagtekens hebben en echt wel een stap vooruit moeten doen om dit beter te krijgen. Alleen hebben we wel geleerd van de situatie met de Wet DBA. Ik doel op de discussie over kwaadwillendheid, waar mevrouw Palland naar vroeg. Als we nu boetes gaan uitdelen, zonder dat er duidelijke criteria zijn over het waarom en over de afwegingen daarbij, ontstaat er zo veel onrust in de markt en bij de opdrachtgevers dat je daarmee eigenlijk de hele markt stilzet en de inkomsten van heel veel mensen laat opdrogen. Dat vind ik onverstandig: dit moet gewoon zorgvuldig, voorspelbaar en duidelijk omschreven gebeuren, anders gaan we ons eigen spoeddebat creëren, waar niemand bij gebaat is.

De heer Smeulders (GroenLinks):
Kijk, wij zijn allemaal voor zorgvuldigheid. Het probleem is dat er, waar je ook gaat knippen, een groep zal zijn die hoe dan ook geraakt zal worden. Het gaat dan om mensen die nu waarschijnlijk wel functioneren als zzp'er en wat in de toekomst volgens de regels niet mag. Het probleem is dat we die groep niet willen raken, en dat het kabinet dat ook niet wil. Omdat we nu al vier jaar om die pijnlijke keuze heen draaien, doen we eigenlijk ook niets om de schijnzelfstandigen te beschermen. Is de minister het met ons eens dat het beter is om die pleister er in een keer af te trekken en te zeggen: jij bent wel zzp'er, jij bent geen zzp'er, zodat we die kwetsbare mensen aan de onderkant, waarvan we allemaal vinden dat ze zeker geen zzp'er zijn, weer kunnen gaan beschermen? Want dat gebeurt op dit moment niet.

Minister Koolmees:
In theorie ben ik het met de heer Smeulders eens. De praktijk is weerbarstiger. Kijk maar naar die experts die zo veel verschillende oordelen geven over de beoordeling van wat een arbeidsrelatie is. Het is niet zwart-wit, het is niet digitaal, hier zit een continuüm in van heel duidelijk aan de ene kant en heel duidelijk aan de andere kant, maar er zit een heel grote groep tussen waarvoor het echt onduidelijk is en waarvoor je echt meer handvatten, meer duidelijkheid moet hebben om dat te kunnen duiden en handhaven. Vandaar die webmodule, vandaar die criteria en vandaar dat we het ook moeten testen. Dat is één.

Twee: die pleister er in een keer aftrekken. Het is niet zo dat er helemaal niets gebeurt. We hebben bijvoorbeeld de fiscale verschillen verkleind, juist omdat we zien dat aan de onderkant van de arbeidsmarkt kostenverschillen kunnen ontstaan door fiscaliteit, maar ook door geen socialezekerheidspremies en door geen arbeidsbescherming, dus geen ontslagrecht of transitievergoeding. Op al die elementen zijn we de verschillen aan het verkleinen. Want we hebben de zelfstandigenaftrek afgebouwd, we zijn bezig met een arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zzp'ers en dankzij de Wet arbeidsmarkt in balans met een transitievergoeding vanaf dag één, ook voor flexcontracten. Er zijn dus wel degelijk stappen gezet, maar ik ben het met de heer Smeulders eens: ik was graag verder geweest.

De voorzitter:
De heer Stoffer en dan mevrouw Nijkerken-de Haan.

De heer Stoffer (SGP):
In de schriftelijke beantwoording geeft de minister aan dat wij eind dit jaar een brief krijgen over de verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering. Dat is mooi, ik zie ernaar uit. Mijn vraag is of daarbij echt ruim wordt gekeken naar opt-outmogelijkheden voor die groep die echt zzp'er, die echt ondernemer zijn, waar de minister zojuist iets over aangaf. Mijn heel concrete vraag: neemt u dat ruim mee en vooral niet eng?

Minister Koolmees:
Hierbij ben ik gewoon gehouden aan de tekst uit het pensioenakkoord en aan de uitentreuren met de vakbond en werkgevers afgestemde tekst daarvan. Daarin staat inderdaad een ruimhartige opt out voor mensen die al op een andere manier een arbeidsongeschiktheidsregeling hebben, of onderling, zoals dat in de land- en tuinbouw vaak voorkomt. Dat is inderdaad onderdeel van de afspraken die we met elkaar hebben en van de uitwerking. Daarbij gelden wel twee punten. Het ene is: kunnen we het uitvoeren? Want het veronderstelt dat de Belastingdienst informatie heeft over welke andere verzekering iemand heeft. Kunnen we dat uit het systeem van bijvoorbeeld verzekeraars halen? Dat is best ingewikkeld. Het andere is: het moet ook betaalbaar blijven. Na de risicoselectie moet het om een grote groep gaan om het daarmee voor alle deelnemers betaalbaar te houden. Dat zijn twee randvoorwaarden die ook in andere moties door uw Kamer zijn meegegeven. Maar dit zijn de kaders waarin we dat uitwerken. Eind dit jaar wil ik een voortgangsbrief op dit punt naar uw Kamer sturen. Het blijft natuurlijk razend ingewikkeld, ook omdat we weten dat het een aantal jaren gaat duren voordat het ingevoerd is. Maar dat zijn de kaders.

De voorzitter:
Mevrouw Nijkerken-de Haan. Dan de heer Gijs van Dijk en dan mevrouw Palland.

Minister Koolmees:
Ik zou die microfoon nemen, want die is lastig.

De voorzitter:
Die is echt voor grote, zware mensen, want je moet heel hard op het pedaal trappen. We gaan daar iets aan doen.

Mevrouw Nijkerken-de Haan (VVD):
Ik krijg nu toch de neiging om het een keer te proberen! Maar goed, dan moet er weer een schoongemaakt worden.

Ik wil toch nog even terugkomen op de pilot.

De voorzitter:
Kunt u iets meer in de microfoon praten?

Mevrouw Nijkerken-de Haan (VVD):
Ik wil toch nog even terugkomen op de pilot. In de eerste testvariant hebben we al gezien dat er geen duidelijk antwoord komt. Het is niet ja of nee. Er zitten heel wat tegenstrijdigheden in. Daar heb ik ook vragen over gesteld. Ik hoor de minister daar niet op antwoorden. Wij hebben gevraagd: moeten we de pilotdoelen en de evaluatiecriteria niet aanscherpen, zodat we de pilot ook echt goed kunnen uitvoeren en er, als die afgerond is, ook een webmodule is die echt werkt? Dat is mijn eerste vraag.

Misschien kan ik daar meteen mijn tweede vraag achteraan stellen. Ik hoor de minister ook zeggen dat de start van de handhaving op z'n vroegst in oktober start. Mag ik aannemen dat die niet start voordat de evaluatie goed in de Kamer besproken is? Want anders gaan we mensen echt met problemen opzadelen en dat zouden we niet moeten willen.

Minister Koolmees:
De tweede vraag is heel makkelijk te beantwoorden: ja, we gaan eerst de pilot doen en dan gaan we kijken wat daar uitkomt. We gaan dan ook kijken of er nog onduidelijkheden of tegenstrijdigheden in zitten waar we iets mee moeten. Daarom staat ook in de brief: op z'n vroegst 1 oktober. De pilot loopt een halfjaar, dus tot 1 juli. We hebben dus juli, augustus en september om dit te doen en om dit met uw Kamer te bespreken. Maar dat is een krap tijdschema, zeg ik erbij. We weten hoe dit soort processen gaan, dus "op z'n vroegst 1 oktober" is al ambitieus. Maar ik heb ook heel goed geluisterd naar andere delen van uw Kamer. Ik zie de heer Gijs van Dijk al staan. Hij zegt: je zou eigenlijk nu moeten beginnen. Ik probeer daar toch een beetje een soort midden in te vinden.

Dan het tweede punt. Uit de pilot tot nu toe en uit het commentaar van de experts die we hebben ingeschakeld om dit te beoordelen, blijkt dat er een grote heterogeniteit is. We hebben een systeem ontwikkeld waarin de verschillende criteria die in de wetgeving zitten of in de jurisprudentie naar boven komen zijn gekomen, bepaalde punten krijgen. Een optelsom van die punten geeft aan "u kunt uw klus uitvoeren als zzp'er" of, als iemand heel veel punten heeft, "dit lijkt erg op een dienstverband, op een arbeidscontract". Maar daar zit ook een grijs gebied tussen, waarbij het niet duidelijk is. Dan krijgen mensen de tip om de Belastingdienst te bellen en te vragen: hoe moet ik dit in de praktijk gaan doen? Dat heeft er echt mee te maken dat de feiten en de omstandigheden situatiebepalend zijn voor de vraag of je iets als zzp'er kan doen of als werknemer.

Mevrouw Nijkerken-de Haan (VVD):
Toch even praktisch op dit punt. Als het niet blijkt uit de webmodule en mensen de Belastingdienst moeten bellen, hoe weten we dan zeker dat de medewerker die ze daar aan de telefoon krijgen, het juiste antwoord gaat geven? Want als het zo evident was, had het wel in de webmodule gestaan.

Minister Koolmees:
Stap één is de webmodule. Als je een bepaald aantal punten hebt en je zit in de juiste categorie, dan krijg je ook zekerheid vooraf. Dat is onze bedoeling. Dan krijg je als het ware een verklaring, in de zin van: u mag deze klus als zelfstandige uitvoeren en er bestaat geen risico dat u later wordt geconfronteerd met loonheffing of dat soort zaken. Dat is winst, want dat hebben we nu niet. Dat is dus beter dan wat we nu hebben. Daarnaast blijft er een grijs gebied bestaan. Daar heb je een discussie met de Belastingdienst over. Maar wat we ook nog steeds hebben, zijn de zogeheten sectorovereenkomsten. Die zijn sinds de Wet DBA door sectoren gemaakt en die houden specifiek rekening met een sector en de structuur van een sector, waardoor het wel kan. Dat zou een voorbeeld kunnen zijn van hoe de Belastingdienst coachend en informerend kan zeggen: dit kan wel.

De voorzitter:
De heer Gijs van Dijk.

Minister Koolmees:
Maar dit blijft een zeer ingewikkelde discussie. Daarom is het advies van de commissie-Borstlap ook heel helder: je bent er niet alleen met een webmodule; je moet ook op andere terreinen, bijvoorbeeld de kosten, het arbeidsrecht en de fiscale verschillen, stappen zetten om de zoektocht naar een antwoord op de vraag "wat is het goedkoopst voor mij?" tegen te gaan.

De voorzitter:
De heer Gijs van Dijk en dan mevrouw Palland.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):
Gisteren zaten we hier ook in de plenaire zaal en toen was het prachtig herfstweer, met een mooie zon, echt zo'n Indian summer. Maar vandaag regent het. Dat betekent dat hier, onder de plenaire zaal, verschillende bezorgers aan het wachten zijn zodat ze niet nat worden; maar ze wachten ook op een opdracht zonder daar een inkomen voor te krijgen. Als ze dan een opdracht ergens afleveren, zijn ze vaak niet eens beschermd als er iets zou gebeuren. Dit weten we al heel veel jaren en daar hebben we het al heel vaak over gehad. Het regeerakkoord had daar ook goede ambities in, die wij ook ondersteunden. Vervolgens hebben wij de Belastingdienst aan het werk gezet: laten we dan die sectoren pakken waarvan we weten dat het niet gebeurt. Er is geen enkele boete uitgedeeld. Da's echt wel bizar. Er zijn coachinggesprekken gevoerd. Kunnen we niet met elkaar, hier en nu, bepalen dat we de Belastingdienst opdragen om te gaan handhaven daar waar aantoonbaar werk verricht wordt dat geen zzp-werk is?

Minister Koolmees:
Ik moet een beetje lachen, omdat ik moet denken aan de zomer van vorig jaar toen de FNV, gesteund door de heer Gijs van Dijk, een rechtszaak heeft aangespannen tegen een van deze maaltijdbezorgers en de FNV die zaak heeft verloren. Dus zo evident is dat niet. Daarna is er een zaak tegen hetzelfde bedrijf gewonnen, waarbij we in deze zaal natuurlijk nooit over individuele zaken praten. Je ziet dus dat er in dezelfde zomer, bij hetzelfde kantongerecht in Amsterdam, twee tegengestelde uitspraken waren, omdat de vraagstelling net anders was.

Laat er geen misverstand over bestaan: met de analyse van de heer Gijs van Dijk en zijn richting ben ik het eens. Dat stond ook in het regeerakkoord. Ik heb er echt mijn stinkende best voor gedaan om dat uit te werken, dan wel via de ALT, dan wel via een minimumtarief dan wel op andere manieren, teneinde de bescherming voor deze groep werkenden te vergroten. Daar zijn we nog steeds mee bezig, bijvoorbeeld bij de platformwerkers, zoals ik twee weken geleden heb laten weten. Maar het feit dat dit juridisch zo ontzettend ingewikkeld is, geeft ook wel aan dat het geen kwestie is van "laten we maar gaan handhaven, dan is het opgelost". Dat is gewoon niet zo. Los daarvan heeft de Belastingdienst wel boekenonderzoek bij de risicosectoren gedaan en handhavingsbezoeken afgelegd. Maar het is dus geen kwestie van: weet je wat, we leggen even een boete op en dan is het opgelost. Ik ben bang dat het zo helaas toch niet werkt.

Mevrouw Palland (CDA):
Ik hoorde de minister zeggen dat hij niet kan aangeven of het aantal schijnconstructies is gestegen of niet. Dat verbaast me ergens, omdat ik mij meen te herinneren dat we een quickscan van de WAB hebben gedaan waaruit onder andere bleek dat de WAB dat effect heeft. We hebben flex duurder gemaakt, want dat wilden we met z'n allen, maar het effect is ook een toename van zzp, waarbij je er vraagtekens bij kunt plaatsen of dat dan de echte zelfstandige ondernemers zijn zoals we die met z'n allen een warm hart toedragen, of dat het toch ook niet de kwetsbare groep is die hiermee in deze constructie wordt gezet. Mijn vraag gaat eigenlijk over dat laatste punt, namelijk de ingewikkeldheid om te handhaven en te kwalificeren op basis van de uitkomsten van de webmodule. Als het arbeidsrechtelijk zo ingewikkeld is als de minister zegt, zou het dan niet goed zijn om naast de webmodule ook te bekijken wat er eventueel moet gebeuren in de wetgeving om dit begrip gewoon te verduidelijken? Ik heb gevraagd om het Belgische systeem er eventueel bij te betrekken. Als de webmodule en de huidige jurisprudentie niet alles oplossen, dan moeten we terug naar de basis en in ieder geval kijken of we de wetgeving daarop kunnen aanscherpen.

Minister Koolmees:
Drie antwoorden. Eén: ja, we hebben gekeken naar het Belgische systeem. Het Belgische systeem gaat uit van negen criteria. Die negen criteria zitten allemaal in de webmodule van Nederland. Die webmodule is iets verfijnder, omdat die iets minder grof is. Dat die criteria overeenkomen, is natuurlijk ook niet zo raar, omdat we deels ook te maken hebben met Europese jurisprudentie en een Europees kader. Denk ook aan het advies van de commissie-Borstlap op dit punt. Dat is dus de omgeving waar alle landen in moeten werken. Het tweede is dat we onszelf de vraag hebben gesteld: welke wet zou je makkelijk kunnen aanpassen om dit duidelijker te krijgen? Het antwoord daarop is tot mijn frustratie vaak: geen idee. Dat is ook een beetje het antwoord aan al die mensen die in de afgelopen twee jaar naar mij toe zijn gekomen met het verzoek om even het arbeidsrecht te moderniseren. Dan zeg ik: uitstekend idee, hartstikke goed, daar ben ik voor, maar hoe dan? Dan blijft het toch heel vaak heel erg stil, heb ik in de afgelopen twee jaar geconstateerd.

De vraag bij de webmodule is — dit was ook een vraag in de eerste termijn — wat belangrijke criteria zijn die uit de jurisprudentie, uit rechtszaken, naar voren komen en die bepalend zijn voor de beoordeling of het een arbeidscontract is of dat het werk is dat als zelfstandige kan worden gedaan. Kunnen we die criteria eruit halen en goed gewicht geven, zodat we in het overgrote deel van de gevallen kunnen aanwijzen of iets als zzp'er mag worden gedaan of dat er echt sprake is van een arbeidscontract? Als we dan de handhavingsmonitoring hebben beëindigd, kunnen we de Belastingdienst op pad sturen om dit te gaan handhaven in de praktijk. Als we dit te snel doen — dit ligt in het verlengde van de vraag van de heer Gijs van Dijk — ontstaat er weer heel veel onrust in zzp-land en bij de opdrachtgevers, die gaan zeggen "nou, ik doe even niks meer" of "ik ga een tussenpersoon inhuren om dit te organiseren", zoals dit in 2016 ook gebeurde bij de Wet DBA.

Het laatste punt ging over de cijfers. Bij de Wet arbeidsmarkt in balans was er een kwalitatieve quickscan, op basis van interviews en signalen. We hebben in de cijfers nog niet kunnen vaststellen dat er sprake is van grote toename van schijnzelfstandigheid. In elk geval hebben we daar geen enkel bewijs voor kunnen vinden in de cijfers. We hebben ook gezien dat het aantal zzp'ers tot aan februari niet heel veel is gestegen. De laatste maanden is het wel gestegen, maar het kan ook ermee te maken hebben dat mensen die hun baan zijn verloren, als zelfstandige zijn begonnen. Maar dat kunnen we nog niet helemaal vaststellen. Daarom was mijn opmerking naar de heren Smeulders en Gijs van Dijk, die dat in eerste termijn zeiden, dat wij die cijfers niet hebben.

Mevrouw Palland (CDA):
Nog even heel kort. Het is goed dat de minister dat even nuanceert en toelicht hoe dat zit met de cijfers. Het mooie van dat Belgische systeem is, wat wellicht te overwegen is, dat er ook sectoraal wordt gekeken naar eventuele aanvullende criteria per sector. Dan kun je ook dat onderscheid en maatwerk maken. De voorbeelden waaruit blijkt dat het ingewikkeld is om ons arbeidsrecht, dat uit 1906 of 1907 stamt, aan te passen, geloof ik. Maar onder anderen een aantal arbeidsjuristen hebben een voorstel gedaan in het Wetboek van Werk. Er zijn dus ideeën. Ik denk dat het heel goed is om, parallel aan die webmodule, daar ook naar te kijken.

Minister Koolmees:
Dat is van Ruben Houweling. Dat is heel interessant en het is ook heel uitdagend werk. We hebben dat, net als de commissie-Borstlap, ook zeker meegenomen in het advies. Dat is een terecht punt. Wat betreft het tweede punt, over sectoren en maatwerk: ja. Dat is ook een beetje het antwoord op de vragen van mevrouw Nijkerken-de Haan. Daarom zijn er af en toe sectorafspraken gemaakt. We willen die ook mogelijk blijven maken. Sommige sectoren hebben hele specifieke omstandigheden, zoals de orkestremplaçanten in de kunst- en cultuursector, en hebben daar heel goede afspraken over gemaakt. U ziet het: we zitten hier middenin.

Blokje drie, voorzitter: pensioenen. Dat is mijn favoriete blokje. We gaan nu eens even een leuk en technisch uurtje in.

De voorzitter:
Mevrouw Van Brenk zit er klaar voor, zie ik. De heren Van Kent en De Jong ook.

Minister Koolmees:
De heer Van Rooijen zit tegenwoordig in de Eerste Kamer!

Voorzitter, het blokje pensioenen. We zijn heel erg druk bezig met wetgeving voor de vernieuwing van het pensioenstelsel. De afgelopen twee weken hebben we de stijging van de AOW-leeftijd behandeld en hebben we de zware beroepen en de mogelijkheid van het opnemen van een bedrag ineens bij pensionering behandeld. Nogmaals, die voorstellen zijn met algemene stemmen aangenomen door uw Kamer. Dat geeft ook maar aan hoe belangrijk het is om zo'n akkoord te sluiten met sociale partners en met een breed maatschappelijk en politiek draagvlak, om die stappen vooruit te zetten. Het kabinet streeft ernaar om de wetgeving voor het nieuwe pensioenstelsel op 1 januari 2022 in werking te laten treden. Zo kunnen alle pensioenregelingen uiterlijk per 2026 — zo lang gaat het echt wel duren; zo complex is dat hele proces — aangepast zijn op een persoonlijker, moderner en transparanter pensioenstelsel. Het pensioenakkoord bevat ook afspraken over een minder snelle stijging van de AOW-leeftijd. Twee wetten zijn al behandeld. De zware beroepen zijn ook behandeld. Dat is allemaal aangenomen.

De heer De Jong riep mij eergisteren op de pensioenkortingen de komende vijf jaar te voorkomen. De heer Gijs van Dijk vroeg wat ik doe om de zorgen van gepensioneerden over het korten van pensioen weg te nemen. We zijn in overleg met sociale partners, vakbonden, werkgevers, de Pensioenfederatie, het Verbond van Verzekeraars, toezichthouders DNB en AFM om het transitie-ftk en het consultatiedocument voor de wetgeving vast te stellen. In z'n algemeenheid blijft het feit dat pensioenfondsen voor hun resultaten afhankelijk zijn van de ontwikkelingen op de financiële markten. De afgelopen twee weken hebben we daar ook hele bijzondere ontwikkelingen in gezien. Het nieuws van de vaccins heeft ertoe geleid dat de beurzen een grote klap omhoog hebben gemaakt. Daarmee zijn ook de dekkingsgraden voor de meeste pensioenfondsen weer boven de 90% uit gekomen, zo las ik eergisteren in Het Financieele Dagblad. Maar zolang de rente laag is en het herstel van de aandelenmarkt beperkt is, kan nooit gegarandeerd worden dat alle kortingen volledig voorkomen kunnen worden. Dat heb ik ook een aantal keer in uw Kamer gezegd. Die belofte zou ik graag doen, maar die kan ik niet waarmaken.

Maar ik heb een aantal weken geleden in een brief aan uw Kamer wel gezegd dat we natuurlijk wel bezig zijn met een nieuw stelsel. Met de blik van het nieuwe stelsel wil ik eigenlijk terugkijken naar de huidige situatie. Hoe komen we van de huidige situatie nou op een verantwoorde, evenwichtige en transparante manier uit in de nieuwe situatie? Het zijlicht is dan onnodige kortingen voorkomen, maar ook: wat doe je met de premie? Want als de premie in het nieuwe stelsel niet hoeft te stijgen, waarom zou je dat nu in het huidige stelsel dan wel doen? Dat zijn allemaal belangrijke, ingewikkelde, technische uitwerkingen, die binnenkort — dat zal december worden — met uw Kamer worden gedeeld. Tegelijkertijd publiceer ik misschien wel iets eerder de aangekondigde vrijstellingsregeling, die uitgaat van de 90%, in de volksmond. Het is technisch iets ingewikkelder, via het MVEV en het VEV. Maar de vrijstellingsregeling verplicht eigenlijk niet om te korten op een dekkingsgraad van 104,3%, wat normaal gesproken de wet zou zijn — dat is de wet financieel toetsingskader — maar gaat uit van de dekkingsgraad van 90% die ook is overeengekomen in het pensioenakkoord.

Deze discussie over kortingen en dekkingsgraden bewijst ook maar weer eens dat het huidige systeem op z'n laatste adem loopt en dat we naar een nieuw pensioenstelsel moeten dat veel minder afhankelijk is van de rente, waar die rekenrente uit is — mevrouw Van Brenk zal daar heel blij mee zijn — en waarin ook de dekkingsgradendiscussie tot het verleden behoort. Daarom wordt er hard gewerkt aan die nieuwe wetgeving. De consultatiefase willen we in december starten. Daarin zit dus ook het ingroeipad — dat heet dan het transitie-ftk — en het wetsvoorstel, maar ook de discussie over de governance, bijvoorbeeld over de vraag: hoe betrekken we alle deelnemers, jong, oud en gepensioneerd, bij de overstap van het huidige stelsel naar het nieuwe stelsel? Daar kom ik dus binnenkort op terug.

Dit was het blokje pensioenen al, voorzitter.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik dacht dat de minister me blij ging maken, want hij zei: ik ga terugkijken. Maar nu blijkt dat hij maar heel kort terugkijkt.

Minister Koolmees:
Ik kan hier echt uren over praten, mevrouw Van Brenk ...

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Naar de twaalf jaar indexatie die achterwege is gebleven kijkt hij niet. Ik hoor hem wel zeggen: ik ga kijken hoe we ervoor kunnen zorgen dat we zo veel mogelijk ellende voorkomen. Maar ik zie nu al dat er aangekondigd wordt dat de opbouw verlaagd wordt, dat de premie omhooggaat en dat er wordt gedreigd met kortingen. En dat is al heel snel. Dat is nu al. Nu kondigen pensioenfondsen dat al aan. De verslechteringen zijn er dus al. Gaat de minister daar nou ook al iets aan doen?

Minister Koolmees:
Ik wil even voorkomen dat alles op één hoop wordt gegooid. Het is echt wel genuanceerd. Je moet de dingen uit elkaar trekken. Eén. We constateren nu dat heel veel fondsen op dit moment, in het huidige stelsel, onder de huidige wetgeving, rekenen met een gedempte premie, zoals dat dan heet. Dat betekent dat ze verwachten dat er meer rendementen worden gehaald als ze de premie vaststellen. De premiedekkingsgraad is bij heel veel fondsen dus vaak ver onder de 100%. Dat is eigenlijk nadelig voor gepensioneerden en voor ouderen, want er worden als het ware meer pensioenrechten uitgedeeld dan er aan premie wordt betaald. Dat is al jaren het geval. Daar willen we eigenlijk vanaf. Ook in het pensioenakkoord willen we daarvanaf.

Twee. De rente is wel heel laag. En als de rente laag is, moet je ook meer inleggen om een bepaald vastgesteld doel te bereiken. Ik heb nu gezegd dat wij in het nieuwe stelsel gaan rekenen met als het ware een projectierendement, met verwachte rendementen die waarschijnlijk hoger liggen dan de risicovrije rente. Ik vind dat je daar in de komende jaren in de overstap van het huidige stelsel naar het nieuwe stelsel ook rekening mee mag houden. Ik bedoel dat je dat vooruitlopend op het nieuwe stelsel alvast meeneemt, omdat we die afspraken met elkaar gemaakt hebben. Als we dan constateren dat er in een nieuw stelsel, waarin je mag rekenen met een projectierendement, alsnog te weinig premie wordt betaald voor de ambities of de verwachtingen die worden gewekt voor de deelnemers, dan moet je dat corrigeren. Dat kan op twee manieren: of meer premie betalen, of helderder communiceren over je ambities. Mooier kan ik het helaas niet maken. Dat is de situatie waar we in zitten. Maar we moeten wel met de blik van het nieuwe stelsel terugkijken naar de huidige situatie.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Deze minister kan het heel makkelijk veel mooier maken, maar dat weigert hij gewoon. Hij noemde zelf al het aanpassen van die rekenrente. Ik zit met nog een ander punt. Bij de rondetafel die wij als Kamer hebben gehad, hebben wij de heren Lutjens en Van Meerten aan ons laten reflecteren over hoe zij kijken naar de juridische houdbaarheid van het invaren en het nieuwe stelsel. Is het nou een vorm van onteigening of niet? Daar hebben wij twee hoogleraren en twee meningen en die zijn echt tegengesteld. De vraag is: hoe gaat deze minister nou zorgen dat straks niet al die pensioenfondsen een juridische procedure aan de broek krijgen waardoor later dus blijkt dat dit gewoon eigenlijk niet kan en het wel een vorm van onteigening is? Hoe gaan we daar nou voor zorgen?

Minister Koolmees:
In de eerste plaats door afstand te nemen van de term "onteigening". Er is helemaal geen sprake van onteigening. Er is sprake van het omzetten van aanspraak op een pensioenfonds in vermogens, zal ik maar zeggen. Dat is wat er gebeurt. Er wordt helemaal niks onteigend. Het geld blijft bij de pensioenfondsen en de pensioenfondsdeelnemers. Dat in de eerste plaats. Ten tweede: mevrouw Van Brenk heeft gelijk. Ik heb dat stukje van de heren Lutjens en Van Meerten toevallig terug zitten kijken. Ik heb niet die hele hoorzitting kunnen zien, maar dat stukje wel. Wij hebben natuurlijk ook bij de totstandkoming van het pensioenakkoord de heer Lutjens gevraagd om een juridische analyse te maken hiervan. De afgelopen jaren is natuurlijk wel vaker gekeken hiernaar. De Raad van State heeft bijvoorbeeld gekeken naar wat de afschaffing van de doorsneepremie betekent voor de verplichtstelling en dat soort vragen. De Europeesrechtelijke en juridische toets is ontzettend belangrijk en moet heel erg zorgvuldig gebeuren. Ik vind het ook heel interessant dat u als Kamer aan beide heren heeft gevraagd om eens een paper op te sturen over hoe je daar dan rekening mee moet houden. Dat doen wij ook. Wij hebben ook alle adviezen en alle hooggeleerden naar binnen getrokken om hier goed naar te kijken. Ik ben het namelijk met mevrouw Van Brenk eens dat het niet zo kan zijn dat hier allerlei onduidelijkheid over bestaat. Het lastige is wel dat juristen altijd zeggen: uiteindelijk is het aan een rechter. Dat blijft ook wel altijd de situatie. Maar dat dit zorgvuldig moet gebeuren en ook transparant en uitlegbaar voor alle deelnemers van de pensioenfondsen, staat voorop. Volgens mij zijn we het daar dus gewoon over eens en moeten we hier geen misverstanden over laten bestaan.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik wil toch nog even terugkomen op het woordje dat de minister niet wil horen, "onteigening". Het is toch echt zo dat het ontzettend uitmaakt hoe we invaren en of iedereen dan zijn eerlijke deel krijgt. Dat is wel een vorm van onteigening als je niet je niet je eerlijke deel krijgt.

Minister Koolmees:
Dat is precies het punt: als … dan.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Hij praat er gewoon doorheen, voorzitter. Dat snap ik wel. Het is ontzettend frustrerend, maar dit is de essentie. Dit is ook het grote punt waarover vooraf duidelijkheid moet komen. De ene zegt tegen de andere "nu gaat er een heel groot deel van jong naar oud" en omgekeerd. Iedereen heeft zo zijn eigen waarheid, maar die duidelijkheid moet er zijn. Totdat die duidelijkheid verkregen is, blijven wij er nog steeds van overtuigd dat ouderen hier ontzettend gedupeerd worden als ze onder het huidige ftk moeten invaren.

Minister Koolmees:
Toch even in alle scherpte: "ouderen gedupeerd" is echt iets anders dan onteigening. Ik hecht eraan om even dat onderscheid te maken. Ik ben met het mevrouw Van Brenk eens: ik wil niet dat ouderen gedupeerd zijn, ik vind dat het transparant moet gebeuren en dat hiervoor vooraf hele heldere regels transparant moeten worden neergelegd bij alle deelnemers, dus bij de gepensioneerden, de oudere werkenden en de jongeren, zodat dit op een hele duidelijke, transparante manier gebeurt. Daar zijn we het allebei over eens. Het moet vooraf glashelder zijn om te voorkomen dat daar ruis ontstaat en dat een discussie gaat ontstaan over "onteigening". We hebben nu een pensioenpot. Daar zit vermogen in. Dat vermogen is van de deelnemers. Dat is niet van u of van mij; dat is van de deelnemers. Het gaat inderdaad over de verdeling van die pot geld. Er zijn nu aanspraken op die pot geld. Die gaan we omzetten naar vermogens. Die omzetting gebeurt heel goed, heel helder, heel transparant en heel eerlijk. Daar hebben we afspraken over gemaakt. Daar hebben we toezichtskaders voor. We hebben allerlei eisen aan hoe dat moet gebeuren. We hebben ook nog steeds een discussie over de governance. Daar is in de hoorzitting ook aandacht voor gevraagd: hoe zorgen we ervoor dat de deelnemers daar inspraak op kunnen hebben? Dat geldt voor alle geledingen, dus ook voor de gepensioneerden en ook voor de werkenden. Dat zijn we met elkaar aan het uitwerken en dat komt binnenkort naar uw Kamer toe. Dan gaan we een goed debat, een goede discussie voeren over de vraag of er voldoende waarborgen zijn, of het transparant genoeg is en of we het heel helder kunnen uitleggen aan alles en iedereen die hierbij betrokken is. Maar ik vind echt dat door daarvoor te zeggen dat hier sprake is van onteigening, onnodig onrust wordt veroorzaakt. Ik vind dat u dat niet zou moeten doen. Maar ik ben het ermee eens dat dit transparant en helder moet gebeuren.

De heer Van Kent (SP):
Pensioenakkoord of niet, er zijn miljoenen mensen die hebben gewerkt of werken in de zorg, als leraar, als politieagent, in een winkel of in de metaal en die al jarenlang een pensioen of pensioenopbouw hebben die niet meestijgt met de prijzen en die nu zelfs een pensioen hebben dat gekort dreigt te worden. De komende jaren zullen die dreiging en dat probleem nog blijven bestaan. Vindt de minister het dan niet onbestaanbaar dat er tegelijkertijd juist bij deze pensioenfondsen en bij deze pensioenuitvoerders bestuurders zijn die denken dat ze hun zakken moeten vullen en dat het rechtvaardig is dat ze met €600.000 naar huis gaan, terwijl ze daar gewoon hun werk doen, zonder dat ze zelf een risico, een financieel risico, lopen? Sterker nog, als het misgaat, krijgen ze gewoon een gouden handdruk. Vindt de minister het niet totaal bizar dat dat nog steeds zo is en is de minister het met de SP eens dat we daar een grens moeten stellen, namelijk de Wet normering topinkomens, de balkenendenorm?

Minister Koolmees:
Ik was zeer vereerd met de KoolmeesCup. Die staat op SP.nl. Ik vond dat wel een creatieve vondst van de SP. De heer Van Kent weet wat ik hiervan vind. Ook in de schriftelijke set heb ik daar een antwoord op gegeven. Het is echt aan de pensioenbestuurders, de vakbonden, de werkgevers om de beloning vast te stellen. Ik denk dat je wel een onderscheid moet maken tussen enerzijds de pensioenfondsbestuurders die gaan over de regeling en de uitvoering, en de mensen die de pensioenregeling uitvoeren bij de financiële marktpartijen. Dat zijn de APG's en MN-services van deze wereld. Ik denk dat dat echt twee aparte werelden zijn. De ene beheert het beloningsbeleid en al die vraagstukken. De heer Van Kent kent mijn antwoorden. Die staan ook in de schriftelijke set. Ik vind dit echt een zaak voor de vakbonden en de werkgevers.

De voorzitter:
O, de heer Van Kent hoeft niet meer. Is goed. Dan stel ik voor dat de minister doorgaat. Ik begrijp dat er een wetgevingsoverleg is geweest over inburgering. Klopt dat?

Minister Koolmees:
Ja, maar de heer De Graaf heeft wel een hoop vragen gesteld.

De voorzitter:
Ja, natuurlijk. Hij is er ook, dus hij luistert mee.

Minister Koolmees:
Ja, hij is er ook. Ik wil daarom tegemoetkomen aan zijn vragen. Deels heb ik daar ook al op geantwoord in de schriftelijke set.

Ik kom nu bij blokje vier, integratie en inburgering. Inderdaad is er vorige week een wetgevingsoverleg van zes uur daarover geweest. Maar er zijn nu toch vragen gesteld. Om met het zuur te beginnen: helaas heb ik vorige week moeten constateren dat de nieuwe inburgeringswet die met 147 zetels — zeg ik uit mijn hoofd — in uw Kamer is aangenomen, een halfjaar moet worden uitgesteld. Dat heeft te maken met uitvoeringsproblemen. We doen dat echt niet voor niets. Na signalen van DUO, Divosa en andere ketenpartners bleek dat de geplande invoeringsdatum van 1 juli 2021 te veel risico's met zich meebracht. Dat bracht mij tot de conclusie: dan moeten we het niet doen; dan moeten we het zes maanden opschuiven naar 1 januari 2022. Helaas is het zo dat bij alle partijen die hierbij betrokken zijn, de beschikbare capaciteit om voorbereidingen te treffen onder druk is gezet door de coronacrisis. We kiezen dus voor zorgvuldigheid, want daar is zo'n complexe stelselwijziging die we hebben bij het inburgeringsstelsel, het meest bij gebaat. Want het is echt heel erg complex.

De heer De Graaf heeft een aantal vragen gesteld over integratie. Ik wil verwijzen naar het vorige week gepubliceerde jaarrapport, eigenlijk tweejaarlijkse rapport, van het CBS over integratie. Die CBS-cijfers geven echt een heel rijk beeld van hoe het staat met "dé integratie" in Nederland. Ik vind dat overigens een verschrikkelijke term, want die zegt niks. Maar we zien bijvoorbeeld dat het qua onderwijspositie en arbeidsmarktpositie van Nederlanders met een migratieachtergrond de afgelopen vijf, zes, zeven jaar echt goed gaat en jaar op jaar verbetert. Die ontwikkeling zien we al sinds 2014 en die ontwikkeling zet zich ook door. Nederlanders met een migratieachtergrond krijgen een steeds hoger schooladvies en hebben een steeds hogere schoolprestatie, ook hbo en universiteit. Voor de duidelijkheid zeg ik erbij dat dit overigens niet de voorwaarde is voor succesvol meedoen. Er zijn steeds minder verschillen op de arbeidsmarkt. Er is een steeds hogere participatie en lagere werkloosheid. Het is dus al met al gewoon goed nieuws, want dat maakt mensen minder kwetsbaar als het economisch tegenzit. We weten namelijk uit het verleden dat mensen met een niet-westerse achtergrond vaak de eerste klappen krijgen als de economie omdraait. Dan gaan er banen verloren, omdat heel veel mensen bijvoorbeeld op een flexcontract zitten en als eerste hun baan verliezen.

Dat neemt niet weg — daar hebben we vaak gesprekken over gehad in de commissie voor integratie — dat de positie van Nederlanders met een migratieachtergrond nog wel steeds kwetsbaarder is op de Nederlandse arbeidsmarkt. Ook bij een gelijke opleiding zien we nog steeds zaken als discriminatie, bijvoorbeeld, maar ook uitsluiting. Om die reden hebben we het programma Verdere Integratie op de Arbeidsmarkt in het leven geroepen. We willen daarmee bekijken wat goede manieren zijn om de achterstanden aan te pakken en om ervoor te zorgen dat iedereen mee kan doen en kansen krijgt. Over die resultaten heb ik de Kamer ook geïnformeerd.

De heer De Graaf heeft een aantal vragen over de islam gesteld. Het gebeurt vaker dat de heer De Graaf die vragen stelt, maar ik vond het dit keer wel bijzonder. Met heel veel van wat de heer De Graaf zegt, ben ik het niet eens. Dat is duidelijk. Dat hebben we al vaak gehad. Ik neem daar ook afstand van. Maar met een paar woorden van hem van dinsdag ben ik het wel heel erg eens, namelijk dat de meeste moslims in Nederland gewoon leven volgens de wet, meedraaien in onze vrije samenleving en dat ook willen. Ook ben ik het ermee eens dat juist een groot deel van de moslimgemeenschap in Nederland het eerste slachtoffer is van extremisme en polarisatie. Want integratie gaat inderdaad over samenleven. Integratie gaat ook over het fundament dat in vrijheid samenleven mogelijk maakt: onze democratische rechtsstaat. Onze democratische rechtsstaat moet beschermd worden, want die beschermt zichzelf niet. Dat moeten wij doen. Ook hier in dit huis moeten we dat samen doen. Daarom hebben in deze kabinetsperiode gekoerst op het beter beschermen van de democratische rechtsorde tegen radicalisering, extremisme en terrorisme, bijvoorbeeld door de oprichting van de Taskforce problematisch gedrag —samen met collega's van Justitie, Onderwijs en Buitenlandse Zaken, maar ook met de diensten, de AIVD, en met de grote gemeenten waar deze problematiek zich manifesteert — en bijvoorbeeld door salafistische aanjagers te bestrijden. Uit allerlei dreigingsrapporten van de NCTV blijkt dat er wel degelijk extremistische uitingen zijn, gericht op ondermijning van de rechtsstatelijke instituties, op anti-integratief gedrag en ook op belemmering van de democratische processen, al dan niet gefinancierd met geld uit het buitenland. Wat de parlementaire ondervragingscommissie betreft over de POCOB, over de buitenlandse beïnvloeding: de zorgen van die commissie zijn zeer gegrond. We zijn nu bezig de kabinetsreactie af te ronden. U ontvangt die binnenkort. In de schriftelijke set zijn een paar specifieke vragen, ook over cijfers, door de heer De Graaf gesteld. Die heb ik gisteravond naar uw Kamer gestuurd.

De heer De Graaf (PVV):
Dank aan de minister voor de beantwoording, waar echter wel een kleine verdraaiing van mijn woorden in zit. Dat wil ik wel graag even rechtzetten. Ik heb niet gesproken over de "meeste" moslims, maar over een "flink deel". We weten natuurlijk dat 70% van de stemgerechtigde Turken in Nederland op Erdogan stemt. We weten ook dat 70% nog steeds de religieuze regels, de shariaregels, boven onze Nederlandse seculiere wetten en dus ook boven onze cultuur stelt. We hebben dus een gigantisch probleem met de islam in Nederland. Een flink deel is inderdaad een aardig aantal mensen die dat graag willen. Zij zitten ook niet te wachten op islamisering, maar die willen hier vrij leven. Ik denk dat dat deel goed is overgekomen. Het andere deel is niet goed overgekomen, namelijk dat de minister zegt daar afstand van te nemen en daar anders over te denken. Nee, het gaat om feiten. Ik ken dat deel nu eenmaal erg goed. De minister kent dat deel niet goed en hij vindt het vaak ongemakkelijk om erover te praten. Ik zie dat ook aan zijn non-verbale houding. Maar daarmee is de discussie natuurlijk niet over, want we hebben nog steeds een gigantisch probleem met de islam en de islamisering in Nederland. We zien dat ook in het gedrag van veel moslimmannen die, geënt op de opdrachten uit de Koran, steeds meer gemeenten in Nederland belegeren. Dat hebben we van de zomer gezien. In steeds meer gemeenten zie je het beeld van een niet-werkende assimilatie, van totaal geen integratie, maar van een parallelsamenleving.

De voorzitter:
En uw vraag?

De heer De Graaf (PVV):
De minister zegt in de schriftelijke beantwoording dat hij geld aan de gemeenten gaat geven om ontmoetingen te organiseren. Is het dan over? Die ontmoetingen worden wel door de mensen zelf georganiseerd, alleen heeft een groot deel van die mensen dan wel een mes in zijn achterzak. Dat is de integratierealiteit in Nederland. Ik wil dat de minister daarop reflecteert en dat hij dat keihard aanpakt.

Minister Koolmees:
Ik vind het interessant dat de heer De Graaf het woord "feiten" in de mond neemt. Daarom verwees ik net ook naar het Jaarrapport Integratie van het CBS, dat 200 pagina's aan feiten en tabellen bevat. Toch is de hoofdconclusie daar dat het op heel veel terreinen heel erg goed en ook steeds beter gaat. Dat zijn feiten die door het onafhankelijke CBS zijn vastgesteld. Waar mijn grootste ongemakkelijkheid in zit — vaak de woorden van de heer De Graaf zelf — is dat deze discussie continu wordt gevoerd vanuit algemeenheden en groepen en dat er nooit wordt gekeken naar het individu. Nooit wordt het individu aangesproken op zijn gedrag en daden. Wat ik echt de winst van de afgelopen paar jaar vind, ook met de oprichting van de taskforce, is dat we steeds beter in staat zijn om de radicale elementen, de aanjagers, gerichter aan te pakken en om daar paal en perk aan te stellen om zo onze democratische rechtsstaat te beschermen en om mensen te beschermen die als eersten de dupe zijn van deze aanjagers. Dat is gerichter. Dat gaat niet over algemeenheden, maar over mensen die het verstieren in ons land. Ik ben er heel positief over dat we die stappen hebben kunnen zetten, ook om de mensen die hun leven leiden en het steeds beter doen in het onderwijs en op de arbeidsmarkt, te beschermen tegen deze radicale elementen.

De heer De Graaf (PVV):
Zo'n rapport is heel leuk, maar ik vertrouw die rapporten steeds wat minder. Er staan wel feiten in, maar die zijn gebaseerd op het idee van inclusie. Nederlanders moeten een stapje opzijzetten voor de gigantische migrantenstroom. Tuurlijk, binnen die groepen zal het onderwijsniveau een beetje opgehoogd worden. We weten ook dat het onderwijsniveau zelf steeds een beetje verlaagd wordt, dus de vraag is waar daarin de waarheid ligt. Maar ik vraag me dan af of de minister weleens buitenkomt. Kijkt hij weleens op straat? Spreekt hij weleens met de mensen die dat ervaren?

Ik heb al die problemen benoemd in mijn eerste termijn en vorige week tijdens het wetgevingsoverleg. Er zijn zo veel Nederlanders die lijden onder die multiculturele samenleving. Zij lijden daaronder. Je zult maar de laatste in het portiek zijn in Escamp, met tien Bulgaren en Roemenen boven je hoofd, een geslacht schaapje naast je en islamitisch gejammer onder je. Je bent 74 of 75 jaar en je bent daar dan de laatste Nederlander. Dat zijn er zo veel. Maar ik heb ook de jonge meisjes benoemd die op straat worden nagesist.

En dan kan het Sociaal en Cultureel Planbureau of het CBS wel in een rapport zeggen dat het veel beter gaat met de integratie, maar het gaat niet beter. We hebben een parallelsamenleving. Die kloof wordt steeds groter en dat komt omdat de grenzen openstaan. Er moet veel harder worden ingegrepen tegen de invloed van de Moslimbroederschap en tegen de politieke jihad die er plaatsvindt. Dat gebeurt letterlijk bij GroenLinks richting de Kamer; daar hebben we het van de week ook over gehad. Het gaat keihard. Die feiten komen uit die ideologie. Het gaat mij niet om die groepen, maar om de ideologie die erachter zit en die keihard door een hoop mensen wordt uitgevoerd.

De voorzitter:
Meneer De Graaf, dit is geen interruptie.

De heer De Graaf (PVV):
De minister is daar blind voor. Ik wil dat de minister daar harder tegen optreedt en duidelijker over is.

De voorzitter:
Dat heeft u duidelijk gemaakt, ook in uw inbreng. De minister.

Minister Koolmees:
In de schriftelijke set ben ik ingegaan op de vragen over de Moslimbroederschap. Het was een terugkerende vraag van de heer De Graaf en die heb ik daarin beantwoord. Ik geef nu twee antwoorden. Als je kijkt naar de migratie in Nederland in de afgelopen jaren, dan zie je dat het overgrote deel uit de EU via het vrije verkeer in Nederland komt werken. Uit mijn hoofd waren het in 2019 100.000 mensen. Dan zijn er 100.000 mensen uit kennismigrantenregelingen, die gericht zijn op mensen als onderzoekers en mensen voor de ASML'en van deze wereld. Die mensen doen bijvoorbeeld onderzoek en maken gebruik van de kennismigrantenregeling. Bij elkaar zijn dat 200.000 mensen die naar Nederland komen om hier te werken en sectoren te ondersteunen. Zonder die arbeidskrachten zouden sectoren als de land- en tuinbouw, de transportsector en de distributiecentra onvoldoende mensen hebben. Dat is één. Dat staat tegenover 16.000 vluchtelingen in 2019. Ook hierin is het goed om de nuances en de feiten te pakken, in de woorden van de heer De Graaf.

Ten tweede: ik woon in Rotterdam. Dat is een heel diverse, prachtige stad. Rotterdam is heel divers qua samenstelling, en floreerde de afgelopen jaren onder die samenstelling. En natuurlijk zijn er problemen. Die ontken ik ook helemaal niet; dat heb ik nooit gedaan. Ik heb alleen altijd willen benadrukken dat het hier gaat om individuen. Het gaat om mensen persoonlijk en om het aanpakken van raddraaiers, en niet om het wegzetten van mensen als onderdeel van een groep. Daar blijf ik aan vasthouden, ook in mijn beleid. Uiteindelijk gaat het daarover in onze democratische rechtsstaat. De daden en oordelen en het gedrag van een individu moeten worden beoordeeld, niet die van een groep.

De voorzitter:
Ook dat heeft u duidelijk gemaakt. Ik stel voor dat u naar een soort afronding gaat.

Minister Koolmees:
Ja, het slot. Ik heb onder het kopje overig nog twee punten. Het eerste punt betreft een vraag van mevrouw Nijkerken-de Haan over het stoppen van de financiering van het project van de Ambachtsacademie. Het ging over het benutten van werkgelegenheidskansen in kleinschalige ambachten. Uiterlijk in juni 2021 moet de verantwoording van het project klaar zijn. Dat is dus medio volgend jaar. Op basis daarvan brengen we de doelmatigheid en de kosteneffectiviteit in kaart.

Ik vind het een heel mooi initiatief. De initiatiefnemers waren de heer Van 't Wout en de heer Heerma en het is daarna overgenomen door Wiersma, Heerma en mevrouw Palland. Ik heb de academie zelf mogen openen in mijn eerste halfjaar als minister. Dat was veel te veel eer, want ik had er niks aan gedaan, maar ik mocht wel het lint doorknippen. Dat is dan het voorrecht van minister zijn. Ik vind het heel interessant. Ik heb vorig jaar ook de diploma's mogen uitreiken en ik heb ook mogen zien hoeveel perspectief en kansen mensen krijgen en hoe blij mensen ervan worden. Dus ik sta daar heel erg sympathiek tegenover. Tegelijkertijd vind ik het ook netjes om te kijken: wat is het effect, levert het ook effect op voor onze belastingcenten die we erin stoppen? Dus die vragen zullen we wel netjes aflopen. Dat beeld geven we ook aan uw Kamer. We zullen dit naar uw Kamer toesturen, omdat ik weet dat uw Kamer ontzettend geïnteresseerd is in deze Ambachtsacademie.

Een kleine correctie: de financiering stopt alleen ten aanzien van dit specifieke project. Voor een ander project, Leven Lang Ontwikkelen, loopt de financiering voor de Ambachtsacademie tot 2023. Dus dat heeft iets langer de tijd. Maar we zullen uw Kamer daarover informeren, wetende dat er bij heel veel partijen heel veel sympathie voor is.

Dan, als allerallerlaatste, de vraag van de heer Stoffer. De laatsten zullen de eersten zijn, zo citeer ik uit Mattheus, hoofdstuk 20. De heer Stoffer stelde een vraag over het niet verder vergroten van de kloof tussen een- en tweeverdieners. Laat ik hem even afpellen. De heer Stoffer noemt één specifiek voorbeeld, over €40.000, kan ik me herinneren. Maar over het algemeen zijn de verschillen in gemiddelde belastingdruk tussen een- en tweeverdieners een stuk minder groot. Tot een modaal inkomen is de belastingdruk vrijwel gelijk. Dat wil niet zeggen dat er geen verschillen zijn. Het kabinet heeft de fiscale behandeling tussen een- en tweeverdieners meer in evenwicht gebracht, bijvoorbeeld door het vlakkere tarief in het tweeschijvenstelsel, waarmee echt de stap is gezet om die verschillen te verkleinen. Het maakt dan bijvoorbeeld minder uit of het gezinsinkomen met één of twee personen wordt verdiend. Ook heeft het kabinet de pieken in de marginale druk aangepakt, waarmee eenverdieners soms te maken krijgen.

Tot slot trekken we, ook op aandringen van onder andere de heer Bruins, als kabinet 150 miljoen uit voor verhoging van het kindgebonden budget voor grote gezinnen, om daarmee ook die verschillen te verkleinen.

De voorzitter:
Dan heb ik hier mevrouw Van Brenk en mevrouw Nijkerken-de Haan.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik was niet zo enthousiast over het antwoord dat ik schriftelijk kreeg van de minister. Dat gaat over de aanvullende inkomensondersteuning ouderen, de AIO. Het antwoord is dat we een onderzoek krijgen, dus over de Sociale Verzekeringsbank, het UWV, de uitwisseling, enzovoorts. En al die tijd weten we dat een heleboel mensen dit nodig hebben en het eigenlijk niet weten. Dus hoelang gaat dit nou duren, hoe kunnen we nou zorgen dat de urgentie er is? Felicitaties voor de Sociale Verzekeringsbank, een uitvoeringsorganisatie, zijn hartstikke mooi, maar het is nu nodig om mensen te helpen, vooral deze mensen.

Minister Koolmees:
We hebben hier drie weken geleden een debat over gehad in uw Kamer, in de Oude Zaal. Toen ging het ook over de AOW voor Surinamers, bijvoorbeeld. Ook daar heb ik uit de doeken gedaan wat we allemaal aan het doen zijn om het niet-gebruik van de AIO terug te dringen. Dan gaat het over gerichte informatievoorziening en over mensen die bij de AOW-aanvraag worden gewezen op het bestaan van de AIO. Maar we hebben geconstateerd dat dat niet voldoende is. We moeten meer doen om het niet-gebruik tegen te gaan, dus zijn we samen met, zeg ik uit mijn hoofd, SVB, UWV en de gemeenten in touw om de databestanden te gaan koppelen om dit beter vorm te geven. Daar zijn we hard mee bezig. De precieze details weet ik niet, maar ik heb wel richting uw Kamer laten weten wat we doen om het niet-gebruik tegen te gaan.

De voorzitter:
Ik wilde naar mevrouw Nijkerken-de Haan gaan, maar u heeft een zesde vraag, mevrouw Van Brenk?

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ja, ik hou ze ook bij.

Minister Koolmees:
Straks heeft u geen vragen meer voor de heer Van 't Wout.

De voorzitter:
Nee, maar zij is heel erg op u gesteld.

Minister Koolmees:
O, oké. Sorry, meneer Van 't Wout.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Wij hebben een band. We komen er openlijk voor uit.

Voorzitter. Het kan zijn dat de ambtenaren mijn tekst verkeerd begrepen hebben, maar de reactie die hier staat is behoorlijk kinderachtig. Ik wilde een reactie van deze minister op de brief van de Landelijke Cliëntenraad. Ik had erbij gezegd: dat mag ook schriftelijk. En de reactie is: vanzelfsprekend zal het kabinet de brief van de LCR schriftelijk beantwoorden. Ja, dat is leuk, maar ik wilde ook de antwoorden weten. Dus gaan die nog komen, of krijgen we die in de tweede termijn?

De voorzitter:
Misschien kan dat in de tweede termijn?

Minister Koolmees:
Als wij een antwoord geven aan de LCR, wil ik daar best een afschrift van sturen, als u dat vraagt. U wilt nu een antwoord? Dat moet dan even in de tweede termijn.

Mevrouw Nijkerken-de Haan (VVD):
Ik denk dat het aan mij ligt en wellicht had ik de vraag bij het eerste blokje moeten stellen. Ik weet dat deze minister veelvuldig in overleg is met zijn collega van Belastingen. Ik denk dat u misschien wel iedere dag met hem spreekt. Ik zou heel graag de toezegging van deze minister krijgen dat het volgende heel hoog op de overlegagenda staat. Dat betreft duidelijkheid voor dga's over de regeling rondom het gebruikelijke loon maar ook duidelijkheid voor werkgevers en werknemers over de werkkostenregeling en reiskostenvergoeding. Het is nog zes weken tot 1 januari en het is heel belangrijk dat die duidelijkheid er snel komt.

Minister Koolmees:
Inderdaad. Er zijn twee trojka's, de grote trojka en de kleine trojka. Het contact met de kleine trojka verloopt voorbeeldig. We spreken elkaar inderdaad dagelijks. In de schriftelijke set stond inderdaad dat we dit meenemen. Ik denk dat we daarop moeten terugkomen in de brief die we eind november of begin december zullen sturen.

De voorzitter:
Prima. De heer Stoffer, maar ik zie ook de heer Van Weyenberg.

Minister Koolmees:
Ik verklap altijd te veel.

De voorzitter:
Nee, het gaat prima. Liever te veel dan te weinig, qua informatie dan.

De heer Stoffer (SGP):
Het gaat wel vooruit bij D66 als ze bij deze debatten zelfs uit de Bijbel citeren. Dat was prachtig. Het vervolg van die tekst is overigens "velen zijn geroepen, weinigen uitverkoren". Maar goed, ...

Minister Koolmees:
Het wordt een soort Segersje. Zijn citaat van Elsschot was "tussen droom en daad staan wetten in de weg en praktische bewaren".

De heer Stoffer (SGP):
Maar goed, eigenlijk wil ik het over iets heel anders hebben, namelijk over rouwverlof. Op mijn vraag daarover kreeg ik in de schriftelijke beantwoording een antwoord. Het is heel goed dat de minister meer onderzoek gaat doen, maar collega Smeulders en ik zouden heel graag het volgende zien. Er zit een lacune in kennis. Daarover zijn we het eens, vandaar dat onderzoek. Wij zouden graag zien dat dat ook leidt tot het oprichten van dat expertisecentrum, niet als gevolg van dat onderzoek, maar om dat onderzoek echt goed body en vorm te kunnen geven. Volgens mij versnel je het daarmee. Mijn vraag is: ziet de minister die versneller niet gewoon heel erg zitten?

Minister Koolmees:
Nu overvraagt u mij een beetje. Vindt u het goed als ik daar in tweede termijn op terugkom? Ik weet dat we TNO gaan vragen om vragen toe te voegen over rouwverlof. In reactie op de motie van de heer Smeulders en u hebben we ook een handreiking ontwikkeld voor werkgevers, zodat ze hier beter mee om kunnen gaan. Bij "een expertisecentrum" gaat bij mij geen belletje rinkelen. Daarop moet ik straks terugkomen.

De heer Stoffer (SGP):
Ik zal het kort maken. We hebben een motie in voorbereiding en die dienen we in. Als de minister straks oordeel Kamer geeft, dan vind ik dat een uitstekende reactie in tweede termijn.

De voorzitter:
Oké. Dan ga ik naar de heer Van Weyenberg.

De heer Van Weyenberg (D66):
Ik zit nog op twee punten te kauwen na de beantwoording. Die punten staan los van het laatste blokje. Het eerste punt betreft datgene wat ik de minister hoorde zeggen over steun die ik had gevraagd voor artiesten en beroepssporters met een arbeidscontract dat lijkt op een fictief dienstverband. Er werd doorverwezen, maar ik hoop dat er bij de uitvoering van de motie van de ChristenUnie rondom sekswerkers ook echt wordt gekeken wat we extra kunnen doen. Het doel van die motie is ook om iets extra's te doen. Mijn eerste vraag zou zijn: kunnen we dit gebruiken om voor de groep van bijvoorbeeld musici ook wat te regelen?

Minister Koolmees:
De staatsecretaris gaat daar zo meteen iets over zeggen. Uit mijn hoofd gaat dat vaak over gemeentelijk maatwerk.

De heer Van Weyenberg (D66):
Ik ben niet kieskeurig in wie de vraag beantwoordt, als er maar iets wordt gedaan. Mijn tweede vraag gaat over flexconstructies waarbij in de uitzendsector wordt gedraaideurd met fase a. Dit speelt bij arbeidsmigranten, maar helaas ook breder denk ik. Hierover staat ook wat in de schriftelijke set en mijn zorg in mijn inbreng ging hier ook over. Continu wordt er gedraaideurd. Ook de cao op de uitzendsector is hier niet voor bedoeld. Mensen komen hierdoor nooit in de volgende fase van zekerheid. Dit betreft ook de manier waarop met het uitzendbeding wordt omgegaan. Ik zou eigenlijk graag een toezegging willen dat de minister op dit specifieke punt met opties komt om dit te voorkomen. Ik mag aannemen dat ook de uitzendsector hier heel ongelukkig mee is en hier paal en perk aan wil stellen.

Minister Koolmees:
Dat laatste klopt. Het gaat met name om malafide uitzendbureaus. Dat is dus niet het overgrote deel van de markt, maar een specifiek deel dat continu mensen in fase a houdt. Dat gebeurt vooral met arbeidsmigranten, doordat mensen niet precies weten wat hun rechten zijn en dan eigenlijk worden opgelicht. Uit mijn hoofd staat dit ook in het advies van de heer Roemer. Dat betreft de betere bescherming van arbeidsmigranten. Het komt ook terug in het onderzoek dat we zelf naar de uitzendsector hebben laten uitvoeren. De reactie op het rapport van de heer Roemer komt voor het AO van 15 december, zeg ik uit mijn hoofd. Daar neem ik dit even in mee, als u dat goed vindt.

De heer Van Weyenberg (D66):
Dat is goed. Dan zou ik ook graag manieren terugzien om hier wat concreet wat aan te doen. Ik krijg ook signalen, bijvoorbeeld van FNV, dat zeker fase a helaas breder voorkomt in de uitzendsector. Ik zou dus graag niet alleen willen vragen om dit te doen voor de dingen waarvan duidelijk is dat het gaat om kwaadwillende, malafide uitzendbureaus, maar ook om breder te kijken hoe we kunnen zorgen dat die beoogde betere bescherming vorm krijgt voor mensen die langdurig in de uitzendsector werken.

De voorzitter:
Dank u wel. Voordat ik de staatssecretaris het woord geef, wil ik schorsen voor ongeveer tien minuten. Dan gaan we verder met beantwoording van de vragen. O ja, de amendementen volgen dan ook nog. Dan schors ik nu even voor tien minuten.

De vergadering wordt van 12.13 uur tot 12.24 uur geschorst.

De voorzitter:
Ik geef de staatssecretaris het woord.

Staatssecretaris Van 't Wout:
Dank u wel, voorzitter. Ik ben nu vierenhalve maand staatssecretaris. Het lijkt mij dus goed om ter inleiding uitgebreid terug te blikken. Nee, hoor, ik zal u dat besparen. Ik mag het in totaal negen maanden missionair zijn. In het echte leven kunnen in negen maanden hele bijzondere dingen gebeuren.

De voorzitter:
Zo is dat!

Staatssecretaris Van 't Wout:
Ik doe in ieder geval mijn best om dat ook te doen, maar de mogelijkheden zijn natuurlijk beperkt, zeker als het gaat om structurelere dingen. Alleen al corona verplicht ons natuurlijk om dagelijks heel veel te doen. Ik doe dat met veel plezier. Ik sluit mij helemaal aan bij de complimenten die de minister gaf aan alle uitvoeringsorganisaties en aan onze ambtenaren, die er echt kei-, kei-, keihard aan werken. Ik sluit mij er ook bij aan dat het betekent dat gewoonweg niet altijd alles kan. We vragen heel veel en er wordt heel hard gewerkt.

Voorzitter. Ik wil een paar dingen zeggen over het steun- en herstelpakket, dan over armoede en schulden en dan kort nog een paar dingen over het breed offensief. Die wet gaan we binnenkort gelukkig behandelen; daar ben ik erg blij mee. Dan heb ik nog wat over thuiswerken en dan heb ik nog een blokje met wat overige onderwerpen, wat overigens niks zegt over de importantie van die onderwerpen.

Allereerst het steun- en herstelpakket, met name over de Tozo en over tussen wal en schip vallen. Het is al vaak in deze Kamer gegaan over de partnertoets; ook nu gaat het daarover. Er werd gezegd: het is een versobering. Die is al in de zomer ingevoerd. Het was geen onderdeel van de derde Tozo. Veel partijen zeggen telkens: zet dat ding nou uit. Ik heb vorige week ook samen met de minister een debat in de Eerste Kamer gehad. Ook daar werd die oproep gedaan. Ik heb toen in de Eerste Kamer gezegd: let nou een beetje op, want nog even los van hoe je inhoudelijk naar de partnertoets kijkt, het betekent echt ongelooflijk veel voor de uitvoering als je die er nu weer uit haalt. Zij vragen ook aan ons om dat niet te doen. Ik heb toen ook aan de Eerste Kamer aangeboden om eens even op een rijtje te zetten wat dat betekent als je dit doet. Want het lijkt alsof soms het beeld leeft dat dat ding niet meer bestaat als je ergens een vinkje uitdoet. Dat is niet zo. Samen met VNG en Divosa heb ik daarom dat hele proces beschreven om zo de Kamer inzicht te geven in wat dat betekent. Ik denk echt dat we de capaciteit van gemeenten op dit moment voor andere dingen nodig hebben: voor het begeleiden van mensen naar werk, maar zeker ook als het gaat om zzp'ers, waarvoor we nu extra geld beschikbaar stellen om hen te begeleiden naar een andere baan of misschien om hun onderneming anders in te richten, zodat ze hun geld kunnen blijven verdienen. Ik hecht er echt aan om daar onze energie in te steken.

Dat neemt natuurlijk niet weg dat er mensen zijn die in de problemen komen. Overigens zit dat breder dan zzp'ers die door de partnertoets in de Tozo nu geen steun ontvangen. Dat zien wij zelf ook. Ik ben daarover in gesprek met de gemeenten. Morgen zitten wij weer, zeg ik uit mijn hoofd, aan tafel met hen over die onderwerp. We zoeken namelijk naar een manier hoe je mensen kunt helpen die een forse inkomensterugval en bijvoorbeeld heel hoge vaste lasten hebben, waar ze niet zomaar in één keer vanaf zijn. Ik zie voor me dat dat vooral in de grote steden een probleem kan zijn als je daar een dure huurwoning hebt. Ik heb ondernemers gesproken die dat overkwam. Zij zeiden: ik krijg de Tozo, waar ik heel dankbaar voor ben, alleen huur ik al heel lang een appartement in het centrum van Rotterdam. De minister woont daar, ik woon in een klein dorpje waar het allemaal niet zo duur is, maar een appartement in het centrum van Rotterdam is natuurlijk heel duur. Die ondernemer zei: ik moet daar gewoon binnenkort uit, want ik kan het niet meer betalen. Maar in een stad als Rotterdam heb je ook niet zomaar een andere woning. Dat is zo'n situatie waar we willen kijken wat we daar kunnen doen. Dat zal echt maatwerk zijn, dat vraagt ook om heel veel gepuzzel over de precieze uitvoering ervan. Maar je kunt dat ook niet eindeloos blijven doen. Maar neem van mij aan dat we daar echt heel serieus naar aan het kijken zijn. We hebben natuurlijk al in het steun- en herstelpakket extra geld opgenomen voor de bijzondere bijstand, die gemeenten in zichzelf al ruimte biedt om op dit soort dingen te acteren. Misschien is dat een route, misschien is er nog een andere route. Maar ik ben echt intrinsiek gemotiveerd om hier wat aan te doen. Wij zullen — ik geloof dat de minister dat ook al heeft gezegd — in de brief van eind november/begin december de Kamer laten weten hoe we dat voor ons zien en hoe we dat aan gaan pakken. Dat is niet gemakkelijk, maar we willen het wel. Dat was even het blokje Tozo.

