Plenair verslag

Tweede Kamer, 78e vergadering
Donderdag 20 mei 2021

  • Aanvang 10:15 uur
  • Sluiting 20:38 uur
  • Status Ongecorrigeerd

Opening

Voorzitter: Martin Bosma

Aanwezig zijn 134 leden der Kamer, te weten:

Aartsen, Agema, Alkaya, Amhaouch, Van Ark, Azarkan, Van Baarle, Baudet, Becker, Beckerman, Beertema, Belhaj, Van den Berg, Bergkamp, Van Beukering-Huijbregts, Bikker, Bisschop, Martin Bosma, Boswijk, Bouchallikh, Boucke, Boulakjar, Brekelmans, Bromet, Van Campen, Ceder, Dassen, Tony van Dijck, Inge van Dijk, Jasper van Dijk, Eerdmans, El Yassini, Ellemeet, Ellian, Eppink, Erkens, Van Esch, Fritsma, Geurts, Van Ginneken, De Graaf, Graus, Grinwis, Peter de Groot, Tjeerd de Groot, Gündoğan, Den Haan, Van Haga, Hagen, Hammelburg, Harbers, Rudmer Heerema, Pieter Heerma, Heinen, Helder, Van den Hil, De Hoop, Van Houwelingen, Idsinga, Jansen, Jetten, Léon de Jong, Romke de Jong, Kamminga, Kat, Kathmann, Keijzer, Van Kent, Kerseboom, Koekkoek, Koerhuis, Kops, De Kort, Kuik, Kuiken, Kuzu, Kwint, Van der Laan, Van der Lee, Leijten, Maatoug, Madlener, Maeijer, Markuszower, Van Meenen, Van Meijeren, Michon-Derkzen, Agnes Mulder, Edgar Mulder, De Neef, Nijboer, Van Nispen, Ouwehand, Palland, Paternotte, Paul, Paulusma, Peters, Piri, Van der Plas, Pouw-Verweij, Van Raan, Raemakers, Rajkowski, De Roon, Schouten, Segers, Simons, Sjoerdsma, Sneller, Snels, Van der Staaij, Stoffer, Van Strien, Tellegen, Teunissen, Thijssen, Tielen, Valstar, Vestering, Vijlbrief, Aukje de Vries, Wassenberg, Van Weerdenburg, Van der Werf, Werner, Westerveld, Van Weyenberg, Wiersma, Van Wijngaarden, Wilders, Van der Woude, Wuite en Yeşilgöz-Zegerius,

en de heer Blok, minister van Buitenlandse Zaken, mevrouw Van Engelshoven, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, de heer Koolmees, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mevrouw Ollongren, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, mevrouw Schouten, minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, en mevrouw Van Veldhoven-van der Meer, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat.

De voorzitter:
Ik open de vergadering.

Mededelingen

Mededelingen

Mededelingen

De voorzitter:
Ik deel aan de Kamer mee dat de volgende leden zich hebben afgemeld:

Tellegen, Marijnissen, Rutte en Van 't Wout.

Deze mededeling wordt voor kennisgeving aangenomen.

De voorzitter:
Wat leuk, de Kamerleden die ook minister zijn, melden zich gewoon af.

Minister Koolmees:
Maar ik ben geen Kamerlid en ik ben er!

De voorzitter:
Nee, u bent geen Kamerlid, u bent minister, en — nu ik u toch spreek — u bent er ook, ja. Wie zich dus niet heeft afgemeld, is de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, die zelfs in persoon aanwezig is. Wij heten hem hartelijk welkom.

Arbeidsmarkt

Arbeidsmarkt

Aan de orde is het VAO Arbeidsmarkt (arbeidsmarktbeleid/arbeidsmarktdiscriminatie/jongeren op de arbeidsmarkt) (AO d.d. 7/12).

De voorzitter:
Aan de orde is thans het VAO Arbeidsmarkt. Dat gaat over arbeidsmarktbeleid, arbeidsmarktdiscriminatie en jongeren op de arbeidsmarkt. Het betreft het vervolg van het AO van 7 december. We hebben acht sprekers van de zijde van de Kamer, waarvan de eerste de heer Van Baarle van de fractie van DENK is, die zoals iedereen twee minuten spreektijd heeft. Het woord is aan hem.

De heer Van Baarle (DENK):
Dank u wel, voorzitter. Een aantal moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de capaciteitsinzet van het team arbeidsdiscriminatie bij de Inspectie SZW in 2023 wordt verlaagd naar 2%, terwijl dit in 2019 nog 3% was;

verzoekt de regering om de feitelijke capaciteitsinzet van het team arbeidsdiscriminatie bij de Inspectie SZW voor de raming van 2023 niet te verlagen;

verzoekt de regering tevens te bezien of met de voorziene extra wettelijke taak voor het team arbeidsdiscriminatie er aanvullende capaciteit nodig is,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Baarle en Den Haan.

Zij krijgt nr. 1048 (29544).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering om naming-and-shaming van onherroepelijk veroordeelde bedrijven op een zichtbaardere wijze toe te passen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.

Zij krijgt nr. 1049 (29544).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering te bezien op welke wijze zwaardere straffen en hogere boetes dienstig kunnen zijn in het bestrijden van discriminatie en racisme,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Baarle en Den Haan.

Zij krijgt nr. 1050 (29544).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Inspectie SZW stelt dat slechts 10% van de bevraagde werkgevers de NVP-sollicitatiecode toepast en bijna niemand bekend is met de bestaande hulpmiddelen voor werving en selectie;

verzoekt de regering om de benutting van hulpmiddelen voor een inclusieve werving en selectie door werkgevers te stimuleren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Baarle en Den Haan.

Zij krijgt nr. 1051 (29544).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering om naming-and-faming toe te passen op bedrijven met goede praktijken tegen discriminatie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.

Zij krijgt nr. 1052 (29544).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

spreekt uit dat er in de komende periode aanvullende inspanning nodig is van de overheid om racisme en discriminatie te bestrijden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Baarle.

Zij krijgt nr. 1053 (29544).

De heer Van Baarle (DENK):
En dan de laatste motie, voorzitter. Nederland is, zoals u weet, een divers land, met mensen met vele achtergronden. Veel mensen vinden het fijn om een vrije dag te nemen voor bijvoorbeeld het holifeest, het ramadanfeest of andere belangrijke feesten. Daar voorziet een diversiteitsdag in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in steeds meer cao's een diversiteitsdag wordt opgenomen, waardoor Nederlanders een officiële vrije dag per jaar zelf mogen invullen, zonder dat het totaalaantal vrije dagen verandert;

verzoekt de regering om te onderzoeken in hoeverre diversiteitsdagen in cao's opgenomen zijn;

verzoekt de regering tevens, indien dit onvoldoende het geval is, het onderwerp te agenderen bij sociale partners,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Baarle en Den Haan.

Zij krijgt nr. 1054 (29544).

De heer Van Baarle (DENK):
Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
U bedankt! Zeven moties in iets meer dan twee minuten. Dan mevrouw Maatoug van GroenLinks.

Mevrouw Maatoug (GroenLinks):
Dank u, voorzitter. Van GroenLinks een vraag en een motie. Ik ga proberen het net zo snel te doen als de heer Van Baarle en ik zal dan kijken of ik wat seconden overhoud op de timer. De vraag aan de minister is de volgende. Tijdens het AO heeft mijn voorganger, de heer Smeulders, veel aandacht gevraagd voor levenslang ontwikkelen. We zien dat de regeling hiervoor het heel goed deed. De aanvragen waren meteen op. We weten ook dat er een evaluatie loopt die pas later komt, uit mijn hoofd in 2022. Wij zouden het heel fijn vinden om een stukje van de monitoring wat eerder te ontvangen zodat we kunnen kijken of we wellicht eerder kunnen besluiten om de regeling weer open te stellen; als iets een succes is, moet je dat niet laten liggen. Dus de vraag is of de minister de Kamer hierover kan informeren middels een brief, liefst voor de zomer.

Dan heb ik nog een motie die ik samen met de heer Van Dijk van de PvdA indien.

De motie, die ik samen met de heer Van Dijk van de PvdA indien, luidt als volgt.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat ingehuurde externe medewerkers bij de RVO niet dezelfde arbeidsvoorwaarden hebben als hun collega's die hetzelfde werk doen en deze medewerkers al twee jaar lang op hun achterstallig loon wachten;

constaterende dat de Inspectie SZW heeft aangegeven dat hier sprake is van onderbetaling;

van mening dat de rijksoverheid het goede voorbeeld moet geven en werknemers fatsoenlijke contracten moet geven;

verzoekt de regering deze medewerkers, die nu tussen wal en schip vallen, te helpen met het ontvangen van hun achterstallig loon;

verzoekt de regering te stoppen met contracting bij de rijksoverheid en zodoende bestaande overeenkomsten waarbij sprake is van contracting uit te faseren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Maatoug en Gijs van Dijk.

Zij krijgt nr. 1055 (29544).

Dank u wel. U moet de motie hier even inleveren, mevrouw Maatoug.

Dan mevrouw Tielen van de fractie van de VVD.

Mevrouw Tielen (VVD):
Voorzitter. Het AO ging over heel veel onderwerpen, over arbeidsmarktbeleid in brede zin. Ik gebruik dit moment dus ook even om een dringend verzoek te doen aan de minister. Tien maanden geleden heeft deze Kamer een motie van mij aangenomen, die ik samen met D66 en CDA heb ingediend, om de positie van zelfstandigen in de polder te versterken. Ik vraag me af hoe het daarmee staat. Want juist nu, nu "de polder" gaat praten met de formerende partijen om tot een regeerakkoord te komen en allemaal adviezen gaat geven over sociaaleconomische zaken, lijkt het mij heel belangrijk dat de zelfstandigen die positie hebben. Kan de minister ons dus vertellen hoe het daarmee staat? Heeft hij er afgelopen tijd inderdaad extra aan getrokken om dat voor elkaar te krijgen?

Dan heb ik nog een vraag en een motie. Ik heb een vraag over de startbanen. In het AO hebben we gesproken over banen voor starters op de arbeidsmarkt. Over het algemeen zijn dat jonge mensen. Ik vraag me af of de minister de Kamer kan informeren over de voortgang van de aanpak jeugdwerkloosheid. Ook met oog op dat we hopelijk snel aan een herstelplan voor de economie kunnen werken, denk ik dat het belangrijk is dat we zicht hebben op wat het afgelopen jaar heeft gewerkt om banen te creëren voor starters.

En dan een motie. Ik heb namelijk zorgen over het tempo en de voortgang wat betreft de regionale mobiliteitsteams. Ik geloof heel erg in die regionale mobiliteitsteams als middel om de begeleiding naar werk en scholing te verbeteren, maar het schiet nog niet zo op. Maar laten we daarvan leren.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering bezig is met de oprichting van regionale mobiliteitsteams waarin vakbonden, werkgeversorganisaties, UWV en gemeenten intensief samenwerken, en daarmee uitvoering geeft aan de wens van de Kamer om voor iedere arbeidsmarktregio één loket te realiseren voor begeleiding naar nieuw werk en scholing;

overwegende dat er in deze regionale mobiliteitsteams veel kennis en inzichten worden opgebouwd over zowel de voortgang als de effectiviteit van de samenwerking van de betrokken instanties;

overwegende dat deze mobiliteitsteams ook na de coronacrisis van waarde kunnen zijn voor re-integratie, van werk naar werk, en bijscholing;

verzoekt de regering te onderzoeken welke ervaringen uit de regionale mobiliteitsteams leiden tot betere begeleiding en scholing naar werk, en hier dit kalenderjaar aan de Kamer over te rapporteren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Tielen.

Zij krijgt nr. 1056 (29544).

Dank u wel.

Dan mevrouw Den Haan van de Fractie Den Haan.

Mevrouw Den Haan (Fractie Den Haan):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat ongeveer de helft van de mensen die in de WW en de bijstand zit, 50 jaar of ouder is;

overwegende dat ouderen die eenmaal werkloos zijn, heel moeilijk weer een baan vinden;

overwegende dat de positie van ouderen op de arbeidsmarkt wel iets is verbeterd maar er nog steeds een vooroordeel bestaat bij werkgevers over oudere werknemers als zijnde te weinig productief, te weinig flexibel en vaker ziek dan jongere werknemers;

verzoekt de regering om zo snel mogelijk een planmatig vervolg op het actieplan Perspectief voor vijftigplussers uit te werken, en de Kamer daarover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Den Haan.

Zij krijgt nr. 1057 (29544).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de Sociaal-Economische Raad erop wijst dat in de coronacrisis jongeren en ouderen die vanuit een uitkering aan het werk zijn gegaan extra risico lopen omdat zij veelal in tijdelijke banen werkzaam zijn;

overwegende dat ook mensen met een arbeidsbeperking, mensen met een migratieachtergrond en mensen met een lager opleidingsniveau verhoogd risico lopen hun baan te verliezen;

verzoekt de regering om bij van-werk-naar-werktrajecten het gedifferentieerde arbeidsmarktbeleid van persoonlijke begeleiding, cursussen, opleidingen en andere vormen van steun juist op deze kwetsbare groepen te richten;

verzoekt de regering voorts om juist ook in de coronacrisis zich sterk te maken voor een inclusieve arbeidsmarkt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Den Haan, Simons, Van Baarle en Van der Plas.

Zij krijgt nr. 1058 (29544).

Mevrouw Den Haan (Fractie Den Haan):
Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan is de volgende spreker op mijn lijst mevrouw Van der Plas van de fractie van BBB, maar ik zie haar niet. Dan gaan we maar naar de heer Van Weyenberg van D66. Ik zeg het maar eerlijk: u bent tweede keus.

De heer Van Weyenberg (D66):
Dank u wel, voorzitter. Het was een heel breed overleg. Ik wil kort aandacht vragen voor vijf punten. Om te beginnen zal collega Heerma zo meteen een motie over open hiring indienen. Dat is een heel interessant instrument om meer mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt een kans op de arbeidsmarkt te geven, maar ook om arbeidsmarktdiscriminatie te voorkomen. De heer Heerma zal dat zo in geuren en kleuren toelichten.

Ik sluit me aan bij de vragen van mijn collega van de VVD over hoe het staat met het geven van een plek aan zelfstandigen in polderoverleggen, zeker met al het overleg dat nu loopt. Je mag niet op het menu staan als je niet meepraat.

Voorzitter. De heer Van Baarle vroeg naar het afnemende aantal mensen bij het team arbeidsmarktdiscriminatie van de Arbeidsinspectie. Samen met mevrouw Karabulut heb ik ooit geld mogen regelen voor dat team. Later heb ik met onder anderen collega Heerma gezorgd voor nog meer geld. Ik sluit me dus aan bij de vragen. Dit is een motie, maar dat hier minder aan gaat gebeuren, kan natuurlijk nooit aan de orde zijn. Ik krijg dus graag een bevestiging van de minister.

Hopelijk gaan we ook eindelijk snel de wet tegen arbeidsmarktdiscriminatie behandelen in deze Kamer. Die is controversieel verklaard, maar ik herhaal het hier maar alvast: het wetsvoorstel dat er nu ligt, bevat geen meldplicht voor uitzendbureaus die discrimineren. Er ligt een heldere Kamermotie van onder andere CDA en D66, dus het kabinet, wie het ook is, kan wat mij betreft een amendement tegemoetzien om ervoor te zorgen dat er gewoon een meldplicht komt.

Tot slot, voorzitter. Bij de begrotingsbehandeling heb ik een motie ingediend om te zorgen voor arbeidsgeneeskundige hulp voor kankerpatiënten, al tijdens de behandeling. Die motie is met 150 Kamerzetels aangenomen. Ik denk dat het mensen die mij al wat langer kennen, bekend is dat ik hier al een jaar of acht mee bezig ben. Die motie heeft het kabinet vier maanden de tijd gegeven om dit uit te werken. De vraag was niet óf, de vraag was hóé. Inmiddels zijn we zeven weken na die deadline en heb ik nog niks gehoord. Ik hoop dus dat ik van de ministeries van SZW en van VWS heel snel hoor hoe ze dit gaan doen. Ik zeg één ding: als ik nu een brief krijg met "we gaan nog eens kijken óf", dan is dat niet wat de motie vraagt. De motie vraagt om een plan hóé.

Dank u wel.

De voorzitter:
U bedankt. Het is reeds aangekondigd: de heer Heerma van de fractie van het CDA.

De heer Pieter Heerma (CDA):
Voorzitter. Ik heb de afgelopen vijf minuten overwogen om, geïnspireerd door de heer Van Baarle, acht moties te gaan indienen, maar ik heb besloten om dat jullie en vooral mezelf niet aan te doen.

Het AO van afgelopen december is gedaan door mijn collega Hilde Palland. Bij de overdracht van het dossier arbeidsmarkt wees zij mij er specifiek op dat het debat erg veel over arbeidsmarktdiscriminatie is gegaan, maar dat het haar was opgevallen dat het weinig over open hiring is gegaan, terwijl dat wel een heel interessant onderwerp is. Ik heb het transcript van dat debat en de brieven dus even teruggelezen. Het ging daarbij overigens ook veelvuldig, vanuit de fracties van DENK en van D66, over de discussie over meldcode versus meldplicht. Als een van de mede-indieners van de motie voor een meldplicht ben ik er ook nog niet van overtuigd dat een meldcode beter werkt, dus ik ben zeer benieuwd naar de reactie van de minister op de wat dreigende taal van collega Van Weyenberg daarover.

Dat openhiringconcept is echt heel interessant. In het AO van afgelopen december is het eigenlijk alleen aan de orde geweest omdat de bewindspersonen bij herhaling hebben aangegeven er heel enthousiast over te zijn. Het is een initiatief uit het verleden van collega Van Weyenberg en collega Van Brenk, die er moties over hebben ingediend. Ik vind de evaluatie heel positief, de bewindspersonen geven aan enthousiast te zijn en het biedt echt kansen om arbeidsmarktdiscriminatie en ongelijke kansen op de arbeidsmarkt tegen te gaan. Het is op dit moment iets kleins, maar het is iets kleins wat iets moois kan zijn. Omdat het enthousiasme er wel is maar de vervolgactie uitblijft, dien ik de volgende motie in met collega Van Weyenberg, met wie ik in het verleden ook weleens een motie heb ingediend.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat open hiring kansen biedt voor werkzoekenden die buiten het bereik zijn van publieke dienstverlening;

van mening dat open hiring een bijdrage kan leveren aan het tegengaan van ongelijke kansen en discriminatie op de arbeidsmarkt;

overwegende dat uit de evaluatie blijkt dat het werknemers met een afstand tot de arbeidsmarkt helpt meer zelfvertrouwen, regie en sociale contacten te krijgen;

verzoekt de regering met de sociale partners in overleg te gaan om het gebruik van open hiring in Nederland uit te breiden;

verzoekt de regering te bezien hoe en waar de overheid als werkgever zelf aan de slag kan gaan met open hiring,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Pieter Heerma en Van Weyenberg.

Zij krijgt nr. 1059 (29544).

De voorzitter:
Dank u wel. Ik begrijp dat iedereen weet wat open hiring is? Oké, dan stel ik geen kritische vragen. De laatste spreker van de zijde van de Kamer is de heer Van Kent van de fractie van de SP. Het woord is aan hem.

De heer Van Kent (SP):
Voorzitter. De heer Van Weyenberg was terecht boos over het zeven weken moeten wachten. De motie die ik ga indienen, gaat over de maaltijdbezorgers. We zijn al jaren aan het wachten op maatregelen van deze minister om de situatie daar op te lossen. We weten dat de arbeidsomstandigheden van de maaltijdbezorgers in veel gevallen erbarmelijk zijn. Niet zelden gaat het om minderjarigen. Het jaarverslag van de Inspectie SZW, beter bekend als de Arbeidsinspectie, bevestigt dat de situatie inderdaad bijzonder slecht is. Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit het jaarverslag 2020 van de Inspectie SZW blijkt dat bij 100% van de geïnspecteerde werkgevers van maaltijdbezorgers overtredingen werden geconstateerd;

constaterende dat er in de maaltijdbezorging een hoog risico is op arbeidsongevallen, waaronder zelfs ongevallen met dodelijke afloop;

constaterende dat deze overtredingen door werkgevers vaak betrekking hebben op minderjarige werknemers;

constaterende dat er in 2020 maar 22 werkgevers zijn gecontroleerd, waardoor er nog weinig zicht is op de daadwerkelijke schaal van overtredingen in de maaltijdbezorging;

verzoekt de minister om het aantal inspecties bij maaltijdbezorgers op te voeren, en in het najaar van 2021 de Kamer te informeren over de uitkomsten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Kent.

Zij krijgt nr. 1060 (29544).

Dank u wel. Tot zover de termijn van de Kamer. Ik schors vijf minuten en dan gaan we luisteren naar de minister.

De vergadering wordt van 10.32 uur tot 10.40 uur geschorst.

De voorzitter:
Over vijf minuten wil ik aan het volgende debat beginnen. Ik weet zeker dat de minister mij daarbij gaat helpen. Het woord is aan hem.

Minister Koolmees:
Dank u wel, meneer de voorzitter. Ik moest even graven in mijn geheugen. 7 december vorig jaar is natuurlijk alweer een tijd geleden. Het ging toen over ongeveer alles. Het is dus ingewikkeld om nu even op alles antwoord te geven, maar ik ga het proberen.

Voorzitter, plotseling gaat mijn spreekgestoelte omhoog. U drukt blijkbaar op een knopje. Ik schrik daar een beetje van.

De voorzitter:
U heeft dus een slecht geheugen én u ziet het katheder op en neer gaan.

Minister Koolmees:
Precies. Wat is hier allemaal aan de hand?

De voorzitter:
De conclusies zijn voor u, hoor!

Minister Koolmees:
Voorzitter. Leuk dat de heer Heerma weer onder ons is. Niks ten nadele van mevrouw Palland, maar ik heb de heer Heerma een aantal jaren moeten missen. Wat is de stand van zaken rond de motie-Tielen over zzp in de polder? Op ambtelijk niveau is in 2020 een aantal keren gesproken met de sociale partners en met de SER. Dat is nog niet conclusief geweest, ook vanwege de capaciteitsdruk, maar ook omdat het een thema is dat institutioneel is. Het is best ingewikkeld om te veranderen; dat begrijpt u. Er bestaan ook verschillende beelden over. Sommige organisaties geven aan dat zij zelfstandigen in hun organisatie hebben zitten. Daarmee hebben de zelfstandigen automatisch draagvlak binnen de vakbonden of werkgeversorganisaties. Het lijkt mij goed om daarover door te praten. Gegeven het demissionaire karakter van dit kabinet is dit misschien ook wel een interessant punt voor de formatiebesprekingen binnenkort. Het voorwerk is gedaan; dat ligt klaar. U kunt er gezamenlijk met de polder een besluit over nemen.

Mevrouw Tielen (VVD):
Ik weet niet zo goed wat de minister nu zegt. Hij spreekt over de demissionaire status van het kabinet — dat snap ik — maar het gaat om een motie die er al een tijd ligt. Er is gelukkig al mee begonnen, maar juist op dit moment is het in de fase van de cyclus besturen-vertegenwoordigen-controleren heel belangrijk om tot een soort conclusieve brief te komen. Wat zegt de minister nou echt?

Minister Koolmees:
Ik ga er in de kern niet over. De kern is dat het maatschappelijk middenveld in de SER vertegenwoordigd is. Ook naar aanleiding van de motie heb ik geprobeerd in gesprek te gaan met de sociale partners en met de voorzitter van de SER om te kijken hoe we dit beter kunnen waarborgen. Ik ben het met u eens; daar geen misverstand over. We hebben ervaring met het pensioenakkoord, waarover heel veel frustratie ontstond, met name in het kader van "besloten óver en niet besloten mét". Ik heb het afgelopen jaar zelf ook een aantal gesprekken gevoerd met vertegenwoordigers van zelfstandige organisaties, bijvoorbeeld met mevrouw Van de Ven, de nieuwe vertegenwoordiger van een aantal grotere samengevoegde organisaties. Ik vind het een positieve ontwikkeling, maar ik kan niet eenzijdig bepalen hoe de delegatie eruit moet zien. Dat vergt gewoon gesprekken, massage en overreding. Dat duurt helaas gewoon enige tijd. Ik heb wel geconstateerd dat er in verschillende verkiezingsprogramma's uitspraken hierover zijn gedaan. Je zou dan kunnen denken: we gebruiken de formatie om hierin stappen te zetten. Maar ik waarschuw er wel voor dat we niet eenzijdig kunnen bepalen wat de delegatie is aan de polderkant. Zo werkt dat systeem ook niet.

Mevrouw Tielen (VVD):
Dat vraag ik ook niet van u, want dat zie ik ook wel. Maar zie dit dan als een aanmoediging om de betreffende partners weer eens wat extra kracht mee te geven, ook vanuit de volksvertegenwoordiging.

Minister Koolmees:
Ja, dank daarvoor. Ik ben het daar ook zeer mee eens; geen misverstand daarover. Maar dingen van bovenaf opleggen werkt vaak niet heel productief om tot een samenwerking te komen.

Dan de vraag van de heer Van Weyenberg over kanker en werk. Ik weet dat hij daar zeer mee begaan is. Hij vraagt terecht: hoe staat het hiermee? Ik begrijp — dat hoor ik net — dat er een brief bij het ministerie van VWS klaarligt om verzonden te worden. Ik ga daar even achteraan en zal daarnaar kijken. De deadline is inderdaad krap, omdat het natuurlijk al een aantal weken te laat is. Maar ook daarvoor gelden natuurlijk wel iets van verzachtende omstandigheden, omdat het ministerie van VWS op dit moment ook heel druk is met andere onderwerpen.