De voorzitter:
De heer Van Kent heeft een vraag.

De heer Van Kent (SP):
Ik voel natuurlijk enorm mee met al die uitvoeringsproblemen, maar ik voel nog veel meer mee met al die mensen die door de overheid verplicht zijn te stoppen met hun werkzaamheden en vervolgens tevergeefs aankloppen voor hulp. Ik vraag de staatssecretaris een oplossing te bedenken voor die uitvoeringsproblemen. De SP heeft als tussenoplossing voorgesteld een partnertoets te gaan doen op bijvoorbeeld anderhalf keer modaal. Ik begrijp dat daar ingewikkelde regelingen achter vandaan kunnen komen. Maar het afschaffen van de partnertoets is natuurlijk bijzonder eenvoudig. Want dat betekent dat de gemeenten geen toets meer hoeven te doen. Dat is niets nieuws, het is geen nieuw plan dat de SP hier lanceert, het zat al in het eerste steunpakket. Dit gaat voor duizenden en duizenden mensen echt het verschil betekenen tussen steun van de overheid als een offer brengen voor ons allemaal, en voedselbanken en loonbeslag. Ik doe echt een oproep aan de staatssecretaris: kijk niet alleen naar de problemen en de onmogelijkheden, maar vind een oplossing voor deze mensen.

Staatssecretaris Van 't Wout:
Eén: natuurlijk voel ik, net als de heer Van Kent, in de eerste plaats mee met de mensen waar het hier over gaat. Wij allemaal zullen ze kennen in onze eigen omgeving. Dat zijn echt meer dan kille macrocijfers voor ons allemaal. Natuurlijk voel ik daar enorm in mee. Dat zijn vaak mensen die jarenlang een florerende onderneming hebben gehad en in één keer van de ene op de andere dag dicht moeten. Door de overheid, maar eigenlijk door dat virus. Bijna iedereen die ik spreek in die situatie — en dat vind ik ook heel bijzonder — zegt: ik vind het vreselijk maar ik snap het, want ik voel ook die verantwoordelijkheid. Ik vind dat zeer te prijzen, maar het blijft vreselijk voor je onderneming. Ik blijf erbij dat ik vind dat u te makkelijk praat over de partnertoets. Ik heb een brief van twee à drie pagina's aan u geschreven over waarom dat nu niet kan en waarom ik vind dat we de gemeenten juist de ruimte moeten geven om deze mensen te helpen. Daar moeten ze hun energie in steken. Ik ben op zoek naar een manier hoe we deze gevallen ... Dat zal naar mijn inschatting breder zijn dan alleen degenen die door de partnertoets geen Tozo meer krijgen. Zelfs mensen die de Tozo wel gekregen hebben, kunnen hier een probleem mee krijgen, want uiteindelijk is het een uitkering op bestaansminimumniveau. Als je gewend was om €4.000 of €5.000 te verdienen en je terugvalt naar €1.000, dan is dat nog steeds een enorme klap. Wij zijn echt heel hard aan het zoeken naar hoe we die mensen kunnen bereiken en naar wat we daaraan kunnen doen. Ik kom daar bij u op terug in november of december.

De voorzitter:
Gaat u verder. O, mevrouw Palland.

Mevrouw Palland (CDA):
Mijn vraag gaat ook over de Tozo, maar dan over een ander aspect daarvan: de grensondernemers. Wij hebben in de schriftelijke beantwoording — dank voor de informatie die daarin met ons als Kamer is gedeeld — gelezen dat de Commissie van oordeel is dat de Tozo niet onder de coördinatieverordening valt. Het kabinet heeft de Europese Commissie daarvan weten te overtuigen, want de Commissie dacht dat eerder wel. Blijkbaar denkt ze daar nu anders over. Maar er zijn aanvullende vragen gesteld over de vrijheid van vestiging. Ik ben zo benieuwd hoe het kabinet hierop gaat reageren en of de Kamer daar ook inzage in kan krijgen. Hoe worden wij op de hoogte gehouden van het vervolg van deze discussie?

Staatssecretaris Van 't Wout:
Ik kreeg gisteren of dinsdagavond na ons debat het antwoord van de Europese Commissie op mijn bureau. Ik vond het netjes om dat gelijk aan u en aan de Eerste Kamer te zenden, want daar heeft uw partijgenoot er ook naar gevraagd. U heeft gelijk. Over het eerste aspect van de discussie, waar we het de hele tijd over hebben gehad, zegt de Europese Commissie: we zijn overtuigd door de zienswijze van Nederland, maar wij hebben daarbij nog een vraag. Gun ons even de tijd om daar echt een heel zorgvuldig antwoord op te formuleren. Ik ben maar een eenvoudige gesjeesde historicus en hier zitten hele ingewikkelde juridische vragen achter. Ik ben van harte bereid om ook dat weer met uw Kamer te delen, want er is niks te verbergen. Wij hebben die dialoog met de Commissie en ik ken uw betrokkenheid hierbij.

De voorzitter:
Goed. Gaat u verder.

Staatssecretaris Van 't Wout:
Voorzitter. Er zijn een aantal vragen gesteld door meerdere Kamerleden over de aanpak jeugdwerkloosheid. We hebben in de schriftelijke beantwoording nog eens uitgebreid op een rij gezet wat we allemaal doen en met welke bedragen. Ik proefde bij de Kamer een beetje het gevoel: hoe weet je nou of dat echt gaat werken? Dat is eigenlijk een beetje dezelfde discussie als die we daarstraks hadden over de arbeidsmarktregio's: zorg dat het gaat lopen. We hebben eerder een aanpak jeugdwerkloosheid gehad. We weten wat de meest effectieve maatregelen zijn en daar hebben we nu ook voor gekozen. Zo hoop ik te borgen, zoals we bij alle onderdelen van dit pakket willen, dat het geld vrijmaken niet gaat zitten in vergaderen, logo's en briefpapier, maar in het helpen van jongeren, want deze groep wordt ongelofelijk hard getroffen op dit moment.

Voorzitter. Dat waren voor mij de onderdelen die het steun- en herstelpakket betreffen. Ik zou nu graag een aantal dingen willen zeggen over armoede en schulden. Het hele schuldendossier, dat onder mij valt, is een van de dossiers waarop ik zeer gemotiveerd ben. Dat komt vooral door de campagne die wij op dit moment voeren om mensen op te roepen om zich vroeg te melden. Ik heb het niet bedacht, maar er is heel mooi bedacht om mensen in te zetten om hun verhaal te vertellen die dit zelf hebben meegemaakt of er nog in zitten. Ik spreek veel van die ambassadeurs. Dat zijn ongelofelijk indringende verhalen. Tegen iedereen die denkt "je komt alleen in de schulden als je zelf totaal onverantwoord bezig bent" zou ik willen zeggen: ga alsjeblieft eens op die site kijken en lees de verhalen van die mensen, want dan weet je dat dit ons allemaal kan overkomen. Dit zijn hele trieste en indringende verhalen. Ik vind het geweldig dat die mensen ze met ons willen delen, want het is nogal wat om die verhalen te vertellen. Ik hoop vooral dat het helpt, want we weten één ding: we doen heel veel, we kunnen heel veel, maar mensen melden zich vaak pas heel laat voor hulp, en dan is wat in het begin misschien een klein probleem was, in een keer een heel groot probleem geworden.

De heer Peters vroeg hoe het zit met zo'n opkoopfonds. Hij vindt dat een interessant idee. Dat kan een interessant idee zijn. Wij werken nu veel samen met Schuldenlab. Dat is een geweldig instituut, waar wij laatst een schuldenpact mee hebben mogen tekenen. Dat kijkt nu of daar draagvlak voor is en wat de voor- en nadelen zijn. Daar wordt dus serieus naar gekeken. Dat is nog niet zo eenvoudig, maar dat wordt dus onderzocht. Ik wilde net een Bijbelse uitspraak doen, maar de heer Stoffer is er nu niet, dus die bewaar ik nog even voor een ander moment.

De leden Peters en Bruins vroegen naar de hoge rentes die commerciële bedrijven mogen rekenen bij kredieten. Dat is ons terecht allemaal een doorn in het oog, zeker als je in artikelen leest hoe dat soms gaat. Wat ik zelf redelijk idioot vind, is dat sommige bedrijven verdienen op de kredietverlening in plaats van op de spullen die ze verkopen. U weet dat de kwestie van die rente bij de minister van Financiën ligt. Die is verlaagd van 14% naar 10%. Daarbij zoek je ook naar een balans tussen consumentenbescherming en verkeerde prikkels die daaruit voort kunnen komen, want ook bij een lage rente loop je een risico, namelijk dat mensen weer meer gaan lenen. De minister van Financiën is daarnaar aan het kijken. Als ik het goed heb, is het streven om voor 1 maart een besluit voor een structurele beslissing hierover te nemen. Volgens mij zit dat ook in het plan van ChristenUnie en Partij van de Arbeid.

De voorzitter:
Was u klaar met dit onderdeel?

Staatssecretaris Van 't Wout:
Nou, ik zag de heer Bruins hiernaartoe lopen.

De voorzitter:
Ik ook.

Staatssecretaris Van 't Wout:
Wat de hoge rentes betreft, was dit het.

De voorzitter:
Maar ook ...

Staatssecretaris Van 't Wout:
Nee, ik heb nog een paar puntjes over armoede en schulden.

De voorzitter:
De vraag was ook of bijstand en minimumloon hieronder vallen. Dat weet ik niet.

Staatssecretaris Van 't Wout:
Daar zal ik wel wat over zeggen, alhoewel het minimumloon op zichzelf bij de minister zat. Maar ik ga dat wel even proberen.

De voorzitter:
U moet opletten, meneer Jasper van Dijk. Dan stel ik voor dat de staatssecretaris eerst een paar vragen beantwoordt. Daarna ga ik naar de heer Bruins, de heer Gijs van Dijk en de heer Peters.

Staatssecretaris Van 't Wout:
Dan kom ik nu toevallig bij de heer Jasper van Dijk in dit rondje. Ik denk dat ik in dat kader ook wel wat kan zeggen over het minimumloon en alles wat daarmee samenhangt. De heer Van Dijk refereerde onder andere aan het rapport van het Nibud dat we onlangs hebben ontvangen. Volgens mij sprak hij gisteren ook warme woorden over het Nibud als belangrijk instituut. Dat onderschrijf ik. Ze helpen ons overigens ook met heel veel dingen, waar ik ze zeer dankbaar voor ben. Ik kan doen, wat ik nu kan doen. Ik heb het dan vooral over de bijstand, die onder mij valt. In deze kabinetsperiode zetten we daarin echt een aantal stappen, specifiek voor kwetsbare groepen. Ook de koopkrachtontwikkeling van de bijstand zit in deze kabinetsperiode telkens in een plus. Misschien minder dan je zou willen, maar het is de hele tijd wel een plus. In de augustusbesluitvorming wordt daar altijd naar gekeken. Mijn ervaring is ook dat er bijna geen kabinetten zijn geweest die daar een min hebben veroorzaakt. Daar zit dus altijd al een correctiemechanisme in. De minister benoemde ook wat wij, onder meer op aandringen van de heer Bruins, hebben gedaan met het kindgebonden budget voor het derde kind. Daarvan heeft ook het Centraal Planbureau gezegd dat dat een hele effectieve manier is om armoede te bestrijden. Dat betekent financieel ook echt veel voor gezinnen. Want juist de gezinnen met veel kinderen blijken extra kwetsbaar te zijn voor armoede.

Gisteren had ik bijna het gevoel alsof ik het eerste grote verkiezingsdebat bijwoonde en de heer Jasper van Dijk al zo'n beetje de formateur van het nieuwe kabinet geworden was. Ja, daar zijn we altijd toe bereid. Maar ik sluit aan bij het volgende. Ik denk dat de heer Van Weyenberg daar een goede analyse van gaf. Als het gaat om salarissen, om loon, dus ook minimumloon, en om besteedbaar inkomen, werd terecht gerefereerd aan de Rabobank. Toen ik nog Kamerlid was, heb ik daar zelf ook al eens over gesproken. Er is een stilstand in de portemonnee, terwijl de economie groeit. Die link moet hersteld worden. Maar dat hangt wel allemaal met elkaar samen. Ook de hele toeslagendiscussie hangt daarmee samen. Mijn handen jeuken over van alles en nog wat, maar laten we even reëel zijn over wat er kan. Wij zijn op al die gebieden ook allemaal onderzoeken aan het klaarleggen voor de formatie. Ik zeg erbij dat dit echt geen eenvoudige klus gaat worden en dat dit echt niet iets is wat even binnen een paar jaar gerealiseerd is. Wij doen wat in deze periode nog kan. In het kader van het hele sociale pakket doen we daar een flinke schep bovenop. Verder vind ik de hele discussie die eergisteren gevoerd werd, heel interessant en heel relevant — Borstlap hoort daar ook nog bij — maar dat is echt aan een volgend kabinet.

De voorzitter:
Was u klaar met dit onderdeel?

Staatssecretaris Van 't Wout:
Rondom het minimumloon heb ik maar even wat meer context gegeven omdat die volgens mij ook van belang is.

De voorzitter:
Meneer Bruins, waar bent u? Ah, daar. Na u komen nog de heren Gijs van Dijk, Peters en Jasper van Dijk en mevrouw Van Brenk.

De heer Bruins (ChristenUnie):
Dank aan de staatssecretaris voor de beantwoording over de woekerrentes. De minister van Financiën gaat hierover. Hij heeft afgelopen week op tv bij RTL Z gezegd dat we even wat onderzoeken moeten afwachten, want rentes moeten ook weer niet te laag zijn. Lenen moet immers niet te aantrekkelijk worden. Dus er zit ergens een optimum. Daar zijn we met z'n allen naar op zoek: wat is nou verstandig? Maar de minister van Financiën heeft ook op tv gezegd: ik kan me zomaar voorstellen dat we deze tijdelijke verlaging permanent gaan maken. Kunnen we dan toch niet een extra stap zetten, nu we weten hoe Financiën erover denkt, en niet meer teruggaan naar dat absurd hoge percentage van 14%?

Staatssecretaris Van 't Wout:
We moeten hierbij echt even de rollen zuiver houden: ik moet doorverwijzen naar de minister van Financiën. Ik heb dat tv-fragment met hem niet gezien. Mijn informatie is dat het streven is om hier voor 1 maart een besluit over te nemen. Ik vind er van alles van, maar het is niet aan mij. Ik verwijs u echt door naar de minister van Financiën.

De voorzitter:
Dan ga ik naar de heer Gijs van Dijk en daarna naar de heer Peters.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):
Mijn vraag gaat over schulden. Het is echt verschrikkelijk om in de schulden te zitten. We hebben veel te veel mensen in Nederland in de schulden, dus we moeten heel veel mensen eruit gaan helpen. Een van de dingen die kunnen helpen — het CJIB doet dat al — is een noodstopprocedure. Die geeft mensen even rust omdat ze even die schulden niet hoeven te betalen. Is de staatssecretaris bereid om dat uit te breiden naar andere publieke en semipublieke instellingen?

Staatssecretaris Van 't Wout:
Ja, daar zijn we naar aan het kijken, ook bijvoorbeeld in het schuldenpact. Je ziet ook gemeentes dat doen, bijvoorbeeld Amsterdam. Wethouder Moorman heeft er een ingevoerd. Ik had onlangs een bijeenkomst, ook met koningin Máxima, die veel voor Schuldenlab doet en bij het schuldenpact aanwezig was. Het mooie is dat de Belastingdienst zich daarbij heeft aangesloten om mee te helpen. We zijn hier dus heel druk naar aan het kijken. De heer Van Dijk weet ook heel goed dat het vaak niet alleen gaat om financiële problematiek, maar op een gegeven moment ook om totale stress, die verlammend werkt. Ik heb ze hier niet paraat, maar ik heb onlangs de getallen gezien hoeveel brieven er heen en weer gaan in zo'n schuldentraject. Dan kan het helpen om mensen even adem te geven om te beginnen met een oplossing van het probleem.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):
Dat is goed om te horen. Wat fundamenteler zien we — het Nibud zegt dat ook — dat het bestaansminimum in Nederland gewoon te laag is. De lasten zijn veel te hoog, bijvoorbeeld als je in de bijstand zit. Maar ook het minimumloon is te laag. Ik begrijp de staatssecretaris in deze rol, en het is nog maar een paar maanden tot de verkiezingen. Maar hij heeft ook nog een andere rol bij de VVD, die hij al wat langer vervult. Hij heeft namelijk ook aan het verkiezingsprogramma geschreven: warm rechts. Ik begrijp de verschillende verantwoordelijkheden, maar ik vind dat programma — dat heb ik al tegen mevrouw Nijkerken-de Haan gezegd — niet zo warm rechts. Ja, het is leuk van het minimumloon, die 10% — dat moet natuurlijk veel meer zijn. Maar aan de andere kant wordt de bijstand niet verhoogd. Sterker nog, die gaat de komende jaren omlaag. Het ontslag wordt versoepeld. De tegenprestatie, die door wordt verafschuwd, wordt gewoon weer opgeschreven door de VVD. Kan deze staatssecretaris daar eens een beschouwing op geven?

Staatssecretaris Van 't Wout:
Dat doe ik graag, maar dan organiseren we een keer een verkiezingsdebat, want ik sta hier als staatssecretaris. Dat ga ik nu niet doen. Maar ik kom wel een keer langs bij jullie.

De heer Peters (CDA):
Ik heb nog overwogen of ik als zware jongen wel bij deze microfoon moet gaan staan.

De voorzitter:
Nou, de middelste past heel goed.

De heer Peters (CDA):
Die past wel bij mij, ja. Ik wilde reageren op het kopje vroegsignalering. Ik wil aan de staatssecretaris vragen wie hij denkt dat als allereerste doorheeft dat iemand betalingsproblemen heeft. Ik zal het antwoord geven: dat is de bank. Die kan zien of u rood staat en of u betalingsproblemen heeft. Nou snap ik dat zo'n bank niet de gemeente mag bellen en zeggen: kijk, meneer Peters heeft betalingsproblemen; ga daar eens naartoe. Maar ik zou wel willen vragen of de staatssecretaris bereid is om met banken in het algemeen in overleg te gaan om te kijken of zij niet de cliënt kunnen bellen en zeggen: er is een gemeente, en die is er ook voor u.

Staatssecretaris Van 't Wout:
Volgens mij gebeuren dit soort dingen al, maar laat me dat even checken. Dan kom daar bij u op terug. Zelf ben ik in ieder geval breder aan het kijken hoe we niet alleen bij banken, maar op allerlei plekken waar zou kunnen opvallen dat mensen betalingsproblemen hebben, er zo vroeg mogelijk bij kunnen zijn en mensen kunnen wijzen op de hulp die er is. Denk aan het onderwijs of de spreekkamer van de huisarts. Ik ben zelf in gesprek met MKB-Nederland. Zij kwamen zelf bij mij — dat vond ik heel mooi — en zeiden: "Zeker als kleine werkgever kennen wij ons personeel heel goed en hebben wij vaak heel snel in de gaten dat er wat speelt. Die mensen komen bij elkaar op familiefeesten enzovoort. Maar ondernemers vinden het dan best moeilijk hoe je zo'n gesprek aanpakt en waar je iemand naar doorverwijst." Op dat punt zijn we iets aan het ontwikkelen. Ik ben heel blij dat MKB-Nederland dat doet. Zo zie je ook de sociale betrokkenheid van ons midden- en kleinbedrijf. Zo doen we het dus op tal van manieren. Ik moet me even bij laten praten over waar we met banken staan, maar het lijkt mij ook een logische vindplek om dit te signaleren, want daar zie je hoe het met de rekeningen gaat.

De voorzitter:
Gaat u verder. O nee, mevrouw Van Brenk. De heer Jasper van Dijk en mevrouw Van Brenk. Sorry. De heer Jasper van Dijk en dan mevrouw Van Brenk.

De heer Jasper van Dijk (SP):
De staatssecretaris noemde mij al formateur van een nieuw kabinet als het ging om het minimumloon. Wie ben ik om dat tegen te spreken? Mijn dag kan niet meer stuk.

Staatssecretaris Van 't Wout:
Informateur, zei ik.

De voorzitter:
Informateur.

De heer Jasper van Dijk (SP):
Ik hoor wat gerommel in de marge. De minister heeft het over het kabinet-Van Dijk I. Ik ga nu echt blozen.

De voorzitter:
Dat ging over Gijs van Dijk.

(Hilariteit)

De heer Jasper van Dijk (SP):
Voorzitter, u bent neutraal, hè? Ik stel voor dat we even schorsen. Ja, en nu gaat het zeker over Tony van Dijck, hè?

De heer De Jong (PVV):
Precies. Tony van Dijck.

De voorzitter:
Zo is dat.

Staatssecretaris Van 't Wout:
Het wordt een beetje the masked formateur zo.

De voorzitter:
Met de Van Dijken.

De heer Jasper van Dijk (SP):
Al die bewindspersonen in het volgende kabinet moeten dus verplicht Van Dijk heten, hè?

Goed. Terug naar de inhoud. Ik vind het altijd heel leuk als een plan dat je hebt gemaakt met veel inspanning wordt uitgevoerd. Maar in dit geval vind ik het helemaal niet erg als de staatssecretaris het gras onder mijn voeten wegmaait. De staatssecretaris kan net als ik vaststellen dat er een Kamermeerderheid is die een verhoging van het minimumloon wil. Nu heb ik in de schriftelijke antwoorden gelezen dat ze dat niet willen, omdat ze alles integraal willen bekijken, ook in verband met de toeslagen en andere zaken. Maar in normaal Nederlands staat er: "We hebben er geen trek in. Wij kieperen dit over de schutting. Het volgende kabinet mag dit gaan oplossen." Ik geef de staatssecretaris de vloer en ik zeg: grijp nou uw kans. U heeft een meerderheid van de Kamer achter u staan. Maak nu een voorstel om het minimumloon per 1 januari aanstaande te verhogen. Wilt u dat doen?

De voorzitter:
Het woord is aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Van 't Wout:
Ik word steeds enthousiaster over de heer Van Dijk als informateur, want als hij mij daar straks zo'n rol gaat geven, zie ik daar zeer naar uit: "Maakt u maar een plan, meneer Van 't Wout". Ik heb hier net echt al wat over gezegd. U zegt dat er een Kamermeerderheid is. Ik hoorde meerdere Kamerleden zich hier gisteren ook aansluiten bij mijn betoog. Volgens mij zei de heer Peters dat ook al. Hij zei: "Ik zie de moties op dit terrein natuurlijk al aankomen, maar ook voor ons is dat een breder vraagstuk." Daar sluit ik me echt bij aan. Hoe sympathiek ik het op zichzelf ook vind, het moet in een bredere context en ik denk niet dat het verstandig is om dit nu in één keer te doen zonder al die andere dingen. Dat geldt zeker in een coronatijd. Daar zul je je ook nog rekenschap van moeten geven: we hebben ook gewoon een groot probleem in Nederland, met name voor kleine bedrijven. Ook de druk en de kosten die het werkgeverschap met zich meebrengt, zul je allemaal mee moeten nemen. We zien uit naar de formatie, wanneer dat samen kan komen. Dan kan de SP nog de hele verkiezingscampagne van dit punt genieten. Dat gun ik u dan weer. En wie weet wat voor mooie zaken we na maart kunnen doen.

De heer Jasper van Dijk (SP):
Dat laatste kan ik niet ontkennen. U dwingt ons om dat te doen.

Staatssecretaris Van 't Wout:
"U dwingt ons"; ik krijg zoveel macht over jullie!

De heer Jasper van Dijk (SP):
Wij zullen de hele campagne moeten voeren over dat minimumloon, omdat de staatssecretaris vandaag weigert om de kans te grijpen. Die bal ligt op de stip. Er is eigenlijk geen keeper. Zelfs de VVD is voorstander van een hoger minimumloon. Hij kan 'm dus gewoon in dat open doel schieten, want als je alles afpelt, zijn alle partijen voor een verhoging van het minimumloon, sec. Het klopt dat partijen van mening verschillen over wat er daarnaast met de koppeling of met de toeslagen gebeurt, maar ze willen allemaal een verhoging van het minimumloon. Als je dat combineert met het feit dat er nu armoede is … Terecht zegt de staatssecretaris dat we juist vanwege corona nu op onze hoede moeten zijn. Ik zeg: juist vanwege corona moeten we nu kijken naar de mensen met de laagste lonen en de mensen in de bijstand. Dat zou dus juist extra urgentie moeten geven om nu bij elkaar te gaan zitten. Laat ik dan als laatste voorstellen: is de staatssecretaris bereid om met de voorstanders van een hoger minimumloon te kijken wat er toch op korte termijn al gedaan kan worden? Dat is een voorstel om aan tafel te gaan zitten.

Staatssecretaris Van 't Wout:
Weet je wat mij de ordentelijke weg lijkt? Er zullen hierover vanavond meerdere moties voorbijkomen.

De voorzitter:
Vanavond?

Staatssecretaris Van 't Wout:
Sorry. Nou, ik heb nog wel wat spreektekst. Nee, laten we het op vanmiddag houden.

De voorzitter:
Ja, prima.

Staatssecretaris Van 't Wout:
Excuses. Laten we eens kijken wat daarover de stemmingsuitslag is en wat de eventueel daaruit voortvloeiende opdrachten aan het kabinet zijn.

De voorzitter:
Ik verwacht iets vanuit de richting van de heer Jasper van Dijk.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik maak wel even bezwaar tegen de "dijkverzwaring" die we hier net massaal gehad hebben, maar ik wil met de staatssecretaris toch even het punt doornemen over de koopkracht van de bijstandsgerechtigden. Hij zegt toch echt dat er zelden een negatief koopkrachtplaatje uit kwam. Maar bij de cijfers staat toch heel duidelijk dat de koopkracht van een bijstandsgerechtigde tussen 2011 en 2018 niet is toegenomen. Dat komt — dan wordt het helaas weer heel erg technisch — doordat de dubbele algemene heffingskorting in het referentieminimumloon van de bijstand stapsgewijs wordt afgebouwd. We maken het met z'n allen steeds gekker hier. Daarom een pleidooi om de belastingen te vereenvoudigen. Daar hebben een aantal partijen voorstellen voor gedaan. Maar ook het Sociaal en Cultureel Planbureau zegt in Kansrijk armoedebeleid dat als gevolg van het reeds ingezette beleid het aantal personen in armoede na 2021 met ruim een kwart toeneemt. Dat ligt ook weer aan de jaarlijkse verlaging van de bijstandsuitkeringen. Dit zouden we met z'n allen toch niet moeten willen? Juist waar de ellende het grootst is, douwen we ze nog steeds verder de ellende in. De vraag is: wij kunnen nu toch met z'n allen afspreken dat we dat niet gaan doen en dat we die steeds verdere verlaging van de bijstand schrappen?

Staatssecretaris Van 't Wout:
Waar ik aan refereerde, zijn de koopkrachtplaatjes die wij telkens hanteren bij de augustusbesluitvorming en de Prinsjesdagstukken. Dat was, zeg ik uit mijn hoofd al heb ik het lijstje hier bij me, +0,4 dit jaar. De minister knikt, dus dan klopt het. Hij is altijd veel beter in cijfertjes dan ik. Het is waar dat in kansrijk armoedebeleid deze belastingmaatregel wordt aangewezen als hebbende ook een effect op de bijstandsuitkering. Daar staat tegenover dat die belastingmaatregel ook weer een ander doel dient. Dat weet u ook. Hier hebben ze sec gekeken naar wat dit betekent voor de uitkeringen.

Ik heb gevraagd: wat kunnen wij nu doen? Wij doen ongelooflijk veel in deze kabinetsperiode. In de vierenhalve maand die mij nog resten en de vijf, zes vergaderweken die de Kamer überhaupt nog heeft, gaat heel veel extra geld naar de gemeenten om deze mensen te ondersteunen.

En er zijn allemaal ingewikkelde vragen over hoe je met het fiscale stelsel moet omgaan. Iedereen is het erover eens dat dat veel te ingewikkeld is. De maatregel die ten grondslag ligt aan de daling van de bijstand, is in zichzelf misschien ook wel een teken van hoe ingewikkeld het belastingstelsel is geworden. Dat heeft, zeg ik uit mijn hoofd, te maken met de positie van een- en tweeverdieners. We willen ook allemaal dat vrouwen meer aan het arbeidsproces deelnemen en dat dat ook loont. Dat is ook een doel dat we met z'n allen hebben. Het is dus een enorme puzzel om al die doelen waarover we het allemaal eens zijn, wat minder tegen elkaar in te laten werken. Maar dat krijg ik echt niet meer opgelost in die verdere vierenhalve maand.

De voorzitter:
Gaat u verder.

Staatssecretaris Van 't Wout:
Voorzitter. Ik zou nog iets zeggen over het breed offensief en de banenafspraken. Ik probeer het een beetje kort te houden, omdat we over volgens mij anderhalve week een wetgevingsoverleg daarover hebben. Er werd gerefereerd aan kritische rapporten daarover. Het breed offensief is daar een eerste antwoord op.

De heer Renkema en anderen vroegen ook nog naar de cijfers van Cedris die naar buiten kwamen. Ik heb u een uitgebreide brief gestuurd. Die laat zien hoe die verschillen kunnen ontstaan: Cedris kijkt naar andere dingen dan de indicatoren die we bij de banenafspraken met z'n allen, ook met Cedris, hebben afgesproken. Maar ik ben het eigenlijk nog veel meer eens met deze woorden van de heer Renkema: laten we niet eindeloos met elkaar een discussie voeren over de meetsystematieken, maar laten we vooral het gesprek voeren over hoe we, zeker in deze tijd, mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt aan het werk houden en — dat het liefst — hoe we nog veel meer mensen die kans geven. Ik heb, en dat was niet per se naar aanleiding van het Cedrisrapport want ik was dat al voornemens, alle betrokken partijen, de sociale partners, uitgenodigd om nog dit jaar met elkaar om tafel te gaan zitten om te kijken wat op de korte termijn nodig is om mensen hun plek te laten houden. Daar hebben we overigens ook extra geld aan uitgegeven. Het zou namelijk doodzonde zijn als dat weg zou vallen. Vaak is het een heel lang traject geweest om mensen in staat te stellen dit te doen. We weten ook dat, als zij daar weer uit vallen, de terugval vaak heel groot is en dat het weer heel lang duurt voordat mensen weer op het niveau zijn waarop ze nu zitten. We doen daar nu als kabinet al wat aan. Ik ga dat gesprek met alle betrokken partijen aan.

Verder ben ikzelf nog bezig — gezien de korte tijd, maar ook een beetje in dit kader en overigens ook in het kader van de bijstand — met wat we kunnen doen aan de vele multiproblematiekgezinnen. We zien dat in het sociale domein, met name in de bijstand, er bij heel veel mensen een overlap is van jeugdzorg en ggz-zorg. Er zijn voorbeelden van gezinnen, en we kennen de plaatjes daarvan allemaal, waar heel veel hulpverleners omheen zitten en waar dus ook heel veel geld naartoe gaat, soms wel meer dan €100.000 naar één gezin. Het eerste trieste is dan: die mensen worden niet geholpen. En het tweede trieste is dat dit gewoon ook een verspilling van middelen is. Met bijvoorbeeld de Doorbraakmethode, maar ook met een traject dat ik samen met staatssecretaris Blokhuis doe, proberen we om de ggz-hulpverlening en de, zoals ik het maar even noem, bijstandhulpverlening, dus de hulp om mensen weer aan het werk te krijgen, veel beter op elkaar aan te laten sluiten. Er zijn namelijk ook enorme overlappen van ggz-zorg en mensen die in de bijstand zitten. Dat proberen we allemaal zo veel mogelijk op te schalen. We proberen daar met al deze pilots en initiatieven een bijdrage aan te leveren. Ik denk dat daar voor de lange termijn een enorme winst is te behalen voor Nederland, voor de mensen zelf en uiteindelijk ook voor de budgetten. Als je die budgetten daar niet hoeft uit te geven, kun je die natuurlijk ook weer beter inzetten voor andere dingen. Dat is ook weer ingewikkeld, want in the end is het probleem eigenlijk altijd dat de investering uit het ene potje en uit de ene wet komt en de opbrengst neerslaat in het andere potje en in de andere wet. Maar hier zijn we naar manieren aan het zoeken waarmee we dat nou eens een keer kunnen doorbreken, want dat moet niet de discussie zijn.

Voorzitter. Dat was nog niet alles, want er ligt ook een initiatief van SP en CDA over de sociaalwerkbedrijven. Dank daarvoor! Ik heb in onze schriftelijke beantwoording ook gezegd dat ik van harte bereid ben om nog eens wat uitgebreider schriftelijk te reageren op dat plan. Ik zal proberen om die reactie richting het AO Armoede en schulden bij u te hebben. Ik vind dit soort initiatiefnota's sowieso altijd te waarderen en ik deel ook in zijn algemeenheid uw enthousiasme over die sociaalontwikkelbedrijven. Mijn allereerste werkbezoek als staatssecretaris was bij WVS in mijn eigen gemeente. Dat is een bedrijf dat dat heel goed doet. Je ziet daar heel mooie voorbeelden. Je hebt dit soort bedrijven in alle soorten en maten, dat weet u natuurlijk ook. Er is geen blauwdruk voor een sociaalontwikkelbedrijf. Het is uiteindelijk iets wat bij gemeenten ligt, maar wij kunnen natuurlijk wel stimuleren dat men van elkaar leert en het enthousiasme over de goede voorbeelden delen.

Er wordt breed gedacht over de toekomst van die sociaalontwikkelbedrijven. Meerdere leden vragen hoe we voorkomen dat in de tussentijd heel waardevolle infrastructuur verdwijnt. Die vraag snap ik. Als we kijken naar de langetermijnfinanciering, zit daar over een aantal jaren een kruising door de afbouw van de sw-plekken, omdat de instroom is gesloten. In het huidige sociaal pakket hebben we ook voor dit jaar extra budget opgenomen — ik zeg uit mijn hoofd 150 miljoen — voor de sw-bedrijven om te voorkomen dat ze door de coronacrisis in de problemen komen. Met Cedris en anderen hebben we afgesproken dat we hier de vinger aan de pols blijven houden. Jaarlijks doen we sowieso de WSW-thermometer. Ik zeg uit mijn hoofd: in het voorjaar. Dan bekijken we hoe het ervoor staat. Dat heeft precies tot doel om het goede niet om te laten vallen, voordat er iets nieuws ontstaat. Kan ik garanderen dat er nergens ooit een sw-bedrijf omvalt? Nee. Dat is uiteindelijk aan gemeenten. Als er ergens een rommeltje van gemaakt wordt, dan kan ik dat ook niet a priori overeind gaan houden. Maar ik snap uw intentie. Voor dit jaar hebben we het geregeld en we hebben de afspraak om hier heel serieus de vinger aan de pols te houden. Dat deden we al. Corona maakt dat natuurlijk alleen maar belangrijker.

De voorzitter:
Was u klaar met dit onderdeel? Ja?

Staatssecretaris Van 't Wout:
Ja, tenminste als het gaat om de sociaalwerkbedrijven. Ik heb nog wat dingen over armoede en schulden, dus zeg maar wat u wilt.

De voorzitter:
Doe maar. Dan krijgt de heer Peters ...

Staatssecretaris Van 't Wout:
Dan ga ik even door. De heer Peters vroeg naar de kostendelersnorm. Onder meer op zijn verzoek hebben wij Significant een onderzoek laten doen naar de relatie tussen dakloosheid en de kostendelersnorm. Hij vroeg mij daarop te reflecteren. Ik zou ook willen zeggen wat ik ermee ga doen, want alleen reflecteren is leuk, maar daar wordt het land niet beter van. Kijk, de kostendelersnorm is natuurlijk nooit bedacht om mensen de dakloosheid in te duwen. Dat is niet de bedoeling. Die is wel bedacht om te voorkomen dat er op één huisadres een stapeling van uitkeringen plaatsvindt, bijvoorbeeld dat er op één huisadres drie bijstandsgerechtigden bij elkaar wonen die per maand veel meer te besteden hebben dan het gezin van de leraar die in eenzelfde woning woont. Dat vind ik niet uit te leggen. Dat moeten we niet willen. Dat ondergraaft het draagvlak en geeft armoedeval. Daar is die kostendelersnorm voor bedoeld.

De kostendelersnorm heeft echter als ongewenst neveneffect dat die soms ertoe leidt dat mensen bijvoorbeeld tegen hun kind zeggen: ga het huis maar uit! Ernstig genoeg doen ze dat vaak ook op basis van verkeerde informatie, zo blijkt uit het onderzoek van Significant. De perceptie van de maatregelen is vaak niet goed of men heeft verkeerde informatie gekregen. Mensen denken bijvoorbeeld dat het al vanaf het 18de levensjaar gaat gelden en noem maar op. Daar moeten we wat aan doen. Verder is er heel veel ruimte voor maatwerk rondom de kostendelersnorm, maar zien we bij gemeenten terughoudendheid om dat maatwerk toe te passen. Ze geven aan dat ze dat ingewikkeld vinden. Samen met Divosa hebben we dat opgepakt; ik ben ze daar zeer dankbaar voor. Kunnen jullie niet een handreiking maken voor maatwerk bij de kostendelersnorm? Dat moet wat mij betreft tot twee dingen leiden. Eén. Voor de ambtenaar aan het loket moet heel concreet duidelijk zijn: dit en dit kan ik doen. Twee. Ik weet niet of het helpt als ik het uitspreek, maar ik doe het toch: ze moeten het comfort voelen om dit te gaan doen. Dat maatwerk is er niet voor niks. Gemeenten moeten echt die ruimte voelen. Ten derde heb ik in reactie op het onderzoek van Significant gezegd dat ik wil verkennen, binnen de doelstellingen die we met de kostendelersnorm hebben en binnen de financiële kaders — niks is gratis in het leven — of er andere modaliteiten denkbaar zijn bij de invulling van de kostendelersnorm — op welke uitkering kort je, op die van de hoofdbewoner of op die van de medebewoner? — die dit effect zouden kunnen wegnemen? Ik hoop u daarover te kunnen informeren in het eerste kwartaal van het nieuwe jaar.

Ik heb in dit blokje nog het punt van de loonkostensubsidie. Zowel de VVD als de ChristenUnie vroeg daarnaar. Andere partijen hebben dat in eerdere debatten ook al gedaan. We hebben er onderzoek naar laten doen. De loonkostensubsidie houdt in dat gemeenten op basis van gerealiseerde plekken hun geld krijgen. Daarmee is het idee dat je een veel positievere prikkel hebt om juist voor die moeilijke groep wat te doen. Dat is een probleem dat we allemaal willen oplossen. Ik vind de historische financiering van de loonkostensubsidie een goed idee.

Tot zover mijn punten in dit blokje.

De voorzitter:
Eerst de heer Peters, dan de heer Jasper van Dijk en mevrouw Van Brenk.

De heer Peters (CDA):
Ik ben blij dat ik op uw aandringen, voorzitter, even heb gewacht, omdat mijn vraag gaat over die loonkostensubsidie. Als ik naar de sw-sector kijk, dan zien we mensen die echt het oude sw doen. Dat kan financieel wel uit. Maar juist de partijen die mensen uit de Participatiewet aan het helpen zijn, krijgen daarvoor €5.000, als ik het uit mijn hoofd zeg, en dat komt dikwijls net niet uit. Als je het allebei doet, zou het moeten kunnen. We zijn op een mooi werkbezoek geweest. Er komt wellicht Kamerbrede steun voor die inzet van middelen. Als u die middelen stuurt richting de gemeenten die ook echt realiseren, zullen die bedrijven dan niet langer in de problemen komen?

Staatssecretaris Van 't Wout:
Ik zit even te zoeken wat nou precies de vraag is. De loonkostensubsidie gaat een hele positieve prikkel geven voor het bredere vraagstuk van mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Het is een steuntje in de rug voor de gemeenten die het al doen en hopelijk een push voor gemeenten die het nog wat minder doen. Is dat wat u vraagt?

De heer Peters (CDA):
Nou, ongeveer. Sw-bedrijven die gebruikmaken van die loonkostensubsidie, zouden financieel in de problemen kunnen komen omdat het niet uitkomt. Gemeenten die realiseren, krijgen extra geld. Zou het helpen als ze het op die manier voor die sw-bedrijven kunnen inzetten?

Staatssecretaris Van 't Wout:
Het zal aan mij liggen, maar ik snap de vraag gewoon niet helemaal.

De voorzitter:
U mag de vraag nog een keer uitleggen, meneer Peters.

De heer Peters (CDA):
Dat is toch jammer. Ik ben leraar geweeest …

Staatssecretaris Van 't Wout:
Ik kan u ook altijd heel goed verstaan. We begrijpen elkaar altijd zo goed, dus het zal helemaal aan mij liggen.

De voorzitter:
Een derde poging.

De heer Peters (CDA):
Derde poging. Er zijn sw-bedrijven die financieel in de problemen komen juist omdat ze mensen helpen uit de Participatiewet.

Staatssecretaris Van 't Wout:
Ja, precies.

De heer Peters (CDA):
Oké. Mijn vraag is: als we doen wat u net zegt, is dat probleem dan opgelost?

Staatssecretaris Van 't Wout:
Of alle problemen dan opgelost zijn, weet ik niet, maar ik denk dat dit precies de kern is waarom dit een goed idee is. Je wordt beloond als je iets voor deze mensen doet.

De heer Peters (CDA):
Driemaal was scheepsrecht. Dank u wel.

De voorzitter:
Het is toch gelukt. Dan de heer Jasper van Dijk.

De heer Jasper van Dijk (SP):
Dank aan de staatssecretaris dat hij een reactie op onze initiatiefnota over de sociale werkvoorziening wil geven voor het AO over schulden in december. Dat wachten we af. Ik wil er wel hier alvast een vraag over stellen. Hij zei namelijk dat uiteindelijk de gemeente verantwoordelijk is voor het al dan niet in stand houden van zo'n mooie voorziening. Volgens mij liggen we op dat punt dan uit elkaar, want onze insteek is dat dat landelijk gewaarborgd moet worden. De staatssecretaris zei dat hij, op het moment dat een sociale werkvoorziening er op een bepaalde plek een rommeltje van maakt, daar niet voor kan instaan. Maar wat doen we dan met de mensen in die gemeente waar de sociale werkvoorziening, wat de staatssecretaris betreft, opgeheven kan worden? Wij zeggen juist dat je dat moet beschermen en dat je op een bepaalde manier moet ingrijpen, omdat we willen dat die sociale werkvoorziening blijft bestaan. Stel even dat het om een school zou gaan, waar het bestuur er een rommeltje van maakt, dan zeggen we ook niet: laat die school maar zitten. Dan gaan we dat ook regelen. Deelt u die opvatting?

Staatssecretaris Van 't Wout:
Ik ben er een beetje voorzichtig in omdat ik wel met een bevoegdhedenverdeling te maken heb. Laat ik het zo formuleren: ik snap nu goed wat u bedoelt. U zegt: stel nou dat het instituut omvalt, waar blijven die mensen dan? Kunnen we daar iets voor verzinnen? U bedoelt daar volgens mij structurele oplossingen mee. Ik weet niet of dat binnen mijn macht ligt, maar als u het goedvindt, zal ik hierop en op wat er zou kunnen binnen de huidige situatie, expliciet ingaan bij de reactie op uw nota. Kunnen we het zo afspreken?

De heer Jasper van Dijk (SP):
Dat waardeer ik zeer. Ik kan alvast verklappen — maar de staatssecretaris gaat de nota nog goed lezen — dat de kern van ons verhaal is dat iedereen recht heeft op werk en, zo nodig, op begeleiding naar werk. Ik verwijs bijvoorbeeld naar sw-bedrijf SOWECO in Almelo en omstreken dat dreigt om te vallen, omdat gemeenten daar allemaal verschillende opvattingen hebben. Daardoor valt het uit elkaar en dat is doodzonde voor die mensen. Ik denk dat de rijksoverheid dan een taak heeft om de mensen te beschermen en te helpen.

Staatssecretaris Van 't Wout:
Ik ga daar goed op kauwen. Ik wil verantwoordelijkheden daar hebben, waar ze horen te liggen, maar ik kom erop terug.

De voorzitter:
Mevrouw Van Brenk, op hetzelfde punt?

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Mijn vraag gaat inderdaad over sociale ontwikkelbedrijven. Wij hadden daar een vraag over gesteld en wij hebben daar inderdaad antwoord op gekregen. De staatssecretaris zegt dat er in het voorjaar een besluit wordt genomen over de financiering. Als je een bedrijf open wilt houden, dan snap ik dat erop wordt aangedrongen om nu duidelijkheid te krijgen. Mijn zorg is: gaan we geen mensen verliezen als we pas in het voorjaar duidelijkheid geven over de financiering? Wat doen we met de bedrijven die in de tussentijd in de knel komen? Waar kunnen zij zich melden zodat ze overeind blijven?

Staatssecretaris Van 't Wout:
Ik heb net gezegd dat we voor dit jaar een fors bedrag ter beschikking hebben gesteld ter extra ondersteuning vanwege corona en om het in stand te houden. Het voorjaar is een natuurlijk moment om naar extra middelen te kijken, ook omdat we dan die thermometer weer hebben. Maar neemt u van mij aan dat we heel veel spreken met Cedris, met Job Cohen. We houden op dit dossier continu de vinger aan de pols. Dit is de route zoals we die nu hebben uitgestippeld, maar ik denk dat de Kamer het mij niet kwalijk neemt als ik daarvan afwijk als zich daartoe een noodzaak voordoet.

De heer Renkema (GroenLinks):
Op ditzelfde punt. Fijn ook dat de staatssecretaris wil reageren op de notitie die collega's hebben ingediend. De afgelopen jaren is in de Kamer heel breed aandacht gevraagd voor de toekomst van de sociale ontwikkelbedrijven. Dat is niet omdat we zeggen: zoals het vroeger was, was het goed en daar moeten we naar terug. Er wordt nadrukkelijk naar voren gekeken. We hebben ook arbeidsmarktregio's ingericht in Nederland. Ik heb al een aantal keren gesuggereerd: zou het nou niet een idee zijn om per arbeidsmarktregio de infrastructuur op orde te hebben? Dat betekent niet dat elke gemeente een eigen sociaal ontwikkelbedrijf moet hebben, maar wel dat de arbeidsmarktregio's een mooi vehikel zijn om ervoor te zorgen dat regionaal die infrastructuur ontstaat. Is de staatssecretaris bereid om het aspect van de arbeidsmarktregio's mee te nemen in zijn reactie op de notitie van mijn collega's?

Staatssecretaris Van 't Wout:
Dat zal ik doen. Ik ken dit pleidooi. Er zitten ook wel weer ingewikkeldheden in met de bevoegdheden, maar ik snap wat u bedoelt. Ik zal daarop ook reflecteren in de brief.

De voorzitter:
Gaat u verder.

Staatssecretaris Van 't Wout:
Voorzitter. Dan wilde ik het hebben over thuiswerken. We kunnen het niet vaak genoeg herhalen — wie weet hoeveel mensen nu thuis zitten te kijken naar het debat — maar de oproep blijft: werk thuis, tenzij het echt, écht niet anders kan. Op dit moment is het thuiswerken voor heel veel mensen heel zwaar. Dat weten we allemaal, ook de mensen hier. Je zit vijf dagen in de week alleen maar naar een schermpje te kijken. Ik zie het bij ons op het ministerie ook. Het is al maandenlang een leeg gebouw. Mensen hebben hun collega's al maandenlang niet gezien. Mensen zijn begonnen aan banen, zijn nog nooit op kantoor geweest en hebben nog nooit hun collega's in levenden lijve gezien. Sommige gezinnen zijn kleinbehuisd of hebben kleine kinderen in huis. Dan is het op dit moment ongelofelijk pittig.

We proberen er van alles aan te doen, maar helemaal wegnemen kun je het niet. We bevorderen in ieder geval dat mensen ook thuis gezond en veilig werken. Dat leven we na. Ik heb deze week de Week van de Werkstress mogen openen. Dat vond ik wel een goede timing in de week van mijn eerste begroting als staatssecretaris. Ik heb daar vooral aan werkgevers, maar ook aan werknemers de oproep gedaan om zeker in deze tijd heel erg op de stress te letten die dit voor mensen kan meebrengen.

Maar ik denk zelf dat dit ergens ook een megaexperiment is, waar voor de lange termijn heel positieve kanten aan zitten. Dat hebben meerdere Kamerleden ook gezegd. Het gaat dan niet om hoe we het nu doen: altijd, vijf dagen per week naar al die vierkantjes op een scherm zitten te kijken. Maar het zou mij een lief ding waard zijn als we de goede dingen en de goede effecten ervan kunnen behouden. Want aan de ene kant veroorzaakt het stress — dat heb ik zelf ook gemerkt in de periode dat de Kamer gedeeltelijk gesloten was en ik nog Kamerlid was en veel thuis werkte — maar aan de andere kant is het af en toe ook wel even makkelijk. Het geeft net wat meer ruimte om af en toe even je kinderen naar school te brengen, omdat je de reistijd naar je werk niet hebt, of om je medicijnen bij de apotheek op te halen. Ik noem maar een paar van die voorbeelden waarbij ik echt denk dat het kan helpen. En dat staat nog los van wat het doet voor bijvoorbeeld de files in ons land. Het is heerlijk om, áls je nu naar buiten moet, weer een beetje door te kunnen rijden.

Wat gaan we doen om de positieve dingen overeind te houden? Ik heb met Mariëtte Hamer en met de SER afgesproken dat wij de komende maanden met veel partijen in gesprek gaan om hun ervaringen en ideeën tot nu toe op te halen. Wat zijn de dingen die wel of niet werken? Waar moeten we naar kijken? Dat wil ik begin 2021 laten eindigen in een adviesaanvraag aan de SER over de toekomst van thuiswerken. Daarbij zullen we ook kijken of bijvoorbeeld al onze wet- en regelgeving hiervoor zijn toegerust. Ik geloof dat mevrouw Palland daarnaar vroeg, maar dat weet ik niet meer zeker. Ook achter de fiscaliteit komen natuurlijk nog allemaal vragen weg. Ik ben zeer gemotiveerd om met dit thema aan de slag te gaan. Dat ga ik doen. Hopelijk kunnen we over een aantal jaar in ieder geval waar het gaat om thuiswerken nog iets positiefs aan deze vreselijke periode overhouden.

Dat was het deel over thuiswerken, voorzitter. Dan had ik nog een blokje overig.

De heer Van Weyenberg refereerde aan de problematiek van de gelijke beloning voor mannen en vrouwen. Hij zei zelf: het loopt wel naar elkaar toe, maar nog te langzaam. Er ligt, als ik het goed heb, een initiatiefvoorstel van de Partij van de Arbeid klaar voor behandeling. Daar zullen we dus over komen te spreken. Zelf hebben we in het kader van het Actieplan arbeidsmarktdiscriminatie ook een aantal zaken ondernomen. We verwachten ook uit Europa nog een initiatief op dit vlak. Volgens mij komt dat nog dit jaar. We komen dus nog wel vaker over dit belangrijke onderwerp te spreken. Ook ik vind dat mijn dochtertje later net zoveel moet verdienen als haar mannelijke collega.

Voorzitter. Dan wil ik kort nog wat zeggen over fraude, mede naar aanleiding van de heer Renkema die een mooi betoog had over de vraag: zien wij de mens eigenlijk wel? Ik denk dat je ziet, als je door je oogharen kijkt naar veel discussies op dit moment over de systemen in Nederland, dat dat echt een van de kernvragen is. Ik heb daar een bijdrage aan proberen te leveren door naar aanleiding van het debat dat we hadden over de Participatiewet een brief aan uw Kamer te sturen.

Ik wil naar aanleiding van het fraudebegrip in de sociale zekerheid als hoofdlijn echt een onderscheid gaan maken met mensen die onbewust een foutje maken; die merken we niet meer aan als fraudeur. We gaan ook voorkomen dat dat gebeurt, door die vreselijke berg aan formulieren, enzovoort, eenvoudiger te maken. We zoeken meer ruimte voor maatwerk. Een heel mooi neveneffect daarvan zou ook nog eens kunnen zijn dat we daardoor meer energie en tijd over hebben om de lui die echt bewust de boel belazeren — de heer De Jong begon daar gisteren over; we hebben in het debat daarover gesproken — aan te pakken. Want het is volgens mij precies die mix: mensen die een foutje maken, moet je helpen, en mensen die de boel belazeren, moet je keihard aanpakken.

Voorzitter. De heer Van Weyenberg had een gloedvol betoog over hoe we omgaan met kanker en werk. Dat ken ik ook van hem; hij is al lang met dit thema bezig. Kanker is een vreselijke ziekte, maar het goede nieuws is dat het steeds minder vaak een dodelijke ziekte is, dus dat het een chronische ziekte wordt. Dan is leven nog steeds heel zwaar, maar hij zegt terecht: werk kan zelfs helpen bij het genezingsproces. Aan de andere kant zit juist de kanker soms de kans op werk in de weg.

Ik wil die schotten, zoals hij het volgens mij letterlijk zei, tussen werk en zorg doorbreken, en ook eigenlijk die tussen die twee ministeries, zoals ik tussen de regels door hoorde. Ik heb daar al wat over gezegd in het AO Veilig werken. Ik wil op heel korte termijn met de minister voor Medische Zorg, die dit dossier volgens mij ook nog wel een beetje kent uit het verleden, om tafel gaan zitten. Dan gaan we kijken hoe we op dit punt zo snel mogelijk tot een plan kunnen komen.

Mijn enige voorwaarschuwing is de volgende. De heer Van Weyenberg prikte daar ook al een datum op. We doen ons best, maar het zijn wel twee ministeries die natuurlijk op dit moment echt middenin de coronacrisis staan. Maar ik onderschrijf totaal het pleidooi en ik herken ook de passie waarmee de heer Van Weyenberg daarover spreekt.

De voorzitter:
Dan kijk ik eerst even of u alle vragen intussen heeft beantwoord.

Staatssecretaris Van 't Wout:
Ik zat in het blokje overig. Misschien zeg ik nog twee woorden over de kinderopvangsector. Een. De heer Van Weyenberg vroeg: onderschrijft het kabinet dat dat meer is dan alleen een arbeidsmarktinstrument, meer dan alleen kunnen werken en je kind ergens op kunnen laten vangen? Ja, dat is het zeker. Dat is het standpunt van het kabinet, het is het standpunt van mij en het is ook het standpunt van mij als ervaringsdeskundige.

Mag ik dan het beantwoorden van deze vraag ook gebruiken om deze sector een ongelofelijk compliment te geven? Zij hebben ook in de vuurlinie gestaan van de coronacrisis, ze hebben de noodopvang voor ons opgericht en ook op dit moment wordt daar onder hoge druk heel hard gewerkt. Want ook zij hebben, vergelijkbaar met het onderwijs, te maken met uitval. Daar wordt alles op alles gezet om het open te houden. Ik denk dat ik namens u spreek, als ik zeg dat ik daar grote bewondering en dank voor heb.

Dat was het wat mij betreft.

De voorzitter:
Dan was er een korte vraag van de heer Van Weyenberg. Dan komt de heer Renkema, en dan de heer De Jong.

De heer Van Weyenberg (D66):
Ik sluit me om te beginnen graag aan bij de hele warme woorden van de staatssecretaris aan de kinderopvangsector. Die worden te vaak niet genoemd, naast andere sectoren, de zorg en het onderwijs in het bijzonder.

Staatssecretaris Van 't Wout:
Daar ben ik het zeer mee eens.

De heer Van Weyenberg (D66):
Daar sluit ik me dus graag bij aan, en ik denk dat de woorden ook zeer gewaardeerd worden. Over kanker en werk zal ik in de tweede termijn een motie indienen. Want wat ik ook echt een probleem vind nu, is dat de financiering helemaal los zit. Als bijvoorbeeld het Radboud mensen wil helpen om arbeidsgeneeskundige ondersteuning te geven vanaf het begin van de behandeling, dan moeten ze dat uit eigen zak betalen. Ik ga nu geen concreet voorstel ontlokken aan de staatssecretaris; ik zal een motie indienen. Ik heb ook begrip voor de coronadrukte, maar het moet echt. Is de staatssecretaris het wel met D66 eens dat dit schot echt doorbroken moet worden, omdat deze zorg eigenlijk gewoon niet mag ontbreken tijdens de behandeling?

Staatssecretaris Van 't Wout:
Ik snap die richting precies. Ik moet het straks wel even goed uitpluizen met VWS, maar ik snap precies wat hij bedoelt. Eigenlijk is dat hetzelfde als waar ik het zostraks over had. We hebben in Nederland heel veel mooie systemen. Dat heeft wel als nadeel dat het soms lastig is om goede ideeën bij elkaar te brengen. Je krijgt dan discussies over financiering en noem het maar op. Ik zal het sowieso meenemen in mijn gesprek en terugkoppelen naar de heer Van Weyenberg en zijn collega's.

De voorzitter:
De heer Renkema en dan de heer De Jong.

De heer Renkema (GroenLinks):
Ik heb een ander punt. Het ging namelijk even wat snel. De staatssecretaris zei dat de heer Renkema mooie woorden sprak over "zien we nog de mens". Hij verwees naar de brief over fraude. Tegelijkertijd was mijn vraag wat we gaan doen aan de Participatiewet. Er ligt namelijk een evaluatie van de Participatiewet en die is hier eigenlijk nog steeds niet goed besproken. In die wet staan een aantal artikelen die voor allerlei uitleg vatbaar zijn. Je kunt dan zeggen: het is allemaal maatwerk. De inlichtingenplicht bijvoorbeeld is echter behoorlijk streng. Ik heb gezegd dat het mogelijk zou moeten zijn voor ouders om af en toe boodschappen te doen voor hun kind dat een bijstandsuitkering heeft. De wet is hardvochtig. Vaak wijst het kabinet dan naar de hardheidclausule en dat de gemeente dan wel een oplossing kan bedenken. Ik wil heel graag het debat voeren of we een aantal artikelen in de Participatiewet niet echt moeten veranderen.

Staatssecretaris Van 't Wout:
Die behoefte snap ik. Wetswijzigingen gaan mij qua tijd überhaupt niet meer lukken. Laat ik er toch iets over zeggen. Er zal altijd een balans moeten worden gezocht in de verantwoordelijkheid die we van de mensen die we helpen vragen. Ik denk dat we het daarover eens zijn. Anderzijds zien we steeds meer nieuwe manieren die misschien effectief zijn om mensen te helpen. Soms zal streng zijn de manier zijn en soms zal het helpen zijn. Ik denk ook dat we soms gekke voorbeelden voorbij zien komen. Ik heb dat ook in het kader van mijn fraudebrief gezien. Iemand verleent haar moeder mantelzorg. De moeder stort het geld van het treinkaartje. Er wordt gezegd: dit is fraude. We zitten dan echt helemaal op de verkeerde weg. We moeten daar open naar kijken. Ik zeg er wel bij dat je daarbij precies tegen het dilemma zult aanlopen wat je in wetten regelt en waar je ruimte biedt voor maatwerk, want dit zijn vaak maatwerkvragen. We komen daar vandaag niet uit, maar dat debat is heel interessant om te voeren.

De heer De Jong (PVV):
Ik heb even gewacht tot het blokje overig, helaas. Wat ik nu ga vragen heeft namelijk echt betrekking op het allerbelangrijkste goed dat binnen sociale zekerheid besproken moet worden. Dat is namelijk de houdbaarheid van onze verzorgingsstaat. Meer dan 50% van de bijstand gaat naar niet-westerse allochtonen. In de afgelopen tien jaar is 26 miljard euro uitgegeven aan bijstand voor niet-westerse allochtonen. Elk jaar geven we daar 3 miljard euro aan uit. Ieder jaar. Ondertussen zien we dat de AOW-leeftijd omhoog gaat, pensioenen mogelijk gekort worden en er zelfs ziekenhuizen worden gesloten. We zien wel dat hele bakken met geld naar niet-westerse allochtonen gaan. Ik stelde gisteren een vraag en ik kreeg schriftelijk antwoord van het kabinet. Ik meen dat het zijn van een immigratieland en het zijn van een verzorgingsstaat niet samengaan. Het kabinet zegt dan: nee hoor, er is niets aan de hand. Waarom pakt deze staatssecretaris de ellende van de gigantische afhankelijkheid van bijstand maar ook de fraude binnen de niet-westerse allochtonengroep niet keihard aan?

Staatssecretaris Van 't Wout:
De houdbaarheid van de verzorgingsstaat is een interessant thema, maar met de bedragen die u hier noemt, gaat u die niet redden. Dat is alleen al zo'n beetje het bedrag waarmee de zorgkosten jaarlijks stijgen. Ik kijk kleurenblind naar de bijstand. Ik vind dat u dat ook moet doen. Mensen die hier rechtmatig zijn en geen werk hebben, hebben recht op bijstand. Zij hebben ook te voldoen aan de verplichtingen en zich aan de regels te houden.

De heer De Jong (PVV):
Ik weet niet wat de staatssecretaris nu denkt te moeten suggereren met: kleurenblind. Ik heb geen kleur genoemd. Ik neem dus aan dat de staatssecretaris dat nu wil terugnemen. Dat slaat helemaal nergens op. Dat is een ongekende schoffering die ik niet accepteer.

Staatssecretaris Van 't Wout:
Ik heb u dat niet in de mond gelegd. Ik heb gezegd: ik kijk kleurenblind en ik kijk er niet naar waar mensen vandaan komen. Ik ben verantwoordelijk voor een stelsel waarbij mensen onder bepaalde criteria al dan niet recht hebben op een uitkering. Daar horen ook de plichten bij.

De heer De Jong (PVV):
Nu doet de staatssecretaris het weer. Ik accepteer het echt niet. Hij begint over kleur en dat accepteer ik gewoon niet. Dit soort bijzinnetjes moet u gewoon niet zeggen. Ik sta hier gewoon om ervoor te zorgen dat op het moment dat we zien dat de sociale zekerheid wordt aangevallen ... Dat zou u ook moeten doen. Dit is gewoon het verhaal. 3 miljard euro per jaar gaat naar niet-westerse allochtonen. Dat is 26 miljard euro in tien jaar. Begint u dan over de zorgkosten? Het kabinet heeft ziekenhuizen gesloten. Hoe haalt u het in uw hoofd? Het enige wat ik vraag, is waarom een VVD-staatssecretaris in hemelsnaam accepteert dat we 3 miljard euro per jaar weggeven aan bijstand voor niet-westerse allochtonen en dat een op de vijf Turken fraude pleegt met de bijstand. Waarom accepteert u dat? Dan moet u niet zeggen: kom niet met dit soort bedragen. Elke euro te veel voor een groep mensen die iets niet zou moeten krijgen, bijvoorbeeld fraudeurs, zou moeten worden voorkomen. Dat doet u niet. Waarom doet u dat niet?

Staatssecretaris Van 't Wout:
Dat doe ik wel. Ik ben keihard op echte fraude. Daar heb ik net ook nog wat over gezegd naar aanleiding van mijn fraudebrief. Verder gelden voor iedereen die in de bijstand komt dezelfde rechten en plichten. Ik ben ervoor verantwoordelijk om dat te handhaven en om ervoor te zorgen dat die mensen weer aan het werk gaan.

De voorzitter:
Uw laatste vraag, meneer De Jong.

De heer De Jong (PVV):
Ja, voorzitter, mijn laatste vraag. Ik heb laatst een debat gehad met deze staatssecretaris. We zien dat een op de vijf Turken fraude pleegt met de bijstand. De staatssecretaris zei: dat wil ik wel aanpakken. Maar waar hij vervolgens mee komt, is dat je, als je fraude pleegt met de bijstand en zogenaamd niet genoeg geld hebt om rond te komen, alsnog gewoon een bijstandsuitkering kunt krijgen. Dat zeg je dan tegen een fraudeur. Je zegt tegen een fraudeur: je hebt de boel belazerd, maar op het moment dat je zogenaamd niet kan rondkomen, terwijl je ook gewoon naar je familie kan gaan of in je omgeving kan kijken of je aan geld kunt komen, belonen we je alsnog met een bijstandsuitkering. Als u dat soort signalen afgeeft, dus als u zegt dat een bijstandsfraudeur gewoon fraude kan plegen en vervolgens nog steeds sociale zekerheid krijgt, dan doet u niets om die sociale zekerheid te beschermen. Dus nogmaals mijn vraag: waarom doet u dat? Waarom sloopt u de sociale zekerheid door dit soort dingen te accepteren? Waarom blijft u mensen geld geven die dat niet verdienen?

Staatssecretaris Van 't Wout:
Die wetswijziging, waar ook de heer De Jong gelukkig voor gestemd heeft, trekt precies het element recht dat mensen met een fraudeverordening automatisch bijstand kregen en vervolgens hun huis gewoon konden houden. Dat is precies wat we met die wet aan het oplossen waren. Daar doe ik dus wat aan. Twee. Ik probeer juist om, daar waar het gewoon gaat om foutjes, te kijken of we minder tijd kwijt kunnen zijn aan handhaving. Daarmee probeer ik meer handhavingscapaciteit vrij te maken voor mensen die een heel appartementencomplex in het buitenland hebben staan. De heer De Jong weet ook dat dit niet eenvoudig is, want je opereert dan in een ander land. Je hebt dan, of je dat nou leuk vindt of niet, te maken met de regels van dat land. Je bent dan afhankelijk van de medewerking van dat land. Maar het is echt niet zo dat wij zeggen: laat maar waaien.

De voorzitter:
Dank u wel.

Staatssecretaris Van 't Wout:
O, de amendementen moeten nog.

De voorzitter:
Ja, die komen nog. Dan ga ik nu naar de minister. We moeten heel even wachten totdat er is schoongemaakt. Voordat er schoongemaakt wordt, heeft de heer Stoffer nog een vraag aan de staatssecretaris.