De heer Van Weyenberg (D66):
Zeker. Daarom had ik op verzoek van de minister ook al vier maanden gegeven, iets meer zelfs. Ik hoop dat die brief snel komt. Stel dat de brief die er nu ligt vooral "nou, we gaan nog eens kijken" en "God, wat interessant, we zien wel" is. Als de minister een week meer nodig heeft om er een "we gaan dit op deze manier doen"-brief van te maken, dan krijgt hij die hierbij. De brief moet namelijk wel gewoon een voorstel bevatten over hoe we het gaan doen. Anders staan we hier snel weer.

Minister Koolmees:
Ja, ik neem deze woorden ter harte en mee.

Dan een andere vraag, over de voortgang van de jeugdwerkloosheid en de banen voor starters. In de steunpakketbrief die binnenkort naar uw Kamer wordt gestuurd, wordt ingegaan op de stand van zaken van het herstelpakket. In juni komt er bovendien ook nog een brief waarin wordt ingegaan op de motie-Ploumen, over een deltaplan jeugd, op het SER-jongerenrapport "En nu… daden!", en op de motie-Palland/Peters, over de gevolgen van de coronacrisis voor jongeren. Er zijn dus verschillende trajecten op dit punt die kunnen worden opgevangen en meegenomen. Ik doel op trajecten om jongeren echt te ondersteunen om hun weg te vinden naar de arbeidsmarkt.

De laatste vraag die ik heb liggen, gaat over de discussie over de meldplicht, de meldcode en de wet. De Wet — hoe heet die ook alweer? — toezicht gelijke kansen bij werving en selectie is door mijn voorganger Bas van 't Wout, als staatssecretaris, naar uw Kamer gestuurd. Die is controversieel verklaard. Daarbij is een aparte discussie over de meldcode. We zijn op zoek geweest naar een manier om discriminerende verzoeken te registreren en te adresseren op een manier die het meest effectief is. Voorwaarde om daarmee verder te gaan is wel dat deze wet behandeld wordt. Dan kan die daar een plek in vinden. Die is natuurlijk controversieel. Dat is dus wel een ingewikkeld procespunt van mijn kant, want ik kan niet verder zolang die wet controversieel is. Misschien ter overweging aan uw Kamer om dat punt toch te gaan behandelen binnenkort, zodat ik hiermee verder kan. Ik kan er iets meer over zeggen, maar dit is volgens mij een procespunt dat belangrijk is. Ik denk dat dit onderwerp breed leeft in uw Kamer en dat er aan Bas van 't Wout een aantal keer door uw Kamer verzocht is om spoed, om dat wetsvoorstel snel in te dienen. Daarna is het controversieel verklaard.

De voorzitter:
Over spoed gesproken: we hebben dertien moties.

Minister Koolmees:
Ja, ik ga door. De motie op stuk nr. 1048 krijgt oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 1049: ontraden.

De motie op stuk nr. 1050 ontraad ik, omdat een boete echt verankerd moet worden in een nieuwe wet of systeem van de Arbowet. Dat gaat over meer dan alleen maar discriminatie. Dat gaat ook over gevaarlijke stoffen, arbeidsbelasting en dat soort zaken. Het is dus echt ingewikkelder dan het alleen maar sec voor deze boetes aanpassen. Dus daarmee ontraad ik de motie.

De motie op stuk nr. 1051 krijgt oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 1052 krijgt oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 1053: oordeel Kamer. Er komt overigens ook een nationaal coördinator tegen discriminatie en racisme. De minister van Binnenlandse Zaken heeft dat recent aangekondigd. Maar er is inderdaad meer inspanning nodig. Dat verzoek leeft breed in uw Kamer. Deze motie krijgt dus oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 1054 gaat over het agenderen van diversiteitsdagen bij sociale partners. Dat wil ik zeker doen, dus oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 1055 van mevrouw Maatoug en de heer Gijs van Dijk moet ik helaas ontraden, maar niet omdat ik niet begrijp waar de frustratie zit op dit punt. Het gaat om een specifieke casus bij de RVO, dus dat is echt tussen werkgever en werknemer. In ons civielrechtelijk systeem is dat belegd bij de werknemer en de werknemersvertegenwoordiging en de werkgever. Die moeten dat afhandelen. Dat ligt niet bij de minister van Sociale Zaken. Dat is één. Twee. Contracting gaat over heel veel verschillende facetten. Het gaat bij wijze van spreken over glazenwassers, schoonmakers en cateraars, maar het gaat ook over het inhuren van externe adviseurs met specialistische kennis. Dat is ook contracting. Een generiek verbod op contracting is dus gewoon niet werkbaar. Dus, hoewel ik de boodschap begrijp en ook wel onderschrijf, is dit te generiek en te algemeen en daarom moet ik de motie ontraden.

De voorzitter:
Er is nog een korte vraag van de heer Heerma.

De heer Pieter Heerma (CDA):
De minister, aangespoord door de voorzitter, behandelde de beoordeling van de moties van de heer Van Baarle met hetzelfde tempo als waarmee die zijn ingediend, maar ik meende te horen dat motie op stuk nr. 1049 ontraden is.

Minister Koolmees:
Ja.

De heer Pieter Heerma (CDA):
Die motie vraagt om naming-and-shaming zichtbaarder te maken. Mijn eerste vraag is: waarom is deze motie ontraden? En ik heb er een inhoudelijke vraag bij. In mijn herinnering was het probleem bij onherroepelijk veroordeelde bedrijven niet zozeer dat het niet zichtbaar wordt gemaakt omdat het verstopt wordt, maar omdat het nooit gebeurt. Mijn kennis is dat er één geval is. Kan de minister dus aangeven hoe vaak bedrijven op dit moment onherroepelijk veroordeeld zijn vanwege discriminatie?

Minister Koolmees:
Dat laatste punt weet ik niet precies uit mijn hoofd. Dat wil ik best schriftelijk naar u sturen als u daar behoefte aan heeft. Dat wil ik graag uitzoeken. De discussie van een aantal jaren geleden ging er inderdaad over of je als overheid, bijvoorbeeld, bij inhuur dit soort bedrijven op een zwarte lijst of zo kunt zetten. Wij hebben ook gekeken naar dat het heel weinig voorkwam. In het wetsvoorstel Toezicht gelijke kansen is ook een bevoegdheid voor de Inspectie SZW opgenomen, om hier toezicht op te houden. Wat we wel doen, is boetes die zijn opgelegd, openbaar maken. In die zin is er wel sprake van naming-and-shaming, maar als het is vastgesteld en het rechterlijk pad is doorlopen. Ik wil de vraag van de heer Heerma wel beantwoorden, maar dan schriftelijk, want ik heb het niet paraat.

De voorzitter:
Daar bent u tevreden mee, hè?

De heer Pieter Heerma (CDA):
Excuus, voorzitter, toch niet helemaal. Ik wil de toezegging over die brief graag, maar ik wil toch nog nader weten waarom deze motie ontraden is, gegeven de inspanningen die de minister aangeeft. Wat aan deze motie leidt ertoe dat het kabinet zegt: wij willen dit niet en wij willen hier niet mee aan de slag?

Minister Koolmees:
De crux zit bij "op zichtbaardere wijze". We maken het nu al openbaar als er een boete is opgelegd. Dat is zichtbaar. Als je een stap verder zet, dan ga je bij wijze van spreken een aparte portal doen. Dat is de motie. Dat is een andere vraag dan die de heer Heerma stelt.

De voorzitter:
Heel kort nog.

De heer Pieter Heerma (CDA):
Volgens mij heeft die onherroepelijke veroordeling te maken met het initiatief waar de ambtsvoorganger van de heer Koolmees mee begonnen is. Minister Asscher heeft er destijds een punt van gemaakt dat hij naming-and-shaming wil toepassen bij onherroepelijke veroordelingen. Volgens mij is dat niet hetzelfde als bij elke boete. Dat is destijds volgens mij één keer voorgekomen bij een bedrijf. Ik moet een beetje putten uit mijn geheugen. Zelfs in de rechtszaal gaf de ondernemer van dat bedrijf toen aan om welke discriminerende redenen hij bepaalde mensen niet in dienst wilde nemen. Dat ging toen om discriminatie van homo's. Volgens mij was dat de casus die toen speelde. De minister geeft nu aan: we maken het al zichtbaar. Alleen, dit gaat over dat initiatief van zijn ambtsvoorganger. Daar is jarenlang discussie over geweest: gebeurt het überhaupt wel? Ik vind het relevant om te weten of het gebeurt en, als het gebeurt, of het zichtbaar genoeg is.

Minister Koolmees:
Met het oog op de tijd: laten we dit schriftelijk doen. Een aantal onderwerpen dat nu de revue passeert ken ik niet precies. Mijn ambtsvoorganger, de heer Van 't Wout heeft dit gedaan. Ik weet het niet precies. Laten we dit gewoon even schriftelijk doen, ook voor de voorzitter.

De voorzitter:
Heel goed, we gaan naar de motie op stuk nr. 1056. Meneer Van Baarle, wat wilt u nog?

De heer Van Baarle (DENK):
Ik heb een vraag over mijn ontraden motie. Het is inderdaad een initiatief dat komt van de ambtsvoorganger van deze minister. Dat zegt de heer Heerma terecht. Er zijn in de afgelopen periode instanties geweest waarbij er sprake was van een veroordeling. We hebben met elkaar afgesproken dan naming-and-shaming toe te passen. Het punt is: ik zie het niet. Ik zie niet dat die naming-and-shaming toegepast wordt. Dus de vraag is: kan dat op een zichtbaardere manier, zodat we dat instrument ook effectiever inzetten? De minister heeft toegezegd daar schriftelijk op terug te komen. In die reactie zou ik ook graag willen vernemen hoe het dan op deze manier wordt gedaan en of dat zichtbaar genoeg is.

Minister Koolmees:
Dat neem ik mee in de reactie en de brief van de heer Heerma.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 1056.

Minister Koolmees:
De motie op stuk nr. 1056.

De voorzitter:
Of mevrouw Maatoug nog, kort, puntig.

Mevrouw Maatoug (GroenLinks):
Heel puntig, voorzitter, over motie op stuk nr. 1055. De minister had het over aanbesteding en specifieke taken. Wij willen de tekst aanpassen. Geeft de minister dan de motie oordeel Kamer?

Minister Koolmees:
Nee, want deze afbakening van contracting is echt heel erg ingewikkeld. Daar hebben we al een jaar of twee geleden een forse discussie over gehad in deze Kamer. Per motie zou ik dat echt niet doen. Dat zou ik echt ontraden. Als je dat wilt afbakenen, moet je langer praten over hoe je dat zou kunnen doen. Dus dat vind ik echt onverstandig.

De voorzitter:
Prima, dan gaan we naar de motie op stuk nr. 1056.

Mevrouw Maatoug (GroenLinks):
Voorzitter, mijn vraag is nog niet beantwoord.

Minister Koolmees:
Ja, dat klopt. Volgende week komt er een brief naar de Kamer over de stand van zaken rond herstelpakketten. Dat zeg ik ook in de richting van mevrouw Tielen. Dan zal ik ook ingaan op de stand van zaken ontwikkeladviezen en Nederland leert door en wat daar voor mogelijkheden zijn. De heer Smeulders heeft daar inderdaad vragen over gesteld in december.

De voorzitter:
Prima. De motie op stuk nr. 1056.

Minister Koolmees:
De motie op stuk nr. 1056 krijgt oordeel Kamer, met één opmerking. We zijn echt op zoek naar of het nog dit jaar lukt qua timing. De evaluatie loopt nu en we mikken wel op het einde van dit jaar. Volgens mij stond ergens in de motie "najaar", maar als ik iets meer ruimte krijg, is het oordeel Kamer.

Motie op stuk nr. 1057. Ik begrijp het verzoek van mevrouw Den Haan over perspectief voor 50-plussers. Het is een sympathiek onderwerp. Het actieplan loopt wel af en de vraag of dit doorgezet moet worden, vind ik typisch iets voor een formatie en een nieuw kabinet, omdat hier een natuurlijk moment ligt. Ik ben demissionair. Ik heb hier ook geen middelen voor. Dat vind ik echt iets om tijdens de formatie een knoop over door te hakken. Tegen die achtergrond wil ik haar ontraden.

Ik kom toe aan de motie van mevrouw Den Haan c.s., op stuk nr. 1058 waarin de regering voorts wordt verzocht om zich juist in de coronacrisis zich sterk te maken voor een inclusieve arbeidsmarkt. Dat doen we, zodat ik deze motie zie als ondersteuning van mijn beleid. Dat geldt ook voor het herstelpakket. Dus ondersteuning beleid/oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 1059 van de heer Heerma en de heer Van Weyenberg geef ik oordeel Kamer. Interessant dat een initiatief van mevrouw Van Brenk en beide heren hiermee een vervolg krijgt. Heel goed.

De laatste motie, die op stuk nr. 1060, is van de heer Van Kent en gaat over maaltijdbezorgers. Ik begrijp zijn verzoek en ik ben het ook met hem eens als het gaat over de aandacht daarvoor. In het vorige week verschenen jaarverslag hierover zie je ook dat er veel misstanden zijn. Daarom is er ook bij de Inspectie SZW een speciaal traject gestart, juist gericht op deze sector. Dat geeft al aan dat er extra aandacht voor deze sector is bij de Inspectie SZW. Daar wordt veel aan gedaan, wat ook te zien is in het jaarverslag. Dat gaat breder dan alleen maar toezicht: er wordt ook gewerkt aan de preventieve kant en er is aandacht voor de discussie over de webmodule en dat soort dingen. De motie is dus eigenlijk ondersteuning van beleid, want dat doen we al en daarmee is de motie overbodig.

De voorzitter:
Helder.

Minister Koolmees:
We doen het al, het verzoek is al gehonoreerd.

De heer Van Kent (SP):
Wat is het oordeel dan? Het verzoek is om daarop extra inspectiecapaciteit in te zetten en in het najaar de Kamer te laten weten wat het resultaat daarvan is.

Minister Koolmees:
Extra ten opzichte van wat? Want we hebben al extra capaciteit vrijgemaakt, juist omdat we een apart traject hebben gestart. Als u zegt dat er extra extra moet komen, dan moeten we daar natuurlijk wel geld voor hebben. Of ik moet ergens anders keuzes in maken om dingen weer ergens anders vandaan te halen. Zo werkt het natuurlijk wel.

De voorzitter:
En daarom is uw oordeel?

Minister Koolmees:
Laten we het ook makkelijk houden: oordeel Kamer.

De voorzitter:
Nou, meneer Van Kent, die heeft u in de binnenzak. Gefeliciteerd. Kijk, hij druipt meteen af, dat zijn de dingen die we willen! Mevrouw Den Haan nog kort en puntig.

Mevrouw Den Haan (Fractie Den Haan):
Ja, even over de motie op stuk nr. 1057: ik snap het antwoord van de minister, waarvoor dank, maar ik zou de motie dan graag willen aanhouden.

Minister Koolmees:
Dank u wel.

De voorzitter:
Op verzoek van mevrouw Den Haan stel ik voor haar motie (29544, nr. 1057) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:
Meneer Van Baarle nog?

Minister Koolmees:
De heer Van Kent was zeer tevreden met mijn oordeel Kamer.

De voorzitter:
Dat zijn we allemaal! De heer Van Baarle, aan u het laatste woord.

De heer Van Baarle (DENK):
Volgens mij had de minister zijn termijn inderdaad afgerond. Ik heb nog een vraag over de door de minister toegezegde schriftelijke reactie op mijn motie die is ontraden door de minister. Lukt het hem om dat de Kamer voor de stemmingen van volgende week te doen toekomen?

Minister Koolmees:
Dat hoop ik. Als dat niet lukt, wil ik u vriendelijk verzoeken om de motie even aan te houden tot die reactie binnen is. Het gaat inderdaad om de vraag hoe vaak dat voorkomt. We hebben er een jaar of twee uitgebreid naar gekeken, maar ik weet niet hoe vaak dat recent gebeurd is. We hebben het nog steeds heel druk, met een heleboel dingen tegelijkertijd, zoals de coronacrisis, steunpakketten en dat soort zaken. Dinsdag zijn de stemmingen?

De voorzitter:
Dinsdag, ja.

Minister Koolmees:
Als dat lukt, doen we dat. Zo niet, dan een vriendelijk verzoek om de motie aan te houden totdat die brief binnen is.

De heer Van Baarle (DENK):
Met de toezegging van de minister dat hij zijn best doet om die brief te sturen, wachten we dat af. Mocht de brief er niet zijn, dan houden we de motie even aan.

Minister Koolmees:
Maandag is het Pinksteren, zeg ik er even bij.

De voorzitter:
Ja, het is Pinksteren.

Minister Koolmees:
Ja, dat is ook qua timing ingewikkeld.

De voorzitter:
Dan kan natuurlijk wel de Heilige Geest indalen.

De heer Pieter Heerma (CDA):
Ik denk dat het heel goed is dat de heer Van Baarle hiernaar vraagt. Welke termijn is wel reëel? Als de minister zegt dat het sowieso binnen twee weken lukt, dan kan de heer Van Baarle, gegeven zijn bereidheid, de motie een week aanhouden. Dan weten we immers zeker dat we binnen twee weken een brief hebben.

Minister Koolmees:
Dat lijkt mij sowieso een verstandig idee; laat ik het zo zeggen. Het is nu donderdag. Maandag is het geen werkdag, want het is Pinksteren. Als u de motie aanhoudt tot een week later, dan durf ik wel toe te zeggen dat er een brief ligt. Ik denk dat dat van tevoren makkelijker en beter is.

De voorzitter:
Afrondend: puntig, kort.

De heer Van Baarle (DENK):
Een goede suggestie van de heer Heerma. Laten we zeggen dat we de motie aanhouden, waarna we het verzoek afwachten en kijken of de brief er is.

Minister Koolmees:
Ja.

De voorzitter:
Op verzoek van de heer Van Baarle stel ik voor zijn motie (29544, nr. 1049) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:
Was de vraag van mevrouw Maatoug beantwoord? Ja, die is beantwoord, duim omhoog.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
Ik dank de minister voor zijn aanwezigheid en voor zijn commentaar op de moties. Aanstaande dinsdag stemmen wij over de overgebleven twaalf moties. U allen bedankt.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Wijziging van de Wet milieubeheer

Wijziging van de Wet milieubeheer

Aan de orde is de behandeling van:

  • het wetsvoorstel Wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en ter uitvoering van het Klimaatakkoord (35626).

De voorzitter:
Een hartelijk woord van welkom aan de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat. Fijn dat u bij ons bent! Aan de orde is thans — het is een heel verhaal —- de Wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en ter uitvoering van het Klimaatakkoord, Kamerstuk 35626.

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:
We hebben elf sprekers van de zijde van de Kamer en dit debat is gezegend met maar liefst drie maidenspeeches. Ja, waar vind je dat? Nou, vandaag. Ik doe de felicitaties na afloop van de eerste termijn van de Kamer. Dan wordt het een grote receptie hier. Ik zeg dat ook even voor de medewerkers en de mensen met bloemen et cetera. De eerste maidenspeecher en tevens de eerste spreker is mevrouw Hagen van de fractie van D66. Ze doet meteen haar mondkapje voor. Zij heeft tien minuten voor haar tekst gevraagd. En daar gaan we eens even goed voor zitten! Het woord is aan haar.

Mevrouw Hagen (D66):
Voorzitter. Echt een prachtige dag, met drie maidenspeeches. Ik wens mijn collega's ook alvast heel veel succes. Het is echt een enorme eer.

Als klein meisje groeide ik op in een gezin waarbij het avondeten het belangrijkste moment van de dag was. Aan de keukentafel bespraken wij alles. Mijn moeder, juf, met een voorliefde voor alles wat leeft, groeit en bloeit, mijn vader, horecaondernemer, die in een ander leven ongetwijfeld advocaat was geweest, en mijn creatieve zusje, die de wereld aanschouwt als een schilderij.

Aan tafel was het moment voor aandacht voor elkaar. Eten, een keukentafel en vier personen met verschillende opvattingen. De regels aan tafel waren simpel. Naast eten met mes en vork mag je je mening verkondigen, mits je die onderbouwt. Als de gemoederen hoog oplopen, kun je weglopen, maar je komt altijd terug aan tafel. Je luistert en probeert je te verplaatsen in het standpunt van de ander, tot de discussie is uitgesproken en de gemoederen zijn gesust. Soms zaten we aan tafel tot diep in de nacht.

Luisteren naar elkaar en je mening onderbouwen zijn principes die niet alleen waardevol zijn aan de keukentafel, maar zeker ook in ons parlement. Het gaat om de uitwisseling van argumenten, het samen zoeken naar wat belangrijk is voor onze samenleving, naar beleid dat begrijpelijk is en waar draagvlak voor is. Draagvlak begint in elk debat in deze Kamer.

Of het nu gaat om mobiliteit en infrastructuur, een duurzame circulaire economie, een gezonde leefomgeving of het milieu. Het gaat erom dat wij Nederland beter achterlaten dan toen wij aantraden. En er is werk aan de winkel. Samen gaan wij ons land uit de crisis tillen, Nederland een perspectief bieden. We krabbelen op, maar we zijn nog niet terug uit deze crisis bij het oude normaal. Maar willen we wel helemaal terug? Als deze crisis ons iets kan leren, is het wel dat we anders moeten omgaan met onze omgeving, met mens, dier, natuur, onze aarde. Deze crisis biedt de unieke mogelijkheid om kritisch naar ons handelen te kijken.

Wat is er nodig voor een duurzame toekomst die we willen doorgeven aan onze kinderen? Marktbelangen en individueel geluk zijn niet absoluut. Breek verstikkende wetgeving open, zodat essentiële innovatie plaats kan vinden. Investeer in toekomstbestendige mobiliteit, een gezonde leefomgeving en een duurzame, circulaire economie. Alleen gezamenlijk, met respect voor onze aarde, gaan we het verschil maken. Het is tijd dat we ons met de kennis uit het verleden richten op de oplossingen. De lessen uit deze crisis liggen voor het oprapen. Natuurlijk, onze interpretaties kunnen verschillen, maar wij kunnen als Kamer de spelregels aanpassen aan de nieuwe realiteit. We zijn dus niet alleen tegenmacht, wij zijn evengoed de wetgevende macht. Wij hebben het mandaat gekregen, elk Kamerlid met een gezamenlijke verantwoordelijkheid.

Voorzitter. Goed omgaan met deze wereld ligt ook verankerd in deze wet. De beste stap zou zijn dat we onze mobiliteit en ons transport volledig elektrificeren, maar niet alles is direct te elektrificeren. Het is een ingewikkelde taak om niet te elektrificeren voertuigen, zoals in de lucht- en de scheepvaart, toch te verduurzamen. Daarom stappen we met deze wet tijdelijk over naar het gebruik van biomassa en daaruit voortvloeiende biobrandstoffen. Deze wet is dan ook een belangrijke stap in het verduurzamen van deze sectoren. Ik licht er drie onderwerpen uit: elektrificeren, de impact op ons landschap en de op- en afbouw van het gebruik van biobrandstoffen.

Elektrisch rijden is de toekomst. Maar in Nederland hebben wij een sterk verouderd wagenpark. Gemiddeld zijn Nederlandse auto's namelijk elf jaar oud. Deze wet zorgt ervoor dat de aanleg en de prijs van laadpalen aantrekkelijk is. Al wordt er op dorpsniveau soms nog gevochten om de laadpaal in de straat: nergens ter wereld vind je zo makkelijk een laadpaal als in Nederland. Een belangrijk succes, dankzij deze staatssecretaris. Ons land loopt hierdoor voorop op het gebied van elektrisch laden. Maar nu nog een elektrisch wagenpark. Biobrandstof is slechts een tussentijdse oplossing voor de transitie naar een volledig elektrisch Nederlands wagenpark. Daarom heb ik twee vragen. Hoe garandeert de staatssecretaris dat deze wet vooral de overgang naar elektrisch rijden voor personenvervoer stimuleert? Hoe kijkt de staatssecretaris aan tegen een dubbeltelling met een factor vier voor elektrisch rijden, de zogenaamde HBE? Staat de staatssecretaris ervoor open om het inboeken van 100% hernieuwbare elektriciteit praktisch mogelijk te maken via een rechtstreekse aansluiting?

Voorzitter. Op dit moment is er niet voor alle sectoren voldoende biobrandstof beschikbaar. Met deze verplichting bouwen we de vraag naar biobrandstof op, bij voorkeur natuurlijk met reststromen. Maar verplaatsen we het probleem daarmee niet naar de toekomst? Biobrandstof kan een grote impact hebben op belangrijk landschap, juist voor onze aarde. Alleen wanneer we strenge eisen aan biobrandstof stellen en we daarop toezien, kunnen we unieke landschappen zoals het regenwoud beschermen. Wanneer de vraag naar palm- en sojaolie stijgt, voor voedsel, maar ook voor biobrandstoffen, zal dat leiden tot het kappen van regenwoud om ruimte te maken voor de lucratieve palm- of sojaplantages. In de wetgeving noemen we dit indirect landgebruik, ook wel indirect land use change genoemd: ILUC. Ik dacht dat ik bij het onderwerp luchtvaart ongeveer alle afkortingen had gehad, maar ik geloof dat ik er met deze wet toch nog een aantal bij krijg. Palmolie valt op Europees niveau onder de ILUC-richtlijn, maar sojaolie niet. Ik heb daarom een amendement voorbereid, om wettelijk vast te leggen dat sojaolie niet bijgemengd mag worden, ook niet bij een toenemende vraag naar biobrandstof. Ik ben benieuwd naar de appreciatie van de staatssecretaris op dit amendement.

Er zijn daarnaast ook zorgen over PFAD, een restproduct van palmolie. Kan de staatssecretaris toelichten of er een risico is op indirect landgebruik bij PFAD?

Voorzitter. Ik roep het kabinet op: wees verstandig. Zet de schaarse biomassa in die sectoren in waar er geen alternatief is. Laten we niets opbouwen dat we niet kunnen afbouwen. Voor D66 is het duurzaamheidskader dat de staatssecretaris met haar collega's heeft opgesteld de leidraad. De staatssecretaris wil al deze afspraken uit het duurzaamheidskader vastleggen in een convenant. Wanneer kan de Kamer dit verwachten? Aanvullend zie ik daarbij graag een tijdlijn, een perspectief voor de afbouw van het gebruik van biomassa in de verschillende sectoren. Welke op- en afbouwstrategie van biomassa ziet de staatssecretaris in de transportsector?

Voorzitter. Ik ging van mijn keukentafel naar onze samenleving, onze aarde en onze Tweede Kamer. Laten we hier, in deze Kamer, beginnen met naar elkaar te luisteren, zoals aan de keukentafel van mijn ouderlijk huis, in een open debat, waarin we niet op zoek gaan naar de verschillen, maar naar wat ons verbindt. Laten we de harde lessen leren van het jaar dat achter ons ligt, en daarmee de weg vinden uit de crisis voor de wereld van morgen.

(Geroffel op de bankjes)

De voorzitter:
Dank u wel. U krijgt een welgemeende roffel van uw collega's. Dat was een mooi verhaal. De vergelijking tussen uw huisgezin en de Tweede Kamer gaat misschien hier en daar wat mank, maar dat gaat u nog wel ervaren. Heel mooi. In ieder geval van harte gefeliciteerd. Straks kunnen de collega's en de medewerkers u feliciteren. Dank u wel.

De tweede maidenspeech van vandaag is die van mevrouw Bouchallikh van de fractie van GroenLinks. Het woord is aan haar. Zij heeft eveneens tien minuten spreektijd aangevraagd.

Mevrouw Bouchallikh (GroenLinks):
Voorzitter. Het is een eer en een verantwoordelijkheid om hier te staan, om verkozen te worden, om te vertegenwoordigen, om dingen te fiksen. Maar het voelt ook vreemd om hier te staan, ongemakkelijk. Want met dit hart van onze democratie klopt iets niet. Hoewel dit parlement het hele Nederlandse volk vertegenwoordigt, is het niet vanzelfsprekend dat ook ík hier sta vandaag. "Je bent een wolf in schaapskleren", kreeg ik te horen. "Een bedreiging voor de rechtsstaat", werd over mij geschreven. Mij wordt keer op keer gezegd: jij hoort hier niet.

Dat overkomt niet alleen mij. Structureel en institutioneel is de ánder het probleem, in deze zaal, in de Kamer en in de samenleving. Dit uitsluiten gebeurt al generaties lang. Ik ben ermee opgegroeid en mijn broertje weet ook niet beter. De dag voor de verkiezingen zag hij mij een debat kijken. Hij wierp een blik op het beeldscherm en zag daar Rutte en Wilders aan het woord. Weet u wat mijn broertje mij toen vroeg? Hij vroeg mij of de meneren weer zeggen dat wij weg moeten. Mijn broertje is 11. Tegen hem, tegen mij en tegen vele Nederlanders wordt al heel lang gezegd, herhaald en nog eens herhaald, dat we ons maar moeten invechten, aanpassen en dankbaar moeten zijn. We moeten niet zo zeuren, harder werken, netjes praten, de geschiedenis laten voor wat die is en tradities vooral niet bevragen. Het moet allemaal gezellig blijven. Normaal doen. Je mag blij zijn dat je hier bent geboren, want daar is het erger. Mondje dicht. Op je tenen lopen, maar niet in die sneakers en niet met die broek aan. Haal je handen uit je zak, maar steek geen vuist in de lucht. Wees gewoon níét.

Wat vertel ik mijn broertje? Wat zijn we in hemelsnaam aan het doen? Met dit land, met elkaar. Hoe kan ík iets veranderen en bijdragen als ik er eigenlijk niet mag zijn? Waar stap ik dan in? Ik heb niet alle antwoorden. Het is vallen en opstaan. Maar wat ik wel kan zeggen is dat deze plek van en voor iederéén is. Dat zou het moeten zijn, maar veel te veel Nederlanders vragen zich elke dag af: wíé mogen zijn, wíé mogen doen en wíé mogen meepraten en meebeslissen? Maar ook: wie niet? Op school, op straat en op kantoor, in de media, aan directietafels en binnen instituties: wie bepalen de woorden die de werkelijkheid vormen? En wie niet?

Zo zou de klimaatcrisis wel meevallen, en moeten we vooral niet zo zeuren en klagen. Zo snel hoeft het toch allemaal niet? Wat een onzin. Wereldwijd staan jongeren op. Want waarom naar school gaan als de wereld in de fik staat? Te veel mensen doen alsof dat niet zo is. Te vaak zijn in deze zaal en hierbuiten problemen kleiner gemaakt, terwijl verantwoordelijkheid genomen had moeten worden.

Ik maak deel uit van een generatie die is opgegroeid in crisis, een generatie die niet de luxe heeft om weg te kijken van problemen, maar daarmee moet dealen. We hebben geleerd dat alle vormen van onrecht met elkaar zijn verbonden en dat we ons vooral niet tegen elkaar moeten laten uitspelen. Dus staan we op, samen. Tegen uitsluiting. Tegen de klimaatcrisis. Tegen ongelijkheid. Voor een eerlijke samenleving, waarin we niets onbesproken laten en we elkaar vasthouden, ruimte geven en opvangen, waarin we er voor elkaar zijn, ook als het veel van ons vraagt en waarin we eerlijk zijn, ook als het ingewikkeld is. Of het nou over biobrandstof gaat, zoals vandaag, over de klimaatcrisis, die ons allemaal aangaat, of over de toekomst die we delen op deze kwetsbare aarde, het hangt allemaal met elkaar samen.

Vaak denk ik aan de Britse Ella. Ze werd maar 9. Ella woonde aan een drukke straat en daar bleek jarenlang constant de limiet voor de luchtverontreiniging te zijn overschreden. Na gerechtelijk onderzoek werd dat mede erkend als haar doodsoorzaak. Het duurde veels te lang voordat dit gebeurde, omdat haar moeder er tussen het rouwen door keihard voor moest knokken. Drie keer raden wie er relatief vaak in dit soort wijken wonen, omdat de woningen daar goedkoper zijn. Wie je bent, hoe je eruitziet en hoe dik je portemonnee is, dat doet ertoe, ook in Nederland. Sinds het astmapatiëntje Noëlle verhuisde, belandde ze drie keer op de intensive care. Haar longarts ziet een verband met haar leefomgeving. Noëlle is 6. Ze woont in een dorp bij de Rotterdamse haven.

Ik ben steeds meer gaan inzien hoe de klimaatcrisis bestaande ongelijkheid vergroot, hoe belangrijk klimaatrechtvaardigheid is, hoe belangrijk rechtvaardigheid is, ook als het gaat om biobrandstoffen. Het kan toch niet zo zijn dat elders gezinnen met minder geld het recht op voedsel wordt ontnomen omdat wij hier eten in de tank gaan gooien? Als we palmolie, soja of mais laten verbouwen voor biobrandstoffen, dan drijft dat de prijzen van voedsel op. Er worden ook nog bossen en wouden kapotgemaakt voor landbouwgrond. En te vaak is dat ook nog land dat geroofd is.

Gelukkig beginnen we elkaar steeds meer te vinden voor echte verandering en is er een brede beweging aan het ontstaan met het besef en de ervaring dat winst tegen de ene vorm van onrecht en uitsluiting, winst is voor ons allemaal. Want we zijn dan wel de generatie van de crisis, maar we zijn ook de generatie van beweging en verbinding. Wereldwijd staan we op, in de voetstappen van allen die ons zijn voorgegaan, van allen die durfden te dromen, te doen en te zijn. Dat kan alleen als we problemen niet negeren en wegschuiven naar de ander, naar de toekomt. Dat kan alleen als we problemen onder ogen durven te zien en verantwoordelijkheid durven te nemen: hier en nu. Dat is waar het om zou moeten gaan. Zodat we een intersectionele strijd voeren, er voor elkaar zijn, ook als het veel van ons vraagt. Zodat we eerlijk zijn, ook als het ingewikkeld is. Misschien vooral dan.

Het zou moeten gaan over hoe iedereen van waarde is en vrij zou moeten zijn. Vrij van de zorgen over de toekomst. Vrij om vooral níét normaal te zijn. Vrij om elkaar te laten zijn, ook als het moeilijk is, ook als het zoeken is. Vallen en opstaan, samen. Voor de planeet en al wat leeft. Voor elkaar. Voor onszelf. Voor mijn broertje. Voor het jouwe. Voor Ella. Voor Noëlle. Voor onze toekomst. Voor hoop boven haat, van de Kamer tot de straat.

Dank u wel.

(Geroffel op de bankjes)

De voorzitter:
Dank u wel. Een mooi persoonlijk verhaal. Zo moet een maidenspeech zijn. Ook aan uw adres de felicitaties. Aan het eind van de eerste termijn schors ik voor de felicitaties door de medewerkers en de collega's. Het woord is thans aan de heer Van Raan van de fractie van de Partij voor de Dieren.

De heer Van Raan (PvdD):
Voorzitter. Ik feliciteer de sprekers met hun mooie maidenspeeches. Aan de ene kant zagen we de logica van de keukentafel naar deze Kamer, wat ook heel logisch klonk. Aan de andere kant zagen we dat het helemaal niet zo logisch is om hier te zijn. Ik zou willen zeggen dat we dat laatste moeten erkennen: het is niet logisch. We zullen ervoor blijven strijden dat het voor iedereen logisch wordt om hier te kunnen staan. Dat vind ik het mooie van deze twee maidenspeeches. Dank daarvoor.

Voorzitter. Er werd ook gezegd dat het wel gezellig moet blijven. Ik weet niet of dat gaat lukken nadat ik klaar ben.

De voorzitter:
U kunt het wel.

De heer Van Raan (PvdD):
Ja, we gaan het proberen. Gisteren kregen wij de jaarlijkse Monitor Brede Welvaart. Dat is ons gezamenlijke instrument om te meten hoe het is gesteld met onze welvaart in brede zin, niet alleen in het hier en nu, maar ook met onze brede welvaart later. Het gaat ook over de vraag hoe we volgende generaties in staat stellen ook welvaart te bereiken en over de vraag hoe onze manier van leven, onze voetafdruk, samenlevingen elders treft. Helaas wordt de trend vanuit vorige jaren doorgezet. De eerste voorzichtige conclusie is dat we in het hier en nu, in Nederland, de welvaart in stand houden door in te teren op het later en het elders; goede intenties ten spijt. We geven op het gebied van biodiversiteit, klimaatmaatregelen, gelijkheid en natuurlijk kapitaal helemaal geen betere wereld door op dit moment. We horen in deze Kamer zo vaak "als we de wereld mooi door willen geven" en "als we Parijs willen halen", maar de Monitor Brede Welvaart van dit jaar geeft aan dat het op deze manier niet gaat lukken.

Voorzitter. Wetten dienen ook beoordeeld te worden op de brede welvaart en op de verwachte gevolgen voor later en elders. Dat hebben we afgesproken in deze Kamer. Voor ons ligt een wijziging van de Wet milieubeheer, een belangrijke wet in het kader van duurzaamheid. Daarom moeten we de wijzigingen beoordelen op de mate waarin ze echt bijdragen aan het verduurzamen van vervoer in het perspectief van die brede welvaart. Omdat dit zo'n belangrijke opgave is en omdat de Monitor Brede Welvaart zo duidelijk aangeeft dat het niet de goede kant opgaat, heeft de Partij voor de Dieren dan ook grote moeite met het feit dat door deze wijziging voedsel en voedergewassen dadelijk in de tank van de auto, het vliegtuig of het schip belanden. Om voldoende biobrandstof tot onze beschikking te hebben, moeten we dadelijk containers over de wereld laten varen gevuld met voedselresten, olie op plantaardige basis, frituurvet of zelfs dierlijke vetten. Hoe is het volgens de staatssecretaris duurzaam om frituurvet, voedsel en voedergewassen te verschepen om deze vervolgens hier te verbranden als biobrandstof? Hier dreigt een herhaling van het biomassadrama bij de opwekking van energie. Is de staatssecretaris het ermee eens dat die risico's hier levensgroot aanwezig zijn? Graag een reactie.

Voorzitter. Ik ga door met het effect van deze wet elders. De wet laat op dit moment veel te veel open op het gebied van risico's als gevolg van indirecte verandering van landgebruik. Collega Hagen wees al op ILUC, namelijk dat de toegenomen vraag naar biobrandstoffen een groter beslag legt op landgebruik, terwijl dat land eigenlijk bedoeld is voor voedselgewassen.

Voorzitter. Dat palmolie is uitgesloten is een mooie eerste stap, maar waarom hoor ik geen woord over de residuen van palmolie, de zogenaamde PFAD's, de Palm Fatty Acid Distillates, de bijproducten? Die worden met deze wet zo belangrijk dat het middel ook hier, net als bij de biomassaverbranding voor energieopwekking, erger wordt dan de kwaal. Het middel is erger dan de kwaal. Deelt de staatssecretaris onze zorgen dat palmolie dadelijk omgekat kan worden tot bruikbare biobrandstof?

Ook sojaolie is niet bij voorbaat uitgesloten in deze wet. De staatssecretaris zegt dat sojaolie niet gebruikt gaat worden. Dat is conform het Klimaatakkoord. Ze slaat daarin weer die heilloze weg van convenanten in. Gisteren zagen wij bijvoorbeeld dat het convenant voor verminderd suikergebruik helemaal niet leidt tot minder suikergebruik. Als je over vijftien tot twintig jaar het woord "convenant" opzoekt in het woordenboek, denk ik dat je dan woord "ecocide" ziet staan in plaats van "we hebben samen wat bereikt voor duurzaamheid". Op deze manier blijft toch de optie bestaan om sojaolie toe te voegen; mijn waardering dus voor collega Hagen die hierover een amendement heeft ingediend. Wij zullen dat steunen.

Voorzitter. Onderzoek wijst uit dat het gebruik van voedsel en voedergewassen voor biobrandstof gemiddeld meer CO2 uitstoot dan het gebruik van fossiele brandstof. En tóch wordt het hier als een duurzamere optie gepresenteerd. We hebben het dus over een toename van de uitstoot en niet over een vermindering. Wordt er bij deze wetgeving rekening gehouden met de externe effecten van het gebruik van biobrandstof op plantbasis? Eergisteren is er een motie aangenomen waarin staat dat je ook moet gaan meten wat de uitstoot van biomassa is. Is de staatssecretaris ook bereid om dat voor deze wet te doen? Ik neem aan van wel. Kan zij ook toezeggen dat geen enkele vorm van houtige biomassa wordt toegestaan voor het gebruik van biobrandstoffen?

Voorzitter, tot slot. Mijn fractie had graag gezien dat deze wetswijziging een lijst van grondstoffen en materialen zou bevatten die gebruikt zouden mogen worden voor biobrandstof, zodat we hier niet op een ministeriële regeling hoeven te wachten. Kan de staatssecretaris toezeggen dat een dergelijke ministeriële regeling met die lijst van toegestane brandstoffen besproken wordt in de Kamer, wellicht via een voorhangprocedure? Dan kan de Kamer meekijken en komt ze niet voor verrassingen te staan. Zo niet, dan overweeg ik een motie op dit punt.

Voorzitter, nu sluit ik echt af. Als men bij een tankstation een broodje koopt en eet, dan is dat logisch, maar dat het de tank in gaat, is dat geheel en al niet. Daarom onze oproep: voedsel hoort niet in de tank!

Dank u wel.

De voorzitter:
Voedsel hoort niet in de tank, oké. Dan de heer De Hoop van de fractie van de Partij van de Arbeid. Hij heeft vijf minuten spreektijd.

De heer De Hoop (PvdA):
Dank, voorzitter. Voordat ik begin ook mijn felicitaties aan de collega's Hagen en Bouchallikh. Twee mooie, persoonlijke verhalen, die ook lieten zien wat er in een huiskamer speelde. Ik denk dat we allemaal weten dat mevrouw Bouchallikh behoorlijk wat over zich heen heeft gehad. Laat ik u zeggen dat u hier meer dan thuishoort en dat u een prachtige maidenspeech had.

Voorzitter. We willen in dit land al zijn pracht doorgeven aan onze kinderen. Zij verdienen een leefbare planeet die niet bedreigd wordt door het opwarmen van de aarde. Met de Klimaatwet en de ondertekening van het Klimaatakkoord ligt er een enorme opgave voor de mobiliteitssector. De inzet van biobrandstoffen kan hierin een tijdelijke rol spelen, zolang die ook echt duurzaam is. We weten dat duurzame biobrandstoffen beperkt beschikbaar zijn, dus dat vergt een zorgvuldige afweging over de manier waarop we die inzetten. Niet voor niets is er in het Klimaatakkoord afgesproken om een consistent kader te ontwikkelen voor de inzet van biomassa.

Dat kader van de SER ligt er nu. Dat vraagt om een herijking van de rol van biomassa in de economie, waarbij hoogwaardige toepassingen, bijvoorbeeld in de chemische industrie, gestimuleerd moeten worden en laagwaardige toepassingen afgebouwd moeten worden. Een typische laagwaardige toepassing die wordt genoemd, is bijmenging in brandstof voor lichte wegvoertuigen. Voor zwaarder transport, waarvoor minder alternatieven voorhanden zijn, ziet de SER daarentegen wel een rol weggelegd voor biobrandstoffen als transitiemiddel.

Hierover heb ik een aantal vragen. Hoe is het duurzaamheidskader meegenomen in het voorliggende wetsvoorstel en het onderliggende ontwerp-Besluit energie vervoer? Waarom wordt er ook voor lichtere voertuigen gekozen voor extra inzet van biobrandstoffen, hoewel we dit volgens het duurzaamheidskader moeten afbouwen? Ik wil de staatssecretaris dan ook vragen om te reflecteren op de hoeveelheid biogrondstoffen die we met dit wetsvoorstel maar ook met de voorgenomen bijmengingsplicht in de luchtvaart gebruiken, in verhouding tot de hoeveelheid waar wij als Nederland redelijkerwijs een beroep op kunnen doen. Is de staatssecretaris ook bereid om een impactassessment uit te voeren voor de vaststelling van de hoogte van de jaarverplichting, waarbij de toename van de vraag naar biostoffen in kaart wordt gebracht?

Laten we stoppen met het voedsel in onze tanks gooien. Biobrandstoffen gemaakt van voedsel en voedergewassen leiden tot ontbossing en gebruik van schaarse grond. Het is goed dat in dit ontwerp-Besluit energie vervoer de hoeveelheid conventionele biobrandstoffen van 22 als limiet wordt vastgesteld. Maar met de huidige plannen blijft er inzet mogelijk tot 2030. Waarom is er niet gekozen voor een afbouw? Doen we wel het maximale? De percentages hiervoor worden geregeld in het Besluit energie vervoer. Krijgt de Kamer nog de kans op hierop te reageren middels een voorhangprocedure?

Een van de opties die we hebben om de mobiliteitssector te verduurzamen is de inzet van groene waterstof. Ik zie een interruptie, voorzitter.

De voorzitter:
Maak maar even uw punt af.

De heer De Hoop (PvdA):
Prima, hoor. Groene waterstof, met name voor het zwaardere vervoer. Daarom is het belangrijk dat dit wetsvoorstel en het onderliggende besluit er ook op toezien dat de markt voor groene waterstof in het verkeer zich kan ontwikkelen.

De heer Madlener (PVV):
Ik ben blij met het kritische geluid van de Partij van de Arbeidfractie over biobrandstoffen, want biobrandstoffen — we weten dat — vernietigen oerwouden, en dat willen we niet. En het concurreert met de voedselvoorziening. Het is alleen jammer dat de PvdA-fractie in het Europees Parlement juist ingestemd heeft met en gezorgd heeft voor het extra gebruik van biobrandstoffen. Dus waarom hoor ik dit geluid nu van u, terwijl uw collega's in het Europees Parlement meewerken aan de verplichting voor Nederland om meer biobrandstof te gebruiken?

De heer De Hoop (PvdA):
Voor de duidelijkheid aan de heer Madlener: de PvdA is niet tegen het gebruik van biobrandstof als tussenoplossing. Zo ziet de Europese Unie het ook. Maar die tussenoplossingen moeten wel echt duurzaam zijn. Dan denk ik dus niet aan voedsel en voedergewassen, die de heer Madlener ook noemt. Als dat op een juiste manier ingezet kan worden, en er voor zwaarder vervoer, zoals vrachtwagens, bijvoorbeeld groene waterstof gebruikt wordt, is het volgens mij efficiënt om het wel als tussenoplossing te gebruiken.

De heer Madlener (PVV):
Er komen nu een hoop alsen, mitsen en maren, maar dat is niet de realiteit. De realiteit is dat biobrandstof vandaag de dag zorgt voor ontbossing, voor branden in oerwouden en voor vernietiging van een hoop leefmilieus. Dat weet u. Dat weet iedereen. Je hoeft maar even op Google te kijken en je ziet het. En het neemt almaar toe. Het Europees Parlement dwingt ons nu om dit meer te gaan inzetten. U zegt: ja, als het sustainable is, moet dat kunnen. Maar dat is niet zo. Dus waarom stelt u geen harde eisen en zegt u niet: stop met alle niet-sustainable bio-olie?

De heer De Hoop (PvdA):
Als de heer Madlener goed naar mijn bijdrage heeft geluisterd, weet hij dat ik kritische vragen hierover aan de staatssecretaris heb gesteld. Ik heb haar ook opgeroepen om te kijken naar afbouw van de biobrandstoffen. Tegelijkertijd is het wel eerlijk om te zeggen ze bij de tussenoplossing van de transitie nog wel een rol kunnen spelen. Dus dat is mijn antwoord op de vraag van de heer Madlener.

De voorzitter:
Dank u wel. De heer Van Raan nog op dit punt.

De heer Van Raan (PvdD):
De collega noemt het een tussenoplossing. Ik heb drie vragen daarover. Is de collega het met mij eens dat die tussenoplossing er komt omdat de industrie veel te lang getreuzeld heeft? Is de collega het met mij eens dat die tussenoplossing wel degelijk CO2 uitstoot maar dat die niet gemeten wordt volgens een boekhoudkundige truc van Europa? Is de collega het verder met de Partij voor de Dieren eens dat de lijst van toegestane biobrandstoffen, afgeleid van bijlage 9a van de Europese richtlijn, wel degelijk eerst naar de Kamer moet komen om te beoordelen of de minister de juiste vertaling maakt van de lijst?

De heer De Hoop (PvdA):
Punt één erken ik helemaal. Het laatste punt ook: ik ben het ermee eens dat het echt naar de Kamer toe moet. In mijn bijdrage ben ik ook tamelijk kritisch hierover en zie ik het echt concreet als tussenoplossing voor de punten waar het niet grootschalig is en waarbij je voedsel niet gebruikt. Ik verwijs de collega's hiervoor ook naar mijn bijdrage van zo-even.

De heer Van Raan (PvdD):
Over punt twee: collega De Hoop weet denk ik net zo goed als iedereen, dat de uitstoot van biobrandstof nu niet gemeten wordt vanwege een boekhoudkundige truc, terwijl steeds duidelijker wordt dat er wel degelijk CO2-uitstoot bij betrokken is. We gaan het ook meten dankzij een motie die in deze Kamer is aangenomen. Als dat uit die meting komt, hoe staat de heer De Hoop dan tegenover die oplossing?

De heer De Hoop (PvdA):
Ik kijk er heel kritisch naar. Daarom heb ik de staatssecretaris ook gevraagd om er in het kader van een assessment naar te kijken. Ik kijk er dus heel kritisch naar. Laat ik gewoon zeggen dat ik de problemen die de heer Van Raan schetst, erken en dat wij er als fractie heel kritisch naar kijken.

Met uw welnemen, ga ik verder met mijn betoog, voorzitter. Ik had het over de groene waterstof. Wij vinden het belangrijk dat dit wetsvoorstel en onderliggend besluit er ook op toezien dat de markt voor groene waterstof in het verkeer zich kan ontwikkelen. Ik krijg signalen dat dit met de huidige plannen nog niet helemaal het geval is, bijvoorbeeld omdat groene waterstof per se afkomstig moet zijn van nieuwe wind- en zonneparken. Is de staatssecretaris het eens met de Partij van de Arbeid dat we de innovatie met betrekking tot groene waterstof in het verkeer moeten stimuleren en dat het voorliggende wetsvoorstel daar een belangrijke rol in speelt? Is zij bereid om de inzet van groene waterstof te stimuleren voor voertuigen waarvoor deze energiedrager veelbelovend is en daarvoor de nodige aanpassingen te maken in het besluit Energie vervoer?

Dank.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan de heer Geurts van de fractie van het CDA, die ons ook heeft opgevrolijkt met een amendement.