De heer Stoffer (SGP):
Ja, over het volgende. Ik heb een schriftelijk antwoord gekregen op mijn vraag over het achterblijven van banen bij de rijksoverheid voor mensen met een beperking tot de arbeidsmarkt. Ik heb een mooi antwoord gekregen. Het komt erop neer dat dit door SZW bij Binnenlandse Zaken wordt neergelegd. Er wordt verwezen naar de pool Binnenwerk. Ik ben daar vanochtend nog eens ingedoken. Het blijkt te gaan over schoonmaak, catering en ordening van dossiers. Het gaat er altijd om wat voor kleuring je bij iets hebt. Mijn vraag was eigenlijk gericht op het geheel. Mag ik een voorbeeld geven om de kleuring vanuit mijn zijde weer te geven?

De voorzitter:
Ja.

De heer Stoffer (SGP):
Ik heb vroeger bij een rijksoverheidsonderdeel gewerkt. Er kwamen daar mensen binnen met een tijdelijk contract, bijvoorbeeld met een Wajong-uitkering of iets dergelijks. Die hadden een goede opleiding, een academische opleiding. Er was bijvoorbeeld een jonge vrouw met de ziekte van Crohn. Je kon niet iedere dag van haar op aan, maar als ze er was, was ze de beste die er was. Dat soort mensen neem je aan op basis van een tijdelijk contract. Maar bij de overheid heb je een reductiedrive en afspraken. Je kunt het op die vaste formatie haast niet doen.

De voorzitter:
De staatssecretaris.

De heer Stoffer (SGP):
Mijn vraag is: wordt dat meegenomen in wat ik hier heb staan? Ik doel dus niet alleen op de catering, de schoonmaak enzovoorts, maar ook op de bovenkant van het loongebouw, op de talentvolle mensen ...

De voorzitter:
De staatssecretaris.

De heer Stoffer (SGP):
... die we écht aan het werk moeten hebben bij de rijksoverheid.

Staatssecretaris Van 't Wout:
Ik ben het daar zeer mee eens, al was het maar omdat ik hier op mijn eigen ministerie hele mooie voorbeelden van ken. Dat nemen we dus mee. U weet dat wij Aart van der Gaag hebben gevraagd om ook een boost te geven wat betreft de overheid, nadat hij dat succesvol heeft gedaan voor de private sector. Ik spreek hem binnenkort. Dan zal ik het hier nog eens expliciet met hem over hebben. Maar ik ben het zeer eens met de heer Stoffer. Bij mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt wordt te vaak alleen gedacht aan de banen waaraan u refereerde, terwijl bijvoorbeeld mensen met een storing in het autismespectrum ook in de bovenkant van het loongebouw heel goed werk kunnen doen voor de rijksoverheid.

De heer Stoffer (SGP):
Dank. Dit zie ik als een soort toezegging. Kan daar bij de Kamer op teruggekomen worden binnen een door uzelf te bepalen termijn?

Staatssecretaris Van 't Wout:
Ja, dat moet ik wel met BZK afstemmen, want dat is hiervoor formeel verantwoordelijk. Maar ik voel me er ook verantwoordelijk voor. Ik moet nog even kijken.

De voorzitter:
Goed, dank u wel. Dan geef ik snel het woord aan de minister, want er zijn zes amendementen ingediend, voor zowel de staatssecretaris als de minister. Het woord is aan de minister.

Minister Koolmees:
Dank, voorzitter. Ik zal ze even snel proberen te doen voor ons beiden.

Ik begin met het amendement op stuk nr. 11 van de heer Gijs van Dijk, over 70 miljoen voor de sw-bedrijven. Daar is het net in het debat over gegaan. We houden de vinger aan de pols, ook in overleg met Cedris en de heer Cohen. We hebben extra geld gedoteerd. Dit amendement komt te vroeg; daarom ontraad ik het.

Dan het volgende amendement, van de heer De Jong van de PVV. Dat amendement heeft bij mij geen nummer.

De voorzitter:
14.

Minister Koolmees:
Dit amendement gaat over de versobering en het weegmoment. Daar hebben we in eerste termijn uitgebreid over gesproken. Die brief komt binnenkort, dus dat amendement moet ik ontraden.

De heer Van Kent heeft op stuk nr. 15 een amendement ingediend over de NOW-voorwaarden. Dat amendement wil ik ontraden, met het argument dat we heel bewust hebben gekozen voor de loonsomvrijstelling en dat we heel bewust hebben gekeken naar de omstandigheden die er nu zijn. We willen juist dat zo veel mogelijk bedrijven worden bereikt met de NOW om zo veel mogelijk werkgelegenheid in stand te houden. Deze beperking gaat juist leiden tot minder gebruik, wat ik onverstandig zou vinden. Daarom moet ik het amendement ontraden.

De heer Van Kent heeft op stuk nr. 18 een amendement ingediend over de partnerinkomenstoets en de Tozo. Ik denk dat dit de zesde keer is, bij motie of amendement. U kent onze opvatting daarover: ontraden.

Dan zitten we even in een zoektocht naar aanleiding van het amendement-Renkema. Dat heeft zich volgens mij geëvolueerd van alleen de heer Renkema naar de heer Renkema en de heer Bruins naar zo ongeveer uw hele Kamer. Ik neem aan dat het amendement op stuk nr. 22 het definitieve amendement is geworden, dat 19 en 21 vervangt. Klopt dat?

De voorzitter:
Ja, dat klopt.

Minister Koolmees:
Nou, al zou ik er iets van vinden, er staan 130 zetels onder. Dus oordeel Kamer. Nee hoor, uitstekend initiatief. Gegeven de brede ondertekening komt het amendement tegemoet aan een breed levende wens, dus oordeel Kamer.

Ik kom toe aan het amendement op stuk nr. 20 van de heer Gijs van Dijk over de crisisbanen. Ik zou hem in overweging willen geven om dit amendement even aan te houden. Maar dit is een amendement, en dan wordt het ingewikkeld.

De voorzitter:
Nee, dat kan niet.

Minister Koolmees:
Dat kan niet, dus moet ik het amendement ontraden. Maar binnenkort komen we in diezelfde brief terug op de nadere invulling van de coronabanen, zoals wij ze noemen. Dus ik moet dit amendement ontraden.

Dat was het toch?

De voorzitter:
Ja, dat was het. Dank u wel.

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:
Dan schors ik nu de vergadering tot 14.10 uur. Dan gaan we door met de tweede termijn van de kant van de Kamer. Mevrouw Van Brenk, de minister heeft mede namens de staatssecretaris gesproken, speciaal voor u. Dank u wel.

De vergadering wordt van 13.37 uur tot 14.11 uur geschorst.

Mededelingen

Mededelingen

Mededelingen

De voorzitter:
Ingekomen zijn de volgende beschikkingen van de Voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal inzake:

  • aanwijzing van het Tweede Kamerlid Wilders als vertegenwoordiger in de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa;
  • aanwijzing van het Tweede Kamerlid Van den Bosch tot plaatsvervangend lid in plaats van het lid Bosman van de NAVO Parlementaire Assemblee.

Op de tafel van de Griffier ligt een lijst van ingekomen stukken. Op die lijst staan voorstellen voor de behandeling van deze stukken. Als voor het einde van de vergadering daartegen geen bezwaar is gemaakt, neem ik aan dat daarmee wordt ingestemd.

Regeling van werkzaamheden

Regeling van werkzaamheden

Regeling van werkzaamheden

De voorzitter:
Dan is nu aan de orde de regeling van werkzaamheden.

Ik deel aan de Kamer mee dat het debat over het plan van aanpak van de Taskforce Wonen en Zorg vorige week abusievelijk is afgevoerd en opnieuw zal worden toegevoegd aan de agenda van de Kamer.

Ik stel voor toe te voegen aan de agenda van de Kamer:

  • het VSO Nationaal actieplan voor meer diversiteit en inclusie in het hoger onderwijs en onderzoek (29338, nr. 226), met als eerste spreker de heer Van Meenen namens D66;
  • het VAO Exportkredietverzekering, met als eerste spreker de heer Van Raan namens de Partij voor de Dieren.

Op verzoek van de aanvragers stel ik voor van de agenda af te voeren:

  • het debat over de bewoning van illegale vakantieparken;
  • het debat over de aanhouding van twee mannen op verdenking van het voorbereiden van een terroristische aanslag in Nederland.

Ik stel voor dinsdag 24 november aanstaande ook te stemmen over:

  • een brief van de vaste commissie voor Europese Zaken (35639, nr. 1);
  • het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, de Wet studiefinanciering 2000 en de Wet op het onderwijstoezicht in verband met een verbeterde regeling voor diverse onderwerpen op het terrein van het hoger onderwijs en de studiefinanciering (Variawet hoger onderwijs) (35582);
  • het Voorstel van wet van de leden Bergkamp en Van Wijngaarden tot wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek in verband met directe koppeling van erkenning en gezamenlijk gezag voor ongehuwde en niet-geregistreerde partners (34605);
  • de ingediende moties bij het notaoverleg over de ggz.

Aangezien voor de volgende stukken de termijnen zijn verstreken, stel ik voor deze stukken voor kennisgeving aan te nemen: 32011-78; 31753-219; 31936-813; 29398-869; 35267-22; 35435-8; 31293-550.

Ook stel ik voor de volgende stukken van de stand van werkzaamheden af te voeren: 32802-49; 21501-07-1722; 32013-238; 31066-704; 35572-9; 22112-2934; 35420-145; 35505-21; 31490-287; 28973-222; 35424-9; 30139-237; 28676-346; 27925-712; 27925-710; 31293-551; 31293-552.

Overeenkomstig de voorstellen van de voorzitter wordt besloten.

Begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2021

Begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2021

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

  • het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2021 (35570-XV).

De voorzitter:
We gaan verder met de voortzetting van de begroting van Sociale Zaken. Aan de orde is de tweede termijn van de zijde van de Kamer.

De algemene beraadslaging wordt hervat.

De voorzitter:
Ik geef de heer De Jong namens de PVV het woord. Ik ben benieuwd hoeveel moties er worden ingediend.

De heer De Jong (PVV):
25, voorzitter.

De voorzitter:
Dat is goed.

De heer De Jong (PVV):
En de minister gaat ze allemaal oordeel Kamer geven, dus dat is superrelaxed.

Voorzitter. De eerste motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat vele Nederlandse huishoudens de afgelopen jaren geen buffer hebben kunnen opbouwen om tegenslagen op te vangen en niet zijn voorbereid op de financiële gevolgen van de coronacrisis;

constaterende dat hierdoor honderdduizenden mensen in grote financiële problemen zijn gekomen en grote moeite hebben om de maandelijkse vaste lasten op te brengen;

verzoekt de regering de btw-verhoging in het lage tarief (tijdelijk) op 0% te zetten, de huren te verlagen en het eigen risico af te schaffen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden De Jong en Wilders. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 23 (35570-XV).

De heer De Jong (PVV):
Dit is natuurlijk een superbelangrijke motie, want het effect van de coronacrisis op zo veel duizenden mensen, op al die huishoudens, in Nederland is enorm. In de afgelopen jaren hebben ze geen buffer kunnen opbouwen om die crisis aan te kunnen en daarom is het van groot belang dat we ze financieel lucht geven. Ik hoop van harte dat de rest van de Kamer deze motie wil steunen, zodat we echt stappen kunnen gaan zetten voor zo veel mensen.

Voorzitter. Dan ons pensioenstelsel. We zien dat dat aan alle kanten afgebroken wordt. Afgelopen week konden we nog lezen dat er in Nederland toprendementen worden gehaald van zo'n 14%. Ondertussen moeten de pensioenfondsen toch net doen alsof ze arm zijn en moeten ze met minder dan 1% gaan rekenen. Dat is natuurlijk totaal ongekend. Dat is ongelofelijk absurd, want daardoor dreigen er opnieuw pensioenkortingen, terwijl de pensioenen in de afgelopen jaren al voor 20% zijn verdampt of mensen dat in ieder geval zijn misgelopen. Dat mogen we niet laten gebeuren en daarom dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering niet alleen de pensioenkortingen voor 2021 van tafel te halen, maar ook de komende jaren bij de overstap naar een nieuw pensioenstelsel onnodige pensioenkortingen te voorkomen door bijvoorbeeld de huidige rigide rekenrente aan te passen naar een reële rekenrente die recht doet aan behaalde pensioenrendementen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden De Jong en Wilders. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 24 (35570-XV).

De heer De Jong (PVV):
Voorzitter. Afgelopen week kregen we het volgende signaal van FNV en werkgeversorganisaties: als je die steunmaatregelen nu niet als de sodemieter gewoon laat zoals ze zijn, dan gaan heel veel mensen daar de gevolgen van merken en dreigen er massaontslagen, faillissementen en staan bedrijven op omvallen. Vandaag hoorden we het nieuws dat ING aangaf dat volgend jaar zelfs in een positief scenario 100.000 mensen worden ontslagen. Dat kunnen we niet laten gebeuren. We kunnen het ook niet laten gebeuren dat bijvoorbeeld zzp'ers door de partnertoets keihard worden geraakt en dat bedrijven door de aanscherping rondom de NOW in grote problemen komen. We moeten dat oplossen. We moeten vandaag nog zeggen dat die versoberingen minimaal van tafel gaan. Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat alles in het werk moet worden gezet om faillissementen en ontslagen als gevolg van de coronacrisis te voorkomen en inkomens en banen te beschermen;

verzoekt de regering de versoberingen en verscherping van toegang tot regelingen in het derde NOW/Tozo-steunpakket terug te draaien,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden De Jong en Wilders. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 25 (35570-XV).

De heer De Jong (PVV):
Voorzitter. Mijn laatste motie gaat over de houdbaarheid van ons sociale stelsel, de houdbaarheid van de verzorgingsstaat. Dat is van groot belang op het moment dat je ziet dat er 3 miljard euro per jaar weggegeven wordt aan niet-westerse allochtonen. In de afgelopen tien jaar is 26 miljard euro aan bijstand naar niet-westerse allochtonen gegaan. Dat is immens. Dan heb ik het nog niet eens over al die fraude die wordt gepleegd. Een op de vijf Turken pleegt fraude. Er zijn landen die niet meewerken met de vermogenstoets als het erom gaat of iemand wel rechtmatig een uitkering heeft gekregen. We worden aan alle kanten kei- en keihard belazerd en dat zouden we niet moeten willen. Dat zijn gewoon de negatieve gevolgen van de jarenlange massa-immigratie. Onze mening is dat een verzorgingsstaat en een immigratieland niet samengaan. Je moet kiezen. Wat wil je zijn? Wil je een verzorgingsstaat zijn? Wil je kunnen zorgen voor je eigen mensen? Of wordt je een immigratieland en wordt de boel afgebroken? Zo simpel is het gewoon. Dat zien we elke dag in de praktijk. Het kan niet zo zijn dat we wel miljarden weggeven aan mensen die niets hebben bijgedragen aan ons land, maar vervolgens zien dat de AOW wordt verhoogd, dat de pensioenleeftijd wordt verhoogd, dat pensioenen gekort dreigen te worden en dat zelfs ziekenhuizen worden gesloten. Dat is ongehoord. Onze eigen mensen horen op nummer één te staan. Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering de verzorgingsstaat te beschermen en derhalve de Nederlandse grenzen te sluiten voor alle asielzoekers en voor alle immigranten uit islamitische landen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden De Jong en Wilders. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 26 (35570-XV).

De heer De Jong (PVV):
Voorzitter, dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer De Graaf namens de PVV.

De heer De Graaf (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Van mijn kant vier moties, waarvan ik uiteraard verwacht dat de minister ze allemaal zal omarmen als ondersteuning van beleid.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het dragen van de islamitische hoofddoek voor steeds meer moslima's een statement is van hun islamitische identiteit;

constaterende dat de Koran duidelijk stelt dat het dragen van de hoofddoek tot doel heeft om draagsters ervan niet lastig te vallen;

overwegende dat daarmee het belagen van en als minderwaardig behandelen van niet-draagsters van de hoofddoek wordt gelegitimeerd;

overwegende dat dit ideologische symbool ter bevordering van apartheid niet thuishoort in het hart van de parlementaire democratie;

roept de Kamer op om het dragen van een islamitische hoofddoek in het Kamergebouw te verbieden en roept de regering op om het dragen ervan te verbieden in alle overheidsgebouwen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden De Graaf en Wilders. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 27 (35570-XV).

De heer De Graaf (PVV):
De tweede is kort, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering te erkennen dat de geweldloze jihad hetzelfde doel heeft als de gewelddadige jihad, namelijk de vernietiging van onze vrijheid en democratie en vervanging van onze rechtstaat door de sharia,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid De Graaf. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 28 (35570-XV).

De heer De Graaf (PVV):
Voorzitter, ik ga door naar de aanslagen die gepleegd zijn in Europa. Er is natuurlijk een klein linkje naar terrorisme, maar het hoort wel bij het onderwerp van vandaag en eergisteren.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Europa reeds twee decennia wordt geteisterd door islamitische aanslagen met grote aantallen doden en gewonden, en eindeloos verdriet tot gevolg;

overwegende dat met deze aanslagen opdrachten uit de Koran worden uitgevoerd;

verzoekt de regering bij aanslagen waarbij het motief overduidelijk islamitisch is, de moordende politieke correctheid te laten varen en deze aanslagen te benoemen voor wat ze zijn, namelijk "islamitisch terrorisme",

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid De Graaf. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 29 (35570-XV).

De heer De Graaf (PVV):
De laatste motie, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de vrijheid van meningsuiting steeds verder onder druk komt vanwege de toename van de invloed van de islam;

constaterende dat er docenten zijn bedreigd door leerlingen vanwege het bespreken van Mohammedcartoons en docenten daarom zelfs hebben moeten onderduiken;

verzoekt de regering de vrijheid van meningsuiting te beschermen en als voorbeeld daarvan Mohammedcartoons als verplichte lesstof aan te merken op iedere school,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid De Graaf. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 30 (35570-XV).

De heer De Graaf (PVV):
Dan nog een slotopmerking, voorzitter, over de Moslimbroederschap. Daar is de afgelopen week in bijvoorbeeld de media veel over gesproken. Nu geen motie daarover, maar ik zou de minister nogmaals willen vragen — dank voor zijn schriftelijke antwoord — om de focus heel goed op die Moslimbroederschap en aanverwante organisaties te leggen om zo heel goed te monitoren waar de gevaren zitten. Ga kijken: zijn er sleutelposities die bezet zijn door mensen die gelieerd zijn aan of duidelijk handelen in opdracht van deze internationale terroristische organisatie? Die vraag wil ik de minister met extra ernst stellen.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Nijkerken-de Haan namens de VVD.

Mevrouw Nijkerken-de Haan (VVD):
Voorzitter, ik heb nog 22 minuten, dus die ga ik gebruiken. Nee, alle gekheid op een stokje. Dank, allereerst aan de minister en de staatssecretaris voor hun antwoorden vandaag, en niet alleen vandaag maar ook in de schriftelijke beantwoording die we gisteren hebben ontvangen. Dat is altijd weer een hele klus voor de ambtenaren op het departement, zeker nu. Mensen bij het ministerie en bij alle uitvoeringsorganisaties staan al vanaf maart onder ontzettend grote tijdsdruk om ingewikkelde regelingen voor ons op te tuigen, zodat we zo veel mogelijk banen kunnen redden en mensen ook kunnen ondersteunen. Een warm woord van dank daarvoor. Ik hoop dat beide heren dat ook willen doorgeven.

Voorzitter. Ik heb een aantal moties en daar ga ik nu mee beginnen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het door de coronacrisis voor jonge mensen met een diploma moeilijk is om een baan te vinden en aan hun loopbaan te beginnen;

constaterende dat in het derde steun- en herstelpakket bijna 350 miljoen euro gereserveerd is voor het tegengaan van jeugdwerkloosheid, 320 miljoen voor dienstverlening door gemeenten en 185 miljoen voor crisisdienstverlening en 63 miljoen voor praktijkleren in het mbo;

constaterende dat niet gemeenten, maar ondernemers en werkgevers banen creëren;

verzoekt de regering om te stimuleren dat gemeenten, UWV en vakbonden met regionale werkgevers in de arbeidsmarktregio's samenwerken om "startbanen" open te stellen voor Jonge mensen die aan hun loopbaan willen beginnen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Nijkerken-de Haan en Tielen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 31 (35570-XV).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat loonkostensubsidie extra werkplekken mogelijk maakt voor mensen die vallen binnen de doelgroep banenafspraak of mensen die beschut werk nodig hebben;

overwegende dat het financieren van loonkostensubsidie op basis van realisatie gemeenten aanmoedigt dit instrument meer in te zetten en dit naar verwachting tot meer banen volgens de banenafspraak en meer beschutwerkplekken leidt;

verzoekt de regering over te gaan tot financiering van loonkostensubsidie op basis van realisatie, middelen hiervoor beschikbaar te stellen en hiermee gemeenten te belonen als zij meer werkplekken voor de doelgroep banenafspraak en beschut werk organiseren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Nijkerken-de Haan, Bruins, Peters, Van Beukering-Huijbregts en Van Brenk.

Zij krijgt nr. 32 (35570-XV).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat vernieuwende opleidingsinitiatieven zoals de Ambachtsacademie en het Codam College van grote waarde zijn voor werkenden en werkzoekenden omdat ze mensen kans bieden op betaald werk en bijdragen aan het voorkomen van werkloosheid;

overwegende dat deze opleidingen vaak niet binnen reguliere opleidings- en financieringsstructuren vallen en hun continuïteit daardoor onder druk staat;

verzoekt de regering om in overleg met sociale partners te bezien of en hoe dit type vernieuwende opleidingsinitiatieven ook gebruik kan maken van de subsidieregeling die wordt gemaakt voor het meerjarig investeringsprogramma duurzame inzetbaarheid en leven lang ontwikkelen, het MIP, en de Tweede Kamer hierover voor de zomer van 2021 te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Nijkerken-de Haan, Tielen, Palland, Van Weyenberg en Bruins.

Zij krijgt nr. 33 (35570-XV).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de bedoeling van de webmodule is om zekerheid te scheppen over de status van zzp-opdrachten voor opdrachtgevers en zzp'ers;

constaterende dat de geplande pilot als doel heeft om zicht te krijgen op de werking van de webmodule in de dagelijkse praktijk;

overwegende dat het de verwachting is dat opdrachtgevers en zzp'ers in de praktijk ook met de webmodule aanlopen tegen tegenstrijdigheden in de onderliggende wet- en regelgeving, bijvoorbeeld als het gaat om gezag, autonomie en ondernemerschap;

verzoekt de regering om het verkrijgen van inzicht in knelpunten in de praktijk als gevolg van wetgeving met betrekking tot de inhuur van zzp'ers expliciet op te nemen in de doelstelling en evaluatie van de pilot,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Nijkerken-de Haan, Tielen en Van Weyenberg. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 34 (35570-XV).

Mevrouw Nijkerken-de Haan (VVD):
Dan de laatste.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat mensen met kantoorbanen tijdens de coronacrisis veel meer werken vanuit huis dan op kantoor en de verwachting is dat mensen dat na de coronapandemie vaker zullen gaan doen;

overwegende dat onderzoeken naar de beleving van thuiswerken hele positieve effecten laten zien, zoals een betere werk-privébalans en gezondheidsverbeteringen, maar dat hier ook negatieve effecten als gemis van collega's en gezondheidsverslechteringen tegenover staan;

overwegende dat een gezonde thuiswerkplek een gedeelde verantwoordelijkheid is van werkgevers en werknemers en deze verantwoordelijkheden deels wettelijk zijn verankerd;

verzoekt de regering om samen met werkgevers en werknemers te inventariseren hoe de kansen van thuiswerken benut kunnen worden en de negatieve gevolgen beperkt, en hierbij specifiek in te gaan op de vraag welke modernisering in wet- en regelgeving nodig is om gezond en veilig thuiswerken mogelijk te maken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Nijkerken-de Haan en Tielen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 35 (35570-XV).

Dank u wel, mevrouw Nijkerken-de Haan.

Mevrouw Nijkerken-de Haan (VVD):
Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Neemt u de moties mee naar deze kant? Dat is de nieuwe werkwijze.

Mevrouw Nijkerken-de Haan (VVD):
O, excuus. Ik zal ze daar neerleggen.

De voorzitter:
Ja, bij de griffier. Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Smeulders namens GroenLinks.

De heer Smeulders (GroenLinks):
Dank u wel, voorzitter. Ik begin met het NOS-bericht van vanochtend over de dividenduitkeringen. Daar is vanochtend in een heel klein debatje al wat over gezegd. De minister heeft inmiddels ook een aantal stukken naar de Kamer gestuurd. Eerlijk gezegd zijn wij niet superblij als we dit lezen, want er bestaat toch een groot verschil tussen multinationals en Nederlandse mkb-bedrijven. Het lijkt me dus goed als de minister daar in de tweede termijn toch nog wat woorden aan kan wijden.

Dan een aantal moties. Er komen dadelijk ook nog een motie van de heer Stoffer over rouwverlof en een motie van de heer Van Weyenberg over thuiswerken. Die dienen zij allebei samen met mij in. Ik heb zelf twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de stijgende welvaart onvoldoende terecht is gekomen in de portemonnee van werkende mensen;

constaterende dat het minimumloon op dit moment niet voldoende is om van rond te komen;

spreekt uit dat het minimumloon moet worden verhoogd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Smeulders, Gijs van Dijk en Jasper van Dijk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 36 (35570-XV).

De heer Smeulders (GroenLinks):
Mijn tweede motie gaat over de positie van de huishoudelijk werkers. Ik heb daar eergisteren ook aandacht voor gevraagd. De minister is daar in zijn beantwoording op ingegaan. Wij denken echt dat dit een probleem is. Ik zeg niet dat er een makkelijke oplossing voor is, maar het lijkt me wel goed als de minister een aantal opties kan uitwerken, zodat daar in de kabinetsformatie mogelijk knopen over doorgehakt kunnen worden. Vandaar de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de coronacrisis de kwetsbare positie van huishoudelijk werkers extra heeft blootgelegd;

van mening dat huishoudelijk werkers dezelfde rechten verdienen als andere werknemers, zoals ook vastgesteld in het ILO-verdrag 189;

overwegende dat de SER onlangs een verkenning heeft gedaan naar de situatie in Frankrijk, Zweden en Finland en wat we daarvan kunnen leren;

verzoekt de regering nog voor de start van de formatie een aantal opties uit te werken om de positie van huishoudelijk werkers te verbeteren, en daarbij gebruik te maken van de verkenning van de SER,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Smeulders en Bruins. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 37 (35570-XV).

De heer Smeulders (GroenLinks):
Dank u wel, voorzitter, en ook dank aan de bewindslieden en al hun ambtenaren, ook bij de uitvoerende organisaties, voor het goede werk dat ze doen.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Smeulders. Dan geef ik nu het woord aan de heer Renkema namens GroenLinks.

De heer Renkema (GroenLinks):
Voorzitter, dank u wel. Ook dank aan de beide bewindspersonen voor alle antwoorden, ook voor alle antwoorden die eerder schriftelijk zijn gekomen en alle werk wat daarvoor is verzet. Ik ben heel erg blij met de steun voor het amendement dat ik heb ingediend, om extra geld vrij te maken voor kinderen in armoede. Een positieve appreciatie van het kabinet, maar ook brede steun in de Kamer. Het was vanochtend een zwaan-kleef-aan-effect, geloof ik. Ik vind het heel belangrijk dat we met elkaar proberen te voorkomen dat in deze crisis kinderen de dupe worden, dus mooi dat we dit extra stapje kunnen zetten.

Ik heb ook extra aandacht gevraagd voor de inzet van ervaringswerkers als het gaat over armoede. Daar heb ik nog de volgende motie over.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de verwachting is dat er vanwege de enorme economische gevolgen van de coronacrisis meer mensen in armoede terecht zullen komen;

constaterende dat armoede niet alleen een geldprobleem is, maar sociale uitsluiting en stress kan veroorzaken, en ook overgedragen kan worden naar de volgende generatie;

van mening dat ervaringswerkers nodig zijn om in betaalde banen naast (anderszins opgeleide) professionals de stem van de mensen om wie het gaat te laten horen en de kloof tussen de leef- en systeemwereld te overbruggen;

verzoekt de regering de stichting Sterk uit Armoede financieel te ondersteunen om een impuls te geven aan de inzet van ervaringswerkers in generatiearmoede en sociale uitsluiting,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Renkema. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 38 (35570-XV).

De heer Renkema (GroenLinks):
Op het punt van nachtwerk zijn de staatssecretaris en ik elkaar nog niet helemaal tegemoetgekomen, geloof ik. Daarover ga ik ook een motie indienen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Gezondheidsraad in 2017 al constateerde dat nachtwerken leidt tot slaapproblemen en de kans op diabetes en hart- en vaatziekten verhoogt;

constaterende dat ook de bedrijfsartsen oproepen tot inperking van nachtwerk in Nederland;

verzoekt de regering te verkennen welke aanpassingen in de Arbeidsomstandighedenwet en Arbeidstijdenwet nodig zijn om het voorzorgsprincipe (geen nachtwerk, tenzij) te gaan hanteren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Renkema en Van Kent. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 39 (35570-XV).

Dank u wel, meneer Renkema. Dan ga ik naar mevrouw Palland namens het CDA. Het woord is aan mevrouw Palland.

Mevrouw Palland (CDA):
Voorzitter, dank u wel. Een aantal moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de jeugdwerkloosheid in deze coronacrisis sneller oploopt dan de algemene werkloosheid;

overwegende dat een valse start op de arbeidsmarkt ervoor zorgt dat jongeren zich mentaal slechter voelen, moeilijker een huis kunnen huren of kopen en door het leenstelsel kampen met hoge af te betalen studiekosten;

overwegende dat deze littekeneffecten voor deze generatie wel vijf à tien jaar kunnen aanhouden;

verzoekt de regering de eerste gevolgen en effecten van de coronacrisis voor jongeren in kaart te brengen, en de Kamer hierover in het voorjaar van 2021 te informeren;

verzoekt de regering tevens te onderzoeken of en, zo ja, welke aanvullende maatregelen te nemen zijn om de littekeneffecten voor deze generatie jongeren te beperken, en de Kamer hier in het voorjaar van 2021 over te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Palland en Peters. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 40 (35570-XV).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet werkt aan een sociaal pakket om mensen uit de coronacrisis te begeleiden van werk(loosheid) naar werk en van overschotsectoren naar tekortsectoren;

overwegende dat Nederland een bijna landelijk dekkend netwerk van bedrijfsscholen en bedrijfstakscholen heeft, die door hun nauwe relatie met bedrijven heel arbeidsmarktrelevant kunnen opleiden;

verzoekt de regering in de uitwerking van het sociaal pakket de inkoop van opleidingen bij zowel bedrijfsscholen als bedrijfstakscholen en opleidingsbedrijven door gemeenten, UWV en sociale partners mogelijk te maken en te bevorderen dat dit benut wordt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Palland en Tielen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 41 (35570-XV).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in januari 2021 de pilot webmodule van start gaat en parallel een breed maatschappelijk gesprek wordt gevoerd;

overwegende dat momenteel steeds wisselende uitkomsten gelden ten aanzien van de vraag of iemand nu écht zelfstandige is of niet;

verzoekt de regering als onderdeel van het breed maatschappelijk gesprek te bezien of de huidige wet- en regelgeving nadere aanscherping behoeft ter actualisering en verduidelijking van de definitie (of kwalificatie) van "zelfstandige";

verzoekt de regering daarnaast richting de formatie uit te werken in hoeverre een rechtsvermoeden, zoals dat in België in enkele sectoren wordt toegepast aan de hand van wettelijk vastgelegde criteria, voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst behulpzaam kan zijn voor duidelijkheid en zekerheid rondom de kwalificatievraag,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Palland. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 42 (35570-XV).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat bij meerdere partijen gedacht wordt aan het verhogen van het wettelijk minimumloon, de koppeling aan de uitkeringen en aanpassing of afschaffing van het systeem van toeslagen;

constaterende dat de overheid een sociaal minimum hanteert als richtsnoer voor veel van haar beleid;

verzoekt de regering de toereikendheid van het sociaal minimum en de relatie met de hoogte van het wettelijk minimumloon en toeslagen te onderzoeken en de consequenties en varianten van het verhogen van het wettelijk minimumloon in beeld te brengen, en de Kamer uiterlijk februari 2021 hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Palland en Peters. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 43 (35570-XV).

Mevrouw Palland (CDA):
Voorzitter. Ook ik wil mijn dank uitspreken aan het kabinet. We komen nog door te praten over het AOV-AOW-hiaat en over de informatie die de staatssecretaris heeft toegezegd over de grensondernemers. Ik wens de bewindslieden in deze bijzondere of eigenlijk bizarre tijd heel veel sterkte toe.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Peters namens het CDA.

De heer Peters (CDA):
Dank u wel, voorzitter, en dank u wel, excellenties, voor de beantwoording van de vragen. Ik sluit mij aan bij wat iedereen daarover heeft gezegd, want ik ken het werk.

Ik heb vier moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit onderzoek een duidelijke relatie tussen de kostendelersnorm en dakloosheid onder jongeren blijkt;

constaterende dat in reactie hierop zowel gemeenten als de staatssecretaris hebben aangegeven dat het anders kan en anders moet;

overwegende dat in het regeerakkoord is afgesproken de kostendelersnorm niet af te schaffen;

verzoekt de regering om zo snel mogelijk met gemeenten in overleg te treden om te bezien op welke manier de kostendelersnorm zo ingezet of veranderd gaat worden dat dakloosheid geen onbedoeld neveneffect meer is, en de Kamer hier voor het einde van het jaar over te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Peters, Jasper van Dijk, Bruins, Van Beukering-Huijbregts, Kuzu, Gijs van Dijk, Renkema en Van Brenk.

Zij krijgt nr. 44 (35570-XV).

De motie wordt breed ondersteund!

De heer Peters (CDA):
Dat worden alle moties die ik indien, voorzitter. Daar heb ik voor gezorgd. Dan mijn tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de zoektermijn binnen de Participatiewet eigenlijk slechts werkt voor mensen die terugvallen vanuit de WW;

constaterende dat de zoektermijn zeer schadelijk kan zijn voor ex-gedetineerden;

constaterende dat maatwerk mogelijk is, maar niet altijd goed wordt toegepast;

overwegende dat niet goed toegepast maatwerk voor ex-gedetineerden recidive in de hand kan werken;

verzoekt de regering de effecten van de zoektermijn voor ex-gedetineerden in beeld te brengen, en de Kamer over de resultaten voor de zomer te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Peters, Bruins, Van Beukering-Huijbregts, Stoffer, Kuzu, Gijs van Dijk, Renkema, Van Brenk en Jasper van Dijk.

Zij krijgt nr. 45 (35570-XV).

Ook deze motie wordt breed ondersteund.

De heer Peters (CDA):
Zeker. Dan de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat patiënten die langere tijd opgenomen worden in een ggz-instelling hun uitkering verliezen;

constaterende dat deze patiënten bij terugkeer naar de maatschappij dus ook geen huis meer hebben;

constaterende dat een substantieel deel van de daklozen (voormalige) ggz-patiënten betreft;

verzoekt de regering een plan te maken dat ervoor zorgt dat deze groep bij terugkeer naar de maatschappij verzekerd is van een inkomen en een woning,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Peters, Van Brenk, Bruins, Van Beukering-Huijbregts, Stoffer, Kuzu, Gijs van Dijk, Renkema en Jasper van Dijk.

Zij krijgt nr. 46 (35570-XV).

De heer Peters (CDA):
Ook heel breed ondersteund dus.

De voorzitter:
Ik zeg niks meer.

De heer Peters (CDA):
Voorzitter. Dan mijn laatste motie, die weliswaar alleen maar door Jasper van Dijk en René Peters is ondertekend, maar die denk ik ook heel breed wordt gesteund.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de SER dringend adviseert om de kennis en infrastructuur van sw-bedrijven landelijk dekkend overeind te houden;

overwegende dat uit rapporten van Berenschot en FNV blijkt dat er een tekort aan financiering dreigt per werkplek;

van oordeel dat voorkomen moet worden dat sw-bedrijven door financiële tekorten met sluiting worden bedreigd;

verzoekt de regering om een vinger aan de pols te houden bij de financiële situatie van sw-bedrijven door deze financiële situatie te monitoren en indien nodig gepaste actie te ondernemen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Peters en Jasper van Dijk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 47 (35570-XV).

De heer Peters (CDA):
Ik mag hopen dat de rest van de Kamer de motie ondersteunt.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan is nu het woord aan de heer Van Kent namens de SP.

De heer Van Kent (SP):
Dank, voorzitter. Over de pensioenen komen we nog te spreken op 1 december, maar ik zou alvast een motie willen indienen om de koopkracht van niet alleen de gepensioneerden, maar van een hele grote groep mensen met een laag inkomen in Nederland flink te verbeteren.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat veel mensen met een aan het minimumloon gerelateerde uitkering onvoldoende inkomen hebben voor de minimale uitgaven voor levensonderhoud;

verzoekt de regering om de aan het minimuminkomen gerelateerde uitkeringen in 2021 met 10% te verhogen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Kent, Smeulders en Gijs van Dijk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 48 (35570-XV).

De heer Van Kent (SP):
Ik vind het een beetje gênant om te zien dat deze minister echt met lege handen staat als het om de zzp'ers gaat. Ik wil nog even de motie in herinnering roepen die bijna Kamerbreed is aangenomen en waarin staat dat er nog deze kabinetsperiode maatregelen moeten worden getroffen om schijnzelfstandigheid tegen te gaan. Ik zou de minister willen vragen om in tweede termijn uitgebreid in te gaan op hoe de regering van plan is deze motie uit te voeren.

Waar het kabinet ook met lege handen staat als het om zzp'ers gaat, is de regeling voor zelfstandigen die door de coronamaatregelen in de problemen zijn gekomen, de Tozo. De staatssecretaris heeft wat de SP betreft verre van overtuigend betoogd dat uitvoeringsproblemen in de weg zouden staan van het vinden van een oplossing. We hebben een amendement ingediend om dat probleem op te lossen door de partnertoets volledig te schrappen. Ik zie de staatssecretaris nee schudden, maar ik hoor graag waarom het niet-uitvoeren van een partnertoets ingewikkeld zou zijn. Ik weet — ik ben dat nagegaan bij onze wethouders — dat er bij de gemeenten getoetst moet worden en dat mensen daar papieren moeten inleveren. Als je die toets weglaat, zou het toch juist eenvoudiger moeten worden? Graag een reactie daarop.

We hebben ook nog even met Jody gesproken, die ik ook nog even in het interruptiedebatje met de heer Van Weyenberg aanhaalde. Hij heeft het debat gezien en hij is zwaar teleurgesteld. Het antwoord van de heer Van Weyenberg, maar ook dat van de staatssecretaris, is op geen enkele manier een oplossing voor zijn probleem. Hij nodigt beide heren dan ook uit om samen met hem naar de voedselbank te gaan om een voedselpakket op te halen, om te zien en te voelen wat de gevolgen zijn van hun beleid. Nu begrijp ik dat dat in coronatijd ingewikkeld is, maar ik zou in ieder geval de staatssecretaris willen vragen om contact met de heer Jody op te nemen teneinde zijn probleem op te lossen. Het probleem is veroorzaakt door deze staatssecretaris en ik hoop dat deze staatssecretaris dit wil oplossen. Ik dien een motie in om een oplossing te vinden voor de mensen die tussen wal en schip zijn gevallen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat veel mensen die beroepen uitoefenen waarin men als gevolg van de coronamaatregelen tijdelijk niet kan werken, financieel ernstig in de knel komen;

overwegende dat deze werkenden niet of onvoldoende aanspraak kunnen maken op de bestaande steunmaatregelen;

verzoekt de regering om met werkgevers en werknemers in gesprek te gaan teneinde tot een sluitende regeling te komen die gebaseerd is op een vast bedrag voor alle werkenden die hun baan of inkomen (tijdelijk) zijn verloren door de coronacrisis,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Kent, Gijs van Dijk en Smeulders. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 49 (35570-XV).

De heer Van Kent (SP):
Dan het grote onrecht in de NOW, de regeling voor bedrijven, die miljarden overheidssteun krijgen. Daarbij heeft de Kamer duidelijk gezegd: als je steun krijgt, dan geen bonus uitkeren, geen eigen aandelen inkopen en geen dividend uitkeren. We hebben in de stukken kunnen zien wat voor discussie daaraan is voorafgegaan, maar volgens mij was de boodschap zeer helder. Daarom nogmaals de opdracht aan deze minister om een einde te maken aan de mogelijkheid dat er binnen concerns met rechtspersonen toch balletje-balletje wordt gespeeld, waardoor er alsnog bonussen worden uitbetaald terwijl een bedrijf massaal overheidssteun krijgt. Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de meerderheid van de Kamer per aangenomen motie heeft uitgesproken dat er geen dividend of bonussen uitgekeerd en geen eigen aandelen ingekocht mogen worden;

verzoekt de regering om erop toe te zien dat bedrijven die gebruikmaken van de NOW geen dividend of bonussen uitkeren en geen eigen aandelen inkopen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Kent, Smeulders en Gijs van Dijk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 50 (35570-XV).

Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Jasper van Dijk namens de SP.

De heer Jasper van Dijk (SP):
Voorzitter. Ik heb twee punten gemaakt gisteren: de verhoging van het minimumloon en de redding van de sociale werkvoorzieningen in Nederland. Over het laatste punt ben ik optimistischer dan over het eerste punt. Er is een mooie motie ingediend door collega Peters en ondergetekende om, op het moment dat onze nota wordt uitgevoerd, met name bij de overbrugging goed te kijken naar de sociale werkvoorzieningen. Dat blijkt uit die motie.

Dan de verhoging van het minimumloon. Ik vind het echt een gemiste kans. We weten dat er een meerderheid is, maar het kabinet pakt de bal vooralsnog niet op. Vandaar de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat een Kamermeerderheid steun geeft aan een verhoging van het minimumloon;

verzoekt de regering het minimumloon per 1 januari 2021 met 10% te verhogen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Jasper van Dijk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 51 (35570-XV).

De heer Jasper van Dijk (SP):
Kijk, en dan wordt die motie volgende week aangenomen en dan moet u alsnog aan de slag. Dus u kunt dit straks in de tweede termijn nog naar u toe trekken, óf u laat het de Kamer doen. Ik laat het aan u.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de kostendelersnorm dakloosheid onder jongeren bevordert en ongunstig uitpakt voor mantelzorgers, mensen met een beperking dan wel een chronische aandoening;

overwegende dat maatwerk in de Participatiewet administratief ingewikkelder is dan een uitzondering treffen;

verzoekt de regering met voorstellen te komen om mantelzorgers, mensen met een beperking dan wel een chronische aandoening en jongeren tot en met 27 jaar uit te zonderen van de kostendelersnorm,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Jasper van Dijk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 52 (35570-XV).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat maatschappelijke organisaties aangeven dat de jongerenuitkering niet voldoende is om van rond te komen en dakloosheid bevordert;

verzoekt de regering mogelijkheden te onderzoeken om de jongerenuitkering aan te vullen tot een volwaardige uitkering,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Jasper van Dijk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 53 (35570-XV).

De heer Jasper van Dijk (SP):
Voorzitter, ik zie nog twee minuten en twintig seconden op mijn klokje. Die ga ik niet opmaken.

De voorzitter:
Daar zijn de fracties altijd blij mee, want dan kunnen ze aan andere begrotingen worden toegevoegd.

De heer Jasper van Dijk (SP):
Precies. En dat geeft mij weer credits.

De voorzitter:
Zo is dat. Dank u wel, meneer Jasper van Dijk. Kom hier met die moties; het is de bedoeling dat de minister die moties krijgt en dan moeten ze nu eerst naar de Griffier. Het woord is aan de heer Van Weyenberg namens D66.

De heer Van Weyenberg (D66):
Dank u wel, voorzitter. Dank aan de beide bewindslieden voor de beantwoording en aan alle mensen op het ministerie die daaraan hebben bijgedragen. Ook dank aan alle mensen op het ministerie en in de uitvoering die de afgelopen maanden zo keihard hebben gewerkt. Dat doen ze altijd al, maar nu, met de coronamaatregelen, ben ik me ervan bewust hoeveel meer we ook van hen vragen.

Voorzitter. Vandaag heb ik samen met collega Smeulders de initiatiefwet Werken waar je wil over thuiswerken in consultatie gebracht. Ik heb daarover nog één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er waarschijnlijk door veel werknemers nog enige tijd moet worden thuisgewerkt;

overwegende dat arbeidsomstandigheden op de werklocatie vooral betrekking hebben op de fysieke omstandigheden van de werkplek;

constaterende dat thuiswerken ook een grote invloed kan hebben op de mentale gezondheid;

verzoekt de regering in haar gesprek met en de adviesaanvraag aan de SER over arbeidsomstandigheden bij thuiswerken expliciet aandacht te besteden aan de mentale gezondheid van de werknemer,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Weyenberg en Smeulders. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 54 (35570-XV).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de stichting C-support een enorme vraag ervaart van ex-coronapatiënten met blijvende klachten voor begeleiding bij werk;

overwegende dat deze vraag de komende periode alleen maar zal toenemen;

verzoekt de regering om stichting C-support op het gebied van arbeidsintegratie van ex-coronapatiënten extra te ondersteunen door te faciliteren dat de expertise wordt gedeeld vanuit bijvoorbeeld Stichting Centrum Werk Gezondheid en door additionele onderzoekscapaciteit te bieden;

verzoekt de regering tevens hier uiterlijk 15 januari 2021 de Kamer over te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Weyenberg en Jasper van Dijk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 55 (35570-XV).

De heer Van Weyenberg (D66):
Deze motie is een vervolg op de motie van de collega's Jetten en Marijnissen.

Voorzitter. Mijn laatste motie gaat over kanker en werk. Ik dank alle collega's alvast voor de steun.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat jaarlijks rond de 50.000 werkenden de diagnose kanker krijgen en dat dit verder zal toenemen;

constaterende dat twee derde van de patiënten de werksituatie niet bespreekt met de zorgverlener, terwijl bijna alle patiënten dat wel positief zouden vinden;

constaterende dat klinische arbeidsgeneeskundige zorg geen integraal onderdeel is van de reguliere oncologische zorg en dat ziekenhuizen die dit wel aanbieden hiervoor geen separate financiering ontvangen;

overwegende dat werkbehoud van groot belang is en dat nu te veel kankerpatiënten hun baan verliezen en daarna vaak ook lastig weer werk vinden;

verzoekt de regering uiterlijk in het eerste kwartaal van 2021 met een voorstel te komen hoe de klinische arbeidsgeneeskundige zorg in meer ziekenhuizen integraal onderdeel kan worden gemaakt van de reguliere oncologische zorg en hoe deze zorg daarvoor passend kan worden gefinancierd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Weyenberg, Peters, Nijkerken-de Haan, Bruins, Stoffer, Gijs van Dijk, Smeulders, Kuzu, Van Brenk en Van Kent.

Zij krijgt nr. 56 (35570-XV).

Deze is breed ondersteund, hè.

De heer Van Weyenberg (D66):
Exact.

De voorzitter:
Bijna iedereen staat eronder.

De heer Van Weyenberg (D66):
Ik weet ook dat de heer De Jong welwillend kijkt, zo zei hij net tegen mij. Dat is heel fijn. Ik hoop dat het kabinet hier heel serieus mee aan de slag gaat, en dat ik geen brief krijg waarin staat "hier hebt u drie schetsen, en het is heel ingewikkeld". Want ik wil dit gewoon echt graag oplossen. Het loopt al jaren. Ik was blij met het antwoord van de staatssecretaris. Mijn verwachtingen zijn hooggespannen. De laatste dertig seconden geef ik aan mijn collega, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Van Weyenberg. Maar dat was geen gelijke behandeling; dat is een punt van orde.

De heer Van Weyenberg (D66):
Voorzitter, voor de goede orde: ik voegde dat juist toe aan haar spreektijd.

De voorzitter:
Goed. Mevrouw van Beukering-Huijbregts.

Mevrouw Van Beukering-Huijbregts (D66):
Dank u wel, voorzitter. Ook dank aan mijn collega Van Weyenberg voor die 30 seconden, want die heb ik hard nodig. Ik dank het kabinet voor de beantwoording van onze vragen. Het is ook heel prettig dat we een aantal antwoorden al schriftelijk hebben ontvangen. Het is goed dat we ook op 14 december met elkaar verder gaan praten over de Participatiewet tijdens het WGO Breed offensief. Dan heb ik een viertal moties die ik graag zou willen indienen. We gaan richting de 40 moties, denk ik zo.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de kostendelersnorm in sommige gevallen onwenselijke gevolgen heeft;

overwegende dat het maatwerk dat hier geleverd zou moeten worden nog onvoldoende tot stand komt;

overwegende dat verschillende gemeenten willen experimenteren met varianten op de kostendelersnorm die de onwenselijke gevolgen zouden wegnemen;

van mening dat een aanpassing van de kostendelersnorm die de onwenselijke gevolgen wegneemt minder belastend is voor gemeenten dan maatwerk per casus;

verzoekt de regering gemeenten die bezig zijn met een dergelijke pilot te betrekken bij de verkenning van de kostendelersnorm,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Beukering-Huijbregts, Peters, Bruins, Van Brenk, Kuzu en Renkema.

Zij krijgt nr. 57 (35570-XV).

Mevrouw Van Beukering-Huijbregts (D66):
Dan de volgende motie, over de gerechtsdeurwaarders.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de verhoging van de tarieven van gerechtsdeurwaarders een onderdeel is van een bredere set noodzakelijke hervormingen, die worden doorgevoerd als beschreven in de brief van 4 februari jongstleden;

overwegende dat de verhoging van de tarieven komt op een moment dat een groeiend deel van de Nederlandse bevolking te maken krijgt met schulden als gevolg van de coronacrisis;

van mening dat de praktijk van gerechtelijke incasso en deurwaardersactiviteiten mensen niet nog verder in de schulden zou moeten helpen;

verzoekt de regering om naar het huidige stelsel van maatschappelijk verantwoorde incasso en deurwaardersactiviteiten te kijken en na consultatie van partijen als de KBvG, de NVVK, het Nibud en het lectoraat armoede en schulden verbeteringen in kaart te brengen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Beukering-Huijbregts, Jasper van Dijk, Gijs van Dijk, Van Brenk, Kuzu, Renkema, Bruins en Peters.

Zij krijgt nr. 58 (35570-XV).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat niet alle gemeenten het voor kinderarmoede bedoelde geld daar ook aan besteden;

overwegende dat de uitvoering van het kinderarmoedebeleid bij gemeenten belegd is, waardoor verschillen in de uitvoering kunnen ontstaan;

van mening dat alle kinderen die in armoede opgroeien recht hebben op dezelfde ondersteuning;

verzoekt de regering om een handreiking op te stellen voor gemeenten met betrekking tot de beschikbare instrumenten voor het bestrijden van kinderarmoede,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Beukering-Huijbregts, Kuzu, Gijs van Dijk, Van Brenk, Bruins en Peters.

Zij krijgt nr. 59 (35570-XV).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de energielasten vanwege het thuiswerken naar waarschijnlijkheid hoger uit zullen vallen dan voorgaande jaren;

overwegende dat dit voor mensen met weinig financiële ruimte tot een forse aanslag aan het einde van het jaar kan leiden;

van mening dat het van belang is om opbouw van schulden te voorkomen;

verzoekt de regering in gesprek te gaan met energieleveranciers om te onderzoeken wat er mogelijk is om coulanter om te gaan met de betalingstermijn en het opleggen van boetes achterstallige betalingen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Beukering-Huijbregts, Jasper van Dijk, Gijs van Dijk, Van Brenk, Kuzu, Renkema, Nijkerken-de Haan, Bruins en Peters.

Zij krijgt nr. 60 (35570-XV).

De voorzitter:
Ik ben benieuwd naar het oordeel van de staatssecretaris.

Mevrouw Van Beukering-Huijbregts (D66):
Met het voorlezen van deze vier moties kom ik aan het einde van mijn tweede termijn. Ik dank het kabinet en de medewerkers heel hartelijk voor de beantwoording van onze vragen.

De voorzitter:
Dank u wel. De 30 seconden van de heer Van Weyenberg waren niet nodig. Dan ga ik nu naar de heer Gijs van Dijk namens de PvdA. Hoeveel moties heeft u?

De heer Gijs van Dijk (PvdA):
Niet zo veel, een stuk of tien. Nee, nee, zeker niet.

Voorzitter. Ik wil even terugkomen op de eerste woorden die ik heb gezegd over de minister toen ik hier in eerste termijn ging staan. Wellicht denkt hij: wordt dat nu in een motie vervat? Nee, ik kan hem geruststellen. De tijd is onze vriend, want in maart hebben we verkiezingen. Ik heb alle waardering voor de mensen op het departement, want ik weet hoe hard ze hebben gewerkt. Dat geldt voor de mensen dichtbij en ook voor de mensen bij de uitvoeringsorganisaties, dus alle lof voor hen.

Voordat ik de moties ga indienen, heb ik twee opmerkingen. De eerste opmerking gaat inderdaad over dividend en bonussen bij bedrijven met een moederbedrijf in het buitenland. We hebben hier in de Kamer inderdaad voor een regeling gestemd die een uitzondering maakt voor de moederbedrijven. In de geest van hoe we hier gestaan hebben en dat we het echt ongewenst vinden dat dividend en bonussen worden uitgekeerd door bedrijven die belastinggeld krijgen, vind ik echter wel dat we alles op alles moeten zetten om te zorgen dat dat niet gebeurt. Dat geldt ook als dat in het buitenland zou plaatsvinden. Ik roep de minister en het kabinet daar dus ook toe op.

Mijn tweede opmerking gaat over de financiering van de crisisbanen. De minister komt met een brief over de uitwerking van die banen. Ik ben heel benieuwd of hij in die brief ook iets gaat zeggen over het budget. Er zal namelijk extra budget moeten komen, willen we die crisisbanen tot een succes maken.

Voorzitter, ik kom bij de moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat crisisbanen kunnen helpen om mensen snel aan het werk te helpen;

overwegende dat er bij de crisisbanen geen sprake mag zijn van verdringing van werk;

overwegende dat crisisbanen altijd volledig betaalde banen dienen te zijn en er dus geen sprake kan zijn van werken met behoud van uitkering;

verzoekt de regering de crisisbanen, onder bovenstaande overwegingen, zo snel mogelijk uit te werken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Gijs van Dijk, Van Kent en Smeulders. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 61 (35570-XV).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat veel mensen inmiddels hun baan en inkomen verliezen;

overwegende dat het van groot belang is om deze mensen zo snel mogelijk van werk naar werk te begeleiden;

verzoekt de regering de werkgarantie voor mensen per 1 december te starten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Gijs van Dijk, Van Kent en Smeulders. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 62 (35570-XV).

De heer Gijs van Dijk (PvdA):
Samen met de ChristenUnie hebben we dinsdag een offensief tegen armoede en schulden gelanceerd. Een onderdeel daarvan is de schuldenrust en daarom hebben we de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat boetes op schulden voor mensen met schulden het probleem alleen maar groter maken;

overwegende dat boetes op schulden niet leiden tot het alsnog betalen van een rekening;

overwegende dat een noodstopprocedure voor CJIB-boetes al bestaat;

verzoekt de regering de mensen in de schuldhulpverlening rust te geven door te stimuleren dat de noodstopprocedure wordt uitgebreid naar alle semipublieke instellingen en zo veel mogelijk andere schuldeisers,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Gijs van Dijk en Bruins. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 63 (35570-XV).

De heer Gijs van Dijk (PvdA):
Dank u.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Bruins namens de ChristenUnie.

De heer Bruins (ChristenUnie):
Voorzitter. Ik dank de bewindspersonen en ook hun medewerkers voor de schriftelijke en de mondelinge beantwoording. Complimenten voor de manier waarop ze stand houden de afgelopen tien maanden in deze bizarre tijden, met het optuigen van zulke grote regelingen. We hebben 95 miljard behandeld in vijf uur. Dat is ruim 5 miljoen per seconde. Ik denk dat het daarmee misschien ook wel de meest efficiënte begrotingsbehandeling van dit najaar is. Daar wil ik beide bewindspersonen ook voor complimenteren.

Ik heb twee moties, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de hoge kredietrente een kwalijk verdienmodel vormt voor bedrijven en een bron is van problematische schulden;

overwegende dat het kabinet de maximale kredietrente vanwege de coronacrisis verlaagd heeft naar 10% en dat er momenteel onderzoek plaatsvindt naar de effecten daarvan;

verzoekt de regering om een voorstel voor te bereiden om de maximale kredietrente structureel te verlagen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bruins en Gijs van Dijk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 64 (35570-XV).

De heer Bruins (ChristenUnie):
Mijn tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de no-riskpolis op dit moment alleen beschikbaar is voor mensen uit de doelgroep banenafspraak en beschut werk en niet voor werkzoekenden die al langere tijd een bijstandsuitkering hebben;

overwegende dat de no-riskpolis juist voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt een nuttig instrument kan zijn, omdat werkgevers het ziekterisico van deze mensen vaak te groot vinden om hen in dienst te nemen;

verzoekt de regering om een verkenning te doen naar de maatschappelijke kosten en baten van uitbreiding van de no-riskpolis naar mensen die langdurig een bijstandsuitkering hebben, en bij netto positieve effecten voor april 2021 te komen met scenario’s voor uitbreiding van de no-riskpolis,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bruins en Peters. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 65 (35570-XV).

Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Stoffer namens de SGP.

De heer Stoffer (SGP):
Voorzitter, ik zie op het klokje dat ik nog nul minuten heb.

De voorzitter:
U mag een minuutje van de heer De Jong. Het klopt, u heeft geen spreektijd meer over. Maar dat geeft niet.

De heer Stoffer (SGP):
Voorzitter, ik heb drie moties. Die dien ik gewoon in.

De voorzitter:
Dat is goed, maar dan gaat de tijd van de heer …

De heer Stoffer (SGP):
Dan krijg ik maar wat minder credits van mijn collega's.

De voorzitter:
De heer Jasper van Dijk wil iets zeggen.

De heer Jasper van Dijk (SP):
Ja, ik wou de heer Stoffer vragen wat hij wilde gaan zeggen …

De heer Stoffer (SGP):
Ik heb hele mooie moties, die u passen!

De heer Jasper van Dijk (SP):
… mits hij daarbij ook zegt of hij voor een hoger minimumloon is.

De voorzitter:
Oké. Voor wat hoort wat, begrijp ik.

De heer Stoffer (SGP):
Ik had al in de slipstream van mijn weglopen in eerste termijn aangegeven dat wij daar niet voor zijn. Zullen we het daarbij laten?

De voorzitter:
Ja.

De heer Stoffer (SGP):
Goed. Dat komt bij een volgend debat. Mijn eerste motie luidt als volgt.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet dit jaar een brief naar de Kamer zal sturen over de stand van zaken van de uitwerking van de verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zzp'ers, volgend op het advies hierover van de Stichting van de Arbeid;

constaterende dat in dat advies beperkte mogelijkheden voor alternatieve manieren om te voldoen aan de verzekeringsplicht en een uitzonderingspositie voor de agrarische sector worden voorgesteld;

verzoekt de regering de alternatieve manieren en uitzonderingsposities voor de verzekeringsplicht uit het advies van de Stichting van de Arbeid als uitgangspunt te hanteren bij de verdere uitwerking van de verzekering;

verzoekt de regering tevens in de kabinetsbrief in te gaan op de mogelijkheden van ruimere opt-outs, waarbij ook ingegaan wordt op bijvoorbeeld de keuzevrijheid van zzp'ers,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Stoffer, Tielen en Van Weyenberg. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 66 (35570-XV).

De heer Stoffer (SGP):
Dan de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de overheid achterblijft bij de doelstelling uit het sociaal akkoord van 2013 om meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te helpen bij reguliere werkgevers;

overwegende dat het voor kwetsbare groepen in de coronacrisis nog lastiger is om aan het werk te komen;

overwegende dat de overheid een voorbeeldfunctie heeft ten aanzien van het in dienst nemen van mensen met een beperking;

verzoekt de regering de bestaande overheidspool van de rijksoverheid breder en actiever in te zetten voor mensen met een arbeidsbeperking, met als doel arbeidsgehandicapten in dienst te nemen bij de rijksoverheid en zo minimaal te voldoen aan de banenafspraak,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Stoffer en Gijs van Dijk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 67 (35570-XV).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat een landelijk expertisecentrum voor rouwverwerking op dit moment ontbreekt;

constaterende dat de minister onderzoek laat uitvoeren om de kennis over rouwverwerking en verzuim door rouw te actualiseren;

overwegende dat beschikbaarheid en toegankelijkheid van expertise over rouw op de werkvloer bevorderd moet worden;

verzoekt de regering bij dit onderzoek de noodzaak van een landelijk expertisecentrum ten aanzien van rouw te betrekken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Stoffer en Smeulders. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 68 (35570-XV).

Dank u wel.

De heer Stoffer (SGP):
Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Dan geef ik nu het woord aan de heer Kuzu namens DENK.

De heer Kuzu (DENK):
Voorzitter, ik zie dat ik nog een minuut heb, maar ik compenseer het met een andere begrotingsbehandeling. Dat komt dus helemaal goed. Er is vandaag heel veel gezegd. In de eerste plaats heel erg veel dank aan beide bewindspersonen voor het beantwoorden van de vragen in de eerste termijn. Er blijven natuurlijk wel nog een aantal wensen vanuit de fractie van DENK. Een van de grootste uitdagingen van de komende jaren zal het dossier over armoede en specifiek kinderarmoede zijn. U kent DENK. DENK heeft al talloze keren een motie ingediend over het oormerken van de armoedemiddelen, omdat we nog steeds zien dat een aantal gemeenten de middelen niet gebruikt voor het doel waarvoor het bestemd is. Vandaar de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er in Nederland al voor de coronacrisis bijna 400.000 kinderen in armoede leefden en dit onvermijdelijk zal toenemen als gevolg van de coronacrisis;

constaterende dat de gemeentelijke middelen bestemd voor het bestrijden van kinderarmoede nu niet altijd besteed worden aan het doel waarvoor zij bestemd zijn;

verzoekt de regering om de middelen voor armoede te oormerken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kuzu, Van Brenk, Gijs van Dijk en Jasper van Dijk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 69 (35570-XV).

De heer Kuzu (DENK):
Voorzitter. Uit een rapport van de kinderalliantie bleek dat de inkomensondersteunende regelingen binnen gemeenten niet altijd even bekend zijn bij mensen die er recht op hebben. Daar heb ik een motie over.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat gezinnen met een laag inkomen niet altijd optimaal gebruikmaken van inkomensondersteunende regelingen vanwege administratieve rompslomp;

constaterende dat uit een rapport van de kinderalliantie blijkt dat het aanbod van inkomensondersteunende regelingen vaak te groot is, dat het onoverzichtelijk is en dat de doelgroep vaak niet op de hoogte is van de regelingen en of zij hiervoor in aanmerking komen;

verzoekt de regering in overleg met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten een actieve rol in te nemen in het informeren van mensen over inkomensondersteunende regelingen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kuzu, Van Beukering-Huijbregts, Van Brenk, Gijs van Dijk, Jasper van Dijk, Renkema, Bruins, Stoffer en Peters.

Zij krijgt nr. 70 (35570-XV).

De heer Kuzu (DENK):
Dat wordt een "oordeel Kamer".

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het aantal jongeren en jongvolwassenen met schulden toeneemt en dit mede wordt veroorzaakt door het gemak waarmee schulden opgebouwd kunnen worden via webwinkels;

verzoekt de regering te onderzoeken welke wettelijke mogelijkheden er zijn om het opbouwen van schulden voor mensen onder de 21 jaar te bemoeilijken, door bijvoorbeeld een limiet te stellen voor het opbouwen van schuld bij webwinkels,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kuzu, Van Brenk, Gijs van Dijk, Jasper van Dijk, Renkema, Stoffer en Peters.

Zij krijgt nr. 71 (35570-XV).

De heer Kuzu (DENK):
De samenwerking in deze commissie gaat heel goed, voorzitter.

De voorzitter:
Ja, het gaat goed.

De heer Kuzu (DENK):
Voorzitter. Dan een punt over arbeidsmarktdiscriminatie. Mede door inzet van de collega's van D66 is de afgelopen jaren enorm geïnvesteerd in het bestrijden van arbeidsmarktdiscriminatie. Tijdens dit debat kreeg ik nog een mailtje binnen van Hakan, die bij een uitzendbureau heeft gesolliciteerd als magazijnmedewerker. Hij kreeg een heel droog mailtje terug van het uitzendbureau, waarin werd gezegd: de reden voor de afwijzing is mismatch op cultuur. Ik zal het doorsturen naar de minister. Dan heeft de Inspectie SZW direct een klusje erbij. Het onderstreept het belang van de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er in 2023 slechts 2% van de beschikbare capaciteit bij de Inspectie SZW wordt geraamd voor de bestrijding van arbeidsmarktdiscriminatie, terwijl dit in 2019 nog 3% was;

constaterende dat uit meerdere rapporten blijkt dat vooral de arbeidsmarktpositie van Nederlanders met een migratieachtergrond, mensen met een arbeidsbeperking en jongeren erg kwetsbaar is tijdens een recessie;

overwegende dat een recessie als gevolg van de coronacrisis hoogstwaarschijnlijk is in de komende jaren;

verzoekt de regering om de capaciteit bij de Inspectie SZW niet ten koste te laten gaan van andere prioriteiten en de capaciteit voor de bestrijding van arbeidsmarktdiscriminatie bij de Inspectie SZW te handhaven,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kuzu, Van Weyenberg, Van Brenk, Gijs van Dijk, Renkema en Peters.

Zij krijgt nr. 72 (35570-XV).