De heer Geurts (CDA):
Voorzitter. Ik wil me ook aansluiten bij alle felicitaties die uitgegaan zijn naar de mensen die hun maidenspeech hebben gehouden. Het geeft altijd een mooie inkijk in de persoonlijke drijfveren van mijn collega's.

We bespreken vandaag Europese regelgeving die doorgevoerd moet gaan worden in nationale wetgeving. Mijn ervaring leert dat dan de ruimte van de Kamer beperkt is om zo'n voorstel nog fundamenteel aan te passen. Wat ik ook zag, is dat er nog veel invulling zal geschieden met lagere wetgeving en dat we vandaag dus met name spreken over een juridisch geraamte. Maar dat betekent niet dat de CDA-fractie geen vragen meer zou hebben bij dit wetsvoorstel.

De Richtlijn hernieuwbare energie heeft ten doel de inzet van energie uit hernieuwbare bronnen in het bruto-eindverbruik van de energie te vergroten. Dat is op zichzelf een nobel streven. Het moet echter voor de praktijk ook wel goed uitvoerbaar zijn. Vanuit het veld krijg ik verschillende berichten dat de besluiten die met dit wetsvoorstel samenhangen tot grotere problemen kunnen leiden. Dat heeft dus niet zozeer te maken met het juridische geraamte dat vandaag besproken wordt, maar het heeft er wel zeer veel samenhang mee. Want ik begrijp dat het concept-Besluit energie vervoer en de Regeling energie vervoer verdergaan en beperkender zijn dan wat de Europese Commissie vereist.

Een voorbeeld van de zorgen die op mij afkwamen, is dat de groene hernieuwbare waterstof, gemaakt van energie uit bestaande wind- en zonneparken, niet in aanmerking zal komen voor de HBE's, de hernieuwbare brandstofeenheden. Bovendien zouden deze in hetzelfde jaar als de elektrolyser opgeleverd moeten worden. Ik heb een aantal vragen aan de staatssecretaris. Klopt het dat dit uitsluitend een Nederlandse keuze is en geen verplichting vanuit die Europese richtlijn? Waarom wordt deze keuze dan door de regering gemaakt? Wordt duurzame waterstof hiermee namelijk niet de facto uitgesloten? Klopt het voorts dat men geen HBE's, hernieuwbare brandstofeenheden, krijgt voor groene waterstof indien deze is geproduceerd met door SDE++ gesubsidieerde groene elektronen? Zou dit niet de facto alle opwek uit zon en wind op land uitsluiten, zo vraag ik me af. Daarom leg ik die vraag maar eens neer bij de staatssecretaris. Ik vraag me namelijk af waarom de regering deze keuzes maakt. Graag een reactie. Indien men er immers toch geen HBE's voor kan krijgen, is het voor marktpartijen ook niet zinvol om waterstof uit duurzame elektriciteit te gaan maken, denk ik. Als je die lijn op die manier kunt doortrekken, zou dat groene waterstof op de markt geen enkele kans meer geven. Graag ook een reflectie van de staatssecretaris daarop, om mijn zorgen op dat punt weg te nemen.

Voorzitter. Een belangrijk element in deze wetgeving is dat fraude tegengegaan moet worden. Ik begrijp dat het toezicht mogelijk uitgebreid kan worden. Uit de nota naar aanleiding van het verslag begrijp ik dat de staatssecretaris zich in Europees verband inzet om het publieke toezicht uit te breiden. Kan de staatssecretaris aangeven hoe publiek en privaat toezicht handen en voeten zullen krijgen door dit wetsvoorstel? Zou de staatssecretaris dat ook met een aantal actuele voorbeelden kunnen toelichten?

Voorzitter. In de nota naar aanleiding van het verslag heeft mijn fractie vragen gesteld over de definitieve hoogte van de limiet op voedsel en voedergewassen. Mijn fractie vroeg of de impact als gevolg van de coronacrisis hierin meegenomen zal worden. De staatssecretaris schreef in het verslag dat dit medio maart bekend zou zijn. Ik heb het nergens kunnen vinden, dus dan ga ik het maar vragen aan de staatssecretaris: is dit inmiddels al bekend? Hoe wordt dit verder meegenomen en meegewogen in het Besluit energie vervoer? Graag ook hierop een reactie.

Voorzitter. Dan een laatste punt. Ik zie dat dit wetsvoorstel geen algehele evaluatiebepaling heeft. Dat bracht bij mij de vraag op of het niet zinvol is om de impact van dit wetsvoorstel en de besluiten die er allemaal uit komen, waaraan ik eerder refereerde, te gaan evalueren. Dat zou je na een jaar kunnen doen, maar ik denk dat er dan nog weinig te evalueren valt. Ik heb dus een amendement ingediend met een evaluatietermijn van drie jaar. Ik hoor daar graag de reactie van de staatssecretaris op.

Afsluitend een vraag met betrekking tot de laadinfrastructuur voor elektrische auto's. Ik vraag me af hoe die hernieuwbare brandstofeenheden investeringen in laadpalen kunnen helpen, met name in het mkb en bij huishoudens. Als ik me namelijk goed heb laten informeren, zal het huidige wetsvoorstel alleen grotere laadpunten, de zogenaamde snellaadstations, vooruithelpen. Dat roept een aantal vragen bij mij op. Wat doet het kabinet aan het stimuleren van kleine laadpunten en het tegengaan van ongelijke concurrentie tussen het mkb en grootbedrijven op dit punt? Laadpunten en parkeergarages bij winkels of bij taxibedrijven hebben weinig aan de voorgestelde HBE, omdat deze meestal geen laadpalen hebben met een eigen netaansluiting. Dat fenomeen zien we nu ook al bij de bestaande vrijstelling van laadpalen voor de energiebelasting. Ook op dit punt graag een reflectie van de staatssecretaris.

De voorzitter:
Dank u wel. Uw amendement heeft stuk nr. 13 gekregen.

Dan gaan we luisteren naar de heer Grinwis van de fractie van de ChristenUnie. Hij kijkt wat verschrikt op, maar het is toch echt zijn beurt.

Qua spoorboekje even het volgende. We hebben nog een paar sprekers te gaan in de eerste termijn. Daarna hebben we de felicitaties, met bloemen et cetera. Ik wilde bijna zeggen "en zoenen", maar dat moeten we maar niet doen. Daarna ga ik schorsen voor de lunch. Dan hebben we allerlei stemmingen, waaronder hoofdelijke stemmingen, die lang duren. Dus voordat we naar de staatssecretaris gaan luisteren, is het wel weer even wat later. De heer Grinwis.

De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dank, voorzitter, ook voor dit spoorboekje. Allereerst felicitaties aan de collega's Hagen en Bouchallikht voor hun maidenspeeches: recht uit het hart, op deze plek van en voor iedereen.

Voorzitter. Zo goed en zo kwaad als dat gaat proberen we de broeikasgasemissies terug te dringen ten opzichte van 1990, dat voor het klimaat al sinds jaar en dag als een soort basisjaar fungeert. Wanneer je een blik werpt op de verschillende sectoren, kun je constateren dat het langzaam maar zeker de goede kant op gaat met de uitstoot en de opwek van elektriciteit in de industrie, in de gebouwde omgeving en in de landbouw. Natuurlijk, we moeten naar nul, we zijn er nog lang niet en het gaat niet snel genoeg, maar in die sectoren van onze economie zetten we stappen.

Voorzitter. Echter houdt één sector moedig stand of, beter gezegd, brutaal stand. Die komt geen megatonnetje van z'n plaats en stoot ten opzichte van 1990 geen grammetje CO2 minder uit. Dat is de sector mobiliteit. Wat we ook aan capriolen hebben uitgehaald, van het stimuleren van de fiets tot het subsidiëren van soms erg lelijke hybrides, niets hielp. De aanvankelijke winst van "schoner en zuiniger" werd dan bijvoorbeeld weer tenietgedaan door "groter en zwaarder". Verplaatsten we ons voorheen nog bescheiden in een Panda, Starlet of Polo, tegenwoordig zijn het maar al te vaak dikke SUV's, met als resultaat dat de sector mobiliteit ons klimaatprobleem dagelijks nog net zo veel groter maakt als in 1990.

Voorzitter. Eigenlijk zeg ik het dan nog niet goed. Als je luchtvaart en zeescheepvaart mee zou nemen — die zijn de afgelopen decennia flink gegroeid — dan verdubbelt de CO2-uitstoot van de sector mobiliteit nog eens. Mochten we door de coronacrisis even de hoop hebben gekoesterd dat we meer thuis zouden gaan werken en minder CO2 zouden gaan uitstoten, dan hebben berichten als "Stormloop op vliegvakanties" ons de afgelopen week weer de moed in de schoenen laten zakken als het gaat om een snelle afname van broeikasgasemissies van al ons rusteloos verplaatsen.

Het goede nieuws is dat dit wetsvoorstel probeert daar wat aan te doen, alhoewel het veel beter zou zijn als er een Europese verordening zou zijn die de nieuwverkoop van fossiele auto's in bijvoorbeeld 2025 of 2030 onmogelijk maakt. Mijn vraag aan de staatssecretaris is hoe het eigenlijk staat met de aanscherping van het bronbeleid en het uitfaseren van nieuwverkoop van fossiele bolides. Ik neem aan dat er in het kader van de uitwerking van de Green Deal toch wel een concreet jaartal op tafel komt te liggen in Europa. Graag een reactie.

Het slechte nieuws bij dit wetsvoorstel: wat een kloof tussen theorie en praktijk hebben we toch met elkaar gecreëerd als het gaat om duurzame mobiliteit en de introductie van hernieuwbare brandstoffen. Bij de voorbereiding op dit debat schrok ik namelijk van de boekhoudkundige werkelijkheid die bestaat rondom het inboeken van hernieuwbare brandstoffen, HBE's genaamd. Volgens de inspectie en de Nederlandse Emissieautoriteit wordt er namelijk gesjoemeld met brandstofmonsters, waarin veel minder biobrandstof zou zitten dan opgegeven. Als zoiets bij mesttransporten gebeurt, noemen we het mestfraude. Dat beter en intensiever toezicht nodig is, is dan ook evident. Het is goed om te zien dat in dit wetsvoorstel de bevoegdheden van de Nederlandse Emissieautoriteit worden uitgebreid. Vertrouwen in bedrijven is belangrijk, maar we moeten nooit de aloude Nederlandse wijsheid "de gelegenheid maakt de dief" vergeten.

Voorzitter. Er is een opmerkelijk onderscheid tussen de mate waarin biobrandstoffen worden ingeboekt in het Register Energie voor Vervoer, het REV, namelijk vrijwel 100%, en de mate waarin elektriciteit wordt ingeboekt, namelijk 47%. Dat is te verklaren uit het feit dat de markt voor elektrisch vervoer veel kleinschaliger is georganiseerd. Voertuigen worden vaak thuis of op het werk opgeladen en het is een enorme opgave voor kleine leveranciers van elektriciteit om dat allemaal in te boeken in het REV. Dat is een administratieve en financiële drempel voor hen. Deelt de staatssecretaris de mening dat de elektriciteit makkelijker ingeboekt moet kunnen worden? Aan wat voor maatregelen denkt ze hierbij? Zekerheidshalve heb ik een amendement ingediend waarmee geaggregeerd inboeken van elektriciteit mogelijk wordt gemaakt met een kan-bepaling, zodat er in de toekomst een gelijk speelveld kan ontstaan tussen biobrandstoffen en elektriciteit en, minstens zo belangrijk, dat investeringen in de broodnodige laadinfrastructuur worden gestimuleerd. In Duitsland bijvoorbeeld is dat heel goed geregeld. Kleinere partijen kunnen daar een derde partij machtigen om groepsgewijs elektriciteit in te boeken in het register daar. Wat vindt de staatssecretaris van deze oplossing?

Voorzitter. De Raad van State en de Nederlandse Emissieautoriteit hebben vraagtekens gezet bij nut, noodzaak en uitvoerbaarheid van de nieuw te vormen BKE-systematiek. Daarom wordt de invoering daarvan terecht uitgesteld. Maar er zit wel een haakje in de wet om een koninklijk besluit te slaan. Hoe dat eruit gaat zien, weten we als Kamer dus nog niet. Daarom heb ik een amendement ingediend dat er met een voorhangprocedure voor zorgt dat de Kamer kan beoordelen of die regeling te zijner tijd goed in elkaar zit. Een no-brainer, lijkt me.

Voorzitter. Dan een punt waar een aantal collega's ook al over spraken, namelijk het laten opboksen van het regenwoud tegen de vraag naar brandstof in een geglobaliseerde wereld met te weinig goede spelregels. Dat kan natuurlijk alleen maar fout aflopen. In die zin is het bijmengen van fossiele brandstoffen met biobrandstoffen een waagstuk. Uiteindelijk is een groene toekomst voor mobiliteit er eentje met zo min mogelijk biobrandstoffen. Elektrificatie, waterstof, synthetische kerosine en vooral veel fiets en openbaar vervoer moet het natuurlijk worden. Maar voorlopig zitten we nog met een mobiliteitssysteem dat verslaafd is aan fossiele brandstoffen. Dan kan bijmengen dus verstandig zijn. Biobrandstof uit lokale afval- en reststromen is daarbij de beste optie, maar dat zal niet genoeg zijn. Een wissel- of voorvruchtgewas als koolzaad kan aanvullen en zet geen druk op lokale voedselproductie. Sterker nog, de grondstructuur, de biodiversiteit en de luchtkwaliteit zijn allemaal gediend met een vruchtwisselingsgewas als koolzaad. Wel moet worden gelet op de schaarse ruimte die onze planeet biedt, de noodzaak van voedselproductie en het belang van behoud van bossen en de productie van biobrandstoffen. Dat moet in een zorgvuldige balans gebeuren. Ik kijk welwillend naar de amendementen die diverse collega's van mij hebben ingediend.

Voorzitter, ik rond mijn bijdrage in eerste termijn af met onze mooie binnenvaartsector. Onze schippers moeten van 0% in één keer 14% gaan bijmengen. Zij vrezen dat dit forse bijmengpercentage zorgt voor flink hogere brandstofprijzen en dat klanten daardoor zullen overstappen naar andere modaliteiten. Die andere sectoren konden meer geleidelijk ingroeien en hebben dus minder te maken met een prijssprong. Herkent de staatssecretaris deze zorgen van de binnenvaartschippers en ziet zij het risico van substitutie? Hoe wil zij dat voorkomen? Daarnaast leven er ook zorgen over de veiligheid van de schepen. Bepaalde biobrandstoffen vergroten namelijk het risico op verstopte filters en motorproblemen, zeker als ze wat ouder zijn, inclusief de leidingen en de brandstoftanks. Hoe kijkt de staatssecretaris hiertegen aan? Welke mogelijkheden is zij bereid binnenvaartschippers te bieden om hiermee om te gaan? Met deze vragen over onze mooie binnenvaartsector besluit ik.

De voorzitter:
Ik zie dat er een vraag is van de heer Alkaya van de SP.

De heer Alkaya (SP):
Een goede vraag over de binnenvaart. Daar ga ik straks ook op in, maar wat betekent dat voor de ChristenUnie? Dit zijn goede vragen, maar zouden ze er ook toe kunnen leiden dat er op dit moment simpelweg niet gehandhaafd kan worden? De veiligheid moet echt vooropstaan. De binnenvaartschepen die simpelweg niet geschikt zijn voor biodiesel kunnen we toch niet verplichten om er biodiesel in te gooien, omdat ze dan gewoon zouden stilvallen? Dat kunnen we dan toch niet wettelijk verplichten?

De heer Grinwis (ChristenUnie):
Deze vraag heb ik niet voor niks gesteld. Goede vragen moeten leiden tot goede antwoorden. Daar zie ik naar uit. Als het risico van vaak oudere motoren waar ineens flink moet worden bijgemengd, met alle risico's voor de veiligheid van dien, in het debat niet voldoende wordt getackeld, dan moeten we daar in tweede termijn op terugkomen, misschien wel gezamenlijk.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Madlener van de fractie van de Partij voor de Vrijheid. Het is niet zijn maidenspeech.

De heer Madlener (PVV):
Nee, voorzitter, die maidenspeech is al een jaar of vijftien geleden, ben ik bang. Ik feliciteer allereerst de nieuwe woordvoerders. Het enthousiasme straalt ervan af. Ze zijn trots en blij. Keukentafels worden hier plenair gemaakt. Dat is mooi om te horen, maar hier voor u staat toch een beetje cynische oude parlementariër, die dertien jaar geleden debatten voerde over biofuels, biobrandstoffen, met toenmalig minister van Milieu Cramer. Dat waren heftige debatten. Ik heb daarbij de heer Kofi Annan nog geciteerd, die zei: dat is eigenlijk een misdaad tegen de menselijkheid, want het concurreert met de voedselvoorziening en het vernietigt oerwoud. Nu, dertien jaar later, na een heleboel vernietigd oerwoud — we weten allemaal dat de wereldwijde vraag naar soja en palmolie tot vernietiging van oerwoud leidt in Indonesië, Brazilië en noem maar op — krijg ik deze wetgeving voor me. Die gaat over een verdere verhoging van het bijmengen van biobrandstoffen. Er is in die dertien jaar gigantisch veel oerwoud vernietigd. Wij vinden dat allemaal heel erg, maar we doen er niks aan. Eigenlijk houdt Europa dat in stand. Europa heeft gigantische hoeveelheden soja en palmolie geïmporteerd. Dat is enorm toegenomen, terwijl we weten wat er gebeurt. Vandaag hebben we een richtlijn uit de Europese Unie te implementeren die het nog verder verhoogt in heel Europa.

We hebben hier kritische woordvoerders. Iedereen ziet het probleem wel, maar de heer De Hoop zegt: we kijken er kritisch naar. Maar het gaat wel door. Het is al dertien jaar aan de gang en met deze wetgeving wordt het alleen maar erger. Dat afbouwscenario van palmolie is eigenlijk een lachertje. Als je naar het probleem kijkt, moet je eigenlijk zeggen: we moeten vandaag stoppen. Nederland gaat het met alle goede bedoelingen misschien iets beter doen dan de rest van Europa, maar het gaat gewoon door. Wij zouden naar Europa moeten gaan en moeten zeggen: we eisen nu een onmiddellijke stop van het bijmengen van biobrandstoffen. Het is namelijk niet goed voor het klimaat, als je daar al in gelooft, en het is ook niet goed voor de concurrentie met de voedselvoorziening voor een heleboel mensen die wat minder geld hebben om voedsel te kopen.

Ik vind het — helaas is het een wat cynische reactie — toch schokkend hoe deze Kamer weer omgaat met dictaten uit Brussel, die ons deze verplichting oplegt. Ik vind "we kijken er kritisch naar" niet genoeg. Ik vraag de staatssecretaris om een brief aan Brussel te schrijven en te zeggen: wij gaan dit niet doen; wij gaan ons hard maken voor een verbod op biobrandstoffen. Dat zou mijn oproep zijn. Ik hoop dat de staatssecretaris dat gaat doen, maar gezien de rest van de Kamer en de inbreng van de fracties in het Europees Parlement … Ik heb even gekeken hoe er in het Europees Parlement is gestemd over die enorme bijmengverplichting van biobrandstoffen. Eigenlijk zijn alle fracties van alle nieuwe Kamerleden hier medeplichtig aan het vernietigen van het oerwoud en dat stemt mij heel droevig.

Dank u wel.

De heer De Hoop (PvdA):
Een vurig betoog. Ik ben heel blij met die kritische benadering, ook richting mijn fractie. Ik erken dat we goed naar biobrandstoffen moeten kijken. Maar hoe rijmt u de houding van uw partij met het gegeven dat u het heeft over ontbossing? Uw partij is namelijk een van de partijen in dit parlement die de hele klimaatcrisis ontkennen. Vindt u het niet bijzonder dat u mij erop aankijkt, terwijl uw eigen partij de klimaatcrisis ontkent?

De voorzitter:
Ik zou het waarderen als u allemaal via de voorzitter gaat spreken.

De heer Madlener (PVV):
Ontbossing en klimaat zijn twee verschillende problemen. Je lost het klimaatprobleem, als je daar al in gelooft, niet op door biobrandstof bij te gaan mengen, want dat leidt tot ontbossing en maakt het nog erger. Ik heb net nog eens wat googlewerk verricht. Je vindt in vijf minuten — typ het maar in — talloze rapporten waarin staat dat het slechter is dan fossiele brandstoffen. We weten dat. Maar boekhoudkundig, in theorie, komt het goed uit. Dat is een houding waar we niet in moeten trappen. Daar gaat u toch niet aan meedoen? U bent een nieuw Kamerlid. U zegt: we kijken er kritisch naar. Maar het gaat gewoon door! We moeten hier niet kritisch kijken, we moeten iets doen. Ik roep u op om, met uw enthousiasme en uw nieuwe energie, in uw partij iets te gaan veranderen en tegen Brussel te zeggen: dit gaan we niet doen, want dit is niet goed voor de wereld.

De voorzitter:
Ook aan u de oproep om via de voorzitter te spreken.

De heer De Hoop (PvdA):
Ik moet zeggen dat ik het retorisch heel leuk vind wat de heer Madlener doet. Ik ben hier om overal heel kritisch naar te kijken. Ik heb hele serieuze vragen aan de staatssecretaris gesteld. Maar dan verwacht ik ook van u dat u binnen uw partij het googelen een keer gebruikt om de hele klimaatcrisis goed te bekijken en ook daar kritisch op te zijn, net zoals ik dat vandaag ben.

De heer Madlener (PVV):
Daar kunt u op rekenen. Wij kijken zeer kritisch. Ik kijk als woordvoerder zeer kritisch naar wat er gebeurt en naar wetenschappelijke inzichten. Ik heb hier dertien jaar geleden gestaan met heel veel energie, net als u nu. Toen was ik ook nog redelijk nieuw. We hebben hier vurige debatten gehad over de gevolgen van al die biobrandstoffen. Ik kan u vertellen: in dertien jaar is het alleen maar veel erger geworden. Wij zijn medeschuldig aan al die branden in die oerwouden en al die gekapte bossen. U ook.

De voorzitter:
U bedoelt: de heer De Hoop ook. De heer Van Raan.

De heer Van Raan (PvdD):
Ik deel de analyse van de heer Madlener. Het was dertien jaar geleden al en het wordt alleen maar erger. Klopt, eens. Ik wil proberen hem van zijn cynisme af te helpen, want dat is eigenlijk helemaal niet nodig.

De heer Madlener (PVV):
Als u dat lukt, dan ...

De heer Van Raan (PvdD):
Nou, ik nodig hem eigenlijk uit om die analyse door te trekken. Door het gebruik van die biobrandstoffen en de ontbossing wordt eigenlijk de ongelijkheid groter. Het is eigenlijk een machtsstrijd tussen noord en zuid. Daardoor komen ook de enorme immigratiestromen op gang, waar de PVV het ook vaak over heeft. Zou deze analyse, die we dus delen, ook voor de heer Madlener een aanleiding kunnen zijn om wat minder cynisch te worden over buitenlanders die hier maar heenkomen, zoals zijn partij altijd zegt? Ziet hij ook het verband met die ontbossing en die druk op immigratie in plaats van dat hij de immigranten de schuld geeft?

De heer Madlener (PVV):
Ik ben blij met de vraag van de heer Van Raan. Je moet goed kijken naar de impact van al het beleid en wat wij hier doen. Immigratie is voor mij inderdaad een grote zorg. Voor mij leidt de massa-immigratie onherroepelijk uiteindelijk tot het einde van onze vreedzame samenleving. Dat zie ik elke dag weer. Ook daar geldt precies hetzelfde voor: het gaat maar door. Ik denk dat de meerderheid van de Nederlanders ook niet zit te wachten op die massa-immigratie en we willen geen miljoen huizen voor immigranten erbij, maar het gebeurt toch, want de Nederlander heeft niks te vertellen. We mogen één keer in de vier jaar stemmen en dat was het dan. Daarom zijn wij ook voor de invoering van referenda. Het zou heel goed zijn als de Nederlander hier wat over te zeggen krijgt. Maar de massa-immigratie is geen oplossing, niet voor onze samenleving, maar ook niet voor de landen van herkomst. Maar ja, die landen zullen het zelf moeten doen, want dat is de realiteit. Als je kijkt naar wat er in die landen gebeurt ... Iedereen hierheen laten komen is geen oplossing. Ik hoop dat we het daarover eens zijn. Maar de ontwikkelingssamenwerking heeft ook niet altijd geleid tot veel goeds in die landen. Je ziet een hoop corruptie. Ik ben daar dus wel cynisch over. Dat cynisme heeft u helaas niet weg kunnen halen, meneer Van Raan.

De heer Van Raan (PvdD):
Toch zie ik een sprankje hoop voor de heer Madlener, want voor mij is dit in ieder geval de eerste keer dat de heer Madlener, als vertegenwoordiger van een partij die personen echt uitsluit op grond van waar ze vandaan komen, het toch koppelt aan het systeemprobleem en niet aan de mensen zelf. Ik noem dat winst. Misschien ziet de heer Madlener dat nu nog niet, maar ik denk straks wel.