De heer Kuzu (DENK):
Voorzitter. Tijdens het debat hebben we ook een kort interruptiedebat gehad met de minister over het aantal stageplaatsen bij de overheid. Ik heb de beantwoording van de vragen doorgenomen. Het klopt inderdaad dat de SBB vorige maand heeft vastgesteld dat er een tekort is aan 21.000 stageplekken. Er wordt door middel van een bedrag van 4 miljoen heel erg geïnvesteerd om 17.500 extra stageplaatsen te garanderen. Maar de rol van de rijksoverheid is daarin niet meegenomen en dat vind ik wel belangrijk, omdat de overheid het goede voorbeeld moet geven. Daarom dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de SBB vorige maand een tekort van bijna 21.000 stageplekken heeft vastgesteld, het grootste tekort aan stageplekken ooit in Nederland;

constaterende dat hierdoor duizenden studenten niet kunnen afstuderen en dus studievertraging oplopen;

constaterende dat de overheid de grootste werkgever is van Nederland;

verzoekt de regering om het goede voorbeeld te geven en 10.000 extra stageplaatsen te realiseren binnen de rijksoverheid, teneinde het tekort aan stageplaatsen vanwege de coronacrisis te lijf te gaan,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kuzu, Van Brenk, Gijs van Dijk, Renkema en Stoffer.

Zij krijgt nr. 73 (35570-XV).

De heer Kuzu (DENK):
Voorzitter. Dan ben ik alweer aanbeland bij de laatste motie. Die gaat over het afzien van de versnelde afbouw van de zelfstandigenaftrek omdat zzp'ers het op dit moment enorm moeilijk hebben.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat zzp'ers tijdens de crisis hun opdrachten als sneeuw voor de zon hebben zien wegsmelten;

constaterende dat bij zelfstandigen de procentuele daling in gewerkte uren in april zelfs twee keer zo groot was als bij werknemers in loondienst;

constaterende dat uit een test van het Centraal Planbureau bleek dat zo'n 10% van de zzp'ers zonder de Tozo binnen drie maanden de vaste lasten niet meer kan betalen;

overwegende dat de verhoging van de arbeidskorting en een verlaging van het tarief in de eerste schijf van de inkomstenbelasting in 2021 slechts tijdelijke pleisters zijn;

verzoekt de regering om af te zien van de versnelde afbouw van de zelfstandigenaftrek,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kuzu en Stoffer. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 74 (35570-XV).

De heer Kuzu (DENK):
Daarmee ben ik aan het einde gekomen van mijn bijdrage.

De voorzitter:
U staat in de min.

De heer Kuzu (DENK):
Ik compenseer het wel met de begroting van Defensie.

De voorzitter:
Nou, ik denk met die van Landbouw.

De heer Kuzu (DENK):
Daar hadden we ons al niet voor ingeschreven.

De voorzitter:
Echt waar? Dat is voor het eerst.

De heer Kuzu (DENK):
Is dat zo?

De voorzitter:
Ja.

De heer Kuzu (DENK):
O jee.

De voorzitter:
Dank u wel. Tot slot geef ik het woord aan mevrouw Van Brenk namens 50PLUS. Hoeveel moties heeft u? Vast heel veel.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Voorzitter. Dit is mijn laatste SZW-begroting, dus ik ga daar even rustig van genieten. Maar dat doe ik niet door heel veel moties in te dienen, want die moties krijgen zelden oordeel Kamer. Dat verwijt ik deze minister natuurlijk. Ik dacht: misschien kan ik wat toezeggingen uitlokken, dus ik heb nog wat puntjes die ik aan de orde wil stellen.

Ik zou zo meteen antwoord krijgen op de brief die de Landelijke Cliëntenraad heeft gestuurd. Die legt haarfijn uit wat het probleem is van armoede onder senioren. Een derde van de Nederlandse senioren heeft geen spaargeld of eigen vermogen en de kans op armoede neemt hartstikke hard toe vanaf je 55ste als je je baan verliest. Armoede is vooral bij hoogbejaarden vaak het geval door hoge zorg- en woonkosten. We hadden net al aan de orde dat dat zeker geldt voor pensioengerechtigden die geen volledige AOW hebben. Dat zijn heel vaak mensen met een migratieachtergrond. Dus nogmaals, de Landelijke Cliëntenraad doet een aantal concrete toezeggingen of suggesties. Ik zou graag antwoord krijgen van de minister op de vraag of hij daar heil in ziet.

Voorzitter. Dan Ieder(in). We hebben heel duidelijk gezien dat er discussie is over hoeveel banen er zijn waargemaakt. Ieder(in) vraagt of wij twee vragen willen stellen aan de staatssecretaris, dus dat ga ik nu doen. Zij vroegen: wilt u de staatssecretaris vragen hoe de stap wordt gezet van integratie naar inclusie op de arbeidsmarkt voor mensen met een beperking? En de volgende vraag: wilt u de staatssecretaris vragen welke stappen er worden gezet om mensen met een beperking die geen aanspraak maken op de banenafspraak, gelijkwaardig te kunnen laten deelnemen aan de inclusieve arbeidsmarkt? Ik hoop dat ik dat in tweede instantie als antwoord kan krijgen.

Dan nog een ander punt waarop ik hoop dat de minister een toezegging wil doen, omdat hij daar toch, al is het maar indirect, een klein vingertje in de pap heeft, namelijk bij het ABP. Ja, de lange arm van deze minister reikt toch best wel ver, hoor.

Minister Koolmees:
De lange arm van Koolmees!

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ja, de lange arm van Koolmees en soms ook graaiende armen. Maar ik zal het verder allemaal niet herhalen. Ja, alleen graaien naar geld. Nee, geen MeToomomentje hier. Sorry, voorzitter. Nee, het gaat over de samenvallende diensttijd. Dat is het punt dat het meldpunt van Omroep MAX volkomen terecht heeft aangekaart. Het gaat erom dat mensen echt duizenden euro's tegoed hebben door die samenvallende diensttijd. Nu krijg ik toch best klachten van mensen die zeiden: "Het is toegezegd en dat is best wel effe uitrekenen; het zou in november komen en nu krijg ik een bericht dat het pas in juni 2021 komt". Straks zijn er al mensen overleden voordat dat geld er is. Dus misschien kan de minister iets doen om dat te versnellen, of in ieder geval de mensen die hij kent binnen dat bestuur vragen waarom dat nou zo lang moet duren.

Voorzitter. Dan heb ik toch nog een motietje. Misschien toch aardig om te noemen. Die motie is geïnspireerd op het sociaal plan van de KLM. Sommige mensen zijn hier heel negatief over KLM, maar daarin zijn mooie afspraken opgenomen. Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat werknemers van door corona getroffen bedrijven van wie het dienstverband is opgezegd, er veel baat bij hebben als zij bij een doorstart van het getroffen bedrijf terug kunnen keren als werknemer;

overwegende dat een werkgever via de zogenaamde "wederindiensttredingsvoorwaarde" reeds de verplichting heeft, wanneer het dienstverband is opgezegd wegens bedrijfseconomische redenen, de ontslagen werknemer weer dezelfde of vergelijkbare werkzaamheden aan te bieden, als deze beschikbaar komen;

overwegende dat deze verplichting thans geldt voor een periode van zes maanden na de datum waarop de arbeidsovereenkomst is opgezegd;

nodigt de regering uit ontslagen werknemers méér kansen op werk te bieden, door de termijn van de "wederindiensttredingsvoorwaarde" te verlengen tot twee jaar,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Brenk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 75 (35570-XV).

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
En dan een andere motie. Die is al eens eerder ingediend, maar ik hoop dat deze minister bij ons gezamenlijke afscheid, bij deze laatste begroting, misschien iets coulanter is.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat veel mensen, waaronder veel jongeren, hun werk verliezen door de coronacrisis;

verzoekt de regering te onderzoeken of, en zo ja hoe, een tijdelijke verlaging van de AOW-leeftijd kan bijdragen aan het verruimen van werkkansen voor werkzoekenden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Brenk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 76 (35570-XV).

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Voorzitter. Naar aanleiding van mijn kleine debatje met de staatssecretaris, de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat volgens het Nibud tienduizenden Nederlanders in de bijstand structureel niet rondkomen, en armoede toeneemt;

overwegende dat de koopkracht van de bijstand de afgelopen jaren fors is achter geraakt op de koopkracht van werkenden;

overwegende dat het beroep op de bijstand sinds de coronacrisis met 12.000 is toegenomen;

verzoekt de regering af te zien van de voorgenomen versobering van de bijstand vanaf 2021, en deze te verhogen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Brenk en Kuzu. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 77 (35570-XV).

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Voorzitter. Ik heb een reactie gezien van de Start Foundation. Die hebben zelf een mooi filmpje, maar we zouden het toch ook waarderen als de minister het aanprijst. Dus ik hoop dat we dat zo meteen kunnen doen. Ik beloof niet dat het dezelfde kwaliteit heeft als de Start Foundation, maar promotie is altijd goed voor open hiring.

Voorzitter, dan als laatste. Er zijn al de nodige moties ingediend over een hoger minimumloon, en over de schande van de pensioenkortingen. Bij dat laatste wil ik me natuurlijk aansluiten. Zolang Nederland het best gekapitaliseerde pensioenstelsel ter wereld heeft, zouden pensioenkortingen in Nederland niet mogen voorkomen. Ik vind dat de minister zich daarvoor zou moeten schamen. Jawel! Ik zou het fantastisch vinden als wij een heleboel mensen in Nederland van een hele goede kerst kunnen verzekeren door die zorg in ieder geval weg te nemen.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Van Brenk. Hiermee zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Ik wil ruim een kwartier, maximaal twintig minuten schorsen. Ik weet het, minister, er zijn 55 moties ingediend. Ik schors de vergadering voor maximaal twintig minuten.

De vergadering wordt van 15.19 uur tot 15.40 uur geschorst.

De voorzitter:
Ik geef de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het woord.

Minister Koolmees:
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Dank voor de warme woorden en heel veel dank voor de warme woorden van verschillenden van u richting onze ambtenaren van de uitvoeringsorganisaties. Richting mevrouw Tielen — waar is de camera? — zeg ik: beterschap.

Vanmorgen begonnen we met een punt van orde over de NOW 2. De heer Smeulders en de heer Van Kent hebben in de tweede termijn ook nog gevraagd om daarop te reageren. Een paar woorden daarover. Naar aanleiding van de publicatie van de NOS van vanmorgen zijn een paar vragen gesteld. Vanwege een WOB-verzoek over de totstandkoming van de NOW heb ik vorige week donderdag de daarvoor relevante stukken naar de NOS gestuurd. Deze stukken zijn vervolgens afgelopen dinsdag geplaatst op rijksoverheid.nl. Die waren dus al eerder beschikbaar. Dat wist ik zelf niet toen ik dat vanmorgen zei, maar zij waren al gepubliceerd.

Ik snap waar uw vragen over het bonusdividendverbod vandaan komen, maar ik hecht er wel aan om te benadrukken dat de vormgeving van dit verbod zeer zorgvuldig is afgewogen. Zoals ook de stukken laten zien, heb ik de keuze voor de vorm van het verbod in NOW 2 en NOW 3 niet lichtvaardig gemaakt. Hoewel het aantrekkelijk lijkt om ook moederbedrijven van ondernemingen in Nederland te verbieden om bonusdividend te laten uitkeren, was de inschatting van mijn ambtenaren uiteindelijk dat de kosten van zo'n ook in vergelijking met het buitenland strenge eis niet opwegen tegen de baten. Die inschatting deel ik. Met andere woorden, het zou tot verlies van werkgelegenheid hebben geleid. Het risico dat buitenlandse moederbedrijven door deze eis sneller Nederlandse banen verloren zouden laten gaan, achtte ik te groot. Op pagina 20 van de toelichting bij de NOW 2-regeling, die op 22 juni naar uw Kamer is gezonden, staat daarom overigens ook dat de rechtspersonen van een concern, als zij niet zelf een aanvraag doen en er geen aanvraag op het niveau van de werkmaatschappij wordt gedaan, wel bonussen en dividend kunnen uitkeren. Met andere woorden, het staat op pagina 20 van de toelichting van die regeling, waar dit gewoon expliciet wordt benadrukt door er nog eens op te wijzen.

Ter toelichting op deze regel nog het volgende: de hoofdregel binnen de NOW is dat een NOW-aanvraag op concernniveau wordt gedaan en dat op dat niveau sprake moet zijn van 20% omzetverlies. Dat is hoofdregel één. Daarnaast tellen bij de omzetbepaling alle onderdelen mee die werknemers in Nederland hebben en die dus ook in Nederland sv-verzekeringspremie hebben betaald. Daarbij geldt dat bedrijven die de NOW aanvragen, geen bonus en geen dividend mogen uitkeren. Als bedrijven onderdeel zijn van een concern, mogen zij ook niet aan het moederbedrijf bonussen en dividend uitkeren. Dat is dus inderdaad ook een verbod. De buitenlandse moeder, die zelf bijvoorbeeld geen werknemers in Nederland heeft en dus ook geen sv-loon betaalt in Nederland, mag dit wel, zoals ook expliciet is gemaakt in de toelichting op 22 juni.

Tot slot. Het simpelweg leegtrekken van een dochteronderneming door een moeder kan ook niet. De dochter mag geen bonus of dividend uitkeren aan de moeder. Dat staat in de regeling opgenomen, ook in de geest van de motie-Jetten, zoals de heer Gijs van Dijk zei. Wel geldt — daar ben ik ook ambtelijk op gewezen — dat buitenlandse moeders constructies zouden kunnen optuigen om het dividend- en bonusverbod te ontwijken. Dat blijft natuurlijk ingewikkeld. Dat is buiten Nederland, buiten onze invloedssfeer en buiten ons zicht. Dat risico blijft altijd bestaan, maar de belangrijkste afweging was en is dat met deze regeling de meeste werkgelegenheid in Nederland behouden en overeind gehouden kon worden.

De voorzitter:
Ik geef de heer Van Kent de heer Gijs van Dijk de gelegenheid om hierover kort vragen te stellen. Dan gaan we naar de 55 moties.

De heer Van Kent (SP):
Deze Kamer heeft keer op keer voor regelingen gestemd die vele miljarden kosten en die zijn bedoeld om werkgelegenheid en banen in stand te houden. We hebben daarbij ook keer op keer aangegeven dat het belangrijk is dat we daar een aantal voorwaarden aan stellen. Een hele belangrijke is dat als een bedrijf zoveel overheidssteun krijgt, niet tegelijkertijd aandeelhouders worden gespekt, bonussen worden uitgedeeld of eigen aandelen worden ingekocht. Er is hier een duidelijk voorstel aangenomen. Ik begrijp de constructie met de concerns en met rechtspersonen. Ik heb de stukken mogen bestuderen en ik begrijp ook welke afwegingen en keuzes daar gemaakt zijn, maar onderaan de streep blijft voor de SP één ding fier overeind staan. Dat is dat we als Kamer deze minister de opdracht hebben gegeven om te voorkomen dat die bonussen, aandelen en dividend worden uitgekeerd. Mijn vraag is of de minister bereid is om alsnog de regeling zo aan te passen dat de wens van de Kamer, waarover wij samen met GroenLinks en de Partij van de Arbeid een motie hebben ingediend, wordt geëerbiedigd. Dan is het niet langer mogelijk dat als bedrijven overheidssteun krijgen voor het in stand houden van banen, zij tegelijkertijd de aandeelhouders of zichzelf spekken.

Minister Koolmees:
Die wens heb ik geëerbiedigd in de regeling dat bedrijven die NOW-steun krijgen en die werknemers in Nederland hebben, geen bonussen of dividend mogen uitkeren, ook niet aan hun moeder, zoals ik net ook heb uitgelegd. Daarmee heb ik die regeling in de geest van de motie-Jetten, want daar gaat het om, opgetuigd. Dit staat expliciet in de regeling van 22 juli. Die zin die ik net heb voorgelezen, staat daar ook in. Dat is na de motie-Jetten. Daar heeft u volgens mij Kamerbreed mee ingestemd. Als zo'n regeling is vastgesteld, is dat het juridische kader op basis waarvan wij subsidie geven. Dan kan je niet achteraf zeggen dat je er voorwaarden aan stelt. Dan zal een rechter zo'n besluit vernietigen. Dat kan ik niet, dus het antwoord is nee.

De voorzitter:
Tot slot, de heer Van Kent.

De heer Van Kent (SP):
De pakketten hebben elkaar opgevolgd. Volgens mij is het dus mogelijk dat wij als Kamer aangeven dat wij dat als voorwaarde aan die steun willen verbinden. We hebben dat ook als Kamer duidelijk aangegeven. Er is gekozen voor een invulling die niet in die regeling te lezen was, maar wel in de stukken die nu openbaar zijn gemaakt; het advies van de ambtenaren en het gewijzigd advies van de ambtenaren. Uiteindelijk is de praktijk zoals die nu voorligt. Volgens mij was en is het verzoek van de SP helder: zoek binnen de kaders die er zijn, mogelijkheden om te zorgen dat het nooit zo kan zijn dat als er geld voor banen beschikbaar wordt gesteld, dat verdwijnt of gebruikt wordt binnen een bedrijf om bonussen of dividend uit te keren.

Minister Koolmees:
Twee antwoorden. De motie-Jetten cum suis, die is ondertekend door de leden Segers, Heerma, Dijkhoff, Azarkan, Kroll, Van Kooten-Arissen en Van der Staaij, verzoekt om indien mogelijk als voorwaarde op te nemen dat ... Die hebben we heel netjes uitgewerkt, heel zorgvuldig en zo breed mogelijk. Dat geldt voor de NOW en voor de TVL. Daar lopen we aan tegen het probleem van jurisdictie — namelijk: waar is het bedrijf? — en tegen de afweging wat het beste is voor de werkgelegenheid in Nederland. Die keuze hebben we gemaakt en die hebben we expliciet opgenomen in de toelichting op de regeling die op 22 juli naar uw Kamer is gestuurd. Daar heb ik niks verborgen, dat is expliciet opgenomen in het kader van de werkgelegenheid. Daar heeft u ook mee ingestemd. Dan kan ik niet achteraf zeggen dat we die regeling gaan aanpassen. Dat is ook geen rechtsstaat, zal ik maar zeggen.

De voorzitter:
Dat heeft u gezegd. Dan ga ik naar de heer Gijs van Dijk.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):
Toch nog even op dit punt. Er gaan inderdaad miljarden aan belastinggeld naar bedrijven. Gelukkig maar, want daardoor worden heel veel banen behouden.

Minister Koolmees:
Precies.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):
Wat we niet willen, is dat er dan bonussen of dividend worden uitgekeerd. Ik begrijp het punt van die internationale concerns, maar we hebben een paar grootverbruikers, bijvoorbeeld KLM, maar bijvoorbeeld ook het uitzendbureau Adecco, dat in Zürich zit, maar hier veel vestigingen heeft. Ik kan me wel voorstellen dat er politieke druk blijft vanuit het kabinet op die bedrijven die best veel belastinggeld gebruiken en die internationaal gevestigd zijn, om te zeggen: jongens, let even op, Nederland betaalt voor een fiks deel mee voor de personeelskosten, we zouden het netjes vinden om die bonus niet uit te keren.

Minister Koolmees:
Het voorbeeld dat ik noemde, is de discussie over KLM en Air France. De heer Hoekstra heeft namens het kabinet ook benadrukt dat we dat ook vinden. Dat geeft ook wel aan hoe ingewikkeld dat is, want het gaat over een buitenlandse moeder en een Nederlandse werkmaatschappij, waar heel veel mensen werken. Als die steun wegvalt, zijn die mensen hun baan kwijt. Maar ik ben het met u eens en de heer Hoekstra heeft dat ook gedaan, mede namens u, na die oproep van de Tweede Kamer.

De heer Smeulders (GroenLinks):
Kijk, we willen allemaal dat zo veel mogelijk banen behouden blijven, maar we willen niet dat Nederlands belastinggeld in de zakken van buitenlandse aandeelhouders verdwijnt. Kan de minister toezeggen een gesprek te voeren, net als bij KLM, met alle bedrijven waar naar buiten komt dat ze dit wel doen, om duidelijk te maken dat dit niet de bedoeling is?

Minister Koolmees:
Dat is een terechte vraag. Daarom is ook in de regeling opgenomen dat een bedrijf dat in Nederland voldoet aan de NOW-steun, geen bonussen en dividend mag uitkeren, ook niet aan de moeder, dus dat er geen geld wegstroomt. Dat wordt ook gecontroleerd bij de vaststelling van de subsidie. Maar dat is iets anders dan dat wij inzicht hebben in wat de buitenlandse moeder doet, want dat kunnen we niet controleren. Eens. Dat is ook in de lijn van de regeling.

De voorzitter:
Dan is dit punt voldoende gewisseld, denk ik. Dan gaan we naar de moties.

Minister Koolmees:
Sorry, voorzitter, nog een paar vragen. De heer De Graaf stelde een vraag over de Moslimbroederschap. Zoals in de schriftelijke set van gisteravond staat, is het de inschatting van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten dat de kern van de Moslimbroederschap in ons land uit een slechts beperkt aantal personen bestaat en dat de invloed in Nederland daarmee beperkt is. Maar het blijft wel de aandacht houden van het kabinet. We houden het in de gaten.

Dan mevrouw Van Brenk over de Landelijke Cliëntenraad. De LCR heeft in zijn brief een duidelijk signaal afgegeven dat er aandacht moet zijn voor ouderen in armoede. Het kabinet vindt het belangrijk dat ouderen niet in armoede vervallen. De AOW-uitkering biedt dan ook een inkomen dat hoger ligt van het sociaal minimum. Hierdoor is het risico op armoede lager dan onder andere leeftijdsgroepen en ook in internationaal perspectief laag. Mevrouw Van Brenk zei dat dinsdag zelf ook: 2% is in internationaal perspectief laag.

We kunnen wel discussie hebben over mensen met een onvolledige AOW-opbouw. Drie weken geleden hebben we daarover gedebatteerd bij het debat over Surinaamse Nederlanders en de AIO. Het heeft al onze aandacht om niet-gebruik tegen te gaan. Daarnaast indexeren we voor alle ontvangers de AOW twee keer per jaar. Verder is er altijd nog de mogelijkheid van individueel maatwerk op gemeentelijk niveau als dat nodig mocht zijn. Met andere woorden, er zijn verschillende routes waarbinnen we het risico op armoede tegengaan.

Dan de moties.

De voorzitter:
Mevrouw Van Brenk, een hele korte vraag.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ja, een hele korte vraag. Staat de minister welwillend tegenover de voorstellen die de LCR doet?

Minister Koolmees:
Nou, er zijn heel veel verschillende voorstellen, waarvan een deel al is opgepakt en onderhanden werk is. Ik heb niet het hele overzicht voor me, maar het heeft onze aandacht en we zijn ermee aan het werk. De specifieke aanbevelingen heb ik niet bij me.

De voorzitter:
Dan gaan we naar de moties.

Minister Koolmees:
De motie op stuk nr. 23 van de heer De Jong en de heer Wilders over de btw-verlaging moet ik ontraden. We hebben een steunpakket gericht op werkgelegenheid en het in stand houden van een inkomensvoorziening. Dat is onze inkomensondersteuning en dan helpt het niet om de btw of de huren te verlagen. Het moet gericht zijn op banen, steun en herstel, en van-werk-naar-werk. Daarom ontraad ik de motie.

Dan de motie op stuk nr. 24 over pensioenkortingen. We hebben het er in de eerste termijn over gehad. De komende jaren geldt een overgangsperiode. Ik moet de motie ontraden. Binnenkort praten we nader over het wettelijk kader.

Over versoberingen hebben we het uitgebreid gehad, zowel twee weken geleden als dinsdag. U ontvangt eind november, begin december de brief over het weegmoment. Daarom moet ik de motie op stuk nr. 25 ontraden.

Dan de motie op stuk nr. 26 van de heer De Jong en de heer Wilders. Grenzen sluiten voor migranten wil ik ontraden, ook met verwijzing naar het feit dat er 500.000 mensen in Nederland werken die belastingen en premies betalen en die sectoren aan de gang houden. Ik ontraad de motie.

Dan de motie op stuk nr. 27 van De Graaf en Wilders …

De voorzitter:
Die is aan de Kamer gericht.

Minister Koolmees:
O, "verzoekt de Kamer", dus die is niet aan mij.

Dan de motie op stuk nr. 28 van de heer De Graaf. Ontraden.

De motie op stuk nr. 29 verzoekt de regering om bij aanslagen waarbij het motief overduidelijk islamitisch is, de moordende politieke correctheid te laten varen en deze aanslagen te benoemen voor wat ze zijn, namelijk islamitisch terrorisme. Ontraden.

Dan de motie op stuk nr. 30.

De voorzitter:
Heel kort, meneer De Graaf.

De heer De Graaf (PVV):
Wat is er tegen het benoemen van feiten, vraag ik de minister via de voorzitter?

Minister Koolmees:
Helemaal niks, maar als iets een feit is, wordt het ook benoemd, is mijn ervaring. Daar hebben we geen motie voor nodig.

De heer De Graaf (PVV):
Nou, we hebben kort geleden drie aanslagen gezien, twee in Frankrijk en een in Wenen. Het was nogal wat, laat ik het zo maar zeggen. De aanslagen waren overduidelijk islamitisch van aard. En toch schrapt de EU met steun van Nederland het woord "islamitisch" uit een verklaring. Waarom maken wij ons niet hard om dat woord er gewoon in te houden? Waarom spreekt de regering hier in Nederland niet gewoon van islamitische aanslagen? Zo moeilijk kan dat toch niet zijn?

Minister Koolmees:
Mijn beeld is absoluut niet dat dit moeilijk is en dat hier woorden verboden zijn. Volgens mij is het zorgvuldig om continu in uitlatingen na te denken en bij de feiten te blijven. We hebben geen motie van de Kamer nodig om dat continu in een persverklaring te zetten. Daarom: ontraden.

De motie op stuk nr. 30 verzoekt de regering de vrijheid van meningsuiting te beschermen en als voorbeeld daarvan Mohammedcartoons als verplichte lesstof aan te merken op iedere school. Vorig week is hierover uitgebreid gesproken met minister Grapperhaus en de minister-president, maar ook de week daarvoor met collega Slob, toen het ging over burgerschapsonderwijs. Deze motie ontraad ik.

De motie op stuk nr. 31 van mevrouw Nijkerken-de Haan en mevrouw Tielen over startbanen wil ik graag het oordeel Kamer geven.

De motie op stuk nr. 32 doet de staatssecretaris.

De motie op stuk nr. 33 van mevrouw Nijkerken-de Haan, Tielen, Palland, Van Weyenberg, Bruins over de Ambachtsacademie krijgt het oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 34 van mevrouw Nijkerken-De Haan en mevrouw Tielen over de knelpunten bij de webmodule: oordeel Kamer.

De staatssecretaris doet de motie op stuk nr. 35.

In de motie op stuk nr. 36 van de heer Smeulders over het minimumloon wordt mij niet om een oordeel gevraagd, want er staat "spreekt uit". Ik vind het een belachelijke motie, maar er wordt mij niet om een oordeel gevraagd. O, zei ik dat hardop?

De voorzitter:
Het staat in de Handelingen, ja.

Minister Koolmees:
Dan de motie op stuk nr. 37, waarin de regering wordt verzocht nog voor de start van de formatie een aantal opties uit te werken om de positie van huishoudelijk werkers te verbeteren. Voor deze motie heb ik iets meer woorden. Ik ga de motie ontraden. Waarom? Ik begrijp de vraag van de heer Smeulders en normaal gesproken zou ik zeggen: dat doen we. Maar we hebben nu gewoon geen capaciteit over voor die periode. Er is een rapport van de commissie-Kalsbeek uit 2014 waar heel veel varianten en werk in zitten en dat al beschikbaar is. Ik moet de motie echt ontraden, want anders raken mijn mensen echt overwerkt. Dat wil ik niet.

De moties op stukken nrs. 38, 39 en 40 doet de stas.

De motie op stuk nr. 41 van mevrouw Palland en mevrouw Tielen over de bedrijfsscholen krijgt oordeel Kamer.

Dan de motie op stuk nr. 42 over de definiëring van zzp-schap: oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 43 van mevrouw Palland gaat over de passendheid van het sociaal minimum, het wml en de toeslagen. Ik heb daarbij twee opmerkingen. Een: het Nibud kijkt periodiek of huishoudens op het sociaal minimum de huishoudbegroting rond kunnen krijgen. Die passendheidstoets vindt een keer in de zoveel tijd plaats. Als u het goedvindt, wil ik daarbij aansluiten. Twee: er loopt ook al een uitwerking van de verschillende toeslagenvarianten. Die komt binnenkort via mevrouw Van Huffelen, mede namens mij en de staatssecretaris, naar uw Kamer. Tegen deze achtergrond geef ik de motie oordeel Kamer.

De heer Smeulders wil nu een terechte vraag gaan stellen: waarom dit wel en zijn motie niet? Ik kan dit toezeggen omdat er al trajecten lopen die hier invulling aan geven. Het traject van mevrouw Van Huffelen over de toeslagenvarianten komt binnenkort naar uw Kamer. Dat is één deel. Het Nibud doet periodiek een passendheidstoets voor het sociaal minimum. Dat is het andere deel. Daarmee loopt dit al en daarmee kunnen we dit samen nemen. Het is dus geen extra werk. Het is niet overbodig, maar je moet ze aan elkaar nieten.

De voorzitter:
Jullie hebben tot dinsdag de tijd om dat te doen.

Mevrouw Palland (CDA):
Ik snap de discussie over of het overbodig is of niet, maar er loopt hierover volgens mij ook nog een CPB-uitwerking.

Minister Koolmees:
Ja.

Mevrouw Palland (CDA):
Het gaat er natuurlijk om dat wij allemaal hebben uitgesproken dat wij op enigerlei wijze het wml willen verhogen. Gisteren hebben we contact gehad of we daarover vandaag al overeenstemming kunnen bereiken, maar dat is nog niet zover.

Minister Koolmees:
Nee.

Mevrouw Palland (CDA):
We hebben daar ook informatie over nodig. We moeten ook kijken wat de consequenties zijn voor de werkgelegenheid en de koppeling aan de uitkeringen. Ik wil graag dat het kabinet daarvoor het voorbereidende werk doet, zodat we volgend voorjaar spijkers met koppen kunnen slaan.

Minister Koolmees:
Dat klopt en dat zijn we al aan het doen. In het kader van de toeslagendiscussie werken wij alternatieven uit overeenkomstig de door uw Kamer met 150-0 aangenomen motie. Daarin speelt ook de verhoging van het wml als een knop, om daarmee mogelijk te maken dat toeslagen worden afgeschaft, maar dan wel als totaalonderdeel daarvan.

De moties op stuk nr. 44, 45, 46 en 47 doet de stas.

De motie op stuk nr. 48 gaat over het minimumloon. In vervolg op het gesprek van net wil ik deze ontraden, ook onder verwijzing naar wat er nog komt via de motie van mevrouw Palland.

De motie op stuk nr. 49 van de heer Van Kent doet de stas.

Dan de motie op stuk nr. 50 van de heer Van Kent, de heer Smeulders en de heer Gijs van Dijk. De motie gaat over de NOW en daar hebben we het over gehad. Deze motie wil ik ontraden.

De motie op stuk nr. 51 gaat weer over het minimumloon en moet ik dus ontraden. Of is het een spreekt-uit? Nee, het is een verzoekt-de-regering. Dan moet ik de motie ontraden.

De motie op stuk nr. 52 doet de stas.

De motie op stuk nr. 53 doet de stas.

De motie op stuk nr. 54 doet de stas.

De voorzitter:
Voor de mensen die meeluisteren: "stas" is staatssecretaris.

Minister Koolmees:
Staatssecretaris, excuus. Stas-Bas!

De motie op stuk nr. 55 van de heren Van Weyenberg en Jasper van Dijk gaat over C-support. Die wil ik graag oordeel Kamer geven.

De moties op stuk nr. 56, 57, 58, 59 en 60 zijn voor staatssecretaris Van 't Wout.

De motie op stuk nr. 61 is van Gijs van Dijk, Van Kent en Smeulders. Die gaat over de crisisbanen. Ik heb daarbij twee opmerkingen. Eén is dat er nu staat dat er geen sprake kan zijn van werken met behoud van uitkering. Ik heb van de week een brief naar de Kamer gestuurd met daarin twee routes. Ik wil niet dat vrijwillige banen hierdoor worden gefrustreerd, en ik weet dat de heer Gijs van Dijk dat ook niet wil. Maar er zijn allerlei initiatieven in de zorg en in het onderwijs die dit juist mogelijk maken. De geest van de crisisbanen, of van de "coronabanen" zoals wij ze noemen, is inderdaad dat het gaat om extra, tijdelijke werkgelegenheid om sectoren als de zorg, het onderwijs en de publieke handhaving door de coronawinter heen te helpen. Dat zijn gewoon normale banen. Met die opmerking wil ik hem dus graag oordeel Kamer geven. Vrijwillig werk moet wel mogelijk blijven, ook voor mensen die bijvoorbeeld in een uitkering zitten.

De motie op stuk nr. 62 van Gijs van Dijk, Van Kent en Smeulders gaat over de werkgarantie per 1 december. Onze inzet is daarop gericht. 1 december kan ik niet garanderen, want we hebben begin december daar nog een overleg over. Daarom wil ik de motie ontraden. Maar de geest van deze motie is de geest van onze inzet.

De voorzitter:
Heel kort de heer Gijs van Dijk.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):
Dit is vooral om de andere partijen in de Kamer op te zwepen. Ga echt aan het werk en ga afspraken maken. Ik weet dat dat de minister helpt. Twee is: ik zie ook een rol voor de Sociaal-Economische Raad, met het een leven lang ontwikkelen. Ik zou de minister ook willen oproepen om die hierbij te betrekken.

Minister Koolmees:
Mevrouw Hamer en ik bellen elkaar wekelijks minimaal één keer. We trekken samen op bij een leven lang ontwikkelen en ook bij de regionale ontschotte arbeidsbudgetten. Dat doen wij dus zeker.

De moties op stuk nr. 63, 64, 65 doet de staatssecretaris.

De motie op stuk nr. 66 is van de heer Stoffer, mevrouw Tielen en de heer Van Weyenberg. Die motie gaat over de zzp. Oordeel Kamer. Deze motie is in lijn met de afspraken uit het pensioenakkoord. O, heb ik het nu niet goed gelezen?

De voorzitter:
Het is "oordeel Kamer", meneer Van Weyenberg.

De heer Van Weyenberg (D66):
Ja, voorzitter, excuus. Ik was even in verwarring na het vorige debatje tussen de heer Gijs van Dijk en de minister. Ik meen dat ik de minister hoorde zeggen dat hij de motie ontraadde. Toen hoorde ik een invulling van de heer Van Dijk, en ik vroeg mij af of het "ontraden" nou nog staat.

Minister Koolmees:
Ja, het "ontraden" staat. Het signaal van de heer Van Dijk geef ik over aan de sociale partners. Ik weet dat ze ook meekijken, dus ze hebben het signaal gehoord. Maar het kan net een paar dagen later worden dan 1 december. En het is ook gedifferentieerd. We zijn begonnen met die drie sectoren of die drie regio's. Misschien moet de rest wat later.

De voorzitter:
Dus het oordeel is?

Minister Koolmees:
Dat blijft hetzelfde. Het blijft "ontraden". Maar de heer Van Dijk kan de motie ook aanhouden.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):
Dan houd ik de motie aan.

Minister Koolmees:
Dank u, goed.

De voorzitter:
Op verzoek van de heer Gijs van Dijk stel ik voor zijn motie (35570-XV, nr. 62) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Minister Koolmees:
De motie op stuk nr. 67 doet de stas.

De motie op stuk nr. 68 is van de heer Stoffer en de heer Smeulders en gaat over de mogelijkheid om een landelijk expertisecentrum rouw te betrekken bij het onderzoek. Oordeel Kamer.

De moties op stuk nr. 69, 70, 71, 72 en 73 zijn voor de staatssecretaris.

De motie op stuk nr. 74 is van de heer Kuzu en de heer Stoffer. In die motie verzoeken zij de regering af te zien van de versnelde afbouw van de zelfstandigenaftrek. Dat ontraad ik, indachtig de discussie over de zzp.

Dan de motie op stuk nr. 75 van mevrouw Van Brenk, over twee jaar verlenging van de wederindiensttredingsvoorwaarde. Ik acht het verlengen met twee jaar niet werkbaar. Werkzaamheden veranderen en werknemers zoeken en vinden meestal sneller weer een baan. Daarom wil ik deze motie ontraden.

De motie op stuk nr. 76 van mevrouw Van Brenk, over een tijdelijke verlaging van de AOW-leeftijd, vind ik wel saillant in verband met de vorige week met algemene stemmen aangenomen verhoging van de AOW-leeftijd. Dus deze motie wil ik ontraden.

De motie op stuk nr. 77 is voor de staatssecretaris.

De voorzitter:
Heel kort, mevrouw Van Brenk.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik had nog gevraagd of de minister zijn relaties wilde aanwenden richting het ABP.

Minister Koolmees:
Ik denk dat mevrouw Van Brenk meer relaties heeft met het bestuur van het ABP dan ik, maar dat terzijde. Ik zal het onder de aandacht brengen.

De voorzitter:
Dank u wel. We gaan snel even wisselen. Dan geef ik nu het woord aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Van 't Wout:
Dank u wel, voorzitter. Ik had nog een aantal vragen openstaan.

Allereerst is er de vraag van het CDA waar ik nog even op terug zou komen, over de banken en hun rol bij vroegsignalering. Mijn intuïtie was juist, dat we daar al heel veel doen. De Nederlandse Vereniging van Banken, de ING en de Rabobank zijn bijvoorbeeld actief partner bij de Nederlandse Schuldhulproute, een onderdeel van alles wat we met het Schuldenlab doen. Veel banken maken op hun website verwijzingen naar de Nederlandse Schuldhulproute, ook zo'n mooi initiatief. Daar gebeurt gelukkig heel veel, dus dat goede idee wordt volgens mij al uitgevoerd.

De heer Van Kent vroeg nog een keer naar de uitvoeringslast van de partnertoets. Ik heb daar een hele brief over geschreven, samen met de VNG en Divosa. Op hen vertrouw ik echt in dit vraagstuk, dus daar wil ik ook naar verwijzen, los van de verder ook inhoudelijke verschillen in waardering van de partnertoets die wij kunnen hebben.

Mevrouw Van Brenk wilde nog twee vragen van Ieder(in) aan mij doorgeleiden. Mijn voorstel zou zijn om die te betrekken bij bijvoorbeeld het debat over het breed offensief. Dan kunnen we daar echt even recht aan doen, want die vragen verdienen de aandacht. Ik zie haar knikken.

Dan kom ik bij de moties. De motie op stuk nr. 32 over de loonkostensubsidie van mevrouw Nijkerken-de Haan en anderen krijgt oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 33 van mevrouw Nijkerken-de Haan en mevrouw Tielen over het thuiswerken geef ik ook oordeel Kamer. Die kan ik mooi betrekken bij mijn traject waar ik net over vertelde.

De voorzitter:
Er is wat verwarring over de motienummers.

Staatssecretaris Van 't Wout:
Excuus, het is nummer 35. Ik zat door te tellen. De min heeft er natuurlijk ook een paar gedaan. Dan ga ik naar de motie op stuk nr. 38 van de heer Renkema.

De voorzitter:
Was uw appreciatie van nummer 35 al helder? Was het oordeel Kamer?

Staatssecretaris Van 't Wout:
De motie op stuk nr. 35 krijgt inderdaad oordeel Kamer.

Dan de motie op stuk nr. 38 van de heer Renkema om de ervaringswerkers in te zetten.

De voorzitter:
Dat is nummer 33, toch?

Staatssecretaris Van 't Wout:
Bij mij is het 38.

De voorzitter:
O nee, dat nummer noemde ik net zelf.

Staatssecretaris Van 't Wout:
Nu had ik het wel goed.

De voorzitter:
En ik weer niet. Het lijkt wel Bingo.

Staatssecretaris Van 't Wout:
Nummer 38 van de heer Renkema over de ervaringswerkers. Dat is een goed idee. Dat ga ik graag doen, dus ik geef oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 39 van de heren Renkema en Van Kent moet ik ontraden. We hebben in Nederland echt hele strenge wetgeving als het gaat over nachtwerken, ook veel strenger dan in Europa. Ik zie dus geen aanleiding om die nu aan te scherpen. Ik ga overigens wel in gesprek met distributiecentra over hoe we hiermee omgaan.

Dan de motie op stuk nr. 40 van de leden Palland en Peters over het onderzoeken van de littekeneffecten bij de jongere generatie. Daarover laat ik het oordeel aan de Kamer.

De motie op stuk nr. 44 van de heer Peters en vele anderen over de kostendelersnorm wil ik betrekken bij mijn aangekondigde verkenning, en daarom geef ik deze oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 45 gaat over de zoektermijn en ex-gedetineerden. We zijn al bezig om samen met de gevangenissen te bevorderen dat mensen die zoekperiode vier weken voor vrijlating starten. Ik ben ook bereid om mede op basis daarvan te inventariseren hoe dat verder moet lopen. Ik geef dus oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 46 is van het lid Peters, met een ongelofelijk brede ondertekening die mijn oordeel waarschijnlijk al verraadt. Die motie verzoekt de regering om een plan te maken over de ggz en dakloosheid en krijgt ook oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 47 vervat eigenlijk de gesprekken die wij hadden over de sw-bedrijven. Ik zei daarover al dat we echt de vinger aan de pols houden. Ik geef dus oordeel Kamer. Die motie was van de leden Peters en Jasper van Dijk.

De motie op stuk nr. 48 van de heer Van Kent wil ik ontraden. Ik heb u al wel gezegd wat ik ga doen met de wal-en-schipzaken en daar kom ik op terug in de brief die we eind november dan wel begin december sturen. Ik kijk nu wat hier een passende regeling is. We kunnen ook afspreken dat u de motie tot die tijd aanhoudt.

Dan de motie op stuk nr. 52, van de heer Jasper van Dijk. Dit gaat over het categoraal uitzonderen van een aantal mensen voor de kostendelersnorm. Dat wil ik op dit moment niet doen. U weet wat we al tijdelijk hebben gedaan op basis van de motie-Smeulders. Dat zeg ik dus over de motie op stuk nr. 52.

De heer Van Kent (SP):
In blijde verwachting van de uitkomst van de gesprekken houd ik de motie op stuk nr. 48 even aan.

De voorzitter:
Op verzoek van de heer Van Kent stel ik voor zijn motie (35570-XV, nr. 48) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Staatssecretaris Van 't Wout:
Dat is fijn.

De motie op stuk nr. 53 van de heer Jasper van Dijk over de jongerenuitkering wil ik ontraden. Ik wil dat niet structureel doen. Daarvoor is maatwerk nodig. Ik vind ook dat we de verantwoordelijkheid van ouders en hun zorgplicht tot 21 jaar niet helemaal ongedaan moeten maken.

De motie op stuk nr. 54 van de leden Van Weyenberg en Smeulders gaat over thuiswerken. Ik betrek de adviesaanvraag bij de SER bij wat ik daar van plan was. Die motie krijgt dus oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 56 van het lid Van Weyenberg en vele anderen vraagt om de klinische arbeidsgeneeskundige zorg in ziekenhuizen een meer integraal onderdeel te laten uitmaken. Ik geef oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 57 van mevrouw Van Beukering-Huijbregts en een aantal anderen gaat ook over de kostendelersnorm. Ik zal de gemeenten vragen actief mee te denken over mijn verkenning naar de kostendelersnorm.

De voorzitter:
Wat is het oordeel?

Staatssecretaris Van 't Wout:
Sorry, dat is oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 59 is ook van mevrouw Van Beukering-Huijbregts en een aantal anderen. Die motie gaat over een handreiking ...

De voorzitter:
Missen we de motie op stuk nr. 58?

Staatssecretaris Van 't Wout:
U heeft gelijk, de motie op stuk nr. 58 miste ik nog inderdaad. Dat was weer een andere motie en gaat over de maatschappelijke verantwoorde incasso. Die motie was ook van D66 en andere partijen en geef ik oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 59 is ook van mevrouw Van Beukering-Huijbregts. Die motie gaat over het opstellen van een handreiking met betrekking tot de beschikbare instrumenten bij de bestrijding van kinderarmoede. Ik geef die motie oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 60 van mevrouw Van Beukering-Huijbregts en vele anderen gaat over de energieleveranciers. Die motie krijgt ook oordeel Kamer. Daar gebeurt ook al heel veel, zeg ik daarbij.

De motie op stuk nr. 63 is van de heer Gijs van Dijk en de heer Bruins. Die motie gaat over de noodstopprocedure en hoe we daar meer mee kunnen doen. Ik geef die motie ook oordeel Kamer. Dat lijkt me ook conform wat we daarover wisselden in het debat.

Dan kom ik op de motie op stuk nr. 64 over de maximale kredietrente. Ik zou de indieners, de heer Bruins en de heer Gijs van Dijk, willen vragen om de motie aan te houden tot zij een debat met de minister van Financiën hebben. Dit is namelijk echt niet mijn portefeuille. Ik ga hier niet over. Ik wil mijn relatie met de heer Hoekstra de komende tijd echt heel goed houden, want ik zou hem nog weleens nodig kunnen hebben. Anders zou ik de motie moeten ontraden.

De heer Bruins (ChristenUnie):
Ik ben mede-indiener en ga hierover overleggen. Ik laat het nog weten.

Staatssecretaris Van 't Wout:
De motie-Bruins/Peters op stuk nr. 65 over een verkenning naar de kosten en baten van een no-riskpolis wil ik oordeel Kamer geven, maar dat wordt wel een technische verkenning. Gezien de ambtelijke capaciteit kunnen we die wel leveren voor de zomer. Ik zie de indieners knikken.

Dan de motie-Stoffer/Gijs van Dijk op stuk nr. 67 over de bestaande overheidspool breder inzetten. Oordeel Kamer.

De motie-Kuzu c.s. op stuk nr. 69 vraagt om de middelen voor armoede te oormerken. Die motie wil ik ontraden. Dit is echt gedecentraliseerd beleid. Dit zou ook de verantwoordingslasten van de gemeenten enorm doen toenemen. Dat moeten we niet willen in deze tijd. Bovendien zien we ook echt een groei in hoe gemeenten besteden. Deze motie moet ik dus helaas ontraden.

De motie op stuk nr. 70 van de heer Kuzu en anderen verzoekt de regering om met de VNG mensen te informeren over welke voorzieningen er allemaal zijn. Dat vind ik een goed idee. Dat is iets wat we bijvoorbeeld in de brede schuldenaanpak al doen, want er is inderdaad heel veel niet-gebruik van maatregelen die er wel zijn. Ik geef die motie dus oordeel Kamer.

Dan de motie op stuk nr. 71 van de heer Kuzu en vele anderen. Ik verzoek de indieners om deze motie even aan te houden of bij een debat in te dienen waar ook Financiën bij aanwezig is. Want dit is niet iets wat ik zomaar in m'n eentje hier kan toezeggen of regelen. Ik snap best wat er wordt bedoeld.

De voorzitter:
En anders?

Staatssecretaris Van 't Wout:
Anders moet ik haar ontraden. Maar laten we haar gewoon even aanhouden, zodat Financiën er ook even naar kan kijken.

De heer Kuzu (DENK):
Ik kan niet overzien of we in deze periode nog een debat of een commissievergadering zullen hebben met de minister van Financiën erbij. De staatssecretaris kan dit ook onder de aandacht brengen van de minister van Financiën en er schriftelijk even op terugkomen.

Staatssecretaris Van 't Wout:
Daartoe ben ik ook bereid.

De heer Kuzu (DENK):
Zullen we dat dan zo afspreken, als er voor aanstaande dinsdag een inhoudelijke reactie kan komen?

Staatssecretaris Van 't Wout:
Dat is een goede suggestie. Laten we het zo doen.

De heer Kuzu (DENK):
Prima. Dank u.

Staatssecretaris Van 't Wout:
De motie op stuk nr. 72, ook van de heer Kuzu en een aantal anderen, over de capaciteit bij de inspectie voor de bestrijding van arbeidsdiscriminatie. Die motie geef ik ook oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 73 van de heer Kuzu vraagt om 10.000 extra stageplaatsen te realiseren binnen de rijksoverheid. Dat is echt aan het ministerie van BZK. 10.000 lijkt mij ook ambitieus, maar dat oordeel is aan de minister van BZK. Die motie moet dus even aangehouden worden of ergens anders worden ingediend.

De voorzitter:
Oordeel?

Staatssecretaris Van 't Wout:
Anders moet ik haar ontraden.

De voorzitter:
Oké. Gaat u verder.

Staatssecretaris Van 't Wout:
De motie op stuk nr. 77 van mevrouw Van Brenk en de heer Kuzu, met de verwijzing naar het debat over welke regeling ook alweer aan de grondslag ligt van de verlaging van de bijstand. Die motie moet ik ontraden.

Dat waren volgens mij mijn moties.

De voorzitter:
Ja? De heer Bruins.

De heer Bruins (ChristenUnie):
Aangezien minister Hoekstra toch in de pen moet klimmen voor meneer Kuzu, laat hij dan meteen mijn motie op stuk nr. 64 ook even meenemen, qua appreciatie. Dat zou mijn suggestie aan het kabinet zijn, met de wens die door te geleiden.

Staatssecretaris Van 't Wout:
Ik weet natuurlijk niet hoe snel zij op dingen kunnen reageren, maar ik ga het in ieder geval proberen. Anders kunt u haar altijd nog aanhouden.

De voorzitter:
Heel veel dank. We zijn toegekomen aan het einde van de behandeling van de begroting van Sociale Zaken.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
Ik wil de minister en de staatssecretaris hartelijk bedanken, maar ook de Kamerleden en natuurlijk ook de ambtenaren die achter de schermen alles moesten voorbereiden, maar vooral ook de fractiemedewerkers. Die zijn niet zichtbaar, maar die hebben hier ook heel hard aan gewerkt.

Over de ingediende moties gaan wij volgende week dinsdag stemmen. Ik dank iedereen en schors de vergadering even.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Begroting Infrastructuur en Waterstaat 2021

Begroting Infrastructuur en Waterstaat 2021

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

  • het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (XII) voor het jaar 2021 (35570-XII);
  • het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaat van het Infrastructuurfonds voor het jaar 2021 (35570-A).

(Zie vergadering van 18 november 2020.)

De voorzitter:
Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van de begroting Infrastructuur en Waterstaat (35570-XII). Vandaag is aan de orde de beantwoording van de zijde van de regering van de gestelde vragen in eerste termijn. Ik heet natuurlijk de minister en de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat van harte welkom.

Door mij zijn schriftelijke antwoorden ontvangen van de minister van Infrastructuur en Waterstaat op vragen, gesteld in eerste termijn.

Deze antwoorden zullen worden opgenomen in een bijvoegsel bij de Handelingen van deze vergadering.

(Het bijvoegsel is opgenomen aan het eind van deze editie.)

De algemene beraadslaging wordt hervat.

De voorzitter:
Ik geef de minister het woord.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Dank u wel, voorzitter. O, het spreekgestoelte beweegt nog.

De voorzitter:
Ja, het is even zoeken.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Ja, dit is wel een goede hoogte.

Voorzitter. Als ik zo om mij heen kijk, is het eerste wat in mij opkomt: wat vliegt de tijd toch ongelofelijk snel voorbij! De staatssecretaris en ik zijn hier nu al voor de vierde keer met een begroting. De eerste was al drie weken na ons aantreden. Toen moesten we ons eigenlijk nog in alle dossiers inwerken. De Kamerleden waren toen allemaal al veel langer dan wij bezig met een aantal van de onderwerpen. Vervolgens kwam de eerste eigen begroting van dit kabinet. Vorig jaar kwamen we goed op stoom. En nu is het alweer de laatste begroting van dit missionaire kabinet. Daarom wil ik graag beginnen met het uitspreken van mijn dank en waardering aan alle Kamerleden van deze commissie, ook degenen die hier vandaag niet aanwezig kunnen zijn. We weten dat het voor een aantal van hen de laatste begrotingsbehandeling zal zijn. Ik wil graag even de leden Dijkstra, Ziengs, Schonis, Van Eijs, Dik-Faber en Laçin noemen, die al hebben aangegeven dat ze na deze verkiezingen zullen stoppen. Maar ook alle andere commissieleden hebben zich de afgelopen jaren — ieder deed dat vanuit zijn eigen passie, gedrevenheid en ideologische achtergrond — bevlogen ingezet voor de verschillende onderwerpen die onder ons, Stientje en mij, vallen. Dat geldt voor alle Kamerleden, van a tot z. In dit verband is dat van Aalst tot Ziengs. Ze hebben zich allemaal enorm ingespannen.

Het past om te beginnen met verkeersveiligheid, een onderwerp waarop ik altijd een hele goede constructieve samenwerking met uw Kamer heb mogen ervaren. Het staat ons allemaal nog goed voor de geest hoe de heer Stoffer gisteren zijn inbreng begon met een zeer ingrijpende en aangrijpende ervaring in zijn woonplaats Elspeet, waar een gezin jaren geleden door een tragisch ongeval een dochter verloor en recent door een ongeval een kleinzoon. Ik ken geen woorden die zo'n ondraaglijk verdriet zouden kunnen beschrijven. Precies dit soort vreselijke ervaringen is waarom wij met z'n allen sinds 2017 verkeersveiligheid ook als topprioriteit hebben gekozen. We moeten namelijk alles doen wat we kunnen om dit soort leed te voorkomen. Nogmaals, de afgelopen jaren heb ik vanuit uw Kamer heel breed steun ervaren voor het verbeteren van die verkeersveiligheid. Daar wil ik u ontzettend voor danken.

We hebben mooie stappen kunnen zetten. Denk bijvoorbeeld aan het verbod op appen op de fiets. Inmiddels is de MONO-campagne goed ingeburgerd. Denk ook aan het Strategisch Plan Verkeersveiligheid, waar we samen met de provincies, gemeenten en tal van maatschappelijke partners — van de politie en de ANWB tot de Fietsersbond, verzekeraars, het SWOV enzovoort — mee aan de slag zijn. Natuurlijk is ook niet onbelangrijk — verschillende leden hebben dat gisteren benoemd — dat we 500 miljoen euro als cofinanciering beschikbaar hebben gesteld om samen met al die partners te investeren in veiligere wegen, kruispunten et cetera.

Ik wil deze laatste begroting ook graag benutten om nog even te memoreren wat u vanuit de Kamer allemaal aan individuele initiatieven heeft ontplooid. Ik denk dat het heel bijzonder is dat op één beleidsterrein vrijwel ieder Kamerlid met nieuwe ideeën is gekomen. De heer Dijkstra heeft er bijvoorbeeld met een amendement voor gezorgd dat er met 10 miljoen een kennisnetwerk opgericht kon worden waarmee de gemeenten geholpen konden worden om hun risicoanalyses op te stellen. Dat is een hele belangrijke stap om risicogestuurd te kunnen gaan werken.

De heer Van Aalst — ik zie dat hij er nog niet is, maar dit wordt vast overgebracht aan hem — heeft het initiatief genomen om het gebruik van lachgas in het verkeer tegen te gaan. Mevrouw Postma heeft een initiatiefnota opgesteld tegen verkeershufters. Daar zal ik samen met collega Grapperhaus op reageren. Mevrouw Kröger heeft zich steeds weer tomeloos ingezet voor de verkeersveiligheid, vooral rondom scholen. De heer Laçin kwam met een charter voor voetgangers. Dat is iets waar hij specifiek aandacht voor vroeg. De heer Van Dijk vraagt consequent aandacht voor de arbeidsomstandigheden en de verkeersveiligheid van het beroepsgoederenvervoer, van de vrachtwagenchauffeurs. De heer Schonis heeft zich uitdrukkelijk ingezet om de beoordeling van de rijgeschiktheid te verbeteren. Mevrouw Van der Graaf kwam gisteren in haar actieplan met concrete voorstellen voor verbetering van de verkeersveiligheid rond scholen. Ik zal daar straks nader op ingaan. De heer Stoffer heeft zich met zijn technische achtergrond gefocust op de effectieve rijbaanscheiding. Tot slot mevrouw Van Brenk. Ik zag haar net nog in de coulissen. Zij kan vanwege parlementaire verplichtingen nu niet meedoen aan deze begrotingsbehandeling. Ik dank haar voor al haar plannen om de verkeersveiligheid van senioren te verbeteren. Dit is zomaar een bloemlezing, want u hebt allemaal nog veel meer gedaan in de afgelopen jaren. Maar toen ik erover na zat te denken, dacht ik: iedereen is ermee aan de slag geweest.

Ik zal straks nog ingaan op de inhoudelijke vragen over dit onderwerp. Voordat ik begin aan de beantwoording van de vragen van de Kamer zou ik nog een paar inleidende opmerkingen willen maken en willen ingaan op de actualiteit. Daarna zal ik mijn betoog in vier blokjes verdelen. Ik begin weer met de verkeersveiligheid, dan, breed, de mobiliteit, de wegen en maritiem. We hebben natuurlijk ook altijd de vergaarbak overig.

Voorzitter. Ons land is natuurlijk in de greep van het coronavirus. De vrijheid die we gewend waren, is er helaas sinds maart niet meer. We zijn beperkt in onze bewegingsvrijheid. We werken zo veel mogelijk thuis en we spreken familie, vrienden en collega's ineens alleen nog maar digitaal in plaats van gezellig bij elkaar thuis, in een restaurant of in een kroeg. Onze uitjes en vakanties zijn beperkt of helemaal niet mogelijk. De effecten daarvan merken we dagelijks in de verkeersmonitoring. Het is rustiger op de weg, vooral tijdens de piekuren. Het is rustiger in het ov, rustig in de lucht en ook op het water, wat de pleziervaart betreft. Tegelijkertijd zijn er nog heel veel mensen in onze sectoren aan het doorwerken, onder lastige omstandigheden. Ik noem de vrachtwagenchauffeurs, de mensen in de bouw, in de havens, het openbaar vervoer, het verkeersmanagement, Rijkswaterstaat, de ILT en de mensen die in de luchtvracht werken. Al deze mensen houden Nederland dag in, dag uit draaiende. Ik wil meteen even benoemd hebben dat vrachtwagenchauffeurs natuurlijk toegang verdienen tot sanitair. Ze verdienen een schoon toilet en een warme maaltijd. Onze weginspecteurs en de mensen in het ov moeten gewoon veilig hun werk kunnen doen. De staatssecretaris en ik hebben hen in het afgelopen jaar regelmatig bezocht, in het begin live en later digitaal, om ze een hart onder de riem te steken. Want het is aan hen te danken, aan hun inzet en aanpassingsvermogen, dat de schappen in de winkels nog steeds gevuld blijven en dat mensen en goederen veilig op hun plek komen.

Voorzitter. Deze begroting van het ministerie van IenW staat daarmee in een heel ander licht dan alle voorgaande. Op de korte termijn is er heel veel onzekerheid en proberen we de sectoren vooral te ondersteunen bij de uitdagingen die bij deze coronacrisis horen. Om de bouwsector een steuntje in de rug te geven versnellen we dit jaar onze investeringen. We halen voor 1,9 miljard euro aan projecten naar voren. Op die manier proberen we de mensen in de bouw in deze moeilijke tijd in ieder geval wel aan het werk te houden en komen we straks, als de crisis achter ons ligt, weer zo goed mogelijk uit de startblokken. Want investeringen in onze wegen, spoorwegen en vaarwegen blijven nodig. Als we weer normaal kunnen leven en de economie weer aantrekt, moeten we rekenen op weer meer mobiliteit. De heer Dijkstra noemde dat al in zijn inbreng. Dit schreef ook het KiM, ons Kennisinstituut voor Mobiliteitsbeleid, vorige week in de Kerncijfers Mobiliteit 2020. Bovendien is de verwachting dat er in 2030 18,4 miljoen Nederlanders zijn. Het gebruik van onze infrastructuur zal ook daardoor toenemen.

Vanwege de lange voorbereidingstijd die zoals u weet nodig is voor onze projecten, kunnen we het ons niet veroorloven om die lange termijn uit het oog te verliezen. Dat betekent om te beginnen dat wij moeten zorgen dat onze infrastructuur, die volgens de internationale lijstjes van wereldklasse is, ook van wereldklasse blijft. Dan weten we dat er werk aan de winkel is, want veel van onze bruggen, tunnels en sluizen verouderen in een rap tempo, zoals velen van u al zeiden. Ook dat is een rode draad in mijn ministerschap, want aan het begin van deze periode hebben we al besproken dat het onderhoud van de infrastructuur meer aandacht vraagt. Dat is misschien minder sexy, maar het is wel hard nodig. Ook het komend jaar gaat een groot deel van onze begroting daarnaartoe. Voor de staatssecretaris en mij samen gaat het om 3,1 miljard euro. Velen van u benoemden het al: dit zal de komende jaren verder oplopen. We komen hierover nog verder en uitgebreider te spreken bij het NO MIRT. U ontvangt voor het eind van het jaar ook nog de validatie van de onderhoudsopgave van Rijkswaterstaat, uitgevoerd door PWC en Rebel Group.

Voorzitter. De verwachting die ik noemde voor de toenemende verkeersintensiteit op de lange termijn betekent ook dat we juist nu door moeten gaan met de uitbreiding van ons wegennet. Ook daar is de afgelopen drie jaar veel gebeurd. We hopen dit jaar nog een aantal belangrijke afspraken te kunnen maken met de regionale partners. Met het nieuwe stikstofbeleid bouwen we door aan een veilig en bereikbaar Nederland. Dan noem ik even projecten als de Blankenburgverbinding, de A16 Rotterdam en de A1 Apeldoorn-Azelo, waaraan hard verder wordt gewerkt. Daarnaast hebben we natuurlijk ook een heleboel mooie projecten mogen openen, zoals de N18 Varsseveld-Enschede, de A9, omlegging Badhoevedorp en de Gaasperdammertunnel in Amsterdam, waarbij we nu echt bijna alle lintjes kunnen doorknippen. Dat zijn projecten waarbij niet alleen het verkeer erop vooruitging maar zeker ook de omgeving. Verschillende leden hebben daar nog vragen over gesteld, onder anderen mevrouw Kröger en de heer Wassenberg. We spreken elkaar daar nog uitgebreid over bij het notaoverleg MIRT, begin december.

Een grote verbetering die ik ook niet onvermeld wil laten, is dat we het Infrafonds omvormen naar het Mobiliteitsfonds, waardoor we integraal kunnen kijken wat de beste oplossing is voor de bereikbaarheid. Als de Eerste Kamer daar, hopelijk binnenkort, mee instemt, dan kunnen we vanaf 1 januari zo gaan werken.

Dan was er ook nog goed nieuws voor het goederenvervoer via de lucht. De heer Amhaouch refereerde daar ook al even aan. Ook ik ben zeer verheugd dat er nu een voorstel ligt waarbij luchtvracht uit de Wet vliegbelasting gaat. Dat is van groot belang voor dit kleine segment van de luchtvaart waarin heel veel mensen werkzaam zijn en waar een aantal zeer belangrijke sectoren op aangewezen is, niet in de laatste plaats het medisch goederenvervoer, waarvoor luchtvracht een essentiële schakel is.

Voorzitter. Dan nog één algemeen punt: klimaatadaptatie. Dat gaan we als speerpunt natuurlijk nog apart behandelen in het wetgevingsoverleg Water, maar ook op dat vlak wil ik toch even de belangrijke koerswijziging van de afgelopen drie jaar memoreren: niet alleen bescherming tegen overstromingen maar ook een concrete aanpak tegen droogte en extreem weer. Ik noem natuurlijk ook de grote internationale klimaatadaptatiesummit op 25 januari, wereldwijd, waarnaar ik erg uitkijk. Daarnaast verwacht ik dat bij het wetgevingsoverleg Water ook de cybersecurity van onze infrastructuur nog wel aan de orde zal komen.

Dat geldt overigens ook voor de legionellabestrijding, waarvoor de heer Ziengs gisteren aandacht vroeg aan de hand van zijn initiatiefnota uit 2015. Naar aanleiding van de inbreng van de heer Graus wil ik nog het volgende benadrukken. Hij had het er namelijk over dat ons drinkwater niet zou deugen. Dat wil ik toch echt even corrigeren. Ik wil hier nog een keer bevestigen dat onze drinkwaterbedrijven sinds jaar en dag instaan voor kwalitatief zeer hoogwaardig drinkwater, maar daar kunnen we het bij het wetgevingsoverleg Water ook verder over hebben.

Voorzitter, dat waren mijn inleidende zinnen. Dan zou ik nu graag aan het blok verkeersveiligheid willen beginnen.

Ik heb zojuist al het een en ander gezegd over onze gezamenlijke motivatie en inspanningen voor verkeersveiligheid en ik ben ook blij dat we samen al ontzettend veel hebben bereikt. Afleiding achter het stuur en op de fiets pakken we aan met onder meer de MONO-campagne en het appverbod op de fiets. We waarschuwen jongeren voor het gevaar van drank of lachgas in het verkeer. Ik zie de heer Wassenberg nu niet, maar dan kijk ik maar even naar de heer Van Raan. Ik verwacht een enorm warme ondersteuning van de Partij voor de Dieren voor de campagne van TeamAlert die speciaal gericht is op de ballonnen. Dus geen ballonnen, meneer Van Raan, en zeker niet achter het stuur. Jongeren worden daar vandaag in die campagne op gewezen, want lachgasgebruik is echt een toenemend probleem. Veel jongeren denken toch nog steeds dat zo'n ballonnetje in de auto onschuldig is, maar het is echt een levensgevaarlijke ontwikkeling waar veel gemeenten ook mee in hun maag zitten. De campagne "Rij ballonvrij" lijkt me dus echt iets voor u om zich bij aan te sluiten. De slogan is: Word geen clown in het verkeer. De campagne is er helemaal op gericht om jongeren te laten inzien dat lachgasgebruik in het verkeer gewoon echt niet kan en niet normaal is.

De campagne richt zich overigens niet alleen op de bestuurders die lachgas gebruiken, maar nadrukkelijk ook op de passagiers in de auto, want uit onderzoek van TeamAlert blijkt dat jongeren elkaar vaak niet aanspreken op hun gevaarlijke gedrag. Deze campagne wil dus ook de passagiers stimuleren om hun verantwoordelijkheid te nemen en de bestuurder aan te spreken als hij van plan is achter het stuur lachgas te gaan gebruiken. Het is een hele goede zaak dat TeamAlert vandaag die campagne lanceert.

We investeren natuurlijk vooral in veilige wegen, bermen, fietspaden en rotondes, met bijzondere aandacht voor verkeersveiligheid rond scholen. We helpen ouderen zo lang mogelijk te blijven fietsen en dat ook veilig te doen met de campagnes rondom "Doortrappen". We stellen nieuwe regels op voor de lichte elektrische voertuigen, waarbij veiligheid natuurlijk altijd op de eerste plek komt. Daar zijn we druk mee bezig. We moeten ook niet vergeten dat provincies en gemeenten keihard aan de slag zijn om het aantal slachtoffers op provinciale en gemeentelijke wegen verder omlaag te krijgen, want daar gebeuren de meeste ongelukken. Met het Strategisch Plan Verkeersveiligheid en de risico-inventarisaties bij gemeenten en provincies gaan we nu naar de volgende fase, die van de uitvoering. Vanuit het hele land kwamen er meer dan 200 aanvragen binnen voor meer veilige kruisingen, fietspaden en rotondes. Als straks na de coronacrisis de drukte op onze wegen weer toeneemt, is die veilige infrastructuur eigenlijk ook belangrijker dan ooit.

Ik heb besloten om de cofinanciering voor provincies en gemeenten voor het aanpakken van die gevaarlijke verkeerssituaties komend jaar ook uit te breiden. In 2021 stellen we hiervoor nog eens 100 miljoen euro extra beschikbaar, boven op de 100 miljoen die voor 2020-2021 al beschikbaar was. Ondanks dat het vorig jaar drukker was op onze wegen en fietspaden dan het jaar ervoor, zagen we een kleine daling van het aantal verkeersdoden in 2019: een heel klein en heel voorzichtig stapje in de goede richting, maar we hebben nog een lange en moeilijke weg te gaan, en dat is een weg die we met elkaar moeten bewandelen.

Dan nu een aantal vragen die op dit punt zijn gesteld. Er is gevraagd om een reactie op het zespuntenplan dat de ChristenUnie met de VVD heeft opgesteld. Mevrouw Van der Graaf heeft ook gevraagd om een pilot te starten met bijvoorbeeld speltechnologie. Allereerst heel veel dank voor het plan, want ik vind een veilige schoolomgeving ook erg belangrijk. Ik zet me daar samen met de medeoverheden en de maatschappelijke partijen op verschillende manieren voor in. Ik zie uw plan ook echt als een steun in de rug voor de gesprekken die ik voer met al die partijen en ook als een aanmoediging om door te pakken.

Laat ik wat meer ingaan op de specifieke punten. U stelt een pilot met gamification voor om veilig lopen en fietsen naar school te stimuleren. Ik denk dat innovatieve voorstellen altijd welkom zijn, dus ik wil graag met de medeoverheden uw voorstel voor gamification gaan verkennen en dan zullen we ook kijken naar de mogelijkheid om een pilot te starten om veilig lopen en fietsen naar school te stimuleren. Ik denk inderdaad dat het kinderen vaak meer aanspreekt als het in een gamevorm is dan wanneer het in een andere vorm is.

Dan de punten twee en drie: het stimuleren van schoolzones en schoolstraten. Op dit moment financier ik vijftien pilots van de F10-gemeenten, die de fiets bovenaan hebben staan, gericht op een veilige schoolomgeving. Daar zitten ook schoolstraten en veilige schoolroutes in. De opbrengsten of de resultaten van die pilots komen beschikbaar voor alle gemeenten. Ik heb ook al geld beschikbaar gesteld voor verkeersveiligheid rond scholen in de eerste tranche van de impuls voor verkeersveiligheid, dus daar gaan we op die manier echt mee verder.

Dan hebt u nog gevraagd naar het overleg met de navigatiediensten. Ik ben in gesprek met de navigatiediensten om afspraken te maken over de toepassing van beschikbare data die zij hebben. Met de marktleiders zijn gedurende de zomer bilaterale gesprekken gevoerd over de schoolzones, de routering, maar ook over de technieken en de data die zij zelf gebruiken om tot routeadviezen te komen. Navigatiediensten hebben natuurlijk allemaal hun eigen focus en marktaandeel. Sommige richten zich specifiek op Nederland, andere meer op heel Europa. Het is van belang om te beschikken over voldoende betrouwbare data, want daar mag je geen risico mee nemen. De digitale adviezen van die navigatiediensten moeten vooral ook heel goed en actueel aansluiten bij de situatie daadwerkelijk op de weg. Dat vraagt tijd en ook inspanning van medeoverheden. Met hen ga ik ook in gesprek om tot die afspraken te komen. Ik verwacht eerlijk gezegd dat we komend voorjaar tot de eerste afspraken kunnen komen en ik zal u daarover uiteraard ook informeren.

Dan de punten vijf en zes: bewustwording onder jongeren over smartphonegebruik en groepsdruk. Op verschillende manieren zet ik in op het vergroten van bewustwording onder jongeren. In de MONO-campagne is er bijvoorbeeld speciale aandacht voor jonge fietsers. We bekostigen campagnes voor risicobewustzijn van TeamAlert, zoals ik net noemde rond lachgas. Dat doen we ook samen met Veilig Verkeer Nederland. Ik noemde net al de groepsdruk als belangrijk aspect daarvan, dus daar zullen we in het bijzonder aandacht aan besteden. We zullen uiteraard hierover verslag uitbrengen in de gebruikelijke rapportages.

Mevrouw Postma heeft aandacht gevraagd voor appende bestuurders. Die zorg over afleiding door onveilig telefoongebruik deel ik honderd procent met mevrouw Postma. Daarom hebben we vorig jaar het verbod op handheldtelefoongebruik verruimd naar alle mobiele elektronische apparaten. Daardoor wordt handhaving met camera's ook mogelijk. De politie kan nu iemand die appt in de houder en die daardoor het verkeer in gevaar brengt, op basis van artikel 5 van de Wegenverkeerswet wel beboeten. Een verbod op het bedienen van een telefoon in een houder is om meerdere redenen ingewikkeld. Gaat men bij een verbod bijvoorbeeld geen ander gevaarlijk gedrag vertonen, zoals appen met een telefoon op schoot? Het is lastig te handhaven, want de politie kan heel moeilijk zien of iemand appt of de airco of de radio aan het bedienen is. Daarom is die MONO-beweging zo belangrijk, omdat het gaat over wat je wel en niet doet onderweg, ongeacht het apparaat.

Hierbij richten we ons ook op de verzenders van berichten. We richten ons ook op de rol van de werkgever, want u herinnert zich nog wel het onderzoek dat aangaf dat maar liefst 15% van de werkgevers verwacht dat de werknemer tijdens het rijden niet alleen een berichtje leest maar ook nog eens beantwoordt. Totaal onverantwoord. Daar zijn we in MONO-zakelijk heel erg mee bezig.

Maar ik kan me voorstellen waar uw zorg zit, mevrouw Postma, want dat snap ik heel goed. In 2021 wordt artikel 61a over het telefoongebruik geëvalueerd. Het lijkt mij zaak om de punten die u nu hebt genoemd, goed mee te nemen in die evaluatie, en om als we die wet gaan aanpassen, het aspect mee te wegen of we dat misschien toch zouden moeten veranderen.

De heer Stoffer zei dat de minister wel goede stappen had gezet, maar dat de cijfers nog niet goed genoeg zijn. Hij vroeg of ik ervoor wil zorgen dat provincies en gemeenten door kunnen stomen met de uitvoeringsprogramma's om die regionale knelpunten aan te pakken en dat daar structureel voldoende geld voor is. Daar wil ik zeker graag voor zorgen. We bekostigen ook het kennisnetwerk van het SPV om de kennis en de best practices te verspreiden. Er is nu ook een contactpersoon bij de VNG die zich specifiek inzet voor het stimuleren van de risicoanalyses en de uitvoeringsprogramma's. En consulenten van Veilig Verkeer Nederland worden ingezet om gemeenten te informeren. Tijdens het bestuurlijk overleg over verkeersveiligheid van 4 november jongstleden hebben we met de medeoverheden afgesproken dat de risicoanalyses en de uitvoeringsplannen eind 2021 gereed zijn. Veel gemeenten, vooral wat kleinere gemeenten, hebben wat vertraging opgelopen, onder andere door de omstandigheden in de coronacrisis, maar eind komend jaar moet het allemaal klaar zijn. Gemeenten krijgen daar dus iets meer tijd voor.

Tot 2030 is al een rijksbijdrage van 500 miljoen beschikbaar. Een deel van dit geld wordt ook dit jaar al verplicht. Dat heb ik net ook al aangegeven. Daarbij heb ik ervoor gekozen om middelen naar voren te halen om investeringen in verkeersveiligheid te versnellen. Ik zou dat natuurlijk heel graag alvast weer aanzuiveren voor de jaren daarna, maar het is uiteraard aan een volgend kabinet om afwegingen te maken over nog meer structurele middelen voor verkeersveiligheid.

De heer Graus heeft nog aandacht gevraagd voor de rasters bij wegen om aanrijdingen met wild te voorkomen. Ah, daar komt hij net binnen! Meneer Graus, ik heb het over de aanrijdingen met wild. IenW is er veel aan gelegen om te voorkomen dat de verkeersveiligheid en het dierenwelzijn in het geding komen. Om dieren een veilige oversteek te bieden, zijn in het kader van het Meerjarenprogramma Ontsnippering bijna 600 maatregelen genomen. Dan moet u denken aan de faunapassages en de ecoducten. Daarnaast plaatsen we natuurlijk ook rasters langs de weg om de dieren naar die oversteekplaatsen te leiden. Dat noemde u ook al. Dat doen we op locaties waarover men meldt dat er veel dieren op of langs de weg zijn. Dat doen we risicogestuurd voor alle rijkswegen met als doel de beschikbare middelen zo doelmatig mogelijk in te zetten. Er is dus ook volop aandacht voor de rasters.

Voorzitter. Dat waren de vragen over verkeersveiligheid.

De voorzitter:
Goedemiddag, meneer Graus. U komt net aan. Wat wou u zeggen?

De heer Graus (PVV):
Ik wilde een vraag stellen.

De voorzitter:
Nee. Ik ga eerst even kijken naar de Kamerleden. Ik wil eigenlijk het voorstel doen: vier interrupties in tweeën. Dat heb ik net bij de begroting van Sociale Zaken ook gedaan en dat ging hartstikke goed. Dat zijn dus acht vragen. U mag zelf bepalen aan wie. Maar goed, dat wilde ik even zeggen. Verder heeft de minister heel veel complimenten aan Kamerleden gegeven, ook aan u en de heer Van Aalst. Dat heeft u allemaal gemist.

De heer Graus (PVV):
Nee, dat heb ik niet gemist. Ik heb meegeluisterd via de app.

De voorzitter:
Echt waar? O, u heeft meegeluisterd. Goed. Het eerste onderwerp is verkeersonveiligheid, nee, verkeersveiligheid. Dat is afgerond. U wilt daar een vraag over stellen, meneer Graus?

De heer Graus (PVV):
Lang leve de Tweede Kamerapp! Ik kan gewoon alles volgen, mevrouw de voorzitter.

De voorzitter:
Toch is het fijn als u in de zaal bent.

De heer Graus (PVV):
Zeker. Ik ben er toch ook nu? Als ik hoor dat mijn onderwerpen eraan komen, dan kom ik snel. Met gezwinde spoed.

Mevrouw de voorzitter, ik heb even een vraag aan de minister. Ik had ook nog gevraagd naar de boarding onder vangrails voor motorrijders. Op sommige plekken zijn die er al. Als een motorrijder onderuit schuift en met zijn handen of been door zo'n pin van de vangrail gaat, dan rukt dat zijn arm of zijn been eraf. Dat gebeurt. Zo'n boarding kan dat tegengaan. Dan lopen ze ook kneuzingen en mogelijk breuken op, maar dan verliezen ze in ieder geval geen ledematen. In heel veel bochten, ook in mijn omgeving, is die boarding al geplaatst, maar waarom gebeurt dat niet landelijk?

Dan de aanrijdingen met dieren. Ik ben heel blij met die rasters. Op de Veluwe zijn die heel succesvol geweest. Maar ik noem ook die kleine reflectortjes langs de kant van de weg. Die zijn relatief goedkoop. Die worden ook niet overal ingezet. Dat begrijp ik niet. Want als je daar met de koplampen op schijnt, dan schrikken de dieren zich de tering en dan rennen ze weg. Dus dat is ook een afschrikmiddel dat we meer kunnen inzetten.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Zeker. Je ziet dat heel veel provincies en gemeenten daar gebruik van maken. Dat is inderdaad simpel: een klein paaltje met een soort ronddraaiend molentje eraan. Als een auto daar met zijn koplampen op schijnt en er is een beetje wind, dan reflecteert dat alle kanten op. Dat het niet één stille streep licht is, voorkomt juist dat dieren daardoor verblind worden. Daar wordt dus zeker ook naar gekeken, maar dat is vaak niet zo heel erg praktisch bij de rijkswegen. Dat zie je meer bij de provinciale wegen. Maar we hebben daar volop aandacht voor.

Over de motorrijders hebben we, dacht ik, in de schriftelijke beantwoording het een en ander opgemerkt. Het is in ieder geval zo dat we in voortdurend contact staan met de KNMV en met de Motorrijders Actie Groep. Met hen hebben we de afspraak gemaakt dat wij regelmatig van hen een update krijgen als zij denken dat er ergens een gevaarlijke situatie ontstaat, specifiek voor motorrijders, die natuurlijk wat andere eisen stellen dan automobilisten. Daar is dus ook zeker aandacht voor, juist met de motorrijders zelf.

Mevrouw Postma (CDA):
Ik dank de minister voor haar mooie woorden. Het is goed om te zien hoe iedereen hier zo bezig is geweest met die droom van verkeersveiligheid. Ik heb een mooi antwoord gekregen van de minister, maar toch heb ik nog wat vragen daarover. Het ging mij om de duidelijkheid. De minister zegt: als de telefoon op schoot ligt, mag het wel. Maar ik heb juist van de politie begrepen dat dat niet mag en dat dat met die camera's ook gecontroleerd wordt. Wij zitten juist met die balans tussen artikel 5, het in gevaar brengen, en de verslavingsgevoeligheid voor de telefoon. Als we hier om ons heen kijken, zien we ook dat de helft op z'n telefoon zit. We zijn allemaal geneigd om 'm beet te pakken en dat doen we in de auto ook. Het gebruik van de telefoon bij bijvoorbeeld filerijden, waarbij je helaas maar met een slakkengangetje vooruitgaat, is niet gevaarzettend in de zin van artikel 5, dus daarvoor kan je niet beboet worden als de telefoon in de houder zit, maar het geeft wel aan hoe vaak mensen die telefoon gebruiken. Mijn vraag is of er bij de evaluatie van dit artikel goed gekeken kan worden naar al dit soort randvoorwaarden die meespelen, want ik ben bang dat we anders niet genoeg bezig zijn met dit onderwerp.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Ik wil daar zeker geen verwarring over stichten. Ik gaf het voorbeeld van de telefoon op schoot omdat mensen dan denken: dat ziet toch niemand, dan kom ik er wel mee weg. Maar omdat de politie tegenwoordig ook met camera's onder een hoek of soms vanuit een voorbijrijdende touringcar bij mensen naar binnen kan kijken, zijn ze daar niet meer veilig. Ik snap precies wat u bedoelt: het gaat om de gevaarzetting. Die wil je goed in beeld hebben. Ik kan u alleen maar toezeggen dat we al die aspecten goed mee zullen nemen in de evaluatie van het betreffende wetsonderdeel, omdat we hetzelfde doel hebben, namelijk dat je wilt voorkomen dat mensen toch, omdat de telefoon in een houder zit, gevaarlijke situaties gaan creëren. We gaan dat dus gewoon goed meenemen.

De voorzitter:
Gaat u verder.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Voorzitter. Dan kom ik bij het blok mobiliteit. Ik zei het net al: Nederland behoort tot de landen met de beste infrastructuur ter wereld. Om dat zo te houden, moeten we de komende jaren nog flink aan de slag. Wat de heer Dijkstra zei, is waar: mobiliteit brengt mensen vrijheid. Ik denk dat we daar allemaal voorstander van zijn en dat we daar op dit moment misschien wel meer dan ooit naar snakken. We weten ook dat een groot deel van onze infra uit de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw stamt, en dus in rap tempo toe is aan een flinke opknapbeurt. Als we daar dan toch mee bezig zijn, gaan we de wegen, spoorwegen en vaarwegen ook gelijk klaarmaken voor de toekomst. We proberen ze veiliger, duurzamer, meer bestand tegen extreem weer, toegerust met slimmere mobiliteit, meer cybersecure en efficiënter in onderhoud te maken. Hoewel we de boeggolf aan beheer en onderhoud al wel even aan zagen komen, wisten we nog niet precies hoe hoog die golf nou zou worden. Om die reden hebben we de afgelopen jaren de hele onderhoudssystematiek van Rijkswaterstaat en overigens ook van ProRail — daar zal de staatssecretaris nog wel iets meer over zeggen straks — doorgelicht. Die exercitie is nu afgerond. Ik zal uw Kamer voor het einde van het jaar nog informeren over de check, over de second opinion, van PwC en Rebel.

Omdat we de golf groter zien worden en die ook naderbij komt, zetten we ons ook steeds steviger schrap. De afgelopen jaren heb ik al fors geïnvesteerd en in deze begroting voegen we daar een risicoreservering van 470 miljoen euro aan toe. Op de korte termijn zie ik het als een belangrijke opdracht om daarnaast ook de bouw aan het werk te houden. Daarom hebben we voor 44 miljoen euro extra aan onderhoudswerk versneld. Daar zitten allerlei soorten dingen in, bijvoorbeeld het versneld vervangen van traditionele verlichting door ledverlichting, waarbij je ook weer een win-winsituatie creëert. Verder heb ik met de minister van Financiën afgesproken dat we bij de Voorjaarsnota voor nog eens 700 miljoen euro aan onderhoudswerk naar voren halen. Daarmee kunnen we de komende jaren de boeggolf aan. De besluiten over wat nodig is om die golf op de lange termijn aan te kunnen, leggen we, met de doorlichting van de onderhoudsopgave, klaar voor een volgend kabinet.

Er zijn een aantal vragen over gesteld. Allereerst: wat is nou het effect van corona op de mobiliteit? Hebben we misschien minder investeringen in infrastructuur nodig? De huidige mobiliteitsontwikkelingen als gevolg van de COVID-19-crisis zijn natuurlijk niet maatgevend voor de situatie na de crisis. Tijdens het begin van de intelligente lockdown van dit voorjaar daalde de verkeersintensiteit, en daarmee de filedruk, op het hoofdwegennet naar een percentage van tussen de 35% en 50% van het niveau van 2019. Dat komt vooral ook omdat we natuurlijk in korte tijd heel veel zijn gaan thuiswerken. Sindsdien is de verkeersintensiteit weer voor een deel hersteld. We zitten nu weer op zo'n 90% van het niveau van september 2019. De filedruk bleef gelukkig wel laag. Er waren fors minder files dan voor de pandemie. Die fileafname kun je natuurlijk onder andere verklaren doordat mensen meer thuiswerken, maar vooral ook door een betere spreiding van de verplaatsingen.

Wat zullen nu de structurele effecten zijn? Dat weten we niet. Dat is natuurlijk nog onduidelijk. De staatssecretaris en ik zetten er zwaar op in om dat thuiswerken echt te stimuleren, maar we kunnen natuurlijk niet van mensen verwachten dat ze forever zo veel thuis blijven werken als nu het geval is. Nu wordt immers gezegd: werk thuis tenzij het echt niet anders kan. We hopen op een of twee dagen per week thuiswerken. Ik denk dat dat reëel is. Dat mag je van mensen verwachten. We kunnen er natuurlijk niet van uitgaan dat het structureel vijf dagen per week blijft, dat — zoals bij ons op kantoor — de mensen een keer in de maand een teammeeting mogen hebben. Dat is niet houdbaar.

Daarnaast zien we ook een trend dat mensen steeds meer online hun inkopen doen. De mobiliteit groeit daar ook enorm door, door al die pakketjes die thuis bezorgd worden. Waar iemand eerst naar de stad ging en met een paar boodschappentassen thuiskwam, worden er nu allerlei verschillende losse pakketjes aan huis bezorgd. De staatssecretaris zal daar in het kader van innovatieve stadslogistiek ook nog wel iets over zeggen, maar dat vervoer gaat natuurlijk ook gewoon over onze rijkswegen.

Bij de opvolger van de NMCA in 2021 voegen we daarom ook een onzekerheidsverkenning toe, die inzicht moet geven in mogelijke langetermijneffecten van die crisis op de mobiliteit. De huidige verwachting is dat het effect van COVID-19 voor de lange termijn beperkt zal zijn. Zo laat het KiM in de laatste prognose zien dat in 2025 het openbaar vervoer waarschijnlijk weer op het niveau van 2019 is. Dat hopen we natuurlijk ook. Je ziet nu een verschuiving van het collectief vervoer naar het individueel vervoer. Je ziet dat mensen angst hebben voor het ov en daarom toch liever in de eigen auto of op de fiets stappen. Dat laatste is natuurlijk wel prima. Het KiM verwacht dus dat in 2025 het openbaar vervoer zich weer hersteld zal hebben en dat de drukte op de weg tegen die tijd met 5% tot 10% is gestegen. Daar is dan dus het thuiswerkeffect — nogmaals, niet het thuiswerkeffect van nu maar het thuiswerkeffect van een of twee dagen — in meegenomen.

Dan resteert dus nog steeds een heel grote opgave. Dat zal uiteraard ook per regio verschillen. We zullen ook dan verschillen blijven zien tussen het stedelijk gebied en het platteland. Maar het is heel belangrijk dat we ons investeringsprogramma uitvoeren en dat we ook in de toekomst nieuwe projecten blijven opstarten. Specifiek over het op peil houden van het aanbod van het landelijke en regionale ov-systeem zal de staatssecretaris zo nog komen te spreken.

Dan zijn hier ook een heel aantal vragen over gesteld. Ik doe mobiliteit nu even breed, ik doe nu maar even alles door elkaar. De heer Van Dijk heeft gevraagd: wat gaat de minister doen aan sociale misstanden in het wegvervoer, bijvoorbeeld aan het ongeoorloofd doorbrengen van de weekendrust in de cabine? Gaat de ILT meer handhaven? Wij delen met elkaar de waardering voor het werk van de chauffeurs. Het is van groot belang dat ze worden behandeld met het respect dat ze verdienen, zodat ze ook op een verantwoordelijke manier hun werk kunnen blijven doen. Zoals ik al aan het begin van mijn betoog heb gezegd: daarbij horen de sanitaire voorzieningen langs de weg, maar ook natuurlijk voorzieningen bij de bedrijven waar die chauffeurs moeten laden en lossen. Dus ook hen spreek ik op deze manier nog maar een keer aan: zorg voor een open deur voor de chauffeurs en ontvang ze met open armen, zou ik zeggen.

De sector heeft dit jaar afspraken gemaakt over de beschikbaarheid van sanitair. Die zijn vastgelegd in een convenant. Ik roep alle wegrestaurants, tankstations en bedrijven die worden bevoorraad door onze beroepschauffeurs op om hun sanitair gewoon beschikbaar te blijven stellen. Ik wijs ook op de campagne van de werkgevers, "een schoon toilet voor iedereen", waarin aandacht wordt gevraagd voor dit onderwerp.

Dan specifiek over de handhaving. Daar had de heer Van Dijk ook vragen over gesteld. De ILT handhaaft natuurlijk op de naleving van de rij- en rusttijden. Die 45 uur rust mag natuurlijk niet in de cabine. De ILT heeft in 2018, toen we hier echt mee startten, een flyeractie gehouden. Sindsdien zijn er een kleine 1.000 controles op de wekelijkse rust uitgevoerd. ILT doet dit aan de hand van risicoanalyses, om op die manier de capaciteit zo efficiënt mogelijk in te zetten. Daar zijn een heel aantal boeterapporten uit voortgekomen. Voor de mensen die regelmatig op Twitter zitten: ik kan u "inspecteurwegvervoer" aanraden. Dat is een leuk twitteraccount om te volgen, waar je kunt zien dat die inspecteurs dagdagelijks erbovenop zitten, of het nou gaat om tacograaffraude of wat dan ook voor overtreding. Af en toe schrik je echt van wat ze tegenkomen.

De voorzitter:
Bent u nog bezig met het onderwerp mobiliteit?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Misschien kan ik nog zeggen dat we de komende jaren 2.400 extra truckparkings gaan realiseren, die daar natuurlijk heel belangrijk voor zijn. 220 daarvan zijn dit jaar nog gerealiseerd. 1.000 worden er gerealiseerd tot 2022. De resterende 1.180 komen in de periode tot 2024. Dus daar wordt hard aan gewerkt.

De voorzitter:
Ja? Heeft u alle vragen op dit punt gehad?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Wel die van de heer Van Dijk.

De voorzitter:
Misschien is het goed als de minister dit even afrondt. Dan krijgt u de gelegenheid om een vraag te stellen, meneer Van Dijk. Of was u klaar met het onderdeel mobiliteit?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Ja, en dan gaan we naar de wegen.

De voorzitter:
De heer Gijs van Dijk.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):
Dank voorzitter. Even over dat sanitair. We krijgen nog steeds veel signalen van chauffeurs dat zij in de problemen komen. Het zijn gewoon lastige problemen, als je ergens moet stoppen en nergens gebruik van kunt maken. Ik begrijp dat er een convenant is en dat we partijen aansporen om het mogelijk te maken. Kan de minister niet zelf er nog een stapje bovenop zetten om de situatie voor heel het land te verbeteren? Want we krijgen de signalen nu wel voortdurend.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Ik sta altijd open voor goede ideeën om er nog meer aan te doen. Ik heb er pas in een filmpje nog eens aandacht voor gevraagd; in het voorjaar ook. Toen heeft het overigens wel goed gewerkt, hebben we gehoord. De gezamenlijke inzet heeft er toen toe geleid dat mensen weer gewoon van het toilet gebruik konden maken. Ik heb bij de werkbezoeken die ik toen heb afgelegd — nu doen we alles digitaal, maar toen nog fysiek — altijd ook even gevraagd: hoe zit het met de chauffeurs, waar moeten die hun koffie drinken enzovoort? Ik heb er gewoon aandacht voor gevraagd, maar zal dat graag ook de komende tijd blijven doen. Zeker.

De voorzitter:
Ja? De heer Gijs van Dijk.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):
Dan over de handhaving. Het is inderdaad goed dat de minister bij aanvang, toen zij begon, zei: we gaan echt stevig handhaven op de veiligheid, de omstandigheden voor de chauffeurs, de weekendrust en het slapen in de cabine. Blijft de ILT op dit niveau handhaven? Er zijn nu 1.000 inspecties geweest. Wat kunnen we het komende jaar verwachten van de ILT?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
De ILT werkt zoals u weet risicogestuurd. Ik heb pas nog met chauffeursvertegenwoordigingen gesproken die zeiden: wij zien er veel te weinig van. Een deel van het toezicht vindt administratief plaats, dus daar merken chauffeurs niet alles van. Dat gebeurt aan de hand van steekproeven en dan wordt de hele administratie doorgelicht. Als een bedrijf vorig jaar is gecontroleerd en het allemaal tiptop in orde was, richt je je aandacht liever op de bedrijven waarvan je denkt: die hadden het niet helemaal goed voor elkaar. Dus we proberen zo veel mogelijk risicogericht te werken. We hebben goede contacten. De Europese koepel op dit vlak, de ECR, zit ook in Nederland. We vergelijken goed hoe het toezicht in de buurlanden gebeurt. Dat blijft risicogestuurd. Als er een tandje bij nodig is … We hebben onlangs gezien dat het aantal inspecties niet was gehaald. Daar spreek ik de inspecteur-generaal op aan en dan ga ik ervan uit dat het volgend jaar wel gehaald wordt.

De voorzitter:
Mevrouw Postma.

Mevrouw Postma (CDA):
Voor mij staan de dames van het spitsmijden. Ik hoor de minister praten over een tot twee dagen thuiswerken. Dat is een gemiste kans. Er zou toch meer moeten kunnen. Gezinnen blijven vaak op woensdag en vrijdag thuis. Dat zijn de dagen waarop we weinig spits zien. Het probleem zien we maandagochtend, dinsdagochtend, donderdagochtend en de avonden en dan ook de vrijdagavond nog. Zou het niet veel sterker zijn als we aan de slag gaan met het spitsmijden door de flexibele werktijden flexibel in te zetten op kantoor? Dus het kantoor meer als ontmoetingsplek en niet per se die verplichte maandagochtendvergadering op kantoor om 09.30 uur.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Helemaal eens. Dat doen de staatssecretaris en ik ook. Het gaat niet alleen om het thuiswerken, maar ook om het spreiden over de dag. Het is een en-enverhaal. Er zijn heel goede voorbeelden in het onderwijs, waarbij je met wat later of eerder starten een stukje uit de spits kunt halen. Dat geldt zeker ook voor kantoren. Uiteindelijk is het toch weer de werkgever die de sleutel in handen heeft. Als de werkgever blijft verwachten dat iedereen op maandagochtend om 09.00 uur tegelijk voor de eerste teammeeting op kantoor is, heeft de individuele werknemer daar niet zo veel keus in. Door corona is dat in een stroomversnelling gekomen. Samen met de collega's van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en EZK voeren we gesprekken met werkgevers over hoe we dat op een zo goed mogelijke manier kunnen spreiden: een belangrijk stuk van het thuiswerken vasthouden en daarnaast kijken op welke tijdstippen dat gebeurt. Dus helemaal eens.

Mevrouw Postma (CDA):
Dank. Dit is al heel hoopvol. Ik begreep uit de brief die we vanochtend hebben gekregen dat er voor het MIRT nog een overzicht komt met de afspraken die er allemaal zijn. Ik ben benieuwd hoe concreet dat wordt. Dit soort afspraken zijn interessant. We weten dat de motie-Amhaouch ervoor gezorgd heeft dat de staatssecretaris in de buurt van Nijmegen aan de slag is gegaan met dat succesvolle project, waarbij we 30% mensen uit de hyperspits naar de trein hebben gehaald. Juist die regionale aanpak is volgens mij heel succesvol, maar ik zie die dan graag wat concreter en ook becijferd. Krijgen wij dat dan ook voor het MIRT?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Nou, niet voor het MIRT. We gaan er juist tijdens deze MIRT-ronde afspraken over maken in de verschillende regio's. Er zit verschil in. In de ene regio is het probleem groter dan in de andere. De ene regio is verder dan de andere. Maar je ziet wel dat alle regio's er nu enthousiast mee aan de slag zijn. U noemt het voorbeeld van Nijmegen, maar de Breikers uit de regio Amsterdam zijn ook een heel succesvol voorbeeld, waarbij heel veel bedrijven zich van hun goede kant laten zien en meedenken over het mobiliteitsvraagstuk. Dat hangt er dus een beetje van af. De ene regio is verder dan de andere. De regio's zijn er nu allemaal mee aan de slag.

De voorzitter:
De heer Laçin.

De heer Laçin (SP):
Dank, voorzitter. Ik ga even door op de vraag van de heer Gijs van Dijk over de vrachtwagenchauffeurs. Enerzijds erkennen we allemaal het belang van het vrachtvervoer en van de vrachtwagenchauffeurs. Anderzijds vinden wij ook allemaal dat ze niet zeven dagen per week 24 uur in hun cabine moeten zitten. Wij hebben als commissie een paar weken terug een petitie aangeboden gekregen van twee wegrestaurants. Zij zeggen: wij kunnen ons restaurant dusdanig inrichten dat het coronaproof is. Nu moeten ze het eten naar hun cabine brengen en zitten ze te lang daar. Is het mogelijk om net als andere landen — Duitsland en Frankrijk maken er een uitzondering voor — te kijken of dat ook in Nederland kan, zodat we coronaproof de vrachtwagenchauffeurs een beetje tegemoet kunnen komen en zodat ze buiten hun cabine op veilige afstand van elkaar kunnen eten? Ik vraag de minister of zij bereid is om in de gesprekken die zij voert ook daarnaar te kijken, zodat we de chauffeurs iets meer tegemoetkomen, want hun situatie is gewoon echt niet te doen.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Daar krijg ik regelmatig berichten over van chauffeurs. De ene vindt het prima en zegt dat hij zich graag terugtrekt in zijn cabine, de andere heeft er grote problemen mee. Ik begrijp dat dat heel verschillend ligt. Ik ben best bereid om met de verschillende vertegenwoordigers — ik denk dat u ook doelt op de afvaardigingen van bijvoorbeeld de vakbonden — dat gesprek nog eens aan te gaan, om te horen hoe groot het probleem is en of we er nog meer aan zouden moeten doen.

De voorzitter:
Gaat u verder.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Dan kom ik bij de wegen. Begin deze maand kwam het Kennisinstituut Mobiliteit met nieuwe cijfers. Naar verwachting is het in 2025 zo'n 5% tot 10% drukker op de weg dan in 2019. Dat is dan nog zelfs als we economisch door een diep dal gaan. Daarin is meegenomen dat we tegen die tijd waarschijnlijk nog steeds één of twee dagen per week thuiswerken en ook meer gespreid de weg op gaan. Dat laatste zeg ik tegen mevrouw Postma. Het KiM houdt daar dus al rekening mee. Volgende week gaan we de BO MIRT voor het eerst allemaal digitaal voeren. Dat is ook een unicum, niet echt handig, maar we gaan het meemaken. Ook daar gaan we dus proberen de mobiliteit te beperken en gaan we niet onnodig met mensen in één ruimte zitten. We gaan er wel samen nadere afspraken over maken voor de periode na corona. We hopen natuurlijk allemaal dat die zo snel mogelijk komt. Dan gaat het natuurlijk niet meer over de hele week thuiswerken, maar over één of twee dagen per week. Op de projecten waarmee we aan de slag zijn, komen we uiteraard terug in het notaoverleg van begin december.

De heer Graus had gevraagd hoe het nu kan dat de filedruk voor corona al was toegenomen. De filedruk op het hoofdwegennetwerk is in 2019 gestegen met 14,2%. Dat kwam vooral door een toename van de verkeersdrukte op het hoofdwegennet. Hoofdoorzaak van die toename van het verkeer is gewoon de groei van de economie geweest. In 2019 was die groei 1,8%. De toename van werkgelegenheid heeft die extra groei veroorzaakt.

Dan een punt waarbij veel Kamerleden zullen opveren als dit woord valt. Dat is het woord "Westerscheldetunnel". Verschillende Kamerleden hebben over de Westerscheldetunnel gesproken. De heren Van Dijk en Laçin hebben er een amendement over ingediend. Ik heb in de schriftelijke set antwoorden de achtergronden en het ontstaan van de tol geschetst. Nog even voor de mensen thuis: de provincie Zeeland is eigenaar van de Westerscheldetunnel en is verantwoordelijk voor de tolheffing. De provincie heeft deze zomer becijferd dat het om een bedrag van 400 miljoen euro gaat om de tol af te schaffen. Ik wil gewoon nog even in uw richting meegeven dat de wens om die tol af te schaffen door dit soort bedragen mij meer iets lijkt voor een volgende kabinetsformatie.

De voorzitter:
Ik zie dat mensen willen interrumperen, maar ik wil eigenlijk dat de minister eerst dit onderdeel afmaakt.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Zal ik eerst de vragen afmaken? Ik heb over de Westerscheldetunnel verder niets meer te melden.

De voorzitter:
Heeft u nog meer punten op dit gebied?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Bij het blokje wegen wel.

De voorzitter:
Ik zie de heer Graus. Ik wil toch voorstellen dat u dit afrondt. Daarna kunnen de heer Graus, de heer Gijs van Dijk en mevrouw Van der Graaf interrumperen.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
De heer Schonis heeft gevraagd of ik wil toezeggen dat ik de afspraken uit het Klimaatakkoord over betalen naar gebruik zal nakomen en of we op koers liggen om in 2025 rekeningrijden in te voeren. In het Klimaatakkoord is afgesproken om ten behoeve van de komende kabinetsformatie onderzoek te doen naar drie varianten van betalen naar gebruik. De staatssecretaris van Financiën heeft de Kamer op 16 oktober de tussenrapportage met resultaten van het onderzoek toegestuurd. Daarbij zit ook een ambtelijke quickscan over de technologische en invoeringsaspecten. Daaruit blijkt dat invoering per 2025 niet mogelijk is. Uit de quickscan blijkt dat invoering minimaal negen jaar vergt. Ik verwijs dan alleen maar naar die onderzoeken. In een verdiepend onderzoek van KPMG wordt hier nader op ingegaan. Daarbij wordt gekeken naar de verschillende fases en termijnen.

Naast dat onderzoek van KPMG naar technische en invoeringsaspecten loopt er ook nog een onderzoek van SZW naar de inkomenseffecten. De Kamer zal, naar ik heb begrepen, voor het eind van dit jaar de eindrapportage ontvangen.

De voorzitter:
Ik heb de minister net gevraagd om het af te maken.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Voor het blokje wegen is dit het.

De voorzitter:
Dan heb ik eerst de heer Graus, dan de heer Gijs van Dijk, mevrouw Van de Graaf en de heer Schonis.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
De rest komt allemaal bij het NO MIRT.

De heer Graus (PVV):
Het ging even over de filevorming. Ik ben van mening dat als de doorstroming sneller is, er ook minder opstoppingen zijn. Dat kreeg je vroeger ook al bij natuurkunde op de middelbare school, op het vwo. Dat is logisch. Ik vraag me af hoe de minister dit rijmt. Ik denk namelijk dat dit wel degelijk te maken heeft met het bovenmatige aantal snelheidsbeperkingen. Mensen gaan overal in de ankers. Ze zijn allemaal bang om de hoge boetes te ontvangen die we in Nederland opleggen. Ik denk dat dit er allemaal mee te maken heeft dat je cumulatieve vertragingen krijgt. Cumulatieve vertraging veroorzaakt namelijk files. Eén en één is twee. Daar zou de minister iets aan kunnen doen: de doorstroom moet veel sneller. Ik merk dat in Duitsland een file veel sneller is opgelost, als er al file is. Daar zou onderzoek naar gedaan kunnen worden. Ik heb daar nooit onderzoek naar gedaan. Ik woon aan de Duitse grens en ik rijd veel op de Duitse snelwegen. Mijn ervaringsdeskundigheid is dat als er iets is, dat eerder is opgelost. De doorstroming moet beter. Je merkt het bijvoorbeeld in een stad als Berlijn. Er zijn in Berlijn ook snelheidsbeperkingen, maar alles loopt door. Als je van de ene naar de andere kant van Den Haag wil, ben je een uur onderweg. Dat is gewoon verschrikkelijk. Er klopt iets niet met onze infrastructuur en met onze doorstroming.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Ik ben het zeer met de heer Graus eens dat doorstroming hartstikke belangrijk is. Dat is voor iedereen beter. Het is beter voor de betrouwbaarheid van de reistijd. Het is ook voor het milieu beter, want dat voortdurend optrekken en afremmen veroorzaakt meer uitstoot en kost meer brandstof. Dat is allemaal niet goed. Daarom richten we ons met alle middelen die we hebben op het bestrijden van files. Die hebben we nu een heel stuk minder vanwege corona. Dat komt omdat we nu beter spreiden en er bijna alleen maar wordt thuisgewerkt, tenzij het niet anders kan. De files die we nog hebben, zijn er bijvoorbeeld doordat er toch een ongeval is gebeurd of door wegwerkzaamheden.

Of dat in andere landen beter is? U bent erg blij met de Duitse aanpak. Als Europarlementariër ben ik jarenlang iedere maand op en neer naar Straatsburg gereden over de Duitse snelwegen. Ik heb daar ook heel veel uren in de file mogen doorbrengen, kan ik u melden. Ik weet dus niet of dat daar zoveel beter is. De Duitse collega Hendrik Wüst van Nordrhein-Westfalen is juist bij ons op de koffie gekomen om te kijken hoe wij ons incidentmanagement doen, omdat zij denken dat wij dat sneller doen. Maar goed, je vergelijkt het dan maar met één land.

Ik ben het zeer met u eens dat je ervoor moet zorgen dat het blijft doorstromen. Alles is er ook op gericht om dat te bereiken.

De heer Graus (PVV):
Wat betreft incidentmanagement en dat we daar goed in zijn: ik ben heel trots op onze Rijkswaterstaat en onze politie. Die doen het fantastisch. Alle lof voor die mensen. Maar daar heb ik het niet over. Ik heb het over de doorstroom en alle maatregelen die de regering oplegt. Dat bedoel ik meer. Ik zou de minister het volgende willen vragen. Ik heb dat ook weleens gevraagd aan een van uw voorgangers. Als hier één vlokje sneeuw op het spoor ligt, loopt alles in het honderd. Ga eens stagelopen in Zwitserland en Oostenrijk. Daar hebben ze die problemen niet. Ik zou tegen u willen zeggen: de Duitse minister komt hier kijken, maar u zou daar eens stage moeten lopen, bij de Duitse snelwegpolitie of bij de Duitse rijkswaterstaat. Ik weet zo snel niet hoe die heet. Dat zou best een goeie zijn.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Wij hebben heel veel goede contacten met de oosterburen, zowel op het federale niveau als op het niveau van de Länder. Die hebben we ook met de zuiderburen en andere Europese lidstaten op andere thema's. Op het gebied van verkeersveiligheid hebben we goede contacten met bijvoorbeeld Zweden. We proberen dus zeker ook van de andere landen te leren. De heer Graus had het over een sneeuwvlokje op de rails. Die vraag laat ik even aan de staatssecretaris. Laat ik het dan even hebben over sneeuwvlokjes op de weg. Daar hebben we nou juist een fantastisch mooi project lopen met de Data Task Force, met die zes automerken, de navigatiebedrijven en de Europese lidstaten. Als één auto via de tractie van het wiel merkt dat het ergens glad is, dan wordt dat niet meer per automerk of per navigatiesysteem aangegeven. Dat delen ze dan met elkaar. Als jij daar met merk X rijdt en het wordt de ether ingegooid, krijgt iemand die achter jou met merk Y rijdt die informatie ook. Ik denk dat we ook daar met het delen van dat soort informatie, over weer, over gladheid, over wegomleidingen enzovoort, ontzettend op de goede weg zijn, juist samen met die andere Europese landen.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):
Het is gisteren best wel lang gegaan over de Westerscheldetunnel en de tol die wordt geheven. We hebben inderdaad antwoord gekregen op de vragen die ook wij hebben gesteld. Dat ging over de aanloop, de geschiedenis, hoe dit is ontstaan en het compensatiepakket, maar ik zou het willen hebben over het gevoel dat leeft in Zeeland en Zeeuws-Vlaanderen. Dat is vooral het gevoel van onrechtvaardigheid. Ik begrijp dat heel goed. Dat gevoel van onrechtvaardigheid werd nog veel sterker bij het afsluiten van de Belgische grenzen bij de eerste lockdown. Het heeft economische gevolgen, wat meerdere onderzoeken laten zien, maar ook sociale gevolgen. Je hebt het gevoel dat je bent afgesloten van de rest van Nederland, tenzij je tol betaalt als enige in Nederland. Ik wil de minister dus vragen om toch eens even goed te kijken naar het voorstel dat wij doen. Het voorstel is niet om 400 miljoen, of wat het ook moge zijn, even in de laatste begrotingsbehandeling met elkaar regelen. Wij willen het graag voor komend jaar regelen, omdat er bij de formatie, zoals meerdere partijen hebben gezegd, echt het gevoel is om dit vanuit de landelijke politiek op te lossen. Ik weet dat er ook aantal onvoorziene posten zijn binnen de IenW-begroting. Kan ik de minister verleiden om met ons te kijken of we dat nou niet voor het komend jaar, 2021, op kunnen lossen en het gevoel van onrechtvaardigheid weg kunnen nemen? In de formatie gaan we dit dan, als het aan ons ligt, voor de lange termijn regelen.

De voorzitter:
De minister. Het was een lange interruptie. Dat vindt de heer Graus ook.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Ik kan me het gevoel van de mensen in de grensstreek heel goed voorstellen. Vandaar dat we er ook vanaf het begin op hebben ingezet om die grenzen niet dicht te doen. We hebben het met de oosterburen ook gehad over open houden, zodat de mensen die over en weer familie en werk aan de andere kant van de grens hebben gewoon door kunnen gaan, zonder dat er allerlei problemen voor ze ontstaan. Het gaat toch om een behoorlijk bedrag, ook al gaat het om één jaar. Er zijn in het verleden gewoon afspraken gemaakt met de provincie Zeeland. Het is op die manier afgehandeld, afgekocht. De provincie Zeeland is daar nu ook verantwoordelijk voor en ik vind eigenlijk dat die discussie daar thuishoort. Daarom heb ik toch nog even het compensatiepakket van de heer Wientjes — zo noem ik het maar even huiselijk — benoemd, omdat daar die keuze ook niet in is gemaakt.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):
In de antwoorden staat inderdaad: de Westerscheldetunnel ligt ver van Vlissingen. De tol afkopen is niet beoordeeld als een voldoende bijdrage aan de economische structuurversterking, maar zo wordt het niet gevoeld en beleefd in Zeeuws-Vlaanderen. Het is inderdaad het einde van Nederland. Ik woon zelf aan de andere kant aan het einde van Nederland. Dan krijg je af en toe het gevoel: daar in Den Haag praten ze wel over ons en zeggen ze dat ze de regio belangrijk vinden, maar als uiteindelijk echt puntje bij paaltje komt, dan leveren ze niet. Ik vind dat we, zeker gezien de coronacrisis, waarin we, terecht, bedrijven miljarden geven om banen te redden en banen te behouden, vanuit dat steunpakket dat miljarden kost 30 miljoen moeten vrijmaken voor komend jaar — het gaat niet om groot geld — om een gebaar richting Zeeuws-Vlaanderen te maken. Het is niet alleen een gebaar. Ook bij de formatie moeten we de afspraak maken dat we dat hele bedrag met elkaar gaan oplossen. Natuurlijk heeft de provincie Zeeland daar ook een rol in.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Ik wil even iets zeggen over dat gevoel in de regio dat ze niet meetellen. Ik denk dat juist de staatssecretaris en ik daar een belangrijke stap in zetten. Bij de omschakeling naar het Mobiliteitsfonds en een nieuwe NMCA gaan we ook grensoverschrijdend kijken, zodat je niet meer je modellen aan de grens laat ophouden en zodat je ook de andere helft van de vervoersstroom die kansrijk is kunt meenemen. Dat noem ik dus even over dat gevoel voor de regio. Ik denk dat wij juist laten zien dat we dat wel serieus nemen. En dan wordt er gezegd: 30 miljoen is toch niet zo veel? Wij hebben het gewoon niet. Al onze middelen zijn belegd. In die zin kan ik toch niet anders dan ontraden.

De voorzitter:
Dan ga ik naar mevrouw Van der Graaf en dan de heer Schonis.

Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):
Door de lockdown en de sluiting van de winkels in België hebben de mensen in Zeeuws-Vlaanderen zich best geïsoleerd gevoeld. Dat brengt nog meer de discussie naar boven wat te doen met de tol voor de Westerscheldetunnel. Ik heb gisteren ook gezegd dat het wat de ChristenUnie betreft wenselijk is dat we toewerken naar afschaffing van de tolbetaling. De minister stelt terecht dat keuzes voor de langere toekomst volgend jaar aan de formatietafel gemaakt zullen moeten worden. Is de minister bereid om in de aanloop daarnaartoe te kijken hoe we dat financieel mogelijk kunnen maken en om daarbij naar verschillende bekostigingsmodellen te kijken? We moeten er namelijk reëel in zijn dat het om een fors bedrag gaat. Het is een politieke keuze of je hier wel of niet wat aan wil doen. Is de minister bereid te kijken hoe we dit mogelijk kunnen maken?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Nogmaals, wij zien daar zelf geen aanleiding toe. Er zijn in het verleden namelijk gewoon goede afspraken gemaakt met Zeeland. Mocht uw Kamer daartoe besluiten, dan zal ik daar uiteraard mijn medewerking aan verlenen. In eerste instantie is het echter de verantwoordelijkheid van de provincie Zeeland, want zij hebben die verantwoordelijkheid ook echt zelf op zich genomen.

De heer Schonis (D66):
Ik wil mij, als inwoner van Zeeland, van harte aansluiten bij de woorden van mevrouw Van der Graaf. Ik snap de gevoelens. Ik snap ook echt wel de gedachte achter het amendement van de collega's. Ik begrijp ook dat het om 30 miljoen gaat. Dat doe je dan voor een jaar. Wat ga je het jaar daarop dan vertellen? Ik worstel daar zelf ook mee, maar als Zeeuwen komen we uiteindelijk altijd weer boven en ontzwemmen wij die gedachte ook wel weer.

Dat is eigenlijk niet waarvoor ik hier sta. U had het over rekeningrijden. Tenminste, volgens mij had u het over het overwegen, de toekomst en het bekostigen daarvan. U heeft er zelfs gisteren een prijs voor gewonnen. Ik wilde u daarvoor feliciteren. Ik heb gezien dat de minister onder andere vanwege het invoeren van rekeningrijden een prijs heeft gewonnen. Dat betrof de vrachtwagenheffing.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Dat klopt, dat ging om de vrachtwagenheffing.

De heer Schonis (D66):
Ik ben blij dat de minister dan zegt: ik vat dat toch maar op als een aanmoediging om rekeningrijden ook in Nederland in te voeren. Ik hoor de minister daarbij wel zeggen: uit onderzoek blijkt dat dat nog wel negen jaar gaat duren. Begrijp ik het volgende goed? We hebben in het Klimaatakkoord, waaronder u ook uw handtekening hebt gezet, afgesproken dat we tot en met maart volgend jaar de voorbereidingen treffen voor het volgende kabinet. Dat kabinet kan dan in 2025 — dat is dus niet over negen jaar maar over vijf jaar — bij de volgende belastingstelselherziening rekeningrijden invoeren en de voorbereidingen daarvoor gaan treffen. Liggen we nog steeds op koers voor die beslissing? Dat is mijn vraag.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Staatssecretaris Vijlbrief zal de brieven over de vervolgonderzoeken nog dit jaar naar u toesturen. Ik heb van hem begrepen dat het allemaal op schema ligt. Ik heb alleen duidelijk willen maken dat als u het heeft over het invoeren van rekeningrijden, mensen denken aan het jaar dat het ook daadwerkelijk van kracht wordt. De rapporten geven aan dat het uitvoeringstechnisch niet haalbaar is dat dat negen jaar gaat duren. Nogmaals, dat schrijven de experts op en daar neem ik ook gewoon kennis van. Verder liggen de onderzoeken enzovoort op schema.

Die prijs heb ik overigens niet alleen gekregen vanwege de plannen die wij aan het maken zijn en de voorbereidingen voor de vrachtwagenheffing. Het was breder. Ik denk dat u allemaal die prijs ook een beetje heeft gekregen, want het was bedoeld voor Nederland. Wij hebben namelijk topinfrastructuur en wij zijn top in smart mobility. Het was vooral ook bedoeld voor ons Strategisch Plan Verkeersveiligheid. Wij waren in Stockholm bij dat congres voor road safety met een delegatie van de Fietsersbond tot de ANWB en de SWOV. Dat heeft internationaal echt wel indruk gemaakt. Ik denk dus eerlijk gezegd dat het hele brede Nederlandse beleid voor die prijs heeft gezorgd en niet alleen de vrachtwagenheffing.

De heer Schonis (D66):
Goed, dank u wel. Dan delen we een beetje in de feestvreugde. Maar even heel concreet en heel specifiek. De minister schetst een traject. We liggen nog op koers. Afspraken uit het Klimaatakkoord. Voorbereidingen treffen nú. 2025 bij de integrale herziening van het belastingstelsel een besluit nemen over rekeningrijden, en dat wordt daarna ingevoerd. Daar liggen we nog steeds voor op koers. De afspraak uit het Klimaatakkoord staat.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Ja, voor zover ik weet wel. Ik heb van collega Vijlbrief niets anders gehoord.

De voorzitter:
De heer Laçin en dan mevrouw Kröger.

De heer Laçin (SP):
Ik wil toch even terug naar Zeeland, naar Zeeuws-Vlaanderen. De heer Gijs van Dijk stelde daar een vraag over. Mevrouw Van der Graaf stelde daar een vraag over. Als ik dan het antwoord hoor "wij hebben het geld niet en het ligt bij de provincie", dan verbaast mij dat wel. Want dat geld is er wel en, zoals mevrouw Van der Graaf zei: het zijn politieke keuzes waar je het aan uitgeeft. Daarom hebben we een begrotingsbehandeling en daarom hebben wij een amendement ingediend. Je kan van alles vinden van de dekking; die kunnen we ook nog wijzigen. Maar het geld is er als wij dat willen. Dat was mijn eerste punt.

Het tweede punt is dat de minister ook zou moeten schetsen waarom de provincie ooit die tunnel heeft overgenomen. Dat was omdat de rijksoverheid plannen had om hem te privatiseren, waardoor de tarieven voor de mensen uit Zeeuws-Vlaanderen enorm omhoog zouden gaan. De provincie voelde zich genoodzaakt om in te grijpen, zodat de tarieven voor hun inwoners niet omhoog zouden gaan. Dat is ook een deel van de geschiedenis die de minister schetst in haar schriftelijke beantwoording. In dat licht zou ik de minister, in lijn met de heer Gijs van Dijk, willen vragen om die 30 miljoen in ieder geval voor het komend jaar samen te regelen. Dan kan er aan de formatietafel, welke partijen daar dan ook zitten, gekomen worden tot een definitieve oplossing. Ik hoop namelijk dat de minister het ook zo ziet dat Zeeuws-Vlaanderen en Zeeland dat verdienen.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Nogmaals, wij hebben heel goed nagedacht over onze begroting en we hebben de middelen die we bij elkaar hebben kunnen schrapen, gelabeld aan de projecten en plannen die wij prioriteit vinden hebben. Dit is daar niet één van.

De voorzitter:
Mevrouw Kröger. Ik denk dat er een verschil van mening is; dat zie ik.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Ook ik wil de minister feliciteren met de pluim vanuit de asfaltlobby, vooral voor de timing van de dag waarop zij een pr-filmpje de wereld in heeft gegooid dat er een handtekening is gezet onder het tracébesluit A27, de meest omstreden weg van Nederland. Mijn vraag is deze. Er liggen meerdere vrij duidelijke adviezen van de Commissie voor de m.e.r. over stikstof, over nut en noodzaak, over de impact op natuur. De minister heeft de Kamer verrast met dat filmpje, maar het besluit moet nog gepubliceerd worden. Kan de minister mij garanderen dat al die bezwaren en zorgen vanuit de Commissie voor de m.e.r. ondervangen worden met het tracébesluit dat wij begin december krijgen?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Als ik daar geen vertrouwen in had, dan had ik het tracébesluit natuurlijk niet getekend. Dus het antwoord is ja.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Als er dan zo veel stelligheid in het antwoord van de minister zit, vraag ik mij toch het volgende af. Dat waren echt nogal stevige adviezen. Het project is een keer gesneuveld bij de Raad van State en er zijn veel juridische experts die zeggen: het is wankel. Het juridische stikstofraamwerk is op dit moment wankel. Eigenlijk doet het kabinet weer waar het eerder voor op de vingers is getikt. Er wordt met twee verschillende rekensystemen gerekend. Het rammelt. Waarom legt de minister deze MER en alle stukken die daar onder zitten, niet voor aan de Commissie voor de m.e.r. voor een eindadvies, voordat zij een definitief besluit publiceert?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Wij zijn hierbij natuurlijk niet over één nacht ijs gegaan. Hier hebben heel veel mensen bij Rijkswaterstaat en heel veel experts heel veel uren noeste arbeid in gestoken, ook om het goede antwoord te vinden op de kritiek van de Commissie voor de m.e.r. en van anderen. Als wij breed de overtuiging hebben, en die is er breed bij al die mensen, dat het antwoord er is, dan volg je ook gewoon normaal de procedure. Dit is nu al een traject van twaalf jaar. Het heeft al lang genoeg geduurd. We gaan de boel in procedure brengen en dan kan iedereen nog zijn zienswijze indienen enzovoort.

Mevrouw Postma (CDA):
Ik noemde gisteren het getal 207. Er is 207 kilometer aangelegd onder dit kabinet. Ik zit een beetje vooruit te kijken: wat zou er nou nog meer komen? Als ik naar die zeven MIRT-projecten kijk, dan zie ik dat er één besluit is genomen: het besluit waar mevrouw Kröger het net over had. Het CDA is daar veel positiever over. Wij zijn daar blij mee. Maar we hebben nog vier maanden. Welke besluiten ten aanzien van die zeven zitten er nog meer aan te komen? Gaat de minister nu met een snelheid van 130 km/u vooruit en worden er nog meer stappen genomen? Hoeveel van die andere besluiten denkt zij nog neer te kunnen leggen voordat deze kabinetsperiode voorbij is? Zijn dat er één, twee, drie, vier of zes?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Dat hangt er natuurlijk een beetje van af of je een demissionair kabinet straks ook nog meerekent. Nee, dat is flauw. Een aantal natuurlijk zeker niet. We weten bijvoorbeeld dat InnovA58, het stuk Sint-Annabosch-Galder, waar we echt een forse uitdaging hebben wat stikstof betreft, nu nog niet komt. Dat heb ik ook al eerder aangegeven. Dat kan wel met drie jaar vertraagd worden. Dus welke dat precies zijn, zullen we moeten afwachten. Er wordt met man en macht aan doorgewerkt. U weet ook dat we, ondanks de commissie-Elverding in het verleden, gemiddeld al zeven jaar kwijt zijn aan de eerste twee stappen uit het MIRT-traject. Dan heb je het nog helemaal niet over allerlei bezwaren die naderhand komen of problematiek zoals nu rondom stikstof. Dan heb je de hele aanbesteding en de bouwtijd nog niet eens meegenomen en daar gaat ook ontzettend veel tijd mee heen. In het begin van mijn ministerschap mocht ik de start geven voor de A24, de Blankenburgverbinding. Dat doe je dan begin 2018, in de hoop dat het in 2024 — makkelijk te onthouden: de A24 in '24 opgeleverd — klaar is, dat je dat haalt. Ook zo'n bouwperiode is dus nog ongelofelijk lang. De Gaasperdammertunnel is nu klaar. Dat gaat niet om een grote hoeveelheid kilometers, maar het is wel een fantastisch project. Laten we die A27 nog eens pakken. We hopen nu met het tracébesluit dat het zal worden opgeleverd in 2027, maar het was, denk ik, 2008 toen hiermee gestart werd. Toen zat uw minister Camiel Eurlings nog op mijn stoel en we weten niet wie er straks in 2027 zit. Maar ze duren gewoon ongelofelijk lang, onze trajecten.

Wat we daaraan kunnen versnellen, doen we graag. We werken ook nog aan de uitvoering van de motie van het lid Van Aalst en bekijken wat er nog te bedenken is om die procedures in te korten. Maar ja, door stikstof hebben we wel een behoorlijke extra vertraging opgelopen, juist bij die grote projecten.

De voorzitter:
De heer Schonis nog een keer.

De heer Schonis (D66):
Ik wist niet dat we al bij de A27 waren beland. Ik heb even de beantwoording op de vragen van vanochtend erbij gepakt. Ik denk dat ik even een puntje recht moet zetten. De minister heeft het over "de kritiek van de Commissie voor de m.e.r.". Nee, de Commissie voor de m.e.r. heeft hooguit een kritisch advies. Ze adviseren u en het is niet zo dat ze u bekritiseren als minister. Maar dat even terzijde. Het is wel zo dat het punt waar zij kritisch op adviseerden, dat stikstofverhaal is. U gaf op de vraag van mevrouw Kröger en op de vraag van mij eigenlijk een verschillend antwoord wat stikstof betreft. De vraag van mevrouw Kröger is: is er nou voldoende stikstofruimte om dit project door te zetten? Daarop zegt u: ja, ik heb het AERIUS-model gebruikt. Dat is dan de rekenmethode van vorig jaar november, zal ik maar zeggen. Op de vraag van mij of we nu voldoende stikstofruimte hebben om de woningbouwopgaaf verder te bekijken, zegt u: dat zal wel, want op de hexagonen rondom Utrecht ... Ja, het is een mooie sciencefictionachtige setting, maar het komt er gewoon op neer dat het rekenmodel laat zien dat er rondom Utrecht voldoende stikstofruimte zou zijn, ervan uitgaande — dat is mijn punt — de nieuwe stikstofwet zo meteen van kracht wordt. Maar die stikstofwet is er nog niet, die ligt nog hier in de Tweede Kamer. U loopt hierop vooruit. Hoe kunt u nu zeggen: ik heb er wel vertrouwen in dat het wel goed komt? U weet nog niet welke rekenmethode u gaat gebruiken.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Ik mag van de heer Schonis als lid van de coalitie toch wel verwachten dat hij er vertrouwen in heeft dat het goed gaat komen met deze wet. Wij gaan daar in ieder geval van uit. Wij hebben daar met alle experts naar gekeken en ik zie geen enkele reden om daaraan te twijfelen. Nogmaals, anders zou ik dat tracébesluit niet getekend hebben. De stukken daarover komen binnenkort ter beschikking. Dan kunt u daar ook kennis van nemen. Ik hoop dat u dan tot dezelfde conclusie komt als ik.

De heer Schonis (D66):
Dat laatste hoop ik zeker. Ik heb altijd veel vertrouwen, maar ik ben ook wel van de juridische school "vertrouwen is goed en controleren is beter". Ik zit hier ook gewoon als controlerend Kamerlid, met name als controlerend Kamerlid. Die controle kan ik nu niet uitvoeren, omdat ik inderdaad die stukken niet heb. Dat vind ik wel erg lastig aan de timing van dit hele verhaal. Goed, het is uw besluit. Daar kan ik niks aan veranderen, want het is ook uw bevoegdheid, maar ik hou hier echt een slag om de arm. Ik kan het gewoon niet controleren. Ik vertrouw u graag, maar ik zou het graag zwart-op-wit willen hebben.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
U krijgt dat straks. De stukken worden allemaal openbaar en daar kunt u dan kennis van nemen en ons verder op bevragen. Het is gewoon de normale procedure die bij ieder tracébesluit volgt die hier ook van toepassing is.

De voorzitter:
De heer Laçin. Ik kuch omdat ik last heb van de schoonmaakdoekjes. Dat is elke keer als er schoongemaakt wordt.

De heer Laçin (SP):
Daar kan ik weinig aan doen, voorzitter.

De voorzitter:
Nee, ik zeg het alleen dat u niet denkt dat … Maar goed, de heer Laçin.

De heer Laçin (SP):
De minister zegt dat zij de normale procedure volgt die geldt bij een tracébesluit, maar we hebben natuurlijk met z'n allen kunnen concluderen dat de normale gang van zaken niet de huidige gang van zaken is. Vorig jaar mei heeft de Raad van State een uitspraak gedaan over de PAS. Daarna is er heel veel gedaan om bijvoorbeeld de woningbouw een beetje op gang te helpen. Voordat wij kunnen inzien op welke berekeningen het besluit van de minister berust om in een toch wel slecht gemonteerd filmpje te gaan staan en dat te delen op social media, heeft de Tweede Kamer in deze fase het recht om eerst die controle uit te kunnen voeren en vervolgens te kijken of het allemaal kan, ja of nee. De minister heeft iets getekend. Wij weten helemaal van niks. Wij moeten nog wachten op die berekeningen. Waarom kiest de minister, vooral als het gaat om dit project, er niet voor om eerst ons als Kamer in te lichten en dan pas te bekijken hoe we dit verder brengen, terwijl die stikstofwet ook nog eens behandeld moet worden? Ik ben geen lid van de coalitie zoals de heer Schonis is. Misschien heb ik wat minder vertrouwen in die wet. Dus waarom kiest de minister niet voor die route?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Omdat ik gewoon de normale procedure volg zoals bij ieder tracébesluit. Ik zag geen enkele aanleiding om daarvan af te wijken. Dus u gaat die stukken allemaal krijgen, net zoals dat bij ieder tracébesluit en ontwerptracébesluit in al die stappen gebruikelijk is. De rechtsgang is nog volledig open. Dus er is wat dat betreft helemaal niets bijzonders aan de hand.

De voorzitter:
Uw vierde vraag, meneer Laçin.

De heer Laçin (SP):
Gelukkig kan de VVD nog niks aan de rechtsgang doen. Anders was dat ook al gebeurd, denk ik. Maar waar het hier om draait, is dat er bij dit project heel veel aan de hand is. De minister doet alsof het allemaal heel normaal en heel goed is gegaan, maar er is een uitspraak van de Raad van State geweest en het tracébesluit is daarna eigenlijk vernietigd. Op basis van voor ons onbekende gegevens dendert deze minister door op dezelfde voet. Dat is nou juist wat niet meer kan. Wij willen als Kamer die controle kunnen uitvoeren. De minister had die route anders kunnen bewandelen door ons eerst in te lichten, met ons het debat aan te gaan, de stikstofwet af te wachten en dan pas door te gaan met de route die ze wil bewandelen. Dit geeft geen vertrouwen aan de Kamer, maar ook niet aan al die mensen die zich al jaren inzetten voor andere alternatieven. Die voelen zich gewoon niet serieus genomen.

De voorzitter:
Meneer Laçin, de interrupties moeten echt kort zijn. Dat geldt trouwens niet alleen voor de heer Laçin maar voor jullie allemaal.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Volgens mij verval ik in herhaling. In de richting van de heer Laçin zeg ik: u denkt toch ook niet dat al die mensen bij Rijkswaterstaat en bij al die bureaus die hier een hele lange tijd aan gewerkt hebben, zo maar wat in elkaar flansen en denken "ach, dan zien we wel of het stand houdt bij de rechter"? Natuurlijk niet. Daar is heel serieus aan gewerkt en daar kunt u over een paar weken kennis van nemen.

De voorzitter:
Rustig, meneer Laçin.

De heer Laçin (SP):
Ik heb hier als Kamerlid met een minister te maken, niet met al die ambtenaren die bij Rijkswaterstaat zitten, die natuurlijk hun werk goed proberen uit te voeren. Het gaat erom dat dit een gevoelig project is, dat het om heel veel geld gaat, dat er alternatieven zijn en dat er een uitspraak van de Raad van State ligt. Wij weten niet of dit besluit van de minister goed onderbouwd is en dat willen wij graag weten. De vraag aan de minister is waarom zij de omgekeerde weg bewandelt, door eerst filmpjes te delen, handtekeningen te zetten, mooie sier te maken en dan pas het debat met ons aan te gaan.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Dat is de normale procedure. Ik zag geen reden om daarvan af te wijken.