De heer Madlener (PVV):
Dat is niks nieuws. Het systeem is het probleem. Wij kijken altijd naar het systeem of naar ideologieën en niet naar mensen. Voor mij wordt de mens niet geboren als een ideologisch wezen. Dat wordt je gemaakt en daar kun je afstand van doen. Voor mij is dus ieder mens een mens, maar ik ben bang voor de ideologie. Daar moeten we waakzaam op zijn. Ideologie zal leiden tot onze ondergang. Het zijn de ideologieën die het doen en niet de mensen. Bij de geboorte is iedereen gewoon een kind met alle kansen die het verdient. Daar zijn we het in ieder geval over eens. Maar ja, dat leidt nog niet tot het wegnemen van mijn cynisme, want het is de politiek die het bepaalt en de resultaten spreken voor zich. Helaas moeten we het dus doen met een bijmengverplichting die alleen maar meer oerwoud zal vernietigen. Maar het is goed dat wij het allemaal weten.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Peter de Groot van de fractie van de VVD voor zijn maidenspeech, dus daar gaan we eens even goed voor zitten! Hij heeft tien minuten spreektijd aangevraagd. Het woord, als het is gedesinfecteerd allemaal, is aan hem.

De heer Peter de Groot (VVD):
Dank, voorzitter. Het verduurzamen van vervoer en transport is een kwestie van verstandige stappen zetten en een lange adem, want ons systeem is bijna volledig gericht op het gebruik van fossiele brandstoffen. Er is decennialang aan gewerkt om dat zo te krijgen. Dan duurt het ook even als we dat anders willen. Niet in de laatste plaats omdat het iedereen zal gaan raken: alle inwoners, instellingen en bedrijven. Iedereen heeft tijd en ruimte nodig om dit te adopteren en het moet verstandig, betaalbaar en behapbaar zijn voor iedereen. Het goede nieuws is dat we onderweg zijn, maar de weg is nog lang. Daarom moeten we alle paden bewandelen die een bijdrage leveren. Er is niet één weg naar het uiteindelijke doel van nul CO2-uitstoot in 2050. Wat de VVD betreft benutten we elke kans die zich voordoet. We weten ook dat we kaders moeten stellen om vooruitgang te boeken, zoals vandaag met de wijziging van de Wet milieubeheer.

Voorzitter. Voordat ik verder inga op de wet, zou ik graag nog een persoonlijke noot aan deze visie willen toevoegen. Ik ben geboren in een aannemersgezin in Harderwijk. Een stad waar ik overigens nog steeds met heel veel plezier woon. Met het aannemersbedrijf aan huis is het ondernemerschap en het harde werken mij met de paplepel ingegoten. In dat aannemersgezin moesten wij vroeger ook niks hebben van ingewikkelde milieuregels, duur gekeurd hout of een heftruck op batterijen. Sterker nog, we hadden een benzine slurpende 6-cilinder E300 Mercedes op de Dam staan. Dat dan weer wel. Maar dat is inmiddels lang geleden.

Maar één ding heb ik ook zeker meegekregen uit die tijd: zuinig omgaan met spullen en materialen. Hout, dat haalde je uit elkaar. Spijkers eruit en voilà, je kan het weer gebruiken. Oude stenen gebruikte je in de fundering. Ja, het was wel even werk, maar hergebruik leverde uiteindelijk ook gewoon winst op. Want verspillen is zonde en hergebruik is bijna gratis. Die logica moeten we toch ook kunnen plakken op het gebruik van biobrandstoffen?

Na de middelbare school had ik een sterke behoefte om door te leren. Met technische bestuurskunde leerde ik over de verhoudingen tussen de overheid enerzijds en de markt anderzijds, bij grote technische systemen zoals infrastructuur of bijvoorbeeld het energienetwerk. Hoe bijzonder was mijn afstudeeronderzoek tijdens mijn studie in Delft, zeker in het licht van de verduurzamingsopgave. Ik deed namelijk onderzoek naar de oliereserves in de wereld, met name bij het OPEC-kartel. Hoe het leven kan lopen. Van bang zijn dat de fossiele brandstoffen snel opraken naar nu vijftien jaar later de zorg over hoe we er weer zo snel mogelijk van afkomen.

Na de afronding van mijn studie ben ik uiteindelijk weer de aannemerij ingegaan. In die praktijk is het hard werken om resultaten te halen. De aandacht voor CO2-reductie en het verduurzamen van auto's, bussen en machines is zeker niet vanzelfsprekend. Noem het conservatisme, maar ik heb het gezien en ik noem het pragmatisme. Ik heb gezien dat, als er voordelen te behalen zijn, deze echt wel opgepakt worden. Een mooie parallel met biobrandstoffen valt te trekken met bijvoorbeeld het circulair maken van grondstoffen uit gesloopt beton voor nieuw beton. Wanneer alle ingrediënten uit sloopbeton direct ingezet worden, is dit goed voor het milieu en is het ook nog eens goedkoper, omdat grondstoffen juist niet ingekocht hoeven te worden. Een win-winsituatie. Zo is het ook met biobrandstoffen. Goed voor minder uitstoot en goed voor ondernemend Nederland.

Dát geloof in een win-winsituatie is mijn drijfveer om hier vandaag in de politiek, in de Kamer de komende jaren te staan. Om met het doel voor ogen een realistische aanpak te kiezen die in de praktijk goed werkt en ook goed uitpakt, stap voor stap. Bijsturen waar nodig en met pragmatisme en optimisme naar de opgaven blijven kijken. Dichtbij de mensen en de bedrijven die het realiseren. Geen zwarte toekomstscenario's schetsen, maar vooruitgang neerzetten met het werken aan deze transitie in de samenleving. Dan is er eigenaarschap en een goed gevoel.

Mijn les uit de praktijk is dat bedrijven de kaders, zoals van deze wet, ook echt wel nodig hebben om veranderingen in gang te zetten en door te voeren. En daar ligt juist de rol voor de overheid. De wetten en regelingen scheppen gelegenheid voor eigen invulling, wat de acceptatie zal vergroten en versnelling zal opleveren.

Dan terug naar het wetsvoorstel. We hebben meerdere paden nodig om het vervoer te verduurzamen. Want de elektrische bestelbus of de elektrische heimachine is er gewoonweg nog niet. Juist voor die sectoren is biobrandstof een uitkomst om een bijdrage te leveren met het bestaande materieel. Want zodra de kosten niet hoger zijn en de kwaliteit niet lager dan fossiele brandstoffen, hebben we een grote barrière voor het gebruik en daarmee het verduurzamen van het vervoer weggenomen. Kan de staatssecretaris die kwaliteit bevestigen? Kan zij bevestigen dat door bijmengen geen motor in de soep zal lopen? Zal zij er alles aan doen om dit te voorkomen?

De inzet op biobrandstof als transitiebrandstof voor de komende decennia en de voorgestelde uitbreiding daarvan in deze wet is wat de VVD betreft een goede keuze. Temeer omdat de opschaling van elektrisch vervoer zeer kansrijk is, maar eventuele grondstoffenschaarste mede dat tempo zal bepalen, alsook de ontwikkeling van waterstof voor zwaar transport en industrie. Hoe mooi is het als we met name inzetten op grondstoffen voor hernieuwbare brandstoffen die we over hebben? Denkt u hierbij aan gebruikte bak- en braadolie, reststromen van afval of aan andere grondstoffen waarvan we gewoon weten dat ze geen verdere schade toebrengen aan landgebruik, in plaats van deze nu al sterk te limiteren. Ik vraag de staatssecretaris hierop te reflecteren.

In het verlengde hiervan is de VVD het wel eens met de lijn om grondstoffen zoals palm- en sojaolie terug te brengen naar 0%. Het plan is daarnaast om niet meer biobrandstoffen uit voedsel en voedergewassen in te zetten dan het niveau van 2020. Maar is 2020 daarin wel een realistisch jaar om uit te putten? De VVD begrijpt dat niet zomaar van afspraken uit het Klimaatakkoord kan worden afgekeken. Maar ziet de staatssecretaris wel andere mogelijkheden in dezen en overweegt zij toch gebruik te maken van de extra 1% uit Europa?

Met alle ambities die er zijn om hernieuwbare brandstoffen te mengen met fossiele brandstoffen in zowel wegverkeer als de binnenvaart, en mogelijke ambities voor de zeevaart en de luchtvaart, vraagt de VVD zich wel af hoe de staatssecretaris aankijkt tegen de beschikbaarheid van en de controle op voldoende grondstoffen. Zijn die grondstoffen voldoende voorhanden? We willen geen gesjoemel meer met grondstoffen. We kennen inmiddels helaas de voorbeelden van fraude met grondstoffen voor biobrandstoffen. Onacceptabel wat de VVD betreft. Wij zijn daarom voorstander van aanscherping van het toezicht en uitbreiding naar de hele keten, zoals in EU-verband wordt geschetst. Kan de staatssecretaris toezeggen dat er sprake zal zijn van risicogestuurd toezicht, dat er nationale en internationale afstemming zal plaatsvinden tussen toezichthouders en dat er geen aanvullende criteria worden gesteld bovenop de EU-regelgeving?

Daarnaast geeft de staatssecretaris aan geen voorstander te zijn van HBE's voor de zeevaart. Zij neemt andere maatregelen om te kunnen sturen op de inzet van biobrandstoffen in de zeevaart. De VVD ziet graag dat inzet per eindbestemming beter inzichtelijk wordt gemaakt, zodat er ook beter gestuurd kan worden. Kan de staatssecretaris reageren op het idee om de NEa, de emissieautoriteit, regelmatig, bijvoorbeeld eens per kwartaal, te laten rapporteren over de inzet van hernieuwbare energie per eindbestemming? Hoe kijkt zij in dit licht aan tegen het per kwartaal inboeken van hernieuwbare energie in de zeevaart?

Als laatste nog een praktische vraag. Wanneer kan de Kamer het Besluit energie vervoer verwachten? Kan de staatssecretaris ervoor zorgen dat dit besluit de aandacht krijgt die het verdient en dat dit dus voldoende behandeld kan worden door de Kamer?

Voorzitter, ik rond af. Mobiliteit is belangrijk voor onze samenleving, ook het verduurzamen van onze toekomst. Deze wet is als onderdeel een kader daarvoor. Het goed inregelen van het Besluit energie vervoer is belangrijk om het in de praktijk te laten werken. Maar dat het straks werkt, daar doen we het voor.

De voorzitter:
Dank u wel.

(Geroffel op de bankjes)

De voorzitter:
Een welverdiende roffel. Het is mij een eer en een genoegen u als eerste te mogen feliciteren met uw maidenspeech. Ik probeer die Mercedes nog even voor ogen te krijgen. Meneer Van Raan had u daar heel graag op geïnterrumpeerd, dus daar komt u weer goed mee weg. Nogmaals: aan het eind van de eerste termijn doen we de felicitaties. Er is wel een kleine verandering in het spoorboekje: na de felicitaties doen we de lunch, gevolgd door een — vraag me niet waarom — korte regeling van werkzaamheden. Dan gaan we luisteren naar de staatssecretaris en daarna zijn pas de stemmingen. De agenda is dus enigszins gewijzigd.

We hebben nog twee sprekers te gaan van de zijde van de Kamer. Hier is de heer Bisschop van de fractie van de Staatkundig Gereformeerde Partij zelf.

De heer Bisschop (SGP):
Voorzitter, dank u wel. Laat ik als eerste de drie collega's feliciteren die hun maidenspeech hebben gehouden: mevrouw Hagen, mevrouw Bouchallikh en de heer De Groot. Mooie persoonlijke verhalen. Als opa krijg ik onmiddellijk de kriebels om ook iets persoonlijks te gaan vertellen, want we zitten hier toch zo gezellig bij elkaar.

De voorzitter:
Dat mag.

De heer Bisschop (SGP):
Maar mijn spreektijd loopt. Ik dacht dat de felicitaties altijd buiten de spreektijd vielen. Ik ga beginnen aan mijn tekst.

De voorzitter:
Ik geef u een minuutje extra.

De heer Bisschop (SGP):
Ik wil niet zeggen dat u te goed bent voor deze functie, maar ik waardeer uw gebaar zeer.

Voorzitter. Als landbouwwoordvoerder doet het mij ontzettend veel deugd dat ik mijn collega's zo nadrukkelijk hoor pleiten, hartstochtelijk pleiten, om die waardevolle voedsel- en voedergewassen vooral niet te gebruiken voor de brandstoftank. We zijn ons er naar mijn idee veel te weinig van bewust dat voedselzekerheid ook anno 2021 een cruciaal punt is. Daar moeten we niet te roekeloos mee omspringen. Dat vergt permanente aandacht.

Voorzitter. Bij het beoordelen van het voorliggende wetsvoorstel kijk ik met een schuin oog ook naar de plannen voor het onderliggende Besluit energie vervoer. Er zit een grote spanning — collega's hebben dat ook al gesignaleerd — tussen de toenemende vraag naar biobrandstoffen als gevolg van de bijmengverplichting en het beschikbare aanbod. Slechts 8% komt uit Nederland. Ruim de helft komt uit China en andere, niet-Europese landen. Ik sluit me aan bij degenen die de vraag hebben gesteld of we daarmee niet een veel te grote claim leggen op de in Europa en internationaal beschikbare biobrandstoffen. Daarbij heeft het kabinet het niet alleen over de bijmengambities voor het wegverkeer maar ook die voor schepen en vliegtuigen. Overstijgt de vraag niet het duurzaam beschikbare aanbod? De stichting Natuur & Milieu schat in dat er — ervan uitgaande dat ook andere landen biobrandstoffen nodig hebben, met een evenredig aandeel voor Nederland — in 2030 ongeveer 50 petajoule aan biobrandstoffen voor Nederland beschikbaar is. Hoe waardeert de staatssecretaris deze inschatting?

De Nederlandse ambitie ligt ongeveer twee keer zo hoog, namelijk op bijna 100 petajoule. Het betekent in ieder geval een grote druk op de markt, met bijbehorende fraude- en duurzaamheidsrisico's. Waarom stuurt de staatssecretaris aan op een bijmengpercentage van 27% in 2030, terwijl de Europese Commissie niet verder gaat dan minimaal 7% tot 14%? Ik heb een amendement ingediend om ervoor te zorgen dat er bij de vaststelling van de bijmenghoeveelheden in ieder geval ook rekening wordt gehouden met de beschikbaarheid daarvan. Graag een reactie van de staatssecretaris hierop.

Ik heb nog twee aanvullende vragen op dit punt. Zou het niet verstandig zijn om bijvoorbeeld de Nederlandse Emissieautoriteit te vragen om in haar jaarlijkse rapportages ook in te gaan op de ontwikkeling van het aanbod aan biobrandstoffen? Hierbij heb ik een tweede vraag. De staatssecretaris stuurt op een bijmengpercentage. Als het totaalvolume ineens hoger uitvalt dan gedacht en er meer biobrandstof bijgemengd moet worden, dan kan de beschikbaarheid wellicht in het gedrang komen. Is het niet veiliger om te sturen op absolute hoeveelheden, zoals in het Klimaatakkoord wordt gedaan?

De Inspectie Leefomgeving en Transport en anderen hebben eerder gewezen op de grote frauderisico's bij de certificering van duurzame biodiesel. Het is redelijk eenvoudig. Ik weet niet of ze in China patat eten, maar als je daar een frietje eet en er eentje in een tank palmolie laat vallen, certificeer je die als gebruikte bakolie en duurzame biobrandstof, en kun je die als zodanig vermarkten. Hoe gaat de staatssecretaris dergelijke frauderisico's voorkomen en aanpakken? Dat vergt namelijk nogal wat handhaving, ook omdat het duidelijk om een grote, internationale keten gaat.

Voorzitter. Biobrandstof en biobrandstof is twee. Als palm- en sojateelt voor biobrandstoffen onderaan de streep zorgt voor meer CO2-emissie, dan zijn we gewoon niet goed bezig. In het Klimaatakkoord is afgesproken dat zowel palm- als sojaolie niet als biobrandstof ingezet mag worden. Erkent de staatssecretaris dat er ook bij sojaolie netto sprake is van meer in plaats van minder CO2-emissie? Waarom verschuilt de staatssecretaris zich achter de Europese Commissie en wil zij alleen de inzet van palmolie afbouwen? De SGP wil dat voedsel- en voedergewassen hoogwaardig gebruikt worden. Ze zijn niet bedoeld om voor laagwaardige toepassing in de brandstoftank te verdwijnen.

Voorzitter. Dan is er nog een ander knelpunt: de definiëring van het residubijproduct. Afvalproducten vallen als residu niet onder het plafond van biobrandstoffen uit voedselgewassen. Bijproducten die commercieel gewoon interessant zijn, vallen hier wel onder. De grote vraag is hoe je de categorieën "residu" en "bijproduct" gaat onderscheiden en definiëren. Ik heb begrepen dat dit nog niet duidelijk is. Wanneer komt die duidelijkheid? Kan er op dit punt een uitvoeringstoets van de Emissieautoriteit komen? Een scherpe handhaafbare definiëring is absoluut nodig om fraude en duurzaamheidsrisico's te beperken, en ook om als betrouwbare overheid je taak te kunnen uitvoeren.

Voorzitter. Ik ga ook nog even in op het punt van de binnenvaart. Ik sluit daarbij grotendeels aan bij wat de collega van de ChristenUnie, de heer Grinwis, naar voren heeft gebracht. Ik ga met name in op het punt dat voor de binnenvaart als nieuwkomer opeens de generieke bijmengverplichting van 16% moet gaan gelden. Dat is een forse stap met grote prijsrisico's. Ik vraag de staatssecretaris om voor de binnenvaart een aparte, langzamere en meer natuurlijke opbouw te kiezen. Welke mogelijkheden ziet zij daarvoor? De risico's voor scheepsmotoren die niet op die brandstof zijn gebouwd, zijn inderdaad te groot. TNO heeft naar bepaalde aspecten hiervan eigenlijk nog maar beperkt onderzoek gedaan. De vraag aan de staatssecretaris is of zij bereid is om aanvullend onderzoek te laten doen.

Is zij ook bereid kwaliteitscriteria op te nemen voor scheepsbiobrandstoffen? De handel in scheepsbrandstoffen is dermate versnipperd dat schippers dit niet in de hand hebben. In België en Duitsland valt binnenvaart níét onder de bijmengverplichting. Hoe weegt de staatssecretaris het risico dat schippers gaan bunkeren in die landen?

Voorzitter. Ook gezien de tijd wil ik het in eerste instantie hierbij laten. Dank u zeer.

De voorzitter:
Heel goed. U bedankt. Dan geef ik graag het woord aan de laatste spreker van de zijde van de Kamer. Dat is de heer Alkaya van de fractie van de SP. Daarna bouwen we de plenaire zaal om tot een receptieruimte en gaan we, bijna massaal, feliciteren. Dan gaan we tevens schorsen voor de lunch. Het woord is aan de heer Alkaya.

De heer Alkaya (SP):
Dank u wel, voorzitter. Ook namens mij felicitaties aan de collega-Kamerleden voor hun maidenspeech. Alle drie hadden ze persoonlijke verhalen en persoonlijke ervaringen, die natuurlijk waardevol zijn in het debat hier in de Kamer. Ik kijk ernaar uit om met jullie alle drie de ideologische degens te kruisen.

Voorzitter. Wij bevinden ons vandaag op glad ijs. Het is namelijk moeilijk om inhoudelijk te debatteren als wij het niet eens worden over de betekenis van woorden. Want wat betekent "duurzaam"? Wat betekent 'hernieuwbaar"? Het lijkt een positieve lading te hebben voor alle partijen die klimaatopwarming serieus nemen. Dat geldt ook voor mijn partij, de SP. De richtlijn die het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen stimuleert, klinkt daarom ook in eerste instantie goed, maar in dit geval is het toch echt geen goede zaak. Voedsel verbranden in motoren is geen goede zaak. Dat is niet duurzaam en niet hernieuwbaar. Wereldwijd neemt de vraag naar voedsel toe omdat de bevolking toeneemt. Zaken als soja, palmolie, koolzaad, suikerriet en mais zijn allemaal gewassen die je kunt gebruiken in voedsel, maar ook in biobrandstof. Het concurreert dus met elkaar. Het concurreert om de beperkte landbouwgrond. Daar zijn heel veel fracties al op ingegaan. Daarom is biobrandstof niet echt duurzaam en ook niet echt hernieuwbaar. Omgekapt oerwoud krijg je namelijk niet zomaar terug. Mijn fractie heeft daarom ernstige bezwaren tegen deze richtlijn en tegen de implementatiewet, tenzij die alleen zou gaan over secundaire biobrandstoffen, die niet uit voedsel worden gemaakt maar uit afval worden gewonnen. Maar dat doen de richtlijn en de implementatiewet niet. Ik ben daarom wel benieuwd naar de reactie van de staatssecretaris op het amendement van collega Van Raan, die dit wel wil regelen. Het is een ingrijpend amendement, maar hoogstwaarschijnlijk krijgt het de steun van onze fractie, omdat het natuurlijk een enorme verbetering zou zijn van de wet.

Op dit moment staat er dat alleen het gebruik van palmolie als biobrandstof wordt afgebouwd naar 0%, maar de limiet op alle voedsel- en voedergewassen zou naar 0% moeten. Mijn vraag aan de staatssecretaris is waarom de regering hier niet voor heeft gekozen. Het minste wat wij kunnen doen, is wettelijk verankeren dat in ieder geval het gebruik van soja hiervoor ook naar 0% gaat. En ik verwacht dat ook het amendement van D66 het met ruime steun zal gaan halen, maar dat zal niet genoeg zijn. Er wordt een babystapje in de goede richting gezet, maar er zijn nog zo veel andere problemen.

Het baart ons ook zorgen dat de regering als reactie op de consultaties tegen bedrijven zegt dat de kans dat een biobrandstof in de toekomst nog wordt uitgesloten in lagere wetgeving heel erg klein is. Wij moeten het dus nú regelen, voordat wij ons akkoord geven aan deze wet, áls we dat willen. In de toekomst, zo zegt de regering in ieder geval, is de kans heel erg klein dat daar nog iets in wijzigt.

Voorzitter. Het zou al erg genoeg zijn als wij in Nederland de voedselproductie zouden laten verdrijven door biobrandstoffen, maar het is nog erger. In Nederland is er namelijk lang niet genoeg ruimte voor dat soort gewassen. Nu al komt het merendeel uit het buitenland. En als de vraag toeneemt, wordt dus ofwel landbouwgrond verdreven in het buitenland, of zorgt het voor ontbossing. Dan worden er bossen gekapt om gewassen te verbouwen die vervolgens de halve wereld over worden getransporteerd om hier verbrand te worden door onze auto's, schepen en vliegtuigen. Dat is toch niet verstandig, vraag ik aan de regering. Zouden die milieueffecten in hun totaliteit gewogen kunnen worden? Ik heb al meerdere dingen gehoord over de manier van meten en de modellen. Mijn vraag aan de staatssecretaris is: deelt zij de zorgen daarover? Heeft zij vertrouwen in de metingen? Zorgt zij ervoor dat die metingen verbeterd worden? Als in de toekomst blijkt dat gewassen een negatief effect hebben op de opwarming van het klimaat en op het milieu, hoe wordt daar dan mee omgegaan? Als we eerlijk zijn tegen elkaar, dan geldt het voor soja al overduidelijk, maar waarschijnlijk geldt het voor veel meer biobrandstoffen. Rekening houden met de beschikbaarheid lijkt me in ieder geval verstandig. Het lijkt me dus verstandig om in ieder geval het amendement van de heer Bisschop te steunen.

Voorzitter. Meer fundamenteel is mijn bezwaar dat de fossiele industrie met deze richtlijn meer tijd krijgt om af te zien van echte verduurzaming, bijvoorbeeld het overstappen naar groene waterstof. Hoe kijkt de regering naar deze inherente perverse prikkel voor de fossiele industrie? Dit geldt zeker als vervuilende bedrijven ook nog eens zogenaamd verhandelbare broeikasreductie-eenheden krijgen, waarvan de toegevoegde waarde zeer beperkt is, maar de uitvoering zeer complex. Het is een soort derivatenhandel met emissierechten met een groen label erop. Hoe reageert de regering op de forse kritiek van onder andere de Raad van State, het Adviescollege toetsing regeldruk en de Nederlandse Emissieautoriteit op dit complexe vrijhandelsstelsel met die eenheden?

Tot slot, voorzitter. De binnenvaart gaat ook onder deze richtlijn vallen. Ook hier zijn grote zorgen over. Klopt het dat andere lidstaten de binnenvaart hebben uitgezonderd van de verplichting om biobrandstoffen bij te mengen? Welke landen zijn dat dan? Zijn wij echt gekke Henkie in Europa die de binnenvaart er wel binnen laat vallen? Waarom doen wij dat dan? Welke landen doen het wel en welke landen zonderen de binnenvaart uit? Klopt het dat het milieuvoordeel gering of zelfs negatief is in de binnenvaart omdat biodiesel in bepaalde schepen minder zuinig is dan gewone diesel, waardoor sprake is van een toename in brandstofgebruik? Daarnaast zou door het gebruik van biodiesel de uitstoot van stikstofoxide en fijnstof toenemen. Dat is natuurlijk slecht voor de omgeving. Dat zouden we niet moeten willen. Ook zou het bijmengen van frituurvet en dierlijk vet slecht zijn voor de motoren van bepaalde oudere schepen. In het ergste geval leidt dit dus tot het uitvallen van motoren, midden op het water met lading en al. Dat kan niet alleen financiële schade toebrengen, maar ook gevaar opleveren voor de omgeving. Hoe kijkt de regering hiertegen aan? Kan de regering ingaan op al deze zorgen van schippers in de binnenvaart? Kan de regering toezeggen dat er niet gehandhaafd zal worden in de binnenvaart op deze richtlijn totdat de kwaliteit van biodiesel gegarandeerd is? Dat is het op dit moment namelijk niet. Met kwaliteit bedoel ik dat het veilig, duurzaam en geschikt voor binnenvaartschepen moet zijn. Ik overweeg een motie op dit punt als de regering hier niet serieus op ingaat.

Voorzitter, dank u wel.

De voorzitter:
Men is gewaarschuwd. Er staat al een fractiesecretaris klaar met een bos bloemen, maar eerst is er nog een interruptie van de heer Madlener.

De heer Madlener (PVV):
Dit is een parlement, dus je moet toch kunnen interrumperen, dacht ik.

De voorzitter:
Absoluut, absoluut.

De heer Madlener (PVV):
Dit is een heel belangrijk onderwerp. De gevolgen van het Europees gebruik van biobrandstoffen zijn enorm op de hele wereld. Daar zijn we het gelukkig allemaal wel over eens. De heer Alkaya heeft een kritisch verhaal gehouden, maar ik ben zo benieuwd wat dan het SP-verhaal in het Europees Parlement is. U wijst hier op alle gevaren en bezwaren, maar het is een implementatie van een Europese richtlijn. Daar heeft de SP ook over kunnen stemmen in Brussel. Wat heeft de SP daar dan gedaan?

De heer Alkaya (SP):
Wij zijn sinds kort verlost van de last van het Europees Parlement. Daar zitten wij niet meer in. Maar de fractie waarin wij zaten, GUE/NGL, heeft tegengestemd, heb ik mij laten vertellen. Maar de SP zit dus niet meer in het Europees Parlement. Wij kunnen in het Nederlandse parlement dus volledig vrij stemmen, wat natuurlijk goed is voor de nationale democratie.

De heer Madlener (PVV):
Ja, maar toen deze richtlijn werd aangenomen, zat u er nog wel in. Volgens mij heeft uw afvaardiging daar gewoon mee ingestemd. Maar ik zal het nog een keer nakijken.

De heer Alkaya (SP):
Wij zaten in GUE/NGL, niet bij de sociaaldemocraten.

De heer Madlener (PVV):
Inderdaad.

De heer Alkaya (SP):
Onder andere met de milieubeweging en dergelijke. Ik heb mij laten vertellen dat men destijds erg kritisch was en dat er tegen is gestemd.

De heer Madlener (PVV):
Ik ga het nog even nakijken.

De heer Alkaya (SP):
Daar komen we dan nog op terug.

De voorzitter:
Een mooie cliffhanger die we even nodig hebben om de kijkcijfers hoog te houden. Ik dank de heer Alkaya van harte.

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:
Ik ga schorsen tot 13.15 uur. Dan hebben we een korte regeling van werkzaamheden. Daarna gaan we luisteren naar de staatssecretaris. Voor nu schors is voor de felicitaties en de lunch. Ik nodig de drie feestvarkens uit om naar voren te komen en de leiding om ze zo ergens neer te zetten dat het allemaal prachtig gaat verlopen. De staatssecretaris gaat als eerste feliciteren; dat is een grote eer. Bovendien heeft ze het druk met het beantwoorden van alle vragen.

De vergadering wordt van 12.28 uur tot 13.15 uur geschorst.

Mededelingen

Mededelingen

Mededelingen

De voorzitter:
Op de tafel van de Griffier ligt een lijst van ingekomen stukken. Op die lijst staan voorstellen voor de behandeling van deze stukken. Als voor het einde van de vergadering daartegen geen bezwaar is gemaakt, neem ik aan dat daarmee wordt ingestemd.

Regeling van werkzaamheden

Regeling van werkzaamheden

Regeling van werkzaamheden

De voorzitter:
Aan de orde, dames en heren, waarde collega's, is een korte regeling van werkzaamheden. Ik dacht dat alle woordvoerders hier zouden verschijnen en dat er van alles zou worden aangevraagd. Paniek! Politieke verwikkelingen! Maar welnee, ik moet twee zinnen voorlezen. Dat is de hele regeling van werkzaamheden. Hier komt-ie.

Ik stel voor dinsdag 25 mei ook te stemmen over een brief van de commissie voor de Rijksuitgaven (31865, nr. 187) en over de aangehouden motie-Kwint (25295, nr. 1193).

Ik stel voor toe te voegen aan de agenda van de Kamer:

  • het wetsvoorstel Wijziging van de begrotingsstaat van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (XIV) voor het jaar 2021 (Incidentele suppletoire begroting inzake noodpakket banen en economie) (35730).

Ik stel voor toe te voegen aan de agenda:

  • het tweeminutendebat Openbaar vervoer en taxi, met als eerste spreker het lid Van Baarle van DENK.

Overeenkomstig de voorstellen van de voorzitter wordt besloten.

De voorzitter:
Ja, zo doen we dat! Er zitten twee maidenspeechers met grote ogen te kijken, zo van: wat gebeurt hier allemaal; waar ben ik in terechtgekomen? Het zou mooi zijn als de staatssecretaris zou verschijnen, want dan kunnen wij in een vloeiende beweging door.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Wijziging van de Wet milieubeheer

Wijziging van de Wet milieubeheer

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

  • het wetsvoorstel Wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en ter uitvoering van het Klimaatakkoord (35626).

De voorzitter:
Het woord is aan de staatssecretaris.

De algemene beraadslaging wordt hervat.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Dank u wel, voorzitter. Laat me aan de start van dit debat ook de mensen die vandaag hun maidenspeech hebben gehouden, echt van harte feliciteren. Ik heb dat net al even live gedaan. Fijn dat dat weer kan! Maar ik doe het nu toch ook nog eventjes op deze wijze. Ik vond in de bijdrage van Kiki Hagen de aandacht voor het gelijk van de ander — als ik het zo mag samenvatten — heel erg mooi. Dat vind ik zelf ook altijd erg belangrijk. Bij mevrouw Bouchallikh ging het om het belang om jezelf te mogen zijn in dit land. Dat is ook voor mij een ontzettend belangrijk principe. En het feit dat eigenlijk niemand blij wordt van verspilling en dat we de grondstoffen allemaal zo veel beter kunnen inzetten, is ook iets waar ik al jarenlang mee bezig ben. De bijdrage van de heer De Groot was dus ook heel herkenbaar.

De voorzitter:
Die woorden waarderen wij natuurlijk bijzonder. Dank u voor de vriendelijke woorden. Ik moet nog even toevoegen dat we stemmingen hebben. In principe zijn die na dit debat, tenzij dit debat heel veel tijd kost. Dan moeten we dit debat ergens gaan onderbreken voor die stemmingen. Dat heeft te maken met de aanwezigheid van derden. Dit is dus een aanmoediging aan uw adres en aan de leden om het kort en puntig te houden.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Daar zet ik mij altijd voor in, voorzitter. Dat weet u.

Ik begin even met een algemene hoofdboodschap, omdat veel van uw leden opmerkingen hebben gemaakt die in dezelfde richting wijzen. Dan kom ik daarna op een aantal detailvragen. Het leek me goed om aan het begin van het debat de discussie over biobrandstoffen die ik hoor in uw Kamer en ook in de maatschappij, samen te vatten. Die discussie gaat eigenlijk over de hoeveelheid biobrandstoffen, wat voor grondstoffen en waar je die inzet. Al die vragen zijn terecht. We hebben dan ook echt een biobrandstoffenbeleid, omdat we zorgvuldig willen omgaan met deze waardevolle grondstoffen. Niet voor niets heeft de SER in zijn advies gezegd dat we het niet langer moeten hebben over biobrandstoffen, maar over biogrondstoffen. De vraag in deze hele klimaattransitie waar we met elkaar voor staan is steeds waar we materialen zo hoogwaardig mogelijk inzetten en ook hoe we komen tot die hoogwaardige inzet. Ik begrijp de zorgen en de vragen van uw Kamer dus. Ik deel ook de ambitie om de lat hoog te leggen bij kwaliteit en slimme inzet en ook om het speelveld goed te organiseren voor mogelijke alternatieven als waterstof op stoom. We moeten deze stappen echt met elkaar en met de hele sector samen maken.

Daarom was ik ook zo blij met het SER-advies. Voor dat SER-advies hebben de milieubeweging, de vakbonden, het bedrijfsleven en de overheid samen bekeken hoe we kunnen zorgen voor de zorgvuldige inzet. Dat SER-advies stelt: "We hebben biobrandstoffen voorlopig nog nodig om onze klimaatafspraken na te komen en de omslag naar volledig emissieloos zwaar wegvervoer, binnenvaart, luchtvaart, zeevaart en personenvervoer te kunnen maken. Niet voor niets zijn er daarom afspraken gemaakt in het Klimaatakkoord en in Europa over de inzet tot 2030." Het gaat dus niet over de vraag óf we biobrandstoffen of biogrondstoffen inzetten, maar over hoe we die zo hoogwaardig en zorgvuldig mogelijk inzetten. Ik herken me dan ook in veel van de vragen die hierover gesteld zijn. Zo definiëren we denk ik met elkaar het speelveld.

We zijn als Nederland ambitieus, ook als je dat vergelijkt in internationaal verband, en we scherpen met deze wet de randvoorwaarden verder aan: duurzaam, gecertificeerd, zo veel mogelijk uit reststromen en zo min mogelijk uit voedsel. Ook daarover heeft u allemaal uw zorgen geuit. Dat is zeker ook de richting waarin ik werk. De lat daarvoor lag in Nederland al hoog. De afspraak was al — dat zien we ook terug in de cijfers van de afgelopen jaren — dat we geen palm en soja bijmengen. We leggen de lat nu nog hoger. We moedigen andere, geavanceerde alternatieven aan. Daar moet ook vanuit de afspraken in het Klimaatakkoord de groei vandaan komen. We trekken er ook 200 miljoen voor uit om die geavanceerde vormen te ontwikkelen. Ik wil net als u af van voedselgewassen in de tank, maar we moeten natuurlijk wel zorgen dat dit niet op de korte termijn ten koste gaat van onze klimaatdoelen, of dat dit een waterbed tot gevolg heeft naar minder aantrekkelijke brandstoffen. Onder de streep moeten we toch steeds zorgen dat we met elkaar de beste afweging maken, ook al is dat een wat genuanceerder verhaal.

De RED2 biedt het belangrijkste instrument om de verduurzaming van het vervoer te realiseren. Deze wet geeft ons ook de kans om publiek toezicht en handhaving te versterken en meer transparantie te garanderen, want ook in deze ontwikkelende sector zijn die handhaving en het voorkomen van fraude echt een aandachtspunt. Daar hebben we als Nederland ook lessen geleerd. Die kans grijpen we dus aan. De heer Van Raan zei eufemistisch dat er misschien weleens wat gesjoemeld werd, maar we hebben hier gewoon een keiharde fraudezaak gehad. Het OM is daartegen opgetreden. Ik maak me er heel hard voor om met mijn collega's in andere landen, die wellicht met hetzelfde te maken hebben, op te trekken om samen die fraude aan te pakken. Daar kan geen sprake van zijn. We moeten met elkaar proberen om dat toezicht zo goed mogelijk te maken, want we doet dit omdat dit onder de streep wat moet opleveren voor het klimaat. Dus we moeten fraudezaken met biodiesel aanpakken. Het is dus ook aangewezen dat dat nodig is.

Met het voortzetten van de huidige systematiek en het beter borgen van duurzaamheid biedt dit wetsvoorstel de nieuwe fundamenten om die verduurzaming van vervoer voort te zetten. Dat is nodig om de afspraken na te komen die we in het Klimaatakkoord hebben gemaakt, maar ook voor de noodzakelijke investeringszekerheid, want alleen door een wetsvoorstel worden er nog geen investeringen gedaan. Dus we moeten ook zorgen dat er investeringszekerheid is om hernieuwbare energie, ook laadinfra en waterstof, te borgen.

Voorzitter. Dan nog een algemene opmerking van de heer Grinwis, die aangaf dat de CO2-uitstoot van mobiliteit nog niet gedaald is, alle maatregelen ten spijt. Het is wel een klein beetje hoe je naar dit hele verhaal kijkt. Kijk naar de laatste officiële prognose voor het wegvervoer in de KEV 2020 van het PBL. De hoogste uitstoot was in 2005. Dat was 40 megaton. Daar hebben we inmiddels 5 megaton van af weten te halen. Daarmee is de curve wel degelijk aan het dalen, maar we zien ook dat we met de prognoses voor economische groei, zeker als je wereldwijd kijkt, nog voor een gigantische stijging van de mobiliteit staan. In die zin deel ik de zorg van de heer Grinwis dat we de verduurzaming van het transport zeer sterk kracht bij moeten zetten, willen we voorkomen dat deze sector straks in uitstoot de pan uit rijst. In mijn huidige functie ben ik ook voorzitter van de wereldwijde Transport Decarbonisation Alliance. In het vrachtvervoer zien we een toename van 70%. Daar maken we ons zorgen over, als we daarin niet gaan verduurzamen. Dus we moeten in het lichte vervoer maar ook in het vrachtvervoer echt aan de slag met die verduurzaming, niet alleen als Nederland maar ook wereldwijd.

Dan was er nog een belangrijke vraag: krijgt de Kamer nog de kans om te reageren op het besluit? Absoluut. We creëren hier de wet. Een aantal van u heeft terecht gevraagd of er nog een mogelijkheid komt om met elkaar over het besluit te spreken. Absoluut. Ook het komende besluit, voor de periode 2022-2030, wordt naar de Kamer gestuurd. Dan kunnen we dat daarna met elkaar bespreken, ook in de praktische invulling van een aantal punten.

De heer Van Raan (PvdD):
Dank voor deze toezegging. Even precies: we gaan dus nog spreken over het besluit, inclusief de lijst die afgeleid wordt van de bijlagen 9a en 9b?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Die vraag was inderdaad gesteld. De bijlagen zijn door de Europese Commissie vastgesteld, maar ik ben graag bereid om de bijlagen die zijn vastgesteld ter informatie naar de Kamer te sturen als een soort context. Maar we kunnen er niet zelf in gaan shoppen, want dat wordt Europees via een delegated act vastgesteld.

De heer Van Raan (PvdD):
Daarom zei ik ook: de lijst die Nederland afleidt van bijlage 9. Dus het is helemaal niet aan de orde dat we in die Europese lijst gaan schrappen, maar Nederland heeft wel vrijheden om zaken van die lijst over te nemen, als zijnde wel of niet duurzaam. Daar zijn we volledig vrij in. We mogen niet dingen doen die niet op de lijst staan, maar we hoeven niet alles wat op de lijst staat over te nemen. Als we praten over het besluit, dan neem ik aan dat we ook kunnen spreken over de lijst die de staatssecretaris gemaakt heeft op basis van de Europese richtlijn.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Maar dan denk ik dat de heer Van Raan een ander beeld heeft bij hoe dat besluit er dan uit komt te zien. We hebben te maken met categorieën en we stellen limieten aan categorieën, maar binnen die categorieën kunnen er verschillende stromen gebruikt worden. We sturen daarbij minder op stroom A of stroom B. Er is een uitzondering op gemaakt, namelijk palmolie. Daarover is al een afspraak gemaakt met partijen. Overigens ligt er ook een verzoek om dat voor soja te doen. Het is echter niet zo dat we een soort van positieflijst bij dat besluit publiceren.

De voorzitter:
Heel kort.

De heer Van Raan (PvdD):
Aan het begin van het antwoord van de staatssecretaris waren we het helemaal eens met elkaar. We krijgen die lijst en het besluit en daar gaan we dan vervolgens over praten. Maar aan het eind lijkt ze nu weer een soort terugtrekkende beweging te maken.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Nee, nee.

De heer Van Raan (PvdD):
Gaan we nu wel of niet over die lijst praten als we het over het besluit hebben? Het gaat dan om een lijst die de staatssecretaris bijvoegt op grond van de Europese lijst. Ik wil dan dus niet over de Europese lijst praten maar over de vertaling die de staatssecretaris ervan maakt.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Volgens mij dreigen we hier in een semantische discussie te geraken over een stuk dat nog niet in de Kamer ligt. Dus laat ik voorstellen dat ik de stukken zoals voorgenomen naar de Kamer stuur. Daar kan de Kamer altijd over spreken. Ik zal graag de informatie wat betreft de lijsten die de Europese Commissie heeft vastgesteld, daarbij voegen. Als de heer Van Raan van mening is dat hij dan nog iets mist bij die toegestuurde stukken en het besluit, dan kan hij er altijd nog naar vragen. Op die manier voorkomen we in ieder geval dat we onterecht in een semantische discussie terechtkomen met elkaar.

De Partij van de Arbeid vraagt waarom er ten aanzien van lichtere voertuigen wordt gekozen voor een toename van biobrandstoffen. Allereerst: we hebben de doelstellingen van het Klimaatakkoord en daarbovenop de Urgendadoelstellingen. In de discussie over het Klimaatakkoord hebben we gekeken binnen welke sectoren er potentie is om die 49% te halen en wat alles bij elkaar een kosteneffectieve invulling biedt over de verschillende sectoren heen, waarbij alle sectoren een opgave hebben om te groeien. Toen hebben we gezegd dat er ook wat betreft biobrandstoffen een knop is waar we aan kunnen draaien om die CO2-reductie te halen, want die 49% wilden we als kabinet gewoon halen. Toen hebben we het PBL laten berekenen welke mogelijkheden er zouden zijn in welke sectoren. Daar kwam voor biobrandstoffen, zo zeg ik nu uit mijn hoofd, een potentie uit van ongeveer 5 megaton. Die hebben we niet meegenomen. We hebben het gemaximeerd op 2 megaton, juist vanuit de wens om het echt in te vullen en de stijging in te vullen met geavanceerde biobrandstof. Dan moet je ook beperkt zijn in de hoeveelheid die je tot 2030 daarbij kunt opwekken. Zoals uit de jaarlijkse rapportages van de NEa blijkt, worden verder met name dieselvervangers ingezet. Die dieselvervangers richten zich ook op zwaarder vervoer. Daarmee past het ook in de systematiek van het biomassakader dat eigenlijk zegt: je hebt sectoren waar je langzamerhand weer gaat afbouwen, sectoren waar je gaat ombouwen en sectoren waar je gaat opbouwen. Dus voor personenvervoer draagt deze wetgeving juist bij aan elektrificatie en daarmee aan het versterken van het weer uitfaseren in het lichtere vervoer door het toestaan van hernieuwbare elektriciteit. Nederland loopt hierin al jaren voorop. Daarnaast is er nog een bestaande vloot aan auto's die langzaam uitfaseert, waarbij ook brandstoffen nog worden verduurzaamd.

Hoe zien we de tijdlijn? Die vraag is daar dan misschien wel aan gekoppeld. We zetten duidelijk in op elektrificatie. Onderdeel van de afspraken in het Klimaatakkoord is dat we vanaf 2030 geen nieuwe fossiele auto's willen toevoegen aan het Nederlandse wagenpark. Ook in Europa wordt er op dit moment inderdaad onderhandeld en gesproken over het wellicht invoeren van een einddatum voor de verkoop van fossielebrandstofauto's. Je hebt namelijk ook nog de waterstofauto. Die valt onder elektrificatie, zeg ik maar eventjes voor de volledigheid. Daarmee, en ook met onze eigen doelstelling, verschuift het gebruik natuurlijk al langzamerhand, geleidelijk, van licht naar zwaarder transport, omdat we die lichte voertuigen gewoon uitfaseren in het gebruik van biobrandstoffen. We zetten ook in op een versnelde ontwikkeling en beschikbaarheid van alternatieve energiedragers, om dat te vergemakkelijken. Volgens mij memoreerde de heer Grinwis aan het feit dat Nederland echt koploper op het gebied van laadpalen is. Ik geloof dat we zo'n 66.000 laadpunten in Nederland hebben. Daarmee zijn we echt koploper. Dat zetten we ook door met onze Nationale Agenda Laadinfrastructuur. Kortom, we zijn bezig met die verduurzaming en in de praktijk met die afbouw.

Hoe is het duurzaamheidskader meegenomen in dit wetsvoorstel? Nou, dit hele wetsvoorstel is natuurlijk opgesteld. De keuzes die daarin zijn gemaakt en de randvoorwaarden daarvoor betreffen natuurlijk Europese regelgeving, maar daarnaast gaat het ook om ons Klimaatakkoord, de Urgendaopgave en natuurlijk ook het duurzaamheidskader dat we hebben laten opstellen om ervoor te zorgen dat biogrondstoffen eigenlijk door alle sectoren heen op een goede manier worden ingezet. De SER heeft geconcludeerd dat er in beginsel mondiaal en Europees voldoende biogrondstoffen beschikbaar zijn om aan de Nederlandse behoefte te voldoen. De vraag daarbij, en die kwam ook een beetje bij de PvdA vandaan, was: kunnen we gaan werken met een fair share? Nou, de SER heeft mede op basis van onderzoek van het PBL eigenlijk geconcludeerd dat "fair share" lastig te beoordelen is. Zij bevelen heel nadrukkelijk aan om in te zetten op fair trade en certificering van de duurzaamheid van biogrondstoffen. Dat advies is door het kabinet overgenomen.

De ChristenUnie vroeg naar het tijdpad. Ik denk dat 2030 een belangrijk moment is, want dan beogen we als kabinet te stoppen met de verkoop van fossielebrandstofauto's. Daarnaast is het natuurlijk zo dat het wegvervoer, zowel het lichte als het zware wegvervoer, in 2050 zero-emissie moet zijn. Daar streven we met elkaar naar. Voor personenvervoer zal dat waarschijnlijk sneller gaan dan voor het vrachtvervoer. Dan denk ik ook aan de hele inzet op de zero-emissiezones in de binnensteden. 30 tot 40 Nederlandse binnensteden gaan een zero-emissiezone voor vracht afkondigen. Zo werken we in Nederland ook heel actief aan het verduurzamen van dat zwaardere transport, aan de ene kant via elektrificatie maar ook via waterstof. Want waterstof heeft met name voor dat zwaardere transport ook echt een aantal grote voordelen. Ook in de laadinfrastructuur kijken we naar beide.

Dan een vraag naar frituurvet. Alle inzet, wat we ook inzetten, moet aantoonbaar voldoen aan zowel reductie- als duurzaamheidscriteria. Daarbij wordt naar de hele keten gekeken. Ook is een groot deel van de inzet in Nederland afkomstig uit de EU. Dat zijn allemaal voorwaarden die we aan de inzet stellen.

Ben ik bereid om ook de keten mee te nemen? Ja, wij sturen ook actief op afval en residuen. Deze worden gekenmerkt door hoge ketenreducties. Ook sluiten we hoog-ILUC-gewassen uit. Daarmee realiseert Nederland jaarlijks hogere ketenreducties dan andere lidstaten.

Dat waren een paar algemene vragen. Dan kom ik bij een blokje over verschillende stromen, dan nog wat meer over EV, en dan nog een aantal overige vragen.

Bij de verschillende stromen heeft een aantal van de leden aandacht gevraagd voor PFAD. Dat is inderdaad een bijproduct. ILUC is dan geen criterium. Palmolie wordt natuurlijk ook niet alleen gebruikt voor biobrandstoffen, maar ook in belangrijke mate voor voedsel en cosmetica. Palmolie zit echt in ontzettend veel producten. Dan ontstaat er een reststroom die vervolgens kan worden ingezet. Desondanks wordt deze stroom in Nederland nauwelijks ingezet. Maar hij valt sowieso onder de limiet van voedsel. Hij wordt dus zeer beperkt ingezet. "Voedselgewassen in Nederland" was in 2020 1,7% van de inzet van brandstoffen.

De vraag van de VVD ging over het gebruik van biogrondstoffen die over zijn. Nederland zet inderdaad al jaren vrij succesvol in op afvalstroomresiduen als grondstof voor biobrandstoffen. Dit zullen we zeker voortzetten, want die leveren grote CO2-winst op en kennen geen risico's op ontbossing. Soms komen er nieuwe stromen naar boven en is de vraag of deze gecertificeerd kunnen worden als reststroom. Ik zei al tegen de heer Van Raan dat dat een Europese aangelegenheid is. Zo hebben we bijvoorbeeld, op verzoek van de CDA- en de VVD-fracties, voor bepaalde vetten de branche ondersteund om te kijken of dit inderdaad volgens de criteria gecertificeerd zou moeten worden als een reststroom en dat vervolgens bij de Europese Commissie onder de aandacht gebracht. Als er specifieke vragen zijn, kijken we dus of het voldoet aan de criteria, want als we reststromen kunnen inzetten, worden we daar allemaal beter van.