De heer Van Raan (PvdD):
Het lijkt alsof de minister ook het argument hanteert dat we er al zolang mee bezig zijn. Maar dat is eigenlijk helemaal geen argument. De minister zegt ook dat zorgvuldigheid altijd bovenaan staat. De minister heeft in een ander dossier een ontzettend slechte trackrecord als het gaat om het vertrouwen, dat er in het luchtvaartdossier niet is. Hier bouwt ze daar weer wat aan. De vraag is deze. We begrijpen dat bijvoorbeeld de verkeersmodellen twaalf jaar oud zijn, dus nog voor het verdrag van Parijs. Dat zij er al zolang mee bezig is, met oude modellen, is dat ook niet een reden om de Kamer juist informatie te geven, alvorens die besluiten te nemen?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Het lijkt me niet verstandig om nu zo'n heel tracébesluit, dat we er niet bij hebben, met elkaar te gaan bediscussiëren. Geen zorgen, dat komt allemaal wel goed. U krijgt het allemaal gewoon op de gebruikelijke momenten te zien. U kunt zich erop verlaten dat natuurlijk van de goede cijfers gebruikgemaakt is.

De heer Van Raan (PvdD):
Dat is nou net het probleem: die goede cijfers, daar wil het weleens aan schorten bij deze minister. Juist die verkeersrapporten zouden we toch graag zien en ook gevalideerd hebben, want die zijn twaalf jaar oud. Hoe reageert de minister daarop?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Ik kan niet anders dan herhalen dat de heer Van Raan nog even geduld moet hebben. Dan worden alle stukken openbaar gemaakt en dan kunt u het allemaal rustig nalezen. En dan hebt u nog alle tijd om erop te reageren.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Het is fijn dat de minister haar ambtenaren en alle bureaus waarmee ze werkt, blijft prijzen en zegt: rustig afwachten. Feit is dat de minister een handtekening gezet heeft en dat het nu nog niet gepubliceerd is. Op het moment dat het gepubliceerd is, is het een besluit, dus we zitten nu in een vacuüm. In dat vacuüm wil ik toch de minister vragen of zij de onderbouwing voor de handtekening die zij met veel bombarie gezet heeft, met ons en met de Commissie voor de m.e.r. deelt. We zitten in een juridisch uitermate complex moment. De Raad van State heeft een keiharde tik op de vingers gegeven, alles is wankel. Er is nog geen stikstofwet. De commissie-Hordijk zegt: je kan niet zomaar met twee verschillende rekenmodellen werken. We hebben boze boeren op het Binnenhof, die vragen waarom het wegverkeer volstrekt anders wordt behandeld dan zij. Dat is allemaal onderdeel van de complexiteit van een besluit over een weg die 1,2 miljard gaat kosten, als het meezit, en waarschijnlijk nog veel meer. En dan vraagt de minister aan ons om er maar op te vertrouwen dat het goed zit. Wij willen die berekeningen, de stukken en de onderbouwing kunnen zien voordat het besluit gepubliceerd en dus definitief is, en dat is in deze fase van het vacuüm.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Ik begrijp heel goed dat mevrouw Kroger dat zou willen, maar het is nou eenmaal de procedure zoals die gebruikelijk is. Ik heb de handtekening gezet en that's it. En dan gaan we de normale zienswijzeprocedure in. Een belangrijk deel van de Kamer vraagt om snelheid met die zeven MIRT-projecten, daarover is ook een motie aangenomen, dus ik doe gewoon mijn werk.

De voorzitter:
Het wordt een herhaling.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
De minister doet haar werk in een opvatting waarbij zij eigenlijk gewoon doordendert op de voorgeschreven weg. Nogmaals, het is anders dan normaal. Het kabinet is op de vingers getikt door de Raad van State. We hebben een hele complexe situatie met stikstof. Er ligt een gigantisch maatschappelijk vraagstuk: hoe gaat de landbouw bijdragen en hoe zit het met het wegverkeer? Dat is allemaal complexe materie. Het is anders dan normaal. Nogmaals, ik wil de minister vragen, ook gezien al het gedonder met berekeningen rond Lelystad Airport, om hierin zorgvuldigheid te betrachten en voordat het besluit wordt gepubliceerd, die onderbouwing met ons als Kamer te delen, zodat ik ook mijn werk kan doen als Kamerlid.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Mevrouw Kröger kan dat heel binnenkort, als die stukken gepubliceerd worden, allemaal rustig nalezen. Alle rechtsgang en alle normale procedures staan gewoon nog open. Ik doe dus wat we normaal bij ieder tracébesluit doen.

De voorzitter:
De heer Van Raan. Daar bent u.

De heer Van Raan (PvdD):
Ja, een korte vraag dan. Is de minister zich ervan bewust dat die verkeersmodellen van vijftien jaar geleden een verkeersstroom voorspellen, dat die in het model zit en dat daarbij een stikstofuitstoot hoort die nu helemaal niet is toegestaan? Weet de minister dat wel, vraag ik haar.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Ik denk dat de heer Van Raan nu aan het speculeren is over hoe er volgens mij mogelijk gerekend is. Daar ga ik allemaal niet op vooruitlopen. Ik moet u toch echt verzoeken om nog even geduld te betrachten tot u alle stukken hebt. En dan kunt u kijken of wij — "kritiek" mag ik niet zeggen — het advies van de Raad van State, zoals de heer Schonis dat zei, naar uw idee op de juiste manier hebben weten te beantwoorden. En daar heeft de heer Schonis ook gelijk in.

De heer Van Raan (PvdD):
Het gaat er niet om of ik al dan niet speculeer. Mijn vraag is gewoon simpel. Bij het verkeersmodel van vijftien jaar geleden dat nu is gehanteerd, hoort een uitstoot die groter is dan de uitstoot die door de Raad van State in de PAS-uitspraak is vastgesteld. Weet de minister dat? Dat is mijn vraag. Ja of nee? Weet de minister dat of niet?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Nogmaals, ik ga nu niet met de heer Van Raan in discussie over welk model op welk moment wel of niet is gebruikt en wat daar dan voor een stikstofuitstoot bij hoort. Dat vind ik niet verstandig. We gaan eerst de stukken publiceren op een daartoe geëigend moment. Dan kunt u erover spreken en dan kunnen we daarover met elkaar de discussie voeren, maar niet daarop vooruitlopend zonder fatsoenlijke stukken daarbij.

De heer Van Raan (PvdD):
Dat snap ik.

De voorzitter:
U gaat niet meer interrumperen, meneer Laçin. Dat heeft u straks al gezegd.

De heer Van Raan (PvdD):
Ook net, op andere interrupties, zei u: ik heb getekend, dus het is oké. Daarmee zegt u dus dat de uitstoot die berekend is in de modellen, past. Dat is wat de conclusie moet zijn. Anders had u niet getekend. Dat is toch een simpel ja of nee?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Als we geen oplossing hadden gevonden voor het stikstofprobleem, dan hadden we dit natuurlijk niet in kunnen dienen. Dat is logisch.

De voorzitter:
Gaat u verder.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Wij gaan ervan uit dat dat goed gepareerd is.

De voorzitter:
U bent toegekomen aan het onderwerp maritiem? Klopt dat?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Ja, dat gaan we doen.

Ook de maritieme sector krijgt klappen door corona. Dat zijn natuurlijk de havens, de binnenvaart, de zeevaart. Ik zou ook hier een compliment willen geven aan de sector. Onder lastige omstandigheden blijft men toch gewoon volledig operationeel, want de aan- en afvoer van goederen gaat daar gewoon door, ook onder de anderhalvemeteromstandigheden.

Over de maritieme sector zijn ook een aantal mooie ontwikkelingen te melden. In de eerste plaats hebben we natuurlijk samen met de sector de Havennota 2020-2030 gemaakt. Daarin staan concrete afspraken over de bereikbaarheid, over digitalisering, over duurzaamheid. Uw Kamer zal die voor het eind van het jaar nog ontvangen.

Daarnaast begint de maritieme green deal die ik in het voorjaar van 2019 sloot, handen en voeten te krijgen. Tot 2030 trek ik ruim 92 miljoen euro uit voor een subsidie op schone motoren in de binnenvaart. Verder vervalt in 2021 de energiebelasting op walstroom, waardoor we die veel meer een boost kunnen geven. Dat vind ik ook echt een mooie mijlpaal. De sector is echt aan het verduurzamen.

De heer Wassenberg noemde de internationale regelgeving over de zwaveluitstoot van schepen een hele goede stap. Dat ben ik zeer met hem eens. Net als de heer Wassenberg wil ook ik natuurlijk nog liever sneller meer bereiken. En daar zie ik ook wel kansen voor, want in de binnenvaart zie je ook mooie initiatieven. Eind van het jaar start er al een binnenvaartcorridor met binnenvaart op batterijen en voor smart shipping. Een van de containers is dan een batterij. Eigenlijk is dat een heel praktisch en mooi systeem. Voor smart shipping hebben we ook een nieuw samenwerkingsverband gestart. Universiteiten zijn daar nu bij aangehaakt. We hebben plannen voor 30 emissieloze schepen en 5 retrofits binnen tien jaar. We moeten natuurlijk opschalen en versnellen, maar de energie daarvoor is er in de sector ook echt.

Een aantal van u sprak nog over de modal shift van weg naar water. De staatssecretaris zal vast ook nog iets zeggen over de modal shift van weg naar spoor. Zoals u weet, vinden volgende week weer de bestuurlijke overleggen over het MIRT plaats. Daarbij komen wij samen met een regeling om de modal shift verder te stimuleren. We moeten niet vergeten dat de modal shift ook een mental shift is. Een bedrijf dat gewend is om de boel te vertrucken, dus over de weg te vervoeren, gaat niet uit zichzelf bedenken dat het ook weleens via het water of het spoor zou kunnen. Daar moet je die bedrijven bij helpen. Daar zijn we dus volop mee aan de slag.

Dan een onderwerp waar een groot aantal leden over heeft gesproken: het ongeluk met de MSC Zoe. De heer Schonis heeft een mooi actieplan aangeboden, het Actieplan schone Wadden, waarvoor dank. Ook de heer Van Dijk en mevrouw Postma vroegen aandacht voor de vaarroutes ten noorden van de Wadden. Ik kan u zeggen dat ik nog voor het AO Maritiem, dat op 3 december gepland staat, zal komen met een kabinetsreactie op het OVV-rapport over de MSC Zoe. Daarin zal ik ook uitgebreid ingaan op alle lopende en voorgenomen acties richting de IMO. Ik zal u ook de meest actuele resultaten van het overleg met Duitsland meegeven, waarbij ik ook zal ingaan op de rol van de kustwacht, waar specifiek naar gevraagd is.

Verder profiteert de binnenvaart van een betere afstemming van de bedientijden van bruggen en sluizen. Ik heb daar 5 miljoen voor uitgetrokken. Dat begint nu voorzichtig zijn vruchten af te werpen.

Er zit een blanco velletje tussen; dat schiet op.

Dan heb ik hierover nog een aantal vragen. De heer Stoffer vroeg naar de ligplaatsen. Hij gaf aan dat er wel ligplaatsen verdwijnen en dat er weinig voor terugkomen. Hij vroeg wat daarin de ontwikkeling is. Laat ik vooropstellen dat ik het ook heel belangrijk vind dat we onze schippers op de vaarwegen zo goed mogelijk helpen bij het plannen van hun vaart en het veilig kunnen uitvoeren van die vaart. Voldoende ligplaatsen zijn daarvan natuurlijk een cruciaal onderdeel, want die zorgen ervoor dat schippers zich kunnen houden aan de voorgeschreven vaar- en rusttijden. Rijkswaterstaat heeft 700 overnachtingsplaatsen in beheer. We brengen de ligplaatsencapaciteitsknelpunten periodiek in kaart. Dat doen we ook met de Nationale Markt- en Capaciteitsanalyse. De meest urgente knelpunten pakken we op in de MIRT-systematiek. Inmiddels zijn er verschillende initiatieven in gang gezet om de tekorten aan te pakken. Er lopen al een aantal studies. Zo is er onder andere een MIRT-onderzoek Werkendam en een quickwin voor ligplaatsen bij Weurt. Er wordt dus aan gewerkt om die ligplaatsentekorten aan te pakken. We werken aan de voorbereiding en realisatie van in totaal meer dan 70 extra ligplaatsen. Dan hebben we het over de Beneden-Lek, de Merwedes, de Boven-IJssel en de Waal, specifiek bij Lobith. Ook wordt de aanleg van ligplaatsen waar mogelijk gekoppeld aan andere infrastructurele opgaven. Dat geldt bijvoorbeeld voor de aanleg van de derde kolk bij de Beatrixsluis, die in 2019 is opgeleverd. Daar heb ik gelijk elf extra ligplaatsen bij laten bouwen.

Ligplaatsen zijn natuurlijk niet het enige element om onze schippers te ondersteunen. Ook een vlotte doorvaart is van belang. Dan kom je weer op de bedientijden van bruggen en sluizen, waar we via het programma Beter Bediend mee bezig zijn. Daarbij kijken we naar hele praktische zaken als de vervanging van camera's en marifoonsystemen, een efficiëntere schutting en een betere informatievoorziening. Daarnaast heb ik in 2019 al 175 miljoen extra vrijgemaakt om storingen voor de scheepvaart te vermelden. Ik krijg ook zelf een melding op mijn telefoon elke keer als er ergens een storing is. Wat dat betreft zit ik erbovenop, want je ergert je er natuurlijk zelf ook aan als weer ergens een storing wordt gemeld. Daar wordt ook altijd bij geschreven hoeveel schepen er dan eventueel liggen te wachten en hoelang het gaat duren. Dan leef ik toch altijd wel een klein beetje mee met de schippers die daar liggen te wachten.

Voorzitter. Dat waren de vragen over maritiem.

De voorzitter:
Dank u wel. U had nog een paar vragen liggen, volgens mij. Nee? Dan was het dat. Dank u wel. O, er zijn nog interrupties vanuit de Kamer, van mevrouw Van Eijs en de heer Amhaouch.

Mevrouw Van Eijs (D66):
Ik dacht dat er nog een blokje overig kwam.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Ja, maar ik had geen vragen in het mappen overig. Maar stelt u ze gerust nu.

Mevrouw Van Eijs (D66):
Ja, daar komt er eentje. In de schriftelijke antwoorden staat een antwoord op mijn vraag over de onaangekondigde controles bij BRZO+-bedrijven. Daarin wordt de ILT genoemd. Die noemde ik niet in mijn vraag. Dus dat vond ik wel creatief. Ik vraag me met betrekking tot die onaangekondigde controles af of de minister snapt welke redenering daarachter ligt over het potemkindorp. Is zij het niet met me eens dat als je onaangekondigde controles doet, de bedrijven die het altijd goed doen, die het altijd netjes op orde hebben en die geen lijken in kast verstoppen, daar juist van zouden profiteren?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Ik begrijp precies wat mevrouw Van Eijs bedoelt. Als het altijd allemaal aangekondigd is, dan is alles keurig aangeharkt enzovoorts op het moment dat de inspectie komt. Dat is zeker niet het enige wat de inspectie doet. Er zijn wel degelijk ook onaangekondigde controles. Ik gaf net al een voorbeeld met betrekking tot de vrachtwagens. Ook daar is administratief toezicht. Er zijn allerlei vormen van toezicht, en onaangekondigd toezicht hoort daar ook bij. Het is ook onderdeel van de risicogestuurde aanpak van de ILT. Er worden ook gecoördineerd met andere inspecties invallen gedaan et cetera, die niet aangekondigd zijn. Dus dat is zeker aan de hand.

De heer Amhaouch (CDA):
Ik heb nog een vraag over de luchtvaart. Ik dacht dat dat misschien nog zou komen na maritiem. We hebben de wegen gehad, we hebben het water gehad. Ten eerste, dank aan de minister dat er een voorstel voor de regionale vliegvelden komt, dat dat echt serieus opgepakt wordt. Ik denk dat dat belangrijk is. De minister noemde net bij het blokje maritiem de verduurzaming van de binnenvaart. Zij had het over de motoren en over de duurzaamheid. Ik heb in mijn eerste termijn gevraagd: hoe gaan we de innovatieparagraaf in de Luchtvaartnota invullen? Daar moeten gewoon middelen voor komen. De verduurzaming van de luchtvaart met de sectorpartners kost geld. Ik weet dat de private sector dat erin moet stoppen, maar gaat de minister geld vrijmaken voor het onderzoek dat daarvoor gebeurt? Gaat zij op zoek naar geld, opdat wij in de volgende periode de innovatie in het kader van de luchtvaartindustrie, de luchtverduurzaming, ook echt waar kunnen maken?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Mijn inzet is zeker om de verduurzaming van de luchtvaart echt waar te maken. Daar gaan we aan de hand van de Luchtvaartnota nog wel verder met elkaar over spreken. We doen vanuit het ministerie ook al wel wat. Maar naarmate we het verder uitwerken en we ook meer zicht krijgen op welke financiële middelen waar precies voor nodig zijn, zullen we daar natuurlijk ook de middelen voor moeten gaan zoeken.

De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie de heer Stoffer en mevrouw Kröger nog.

De heer Stoffer (SGP):
Ik wil nog even iets zeggen over de maritieme sector. Ik heb het schriftelijke antwoord gezien op mijn vraag of de Rijksrederij werk naar voren kan halen. Daarin staat dat de vlootvervanging goed bekeken zal worden, maar wel zorgvuldig, ook gezien de ervaringen. Dat snap ik. Maar dit is natuurlijk geen tijd voor bange mensen. Mijn vraag is dus eigenlijk: is los van de vlootvervanging niet bijvoorbeeld achterstallig onderhoud of iets anders naar voren te halen? De maritieme sector in Nederland, de scheepsbouw, heeft het namelijk echt moeilijk. Als we niet uitkijken, gaan er dadelijk heel veel bedrijven omvallen of heel veel banen verloren. Mijn nadrukkelijke vraag is dus of de minister nog eens heel goed met de Rijksrederij wil kijken of er niet ergens achterstallig onderhoud is, zodat er heel snel toch wat werk op de markt gebracht kan worden, zodat we gewoon banen behouden, hier in Nederland, in die prachtige scheepsbouw die we hebben. Dat hoeft niet meer dan een toezegging te zijn.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Dat zeg ik de heer Stoffer heel graag toe. In de taskforce Infra — ik heb toevallig vandaag met alle koepels weer een gesprek gehad — hebben we geprobeerd om dat ook te doen voor alle infrastructurele projecten. Ik vind het een hele goede suggestie om ook met die sector eens te kijken wat we naar voren kunnen halen, om ook daar de nood wat te lenigen. Gaan we doen!

De voorzitter:
Dan mevrouw Kröger.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Kennelijk slaan we de luchtvaart even over, maar daar had ik wel een vraag over gesteld. Ik heb gisteren om een heel specifiek document gevraagd. De minister zegt: alle stikstofberekeningen, alles rond Lelystad Airport ligt bij de Kamer. Ik heb heel specifiek gevraagd om de digitale bestanden die op 7 april aan het ministerie van Economische Zaken zijn aangeleverd ten behoeve van de PAS door NLR. Kan zij deze binnen een week met de Kamer delen?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Wij hebben schriftelijk antwoord gegeven op die vragen. Ik heb daar op dit moment niks aan toe te voegen. Anders moet ik er in tweede termijn nog even op terugkomen, als een vraag onverhoopt niet beantwoord is. Daar wil ik best nog even naar kijken, maar volgens mij zijn die heel gedetailleerde en specifieke vragen beantwoord. Ik zie andere Kamerleden knikken dat dit zo is. Maar laten we het nog even checken. Als een vraag van u niet is beantwoord, kom ik daar in tweede termijn nog op terug.

De voorzitter:
Anders heb je allemaal interrupties, maar als de minister er in tweede termijn op terugkomt ...

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
We gaan het nog even checken.

De voorzitter:
Prima. Dan schors ik de vergadering voor twee minuten en kan het spreekgestoelte worden schoongemaakt.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:
Ik geef de staatssecretaris het woord.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Dank u wel, voorzitter. De minister refereerde er al aan: een bijzondere begrotingsbehandeling. Misschien alleen al omdat het begon met een unieke fotosessie rond de heer Graus, maar in alle eerlijkheid moet ik toegeven dat het ook de traditionele selfie van Cora en mij betrof aan het begin van onze begrotingsbehandeling. Dat wilden we ook deze keer niet missen, waarschijnlijk omdat het de laatste keer is in deze setting, zoals de minister al zei.

Inderdaad de laatste keer in deze setting, omdat een aantal vertrouwde gezichten aan uw kant zullen ontbreken. We spreken elkaar meestal keurig aan met de achternaam, maar ik hoop, voorzitter, dat u het mij toestaat dat ik het toch even persoonlijk maak. Een deel van deze leden, die misschien volgende keer niet terug gaan komen, waren collega's toen ik zelf nog in de Kamer zat. Beste Cem, Carla, Erik, Rutger, Remco en Jessica, veel dank voor alle scherpe vragen en mooie debatten, maar ook de goede samenwerking die we in al die jaren hebben gehad. We gaan nog een aantal maanden flink doorzetten, als ik de agenda zo zie. Er is nog genoeg te doen. Maar ik wil er even bij stilstaan. Politiek is ook mensenwerk en ik heb de samenwerking met jullie allemaal, ondanks alle stevige inhoudelijke meningsverschillen, heel erg gewaardeerd. Daar wilde ik heel even bij stilstaan aan het begin van dit jaarlijkse grote debat, voordat we overgaan naar de inhoud.

Er zijn natuurlijk andere uitzonderlijke omstandigheden. Daar heeft de minister al uitgebreid bij stilgestaan. Corona heeft voor wat mijn deel van de begroting betreft grote gevolgen voor ons openbaar vervoer, financieel maar zeker ook voor de duizenden mensen die het draaiende houden. Zij brengen de verpleegkundige 's morgens naar het ziekenhuis, de mantelzorger naar zijn hulpbehoevende vader, de leraar naar school. Kortom, ze brengen mensen die afhankelijk zijn van het openbaar vervoer van A naar B. Ik wil dan ook graag hier mijn grote waardering uitspreken voor het werk dat zij hebben verricht, net als een aantal leden van uw Kamer heeft gedaan bij hun inbreng.

Mijn prioriteit is het openbaar vervoer zo goed mogelijk door de crisis loodsen, met alle betrokken partijen. Ik kom daar zo meteen op terug in het blokje mobiliteit en corona. Tegelijkertijd moeten we ook verder kijken, naar de lange termijn, klaar zijn voor de toekomst, doorgaan met de opgave voor de lange termijn. Verschillende Kamerleden, onder andere mevrouw Kröger en de heer Van Dijk, drongen hierop aan en gaven aan om niet alleen terug te gaan naar hoe het was. Daar ben ik het helemaal mee eens. Mevrouw Postma sprak over de meiden van het spitsmijden en zei: dat spreiden moeten we vast zien te houden. Daar ben ik het helemaal mee eens. We moeten met elkaar doorbouwen aan een minder kwetsbaar, meer weerbaar en meer duurzaam land. Dat is wat mij betreft de rode lijn in deze begroting. Dat doorbouwen is overigens natuurlijk ook bij het Groeifonds de drijver.

Ik heb bij deze begroting steeds voor ogen waar ik drie jaar geleden aan begon. Werken aan een klimaatneutraal Nederland, met emissieloos vervoer, dat op termijn voor iedereen een aantrekkelijke optie moet zijn, juist ook voor mensen met een kleinere portemonnee. We hebben een grote stap gezet met het Klimaatakkoord. Met de uitvoering van het mobiliteitsdeel daarvan liggen we op koers.

Werken aan een land met zo min mogelijk afval. Een circulaire economie dus, met een veel efficiënter grondstoffengebruik, ons geheime wapen tegen de klimaatverandering, al mag dat van mij wel wat minder geheim worden. Er is veel aandacht voor energie, waarmee we de helft van de klimaatwinst halen, maar veel minder aandacht voor grondstoffen, waarmee we de andere helft kunnen binnenhalen. Beide zijn nodig. Daarom willen we over tien jaar toe naar 50% minder grondstoffenverbruik.

Werken aan een nog beter ov en spoor, met goede internationale verbindingen, meer ruimte voor de fiets en minder onveilige overwegen. En werken aan het tegengaan van vervuiling bij de bron: de kraan dichtdraaien, liefst voordat hij open is, en de vervuiler laten betalen. We hebben belangrijke principes neergelegd in het nieuwe Nationale Milieukader, maar bijvoorbeeld ook met het voorstel voor financiële zekerheidsstelling, zodat niet meer de belastingbetaler met de rekening blijft zitten als een bedrijf failliet gaat.

We hebben met elkaar de afgelopen jaren mooie stappen gezet. Met een nationaal en een Europees Plastic Pact pakken we plastic soep bij de bron aan. Milieuvervuiling willen we voorkomen. Komend jaar stoppen we met eenmalig plastic, zoals rietjes en bestek. Ruim twee derde van de plastic soep bestaat uit dat soort plastic. En we beginnen met de invoering van statiegeld op plastic flesjes. De hakken gaan, na twintig jaar discussie, uit het zand. Hetzelfde geldt voor blikjes. Met de Denim Deal is een blauwdruk gelegd voor het verduurzamen van veel meer kleding. Onder andere mevrouw Dik-Faber en mevrouw Van Eijs drongen erop aan om meer te doen met textiel. Dat was niet voor het eerst.

Met de voorstellen voor de marktordening op het spoor, het Toekomstbeeld OV 2040 en de omvorming van ProRail tot zbo zijn we de richting aan het bepalen voor het treinverkeer van de toekomst.

En de fiets is niet voor niets met stip toegetreden tot ons immateriële nationaal erfgoed. We hebben een forse inhaalslag gemaakt met het aantal fietsparkeerplaatsen bij stations, dat groeit naar 600.000 in 2025. Het netwerk van zowel fietssnelwegen als fietsambassadeurs hebben we uitgebreid.

Tot zover mijn algemene inleiding. Ik zou graag drie blokjes willen doen. Het eerste is mobiliteit en corona, daarna het blokje duurzame mobiliteit en klimaat en het derde gaat over leefomgeving en circulaire economie.

Voorzitter. De ov-sector zorgt ervoor dat Nederland in deze coronaperiode bereikbaar blijft. Ik ging er net al op in. Laat niemand zeggen dat ze lucht verplaatsen. Ze zorgen voor bereikbaarheid, ook in tijden van corona en daarvoor verdient de sector onze dank. Mijn prioriteit is dus om het ov door deze crisis te loodsen en daarvoor is de beschikbaarheidsvergoeding een hele belangrijke basis.

Los van deze onzekere tijden zien we op de langere termijn nog steeds een groeiende vraag naar openbaar vervoer, zowel in personenvervoer als in goederenvervoer per spoor. De prognose voor het ov was meer dan 40% groei tot 2030. We hebben nu dus een paar jaar extra om de plannen uit te voeren en die groei op te vangen. Daarmee hebben we de mogelijkheid om dat te doen op een manier waarbij we meteen de structurele gevolgen van covid meenemen. Hopelijk betekent dat inderdaad dat we meer spreiding kunnen vasthouden. Daar willen we klaar voor zijn. Met het Toekomstbeeld OV en de voorstellen voor de marktordening op het spoor, hebben we een paar belangrijke stappen gezet. Met die voorstellen creëren we stabiliteit. We borgen het publieke karakter van de spoorsector. We laten de politiek en de reiziger bepalen wat er aan ov wordt aangeboden en niet de markt. Met of zonder toiletten, om een concreet voorbeeld te noemen. Dat moet niet uit de markt komen, maar een publieke keuze zijn.

Ik wil daarnaast het belang van de spoorgoederensector benadrukken. Verschillende Kamerleden, onder andere de heer Graus, de heer Ziengs en de heer Schonis hebben in dit debat nadrukkelijk aandacht hiervoor gevraagd. Ik onderschrijf het door hen benoemde belang van de modal shift van weg naar spoor. Ik heb recent een subsidie verstrekt voor de inzet van speciale teams die bedrijven adviseren over het verplaatsen van ladingen die nu nog over de weg gaan, naar het spoor of de binnenvaart. Met al deze ontwikkelingen op het gebied van zowel personen- als goederenvervoer gaan ook veel investeringen gepaard. Veel Kamerleden hebben vragen hierover gesteld. Daarover komen we nog uitgebreid met elkaar te spreken in het MIRT-overleg. Daarnaast heeft de minister al een aantal algemene opmerkingen daarover gemaakt, bijvoorbeeld over het grote belang van het investeren in beheer, onderhoud en vervanging. Wat zij daarover heeft gezegd voor wegen, geldt ook voor het spoor: zowel de noodzaak om daar de komende jaren veel in te investeren, alsook het feit dat we hebben geprobeerd om geld naar voren te halen. Dat heeft u gezien in de begroting.

Naast investeringen willen we het maximale uit het huidige systeem te halen. Dat doen we uiteraard zonder de belangen van de omwonenden uit het oog te verliezen. Onder andere de heren Amhaouch en Ziengs vroegen daar aandacht voor. Op verschillende plekken in Nederland veroorzaken langsrijdende treinen trillingen. Het is heel moeilijk om die tegen te gaan. De huidige technologie biedt onvoldoende oplossing. Er zijn niet eens normen voor. We zijn in Nederland echt koploper met de manier waarop we dat proberen aan te pakken, waarop we die overlast willen tegengaan. Daarom trek ik 20 miljoen uit voor nieuwe onderzoeken naar oplossingen en een aantal concrete pilots.

Ondanks de huidige coronacrisis en de uitdagingen die de crisis met zich meebrengt voor de korte termijn blijft het verbeteren van het internationale vervoer per spoor op de langere termijn een prioriteit als duurzaam alternatief voor de internationale reiziger. Ook hiervoor heeft een flink aantal van u aandacht gevraagd: mevrouw Kröger, de heer Laçin, de heer Amhaouch, de heer Schonis en mevrouw Van de Graaf. Ik wil mevrouw Kröger danken voor haar top vijf aan spoorplannen die zij mij gisteren heeft overhandigd, waar het stimuleren van nachttreinverbindingen uiteraard onderdeel van is. Het is en blijft absoluut mijn inzet om de internationale reiziger steeds beter te bedienen. En, los van mijn goede persoonlijke herinneringen aan de nachttrein, vind ik het voor een bredere keuze in mobiliteitsconcepten mooi dat de nachttrein terugkomt naar Nederland. Hiervoor wordt als eerste stap een pilot met een nachttrein naar Wenen gestart.

Mevrouw Kröger heeft mij gevraagd middelen te reserveren om extra nachttreinverbindingen te kunnen realiseren. Dat idee vind ik zeker sympathiek, maar daarmee zou ik nu op de zaken vooruitlopen. De pilot is namelijk juist bedoeld om te toetsen welke potentie er voor een dergelijk product is. Naast de pilot werk ik in het parallelle spoor aan een verkenning om meer geïnteresseerde partijen te stimuleren om Nederland als bestemming voor hun nachttreinproduct te kiezen. Ik wil op dit moment dus niet vooruitlopen op de uitkomsten van deze verkenning naar geïnteresseerde vervoerders en maatregelen.

Ik kijk overigens niet alleen naar de potentie voor het stimuleren van nachttreinverbindingen. In de komende periode bekijk ik op basis van de marktverkenning internationaal spoorvervoer wat het potentieel is voor verschillende internationale bestemmingen, en op welke manier dat ingevuld kan worden. Hierbij kijk ik zowel naar kort grensoverschrijdend vervoer als naar langere afstanden. Daar komen we ook bij het MIRT nog met elkaar over te spreken. Vanzelfsprekend staat hierbij de beste oplossing voor de reiziger altijd centraal.

Voorzitter. Ik heb dan nu nog een aantal specifieke vragen op het gebied van mobiliteit. Mevrouw Van der Graaf vroeg hoe het kabinet het ov als aantrekkelijke reisoptie wil stimuleren. Het kabinet gaat door met het beleid om de kwaliteit van het ov en het comfort voor de reizigers te verbeteren. De verwachting op de langere termijn is immers dat de mobiliteit blijft groeien en er dus een steeds grotere opgave resteert. Dat beleid is gericht op sociale veiligheid — ook de heer Graus vroeg daar aandacht voor — toegankelijkheid, verbetering van de reisinformatie en investeren op knooppunten, zoals met fietsenstallingen bij stations. De onderhandelingen over de nieuwe concessie voor het hoofdrailnet, het toekomstbeeld voor de fiets en de Stationsagenda zijn daarbij belangrijke instrumenten.

De heer Dijkstra vroeg wat ik kan zeggen over de ov-beschikbaarheidsvergoeding in de toekomst. Zoals de minister heeft aangegeven, spelen er als gevolg van corona op korte termijn andere uitdagingen op het gebied van mobiliteit dan op de langere termijn. Op de langere termijn is de verwachting dat de mobiliteit blijft groeien en er dus nog steeds een grote opgave resteert. Op de korte termijn blijven reizigersopbrengsten in het ov naar verwachting nog op een lager niveau. Dat komt ook doordat het kabinet mensen oproept om zo veel mogelijk thuis te werken. Het kabinet biedt de ov-sector daarom het perspectief van een verlenging van de beschikbaarheidsvergoeding voor de tweede helft van 2021. We hebben ervoor gekozen om in ieder geval tot halverwege 2021 rust te bieden met het huidige pakket. Voor de tweede helft van 2021 gaan we samenwerken op basis van een transitieplan, om ook te zien hoe de structurele effecten van corona uitpakken, bijvoorbeeld door meer thuiswerken en beter spreiden. Dat maakt efficiëntere investeringen voor de bedrijven mogelijk. Dat zal allemaal terugkomen in het transitieplan.

De heer Amhaouch vroeg naar een heel mooi concept. Hij vroeg naar de community stations. Wat is er mogelijk om stations op die manier leefbaarder te maken? Hij heeft er gelijk in dat het voorbeeld in Deurne laat zien dat community stations een prachtig concept kunnen zijn en een heel grote toegevoegde waarde kunnen hebben in de regio. ProRail en NS zijn reeds gevraagd om partijen zoals lokale vrijwilligers en gemeenten meer en beter te betrekken bij de ontwikkeling en het beheer van stations. De positie van community stations en de manier waarop hieraan een impuls kan worden gegeven, zal onderdeel worden van de Stationsagenda die ik heb aangekondigd. Die Stationsagenda zal volgens mij volgend jaar na de zomer aan uw Kamer gestuurd worden.

De heer Amhaouch vroeg of ik bereid ben de ambitie uit te spreken en concrete stappen te zetten naar een toekomstbeeld grensoverschrijdend spoorvervoer samen met Duitsland, België en de Europese Commissie. Ik deel zeker deze ambitie. We werken hieraan via twee sporen. Ten eerste is er bij de uitwerking van Toekomstbeeld OV expliciet aandacht voor grensoverschrijdend spoorvervoer, zowel kort grensoverschrijdend spoorvervoer als internationaal spoorvervoer over langere afstanden. Ik informeer uw Kamer binnenkort over de ontwikkelagenda van dat Toekomstbeeld OV.

Ten tweede hebben op initiatief van Nederland inmiddels 28 Europese landen én de Europese Commissie op 4 juni 2020 een EU-ministersverklaring over internationaal personenvervoer onderschreven. Verschillende sectorpartijen hebben zich hier ook bij aangesloten. Al die partijen gaan samenwerken om een ambitieus programma te ontwikkelen om de marktontwikkeling van internationaal personenvervoer te bevorderen. De grensoverschrijdende verbindingen van Nederland, België en Duitsland zijn daar uiteraard ook onderdeel van.

Zoals eerder toegezegd, zal ik uw Kamer nog voor het notaoverleg MIRT informeren over de voortgang van deze Europese samenwerking, maar ook van alle internationale initiatieven via de voortgangsbrief over internationaal personenvervoer per spoor. Ik kan alvast zeggen dat het een heel uitgebreide brief is. Trek er dus maar even wat tijd voor uit.

Mevrouw Van der Graaf vroeg of ik bereid ben om een spoortop te organiseren, omdat we met elkaar zo veel mogelijk moeten proberen de knopen door te hakken. We hebben regelmatig bilaterale overleggen met Duitsland en België, zoals recent de brede mobiliteitstop met mijn Vlaamse collega. Eerder dit jaar sprak ik met mijn Duitse collega specifiek over de internationale spoorverbinding Amsterdam-Berlijn. Heel binnenkort spreken de minister en ik weer met Noordrijn-Westfalen, ook over verbindingen, zowel voor personen- als goederenvervoer. Daar bespreken we knelpunten, maar ook ambities. We proberen daar met elkaar goed zicht te houden op de voortgang, bijvoorbeeld van het derde spoor en van de verbinding Eindhoven-Düsseldorf. Dat zijn mooie concrete resultaten, denk ik. Daarnaast stimuleren we het internationale spoorvervoer via dat platform. Nederland heeft daar een enorme trekkersrol gespeeld. Het is heel mooi om te zien dat er zoveel enthousiasme is en er zoveel opvolging aan wordt gegeven door andere landen. Dat geeft meteen ook aan hoe kansrijk meer tempo uiteindelijk in de internationale verbinding is. Als al die landen zich realiseren dat je daar alleen maar samen meer snelheid kunt maken, maar ook allemaal bereid zijn om aan zo'n platform deel te nemen en ook de praktische punten op te gaan lossen, dan gaan we met elkaar meters maken. Dan is het natuurlijk ook heel mooi dat volgend jaar het European Year of Rail is. Laten we hopen dat we dat in die zin ook goed kunnen benutten. Dat waren de vragen die ik had onder dit blokje.

De voorzitter:
Ik had mevrouw Kröger, de heer Amhaouch en de heer Stoffer. Mevrouw Kröger.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Dank aan de staatssecretaris voor ook haar enthousiasme voor de nachttrein. Volgens mij is het een gedeelde ambitie en passie dat we ervoor zorgen dat Nederland aanhaakt bij de Europese nachttreinen. Er zijn allerlei initiatieven gaande. Je merkt dat dit onderwerp overal leeft en broeit, in Zweden, Oostenrijk, Zwitserland en nu ook België, waar ze een nieuwe, groene verkeersminister hebben. Ik zou het zo ongelooflijk zonde vinden als we nu een jaar wachten, omdat we een pilot Wenen hebben, terwijl ondertussen al die dingen gaande zijn. Hoe kunnen we nou zorgen dat we aanhaken? De nachttrein vanuit Malmö gaat naar Brussel. Waarom niet ook naar Amsterdam of een andere Nederlandse stad? Dat was de intentie van het amendement. Hoe zorgen we dat we in 2021, het jaar van het spoor, aanhaken bij de Europese initiatieven?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Ik begrijp nu heel goed de intentie van wat mevrouw Kröger wil. Ze zegt: niet elke trein zal altijd via Nederland lopen, maar laten we zorgen dat we geen kansen missen daar waar het wel logisch zou zijn. Dat is ook het idee van die marktverkenning die we begin volgend jaar willen uitvoeren. We gaan niet een heel jaar wachten op de resultaten van de pilot met de nachttrein voor we überhaupt verkenningen gaan doen. Daar werken we echt begin volgend jaar aan. We zullen zeker ook, als er concrete initiatieven zijn, goed kijken. Ik heb zelfs al mensen gevraagd om naar dat Zweedse initiatief te kijken. Welke partijen werken eraan? Waarom wordt er voor bepaalde routes gekozen? Kunnen we Nederland eventueel nog goed positioneren voor een route? Wat is de tijdslijn daarvoor? We proberen dat soort initiatieven goed in de gaten te houden om niet de boot te missen. In de context van internationale marktverkenning proberen we daar met elkaar tot een beeld te komen van wat potentieel interessant is. Dan moeten we natuurlijk nog de resultaten van de pilot benutten voor je opnieuw investeringen gaat plegen, maar je wilt in de tussentijd niet de boot missen. Dat deel ik met mevrouw Kröger.

De voorzitter:
De heer Amhaouch.

De heer Amhaouch (CDA):
Ik heb nog een paar vragen over het spoor. Als eerste zijn de trillingen belangrijk, maar tegelijkertijd ook de treinen met chemische stoffen, de chloortreinen of de giftreinen, hoe je ze wilt noemen. Het CDA maakt zich daar behoorlijk zorgen over. De staatssecretaris gaf aan dat de prognoses zijn dat de frequentie op het spoor zal stijgen na de coronacrisis. De capaciteit gaat toenemen. Hoe houden we echt rekening met dit toekomstbeeld, zodat we dadelijk niet tegen die plafonds aanlopen? Bij de luchtvaart zien we het zelf. Omwonenden gaan klagen. We willen gaan handhaven. We willen gaan meten. U bent bang dat we hetzelfde gaan doen op het spoor. Komt de staatssecretaris nog met een brief of een duidelijk onderzoek, zodat ze de Kamer kan overtuigen dat we de komende tien jaar of vijf jaar zeker niet tegen die plafonds aanlopen?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
De heer Amhaouch refereert terecht aan de afspraken die vastliggen in het Basisnet Spoor. Niet elke ontdekking die je doet, is een prettige ontdekking. De ontdekking die ik heb gedaan, is dat zoals de wet Basisnet Spoor in elkaar zit, je eigenlijk alleen maar achteraf kunt constateren of het wel of niet binnen de plafonds is gebleven. Daar werd door een van u aan gerefereerd. Misschien was dat wel door uzelf. De wet Basisnet Spoor, zoals wij die met elkaar hebben ingericht, biedt op zichzelf geen sturingselement. We hebben dus gezegd dat we met de verschillende regio's toe moeten naar een robuust basisnet met elementen waarmee je beter kunt sturen. Dan probeer je je te houden aan een plafond dat je afspreekt. Nu zit dat niet in de wetgeving, maar we volgen met de verschillende regio's een heel uitgebreid traject, zowel langs de zuidelijke corridor als de oostelijke corridor. Ik ben daar allebei op werkbezoek geweest om met partijen te spreken en van hen te horen waar de zorgen zitten. We zitten in het programma Robuust Basisnet. We zullen de Kamer daar ook over informeren. Daarbij willen we zowel ingaan op goederenvervoer als op toegenomen personenvervoer, en ook op de bouwambities. Ik hoorde de heer Amhaouch namelijk ook heel duidelijk vragen om een integraal beeld daarvan. We zullen dat met de regio's ook echt integraal met elkaar moeten doen. We zullen BZK daar ook bij betrekken. We zitten echt midden in dat proces. We komen dus nog met een brief naar de Kamer daarover.

De voorzitter:
Goed, oké. De heer Amhaouch.

De heer Amhaouch (CDA):
Het is heel goed dat de staatssecretaris een onderscheid maakt. We hebben het gehad over kort grensoverschrijdend. We hebben de voorbeelden genoemd, bijvoorbeeld de reis naar Aken of in de toekomst misschien naar Luik. Düsseldorf is in de maak. Mevrouw Kröger heeft het altijd over de nachttrein naar Wenen. Dat is heel mooi, maar ik zeg: first things first. Hoe komen we nou toch tot een gezamenlijk akkoord met de Belgen en de Duitsers, met een handtekening eronder, waarmee we naar de Europese Commissie kunnen gaan? Ik hoor elke keer: we praten met Noordrijn-Westfalen, we praten met Nedersaksen, we praten met Berlijn. Ik wil het geen salamitactiek noemen, maar het zijn wel salamischijfjes. Daar moet een keer een prikker doorheen. Er moet duidelijk zijn waarvoor we gaan. Wanneer kan de staatssecretaris de Kamer daarover informeren?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Ook in dit huis gaan er nog weleens een paar rondjes overheen voordat we onze handtekening onder de cheque zetten. Dat is ook heel normaal. Je wil namelijk verschillende routes tegen elkaar afwegen om te weten wat de voors en tegens zijn. Er is dus eerst een fase waarin je met elkaar daartoe moet besluiten. Dan heb je weer een besluit nodig voor de volgende fase. In de brief over internationaal spoor ga ik u van al die trajecten aangeven waar we staan en wat de concrete afspraken zijn. Ik denk dat we voor Berlijn echt concrete afspraken maken. We gaan daar een halfuur tijdswinst boeken. We hebben de gezamenlijke aanbesteding voor Eindhoven-Düsseldorf. Voor Weert-Hamont wachten we op een aanbod van de NMBS. Ik weet dat we ook over Emmerich gaan spreken in het MIRT. Voor de Wunderline hebben we een overeenkomst getekend. Er is dus al een hoop, maar we hebben ook nog steeds ambities. In die brief zal ik u over de stand van zaken van al die projecten informeren.

De voorzitter:
De heer Stoffer en dan mevrouw Van der Graaf.

De heer Stoffer (SGP):
Ik heb een punt over de touringcarbranche. Ik denk dat die onder dit kopje thuishoort, maar dat weet ik niet zeker. Ik heb een schriftelijk antwoord gekregen en daar staat: we zijn continu in gesprek. Dat is prachtig, maar op een gegeven moment moet je stoppen met praten en moet je doen. Dat haal ik niet uit het antwoord. Er wordt heel simpel gezegd dat er gebruikgemaakt kan worden van het algemene steunpakket voor loonkosten. Dat is prima. Dat kan ook voor de vaste lasten. Die vaste lasten zijn daarin echter precies zo hoog als voor de taxibranche. Maar volgens mij kan iedereen zien dat een taxi veel goedkoper is dan zo'n hele dure bus. Ik heb dus ook heel concreet neergelegd wat er moet gebeuren, namelijk een hogere TVL, van 42% in plaats van 33%, en voor de top van de markt iets meer voor Euro 5- en Euro 6-bussen. Mijn vraag is: wilt u dat niet gewoon doen? In Duitsland doen ze wel iets specifieks voor de touringcarbranche en hier gaat die branche gewoon omvallen. Als u niet snel ingrijpt, staatssecretaris, dan hebben we straks geen touringcarbedrijf meer over. Dus alsjeblieft: doe dat.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Ik begrijp de oproep. Ik begrijp ook de verwarring waar de touringcarbranche nu eigenlijk bij hoort. U spreekt met mij over het openbaar vervoer. Dan denkt u: het gaat over bussen, dus het zal ook wel onder de staatssecretaris van IenW vallen. Maar dat is niet zo. Ik heb geen structurele relatie met de touringcarbranche. Dat gezegd hebbende, wil noch de staatssecretaris van EZK, noch ik, noch de andere departementen die hier ergens een rol in spelen, dat deze sector tussen wal en schip valt, om maar in de vervoerstermen te blijven. Wij hebben dus samen gezegd dat wij het gesprek met die branche aangaan. Dat hebben we ook gedaan. Ik heb samen met mijn collega van EZK gezegd dat we willen kijken naar de mate waarin het huidige pakket voldoende is voor die branche. We willen met hen in gesprek blijven om te kijken waar de specifieke problemen zitten. Het verschil tussen taxi en bus is toen ook op tafel gekomen. Daar hebben we nog geen oplossing voor, maar het is wel een van de punten die bekend zijn bij ons. We willen echt samen kijken wat de problematiek is in deze branche, maar ik kan u niet toezeggen om een regeling aan te passen die niet de mijne is. Ik heb geen structurele relatie met deze branche, maar ze hebben wel mijn aandacht.

De heer Stoffer (SGP):
Dit geeft iets meer perspectief dan bij EZK, want daar hebben we het er ook over gehad. Dan zie je ze inderdaad een beetje tussen wal en schip vallen.

De voorzitter:
Ik dacht al: waar heb ik die vraag eerder gehoord?

De heer Stoffer (SGP):
Ja, voorzitter, als ik eenmaal iets beet heb, dan ben ik net meneer Van Aalst: zo'n pitbull die nooit meer loslaat. Maar ik bijt niet zo vaak, hoor. Ik wil graag een toezegging van de staatssecretaris. "Ik ben in gesprek", zegt zij. Dat praten moet een keer stoppen en dan moet je iets doen. Wanneer komt het antwoord? En dat antwoord zou ik ook graag naar de Kamer toe willen hebben. Heel graag daar een toezegging op.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Ik kan natuurlijk niet voor een collega antwoorden, maar ik begrijp dat de heer Stoffer het antwoord graag naar de Kamer toe wil. We zullen even kijken of ik in tweede termijn iets kan zeggen, misschien in afstemming met EZK, over wanneer we de Kamer hopen te kunnen informeren over de gesprekken die we met deze sector hebben.

De heer Stoffer (SGP):
Ik begin een klein lichtpuntje te zien. Wat dat betreft: dank en doe uw best!

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Ook deze sector heeft er recht op dat hun zorgen serieus genomen worden. Mevrouw Keijzer en ik voeren die gesprekken.

De voorzitter:
Dan ga ik naar mevrouw Van der Graaf en ik zie ook de heer Ziengs. Mevrouw Van der Graaf.

Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):
Ik kom nog even terug op de overleggen die de staatssecretaris heeft met België en Duitsland over die grensoverschrijdende treinverbindingen. Want ja, wij hebben daarvoor hele grote ambities, die groter zijn en verder moeten leiden. Dat vergt natuurlijk echt toekomstgericht investeren in goede spoorverbindingen. We zien ook dat er verbindingen zijn die voor het dagelijkse woon-werkverkeer van mensen in de directe omgeving van enorm belang zijn. Juist daar — meneer Amhaouch begon er ook over — zitten heel veel kleine knelpunten, die maar niet opgelost worden. Daarom is het zo belangrijk dat we niet alleen in gesprek zijn, maar ook echt afspraken maken. De staatssecretaris noemde de Wunderline. In 2015 is die brug in Duitsland aangevaren en de laatste berichten zijn dat die brug mogelijk pas in 2030 hersteld wordt. Dan ligt die er vijftien jaar uit. Vijftien jaar! Het is een brug die deel uitmaakt van een staatsverdrag tussen Nederland en Duitsland. Daar staat in dat die verbinding essentieel is om de volken met elkaar te verbinden; die moet dus hersteld worden. Wat gaat de staatssecretaris doen om daar concrete afspraken over te maken en ervoor te zorgen dat die er nu echt binnen een paar jaar ligt?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
De Wunderline is in eerste instantie een project van met name de provincie Groningen. Zij hebben ook heel nauw contact, zo weet ik, met hun Duitse counterparts. Zij hebben laten weten dat zij geen vertraging voorzien, maar naar aanleiding van de opmerking over het staatsverdrag zeg ik graag toe dat ik er ook nog eens naar zal kijken of er een logisch haakje is voor mij om een keer een telefoontje te plegen over het belang dat wij in Nederland hechten aan een tijdige reparatie van die brug en het snel weer herstellen van die verbinding. Er is geen garantie dat het tempo daarmee kan worden opgeschroefd, want net als in Nederland zullen er ook in Duitsland soms termijnen gelden voor dingen. Maar als er een reden is of een haakje om ook vanuit het landelijke niveau te laten horen dat wij hier belang aan hechten, dan moeten we dat doen, ter ondersteuning van wat de provincie doet.

Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):
Ik ben heel blij dat te horen. Ik zou de staatssecretaris willen vragen om dat ook echt te doen, want inderdaad: daar ligt een concreet haakje en ook wel meer dan een haakje. Ik ben blij dat de staatssecretaris dat wil doen en het zou heel fijn zijn als we bij het MIRT-overleg zouden kunnen horen hoe dat gesprek is verlopen.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Ik zal kijken of we wellicht zelfs in de voortgangsbrief internationaal spoor waar ik net aan refereerde, al iets daarover kunnen terugkoppelen. Maar die wilt u graag nog voor het notaoverleg MIRT hebben. Mocht dat niet lukken, dan zullen we ons best doen om daarover te informeren bij het notaoverleg MIRT.

De voorzitter:
De heer Ziengs.

De heer Ziengs (VVD):
Ik werd even getriggerd door de opmerking van de staatssecretaris over touringcarbedrijven. Zij gaf aan dat ze daarin niet direct zelf een rol kan gaan spelen, maar wel met de staatssecretaris van EZK. Ik herinner mij dat ik meer dan een halfjaar geleden afreisde naar het Malieveld met collega's Schonis en Van Aalst, en daarna ook nog een werkbezoek bracht aan touringcarbedrijven. Daar kwam ik wel degelijk een punt tegen over die nulemmissiezones. Juist die touringcars, die vaak met toeristen reizen, zagen de bui al hangen in 2025. Ze zeiden: wij hebben nu al geen geld meer om te investeren en we moeten straks echt gaan investeren in bussen die daarnaartoe mogen. Dat is toch een rol die de staatssecretaris kan spelen?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Zeker. Dan raakt de heer Ziengs aan een ander punt, de zero-emissiezones. Ik denk dat we twee dingen uit elkaar moeten houden. Aan de ene kant is er een systematiek van het aanscherpen van milieuzones, waar steden voor kunnen kiezen. Die gaan in 2025 nog niet naar zero emissie. Dat dus in z'n algemeenheid. Dan is er daarnaast de afspraak in het Klimaatakkoord om te komen tot zero-emissiezones voor logistiek in verschillende stadscentra, zo'n 30 tot 40 steden. Daarbij hebben we gezegd dat er in 2024 sowieso een evaluatie plaatsvindt om te kijken of er andere modaliteiten zouden kunnen worden toegevoegd. Dan zal ook de vraag op tafel komen wanneer de touringcars daar eventueel klaar voor zouden zijn. Dat is dus niet nu besloten. Het wordt niet nu besloten dat dit voor die touringcars gaat gelden.

De voorzitter:
Dan stel ik voor dat u de volgende onderwerpen ook behandelt. Ik weet niet hoelang u ongeveer nodig hebt?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Dat is duurzame mobiliteit en klimaat. Misschien had deze vraag daarbij gehoord.

De voorzitter:
Mevrouw Kröger.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Ik had heel graag een reactie van de staatssecretaris gehad op ons voorstel om te kijken of we een deel van de beschikbaarheidsvergoeding kunnen gebruiken zoals in België bij de Hello Belgium Railpass. Daarbij is eigenlijk gepoogd om én de ov-bedrijven te steunen én mensen juist weer de trein in te krijgen én de toeristische sector in Nederland te stimuleren. Het gaat om die drieslag. Dat is in België een ongelofelijk succes. In Nederland geven we veel geld uit aan steun voor het ov. Dat is ook echt nodig, maar hoe mooi zou het zijn als we dat kunnen combineren met een maatregel om mensen juist ook weer in de trein te krijgen op een moment dat dit kan, gelet op corona.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Die vraag zat in de schriftelijke beantwoording, maar ik begrijp dat mevrouw Kröger dat nog graag even mondeling wil behandelen. Wij hebben in Nederland de beschikbaarheidsvergoeding zo opgebouwd dat we de vervoerders compenseren voor de reizigers die er niet zijn. Het is dus niet zo dat wij de hele trein aankopen. Zo zit de beschikbaarheidsvergoeding dus in elkaar. Als we dat plan van mevrouw Kröger zouden uitvoeren, betekent dat een extra rekening voor de belastingbetaler, want het is natuurlijk niet gratis; er betaalt altijd iemand voor. Ook in de systematiek zoals we die in de beschikbaarheidsvergoeding hebben, trekken we de inkomsten vanwege elke reiziger die met de trein meegaat en een kaartje koopt, af van de vergoeding die vervoerders krijgen voor de kosten. Als we dus gratis kaartjes gaan uitdelen, betekent dat minder inkomsten. Dat betekent dus dat het niet gratis is.

Zoals ik in de schriftelijke beantwoording heb aangegeven, kunnen we natuurlijk met de vervoerders bekijken of zij te zijner tijd kunnen nadenken over wat er mogelijk is buiten de beschikbaarheidsvergoeding om. Ik snap heel goed dat mevrouw Kröger zegt "dan kunnen we mensen laten zien dat het mooi en fijn is om met de trein te rijden; laat mensen daarvan genieten", maar dat moet dan buiten de beschikbaarheidsvergoeding om.

De voorzitter:
Laatste vraag, mevrouw Kröger.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Op dit moment hebben we geld gereserveerd om de ov-bedrijven tot 93% te compenseren. We rekenen er dus met z'n allen al op dat we dat geld gaan uitgeven. We weten eigenlijk uit de prognoses van de ov-bedrijven dat ze die 93% niet gaan halen, dus dat ze minder mensen in de trein zullen hebben dan die 93% en dat dit geld, met andere woorden, ook uitgegeven gaat worden. Dan is het toch heel goed mogelijk om te zeggen: een deel van dat geld, of van dat tweede tracé, dus dat voor de tweede helft van 2021 komt, gaan we gebruiken om mensen te verleiden om die trein weer in te stappen? Nu hebben we namelijk eigenlijk met z'n allen betaald voor lege stoelen. Dat is echt nodig en het was hartstikke goed dat we dat gedaan hebben. Alleen, er komt ook weer een moment, komende zomer, dat we niet willen dat mensen voor €25 naar Barcelona vliegen. Hoe geweldig zou het zijn dat ze dan lekker een dagje naar Maastricht gaan. Ik hoop dus gewoon dat de staatssecretaris toch even creatief wil bekijken hoe we nou die steun aan de ov-bedrijven op zo'n manier kunnen gebruiken dat die meerdere doelen dient.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Mevrouw Kröger heeft het over die 93%, maar het geld dat we hebben gereserveerd, hebben we bewust niet vastgepind op een bepaald bedrag omdat het moet kunnen meeademen met wat er nodig is voor de sector. De reizigersaantallen kunnen, net als nu, afnemen. We zijn in een tweede semi-lockdown gegaan. Dat betekent dat het aantal reizigers, dat aan het oplopen was, weer is afgenomen. Onze beschikbaarheidsvergoeding voorziet erin dat die regeling dan kan meeademen met wat er nodig is om die publieke dienst in de lucht te houden. Daarom hebben we een reservering gemaakt. Het is niet een bepaald bedrag, zo van "dit is het en als het op is, is het op" en ook niet: "als er over is, is het nog steeds voor het ov". Zo zit de regeling niet in elkaar. U vraagt eigenlijk om extra geld uit te trekken om mensen een gratis kaartje te geven. Anders zou het geld namelijk terugvloeien in onze gezamenlijke pot aan belastinggeld waarvan we met elkaar straks nog een heleboel rekeningen te betalen hebben.

De voorzitter:
Ik ga naar de heer Laçin, of was u van plan ... Nee, u bent door uw interrupties heen.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Voorzitter, volgens mij heb ik nog één vraag over, want ik heb net een interruptie in enen gedaan. Ik hoor toch nog een heel klein beetje ruimte bij de staatssecretaris om toch met die ov-bedrijven te gaan kijken. Als we mensen stimuleren om weer de trein te nemen, bijvoorbeeld door een stukje ov-steun op een of andere manier ten goede te laten komen aan mensen die anders ... Het gaat om additionele reizigers, mensen die je in de daluren, in het weekend, in de vakanties iets biedt. Dat heeft economisch een enorme spin-off, omdat het ook de horecaondernemer en de toeristische sector helpt. Misschien wil ze toch kijken wat er mogelijk is, misschien met de collega van Economische Zaken, staatssecretaris Keijzer. Kunnen we hier een pakket van maken waarmee we én het ov én de toeristische sector stimuleren in de zomer van 2021? Kunnen we een voorbeeld nemen aan België?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Ik vind het belangrijk om te constateren dat het idee dat het gratis is niet klopt. We kunnen met elkaar de afweging maken of we ergens geld voor uit willen trekken, maar dat kan niet uit de beschikbaarheidsvergoeding zelf. Dat vind ik wel belangrijk om te benadrukken. Verder vind ik het een heel sympathiek idee. Ik snap ook wat mevrouw Kröger allemaal aan mooie perspectieven schetst, maar de beschikbaarheidsvergoeding is voor de publieke dienst. We hebben niet voor niets een budget dat mee-ademt. Dat betekent ook dat meevallers echt meevallers zijn. We hebben bovendien met elkaar al een enorme coronarekening te betalen.

De voorzitter:
De heer Laçin.

De heer Laçin (SP):
Ik wil doorgaan op de beschikbaarheidsvergoeding, vooral voor de tweede helft van 2021. Ik wil eerst opmerken dat de staatssecretaris een hele opsomming gaf van internationale lijnen, maar daarbij vergat om Heerlen-Aken te noemen. Dat moest ik mede namens de heer Amhaouch zeggen. We horen dat straks graag bevestigd.

Dan de vraag over de beschikbaarheidsvergoeding in de tweede helft van 2021. De staatssecretaris begon haar beantwoording met het uitspreken van haar waardering voor de ov-sector en ook voor het personeel. Maar juist dat personeel mailt en appt mij dat zij zich zorgen maken over hun toekomst bij hun ov-bedrijf, welk dat dan ook mag zijn. Een voorwaarde voor de beschikbaarheidsvergoeding in de tweede helft van 2021 is een transitieplan ...

De voorzitter:
U heeft een hele inleiding! Wat is de vraag?

De heer Laçin (SP):
De vraag komt eraan, voorzitter, nog heel even geduld.

De voorzitter:
Nee, nee, nee ...

De heer Laçin (SP):
Heel veel werknemers wachten hierop, voorzitter, dus ik ga de vraag kort stellen. Het transitieplan dat gevraagd wordt, mag niet ten koste van de werknemer gaan die nu zo veel lof en waardering krijgt. Wat gaat deze staatssecretaris eraan doen om dat gevraagde transitieplan niet ten koste te laten gaan van de werknemers bij NS en andere vervoerders?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Dit hebben de heer Laçin en ik ook gewisseld in het AO laatst. Toen heb ik gezegd dat ik echt vind dat het personeel van het ov kapitaal is dat we in handen hebben. Het is de bedoeling dat we in die transitieplannen — daarom noemen we ze ook transitieplannen — door de coronadip heen proberen te kijken. Op de lange termijn hebben we een enorme uitdaging in het openbaar vervoer, gezien de groeiprognoses. Voor de coronacrisis maakten we ons zorgen over hoe we het in termen van personeel gingen opvangen: komen we niet tekort? Hebben we het materieel wel, hebben we de mensen? Hebben we al het kapitaal dat we nodig hebben? In die transitieplannen kijk je door de coronacrisis heen naar de structurele effecten en hoe je daarop je koers bepaalt.

De voorzitter:
Gaat u verder, want u heeft nog twee onderwerpen.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Ja, twee onderwerpen, voorzitter. Eerst duurzame mobiliteit en klimaat. Het verduurzamen van onze mobiliteit is voor Nederland een grote en noodzakelijke ambitie. De heer Dijkstra, zelf ervaringsdeskundige met én een Porsche én twee scooters, illustreerde ons mobiliteitsgedrag al met cijfers, maar ik voeg er daar graag nog een aan toe: wij reizen dagelijks 13.000 keer de wereld rond voor studie, werk, ontspanning en goederenvervoer. We zijn dus een nogal mobiel volkje. We kennen ook de keerzijde. We hebben de afgelopen tijd kunnen merken hoe de lucht ook opklaart als vervoer stilvalt. Vervoer zorgt ook voor luchtvervuiling en voor 20% van de CO2-uitstoot. Hoe mooi zou het zijn, als de economie weer volledig draait, als iedereen weer onderweg kan zijn, en we tegelijkertijd toch die lucht schoon kunnen houden en de uitstoot kunnen laten dalen. Dat is ook waar we naartoe werken. Schone lucht is van levensbelang.

Voorzitter. Met de uitvoering van de mobiliteitspijler van het Klimaatakkoord liggen we op schema met een mix van maatregelen: groen ov, schone brandstof, elektrisch rijden, waterstof en duurzame stadslogistiek. Heel mooi dat we dit jaar nog op 1.000 uitstootvrije bussen in het ov terechtkomen. Daarmee zitten we nu op zo'n 20% van de bussen in Nederland. Drie jaar geleden was dat nog 4%.

Ook de fiets geven we ruim baan. Het stijgend aantal fietsers gaan we goed opvangen met extra snelfietsroutes en ov-fietsenstallingen. Van de 17 snelfietsroutes die het Rijk meefinanciert, worden er nu 13 aangelegd. Voor de resterende vier wordt volgend jaar gestart met de bouw.

Dan de ov-fietsenstallingen. In het regeerakkoord was 74 miljoen uitgetrokken voor extra investeringen in fietsenstallingen op knooppunten. Ontzettend belangrijk voor die comfortabele reis van deur naar deur. Het is ook wel fantastisch dat ik in deze periode de grootste fietsenstalling ter wereld mocht openen, waarmee we zo ongeveer alle internationale media hebben gehaald. Nog dit jaar maak ik bekend waar ik met provincies en vervoerregio's extra fietsenstallingen bij de ov-knooppunten ga bouwen, naar aanleiding van dat extra geld. Met deze investeringen zijn er in 2025 600.000 fietsparkeerplekken in Nederland.

Daarnaast werken we met de regio's aan een nationaal toekomstbeeld voor de fiets. Hierdoor krijgen we zicht op ontbrekende schakels voor fietsers in het nationale fietsnetwerk, doorfietsroutes en fietsparkeervoorzieningen. Dit geeft houvast voor een aanpak om nog meer Nederlanders te stimuleren om vaker de fiets te pakken en verder te fietsen. Juist in deze tijd van corona hebben heel veel mensen namelijk ook de fiets ontdekt.

Voorzitter. Over elektrisch vervoer zijn een aantal vragen gesteld. De rode draad daarbij was betaalbaarheid en veiligheid. Om te kunnen voldoen aan de afspraken van het Parijsakkoord streeft het kabinet naar 100% nieuwverkoop van uitstootvrije auto's in 2040. Dat levert dan een flinke reductie op van 3 megaton. Dit loopt in de daaropvolgende jaren alleen maar op naar een uiteindelijk uitstootvrij wagenpark. Met afspraken in het Klimaatakkoord hebben we deze ambitie concreet handen en voeten gegeven. We willen dat elektrisch rijden op termijn voor iedereen een aantrekkelijke en betaalbare optie wordt. Daarvoor moeten dan ook de randvoorwaarden op orde zijn, met goede laadinfrastructuur en zekerheid over tarieven.

Over die betaalbaarheid. Het kabinet heeft erop ingezet om de elektrische auto voor particulieren ook dichterbij te kunnen brengen. We hebben hierop ingezet door de stimulering voor het hogere segment af te bouwen, door de cap af te bouwen en de bijtelling stapsgewijs te verhogen. Er zijn steeds meer elektrische middenklassemodellen die op termijn ook interessant zijn voor de tweedehandsmarkt, waar het kabinet heel bewust op inzet.