De heer Madlener (PVV):
Ik heb af en toe het idee dat ik in een soort theoretische benadering zit en dat de praktijk heel anders is. Het klinkt allemaal mooi: reststromen, Nederlandse productie. Ik zie juist dat de import van olie voor dieselvervangers in Nederland onder uw staatssecretariaat bijna is verdubbeld. Wij zijn dus gigantisch veel meer gaan importeren sinds u hier staatssecretaris bent. Dat is de praktijk. Dan zijn er ook talloze rapporten die zeggen dat al die biodiesels slechter zijn dan reguliere diesel, slechter ook voor het klimaat. Dus ook qua CO2-uitstoot is het heel ontbrekend. Die uitstoot gaat alleen maar door. Het gebruik van biodiesel gaan we verhogen in de komende jaren, niet verlagen. Zit u dus niet een beetje in een theoretische exercitie door met uw boekhouders in Brussel te rekenen of we alles nakomen terwijl de praktijk een heel andere is, namelijk dat wij oerwouden aan het vernietigen zijn?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Ik herken de zorgen van de PVV over de oerbossen. Ik waardeer ook dat zij zich daarvoor inzetten. Ik hoop dat die inzet ook voor de Nederlandse natuur geldt. Ik hoop ook dat de zorgen breed voor het klimaat gelden en dat de zorgen over de CO2-uitstoot de PVV ertoe aanzetten om in de breedte de inzet op het tegengaan van klimaatverandering, wat inderdaad ook allerlei effecten heeft op de biodiversiteit, van harte te ondersteunen. Waar het gaat om het tegengaan van klimaatverandering hebben we ook een vervanging nodig van fossiele brandstoffen door biobrandstoffen. Je moet dan wel iedere keer kijken of die biobrandstof onder de streep wel echt beter is voor het klimaat, want anders ben je niet met de goede dingen bezig. Daarom is het ook zo belangrijk dat de Europese Commissie dat onderzoek structureel doet en ook lijsten opstelt op basis van de laatste wetenschappelijke inzichten. Ze actualiseren die lijst ook met enige regelmaat. Als er een actualisatie plaatsvindt, zal ik de Kamer zeker informeren over wat het laatste onderzoek nu eigenlijk uitwijst over wat het oplevert onder de streep. Dat is natuurlijk wel cruciaal: als het onder de streep niks oplevert, moeten we het niet doen. Daar zijn we het met elkaar over eens. Als het wel wat oplevert, hoop ik dat ook de heer Madlener het steunt.

De heer Madlener (PVV):
Nou, zeker. We zitten niet aan de keukentafel; we zitten in het parlement van de Nederlandse bevolking. Als ik ga zoeken naar feiten, kom ik gewoon op hele andere cijfers dan u. Dan zie ik dat het huidige gebruik van palmolie, maar ook soja, slechter is dan het gebruik van reguliere diesel. Het is ook nog eens duurder voor de automobilist, maar het is ook slechter als het gaat om CO2-uitstoot en om vernietiging van oerwoud, waar wij ons inderdaad natuurlijk druk over maken. Hoe kan het dat u hier met mooie verhalen komt, met rekenexercities en "we moeten voldoen aan", terwijl de praktijk een hele andere is? Wie zitten we voor de gek te houden?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Laten we sowieso zorgen dat we de kiezer niet voor de gek houden, want palm en soja worden in Nederland niet ingezet vanwege de zorgen die er inderdaad zijn over de duurzaamheid van die oliën. We hebben een afspraak gemaakt met de sectoren dat die oliën niet worden ingezet in Nederland. Dat gebeurt dus ook niet. Het is een afspraak die we hebben gemaakt onder het Klimaatakkoord dat dat ook niet gaat gebeuren. Palmolie wordt ook in deze wetgeving uitgesloten. Nogmaals, er ligt een amendement van D66 om ook voor soja de vraag te stellen: als het soja is waarvan je echt kunt zeggen dat er hoogrisicofactoren aan zitten … Als het in Nederland geteeld wordt, zal er geen oerwoud voor gekapt worden, maar als die dreiging er wel is, moet je dat niet willen. Ik zal straks terugkomen op dat amendement, maar er worden in Nederland geen palmolie en geen sojaolie ingezet voor de productie van biobrandstoffen.

De heer Alkaya (SP):
Ik sluit me in dezen wel een klein beetje aan bij de PVV, want als ik het verhaal van de staatssecretaris hoor, lijkt het erop dat we het allemaal met elkaar eens zijn en dat we er makkelijk uitkomen, maar de praktijk is een andere. Zij zegt bijvoorbeeld dat we zo veel mogelijk moeten inzetten op het hergebruik van stoffen en dat we afvalstromen vooral moeten inzetten voor het produceren van biobrandstoffen. Maar ziet zij in dat het resultaat van de wet waar we vandaag over spreken zal zijn dat de import van conventionele biobrandstoffen zal toenemen? Ziet zij dat in?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Nee, want we zijn er zelf bij hoe wij een grens stellen aan de mate waarin die primaire, die eerstegeneratiebiobrandstoffen gebruikt worden. Nederland mocht volgens Europese regelgeving maximaal 7% van die primaire biobrandstoffen, van die eerstegeneratiebiobrandstoffen, gebruiken. Dat was de Europese cap. Ik heb dat in mijn tijd als Kamerlid samen met een Kamerlid van GroenLinks verlaagd. In 2020 was het 1,7%. Er is Europese regelgeving die vervolgens aangeeft dat je nog maar maximaal 1% boven dat aantal in het jaar 2020 mag zitten. We zitten dus heel ver af van de cap die er in eerste instantie was. We zitten echt op een laag percentage en ik vind dat we dat laag moeten houden. Dat is echt onze gezamenlijke inzet. Ik voel daarvoor ook steun vanuit de inbreng in de Kamer. We gaan er nader over spreken bij het besluit, maar ik deel met de heer Alkaya dat we niet die grote groei moeten gaan zien. Dan gaan we in het besluit met elkaar vastleggen.

De heer Alkaya (SP):
Het is fijn dat we ver van die cap af zitten, maar de vraag is natuurlijk: gaat het gebruik van die primaire grondstof voor biobrandstoffen met deze wet toenemen ten opzichte van de huidige situatie of niet? Ik hoor de staatssecretaris niet zeggen: nee, het gaat pertinent niet toenemen. Het zou toch mooi zijn als we dat hier kunnen besluiten? Dan hebben we een deel van de zorgen al weggenomen en kunnen we het over de rest gaan hebben. Sluit de staatssecretaris dit uit?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Ik kan de intentie zeker onderstrepen, maar het besluit zelf komt er als we dat hier met elkaar nemen. In de wet zitten haakjes. De heer Van Raan en een aantal anderen vroegen of we daar nog met de Kamer over spreken. In dat besluit zitten de percentages en dan kun je vastleggen wat er wel en niet toeneemt. Het is mijn inzet, die denk ik door een heel deel van de Kamer wordt gedeeld, dat we zeer voorzichtig zijn met die eerstegeneratiebiobrandstoffen. Onze gezamenlijke inzet is om dat niet te laten toenemen. Dat besluiten we bij dat besluit. Voor de kijkers thuis klinkt dat misschien een beetje raar, maar de regelgeving zit zo in elkaar dat we nu een wet creëren als een soort raamwerk. Daarnaast komt er nadere regelgeving die op een aantal punten deze wet invult. Daarin worden die percentages vastgelegd.

De heer Alkaya (SP):
Ziet de staatssecretaris in dat het één voor sommige fracties, in elk geval voor mijn fractie, heel belangrijk is voor het ander? Er is een theoretische mogelijkheid dat we vandaag een wet vaststellen waarin we ambities vastleggen, terwijl vervolgens in het besluit blijkt dat we het gebruik van die primaire gewassen niet terugdringen. In dat geval zouden we vandaag wettelijk vastleggen dat we allerlei ellende in de wereld gaan veroorzaken. Dat moeten we toch met z'n allen kunnen uitsluiten? Zou de staatssecretaris misschien in ieder geval kunnen toezeggen dat zij erop gaat toezien dat dat niet gebeurt?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Onze gezamenlijke ambitie is dat we de ellende in de wereld niet laten toenemen. Ik denk dat we er ook voor moeten zorgen dat we dat goed vertalen tussen deze wet en het daadwerkelijke besluit. Absoluut.

De voorzitter:
U continueert.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Ja. De SGP vroeg nog hoe het zit met het onderscheid van die categorieën "bijproduct" en "residu". Tegen de heer Bisschop kan ik zeggen dat dit zit in de bijlage van de Europese Commissie. Zij maakt dat onderscheid en heeft daar hele duidelijke criteria voor. Als er vragen zijn als "waar past een bepaalde stof", dan is er altijd de gelegenheid om dat onderbouwd bij de Commissie onder de aandacht te brengen. Er is dus een afwegingskader voor.

Over houtige biomassa was er nog een vraag van de Partij voor de Dieren. Hoe kijken we aan tegen het niet toestaan van houtige biomassa? Alle inzet moet aantoonbaar voldoen aan duurzaamheidscriteria. Houtige biomassa kan op deze manier bijdragen. Sommige grondstoffen hiervan zijn door de Europese Unie op de geavanceerde lijst gezet. Het zou zonde zijn als we iets uitsluiten dat geavanceerd is, terwijl we juist de beweging van conventioneel naar geavanceerd willen maken. Blijft dat voor alles geldt dat we moeten zorgen dat het gecertificeerd duurzaam is.

Erkent de staatssecretaris dat er ook bij soja sprake is van CO2-zorgen? Dat is een vraag van de SGP. Wat mij betreft is het ontzettend belangrijk dat de inzet van biobrandstof moet voldoen aan duurzaamheidscriteria én reductiecriteria in de keten. De Nederlandse lijn blijft om geen soja voor brandstof in te zetten. Dat is gelukkig ook al sinds jaar en dag de praktijk.

De heer Van Raan (PvdD):
Over die houtige biomassa. Het is toch wel bijzonder. Aan de ene kant is het kabinetsbeleid om qua energieopwekking houtige biomassa echt zo snel mogelijk uit te sluiten en om daar geen nieuwe subsidies meer voor te verstrekken et cetera. Maar aan de andere kant zegt de staatssecretaris: voor vervoer zou het zonde zijn als we het niet zouden gebruiken. Dat hinkt toch op twee gedachten? Ziet zij die twee gedachten? Ik zie haar nee schudden.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Nee. Als je zou zeggen dat je nergens meer biomassa voor wilt gebruiken, dan zie je dat het totaal geen enkele rol …

De heer Van Raan (PvdD):
Correctie: houtige biomassa.

De voorzitter:
Het woord is aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Voor alle biomassa geldt dat, als je het standpunt zou hebben dat er op geen enkele manier gebruik van kan worden gemaakt in de transitie naar klimaatneutraliteit, er dan een groot gat valt in de mogelijkheden om die klimaatneutraliteit snel te bereiken. Ik zie dat de heer Van Raan knikt en dat hij het daarmee eens is. Bij de inzet van biogrondstoffen gaat het er dus om dat we er steeds naar streven om die op een zo hoogwaardig mogelijke manier te benutten. Dan is het verbranden voor alleen warmte een van de meest laagwaardige manieren. Daarom is het kabinet inderdaad bezig om te kijken naar uitfasering daarvan. De inzet in geavanceerde briobrandstoffen is dan toch net een stapje hoger op die ladder van hoogwaardig gebruik. Dat is natuurlijk waar we met elkaar naar op zoek zijn: een zo hoogwaardig mogelijke inzet. Daarbij past het ook om steeds scherp te zijn. Daarom waardeer ik de vraag van de heer Van Raan ook, zoals altijd. Het zal een proces zijn waarbij we in de tijd zien dat een steeds hoogwaardiger toepassing van bepaalde biogrondstoffen mogelijk is. Daarom gaat de SER qua transitie ook uit van een afbouw- en opbouwpad. Daarbij schuiven we geleidelijk, stap voor stap, naar een zo hoogwaardig mogelijke inzet van deze kostbare grondstoffen.

De heer Van Raan (PvdD):
Ik zal op mijn lichaamstaal letten, want knikken betekent niet dat ik ermee instem dat je biomassa moet gebruiken om een klimaatprobleem op te lossen. Dat is niet het geval. De minister veralgemeniseert het toch weer en heeft het over biomassa in het algemeen, maar dit gaat echt specifiek over houtige biomassa. Dat verhaal is echt anders. Erkent zij dat op z'n minst?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Ik vind dat je voor elke stof, voor elke stroom aan biogrondstoffen steeds moet kijken naar die hoogwaardige inzet. Ook als het gaat om houtige biomassa moeten we met elkaar de analyse maken in welke mate dit een rol kan spelen in de gezamenlijke opgave die we hebben. Die opgave, dat doel, moeten we halen. Dat is waar we met elkaar verantwoordelijkheid voor dragen. Dat willen we op een zo goed mogelijke manier behalen. Daarbij moeten we ook echt heel goed de zorgen over het verlies aan biodiversiteit en de zorgen over vervuiling in de gaten houden. We hebben het nu over een covidcrisis, maar er zijn ook een aantal andere hele grote crises die op ons afkomen. Daarbij moeten we steeds de toetssteen hanteren, zo van: helpt dit, helpt dit voldoende of is het tijd om naar een volgende stap te gaan? Zo interpreteer ik eigenlijk ook de vraag van de heer Van Raan naar de toekomst toe. Laten we steeds scherp blijven op de vraag of we bijvoorbeeld voor houtige biomassa al zouden kunnen opschuiven naar een volgende hoogwaardiger toepassing. Ik weet ook zeker dat de Tweede Kamer de bewindspersoon van dienst daar steeds scherp op zal houden. Dat zal ook een ontwikkeling blijven.

Dan het stimuleren van waterstof. Stel dat we langzamerhand, zeker in het lichte vervoer, naar een zo hoogwaardig mogelijke toepassing van biobrandstof willen. Als we dan zien dat er op een gegeven moment alternatieven zijn voor biobrandstoffen, zoals elektrificatie, dan is het dus ook van belang dat we ervoor zorgen dat we waar dat kan de overgang naar elektrificatie maken en dat we geen onnodig beroep meer doen op die schaarse biogrondstoffen. Naast de RED stimuleert het kabinet elektrisch vervoer op allerlei manieren. Daar hebben we op allerlei manieren op ingezet in het Klimaatakkoord. Maar ook via RED II zetten we in op het stimuleren van de inzet van elektriciteit en waterstof. Waterstof wordt een belangrijke energiedrager voor de verduurzaming van vervoer. Niet alleen voor het lichte vervoer, maar met name ook voor het zwaardere vervoer is dat echt een hele interessante optie. Daarom is die stap naar groene waterstof — daar moet het dan natuurlijk wel om gaan — zeer belangrijk.

Dit beleid, dat zich richt op hernieuwbare energie, kan daarin een stimulans geven. Daarom zijn er in dit wetsvoorstel mogelijkheden ingebouwd om hernieuwbare waterstof en gerelateerde brandstoffen in te zetten voor de jaarverplichting. Nationaal ben ik bijvoorbeeld voornemens een stimuleringsfactor toe te kennen, waarin RED II op dit moment nog niet voorziet. We gaan het dus extra aantrekkelijk maken. Daarnaast hebben we de DKTI-subsidieregeling, de uitrol van tankstations en de ontwikkeling van innovatieve toepassingen. Verder ben ik actief betrokken bij het Europese innovatieprogramma voor waterstof. Het gaat onder andere om 60 waterstofbussen die binnenkort in Nederland gaan rijden. Ik heb trouwens ook de eerste waterstoftrein in Nederland mogen introduceren, in het noorden.

Ook de Partij van de Arbeid heeft er nadrukkelijk naar gevraagd. Het is natuurlijk wel van belang dat groene waterstof tegelijkertijd aantoonbaar moet bijdragen aan CO2-reductie. We hebben met EZK en de sector overleg hierover. De operationalisatie daarvan landt ook in latere regelgeving. Ik denk dat dat in belangrijke mate tegemoetkomt aan de vraag hoe het nou zit met zo'n elektrolyzer. Moet die dan meteen in werking treden en dergelijke? Al dat soort vragen zullen we dan hopelijk met elkaar goed uitgewerkt hebben. We willen het opnemen omdat we het graag willen stimuleren. Dan moeten we ook zorgen dat het in de praktijk een stimulans is en niet onwerkbaar is voor de sector. Zo interpreteer ik zeker de vragen op dit punt. We zullen zorgen dat we daar richting de uitwerking op een goede manier invulling aan geven.

De discussie over waterstof in raffinage loopt ook, zeg ik in antwoord op de vraag van de heer Geurts. Volgens mij vroeg hij ook voor een deel naar de praktische belemmeringen die eventueel zouden ontstaan. Ook tegen de heer Geurts zeg ik graag: we moeten echt zorgen dat het dan in de praktijk werkt zoals we het met elkaar inregelen.

Waterstof in raffinage valt wel onder de industrie en niet onder transport, ook wanneer we het hebben over de stimuleringen binnen de RED II. Dan zijn we echt gericht op het stimuleren van de inzet in het transport. Daarnaast zijn er andere instrumenten die we ook inzetten — denk aan de SDE+ — in andere sectoren, waarbij we natuurlijk altijd oog moeten houden voor het feit dat je dingen niet dubbel gaat stimuleren met belastinggeld of met geld dat uiteindelijk door de partijen aan de pomp wordt opgebracht. Daar zullen we zeker scherp op letten.

Dat heeft ook te maken met het vraagstuk van de additionaliteit. Dat volgt ook uit een Europese delegated act; de heer Geurts vroeg daarnaar. De uitwerking daarvan loopt nog. Ik zoek hiervoor natuurlijk zo veel mogelijk ruimte in Europa door de definitie van wat is toegestaan met betrekking tot additionaliteit wat ruimer te maken. Kortom, we zijn met elkaar een puzzeltje aan het leggen. Hoe verhouden die verschillende instrumenten en wettelijke kaders zich tot elkaar? Hoe zorgen we ervoor dat we daar stimuleren waar we het willen stimuleren, niet alleen op papier maar ook in de praktijk? En hoe voorkomen we tegelijkertijd dat er een soort dubbele ondersteuning plaatsvindt? Want dan schieten we ook weer door. Het is een belangrijke discussie samen met EZK om dat goed op elkaar te laten aansluiten.

Hoe garanderen we dat deze wet de overgang naar EV stimuleert, vroeg D66. Ik hoop dat ik daar in belangrijke mate antwoord op heb gegeven. Ik kom zo meteen nog even terug op de inzet in de binnenvaart.

D66 vroeg hoe we aankijken tegen de dubbeltelling factor vier voor EV. De elektrificatie van vervoer is een hele belangrijke ontwikkeling en de jaarverplichting draagt daaraan bij. Een dubbeltelling wordt vastgelegd in de Regeling energie vervoer; dus hier weer het haakje in de regeling met straks de definitieve waarden. Op zich sta ik positief tegenover die factor vier, want daarmee versterken we nog een keertje de inzet in deze ontwikkeling. Als we zien hoe snel deze ontwikkeling gaat, willen we die graag kracht bijzetten. Op zich sta ik daar positief tegenover, maar we komen er nog op terug bij de regeling.

Het CDA vroeg nog hoe een HBE zou kunnen helpen bij laadpalen thuis en het mkb, zodat niet alleen de grote snellaadstations daarvan kunnen profiteren. Kunnen we dat niet ook voor kleinere producenten aantrekkelijk maken? Ik vind dat zeker een interessante optie, nogmaals weer vanuit de wens om de overgang naar elektriciteit in het lichte vervoer zo veel mogelijk te stimuleren. Dat betekent namelijk weer dat we die kostbare biobrandstoffen niet inzetten waar dat niet nodig is. Laadpalen thuis hebben wel een lage bezetting, en daardoor zijn de administratieve lasten relatief hoog. Een mogelijke oplossing zou dan zijn om de mogelijkheid te creëren om laadpalen als het ware te bundelen, te laten inzetten via intermediairs. De heer Geurts refereerde aan het Duitse voorbeeld. Ik zal daar zeker naar kijken, want er komen bij mij wel een aantal vragen op over de uitvoerbaarheid, dubbeltelling en fraude. Als de Duitsers daar een oplossing voor hebben gevonden, ben ik benieuwd wat die oplossing is. Ik wil onderzoeken of dit mogelijk is. Ik zal de Kamer daarover informeren, maar dan ga ik wel ook specifiek in op de vragen die ik hier noem. We willen dat natuurlijk met elkaar hebben uitgezocht voordat we daartoe besluiten.

Voorzitter. Dan nog een aantal overige vragen, allereerst over het toezicht. Het publieke toezicht vindt risicogestuurd plaats. Daarbij wordt gekeken hoe massa en balans op elkaar aansluiten en kloppen. Het private toezicht wordt momenteel Europees vormgegeven via een delegated act. In de ketenanalyse heb ik ook aandacht besteed aan de private werkwijze en de mogelijkheden voor noodzakelijke verbeteringen. Dit wetsvoorstel is nou juist ook een manier om dat toezicht te versterken. Daar hebben we actief op gestuurd met dit wetsvoorstel. Ik wijs nogmaals op de zorgen over de biodieselfraude die er zijn geweest. Het versterken van het publieke toezicht via de NEa zijn echt voor mij een belangrijk element. Dat verankeren we met deze wet. Ik hoop dus uiteraard op steun van de Kamer.

Dan was er nog de vraag van de Partij voor de Dieren om te zorgen dat palmolie omgekat kan worden. Ik denk dat het ook aan PFAD raakt. We moeten inderdaad inzetten op het robuuster maken van de systematiek en transparantie en toezicht versterken. Ik blijf me hier met gelijkgestemde lidstaten hard voor maken. Nogmaals, op het punt van de biodieselfraude hebben we echt actief de contacten opgezocht en met onze Duitse, Franse en Belgische collega gekeken wat nou de andere grote producenten in Europa zijn en hoe we er met elkaar voor kunnen zorgen dat we na eventuele fraudepraktijken die we ontdekt hebben, we allemaal de mazen in het net dichten. Het gaat dus gewoon om continue waakzaamheid. Elke keer als we weer signalen krijgen, moeten we ervoor zorgen dat we die signalen goed onderzoeken en kijken of er reden is om wat dat betreft de monitoring en het toezicht aan te scherpen.

Dan was de vraag van het CDA nog of de invloed van covid bekend is. Dat heeft te maken, denk ik, met de doelstelling van de eerste generatie biobrandstoffen. Er is in 2020 ongeveer 13% minder hernieuwbare energie ingezet dan verwacht. Waar nodig nemen we de impact van corona mee. Dat doen we in al het beleid. Waar we vooral naar gaan kijken, is of het een trendbreuk is of niet. Als het past in de gewone trend, hoeft er geen reden te zijn om daarin iets te veranderen. Maar we komen hierop nog terug bij het besluit.

De Partij voor de Dieren vroeg naar de reflectie op de hoeveelheid bio in luchtvaart die redelijkerwijs mogelijk is. Dat is voornamelijk het terrein van de minister. Dat weet de heer Van Raan. Maar breed, voor de luchtvaart en scheepvaart, weten we dat het om enorme hoeveelheden brandstof gaat. Tegelijkertijd hebben die sectoren daarmee een hele opgave om ook hun sector te verduurzamen. De discussie over op welke wijze dat dan moet gebeuren en welke deelrol biobrandstof, waterstof of andere technologieën daarin kunnen spelen, zal zeker ook nog besproken worden. Op dit moment in de inzet van bio in luchtvaart zeer beperkt. In de eerste conceptvoorstellen over de EU-bijmengverplichting luchtvaart wordt aangestuurd op 5% in 2030, bestaande uit vrijwel geheel geavanceerde biobrandstoffen: 4,3 zou geavanceerde biobrandstoffen zijn en 0,7 hernieuwbare synthetische brandstoffen. Dat is wat er op dit moment besproken wordt in de eerste conceptvoorstellen. Inzet in Nederland van 2030 tot 2050: grondstoffen verbreden en inzetten op synthetisch. Nadere invulling hiervan kunt u vinden in het actieprogramma duurzame luchtvaartbrandstoffen.

De heer Van Raan (PvdD):
Die getallen zijn mij bekend. Het is fijn dat wij over dezelfde getallen spreken. Wat er niet bij staat, is hoeveel energie er nodig is om met name die synthetische e-brandstoffen, die 0,7%, te produceren. Ik vraag me af of de staatssecretaris bereid is om op een rijtje te zetten hoeveel energie ermee gepaard gaat en dat in een brief zet.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Laat ik het verzoek overbrengen aan de minister die dit dossier met de Kamer bespreekt en vragen of zij daar op enig moment nader inzicht in kan geven. Nogmaals, we willen met elkaar precies weten wat we aan het doen zijn. Feitelijke informatie helpt daarbij.

Velen van u hebben vragen gesteld over de binnenvaart. In de binnenvaart worden de komende jaren grote stappen gezet voor verdere verduurzaming. Momenteel is er geen jaarverplichting, maar als Urgendamaatregel is in die green deal binnenvaart en in het Klimaatakkoord de afspraak gemaakt om leveringen aan de binnenvaart wel onder de jaarverplichting te brengen. Deze wetgeving biedt hiervoor de grondslag oftewel het haakje. In het Besluit energie vervoer zal de definitieve keuze gemaakt worden. Een aantal van de zorgen die u heeft genoemd, bespreekt de minister ook met de sector, want dit valt ook onder de portefeuille van de minister. Zij is daarover nog in gesprek met de sector. Ik denk dat het heel belangrijk is dat al deze zorgen besproken worden. Het is wel goed, als kanttekening, om te weten dat de Europese Commissie Nederland heeft gewezen op het feit dat de binnenvaart vanaf 2020 al onder de CO2-reductieverplichting van de Fuel Quality Directive had moeten vallen en dat dit ook gecorrigeerd dient te worden. We hebben dus wel een opgave vanuit de Europese regelgeving. In dit wetsvoorstel wordt dit rechtgezet door brandstofleveranciers aan de binnenvaart onder de reductieverplichting te brengen. Nogmaals, de minister is nog in gesprek met de sector, met inachtneming van al uw zorgen, over hoe en op welke wijze precies. Ook de reductieverplichting wordt aangetoond via het inleveren van een HBE. De reductieverplichting en de jaarverplichting waren in 2020 nagenoeg even hoog. Ook al viel het dus nog niet onder de jaarverplichting, de reductieverplichtingen en de jaarverplichtingen waren in 2020 ongeveer even hoog.