Veel particulieren hikken nog steeds aan tegen de hoge aanschafprijs, ondanks dat het "tanken" natuurlijk veel goedkoper is geworden. Met de subsidieregeling hebben we die drempel verlaagd, opdat elektrisch rijden voor een grotere groep bereikbaarder wordt dan alleen voor de zakelijke rijders. Ook daar weer bijzondere aandacht voor de tweedehandsmarkt.

De auto's voldoen ook steeds meer aan de wensen van de automobilist. De actieradius van de modellen wordt steeds groter, ook voor kleine en compacte auto's. Gemiddeld rijdt een Nederlander per dag ongeveer 32 km met de auto. Dan blijkt de actieradius ook meer dan voldoende voor het merendeel van die ritten. Als eerste bewindspersoon die met een elektrische auto naar de uithoeken van het land reist, zeg ik tegen meneer Graus dat hij nog verbaasd zou staan over wat er allemaal kan. Dat over de effectiviteit van EV.

Dan over de veiligheid. Elektrische auto's zijn net zo veilig als auto's die op benzine of diesel rijden. Dat is afgelopen week weer bevestigd door CE Delft, dat onafhankelijk onderzoek deed naar veiligheid en elektrische personenauto's. In dat rapport is onder andere gekeken naar voertuigveiligheid, brandveiligheid, incidentbestrijding en laadinfrastructuur. Veiligheidsrisico's die gelden voor elektrische auto's, gelden meestal ook voor conventionele auto's.

Overigens had het kabinet een keer een werkbezoek aan de brandweer in Den Haag. Daar kregen we ook te zien hoe de brandweerlieden worden getraind op het omgaan met deze nieuwe technologie, want dat vraagt wel een stukje extra training, maar daar is ook nadrukkelijk aandacht voor.

Voorzitter. Tot slot moeten ook de randvoorwaarden op orde zijn. Met gemeenten, provincies en netbeheerders heb ik afspraken gemaakt over het realiseren van een landelijk dekkend, betrouwbaar en toekomstbestendig netwerk van laadpalen. Zij zijn daarmee volop aan de slag. Dan kijken we niet alleen naar personenauto's, maar ook naar vrachtverkeer, bussen en schepen. Nog dit jaar stelt de stuurgroep Nationale Agenda Laadinfrastructuur een tussenbalans op. In verschillende regio's hebben recentelijk grote aanbestedingen plaatsgevonden. In de afgelopen tien maanden zijn zo'n 10.000 extra publieke laadpunten gerealiseerd.

Mevrouw Dik-Faber vroeg naar de Green Deal Autodelen. Zij vroeg of het doel is gehaald en of we nog door kunnen pakken. Een aantal mooie doelen zijn dus eigenlijk al heel vroegtijdig gehaald. Op de vraag over doorpakken zeg ik tegen mevrouw Dik-Faber: jazeker, we gaan aan de slag met een Green Deal III. Eerst lag de focus op professionele aanbieders, maar bij de nieuwe deal zullen we ook de belangrijke buurtinitiatieven betrekken. Daar heeft u al een aantal keer aandacht voor gevraagd. Daarbij zou bijvoorbeeld de verzekering een issue kunnen zijn. Nou, dat soort punten zullen we bespreken. We zullen kijken hoe we dat soort buurtinitiatieven een plek kunnen geven. We gaan dus aan de slag met Green Deal Autodelen III.

Dan de zero-emissiezones voor stadslogistiek. De heer Ziengs had daar in zijn inbreng bijzondere aandacht voor. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat we toewerken naar de invoering van zero-emissiezones voor stadslogistiek vanaf 2025. We zijn inderdaad met enkele tientallen gemeenten in gesprek over de invoering daarvan. Begin volgend jaar zullen we bekendmaken welke gemeenten de overstap als eerste zullen maken. De afspraak is dat dit steeds vier jaar van tevoren wordt aangekondigd, om iedereen de tijd te geven zich voor te bereiden. Ik vind het heel belangrijk dat we deze transitie in goede banen leiden. De heer Graus en de heer Ziengs hadden wat vragen daarover en ook wat zorgen, gezien de ondernemers. Die hebben het inderdaad moeilijk. Daarom vind ik het extra belangrijk dat we ondernemers tegemoetkomen bij de overstap naar een schoon busje of een schone vrachtwagen.

De heer Ziengs vroeg hoe we de invoering van zero-emissiezones voor stadslogistiek betaalbaar en haalbaar houden en de ondernemers niet in de kou laten staan. Ook de heer Stoffer vroeg hier aandacht voor. Die punten hebben inderdaad centraal gestaan bij de voorbereiding in het afgelopen jaar. We hebben heel intensief overleg gevoerd met MKB-Nederland, gemeenten en evofenedex. We zijn echt gezamenlijk tot een set afspraken gekomen. Centraal daarin staan: voldoende tijd om rekening te houden met de benodigde aanpassingen — de vier jaar waar ik het net over had — en een geleidelijke overgang voor verschillende types bestelbussen en vrachtauto's tussen 2025 en 2030 die rekening houdt met de leeftijd van het voertuig. Zo krijgen Euro 5-busjes tot 2027 en Euro 6-busjes tot 2028 de tijd om de overstap te maken, want die zijn immers al schoner. De Euro 6-vrachtauto's hebben tot 2030 de tijd. We houden ook steeds een vinger aan de pols, zodat we weten of de wereldwijde productie van zero-emissiebestelauto's voldoende is voor de Nederlandse markt.

We zorgen voor een subsidieregeling om te helpen bij de overstap naar zero-emissie. Er is bijzondere aandacht voor de mensen met een "rijdende gereedschapsbus". Zo noemden we het toen we met elkaar over het Klimaatakkoord spraken. Dat zijn vaak mensen die moeten overstappen van een Euro 4-busje. Daar hebben we bijzondere aandacht voor.

De markt voor zero-emissiebestelbussen en -vrachtwagens is ondertussen sterk in beweging. Er is steeds meer keuze en voor kleine ondernemers is er naast koop de optie van het leasen van een uitstootvrije bestelbus of vrachtwagen. Ik kom ondernemers graag tegemoet wanneer ze wel willen kopen bij de aanschaf van een zero-emissiebestelbus of -vrachtwagen. Voor emissieloze vrachtwagens hebben we onder andere de DKTI-regeling, die begin 2021 in werking treedt. En we werken aan een subsidieregeling voor emissieloze bestelbussen, die we hopelijk begin 2021 in werking kunnen laten treden. Daarnaast is er een investeringsaftrek, de BIK, die nog onderwerp van gesprek is. Voor kleine ondernemers zoals de klusjesman is er ook de KIA, de kleinschaligheidsinvesteringsaftrek. Dat helpt om het investeren in een schone bestelbus of vrachtwagen ook fiscaal aantrekkelijk te maken. Als je die eenmaal hebt, dan is het gebruik natuurlijk veel goedkoper, maar we willen toch ook helpen om over die eerste hobbel heen te komen.

De heer Ziengs vroeg in het bijzonder aandacht voor ondernemers met oudere bestelbussen. Zeker, daar hebben we absoluut oog voor. Ik heb met MKB-Nederland afgesproken dat we naast het aanbieden van de eerdergenoemde subsidieregelingen bekijken hoe we eigenaren van een bestelbus met Euroklasse 4 extra tegemoet kunnen komen. Voor hen is de stap namelijk groter dan voor mensen die al met een Euro 5-bus of een Euro 6-bus rijden.

Daarnaast kunnen gemeenten als sluitstuk ontheffingen verlenen aan ondernemers wanneer die door omstandigheden met onredelijk hoge kosten worden geconfronteerd. Daar zit de hardshipclausule dus ook in. Voor een incidentele klus wordt ook gekeken naar logistieke hubs aan de rand van de stad en het organiseren van het zoeken van samenwerking met andere ondernemers, die wel beschikken over een elektrische bestelauto. Uiteraard moeten er ook voldoende laadpunten zijn. De bouwvakker die zijn bestelbusje mee naar huis neemt, moet 's nachts bij zijn huis op kunnen laden. Samen met alle betrokken partijen werk ik dus in de Nationale Agenda Laadinfrastructuur aan een landelijk dekkend netwerk. Verspreid over Nederland starten begin 2021 meerdere proeven met publieke laadpleinen voor vrachtwagens en bestelbusjes.

Dan was er in dit blokje nog een laatste vraag, over de pakketdiensten. Dat was ook een vraag van de heer Ziengs, die vroeg: er rijden zes busjes per uur door de straat; kan dat niet wat slimmer? Veel pakketdiensten hebben hun logistieke proces al geoptimaliseerd, maar vaak is er ook echt nog wel ruimte voor verbetering. Daarin zou een belangrijke rol weggelegd kunnen zijn voor de logistieke hubs aan de rand van de stad. Ook daarvoor heb ik een mooi werkbezoek mogen doen in Amsterdam, waar dat georganiseerd werd. Verschillende leveranciers kunnen daar hun pakketjes afleveren. Dat scheelt enorm veel busjes in de stad. Ook kan de retourlogistiek dan beter worden georganiseerd. Dit wordt allemaal opgepakt in de innovatieagenda behorend bij het Klimaatakkoord. De brancheorganisatie van de e-commerce, Thuiswinkel.org, heeft eerder de Bewust Bezorgdtool geïntroduceerd. Samen met hen voer ik op dit moment een onderzoek uit naar de mogelijkheden om consumenten duurzamer te laten bestellen, bijvoorbeeld door inzichtelijk te maken wat de meest duurzame bezorgoptie is. Je ziet ook vaak al hele interessante combinaties van bijvoorbeeld boodschappenleveranciers die pakketjes mee terugnemen. Er is dus veel aan de gang, maar het is terecht dat hier aandacht voor is gevraagd.

Dat was mijn tweede blokje, voorzitter.

De voorzitter:
U had een vraag, een korte vraag, zoals altijd, meneer Graus? Maar niet heus.

De heer Graus (PVV):
Allereerst even ter verduidelijking: gaat de staatssecretaris nog apart over de veiligheid in het openbaar vervoer spreken of niet?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Ik heb de veiligheid in het openbaar vervoer in het eerste blokje genoemd onder de punten waar we hard mee aan de slag zijn. Ik weet dat de PVV daar inderdaad altijd veel aandacht voor heeft. Samen met de PVV heb ik ooit als Kamerlid nog een motie ingediend voor de sms-alert in de trein. Dat is inmiddels in werking getreden. Ik weet ook dat er een initiatiefnota van de heer Van Aalst is aangekondigd. Ik heb de heer Van Aalst daarvoor complimenten gemaakt in het AO, want het kost altijd veel tijd om zoiets op te stellen. We kijken uit naar de behandeling, die volgens mij inmiddels al ingepland is.

De voorzitter:
De heer Graus durft niks meer te vragen na al die complimenten.

De heer Graus (PVV):
Jawel. Ik bedank de staatssecretaris daarvoor, want die komen mijn collega's zeker toe.

Ze zouden ook honden moeten inzetten op de trajecten waar altijd trammelant is, want als je één hond, één Mechelse herder, in zo'n trein of bus zet, is het afgelopen, geloof me. Ze moeten daar veel slimmer mee omgaan, want …

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Tenzij het een labrador is, natuurlijk.

De heer Graus (PVV):
… zo kunnen ze onze mensen beschermen. Daar zijn herdershonden en pitbulls inderdaad vaak beter voor dan labradors. Ik hoop dat de staatssecretaris het daarmee eens is.

Maar mijn vraag gaat over de milieuzones. Daarbij heb ik specifiek aandacht gevraagd voor kermissen en circussen. Die mensen hebben vaak oudere vrachtwagens. Ze verdienen überhaupt al helemaal niks meer; ze gaan allemaal naar de knoppen. Zij moeten vaak door een milieuzone om naar de rand van een stad te rijden, waar zij hun circus of kermis opbouwen. Daarna vertrekken zij weer stapvoets. Die mensen kunnen dat niet betalen. We kunnen toch niet van die mensen verlangen dat ze nieuwe vrachtwagens gaan aanschaffen? Kan hier niet een ontheffing of iets dergelijks voor geregeld worden?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Er zitten twee soorten ontheffingen in. Er komt sowieso een generieke lijst met ontheffingen voor een aantal voertuigen waarvan het niet reëel is om te verwachten dat ze zero-emissie zullen worden. Eerder vielen onder andere kermisvoertuigen onder de reguliere milieuzones. Daarnaast kan elke stad ook ontheffingen geven. Dat bedoelde ik met die hardshipclausule. Ik kan me voorstellen dat we met de gemeenten bespreken dat bijvoorbeeld het in- en uitrijden van kermisvoertuigen daarin wordt meegenomen. Wij hebben hier dus aandacht voor.

De heer Graus (PVV):
Nu zijn we er bijna. Ik bedoelde het voor die incidentele ritten. Ze brengen betaalbaar vertier voor Jan met de pet, voor iedereen, en daardoor brengen ze ook saamhorigheid. Dat hebben we nodig in deze tijd. Is de staatssecretaris bereid om met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, de VNG, te zorgen dat daar een soort uniformiteit in komt? Want in sommige gemeenten hebben die mensen het zo moeilijk, en waarom? Terwijl de mensen, de consumenten die gebruikmaken van zo'n kermis of circus, dat overal willen. Anders worden de mensen toch ook gediscrimineerd door een bepaald gemeentebestuur? Dat moet niet kunnen. Er moet dus uniformiteit zijn.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Wanneer we de subsidieregeling consulteren — we komen ook nog weer een keer met een brief — zullen we even duidelijk maken wat, wat ons betreft, sowieso de categorieën zijn die onder de uitzonderingen vallen. En even uit mijn hoofd: voor de milieuzones hadden we volgens mij de kermis er al tussen staan. Maar ik zal er nog even extra naar kijken op verzoek van de heer Graus.

Voorzitter. Dan het derde blokje, duurzaamheid en circulaire economie. Dat is een onderwerp — dat weten de Kamerleden — waar ik mij al lang mee bezighoud, al sinds 2010 toen ik Kamerlid werd. Ik heb het zien groeien van moties tot een nationale ambitie. En dat is overigens mede dankzij de brede steun in de Kamer. Alle AO's waren altijd een samenvatting van: kan er meer, kan het sneller en kunnen we doorpakken? Dat is natuurlijk altijd een feest: als je verantwoordelijk bent voor zo'n terrein en je ziet dat iedereen graag meer wil. En we zien ook dat we vorderingen maken met elkaar. CE wordt zichtbaarder. We bouwen bruggen van vlas en hars, we maken van oud beton nieuw beton, we maken van oud en vervuild staal weer nieuw staal. Ik heb recent samen met de Koning echt een prachtige fabriek in het noorden van het land mogen openen. We zijn al heel goed in recyclen. Van oude matrassen maken we weer nieuwe matrassen. We worden steeds beter in het maken van nieuw materiaal van oud materiaal, maar we herontdekken ook de waarde van reparatie en hergebruik. De voorbeelden nemen toe, maar we staan nog aan het begin. Dat weten we ook.

Dat geldt ook voor metingen en monitoring van de voortgang. Er is een heel nieuw meetsysteem ontworpen door het Planbureau voor de Leefomgeving, want we willen natuurlijk weten of ons beleid effectief en efficiënt is. Daar moet je voor kunnen meten. Nederland is wereldwijd het eerste land dat op deze gedegen wijze de voortgang van de circulaire doelen in kaart brengt. Eind januari verwacht ik de eerste resultaten. Dat zijn belangrijke stappen, ook om te laten zien hoe circulaire economie kan bijdragen aan het tegengaan van klimaatverandering.

Nederland wordt ook internationaal echt gezien als koploper. Een mooi bewijs daarvan is het World Circular Economy Forum dat we in april mogen organiseren. Die conferentie gaan we echt benutten om de link tussen CE en klimaat hoger op de internationale agenda te zetten. Want als we niet inzetten op circulaire economie, dan negeren we niet alleen de helft van het probleem maar ook de helft van de oplossingen. En dat zijn juist oplossingen waarmee heel veel ondernemers heel erg graag aan de slag willen en die ook werkgelegenheid met zich mee kunnen brengen, zo becijferde TNO.

Voorzitter. Dan de beantwoording van de vragen. Als eerste de SUP, de Single-Use Plastics-richtlijn. Mevrouw Kröger vraagt of ik meer ambitie kan leggen in de implementatie van de Europese richtlijn tegen wegwerpplastic, maar mijn eerste prioriteit is ervoor zorgen dat die SUP-richtlijn op tijd geïmplementeerd wordt, dus voor de uiterste deadline. En dat kan alleen nog maar met zuivere implementatie. Hierover ontvangt u binnenkort de eerste brief. Ik ga het daar echter niet bij laten. Parallel daaraan werk ik aan een bredere insteek dan alleen de Europese SUP-maatregelen. De exacte maatregelen zijn we nog aan het onderzoeken, want een goede onderbouwing is daarbij belangrijk. Hiervoor kijk ik bijvoorbeeld naar opties als beprijzing, het stimuleren van hergebruik maar ook naar specifieke geboden en verboden. Het is heel simpel. Bij alle rioolbuizen, plantenpotten en shampooflessen vraag je je eigenlijk af: waarom zouden we daar nog nieuw plastic voor gebruiken? In die richting heb ik meer ambitie, maar we moeten ervoor zorgen dat én die SUP-richtlijn op tijd geïmplementeerd wordt én dat we die andere voorstellen ontwikkelen. Dat moet parallel gebeuren.

In januari 2021 zal ik een brief naar de Kamer sturen waarin ik mijn plannen voor die parallelle, bredere, aanvullende aanpak uiteenzet. Daar kunnen ook wetgevingsvoorstellen in zitten. Alleen vermengen we die niet met de implementatie van de Europese richtlijn, waardoor die vertraging zou oplopen en we niet meer op tijd zouden zijn.

Mevrouw Kröger vraagt of ik vol wil inzetten op een exportverbod van plastic afval. Ja. Voor de export van afval gelden internationale regels. Nu al is de export van afval vanuit de EU alleen toegestaan als dat afval nuttig wordt toegepast. Helaas gaat dat in de praktijk niet altijd goed. Velen van u hebben gerefereerd aan dat NRC-artikel over Turkije. Daar baalt iedereen natuurlijk enorm van. Die internationale regels kan ik niet eenzijdig aanpassen, maar ik zet me er wel in Europees en internationaal verband voor in om ze aan te scherpen. Ik vind ook dat we binnen de EU in staat moeten zijn om ons afval zelf op te ruimen en hoogwaardig te verwerken. Ik vind dat we afval alleen mogen exporteren als de milieuverantwoordelijke verwerking echt goed is geborgd. Dat kunnen we als Nederland en ook als Europa niet alleen. Daarom wil ik me dus ook inzetten voor het verhogen van de recyclingcapaciteit, zowel in Nederland als in de EU als geheel. Op dit moment praten we als ministerie met de afvalbranche over toekomstplannen. Ik gaf net al aan dat we ons inzetten voor het aanscherpen van regels in internationaal verband, maar we zetten ons ook in voor het versterken van de samenwerking met andere landen over de werking van de regels in de praktijk. Want je kunt aan de ene kant wel regels hebben, maar vaak gaat het ook om goede samenwerking om die keten gesloten te houden. Dat doen we onder andere met Indonesië en Vietnam. Ik heb daar wat voorbeelden van genoemd. Het is wat mij betreft dus en-en-en. Niemand wil dat bedrijfsverpakkingsafval op een Turks strand zien liggen. Ik kom er zo meteen nog even op terug. We nemen ook maatregelen om het bedrijfsverpakkingsafval meer te gaan aanpakken.

De heer Ziengs stelde mij terecht een aantal vragen over afvalinzameling en kwaliteit. Als we het hebben over de circulaire economie en als we het hebben over recycling, moeten we ons echt niet alleen blindstaren op kwantiteit. Het gaat ook echt over de kwaliteit. Die bepaalt weer wat je er daarna mee kunt. Sinds 2016 hebben we veel acties ondernomen om de scheiding van afval te verbeteren en daarnaast de hoeveelheid restafval van huishoudens te verminderen. Gemiddeld gezien is die trend ook positief. In 2019 hadden we, in vergelijking met 2015, een kwart minder restafval per persoon per jaar. Dat is -25% in een paar jaar. Dat is echt goed. Het percentage afvalscheiding was in 2015 50% en in 2019 65%, dus we gaan ook meer scheiden. We zetten hier volop op in met verschillende acties, zoals het aanvalsplan gft-afval en textiel. Ik noem ook de handreikingen voor het aanpakken van vervuild gft-afval en textiel en nieuwe recycledoelstellingen en circulaire doelstellingen. De nieuwe Europese meetmethodes focussen beter op kwaliteit. Dus het is echt belangrijk dat die nieuwe meetmethode er is gekomen. Ik werk op dit punt samen met gemeenten en bedrijven.

De heer Ziengs heeft gelijk dat er nog heel veel stappen te zetten zijn. Dat moeten we blijven doen. We moeten, naast de kwantiteit, echt blijven inzetten op het steeds verbeteren van de kwaliteit.

Mevrouw Kröger vroeg naar het toezien op de eisen aan de top tien meest voorkomende verpakkingen. Eigenlijk vroeg zij naar het voorkomen van onzinverpakkingen en naar de essentiële eisen. De ILT zet er inderdaad op in om de meest relevante plastic verpakkingen voor toezicht in kaart te brengen en vervolgens het toezicht op de toepassing van de essentiële eisen daarop te richten. Zij gaan echt kijken naar: wat zijn nou de meest relevante stromen? "Verder dan alleen die shampoofles?" vroeg u. Ja. Dat gaat verder dan alleen de shampoofles. ILT gaat er gewoon een goede analyse van maken.

Ik zeg weleens: textiel is het nieuwe plastic. Dat we plastic moeten en kunnen aanpakken, staat nou, denk ik, wel bij iedereen op het netvlies. Textiel is, denk ik, het nieuwe plastic, in die zin dat de textielsector na de oliesector de tweede meest vervuilende sector ter wereld is. Er is echt heel veel te doen. Textiel is ook vaak plastic, dus er zit ook nog een belangrijke overlap in. Maar het goede nieuws is dat er ook daar heel veel beter kan. Ook op dit gebied kom ik ontzettend veel ondernemers tegen die daarmee heel graag en heel enthousiast aan de slag zijn. In het beleidsprogramma circulair textiel dat ik uw Kamer dit jaar heb gestuurd, zijn ambitieuze doelstellingen geformuleerd voor het verduurzamen van de textielsector. Onlangs heb ik de Denim Deal gesloten, waarbij een groot aantal partijen uit de denimsector — dat zijn gewoon de bedrijven zelf — de handen ineen hebben geslagen om hiermee concreet aan de slag te gaan. Om een klein inkijkje te geven in hun enthousiasme: ze hadden me eerst voorgesteld om met een doelstelling te komen van 1 miljoen spijkerbroeken. Maar toen gingen er zo veel partijen meedoen, dat ze, voordat ze de Denim Deal lanceerden, al naar 3 miljoen spijkerbroeken waren gegaan. Dus er zit veel beweging, veel energie in die sector.

Steeds meer consumenten kiezen gelukkig ook voor duurzame kleding. Ik zie de markt daar ook op inspelen. Voordat u nou denkt "dat zijn misschien alleen de niches, de bedrijven die toch altijd al duurzaam waren of die zich richten op een klein, specifiek segment van de markt", zeg ik: we zien ook Zeeman en H&M erop inspelen. We zien ook een groeiende markt voor tweedehands kleding.

Mevrouw Van Eijs heeft nog een heel aantal andere vragen gesteld over textiel. In het begin van de coronacrisis was er sprake van dat ingezameld textiel bleef liggen, maar inmiddels is dat alweer weggewerkt. De meeste inzamelaars hebben het ingezamelde textiel inmiddels verkocht en de textielmarkt is weer op gang gekomen.

Mevrouw Van Eijs vroeg ook naar de verbranding. Verbranding van grondstoffen past niet in een circulaire economie. Er is ook een dalende trend te zien in de hoeveelheid ongebruikt textiel die wordt verbrandt in Nederland. Dat verbranden willen we verder ontmoedigen, zodat die trend wordt voortgezet. Op dit moment is in het LAP3, het Landelijk Afvalbeheerlplan, recyclen de minimumstandaard, maar we willen kijken of we dat kunnen aanscherpen. Overigens zou ik van het Landelijk Afvalbeheerplan liever het Landelijk Recycleplan willen maken, maar ik kom nog bij u terug met de voornemens die ik op dat punt heb.

Mevrouw Van Eijs vroeg of UPV nog kan helpen. Jazeker. Mevrouw Dik-Faber vroeg daar ook heel nadrukkelijk naar. In het beleidsprogramma dat ik net noemde, heb ik aangegeven in het voorjaar 2021 te komen met een voorstel voor de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid. Momenteel werken de brancheorganisaties hieraan. Parallel aan dat traject laat ik een onderzoek uitvoeren naar de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor textiel. Dat onderzoek is inmiddels gestart.

Mevrouw Van Eijs geeft aan blij te zijn met de extra middelen voor de circulaire economie. Ik ben uiteraard ook blij dat we die daarvoor hebben kunnen uittrekken. Zij vraagt of de 10 miljoen per jaar bedoeld is voor het huidige programma of voor koerswijzigingen. De middelen zijn vrijgemaakt voor voortzetting van de huidige lijnen, maar ook om hoger op de R-ladder te kunnen inzetten. Dat was ook een aanbeveling van de rekenkamer.

Ik heb nog twee blaadjes, voorzitter.

Mevrouw Dik-Faber vroeg naar de grondstoffenrotonde en zei dat er een afzetmarkt voor recyclaat nodig is. Absoluut. Mijn inzet is om op Europees niveau te komen tot een verplichte toepassing van recyclaat — een verplicht aantal duurzaam zou je kunnen zeggen — in bepaalde producten.

De heer Wassenberg vroeg waarom het statiegeld niet wordt uitgebreid naar alle varianten, omdat hij het simpel wilde houden. Toen ging hij zo veel verschillende verpakkingen opnoemen dat ik dacht: als je het simpel wilt houden, moet je het gewoon houden bij het plastic en bij de blikjes. We hebben een twintig jaar durende discussie beslecht en samen het doel vooropgesteld. Statiegeld op flesjes is een feit geworden en voor blikjes volgen we op dit moment hetzelfde pad als voor flesjes.

De voorzitter:
Ik zag mevrouw Dik-Faber, die iets wil vragen. Dan heb ik mevrouw Dik-Faber, de heer Ziengs, mevrouw Van Eijs en de heer Laçin. Mevrouw Dik-Faber.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):
De grondstoffenrotonde komt de staatssecretaris bekend voor van de tijd dat we allebei nog Kamerlid waren — ik ben nog steeds Kamerlid. Volgens mij komt het idee uit haar koker. Ik weet het niet helemaal zeker, maar ik heb haar het woord vaak horen uitspreken. Waar staan we nu als Nederland met die grondstoffenrotonde? Ik merk dat er veel ambities zijn als het gaat om de circulaire economie, maar dat de structuur voor inzamelen, sorteren en recyclen nog niet goed van de grond komt. Als we dat met elkaar ambiëren en de doelstelling omarmen, wat is dan de rol van het bedrijfsleven en wat kan de overheid doen? Wat ziet de staatssecretaris als haar eigen rol bij het van de grond tillen van de grondstoffenrotonde in Nederland?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
We zijn in Nederland eerst begonnen met het stimuleren van heel veel pilots. Dat was heel mooi en daar hebben we heel veel goede voorbeelden gezien van wat de circulaire economie kan doen. Toen ik begon, heb ik gezegd: ik wil drie dingen doen in deze periode: structureren, opschalen en versnellen. Voor het structureren zijn we met een rijksbreed uitvoeringsprogramma gekomen met verschillende pijlers, omdat we steeds in al die pijlers de partijen bij elkaar willen brengen om te kijken wat er nodig is om voortgang te maken. En dat betekent ook opschaling. Daarnaast is er het hele meetinstrumentarium. We gaan begin volgend jaar zien waar we precies staan. Dan heb je een beeld van de punten waar we verder kunnen aanscherpen en versnellen op een effectieve en efficiënte manier. Versnellen doen we met het Versnellingshuis.

In de breedte is het bij al die pijlers van belang om te kijken wat de knelpunten zijn. Als een bedrijf iets wil, zegt het heel vaak: we hebben iemand anders nodig. Binnen het Versnellingshuis brengen we al die partijen bij elkaar. Dat heeft er bijvoorbeeld toe geleid dat er een prachtige nieuwe fabriek is gebouwd voor het recyclen van oude matrassen, omdat we ook bij matrassen hebben gezorgd voor uniforme producentenverantwoordelijkheid. Dan is er een reden om te investeren in een matrassenfabriek, want je weet dat die stroom wordt aangevoerd.

Er is dus niet één antwoord te geven op de vraag waar we staan of de vraag of er voldoende of onvoldoende capaciteit is. Je moet steeds binnen de keten kijken wat nodig is. Die analyse wordt overal gedaan. We kijken steeds welke partijen allemaal nodig zijn en hoe we die bij elkaar brengen om het daar verder te brengen.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):
Het zal de staatssecretaris niet verbazen dat ik er één stroom uit wil halen. Dat is textiel. Ik draag zelf vandaag kleding van gerecycled materiaal. Dat kan.

De voorzitter:
Het ziet er heel mooi uit.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):
Dat gebeurt nog heel weinig. We hebben in de Denim Deal — ik vind het een mooi voorbeeld — een afspraak gemaakt over 3 miljoen spijkerbroeken met 20% recyclaat erin. Volgens mij is de afspraak dat je gebruik maakt van gerecycled materiaal een enorme boost om te gaan inzamelen en het te gaan verwerken. Waarom doen we dat alleen met spijkerbroeken en gebeurt het nog niet met katoen en andere stoffen?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
De textiel is een hele internationale markt. We moeten dus steeds zorgen dat we de keten vinden waarmee we die afspraak kunnen maken, tenzij je in Europa al zo ver kunt gaan dat je het gewoon in Europese wetgeving vastlegt. Dat zou mijn voorkeur hebben, dus dat we echt zorgen voor een verplicht aandeel duurzaam. Voor plastic verwacht ik dat voorstel heel binnenkort. Ik weet dat de Commissie ook kijkt naar verplichte aandelen voor andere ketens. Dan kun je gewoon alle partijen in de keten eraan houden. Ik vind het heel mooi en ik deel helemaal met mevrouw Dik-Faber dat we prikkels moeten inbouwen om het inzamelen te laten lonen, doordat je weet dat die grondstoffen weer gebruikt worden. Voor plastic zijn we al wat verder, maar voor textiel willen we ook die kant op.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):
Dan ben ik ook heel benieuwd hoe die discussie loopt in Europa. Wordt dat gesprek gevoerd? Kunnen wij vanuit Nederland kennis aandragen? En dringen wij vanuit Nederland aan op een aanzienlijk percentage recyclaat in de textielstromen? Staat het op de Europese agenda? We kunnen het volgens mij een enorme boost geven.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Het antwoord is drie keer ja. In de context van het Europese actieplan voor een circulaire economie wordt hierover gesproken. Ik heb ook persoonlijk bij de Commissaris erop aangedrongen om snel met het voorstel voor plastic te komen. Er wordt ook naar de andere stromen gekeken. Wij zijn als Nederland heel graag bereid om al onze kennis en kunde in te brengen in Brussel als onderdeel van de besluitvorming aldaar.

De voorzitter:
De heer Ziengs en dan mevrouw Van Eijs.

De heer Ziengs (VVD):
De staatssecretaris ging vrij snel door de vragen heen die ik in eerste termijn had gesteld. Ik bracht inderdaad in dat we meer moeten kijken naar kwaliteit in plaats van kwantiteit. Daar antwoordde de staatssecretaris op dat ze daar in brede zin naar gaat kijken. Betekent dit dat er op een andere manier wordt omgegaan met de systematiek die nu gehanteerd wordt voor subsidies die vanuit het Afvalfonds beschikbaar worden gesteld op kilo's? Het tweede puntje dat voorbij kwam in mijn inbreng, was bedrijfsafval. Ik heb dat volgens mij niet volledig zien terugkomen in de beantwoording van de staatssecretaris. Het werd wel even kort aangestipt. Het derde puntje dat ik in mijn inbreng had gedaan, was de zogenaamde nascheiding, waarbij ik er aandacht voor vroeg dat de machines dat beter konden dan de mensen zelf. Misschien kan de staatssecretaris daar nog even op reflecteren?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Ik denk dat veel van die vragen in de schriftelijke beantwoording zaten. Het Afvalfonds gaat natuurlijk zelf over hoe het zijn prikkels inricht. Wel hebben we recent de mogelijkheid geboden aan gemeenten en Afvalfonds samen om bepaalde ketens wat efficiënter te organiseren. Daar zit zeker een link met het vraagstuk dat de heer Ziengs aankaart.

De heer Ziengs vraagt naar bedrijfsafval. Nu is er alleen voor het consumentenafval producentenverantwoordelijkheid. We gaan ook het bedrijfsafval daaronder brengen. Dat betekent dat daar ook een prikkel ontstaat, om dat beter te scheiden. Dat gaat zeker helpen.

Voor de voorscheiding en nascheiding geeft Europese regelgeving bepaalde uitgangspunten, namelijk dat voorscheiding voor een aantal stromen de basis is. Gemeenten hebben echter ook een bepaalde vrijheid om daar zelf van af te wijken. Ik ga de gemeenten niet beperken in die vrijheid.

Mevrouw Van Eijs (D66):
Allereerst dank voor de beantwoording van de vragen over textiel. Ik zou er graag nog verder over praten, maar ik heb nog maar twee vragen. Mijn vraag gaat over het Versnellingshuis. De staatssecretaris heeft de vragen daarover schriftelijk beantwoord. Zij antwoordt dat regelgeving die in de weg zit voor bedrijven die circulair willen werken, door het Versnellingshuis wordt opgepikt. Ik heb begrepen dat dit vooral gaat om het monitoren en het doorzetten, maar dat het minder vergaand is dan bijvoorbeeld het loket dat we in het verleden hadden voor Ruimte in Regels. Op dit moment kan het Versnellingshuis niet echt in gesprek met het ministerie. Ik hoor ook van partijen binnen het Versnellingshuis dat zij dat wel graag zouden willen, omdat ze actiever met het ministerie willen kijken naar die regels die in de weg zitten.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Dan moeten we daar een paar luikjes opendoen, want het is absoluut mijn intentie om dat versnellingshuis juist te benutten om echt in kaart te krijgen waar de knelpunten zitten. Als er knelpunten in de regelgeving zitten, wil ik dat weten. Dan kunnen we met elkaar de afweging maken of we daar iets in moeten aanpassen. Die informatie moet gewoon goed kunnen doorgaan. Ik zal mijn mensen vragen om te kijken hoe we in die zin de luiken tussen het versnellingshuis en het ministerie kunnen openzetten, zodat dit soort casussen en informatie duidelijk bij ons op tafel komen te liggen. We hebben er allemaal baat bij om precies de vinger te kunnen leggen op daar waar het knelt.

Mevrouw Van Eijs (D66):
Dan zal ik niet beginnen over de wormen, waar ik al vaker aandacht voor heb gevraagd. Mijn eerste tip is om eens naar de website te kijken. Ik heb echt moeten zoeken hoe ik kan aangeven dat regels in de weg zitten. Er is niet een heel duidelijke knop waar je op kunt drukken. Misschien kan dat al een kleine verbetering zijn.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
We gaan een knop maken met "deze regels zitten mij in de weg". We gaan daar iets moois voor verzinnen. Terecht: als je aan de slag wil met circulaire economie, moet je weten waar je terechtkunt. Als je wil aangeven waar je tegen aanloopt, moet het makkelijk zijn om dat door te geven. Dat is nog wat anders dan dat het meteen kan worden opgelost. Dit moet in ieder geval kunnen.

De voorzitter:
Heren, jullie staan te dicht bij elkaar. Ik zie het voor me: morgen staat dat op allerlei sociale media en in mailtjes. Twee maanden in quarantaine. Meneer Laçin, u was aan de beurt. U hoeft niet? Mevrouw Postma, u wordt beloond omdat u daar zo keurig stond.

Mevrouw Postma (CDA):
Omdat ik zo netjes afstand houd. Ik wil nog even een vraag stellen over de touringcars. We zijn heel erg blij dat jullie met elkaar in gesprek zijn. We horen dat het hoog op de agenda staat. U heeft net aan de heer Stoffer toegezegd dat we binnenkort de resultaten van het gesprek kunnen verwachten. Ik vond het zo mooi wat u zei over de verduurzaming van bestelauto's. U heeft daar grote investeringsplannen voor. Die gaan ondernemers ook echt meenemen en meehelpen. Nu zijn er touringcarbedrijven die touringcars met een Euro 5-norming of Euro 6-normering hebben. Dat zijn ontzettend mooie bussen en ook heel dure bussen. Ze kosten zo'n tweeënhalve ton per stuk, heb ik me laten vertellen. Hoe mooi zou het nou zijn, voor zowel de touringcarsector als voor de duurzaamheidswinst, als we kijken naar een opkoopregeling voor de oudere bussen. We kunnen dan kijken of we ondernemingen op die manier mee kunnen krijgen. Mijn vraag aan de staatssecretaris is of zij deze overwegingen wil meenemen en ons daarover wil berichten.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Ik vind het belangrijk om geen verwachtingen te wekken waarvan ik denk dat ze niet waar te maken zijn. Met mevrouw Keijzer vind ik het belangrijk dat de zorgen van deze sector de aandacht krijgen, maar ik kan niet vooruitlopen op een eventuele opkoopregeling. Mensen krijgen dan misschien hoop op iets wat we niet kunnen waarmaken. Ik heb de suggestie zeker gehoord. Als zodanig is die geregistreerd, maar daar moet ik het voor nu even bij laten. Mevrouw Keizer en ik vinden dat ook deze branche de aandacht nodig heeft. We willen kijken wat de situatie is. Ik kan dus ook nog niet precies zeggen wanneer we hierop terugkomen, maar ik heb de suggestie gehoord. Ik weet niet of dat heel makkelijk zal zijn, zeg ik er dan maar vast bij.

De voorzitter:
Een korte vraag, meneer Laçin.

De heer Laçin (SP):
Ik ga mijn best doen, voorzitter. Ik heb in mijn inbreng gisteren aandacht gevraagd voor de situatie rondom Tata Steel. In de schriftelijke beantwoording heeft de staatssecretaris daarop gereageerd door te zeggen dat ze regelmatig geïnformeerd wordt. Er komt een commissie die naar het VTH-stelsel gaat kijken. Nu zien we dat keer op keer uit verschillende onderzoeken komt dat het aantal kankergevallen rondom die fabriek veel hoger is dan het landelijke gemiddelde. Wat mij betreft is dit niet alleen een probleem qua vergunningverlening, maar ook qua volksgezondheid. Daarbij speelt de rijksoverheid wel degelijk een rol. Ik wil daarom aan deze staatssecretaris vragen wanneer voor haar het moment komt waarop zij met haar collega's in het kabinet gaat ingrijpen en gaat kijken naar de volksgezondheid, en niet alleen maar naar de milieuvergunningen. Dit probleem is namelijk inmiddels veel groter dan alleen vergunningen die niet kloppen, of een provincie die het allemaal niet meer kan bijbenen.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
De heer Laçin vraagt dit aan mij, maar we bespreken nu niet de begroting van volksgezondheid met elkaar. Ik kijk naar de milieuvergunning. Dat is mijn verantwoordelijkheid binnen het kabinet. Ik kan me de zorgen van de mensen in de regio wel voorstellen. U brengt dit hier naar voren en we hebben daar in de AO's verschillende keren over gesproken. Ik ben eerlijk gezegd heel blij met de manier waarop de gedeputeerde de zaken op dit moment aanpakt. Hij zit er echt bovenop en is er heel serieus mee bezig. Daarmee kan hij niet alle zorgen van de bevolking wegnemen. Dat snap ik heel goed. Maar ik ben blij met de manier waarop hij de zaken daar nu aan het aanpakken is.

De heer Laçin (SP):
Om de uitstoot van al die stoffen daar tegen te gaan, is waarschijnlijk een investering nodig van 2,5 tot 5 miljard. Dat gaat de gedeputeerde of de provincie niet oplossen. Dit gaat om schoner produceren, de leefomgeving en het milieu. We moeten dit landelijk oplossen en daarbij moet de rijksoverheid ingrijpen. Je kunt hierbij niet naar een gedeputeerde kijken. Die gaat geen investering van 5 miljard bij elkaar spelen. Er is nu sprake van een overname. Dat ligt ook weer bij EZK. Dat weet ik. Maar hoe gaan dit kabinet en deze staatssecretaris die rol nou pakken om die leefomgeving daar te beschermen, de volksgezondheid te beschermen en dit bedrijf te dwingen om op korte termijn schoner te produceren?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Vanuit het ministerie spelen we daarin continu onze rol, voor zover het ons aandeel en ons stuk in dit heel grote en brede en complexe vraagstuk betreft. Zo heeft de ILT zelfs op een gegeven moment — daar was natuurlijk niemand blij mee — een rechtszaak aangespannen omdat ze van mening was dat vergunningen ten onrechte niet aangescherpt werden. Vanuit IenW houden we dus echt onze rol hier in de gaten. Ik snap de zorgen van mensen in de omgeving. Ik snap dat de heer Laçin dat hier naar voren brengt. Inderdaad is de situatie rondom dit bedrijf echt complex, ook met de overnamesituatie en dergelijke waar de heer Laçin aan refereert. Wij doen vanuit onze portefeuille echt wat we moeten doen op milieu.

De voorzitter:
Dank u wel. Volgens mij was u klaar, hè?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Ja.

De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee zijn we inderdaad aan het einde gekomen van de eerste termijn van de zijde van de regering. Ik schors de vergadering tot 20.30 uur. Ik zie jullie kijken. Dan kunnen jullie een beetje rustig bijkomen. Jullie hebben het echt verdiend.

De heer Laçin (SP):
Zullen we 20.15 uur doen?

De voorzitter:
Nee, 20.30 uur. Tot straks.

De vergadering wordt van 19.23 uur tot 20.32 uur geschorst.

De voorzitter:
We gaan verder met de begroting van Infrastructuur en Waterstaat. We zijn toegekomen aan de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Ik geef de heer Graus namens de PVV, met zijn prachtige schoenen, het woord.

De heer Graus (PVV):
Meneer Laçin zegt dat de meningen over mijn schoenen verdeeld zijn: jaloers!

De voorzitter:
Ik vind ze mooi. Bij de SP hebben ze niet zulke schoenen. De heer Graus.

De heer Graus (PVV):
Voorzitter. Ik heb vijf korte moties dus ik moet ze opratelen.

De voorzitter:
Ik zou zeggen: begin maar.

De heer Graus (PVV):
Ik moet het binnen twee minuten doen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er veel problemen zijn op het spoor waardoor ondernemers hard getroffen worden;

van mening dat ondernemers moeten kunnen ondernemen;

verzoekt de regering de gebruikersvergoeding voor het spoorgoederenvervoer te bevriezen totdat de spoorinfrastructuur weer op orde is,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Graus en Van Aalst. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 14 (35570-XII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er sprake is van veel achterstallig onderhoud van wegen en kunstwerken;

van mening dat dit tot levensgevaarlijke situaties kan leiden;

verzoekt de regering het achterstallig onderhoud van wegen en kunstwerken versneld aan te pakken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Graus en Van Aalst. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 15 (35570-XII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat veel N-wegen nog te onveilig zijn in Nederland;

constaterende dat de aanpak van de verkeersveiligheid op N-wegen te wensen overlaat;

van mening dat deze wegen snel veiliger moeten worden;

verzoekt de regering onveilige N-wegen versneld aan te pakken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Graus, Van Aalst, Postma, Remco Dijkstra en Stoffer.

Zij krijgt nr. 16 (35570-XII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de verlaging van de maximumsnelheid naar 100 km/u heeft geleid tot langere reistijden en meer ongemak voor de automobilist;

van mening dat de maatregel volstrekt belachelijk en overbodig is;

verzoekt de regering de verlaging van de maximumsnelheid terug te draaien,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Graus, Van Aalst en Baudet. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 17 (35570-XII).

De heer Graus (PVV):
Wij zijn dé autopartij, meneer Baudet. Hij heeft mijn inbreng niet gehoord, dus vandaar dat hij zei dat zijn partij de autopartij is.

De voorzitter:
Voordat u verdergaat, wil mevrouw Kröger een vraag aan u stellen.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Ik heb een vraag. Is het bij de indiening van deze motie de bedoeling dat de zeven MIRT-projecten die gemaakt zouden worden met de stikstofruimte van die snelheidsverlaging van tafel gaan? Dan is het namelijk een soort uitruil.

De heer Graus (PVV):
De minister heeft het verzoek gehoord en dadelijk gaat zij hierop reageren. Wij willen gewoon dat de maximumsnelheid ervan afgaat en dat Nederland snel doorstroomt.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Als de maximumsnelheid van tafel gaat, kan dan betekenen dat die zeven MIRT-projecten gewoon in de ijskast gaan. Zo ziet de PVV het wel voor zich.

De heer Graus (PVV):
U heeft mijn verzoek gehoord. Ik wil het best nog wel een keer voorlezen.

De voorzitter:
Neenee, doe dat maar niet. Het is goed. Gaat u verder.

De heer Graus (PVV):
Het is toch belangrijker dat we de maximumsnelheid terugdraaien?

De voorzitter:
Gaat u verder.

De heer Graus (PVV):
De laatste motie, mevrouw de voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat autorijden de afgelopen jaren steeds duurder is geworden;

van mening dat autorijden betaalbaar moet zijn;

spreekt uit dat het wenselijk is als voor de volgende kabinetsperiode een concrete doelstelling voor verlaging van autolasten wordt vastgesteld,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Graus en Van Aalst. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 18 (35570-XII).

De heer Graus (PVV):
Ik zou het het liefst via een nulmeting willen, waarover ik het ook had in het interruptiedebatje met meneer Dijkstra.

Ik wens u een hele fijne avond, mevrouw de voorzitter. Vergeet niet uw schoentje te zetten.

De voorzitter:
Dat ga ik zeker doen. Dank u wel, meneer Graus.

De heer Graus (PVV):
Daar komt dan vast iets in.

De voorzitter:
Ja, dat hoop ik ook, van meneer Sinterklaas. Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Remco Dijkstra namens de VVD.

De heer Remco Dijkstra (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Wij brengen twee moties in stemming van juli dit jaar. De eerste motie is van de heer Ziengs cum suis en gaat over een wetsvoorstel waarbij de kleine boetes verlaagd worden. Daar wachten we nog op. De andere aangehouden motie die we in stemming gaan brengen is een motie die gaat over het Trans-European Network en de kansen van vooral de internationale verbinding tussen Nederland en Scandinavië. Ik heb hier de nummers, dan kunnen die meteen verwerkt worden. Bij de laatste motie wil de heer Amhaouch van het CDA zich ook aansluiten.

De voorzitter:
Dan wordt de motie gewijzigd.

De heer Remco Dijkstra (VVD):
Dank u wel. Dan heb ik twee moties, maar eerst wil ik de minister en de staatssecretaris hartelijk danken voor de afgelopen drie jaar. Zij hebben veel geduld met ons gehad, met de commissie. U bent altijd vol passie en enthousiasme geweest en dat was mooi om te zien. We hebben daar zelf ook heel veel van opgestoken en we hebben ons werk kunnen doen zoals wij vinden dat we het moeten doen. Ik dank ook voor alle antwoorden. Gisteren kregen we nog 35 pagina's, maar al in al hebben we wel honderden of tientallen of heel veel vragen gesteld over luchtvaart, over circulaire economie, over wegen, over alle onderwerpen die hier voorbijkomen. Er zit een heel groot team van ambtenaren achter die af en toe tot diep in de nacht doorwerken om dat voor elkaar te krijgen. Hartelijk dank daarvoor.

Dat wilde ik even uitspreken. Vervolgens ga ik het niet hebben over mijn eigen mobiliteit thuis, want ik heb ook nog vijf fietsen, wil ik aan mevrouw Van Veldhoven doorgeven, naast al die auto's en al die andere toestanden.

Voorzitter, dan heb ik nog twee moties, als het mag.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er veel woningbouw gaat plaatsvinden rondom de haven van Amsterdam en dat hierdoor gevestigde bedrijven mogelijk in de knel komen;

overwegende dat behoud van banen en de toekomst van bedrijven in het havengebied afhangt van de ruimte die zij hebben om te ondernemen;

overwegende dat het Rijk een nationaal belang heeft te bewaken voor de haven en vaarroutes;

overwegende dat het Amsterdamse gemeentebestuur weliswaar een havenvisie kent, maar dat de afweging van het nationaal belang geborgd dient te zijn, ook door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en Rijkswaterstaat zelf;

verzoekt de regering in samenspraak met de provincie de integrale belangen van industrie, wonen en werken af te wegen, en in het bijzonder het behoud van watergebonden bedrijvigheid zoals de maakindustrie met bijvoorbeeld scheepswerf Damen, zodat deze behouden kunnen blijven voor de Amsterdamse haven,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Remco Dijkstra, Laçin, Postma, Stoffer en Graus.

Zij krijgt nr. 19 (35570-XII).

De heer Remco Dijkstra (VVD):
Mijn tweede motie:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het belang van betaalbare automobiliteit ook na de coronacrisis onverminderd groot is;

overwegende dat er kansen liggen om het huidige wagenpark te verjongen en daarmee duurzamer en veiliger te maken;

constaterende dat er, vanuit verschillende politieke invalshoeken, zorgen zijn over de betaalbaarheid van automobiliteit;

verzoekt de regering concrete beleidsopties te onderzoeken om automobiliteit betaalbaarder te maken, bijvoorbeeld door de lasten voor de automobilist per saldo te laten dalen, en de voor- en nadelen hiervan te schetsen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Remco Dijkstra, Stoffer, Postma en Graus. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 20 (35570-XII).

De heer Remco Dijkstra (VVD):
Hartelijk dank.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Remco Dijkstra. Dan geef ik nu het woord aan de heer Ziengs, ook namens de VDD.

De heer Ziengs (VVD):
Voorzitter, dank u wel. Na de mooie woorden van de heer Dijkstra, die hier min of meer een kleine afscheidsrede begon te houden, denk ik dat ik dat maar niet ga doen. Ik moet trouwens wel zeggen dat ik deze begrotingsbehandeling blij verrast was dat we in eerste termijn een ambtgenoot onder de aanwezigen hadden. Daar ben ik nog even kort mee in debat gegaan. Ik had nog gehoopt dat hij vanavond ook aanwezig zou zijn. Helaas is dat niet het geval. Kennelijk had mijn verhaal over de zeemeeuw voorspellende waarde. U kent het: die meeuw komt overvliegen, laat wat vallen en gaat er dan weer krijsend vandoor. Ja, ik heb toch weer gelijk gekregen. Jammer eigenlijk.

Daarmee kom ik bij de moties. Ik heb er één motie bij zitten die wat uitgebreider is in het dictum dan die eigenlijk zou moeten zijn, omdat de staatssecretaris daar min of meer al een toezegging op heeft gedaan. Ik ga toch de hele motie indienen, maar in het besef dus van die toezegging. Anders moest ik haar weer gaan wijzigen. Dus ik dacht: ik doe het maar even zo en dan kijken we of die wijziging alsnog nodig is. De motie haalbare en betaalbare zero-emissiezones:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het vanaf 2025 voor gemeenten mogelijk wordt om nul-emissiezones in te voeren voor stadslogistiek;

constaterende dat de verwachting is dat er in 2025 ongeveer 50.000 emissievrije bestelauto's beschikbaar zijn, met een ingroei naar 115.000 in 2030, en dat dit in contrast staat met het huidige wagenpark van ongeveer 950.000 bestelauto's;

constaterende dat ongeveer de helft van deze 950.000 auto's valt onder Euroklasse 4 (of lager), en dat deze in 2025 per direct geweerd zullen worden uit de binnensteden;

overwegende dat er, mede gelet op de impact van de coronacrisis op ondernemers, twijfel bestaat of het wel haalbaar en betaalbaar is voor ondernemers om op tijd de transitie naar emissievrije voertuigen te maken;

verzoekt de regering in het vervolgtraject de mogelijkheden te onderzoeken ook ondernemers met voertuigen in Euroklasse 4 te ondersteunen bij de overstap naar zero emissie, en met gemeenten te overleggen over eenduidig lokaal beleid ten aanzien van ontheffingen voor ondernemers die door overmacht niet op tijd kunnen beschikken over een emissievrij voertuig,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ziengs. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 21 (35570-XII).

De heer Ziengs (VVD):
Dank u wel. Dat was dus inderdaad een motie die wat uitgebreider was dan in feite zou moeten.

Dan de motie over integraal beleid op het gebied van luchtkwaliteit.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de meeste bedrijven hun uiterste best doen om zich aan nieuwe wet- en regelgeving te houden en dankzij bestaande Europese én Nederlandse klimaat-, lucht- en stikstofwetgeving reeds investeren in de verbetering van luchtkwaliteit;

overwegende dat er synergie bestaat tussen klimaatwetgeving en de verbetering van luchtkwaliteit, maar de effecten (de kosten en (gezondheids)baten) hiervan nog niet voldoende in kaart zijn gebracht;

overwegende dat met een dergelijk overzicht kan worden voorkomen dat bedrijven maatregelen treffen die suboptimaal zijn, gelet op de resultaten die al behaald zijn door investering in het kader van de energietransitie;

overwegende dat gestreefd zou moeten worden naar zo veel mogelijk integrale milieuwinst per geïnvesteerde euro;

verzoekt de regering de totale kosten voor bedrijven alsmede de effecten van bestaande klimaat-, stikstof- en luchtkwaliteitsmaatregelen die vanuit verschillende ministeries worden getroffen, in kaart te laten brengen met behulp van een integrale impactstudie en deze resultaten mee te nemen in de verdere uitwerking van de wet- en regelgeving omtrent het Schone Lucht Akkoord,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ziengs en Von Martels. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 22 (35570-XII).

Dank u wel, meneer Ziengs.

De heer Ziengs (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Daar wil ik het bij laten.

De voorzitter:
Neemt u de moties mee naar de griffier? Dan kunnen ze even worden genummerd.

De heer Ziengs (VVD):
Ik moest even weer nadenken welke route ik moest lopen. Maar het moest inderdaad op die manier.

De voorzitter:
De nieuwe werkwijze is heel verwarrend. Dank u wel, meneer Ziengs. Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Kröger namens GroenLinks.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Voorzitter. Ik heb vier moties, dus ik ga rap van start.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de minister recent heeft aangekondigd dat ze het tracébesluit voor de A27 heeft getekend;

overwegende dat het huidige plan leidt tot aantasting van het bijzondere landgoed Amelisweerd;

overwegende dat nut en noodzaak van het project ter discussie staat door een nieuwe realiteit met betrekking tot verkeersbewegingen, stikstof en klimaat;

overwegende dat het een risicovol project is, zowel qua kostenoverschrijdingen als qua techniek;

overwegende dat de juridische houdbaarheid van het tracébesluit discutabel is vanwege het ontbreken van een goed juridisch kader met betrekking tot stikstof;

spreekt uit dat zorgvuldigheid boven snelheid gaat en eerst een integrale aanpak van de stikstofcrisis te willen zien, voordat een definitief besluit wordt genomen over de A27;

verzoekt de regering om de publicatie van het voorgenomen tracébesluit aan te houden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kröger, Laçin en Van Raan. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 23 (35570-XII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat nachttreinen een klimaatvriendelijk alternatief kunnen zijn voor verschillende Europese vliegroutes;

constaterende dat zeer binnenkort de eerste nachttreinverbinding terugkomt naar Nederland, mede dankzij inzet en een bijdrage van het ministerie van IenW;

constaterende dat er vanuit Zweden, Oostenrijk, Zwitserland en België nu initiatieven voor nieuwe nachttreinen zijn;

verzoekt de regering om zich actief in te zetten voor de realisatie van meer verbindingen naar meer steden in Europa, hiervoor contacten met mogelijke partners, landen en vervoerders, aan te gaan en in het kader van de internationale marktverkenning te onderzoeken wat nodig is voor nieuwe routes en dit te faciliteren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kröger. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 24 (35570-XII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat België met veel succes de Hello Belgium Railpass heeft ingevoerd;

overwegende dat veel culturele instellingen en de binnenlandse horeca, de vakantie- en vrijetijdssector veel geleden hebben onder de beperkingen;

verzoekt de regering om samen met de ov-bedrijven en Translink een Nederlandse variant op de Hello Belgium Railpass te onderzoeken, die ov-bedrijven steunt bij het weer aantrekken van reizigers zodra de coronasituatie dat toelaat,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kröger. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 25 (35570-XII).

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Tot slot.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het van groot maatschappelijk belang is dat besluiten over rijksprojecten zorgvuldig genomen worden en juridisch standhouden;

verzoekt het kabinet om bij rijksprojecten een definitieve milieueffectrapportage voor te leggen aan de Commissie voor de m.e.r. voor een eindadvies, voordat er tot besluitvorming wordt overgegaan,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kröger. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 26 (35570-XII).

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Voorzitter. Tot slot hoop ik in tweede termijn van de minister duidelijkheid te krijgen over die digitale bestanden met de stikstofberekeningen, die op 7 april 2014 aan het ministerie van Economische Zaken aangeleverd zijn. Dat zijn bestanden die genoemd worden in dit document van NLR. Het zijn bestanden van NLR. Het feit dat ik hier weer om moet vragen, terwijl wij als Kamer diverse keren hebben gezegd "wij willen alles zien met betrekking tot stikstof; we willen alles op tafel hebben over hoe de berekeningen voor Lelystad Airport zijn gemaakt", brengt mij tot het volgende. Eén. Ik verwacht dat wij die bestanden binnen een week krijgen. Twee. Kan de minister ons garanderen dat er verder geen bestanden, notities of adviezen over de stikstofberekeningen zijn die hebben bijgedragen aan het besluit over Lelystad Airport in 2015? En als die er wel zijn, vraag ik om deze binnen een week naar de Kamer te sturen. Wij kunnen ons werk niet doen als wij keer op keer moeten vragen om, moeten spitten, moeten zoeken naar informatie. Als Kamer proberen we tot transparante besluiten te komen.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Kröger. De heer Remco Dijkstra heeft nog een vraag.

De heer Remco Dijkstra (VVD):
Ik ben benieuwd of, als die informatie er komt, het standpunt van GroenLinks verandert. Het is toch duidelijk dat GroenLinks tegen dit vliegveld is?

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Misschien in tegenstelling tot de heer Dijkstra, die eigenlijk het mantra volgt van "we hebben ooit iets besloten en dan blijven we daarbij en steken we onze kop in het zand", vind ik het belangrijk dat wij als Kamer onderscheid maken tussen aan de ene kant onze politieke standpunten — inderdaad, als GroenLinks zijn wij absoluut geen voorstander van Lelystad Airport en gaat wat ons betreft dat vliegveld niet open — en aan de andere kant het werk dat wij doen als Kamerleden om zuivere, goede besluiten te nemen. Wat hier gebeurd is met Lelystad Airport, waarbij bewoners keer op keer fouten uit rapporten moeten halen, waarna wij als Kamerleden aan de minister moeten vragen of we alsjeblieft de informatie kunnen krijgen om dat verifiëren en uit te zoeken, vind ik echt ongehoord. Het zijn twee verschillende dingen. Aan de ene kant is er onze positie wat Lelystad Airport betreft. Aan de andere kant vind ik — ik hoop dat de heer Dijkstra dat ook doet — dat je je rol als Kamerlid bloedserieus moet nemen. We zijn hier met 150 en het is onze taak om ervoor te zorgen dat dit kabinet, dat deze minister haar werk goed doet. Dat kan alleen als die informatie op tafel ligt en dat is gewoon niet het geval.

De voorzitter:
Tot slot de heer Dijkstra.

De heer Remco Dijkstra (VVD):
Dat ben ik met u eens. De controlerende taak is heel belangrijk. Ik wens u veel succes bij de formatie.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Ik weet niet wat deze toegift betekent. Suggereert de heer Dijkstra nu dat je alleen aan een formatie mee kunt doen en in een kabinet kunt zitten als je niet transparant bent over alle informatie en je rapporten naar de Kamer stuurt waarmee gesjoemeld is? Dat is toch een hele gekke assumptie?

De heer Remco Dijkstra (VVD):
Nee hoor, ik denk alleen dat u dit punt zo meteen heel snel gaat inleveren.

De voorzitter:
Goed. Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Postma namens het CDA.

Mevrouw Postma (CDA):
Voorzitter. Dank voor het debat. Dank voor de antwoorden. Ik heb een aantal moties en die ga ik eerst even voorlezen, zodat ik die achterwege heb. Daarna heb ik nog een aantal vragen. De eerste motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat door de genomen maatregelen tijdens de coronacrisis er veel minder files zijn;

overwegende dat na de coronacrisis de sociale en praktische behoefte zal bestaan om weer meer fysiek op de werkplek aanwezig te zijn;

overwegende dat werkgevers en werknemers ook positieve ervaringen hebben opgedaan bij het meer en flexibel thuiswerken die ook in de toekomst gebruikt kunnen worden om de files te verminderen;

verzoekt de regering om concrete afspraken te maken met werkgevers om slimmer en flexibeler (thuis)werken te stimuleren zodat op structurele wijze minder files zullen ontstaan, en de Kamer hierover voor het kerstreces te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Postma, Van der Graaf, Schonis en Remco Dijkstra. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 27 (35570-XII).

Mevrouw Postma (CDA):
Even ademhalen, voorzitter.

De voorzitter:
Ja, dat is belangrijk. Rustig, neem een slokje water.

Mevrouw Postma (CDA):
Nou heb ik weer een veel te lange motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat afleiding tot de gedragingen behoort die het vaakst een rol spelen bij het ontstaan van dodelijke ongevallen;

constaterende dat verkeersdeelnemers tijdens het appen, spelletjes spelen en socialmediagebruik minder zaken opmerken, minder alert worden voor gevaren, langzamer reageren op dingen die om hen heen gebeuren en minder in rechte lijnen bewegen;

overwegende dat het daarom van groot belang is voor de verkeersveiligheid dat deze handelingen niet zijn toegestaan tijdens het rijden, maar dat dit tot op heden alleen volstrekt helder is gemaakt indien deze handelingen plaatsvinden op een mobiel elektronisch apparaat in de hand;

overwegende dat uit onderzoek van SWOV blijkt dat negatieve invloed op het rij- en kijkgedrag van appen met de telefoon in de hand nagenoeg even groot is als bij appen met de telefoon in de houder, waarbij SWOV aangeeft dat uit het oogpunt van verkeersveiligheid het appen op een telefoon in een houder ongewenst is en enkel een verbod op het vasthouden van een telefoon een verkeerd signaal geeft naar de weggebruiker;

verzoekt de regering volstrekt helder te maken dat handelingen als appen, spelletjes spelen en socialmediagebruik tijdens het rijden in hun geheel niet zijn toegestaan, en de Kamer hierover te informeren op welke manier zij dat wil gaan verduidelijken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Postma, Van der Graaf en Stoffer. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 28 (35570-XII).

Mevrouw Postma (CDA):
De derde motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat Nederland conform het Maritiem Arbeidsverdrag (MAV) de plicht heeft om vorm en inhoud te geven aan de zorg voor het zeemanswelzijn en deze verplichting hoofdzakelijk ingevuld wordt door de zogeheten zeemanshuizen die in diverse Nederlandse havensteden aanwezig zijn;

overwegende dat het functioneren van deze zeemanshuizen wordt bedreigd door onvoldoende en niet-stabiele financiering;

constaterende dat de onzekerheid over de financiering dreigt te leiden tot sluiting van een aantal zeemanshuizen, wat een negatief effect heeft op de aantrekkelijkheid van de Nederlandse havens en het welzijn van zeelieden die Nederlandse havens aandoen;

verzoekt de regering om in overleg te gaan met SZW, betrokken gemeenten, welzijnsorganisaties en havenbedrijven om te onderzoeken wat er nodig is om zorg te dragen voor stabiele financiering van de zeemanshuizen zodat het voortbestaan wordt geborgd, en de Kamer voor maart 2021 te informeren over de resultaten van het overleg,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Postma, Dik-Faber, Laçin en Graus. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 29 (35570-XII).

Mevrouw Postma (CDA):
Dan een motie die hier ook aan raakt. Deze had ik eigenlijk willen indienen bij het VSO Duurzaamheid, maar die is toen van de agenda gehaald vanwege corona.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat bij de Subsidieregeling elektrische personenauto's particulieren de subsidie om gescheiden budgetten gaat voor nieuwe elektrische personenauto's (152 miljoen euro) en gebruikte elektrische personenauto's (100 miljoen euro);

constaterende dat binnen een jaar daarbij wel tussen de regelingen geschoven mag worden indien dat nodig is, maar dan wel zolang het binnen het totale budget past;

overwegende dat vanwege het belang van het stimuleren van de tweedehandsmarkt voor elektrische personenauto's in het middensegment, het belangrijk is dat de pot voor gebruikte elektrische personenauto's niet wordt opgesnoept door nieuwverkoop;

verzoekt de regering om binnen de regeling niet te schuiven met budget voor gebruikte elektrische personenauto's naar nieuwe elektrische personenauto's,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Postma. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 30 (35570-XII).

Mevrouw Postma (CDA):
Ik heb nog één vraag, over de matrixborden en het weergeven van de snelheid die op dat moment gereden kan worden. Volgens ons is dit een welkome ondersteuning voor de weggebruiker die af en toe even de weg kwijt is qua snelheden. We begrepen dat de toegezegde proef op de A27 niet door kan gaan vanwege corona en het veranderende verkeersbeeld. Dat snappen wij. We hopen wel dat alles klaarstaat en dat het weer kan beginnen zodra alles weer een beetje normaal is op de weg. We vragen de minister om bij de aanbestedingen al rekening te houden met het invoeren van het actueel kunnen weergeven van de snelheid, als de matrixborden en de wegkantsystemen vervangen worden, wat binnenkort gaat gebeuren.

Voorzitter. Dan heb ik nog wat tijd over. Ik wil iedereen bedanken, met name de minister en de staatssecretaris voor deze mooie begroting en voor de afgelopen jaren. Ik heb als een van de laatste mogen aansluiten bij deze commissie. Ik heb het altijd een hele mooie commissie gevonden, dus ik wil ook graag de collega's bedanken. Velen daarvan gaan afscheid nemen. Ik moet zeggen dat ik dat wel erg jammer vind.

De voorzitter:
Ja, dat is ook zo.

Mevrouw Postma (CDA):
Het is zo'n fijne commissie!

De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Postma, heel lief dat u dat zegt. Dan geef ik nu het woord aan de heer Amhaouch, ook namens het CDA.

De heer Amhaouch (CDA):
Voorzitter, ik begin met de moties, waarna ik emotioneel afscheid neem van een aantal mensen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat treinen in de verschillende daluren onderbezet zijn;

overwegende dat het TurboPlan2020 een aantal concepten bevat om licht goederenvervoer te combineren met personenvervoer, zoals ook in de luchtvaart het geval is;

verzoekt de regering:

  • te onderzoeken of en hoe licht goederenvervoer gecombineerd kan worden met passagiersvervoer in treinen zoals onder andere voorgesteld in de concepten van het TurboPlan2020:
  • daarbij te betrekken hoe treinen, stations en de wet- en regelgeving aangepast moeten worden;
  • de Kamer hierover voor het AO MIRT in het voorjaar 2021 te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Amhaouch en Ziengs. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 31 (35570-XII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat zeven van onze twaalf provincies grenzen aan Duitsland en België en het doel is om de trein een goed alternatief te laten zijn voor reizen op korte afstanden;

overwegende dat een gezamenlijk commitment belangrijk is om eensgezind naar de Europese Commissie toe te stappen en het van belang is om voortgang te behalen bij het realiseren van grensoverschrijdende spoorverbindingen naar België en Duitsland;

verzoekt de regering een (online) trilaterale spoortop Nederland/Duitsland/België te organiseren voor 1 maart 2021 om tot concrete oplossingen en afspraken te komen middels een integraal toekomstbeeld 2030/2040 grensoverschrijdend spoor,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Amhaouch, Van der Graaf, Schonis, Kröger, Laçin, Ziengs, Gijs van Dijk, Stoffer en Van Raan.

Zij krijgt nr. 32 (35570-XII).

De heer Amhaouch (CDA):
De laatste motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat stations een belangrijke regionale functie hebben, maar dit zich vaak niet uit in de uitstraling van het station;

overwegende dat het concept "community stations" in het Verenigd Koninkrijk een groot succes is met meer dan 1.000 stations die onderdeel zijn geworden van de lokale gemeenschap door "right to challenge";

overwegende dat bewonersinitiatieven vanuit de samenleving in Nederland omtrent stations nauwelijks gehoord worden;

verzoekt de regering samen met de (potentiële) initiatiefnemers van "right to challenge" van stations te verkennen wat dit juridisch en financieel betekent, en het daarmee met vervoerders, spoorbeheerder, lokale bedrijven en decentrale overheden mogelijk te maken dat stations onderdeel kunnen worden van de lokale gemeenschap;

verzoekt de regering tevens hiertoe een concreet voorstel naar de Kamer te sturen voor 1 april 2021,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Amhaouch. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 33 (35570-XII).

De heer Amhaouch (CDA):
Voorzitter. Een vraag is nog niet beantwoord in de termijn van de staatssecretaris, en die ging over het in de coronatijd toegankelijk maken van de eerste klas voor reizigers uit de tweede klas als dat nodig is door overvolle treinen, voornamelijk in de spits.

Voorzitter. Het CDA blijft zich zorgen maken over de trillingen en de giftreinen. Wij hebben dat al uitgesproken. Daar moeten we echt naar gaan kijken. De ontwikkeling die wij zien, is dat de frequenties hoger worden en dat er meer gebouwd gaat worden. Laten we op tijd zijn. De staatssecretaris heeft gezegd dat zij ons daar tijdig over zou informeren.

Dan heb ik nog een vraag aan de minister. We hebben deze week een brief gekregen van minister Wiebes van Economische Zaken, mede namens IenW en de minister-president. Hij ging over de ontwikkelingen bij VDL Nedcar. Voor ons is dat een beetje een schimmige brief. We weten eigenlijk niet goed wat we daarmee moeten. Ik vraag nogmaals aan de minister of zij ook in gesprek is met de provincie Limburg, opdat op de korte termijn kan worden bekeken wat de grote noden en vragen zijn en de provincie wel wordt gehoord. Want dit belangrijke dossier speelt ook in de provincie.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Amhaouch.

Dan geef ik nu het woord aan de heer Laçin namens de SP.

De heer Laçin (SP):
Dank, voorzitter. Over schimmige brieven en constructies gesproken: de A27 Amelisweerd. Ik sluit mij meewarig aan bij de woorden van mevrouw Kröger. De manier waarop de minister hiermee omgaat, vind ik zorglijk en niet transparant. Dat zou ook niet de manier van doen moeten zijn. Ik hoop dat er daarom brede steun zal komen voor de motie van mevrouw Kröger die ik mede heb ondertekend.

Voorzitter. Ik heb zelf nog een aantal moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat provinciebesturen door de Wet Personenvervoer 2000 hun stad- en streekvervoer moeten aanbesteden;

constaterende dat de gemeentes Rotterdam, Amsterdam en Den Haag hiervan zijn uitgezonderd en hun stadsvervoer onderhands gunnen aan gemeentelijke vervoersbedrijven;

van mening dat het openbaar vervoer een vitale, publieke dienst is en niet overgelaten moet worden aan de markt;

verzoekt de regering het onderhands gunnen van vervoersconcessies landelijk mogelijk te maken en de daartoe noodzakelijke stappen zo snel als mogelijk te nemen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Laçin. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 34 (35570-XII).

De heer Laçin (SP):
Nu het punt dat we samen met de heer Amhaouch hebben gemaakt: de 1,5 meter en de eerste en tweede klas in de trein.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het belangrijk is om ook in de trein de anderhalvemeterafstandsregel in acht te nemen;

overwegende dat het houden van afstand op piekmomenten niet altijd mogelijk is;

overwegende dat de eerste klasse in de trein vaak minder druk is dan de tweede klasse;

verzoekt de regering om in overleg te gaan met alle ov-vervoerders om te verkennen of in coronatijd tijdens zeer drukke momenten — waarbij de veiligheid in het geding is — de eerste klasse kan worden opengesteld voor reizigers uit de tweede klasse,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Laçin en Amhaouch. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 35 (35570-XII).

De heer Laçin (SP):
Dan de situatie rondom Tata Steel, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er weer een onderzoek is verschenen waaruit blijkt dat het aantal kankergevallen in de omgeving van Tata Steel soms 50% hoger is dan het landelijke gemiddelde;

overwegende dat het beschermen van de volksgezondheid een taak is van de rijksoverheid;

constaterende dat het stoppen met de uitstoot van schadelijke stoffen verregaande gevolgen kan hebben voor het bedrijf;

verzoekt de regering de regie te nemen als het gaat om de situatie rondom Tata Steel en alles te doen om de volksgezondheid te beschermen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Laçin en Van Raan. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 36 (35570-XII).

De heer Laçin (SP):
Dan tot slot, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Rijkswaterstaat de komende jaren ruim 800 waterlozingsvergunningen gaat bezien en waar nodig zal actualiseren;

overwegende dat het lozen van soms verboden stoffen in de tussentijd verder zal gaan;

van mening dat dit onwenselijk en onacceptabel is;

verzoekt de regering een plan op te stellen waarin het lozen van verboden stoffen zo snel mogelijk stopt;

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Laçin, Gijs van Dijk, Van Raan en Kröger. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 37 (35570-XII).

De heer Laçin (SP):
Dan dank ik beide bewindspersonen voor de beantwoording. Ik neem nog geen afscheid, want we gaan elkaar nog in verschillende debatten zien. En als we afscheid nemen, doen we dat coronaproof in Laçinstijl; dat gaan we dan mooi doen.

De voorzitter:
Dan gaat u met iedereen knuffelen, als corona voorbij is. Dank u wel, meneer Laçin.

Dan geef ik nu het woord aan de heer Schonis namens D66.

De heer Schonis (D66):
Meneer Graus had het net ook over afscheid nemen. Dat klopt. Ik wil best even terugblikken. Ik herinner me heel goed het moment — dat zal ik me nog lang heugen — dat ik, ruim twee jaar terug, in dezelfde setting, mijn maidenspeech hield. Die ging over de Stint. Dat was een heel aangrijpend moment, voor meerderen hier in de zaal. Het was een bijzonder moment dat altijd een bijzonder plekje in mijn hart zal hebben.

Dat gezegd hebbende, wil ik toch nog een aantal moties indienen, want we gaan weer over tot de orde van de dag. Ik heb twee moties over het spoor, een over de zee en een over de weg, want we hadden het over Te land, ter zee en in de lucht. Mijn eerste motie gaat over een toekomstbeeld voor het goederenvervoer op het spoor.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in het Toekomstbeeld OV 2040 een helder toekomstbeeld is geschetst voor de toekomst van het personenvervoer over het spoor, maar dat het spoorgoederenvervoer daarin niet is meegenomen;

overwegende dat een vergelijkbare visie voor het spoorgoederenvervoer gewenst is om ook deze spoorsector een goed toekomstbeeld te verschaffen;

overwegende dat aan het spoorgoederenvervoer ook andere vraagstukken zijn verbonden, bijvoorbeeld ten aanzien van het vervoer van gevaarlijke stoffen in het Basisnet Spoor en geluid- en trillinghinder;

verzoekt de regering met een visie te komen op het spoorgoederenvervoer, analoog aan het Toekomstbeeld OV 2040, waarin ook het huidige functioneren van het Basisnet Spoor en vraagstukken over geluid- en trillinghinder worden meegenomen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Schonis en Ziengs. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 38 (35570-XII).

De heer Schonis (D66):
Dan een motie over meer treinen naar Londen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de treinverbinding van Amsterdam naar Londen sinds 2020 een directe verbinding is waarbij Nederland, Frankrijk, België en het Verenigd Koninkrijk samenwerken om de reiziger zo goed mogelijk te bedienen;

constaterende dat de Eurostar drie keer per dag deze reis maakt, terwijl tegelijkertijd 60 vluchten van Amsterdam naar Londen vertrekken;

verzoekt de regering te onderzoeken wat er nodig is qua aanpassingen aan infrastructuur, stations en materieel om een groter aantal treinen te laten rijden op het traject Amsterdam - Londen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Schonis en Kröger. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 39 (35570-XII).

De heer Schonis (D66):
Dan een motie over de Kustwacht.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) duidelijke aanbevelingen heeft gedaan naar aanleiding van de containerramp met de MSC Zoe;

constaterende dat de Kustwacht op dit moment slechts kan adviseren over de routes over de Waddenzee die containerschepen af willen leggen;

overwegende dat uit het onderzoek van de OVV is gebleken dat bij bepaalde weersomstandigheden op de vaarroutes over de Waddenzee een groot risico bestaat voor containerschepen;

overwegende dat de Kustwacht met verkeersbegeleiding kan bijdragen aan het beperken van dit risico;

verzoekt de regering om de Kustwacht de bevoegdheid te geven om tot een niet-vrijblijvende verkeersbegeleiding over te gaan bij stormcondities in de Waddenzee;

verzoekt de regering tevens in overleg te treden met Duitsland en Denemarken om tot eenzelfde regeling te komen in afwachting van de uitkomsten van het overleg met de IMO,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Schonis en Postma. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 40 (35570-XII).

De heer Schonis (D66):
Dan het onderwerp waar we het vandaag veel over gehad hebben, namelijk de tolvrije Westerscheldetunnel, of eigenlijk: de Westerscheldetunnel. Ja, meneer Laçin, zo komt Zeeland nog eens goed in beeld.

De voorzitter:
De heer Gijs van Dijk komt meteen terug.

De heer Schonis (D66):
Kijk, hij komt er zelfs voor terug, kijk eens aan!

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Westerscheldetunnel de enige toltunnel van de Nederland is waarbij op grond van de Tunnelwet Westerschelde tot 2033 tol wordt geheven;

overwegende dat hiermee Zeeuws-Vlaanderen het enige landsdeel in Nederland is dat uitsluitend met de rest van het land is verbonden via een tolweg;

overwegende dat dit gegeven effecten heeft op de sociale en economische kracht van deze regio en dat tot op heden niet bekend is wat deze effecten zijn;

verzoekt de regering om in overleg met de regio te laten onderzoeken wat de sociale en economische effecten zijn van een tolvrije tunnel op Zeeuws-Vlaanderen en op Zeeland als geheel;

verzoekt de regering tevens om in samenspraak met de regio onderzoek te doen naar de financiële mogelijkheden om de Westerscheldetunnel tolvrij te maken, hierbij te kijken naar verschillende bekostigingsmodellen, en de Kamer hierover te informeren ten behoeve van de aanstaande kabinetsformatie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Schonis, Van der Graaf, Postma en Remco Dijkstra. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 41 (35570-XII).

De heer Laçin (SP):
Ik zou de heer Schonis willen vragen of hij enig idee heeft hoeveel onderzoeken er al zijn gedaan naar de effecten van een tolvrije tunnel.

De heer Schonis (D66):
Ik heb zelfs meer dan enig idee. Voordat ik hier in de Kamer kwam, was ik Statenlid in Zeeland. Toen heb ik een aantal van die onderzoeken zelf gezien. Een daarvan was het beruchte onderzoek Tolweg of Tol weg? Het zijn wat globale of hele specifieke onderzoeken geweest. Er is nooit een totaalplaatje geweest van wat het tolvrij maken zou doen voor Zeeland en Zeeuws-Vlaanderen.

De voorzitter:
Tot slot, de heer Laçin.

De heer Laçin (SP):
En toch hadden ook die onderzoeken conclusies. Kunt u die met ons delen?

De heer Schonis (D66):
Ja, die kan ik met u delen. Een conclusie is dat er natuurlijk directe effecten zijn, dat het makkelijker wordt om van noord naar zuid te reizen via Zeeland, omdat je dan die kosten niet meer hebt. Maar er zijn ook andere effecten die niet onderzocht zijn. Brede welvaartsaspecten. Dat vragen we in het nieuwe Mobiliteitsfonds ook voor alle andere projecten.

De voorzitter:
Gaat u verder. Of was u klaar?

De heer Schonis (D66):
Met de moties wel. Ik had nog wel een vraag, een beetje naar aanleiding van de toltunnel, van het mooie onderwerp rekeningrijden. Ik heb net de minister al gefeliciteerd met haar prijs, waarvan ze zelf zei: die heb ik mede gekregen voor de invoering van de vrachtwagenheffing. Toen dacht ik: maar wacht eens even; wij moeten dat wetsvoorstel nog krijgen. Ik heb volgens mij op de website van de Raad van State gezien dat het advies inzake de Maut, de vrachtwagenheffing, inmiddels gepubliceerd is, maar we hebben het wetsvoorstel nog niet hier in de Kamer gehad. Deze week is misschien wat kort dag, maar ik ben benieuwd of we dat dan volgende week toch kunnen hebben.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Schonis. Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Van Eijs, ook namens D66.

Mevrouw Van Eijs (D66):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb drie moties. Dus daar begin ik gewoon mee. De eerste motie gaat over textiel. Dat zal niemand verbazen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat verbranding van textiel zo veel mogelijk moet worden voorkomen;

constaterende dat in het Landelijk Afvalbeheerplan recycling is opgenomen als minimumstandaard voor textiel, maar dat hiervan kan worden afgeweken indien textiel niet meer geschikt is voor recycling en/of er geen toepassingsmogelijkheden beschikbaar zijn;

verzoekt de regering om toe te werken naar een verbod op verbranden van afval door de gronden waarop textiel geschikt is voor recycling explicieter te bepalen en vervolgens vast te leggen in het Landelijk Afvalbeheerplan,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Eijs en Dik-Faber. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 42 (35570-XII).

Mevrouw Van Eijs (D66):
Dan heb ik een motie over het Versnellingshuis.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat we in 2050 volledig circulair willen zijn;

overwegende dat ondernemers in de transitie naar een circulaire bedrijfsvoering aanlopen tegen complexe vraagstukken rondom onder andere regelgeving;

overwegende dat het Versnellingshuis sinds zijn lancering in februari 2019 reeds 500 onlinematches heeft gemaakt, een community heeft gebouwd van 5.000 leden en 150 individuele bedrijven heeft verder geholpen;

overwegende dat ondernemers ook tegen problemen in wet- en regelgeving aanlopen en dit momenteel geen plek heeft in het Versnellingshuis;

verzoekt de regering het Versnellingshuis in te zetten als meldpunt voor knellende regelgeving op het gebied van circulaire economie en deze meldingen actief te onderzoeken, en de Kamer hierover te informeren;

verzoekt de regering tevens om zich in het kader van continuïteit in te zetten om ook na 2024 de financiering voor de belangrijke werkzaamheden van het Versnellingshuis voort te zetten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Eijs. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 43 (35570-XII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat milieuwetgeving staat en valt met handhaving;

constaterende dat vanwege corona veel inspecties uitgesteld zijn of niet meer onaangekondigd kunnen plaatsvinden, en dat in de twee jaar daarvoor al het aandeel onaangekondigde inspecties rond de 30% lag (bij de meest risicovolle BRZO+-bedrijven);

verzoekt de regering om toe te werken naar meer onaangekondigde controles, en de Kamer jaarlijks bij de publicatie van de Staat van de Veiligheid Brzo-bedrijven te informeren over het percentage onaangekondigde inspecties,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Eijs. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 44 (35570-XII).

Mevrouw Van Eijs (D66):
Ik ga niet uitgebreid afscheid nemen, maar ik moest wel terugdenken aan mijn allereerste debat hier. Dat ging over Chemours. Daarin heb ik samen met mevrouw Kröger ervoor gepleit om de omwonenden een bloedtest ter beschikking te stellen. Nu moest ik denken aan Tata Steel en aan de omwonenden daar, die zich zorgen maken over hun gezondheid. Dus ik zou willen vragen of de staatssecretaris kan kijken, eventueel met haar collega's in het kabinet, of we de omwonenden iets kunnen bieden om hun gezondheid beter te monitoren, zodat bijvoorbeeld longkanker eerder kan worden gedetecteerd. Dat zou voor de omwonenden misschien nog iets kunnen betekenen. Longschade van 30 jaar geleden gaan we niet terugdraaien, maar dit kunnen we misschien de omwonenden wel bieden.

De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Van Eijs. Dan geef ik nu het woord aan de heer Gijs van Dijk namens de Partij van de Arbeid.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):
Dank, voorzitter. Dank ook voor de antwoorden van de staatssecretaris en de minister. Ook een compliment aan u, want volgens mij zit u inmiddels elf uur aaneengesloten voor te zitten. Eerst Sociale Zaken en nu IenW. Alle complimenten daarvoor.

De voorzitter:
Dank u wel. Ik vind jullie heel leuk.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):
Dat blijkt en dat is ook een goed teken.

De voorzitter:
Het is geen straf, meneer Graus, zo is dat.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):
Dat is waar. Misschien is dat het wel: de inbreng die wij leveren. Maar het is een gemeend compliment.

Ik heb twee moties. De eerste gaat over de Westerscheldetunnel. Ik heb met de heer Laçin van de SP een amendement ingediend. Wij hopen nog steeds op steun van de Kamer en zijn echt bereid om te kijken naar de dekking. We begrijpen prima dat we het doen uit de IenW-begroting, als het niet kan uit de algemene middelen. Dat aanbod staat tot de stemmingen, ik denk komende dinsdag. Maar nu wel de volgende motie.

De voorzitter:
U hebt nog geen motie ingediend, hè?

De heer Laçin (SP):
Ik wil de heer Gijs van Dijk bijvallen en de Kamer wat meer ruimte geven. Over de amendementen stemmen we pas op 10 december.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):
Dat is waar, ja. Over de moties stemmen we volgende week. We hebben dus nog even. Bedankt daarvoor. Deze motie gaat over de langere termijn.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de tol van de Westerscheldetunnel tot groot onrecht leidt voor de Zeeuwen en specifiek de Zeeuws-Vlamingen;

spreekt uit om na de verkiezingen van maart 2021 een tolvrije Westerscheldetunnel te realiseren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Gijs van Dijk en Laçin. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 45 (35570-XII).

De heer Gijs van Dijk (PvdA):
Het tweede punt is de situatie van de vrachtwagenchauffeurs. Het gaat erom dat zij ook gewoon naar het sanitair kunnen en kunnen eten.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat door de coronamaatregelen chauffeurs, na een hele dag in de cabine, geen warme maaltijd kunnen krijgen of gebruik kunnen maken van sanitaire voorzieningen;

verzoekt de regering de effecten van de coronamaatregelen op arbeidsomstandigheden en veiligheid op truckparkings in kaart te brengen en waar nodig direct maatregelen te nemen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Gijs van Dijk en Laçin. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 46 (35570-XII).

De heer Gijs van Dijk (PvdA):
Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Gijs van Dijk. Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Van der Graaf namens de ChristenUnie.

Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):
Dank u wel voor het woord, mevrouw de voorzitter. Voorzitter. Ik wil de minister, de staatssecretaris en hun ambtenaren heel hartelijk danken voor de antwoorden en voor het feit dat wij die vanmorgen al zo vroeg mochten ontvangen. Ik doe best wel regelmatig een begrotingsbehandeling, maar dat ik ze zo op tijd krijg, komt niet zo vaak voor. Dat zou ik graag willen meegeven.

Ik ben heel erg blij met de antwoorden en met de reactie van de minister op ons actieplan voor de verkeersveiligheid rond scholen. In deze coalitie en deze regeringsperiode heeft deze minister heel erg veel aandacht gehad voor verkeersveiligheid. Dat is broodnodig. Gisteren heeft meneer Stoffer een voorbeeld gedeeld. We weten dat er bij scholen bijna tien ongelukken per dag plaatsvinden. Dat zijn er gewoon tien te veel. Ik ben blij dat de minister zegt dat zij gemeenten erop gaat wijzen om met die pilot van start te gaan.

Ik wil de staatssecretaris bedanken voor haar antwoorden over toegankelijk openbaar vervoer. Ik heb daar een motie over. Die ga ik nu voorlezen en indienen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat mensen met een beperking dagelijks belemmeringen ervaren in het reizen met het openbaar vervoer en de wet- en regelgeving waarin de toegankelijkheidseisen voor het ov zijn opgenomen aanscherping en aanpassing behoeft;

verzoekt de regering uiterlijk 1 maart 2021 een bestuursakkoord te sluiten, waarin duidelijk wordt welke eisen aan toegankelijkheid worden gesteld, en het daaropvolgende wetgevingstraject zo spoedig mogelijk op te starten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Graaf, Schonis, Gijs van Dijk, Stoffer, Laçin, Amhaouch, Ziengs en Van Raan.

Zij krijgt nr. 47 (35570-XII).

Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):
Dan de Westerscheldetunnel. In heel Nederland worden wegen aangelegd zonder dat er ook maar nagedacht wordt over de mogelijkheid om daar tol voor te heffen. De ChristenUnie heeft er geen geheim van gemaakt, ook gisteren niet, dat wij heel graag willen dat we die tol in de Westerscheldetunnel gaan afschaffen. Daarom heb ik de motie ondertekend die de heer Schonis zojuist heeft voorgedragen en ingediend. We zijn, met het oog op de nieuwe formatie, benieuwd naar de uitwerking daarvan om te kijken of we daar goede stappen kunnen zetten.

Dan sluit ik af met een opmerking over het grensoverschrijdende spoor. Ik verwees in mijn bijdrage naar een staatsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en Duitsland. Dat is een heel oud verdrag. De specifieke verplichting die daarin wordt uitgesproken, is dat een aantal spoorwegovergangen over de grens in stand zullen blijven, met als doel om de verbinding tussen de twee volken te houden. Heel specifiek gaat het om de verbinding Nieuweschans-Weener, waar de Friesenbrücke is opgebroken. Dat verdrag dateert al van 1874. Ik wens de staatssecretaris succes bij haar Duitse collega's, want ook zij hebben een grote uitdaging als het gaat om beheer en onderhoud.

De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Van der Graaf. Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Dik-Faber, ook namens de fractie van de ChristenUnie.

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter. Ook ik wil de minister en de staatssecretaris danken voor de beantwoording van alle vragen, zowel schriftelijk als in het debat. Ik weet dat er veel ambtelijke capaciteit achter zit, dus ook voor hen veel dank. Ik heb iedereen heel mooie woorden horen spreken over een afscheid, maar ik ben nog niet weg. Ik weet niet of dat ook voor de andere mensen hier geldt. We hebben vandaag een begrotingsdebat, een bijzonder moment, maar we gaan nog lekker door tot maart 2021. Dat is nog vier maanden. We gaan dus nog even met elkaar aan de slag. Ik zag vandaag al de debatten tot februari in de agenda staan. Dat afscheid gaat nog een keer komen.

Voorzitter. Ik wil graag twee moties indienen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de textielketen zoals die op dit moment functioneert een grote belasting voor het milieu en het klimaat betekent;

constaterende dat in april 2020 het Beleidsprogramma circulair textiel is gepubliceerd, met daarin voornemens voor vrijwillige uitgebreide producentenverantwoordelijkheid (UPV);

overwegende het belang dat textiel onderdeel wordt van de circulaire economie;

overwegende dat de trend van fast fashion door de coronacrisis extra duidelijk is geworden;

verzoekt de regering regelgeving uit te werken voor uitgebreide producentenverantwoordelijkheid van de textielbranche, waarin in ieder geval aan bod komen:

  • doelstellingen op het gebied van inzameling & recycling,
  • productontwerp gericht op recycling,
  • gedifferentieerde transitiebijdrage,

en na te streven om in het eerste kwartaal 2021 te beslissen over invoering hiervan als vrijwillige UPV onvoldoende voortgang op deze punten laat zien,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Dik-Faber en Van Eijs. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 48 (35570-XII).

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):
Dat was een zachte stok achter de deur richting de textielbranche om hier echt werk van te gaan maken.

De tweede motie heeft snijvlakken met het terrein van de collega van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Mocht het nodig zijn dan ben ik bereid om de motie aan te houden om ook haar oordeel over deze motie te ontvangen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de rijksoverheid zich in het Klimaatakkoord committeert aan het streven om alle nieuwe auto's in 2030 emissieloos te laten zijn;

constaterende dat het Rijk middels onder andere regelgeving de uitrol van de benodigde laadinfrastructuur wil ondersteunen;

overwegende dat in het Bouwbesluit bij nieuwe woningbouw waar sprake is van minimaal tien parkeerplaatsen, voor elk parkeervlak laadinfrastructuur is vereist;

overwegende dat de eisen betreffende nieuwe utiliteitsbouw betreffende de laadinfrastructuur weinig ambitieus zijn, wat in een later stadium zal zorgen voor onnodige kosten;

verzoekt de regering om voor maart 2021 het Bouwbesluit (punt 5.15.2) aan te scherpen, zodat ten minste de helft van de parkeerplaatsen in nieuwe utiliteitsbouw voorzien wordt van leidingen ten behoeve van elektrisch laden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dik-Faber. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 49 (35570-XII).

Mevrouw Dik-Faber (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Van Raan namens de Partij voor de Dieren.

De heer Van Raan (PvdD):
Dank u wel, voorzitter. Mag er een minuutje of twee bij, alstublieft?

De voorzitter:
Ja, dat heeft u doorgegeven. Vier minuten, toch?

De heer Van Raan (PvdD):
Ik heb acht moties. Ik zeg weleens: het is niet het aantal, maar ...

De voorzitter:
Het gaat om de kwaliteit!

De heer Van Raan (PvdD):
Precies.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat overleg met omwonenden van luchthavens de afgelopen jaren meermaals is vastgelopen;

overwegende dat in een aantal Europese landen de betrokkenheid van inwoners bij belangrijke maatschappelijke vraagstukken wordt vergroot door de instelling van burgerpanels en dat de ervaringen daarmee positief zijn;

constaterende de aangenomen motie-Mulder c.s. (32813, nr. 578) over de mogelijkheden van burgerpanels;

verzoekt de regering te onderzoeken hoe burgerpanels of burgertafels kunnen worden ingezet als instrument om het overleg over de toekomst van luchthavens te versterken;

verzoekt de regering tevens dit onderzoek voor de verkiezingen van maart 2021 te presenteren, zodat eventuele besluitvorming hierover bij de kabinetsformatie kan plaatsvinden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Raan, Kröger, Gijs van Dijk, Laçin, Bruins, Schonis en Graus.

Zij krijgt nr. 50 (35570-XII).

De heer Van Raan (PvdD):
Dan een korte.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering het aantal vliegtuigbewegingen van en naar Nederlandse luchthavens te verminderen tot maximaal 300.000 per jaar,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Raan. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 51 (35570-XII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat door de voorgenomen verbreding van de A27 een kostbaar deel historische natuur in Amelisweerd verloren zal gaan en dit niet valt te repareren met natuurcompensatie;

constaterende dat de minister van Infrastructuur en Waterstaat tegen beter weten in blijft inzetten op meer asfalt en weigert om de consequenties van de klimaat- en biodiversiteitscrisis te erkennen;

verzoekt de regering onmiddellijk te stoppen met de voorbereidingen voor de verbreding van de A27 bij Amelisweerd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Raan, Van Esch, Kröger en Laçin. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 52 (35570-XII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er momenteel creatieve drankverpakkingen op de markt komen om statiegeld te ontwijken;

overwegende dat de systematiek rondom drankverpakkingen voor de burger zo eenvoudig mogelijk moet zijn;

spreekt uit dat het ontwijken van statiegeld onwenselijk is;

verzoekt de regering om te onderzoeken hoe het ontwijken van statiegeld op drankverpakkingen voorkomen kan worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Raan, Van Esch, Kröger, Gijs van Dijk, Stoffer en Laçin.

Zij krijgt nr. 53 (35570-XII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat houtrook veel milieuvervuiling en gezondheidsschade veroorzaakt en er (kosteneffectief) beleid voorhanden is;

verzoekt de regering om een doel op te stellen voor het uitfaseren van houtkachels,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Raan en Van Esch. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 54 (35570-XII).

De heer Van Raan (PvdD):
Nog drie stuks, voorzitter. We zijn goed op weg.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het dumpen van versnipperde autobanden in de natuur verboden is;

constaterende dat het dumpen van versnipperde autobanden die via een kunstgrasveld in de natuur terechtkomen, wel is toegestaan;

verzoekt de regering het gebruik van versnipperde autobanden bij kunstgrasvelden uit te faseren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Raan, Van Esch, Gijs van Dijk en Laçin. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 55 (35570-XII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het oplaten van ballonnen een vorm van milieuvervuiling is;

verzoekt de regering het oplaten van ballonnen nationaal te verbieden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Raan, Gijs van Dijk en Van Esch. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 56 (35570-XII).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het aantal verpakkingen, bij gebrek aan kabinetsbeleid, nog elk jaar groeit;

constaterende dat reductie van het aantal verpakkingen de voorkeur heeft boven recycling achteraf;

verzoekt de regering op korte termijn een ambitieus en concreet reductiedoel vast te stellen voor het aantal plastic verpakkingen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Raan, Van Esch, Kröger, Gijs van Dijk, Stoffer en Laçin.

Zij krijgt nr. 57 (35570-XII).

De heer Van Raan (PvdD):
Dat was het, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik tot slot het woord aan de heer Stoffer namens de SGP.

De heer Stoffer (SGP):
Voorzitter, ik heb er maar twee. Die lees ik snel voor. Moties bedoel ik dan. Ik had veel meer goede ideeën, maar daar heb ik de tijd niet voor. De eerste motie luidt als volgt.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Kamer via de motie-Stoffer (35570-XIII, nr. 57) heeft gepleit voor een maritiem herstelplan;

overwegende dat de vloot van de Rijksrederij aan vervanging toe is;

overwegende dat de rijksoverheid via de Rijksrederij als launching customer duurzame innovaties in de scheepbouwsector kan stimuleren;

verzoekt de regering te bezien wat de mogelijkheden zijn om investeringen in het vlootvervangingsprogramma van de Rijksrederij naar voren te halen, in overleg met de sector te onderzoeken wat er nodig is om de schepen te kunnen verduurzamen en wat de mogelijkheden zijn voor de Rijksrederij om als launching customer op te treden, en de Kamer hierover voor de zomer van 2021 te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Stoffer en Remco Dijkstra. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 58 (35570-XII).

De heer Stoffer (SGP):
En dan de volgende.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de beschikbare middelen in het Infrastructuurfonds steeds meer voor de groeiende onderhoudsopgave ingezet zullen moeten worden;

overwegende de door minister gepresenteerde aanpak transitie vitale infrasector;

van mening dat het voor de regionale werkgelegenheid van groot belang is dat mkb-infrabedrijven voldoende kans krijgen om mee te dingen naar onderhouds- en renovatiecontracten;

verzoekt de regering te borgen dat er in de opdrachtenportefeuille van Rijkswaterstaat ruimte blijft voor mkb-infrabedrijven door de ontwikkeling van het netwerk voort te zetten, bijvoorbeeld door kortetermijnmaatregelen tegen fileproblematiek, kleinschalige verbeterpunten in het netwerk, verduurzaming of verkeersveiligheid te combineren met de instandhoudingswerkzaamheden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Stoffer en Remco Dijkstra. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 59 (35570-XII).

De heer Stoffer (SGP):
Voorzitter. Ik ben nog lang niet van plan om afscheid te nemen, dus ik ga geen afscheidswoorden spreken. We gaan nog een paar maanden door. Het enige wat wel bijzonder is, is dat ik eerst voor beide bewindslieden heb mogen werken. Ik denk dat hun eerste halfjaar eigenlijk veel beter ging dan de tweeënhalf jaar daarna. Maar daar ben ik ook best tevreden over. Dat wil ik best zeggen.

De voorzitter:
Gelukkig. Dank u wel, meneer Stoffer. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Ik kijk even naar de minister en de staatssecretaris. Hoeveel tijd hebben jullie nog ongeveer nodig? Eerst moeten de moties gekopieerd en geniet worden. Vijftien minuten, is dat goed?

De vergadering wordt van 21.28 uur tot 21.46 uur geschorst.

De voorzitter:
Ik geef de minister het woord.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Dank u wel, voorzitter. Ik zal beginnen met het beantwoorden van een paar vragen die nog openstaan. Dan zal ik de amendementen behandelen en dan de moties.

De vragen. De eerste was van mevrouw Postma, over de matrixborden. Zij vroeg of we bij de aanbesteding van de wegkantsystemen er ook rekening mee houden dat er straks wel weer voldoende verkeersaanbod is. Het vervangen van die systemen is natuurlijk sowieso noodzakelijk, maar u kunt gerust zijn: we zorgen dat we klaar zijn zodra het verkeer weer aantrekt. Daar houden we dus rekening mee.

De heer Amhaouch heeft nog vragen gesteld over VDL Nedcar. Hij vond de brief wat cryptisch. Dat snap ik ook wel. Hij kan ervan verzekerd zijn dat ik in goed contact sta met gedeputeerde Mackus van de provincie Limburg. Wij zijn heel goed aangehaakt om bij deze belangrijke speler in Limburg, bij deze belangrijke projecten, goed samen op te trekken.

De heer Schonis vroeg nog naar de vrachtwagenheffing. Het advies is inderdaad binnen. Er wordt nu ambtelijk hard gewerkt om dat te verwerken. We doen ons uiterste best om er zo snel mogelijk mee naar de Kamer te komen, conform de afspraak die we met u hebben.

Dan de vraag van mevrouw Kröger over de invoerbestanden NLR met betrekking tot Lelystad. Zij vroeg specifiek naar invoerbestanden uit 2014 die zijn gebruikt voor de emissieberekeningen voor Lelystad Airport. Wij hebben deze bestanden niet. Deze bestanden zijn destijds door NLR aan EZ gestuurd. Ik heb begrepen dat deze bestanden recent door het ministerie van LNV zijn opgevraagd bij NLR naar aanleiding van een ingediend WOB-verzoek. Ik zal daarom uw verzoek doorgeleiden naar LNV, dat inmiddels dus dat stuk van EZ heeft overgenomen.

Zij vroeg verder of ik nog wilde garanderen dat er verder geen info is over stikstof die nog niet openbaar is. Alle resultaten van de MER-berekeningen zijn met de Kamer gedeeld. Het is niet gebruikelijk om de invoergegevens en databestanden naar de Kamer te sturen. In het geval van Lelystad is dat wel gedaan. Ook zal ik dus, zoals ik net zei, LNV verzoeken om de gevraagde bestanden uit 2014 openbaar te maken. Een garantie dat er niet ooit ergens iets is, zeker niet als dat nu bij een ander ministerie is, kan ik natuurlijk nooit geven. Maar wij hebben deze informatie niet, dus ik kan niet anders dan LNV te vragen dit zo snel mogelijk openbaar te maken.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Het verzoek was dat wij binnen een week die bestanden krijgen. De minister spreekt namens het kabinet. Ik ga er met deze reactie van uit dat de minister aan de minister van LNV gaat vragen om dat ons binnen week te verstrekken. Er is toch wel een bredere vraag. De minister verwijst naar de MER en zegt: het is niet gebruikelijk dat we alle bestanden delen. Mijn vraag was specifiek dat wij de onderdelen willen op basis waarvan het Luchthavenbesluit in 2015 genomen is. We willen dus de verschillende bronnen van informatie. Dat kunnen invoerbestanden zijn. Dat kunnen notities zijn. Dat kunnen deelonderzoeken zijn of onderzoeken zijn. We hebben keer op keer moeten vragen om die informatie om überhaupt te kunnen reconstrueren hoe dat besluit in 2015 gemaakt is. Ik vraag nu eigenlijk aan de minister of zij ervoor kan zorgen dat wij al die informatie krijgen. Dit puzzelstukje zegt ze nu toe, maar ik wil ook graag dat ze de rest toezegt.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Ik kan alleen maar herhalen dat we alle resultaten van de MER-berekeningen al met de Kamer hebben gedeeld. Met betrekking tot alle bestanden waar u nu om vraagt, breng ik het verzoek over aan LNV om u dat zo snel mogelijk te sturen. Ik zal erbij zeggen dat u het graag binnen een week hebt, maar ik weet natuurlijk niet of dat mogelijk is voor LNV. Ik zal dat zo overbrengen.

De voorzitter:
Gaat u verder.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Dan kom ik bij de amendementen. Dat is het amendement van de heer Gijs van Dijk om de Westerscheldetunnel tolvrij te maken. We hebben daar al voldoende over gewisseld. Hij is van plaats veranderd. Het zal hem niet verbazen dat ik dit amendement ontraad.

Dan kom ik bij de moties. Dat is een behoorlijk stapeltje. Ik begin met de motie op stuk nr. 15. Die motie is van de heer Graus en verzoekt ons om het onderhoud van wegen en kunstwerken versneld aan te pakken. Ik zou wel een kanttekening willen maken bij de constatering. Er wordt geconstateerd dat er sprake is van veel achterstallig onderhoud. Niet veel van het onderhoud is echter achterstallig. Als ik het zo mag opvatten dat u het uitgestelde onderhoud bedoeld, en niet achterstallig onderhoud, dan zou ik de motie oordeel Kamer kunnen geven. Met die interpretatie zou ik ermee kunnen leven.

De heer Graus (PVV):
Zeker. Dat is geen probleem. Dank u wel.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 16. Die motie is door een heleboel mensen ondertekend en is van de heer Graus. De motie verzoekt om onveilige N-wegen versneld aan te pakken. Deze motie kan ik oordeel Kamer geven.

De voorzitter:
Meneer Graus, de heer Van Aalst zal trots op u zijn.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Ik hoop hierna ook nog, want nu komt de motie over de snelheidsverlaging. Dat is de motie op stuk nr. 17 en die ga ik uiteraard ontraden. Het zal de heer Graus ook niet verbazen dat we dat niet terug gaan draaien.

De volgende motie van de heer Graus, op stuk nr. 18, is een spreekt-uitmotie, dus daar spreek ik me niet over uit. Dat is aan de Kamer.

Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 19 van de heer Dijkstra. Die motie betreft het samen met de provincie afwegen van integrale belangen en zeker de belangen van de watergebonden bedrijvigheid in de Amsterdamse haven. Die motie kan ik oordeel Kamer geven.

De volgende motie is ook door heel veel mensen medeondertekend. De indiener is de heer Dijkstra en dit is de motie op stuk nr. 20. Deze motie betreft de beleidsopties om de lasten voor de automobilist niet onnodig te laten oplopen. Ik geef deze motie oordeel Kamer.

Dan de motie op stuk nr. 23 van mevrouw Kröger. Het zal haar gezien het debat niet verbazen dat ik het aanhouden van het Tracébesluit natuurlijk zal ontraden.

Datzelfde geldt voor de motie op stuk nr. 26 van mevrouw Kröger. Die motie wil ik ook ontraden. Ik heb daar ook al schriftelijk op gereageerd.

De motie op stuk nr. 27 van mevrouw Postma kan ik oordeel Kamer geven. Die motie betreft het stimuleren van slim en flexibel thuiswerken.

De motie op stuk nr. 28 van mevrouw Postma verzoekt de regering om volstrekt helder te maken dat handelingen als appen, spelletjes spelen en social media gebruiken tijdens het rijden in het geheel niet zijn toegestaan. Die motie zou ik willen overnemen, want dat is eigenlijk gewoon onderdeel van het staande beleid.

De voorzitter:
Heeft iemand bezwaar tegen het overnemen van de motie-Postma c.s. op stuk nr. 28?

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Dat is de motie op stuk nr. 28.

De voorzitter:
Pardon, de motie op stuk nr. 28. Mevrouw Postma.

Mevrouw Postma (CDA):
Volgens de VVD moet ik heel happy zijn. Ik ben altijd happy. In de motie staat een belangrijk punt. De laatste zin gaat over het informeren van de Kamer over de stappen die worden gezet. Ik heb hele mooie toezeggingen gekregen en dat is nu ook weer het geval. Ik zou graag nog wel van de minister willen horen wanneer dat zal zijn. We hadden het over "een evaluatie volgend jaar". Dat kan begin volgend jaar of eind volgend jaar zijn. Wij hebben liever wat ...

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Ik kan daar nu niet uit de losse pols een termijn aan koppelen. Laat ik zeggen dat we u voor de kerst informeren wanneer u dit te horen krijgt.

De voorzitter:
De motie-Postma c.s. (35570-XII, nr. 28) is overgenomen.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 29. Die motie gaat over de zeemanshuizen en is ook van mevrouw Postma. Ik wil de motie in deze vorm ontraden. Ik heb in de schriftelijke beantwoording, en zostraks ook in het debat, gezegd dat ik daar zeer sympathiek tegenover sta en echt bereid ben om de problematiek rondom die zeemanshuizen te onderzoeken. Omdat hier echt de focus op de financiering ligt, vind ik de motie op dit moment te ver gaan. In de huidige vorm ontraad ik de motie dus.

De voorzitter:
Oké.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
Dan de motie op stuk nr. 37 van de heer Laçin. Die motie verzoekt een plan op te stellen waarin het lozen van verboden stoffen zo snel mogelijk stopt. Op verboden stoffen wordt al gehandhaafd door onze inspecties. Daarom ontraad ik deze motie.

De motie op stuk nr. 40 van de heer Schonis heeft betrekking op de aanbevelingen naar aanleiding van de ramp met de MSC Zoe. Ik heb u straks ook aangegeven dat we binnenkort met de OVV-reactie komen. Ik zou de indieners willen verzoeken om deze motie aan te houden tot we daarover kunnen debatteren. Dan kunnen we alles in één keer meepakken.

De voorzitter:
Ik kijk naar de heer Schonis. Hij knikt.

Op verzoek van de heer Schonis stel ik voor zijn motie (35570-XII, nr. 40) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Minister Van Nieuwenhuizen-Wijbenga:
In de motie op stuk nr. 41 over de Westerscheldetunnel heeft de heer Schonis precies de goede balans gevonden, dus die motie kan ik oordeel Kamer geven.

Dan kom ik bij de motie op stuk nr. 44 van mevrouw Van Eijs. Ik begrijp heel goed de bedoeling van mevrouw Van Eijs, alleen is de ILT, waar wij natuurlijk over gaan, geen Brzo-toezichthouder. De ILT gaat daar niet specifiek over. Ik zou u eigenlijk willen aanraden om dit in de verschillende Provinciale Statenfracties aan te kaarten. Dat is de reden waarom ik met deze motie niets anders kan dan haar te ontraden.

De motie op stuk nr. 45 van de heer Gijs van Dijk, ook over de Westerscheldetunnel, is een spreekt-uitmotie, dus daar bemoei ik mij niet mee.

De motie-Gijs van Dijk op stuk nr. 46 betreft de coronamaatregelen. Wat doen die nou voor de arbeidsomstandigheden op de truckparkings? Dat wil ik graag in kaart brengen, dus oordeel Kamer.

Over de motie op stuk nr. 50, één uit een hele serie van de heer Van Raan, wil ik het volgende zeggen. Die motie gaat over het onderzoek burgerpanels luchthavens. Ik ben op dit moment een overlegstructuur verder aan het uitwerken naar aanleiding van het advies van de commissie-Cohen, u ook wel bekend. Daarbij wordt ook gesproken over het erbij betrekken van burgers, alleen is dat niet voor de verkiezingen helemaal klaar. Maar als ik het zo mag invullen dat u mij niet aan een datum voor de verkiezingen houdt, dan kan ik de motie oordeel Kamer geven. Ik zie dat dat kan.

Dan kom ik op de motie op stuk nr. 51 van de heer Van Raan. De bekende 300.000 vluchten. We gaan op herhaling. Deze motie ontraad ik.

Dan komen we op de motie op stuk nr. 52. Die is bijna in lijn met een motie die eerder over de A27 is ingediend en die motie ontraad ik ook.

Dan schiet ik ineens een stuk door naar de motie op stuk nr. 58 van de heer Stoffer. Hij vraagt om te kijken of we aangaande de Rijksrederij wat naar voren kunnen halen en of we als launching customer kunnen optreden. Dat vind ik een goed idee, dus oordeel Kamer.

En hetzelfde geldt voor de motie-Stoffer op stuk nr. 59, om vooral het mkb niet te vergeten binnen de hele aanbestedingskalender voor de vitale infra. Dat gaan we ook doen, dus oordeel Kamer.

Dan ben ik er doorheen, voorzitter.

De voorzitter:
Ja, inderdaad. Dank u wel. Heel goed. We wachten heel even met de wissel tot er schoongemaakt is. Dan geef ik nu het woord aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Dank u wel, voorzitter. Ik wil de vele leden bedanken die complimenten hebben gemaakt aan onze ambtelijke staf, want er is inderdaad keihard gewerkt, tot behoorlijk laat gisteravond nog en vandaag ook weer de hele dag. Mede namens Cora en u allemaal dus: hartelijk dank! Er zit een vertegenwoordiger daar in het bankje. Hij kan de complimenten doorgeven.

Het tweede is dat ik graag herhaal wat ik in het begin zei, naast de woorden van dank en de waardering voor de collega's: voorlopig gaan we nog keihard met elkaar aan de slag. Dat hebben we volgens mij ook vandaag weer bewezen. Als ik zie welke debatten de komende weken nog zijn ingepland, dan gaan we in ieder geval nog volop door richting de kerst.

Dan nu in hoog tempo de moties. De motie op stuk nr. 14 van de heer Graus. Ik zou u eigenlijk willen vragen om de motie aan te houden. Ik ga het niet bevriezen, maar ik snap wel dat u er in essentie eigenlijk naar zoekt om iets te kunnen doen voor de goederenvervoerders. Ik kom met een brief na de Spoorgoederentafel van 2 december. Ik zou dus eigenlijk willen vragen: houd deze aan, kijk met welke resultaten we komen, en dan kunt u kijken of aan de geest van uw motie voldoende tegemoetgekomen is.

De heer Graus (PVV):
Dan houd ik de motie aan, mevrouw de voorzitter. Dank u wel.

De voorzitter:
Op verzoek van de heer Graus stel ik voor zijn motie (35570-XII, nr. 14) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Hartelijk dank.

De motie op stuk nr. 21 wil ik oordeel Kamer geven, mits ik haar op het punt van eenduidig lokaal beleid ten aanzien van ontheffingen als volgt mag interpreteren. Ik ga in overleg met VNG en gemeenten over de wijze waarop we kunnen zorgen dat ontheffingen eenduidig worden vormgegeven. Maar het besluit om een uitzondering te maken, blijft vanwege de specifieke lokale omstandigheden altijd de afweging van de gemeente en niet van het Rijk. Als ik haar zo mag interpreteren, krijgt de motie oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 22. De optelsom van lucht doe ik, zeg ik tegen de heer Ziengs. De optelsom van de effecten breder zit ook bij EZK, BZK en LNV. Maar als ik de motie zo mag interpreteren dat aan deze motie voldaan wordt door de nulmeting die we gaan doen bij het SLA, en dat ik de horizontale weging van de economische lasten bij de andere ministeries aan de orde zal stellen, dan laat ik het oordeel over aan de Kamer.

De motie op stuk nr. 24 van mevrouw Kröger kan ik oordeel Kamer geven als zij één ding schrapt. Dat zijn namelijk de laatste vier woorden "en dit te faciliteren". Dan zou ik namelijk vooruitlopen op de conclusies van een onderzoek dat we al doen. Als u dus dat laatste stukje schrapt, geef ik de motie oordeel Kamer. Anders zou ik u willen verzoeken om haar aan te houden.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Misschien kunnen we in dat onderzoek, in die internationale marktverkenning, dan ook terugzien wat er nodig is om het voor elkaar te krijgen om het te faciliteren?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Zeker. Ik ben bereid om te onderzoeken wat er nodig is om dit te faciliteren ...

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Precies. Het gaat erom dat we dat op tafel hebben.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
... maar niet om te zeggen dat ik het ga doen. Maar ik ga het wel in kaart brengen.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Oké. Dan pas ik het aan.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Perfect. Dan krijgt die oordeel Kamer.

De voorzitter:
Oké, dan is de heer Graus ook blij.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
De motie op stuk nr. 25 van mevrouw Kröger over de Hello Belgium Railpass. Dat hebben in het debat gewisseld. Die is helaas niet gratis, dus ik ontraad de motie.

De motie op stuk nr. 30 van mevrouw Postma.

De voorzitter:
Het is volgens mij voldoende gewisseld in het debat, mevrouw Kröger.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Volgens mij noemt de motie de Hello Belgium Railpass als voorbeeld, maar wordt er juist gevraagd om met die partijen in gesprek te gaan om te bekijken wat je kunt doen. Kijk, we kunnen weer een promocampagne hebben in de abri's met "ga met het ov" — dat is dus een reclamecampagne — maar je kunt ook naar andere vormen zoeken om mensen te verleiden weer met het ov te gaan, die tegelijk het ov steunen. Dat is de vraag.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Er wordt gevraagd om een Nederlandse variant op de Hello Belgium Railpass. Die gaat uit van gratis kaartjes uitdelen. Ik heb mevrouw Kröger geprobeerd uit te leggen dat dat niet gratis is, door de manier waarop wij onze BVOV hebben ingericht. Maar daarnaast ben ik natuurlijk steeds met alle partijen in gesprek over hoe we weer kunnen zorgen voor een mooie toekomst voor het ov. Daarbij maken we goed onderscheid tussen wat de bedrijven zelf doen en wat wij als departement doen. Dit gaat er dus toch niet helemaal op de goede manier bij passen.

De voorzitter:
Ook dat is voldoende gewisseld. Gaat u verder.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
De motie van mevrouw Postma op stuk nr. 30 krijgt oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 31 van de heer Amhaouch en de heer Ziengs krijgt ook oordeel Kamer. Daarbij gaat het niet alleen specifiek om dat TurboPlan2020, maar om dat soort ideeën. Daarom geef ik de motie oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 32 gaat over de top. Ik ga niet over de agenda van de collega's, maar ik snap wel de oproep om gezamenlijk op te trekken om te proberen of we ook gezamenlijk zo veel mogelijk voor elkaar kunnen krijgen bij bijvoorbeeld de Europese Commissie. Als ik de motie dus zo mag interpreteren, ga ik haar oordeel Kamer geven. Kijk, het is de vraag of het voor België altijd interessant is om met Duitsland aan tafel te zitten. Dat weten we natuurlijk ook niet altijd. Ik kan niet tegen mijn collega's zeggen: ik verplicht u om voor 1 maart 2021 met een integraal toekomstbeeld te komen. Maar ik ben zeker bereid om de collega's te bellen om te kijken of we gezamenlijk kunnen optrekken in een aantal dingen.

De heer Amhaouch (CDA):
Uit de contacten die wij hebben met België en Duitsland blijkt dat ze daar wel behoefte aan hebben. Maar ik vraag ook niet aan de staatssecretaris om voor 1 maart met een uitontwikkeld plan te komen. Ik vraag in ieder geval wel om de trilaterale top — ik heb erop geoefend — in gang te zetten; een maximale inspanningsverplichting. Het wordt wel tijd dat wij na drie jaar in ieder geval die top krijgen. U heeft zelf gezegd dat de Duitsers met open armen over een aantal projecten staan te praten, net als de Belgen. Als we België, Duitsland en Nederland niet bij elkaar krijgen, dan is er iets aan de hand.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Ik merk in de bilaterale contacten dat er voor bilaterale gesprekken heel veel animo is. Dat doen we ook heel vaak. Ik zal de collega's ook vragen of ze de meerwaarde ervan zien om met z'n drieën op te trekken. Dat gesprek zal ik zeker voor 1 maart houden. Dan noemen we dat de "trilaterale spoortop", als ze daarin geïnteresseerd zijn. Fijn dat er niet voor 1 maart een integraal toekomstbeeld moet zijn, want dat leek me onhaalbaar.

De voorzitter:
Dus wat is het oordeel?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Dan is het oordeel Kamer, voorzitter, met die wisseling.

Dan de motie op stuk nr. 33. Ik beschouw 1 april als een inspanningsverplichting, want ik kan niet garanderen dat de Stationsagenda dan klaar is. Maar als dat akkoord is, geef ik oordeel Kamer op de motie op stuk nr. 33. Ik zie het dus als een inspanningsverplichting.

Dan de motie op stuk nr. 34, van de heer Laçin. Die vraagt mij eigenlijk om een aanpassing in de Wp2000 door te voeren, maar ik zie daartoe geen noodzaak. We hebben recentelijk een evaluatie uitgevoerd en deze naar de Kamer gestuurd. Uit die evaluatie blijkt dat het stelsel goed werkt, dus ik zie geen noodzaak voor aanpassing en daarom ontraad ik de motie.

Dan de motie op stuk nr. 35. Daarover is ook een vraag gesteld door het CDA. Dat gaat over de eerste en tweede klasse. Ik kan heer Laçin en ook de heer Amhaouch toezeggen om dit onderwerp aan te snijden bij de vervoerders en de medeoverheden als concessieverleners. Ik zou de heer Laçin en de heer Amhaouch willen vragen om de motie aan te houden, want ik zal de Kamer informeren over de uitkomst van het gesprek.

De voorzitter:
De heer Laçin?

De heer Laçin (SP):
Dat is ook wat de motie vraagt, namelijk om in overleg te gaan met de ov-vervoerders.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
"Om te verkennen of …". Ja, dat is ook waar. Prima, dan doen we oordeel Kamer.

De heer Laçin (SP):
We komen nog ergens, voorzitter.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
We komen nog ergens.

Bij de volgende motie, die op stuk nr. 36, gaan we iets minder ver komen. Daarin vraagt de heer Laçin mij om de regie te nemen rondom Tata. Dat is in eerste instantie aan het bedrijf zelf. Daarna is het aan de provincie en ik heb alle vertrouwen in de manier waarop de provincie het aanpakt, dus ik ontraad deze motie.

Mevrouw Van Eijs vroeg om te kijken naar de gezondheidseffecten. Daar ging een deel van de motie van de heer Laçin ook over. Kunnen we iets doen om de gezondheid beter te monitoren? Kunnen mensen misschien zelf iets makkelijker toegang krijgen? De provincie heeft als bevoegd gezag echt volop aandacht voor de volksgezondheid en laat diverse onderzoeken uitvoeren, onder andere door het RIVM. Ik zal uw verzoek zeker doorgeleiden naar de provincie, die hier heel serieus mee aan de slag is. Ik zal uw suggestie ook aan mijn collega van VWS doorgeven. Ik zal het punt van de volksgezondheid zoals hier besproken onder de aandacht brengen bij de collega's die hierover gaan.

De heer Laçin (SP):
Ik kom nog even terug op de motie. De staatssecretaris begint haar beantwoording met: het is aan het bedrijf zelf. Dat gaat dus al jaren mis, dat is het hele probleem. De aanpak van de provincie werkt blijkbaar ook niet. Ik vertrouw er echt op dat de provincie haar best doet, maar als de volksgezondheid in het geding komt, wat het geval is, zo blijkt uit verschillende onderzoeken van de GGD, het Integraal Kankercentrum Nederland en het RIVM, dan verwacht ik toch wel dat het kabinet actie gaat ondernemen om dit in kaart te brengen. Nu hoor ik dat ...

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
De heer Laçin ...

De heer Laçin (SP):
Ik ben nog niet klaar.

De voorzitter:
Dan moet u snel zijn.

De heer Laçin (SP):
Ik hoor ook dat de staatssecretaris de vraag van mevrouw Van Eijs gaat doorgeleiden naar VWS. Daarmee gaan we al de goede kant op, maar ik verwacht echt actie van het kabinet op dit punt.

De voorzitter:
Zo is het genoeg.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Dan was het goed dat ik de heer Laçin nog even zijn verhaal liet afmaken. Dat is trouwens altijd goed. Ik heb vanuit mijn verantwoordelijkheid steeds gedaan wat er gedaan moest worden waar het Tata aanging. Ik ben blij dat de heer Laçin erkent dat de provincie het nu echt goed heeft opgepakt. Maar nogmaals, zoals ik net aan mevrouw Van Eijs toezegde, zeg ik ook tegen de heer Laçin dat ik deze punten zeker zal doorgeven. Met de zorgen van deze mensen over hun gezondheid moeten we gewoon serieus omgaan.

De motie op stuk nr. 38 van de heer Schonis en de heer Ziengs verzoekt om een toekomstbeeld voor goederenvervoer. Ik zou de heren willen vragen om de motie nog even aan te houden. In het kader van het Toekomstbeeld OV bekijk ik de verdere ontwikkeling van het netwerk voor personenvervoer per spoor en spoorgoederenvervoer. De ontwikkelagenda voor het Toekomstbeeld OV, met daarin ook maatregelen voor spoorgoederenvervoer wordt binnenkort naar uw Kamer gestuurd. Daarin kijken we ook naar leefbaarheid. Ik zou u willen vragen om dat af te wachten. Als u dan nog van mening bent dat een aantal elementen ontbreken, kunnen we opnieuw het gesprek hebben over wat er ontbreekt, maar dan heeft u ook alle informatie om u op te baseren. Ik verzoek u dus om die aan te houden totdat ik het maatregelenpakket voor spoorgoederenvervoer aan uw Kamer heb gestuurd. Volgens mij spreken wij daar op 2 december over, dus dat is nog ruim voor de jaarwisseling. Ja? Heel fijn, hartelijk dank.

De voorzitter:
Op verzoek van de heer Schonis stel ik voor zijn motie (35570-XII, nr. 38) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Dan de motie van de leden Schonis en Kröger op stuk nr. 39: oordeel Kamer.

De motie van mevrouw Van Eijs en mevrouw Dik-Faber op stuk nr. 42: oordeel Kamer.

De motie-Van Eijs op stuk nr. 43: oordeel Kamer.

De motie van mevrouw Van der Graaf en een heleboel medeondertekenaars op stuk nr. 47 beschouw ik als een stevige inspanningsverplichting voor voorjaar 2021. Oordeel Kamer.

De motie van mevrouw Dik-Faber en mevrouw Van Eijs op stuk nr. 48: oordeel Kamer.

De motie-Dik-Faber op stuk nr. 49 zou ik willen vragen om nog even aan te houden. Het betreft namelijk primair een aanpassing van het Bouwbesluit in relatie tot utiliteitsbouw en daar gaat vooral de minister van BZK over. Ik zal met mijn collega van BZK bespreken wat er mogelijk is en kom daar voor het einde van het jaar nog schriftelijk op terug. Daarom verzoek ik om de motie aan te houden tot dat moment. Ik zie mevrouw Dik-Faber knikken, voorzitter.

De voorzitter:
Op verzoek van mevrouw Dik-Faber stel ik voor haar motie (35570-XII, nr. 49) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Dan de motie van de Partij voor de Dieren op stuk nr. 53. Kijk, ik wil ook geen ontwijking, maar ik heb al aangegeven, toen ik mijn beleid over statiegeld naar de Kamer stuurde, dat we dat in de gaten zouden houden, dat we de vinger aan de pols zouden houden. Ik zou de heer Van Raan willen vragen om de motie aan te houden, want ik houd de vinger aan de pols. Dan kan hij altijd bij mij terugkomen als hij zegt dat het helemaal misgaat. Anders zou ik de motie moeten ontraden. Als er echt wat aan de hand is, gaan we het erover hebben.

De heer Van Raan (PvdD):
We weten al dat er wat aan de hand is. Dat is namelijk die eerste constatering. Er zijn allerlei voorbeelden van. Die wil ik u wel doen toekomen. De vraag is om te gaan kijken naar die ontwijking die al plaatsvindt en hoe die kan worden voorkomen.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Ik ben er nog niet zo van overtuigd als de heer Van Raan dat er die verpakkingen op de markt komen om statiegeld te ontwijken en dat die een probleem vormen. Alleen als het een probleem vormt, wil je iets oplossen. Ik zou hem toch willen vragen om deze motie aan te houden, anders moet ik deze ontraden.

De heer Van Raan (PvdD):
Hoelang?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Totdat we constateren of er echt een probleem is, ja of nee. Als er geen probleem is, hoeven we ook nooit te gaan zoeken naar de oplossing.

De heer Van Raan (PvdD):
Ik begrijp dat de ngo's aan de slag moeten. Ik houd haar aan.

De voorzitter:
Op verzoek van de heer Van Raan stel ik voor zijn motie (35570-XII, nr. 53) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
De motie op stuk nr. 54 over het uitfaseren van alle houtkachels gaat mij te ver. Er zijn ook mensen die ervan afhankelijk zijn, dus ik ontraad de motie.

De motie op stuk nr. 55 verzoek ik ook om aan te houden, want ik voer al een verkenning uit en daar informeer ik u nog dit jaar over.

De voorzitter:
En anders?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Anders ontraad ik deze, want dan loop ik vooruit op die verkenning.

De voorzitter:
Op verzoek van de heer Van Raan stel ik voor zijn motie (35570-XII, nr. 55) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
De motie op stuk nr. 56 vraagt om een nationaal verbod. We hebben afgesproken dat we dat aan de gemeenten overlaten, dus ik ga dat niet als Rijk verbieden en ik ontraad deze motie.

De motie-Van Raan c.s. op stuk nr. 57 gaat over een reductiedoel voor het aantal. Een wettelijk reductiedoel kan niet aan de producenten van plastic gezamenlijk worden opgelegd zoals we dat doen met recycledoelen. Daarom ontraad ik de motie op stuk nr. 57.

De heer Van Raan (PvdD):
Ik proef dat er wel positief naar wordt gekeken, maar dat het misschien in de formulering zit. Klopt dat?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Nou, dan zit er een heleboel in de formulering. Ik heb in het Plastic Pact ook afspraken gemaakt. Dat heb ik regelmatig met mevrouw Kröger gewisseld. We willen bijvoorbeeld onzinplastics en onzinverpakkingen verminderen. Mijn hele beleid inzake plastic is ook gericht op het verminderen, maar een wettelijk reductiedoel voor alle plasticproducenten gezamenlijk gaat niet werken. Dat werkt gewoon niet, maar vermindering van plasticgebruik is ook onderdeel van mijn beleid, zo zeg ik ter geruststelling tegen de heer Van Raan.

De heer Dijkstra heeft opnieuw een motie ingediend over de TEN-T-verordening. Ik had hem gevraagd deze motie aan te houden tot de behandeling van het MIRT. Over twee weken spreken we met uw Kamer over het MIRT. U bent dus eigenlijk net twee weken te vroeg. Ik zou u daarom willen vragen deze motie nog aan te houden tot we het MIRT hebben besproken. Daarna kunnen we hierop terugkomen.

Er was nog een vraag van de heer Stoffer over de touringcars. De vraag was wanneer en hoe hij daarover werd geïnformeerd. We stellen ons voor dat te doen via een verzamelbrief, bijvoorbeeld van VWS of EZK. In ieder geval wordt het een kabinetsbrede brief.

Voorzitter. Hopelijk heb ik hiermee de vragen van de leden beantwoord.

De voorzitter:
Ja. Ontzettend bedankt. Ik dank de minister. Ik dank de staatssecretaris. Even kijken. Meneer Laçin.

De heer Laçin (SP):
Ik moest even rennen, want ik heb nog een amendement ingediend, op stuk nr. 11, over het openbaar vervoer. Dat gaat de staatssecretaris natuurlijk omarmen en ondersteunen, maar ik hoop dat ze dat ook zelf zal uitspreken.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Voorzitter. Volgens mij hebben wij de amendementen ook schriftelijk beantwoord, maar voor alle duidelijkheid geef ik natuurlijk ook een reactie op de amendementen. Het amendement op stuk nr. 11 van de heer Laçin moet ik helaas ontraden. Het amendement op stuk nr. 12 van mevrouw Kröger moet ik ook helaas ontraden.

De voorzitter:
Zijn hiermee alle amendementen behandeld?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Ja.

De voorzitter:
Dan wil ik u ontzettend bedanken. Ook de minister wil ik bedanken, net als de Kamerleden, de ambtenaren omdat ze ongelofelijk hard hebben gewerkt, al die fractiemedewerkers die de Kamerleden hebben ondersteund bij de voorbereiding van de begroting, de bodes, de griffiers en de Stenografische Dienst.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
Over de moties zullen wij volgende week dinsdag stemmen.

Sluiting

Sluiting 22.17 uur.