Dan de zorg van de SGP hoe we ervoor zorgen dat er niet gebunkerd gaat worden in Duitsland. We zijn door de Commissie op de vingers getikt, omdat wij het niet goed geïmplementeerd hebben. Je zou zeggen dat daarmee in de EU een gelijk speelveld wordt geborgd. Dan zou dat risico ook klein moeten zijn. Dit komt ook voor een deel uit de Europese verplichting. Nogmaals, deze zorgen — die komen hier nog terug in een paar mooie suggesties voor antwoorden op specifieke vragen — komen eigenlijk op hetzelfde neer. We nemen de zorgen serieus. Er wordt over gesproken met de sector.

In het TNO-rapport — een vraag van de ChristenUnie ging daarover — zijn suggesties voor good housekeeping gedaan. Daar zal uiteraard naar gekeken worden. Ook zullen we de situatie het eerste jaar uiteraard goed monitoren. Daar zal de minister ook op terugkomen in haar brief aan u.

Dan heb ik hier nog een paar antwoorden. Ook de SP had inderdaad gevraagd of het klopt dat andere lidstaten binnenvaart uitsluiten en welke landen dat wel of niet doen. Alle lidstaten horen de binnenvaart onder de reductieverplichting te brengen. De Commissie heeft lidstaten die dit niet hebben gedaan, waaronder Nederland, aangesproken om dit recht te zetten. Daarmee krijg je dus een level playing field.

Klopt het dat het milieuvoordeel gering is in de binnenvaart? Nee, alle inzet van hernieuwbare energie in deze systematiek, ongeacht de bestemming, heeft klimaatwinst. Daar wordt op geselecteerd, want alle inzet moet voldoen aan strenge criteria voor duurzaamheid en ketenreducties.

De SGP vroeg nog om kwaliteitseisen voor biobrandstoffen in de binnenvaart. Deze eisen zijn vastgelegd in de Europese Richtlijn brandstofkwaliteit.

Dan was er nog een vraag van de SP of er geen handhaving komt totdat de kwaliteit gegarandeerd is. Nogmaals, alle brandstoffen die aan de binnenvaart worden geleverd, moeten aan de kwaliteitsstandaarden voldoen. Volgens mij was er eigenlijk een specifieke zorg. Als die er is, kan ik me voorstellen dat ik die nog aan de minister doorgeef voor haar gesprekken met de sector en dat we dan toch nog eens kijken hoe we daar meer helderheid over kunnen geven.

Dan een aparte langzame opbouw in de binnenvaart. Met de wet sturen we op grondstoffen, niet op sectoren. Dat zou echt een systeemwijziging vragen met meerdere HBE's. Dan krijg je een segmentatie. Dat kost heel veel tijd en past dan ook niet bij de voortgang die we in de binnenvaart komende tijd moeten maken.

Dan vroeg de SGP: waarom sturen wij op 27% in 2030, terwijl de Commissie tot 7% à 14% gaat? Naast een Europese verplichting heeft Nederland een afspraak in het Klimaatakkoord gemaakt om meer hernieuwbare biobrandstoffen in te zetten. Dat hebben we gedaan vanuit de overkoepelende doelstelling dat we die met elkaar op een zo kosteneffectieve manier hebben willen verdelen over de verschillende sectoren. Daar was ik mijn inbreng mee begonnen. Beide doelstellingen voor het wegtransport samen met de binnenvaart resulteren in die 27%.

Dan het per kwartaal inboeken van HBE in de zeevaart. Met deze wetswijziging worden stappen gezet om het inboeken tijdens het jaar voor bedrijven te vergemakkelijken. We zijn nog niet zover dat dat per kwartaal kan, omdat dat een grote lastenverzwaring voor de markt betekent, met name voor de kleinere inboekers. Misschien kunnen we dit richting het besluit nog wat verder doordenken, maar op voorhand lijken vooral administratieve lasten daarbij een bezwaar te zijn.

De voorzitter:
Waar bent u, staatssecretaris? Het klinkt een beetje alsof u nu een blokje varia heeft afgerond.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Het klinkt alsof ik hiermee de vragen van de leden beantwoord heb, maar in ieder geval één vraag nog niet.

De voorzitter:
Ja, maar dit was uw termijn?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Ja.

De voorzitter:
O, heel mooi. Nou, meneer Alkaya, aan u het woord.

De heer Alkaya (SP):
Ik snap dat de binnenvaart ook onder de reductiedoelstelling moet vallen, maar dat is toch wat anders dan meedoen aan deze bijmengverplichting van brandstoffen? Mijn vraag was: klopt het dat de binnenvaart van deze richtlijn is uitgezonderd door bepaalde lidstaten en, zo ja, welke lidstaten zijn dat?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Voordat we ook hierover in een semantische discussie komen: er is een richtlijn waar we aan moeten voldoen en daarnaast is er een green deal gesloten als onderdeel van de afspraken in het Urgendapakket. Die samen leiden tot de afspraak met de sector om dit zo op te gaan zetten. Nogmaals, de minister spreekt met de sector over de specifieke uitwerking en een paar zorgen die ook in uw Kamer zijn genoemd. Daarbij kan het wat afwijken van de landen om ons heen, omdat die niet allemaal op dezelfde wijze een Urgenda-uitspraak en een Klimaatakkoord hebben.

De heer Alkaya (SP):
Dat snap ik. Tegelijkertijd geeft de staatssecretaris geen antwoord op de vraag welke lidstaten dat hebben gedaan. Ik heb van de SGP-fractie gehoord dat het weleens onze buurlanden zouden kunnen zijn die de binnenvaart uitzonderen van de richtlijn, de implementatiewet, waar we vandaag over spreken. Ik zie dan in ieder geval een praktisch risico, maar ook een wat fundamenteler risico, namelijk dat onze binnenvaartschippers straks met een onwerkbare situatie te maken krijgen, omdat wij hier een wet vaststellen waarvan een heel aantal dingen nog in een besluit geregeld moet worden, net als zojuist. Maar dat besluit hebben we nog niet. We gaan dus dingen in de wet vastleggen waarvan de schippers zeggen dat zij daar niet mee uit de voeten kunnen omdat het niet werkt. De staatssecretaris zegt dan: ja, maar de minister is nog in gesprek en we gaan nog over het besluit spreken. Maar dan kunnen we toch niet met een gerust hart over de wet stemmen? Er gaan hier toch essentiële zaken mis?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Ik denk dat dat niet zo is. In de wet leggen we het Europees wettelijk kader vast: we gaan voldoen aan de verplichting die de Europese Commissie ons allemaal heeft opgelegd en waarvoor de Europese Commissie Nederland op de vingers heeft getikt. Die vertaling maken we hier in de wet, en de verdere uitwerking — daarover zijn veel vragen gesteld — komt terug in het besluit. Daarover besluiten we nu niet, dat komt pas in een volgende ronde. Dan kunnen we zien of de uitwerking van die verplichting zoals die in de wet ligt niet tot onoverkomelijke problemen leidt. Daarbij is de context dat we daarnaast een Klimaatakkoord en een green deal hebben gesloten. Dat is een context die in Nederland net iets anders is dan in een aantal andere landen.

De heer Alkaya (SP):
Tot slot. Die context is duidelijk. Maar het gaat nu specifiek over deze implementatiewet. Wat gaat het effect daarvan op de binnenvaartschippers zijn, niet alleen op hun schepen, maar ook vanwege het waterbedeffect, wat de SGP-fractie ook aangaf? Die informatie hebben we nu dus nog niet. Kan de staatssecretaris ons die informatie alsnog toesturen of gaat zij ervan dat wij over deze wet gaan stemmen zonder dat we die informatie hebben? Gaan Duitsland en België er ook voor zorgen dat hún binnenvaartschippers verplicht moeten tanken met brandstoffen waarin biobrandstoffen zijn gemengd? Of gaan ze dat niet doen?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Waar ik naar kan kijken — maar ik weet niet of wij zomaar kunnen beschikken over die informatie — is naar welke lidstaten de Europese Commissie nog meer heeft gemaand om hun wetgeving aan te passen omdat die niet conform de richtlijn is. Ik zou kunnen kijken of die informatie er is. Zo ja, dan kan ik die u zeker toesturen. Een deel van de Europese wetgeving had al moeten worden omgezet in onze wetgeving, maar dat is nog niet gebeurd. De Commissie vindt dat wij daarmee als Nederland het level playing field verstoren. Dat repareren we met deze wet. Dat moeten we gewoon doen, daar hebben we geen keuze in. Daarnaast is er een aantal uitwerkingspunten die terugkomen in het besluit, waarin een aantal van de zorgen terugkomt. Daarover spreekt de minister nog met de sector. Daarover wordt nog geen besluit genomen, wat dan nu vervolgens onwerkbaar zou zijn. Het gaat om een reparatie die we maken op basis van de richtlijn, waaraan we als Nederland niet voldeden, terwijl een aantal landen om ons heen daar wel aan voldoet. Maar ik ben best bereid om te kijken of we achter de informatie kunnen komen welke landen nog meer door de Commissie zijn gemaand om hun wetgeving aan te passen, als wij daarover kunnen beschikken.

De heer Madlener (PVV):
De discussie over al die soorten oliën en zaden, die gebruikt worden voor die olieproductie, is ingewikkeld, maar we kunnen er wel van uitgaan dat alles wat concurreert met de voedselvoorziening, niet goed is. In mijn informatie heb ik zonet nog kunnen vinden dat Nederland in 2019 nog meer dan de helft palmolie gebruikte voor biodiesel. Ik heb dat net nog gelezen: de helft van de biodieselproductie in 2019 in Nederland zou uit palmolie bestaan. Nu maakt het mij niet zoveel uit of het nou palmolie of iets anders is. Het is allemaal niet goed, want wij willen helemaal af van die hele biodieselbijmenging. Maar ik hoor de staatssecretaris net zeggen: Nederland gebruikt geen palmolie en geen sojaolie om bij te mengen in biobrandstoffen. Dan vraag ik mij af: wat gebruiken we dan wel? En gaat dat aandeel de komende jaren nog stijgen of dalen?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Waar de heer Madlener aan refereert, zijn de reststromen van palmolieproductie. Die reststromen worden wel benut, maar niet het voedselgewas palmolie. Ik denk dat daar de verwarring is ontstaan. Net werd gevraagd om er met elkaar voor te zorgen dat we goed in het oog houden of er geen aanzuigende werking ontstaat, namelijk dat je palmolieschillen of vetzuren gaat produceren voor de bijmenging. Dat was een zorg van de heer Van Raan. Er wordt in Nederland dus niet puur op palmolie ingezet, maar er worden wel restromen uit de palmolieproductie ingezet. Daar zit 'm precies het verschil. Het is belangrijk om dit even op te helderen, want anders ontstaan er hele verkeerde beelden van wat we in Nederland benutten. En ook daarbij is waakzaamheid geboden, zeg ik met de heer Van Raan. Daar moeten we continu met elkaar op letten.

De heer Madlener (PVV):
Nou, waakzaamheid geboden. Wat vaststaat is dat het niet goed is als we de vraag naar palmproducten uit die landen verhogen. In Nederland groeien weinig palmen, althans niet grootschalig. We hebben het er hier dus over of Nederland gaat bijdragen aan een hogere vraag naar vegetarische olie in de komende jaren. Gaat het omhoog of omlaag? En voor welke gewassen gaat de vraag dan omhoog? Of het nou bijstromen zijn of niet: het komt van palmen. Als wij de vraag daarnaar verhogen, doordat die bijmengverplichting verhoogd wordt, dan gaan we dus bijdragen aan extra ontbossing. Wat gaat Nederland nou doen? Hoe ziet het eruit over een paar jaar? Gaat het omhoog of omlaag?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
We hebben als Nederland gezegd dat de groei, zoals voorgesteld in het Klimaatakkoord, moet komen uit geavanceerde biobrandstoffen en dus niet uit voedselgewassen. Dat is de afspraak die we hebben gemaakt. Daarmee gaan we geen extra palmolie, waar de heer Madlener het over heeft, aantrekken, want de groei komt uit geavanceerde biobrandstoffen, dat wil zeggen: uit afval- en reststromen. Daar willen we de groei in Nederland vandaan halen.

De heer Madlener (PVV):
Het is een gigantische hoeveelheid brandstof die wij produceren en verbruiken. Dit gaat dus om zulke grote hoeveelheden. Die kun je toch niet uit frituurvet halen? Daar is toch productie voor nodig, vaak in landen als Brazilië, Indonesië, de Filipijnen, noem maar op. Dat is toch geen restproduct, of het nou een rest is of niet? Het komt uit de productie daarvan.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
De heer Madlener moet toch wel samen met mij het onderscheid maken tussen aan de ene kant palmolie die specifiek geproduceerd wordt voor biobrandstof in concurrentie met voedsel en aan de andere kant palmolie die toch al gebruikt wordt voor al die andere producten. Want het zit in vrijwel alles, van ijsjes tot shampoo, al die producten waarvan ook de heer Madlener er wellicht dagelijks enige nuttigt. In heel veel producten zit palmolie. Dan is het dus ontzettend belangrijk dat de productie van die palmolie gecertificeerd, verduurzaamd wordt. Dat is cruciaal, juist omdat het overal in zit. Een reststroom van die palmolie, die we in al die dagelijkse producten gebruiken, kan worden benut om biobrandstof van te maken. Dat is echt wat anders dan dat we palmolie gaan produceren in concurrentie met voedsel, want dat is waar de Kamer hier terecht zorgen over heeft en waarvan zij niet zou willen dat daar een groei van plaatsvindt.

De heer Madlener (PVV):
Concluderend. Het gaat gewoon om het verhogen van de vraag naar palmproducten. Dat doe je door óf de restromen verplicht bij te mengen óf het hoofdproduct. Het maakt mij niet uit of het een bijproduct is of niet, want het verhoogt de vraag en het gebruik gaat omhoog. Straks is het omgedraaid. Dan is het bijproduct het hoofdproduct geworden en het bijproduct gaat in uw zeepjes.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Maar juist vanuit de discussie die we hier met elkaar hebben over food versus fuel, is het onderscheid tussen hoofdproduct en restproduct eigenlijk de crux. Dat is waar het om draait. Nu zeggen dat het allemaal niks uitmaakt, doet geen recht aan de discussie die we hier hebben en ook geen recht aan het feit dat we ook in Nederland heel scherp zijn op de inzet van voedergewassen voor biobrandstoffen. Daarnaast moeten we alert zijn — eigenlijk vinden de Partij voor de Dieren en de PVV elkaar hier; dat gebeurt niet altijd, maar in dit geval gebeurt het — op de vraag of er niet een moment komt waarop het restproduct interessanter wordt dan het hoofdproduct. Als dat zo zou zijn, ben je verkeerd bezig. Maar als je ziet hoe groot de productie van palmolie is voor allerlei andere producten en waar het allemaal in zit — de heer Van Raan kan dat nog veel beter uitleggen dan ik; hij is ongeveer afgestudeerd op palmolie, volgens mij — dan begrijp je dat je ook een enorme hoeveelheid restproducten overhoudt. Die kun je storten of verbranden, of je kunt er nog biobrandstoffen van maken die fossiele brandstoffen vervangen. Want dat is natuurlijk wel de vervanging die we hier hebben. We moeten steeds blijven kijken of het onder de streep wat oplevert. Ik waardeer ook de scherpte van de Kamer hierin. Als iets onder de streep niks oplevert, dan moeten we het niet doen.

De heer Geurts (CDA):
Over scherpte gesproken: ik begreep dat de staatssecretaris een beetje aan het einde van haar beantwoording in eerste termijn gekomen was, en dit sluit ook wel aan bij de discussie van net. Ik had namelijk nog een vraag openstaan. Ik had gesignaleerd dat fraude tegengaan een belangrijk element was van deze wetgeving. Ik had gevraagd of de staatssecretaris kan aangeven hoe aan publiek en privaat toezicht handen en voeten worden gegeven, en ik vroeg ook om actuele voorbeelden. Dat heb ik nog niet gehoord.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
We hebben de rol van de Nederlandse Emissieautoriteit in het publieke toezicht in de keten bijvoorbeeld echt versterkt. Dat was tot nu toe eigenlijk vooral privaat toezicht. We hebben het publieke toezicht via de Nederlandse Emissieautoriteit versterkt om ervoor te zorgen dat we betere controles hebben op de daadwerkelijke substantie van wat er gebeurt.

De heer Geurts (CDA):
Dat is maar ten dele, want ik zag ook in de nota naar aanleiding van het verslag dat de staatssecretaris zich ervoor inzet om in Europees verband het publieke toezicht uit te breiden. Wat is er dan nog meer nodig, en zijn daar ook voorbeelden bij te noemen? Een concreet voorbeeld heb je hier natuurlijk, namelijk dat er geen fraude gepleegd wordt met die stromen.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Een van de punten met betrekking tot certificering is de vraag: wie checkt dan de certificerende instanties? Het gaat dus om het publiek toezicht op de partijen die mogen certificeren dat een bedrijf volgens duurzame criteria een bepaalde stroom certificeert? Dat is zo'n voorbeeld van iets waarvan ik eigenlijk vind dat we dat ook op Europees niveau zouden moeten versterken.

De heer Geurts (CDA):
Afrondend. Begrijp ik hier nou uit dat het wel genoemd wordt, ook in een richtlijn, en dat het een beetje vertaald wordt in de Nederlandse wetgeving, maar dat de Nederlandse situatie nog niet voorbereid is op situaties die mogelijk kunnen ontstaan, zoals de PVV-fractie hier net aangaf?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Ik heb naar aanleiding daarvan nog eens even gevraagd hoe de Europese Commissie dat doet. Het is een gedeelde zorg van Kamer en kabinet om alert en waakzaam te blijven op de vraag of datgene wat we doen wel echt leidt tot een verbetering. De Commissie hanteert daarvoor een aantal dingen. Ze hebben die lijsten. Die lijsten worden ook met enige regelmaat geactualiseerd. Dat zijn dus lijsten van wat geavanceerd is, wat reststromen zijn en wat residuen zijn. De vraag of je een tippingpoint bereikt, kan natuurlijk betekenen dat iets van zo'n lijst af valt. Dat kan een rol spelen bij zo'n actualisatie. De Europese Commissie kijkt daarbij naar de impact op de bestaande markt, het risico op ontbossing en de principes van circulaire economie. Ik kan kijken of ik daar in de tweede termijn eventueel nog wat nadere informatie over kan geven. Als de heer Geurts daar nog wat preciezere informatie over wil hebben, dan zorg ik daar nog even voor in tweede termijn.

De heer Bisschop (SGP):
Als we deze discussie zo voeren, met de grote aantallen open einden die nog in dit hele voorstel zitten, moet de conclusie van de staatssecretaris dan niet zijn dat dit gewoon voortijdig is? Neem alleen al de wijze waarop de benodigde hoeveelheid voor bijmenging als het ware gebagatelliseerd wordt als "reststromen". Het gaat om miljarden liters, wil je hier werkelijk iets mee doen. En dan heb je nog niet je ambitie bereikt. Het systeem is er dus niet klaar voor. Is de staatssecretaris dat met mij eens, althans, gezien de gestelde ambities? Dat betekent dat je een ander traject moet kiezen om het haalbaar, realiseerbaar en betaalbaar te houden. Is de staatssecretaris dat met mij eens?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Dat ben ik helaas niet met de heer Bisschop eens. Hiermee nemen we namelijk juist stappen ten opzichte van de huidige situatie, waarin er ook al inzet is van biobrandstoffen, volgend uit Europese verplichtingen en onze afspraken in het Klimaatakkoord om de doelstelling van 49% te halen. We willen hiermee die waarborg versterken. De heer Bisschop vraagt: is dat al ideaal? Nee, het is nog niet ideaal. Maar het is een belangrijke, versterkende stap. Een deel van de punten die hier in het debat aan de orde komen, vindt een haakje in de wet en krijgt nog een nadere uitwerking in het besluit. Daar is de heer Bisschop zeer mee bekend, ook vanwege zijn goede kennis van de verhouding tussen wetgeving, AMvB's en regelingen. Hij weet ook dat we daarover nog nader komen te spreken. Dit wetsvoorstel is echt een belangrijke versterking van de systematiek die er nu is en biedt daarmee juist een aantal noodzakelijke stappen om verder te komen, eigenlijk in de koers die hij ook schetst.

De heer Bisschop (SGP):
Dat juridische verhaal zal allemaal wel kloppen, maar het gaat mij om de haalbaarheid. Als je deze maatregelen wilt nemen, deze stappen wilt zetten en je je probeert voor te stellen wat er meer nodig is, dan deel ik met de heer Madlener dat het niet anders kán dan dat dat de druk op de markt aan de vraagkant enorm vergroot, dat het risico dat er inderdaad regenwouden voor worden gesloopt dus enorm toeneemt en dat er een enorme druk op komt te staan om tot frauduleuze handelingen over te gaan, om daar beter van te worden of om daar voor het oog maar aan te voldoen. Maar het gaat mij om de concrete uitwerking hiervan. Daar komt dan nog wat bij, waarover ik toch nog maar even een vraag toevoeg. Ik zou de bron even moeten opzoeken, maar Duitsland en België sluiten de binnenvaart op dit moment uit van de bijmengplicht. Natuurlijk moet die binnenvaart ook aan bepaalde eisen voldoen; daar hebben ze hun manieren voor. Maar die landen handelen ten opzichte van die sector dus anders dan Nederland. Dan verstoor je dus weer het gelijke speelveld. Die twee punten wil ik toch nog nadrukkelijk gemaakt hebben.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Eerst op het eerste punt. Eigenlijk hoor ik de heer Bisschop zeggen dat hij best wel snapt dat deze wetgeving de systematiek versterkt. Dat is ook waar deze wet over gaat. Maar hij heeft zorgen of er wel voldoende kan worden toegezien op de totale plas aan biobrandstoffen die we met elkaar gaan inzetten in het licht van prikkels die er eventueel zouden zijn. Ik zou de heer Bisschop daarin kunnen volgen als we echt maximaal, maximaal, maximaal zouden inzetten op die biobrandstof. Ik ben daar terughoudend in geweest. We hebben bij het Klimaatakkoord in kaart laten brengen wat de potentie zou zijn voor het verhogen van de biobrandstoffendoelstelling om de 49% te halen. De heer Bisschop kan zich ook nog herinneren dat dat soms best lastige discussies waren, want je moet in de industrie, in de landbouw, in de gebouwde omgeving én in het transport maatregelen nemen om die 49% te halen. Een makkelijke oplossing zou zijn geweest om dan uit te gaan van de maximale potentiële opbrengst, waarvan het PBL zei: die zou je kunnen invullen door biobrandstoffen. Dat was ongeveer 5 megaton. We zijn op 2 gaan zitten, juist ook omdat ik die behoedzaamheid wil hebben. In theorie snap ik namelijk ook dat er zo'n systematiek kan ontstaan. Als de druk te hoog wordt, dan wordt fraude extra aantrekkelijk. Dit is dus een sector waarin we voorzichtige groei moeten voortzetten, onnodige inzet moeten voorkomen — vandaar dus ook de nadruk op elektrificatie — en waarin we parallel daaraan de borging van dit hele systeem moeten versterken. Daar zetten we ons in Nederland voor in en daar zit ik me ook in Europa voor in.

De heer Van Raan (PvdD):
De laatste woorden van de staatssecretaris bevestigen alleen maar wat de heer Bisschop zegt. Waarom zetten we dit nu al in gang als we nog van alles en nog wat moeten doen? Zo ik al ben afgestudeerd op palmolie, ben ik nog meer afgestudeerd op certificering van certificeerders en op reststromen. Ik zou toch een poging willen wagen om te kijken of de staatssecretaris genegen is om met de heer Madlener en mij, en inmiddels met vele anderen in deze Kamer, op te trekken bij het volgende. Op het moment dat duidelijk wordt dat het restproduct belangrijker wordt dan het hoofdproduct — daar zijn al tekenen van — zetten we meteen een streep. Is de staatssecretaris dat in ieder geval met ons eens? Als wij dat aantonen, en in die richting zijn al geluiden, is de staatssecretaris dan bereid om in ieder geval dit gedeelte in te trekken voor die pfas en dergelijke?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Wat betreft dat intrekken: de vraag is wat je intrekt. Laat ik de heer Van Raan tegemoetkomen. De heer Van Raan kent het commitment waarmee ik dit werk doe. Dat doe ik omdat ik iets wil verbeteren. Als er echt serieus bewijs voor is dat iets op een gegeven moment contraproductief gaat werken, moeten we daar ook weer vanaf. Zo simpel is het. Ik vind wel dat we een betrouwbare overheid zijn. Dat is de kanttekening die ik wil maken. We vragen immers aan ondernemers om te investeren. Ik vind dus wel dat als we tot de conclusie komen … We hebben dat ook met de kolencentrales gedaan. Er is mij wel een aantal keer voor de voeten geworpen dat het een D66-minister was die destijds dacht dat die kolencentrales misschien in het belang van de stabiliteit van onze elektriciteitsvoorziening zouden zijn. Later zijn we met elkaar gaan inzien dat die een groot probleem vormden voor het halen van onze klimaatdoelstellingen. We zijn toen weer tot een uitfasering daarvan gekomen, maar wel op een manier die ook recht deed aan investeringen die zijn gedaan. Als de heer Van Raan zegt "dat vind ik een terecht punt, en we gaan met elkaar zoeken naar een zorgvuldig afbouwpad", kan ik mij daar wel iets bij voorstellen. Voor de inzet van verbranding van houtige biomassa voor warmte heeft de Kamer ook een motie aangenomen die precies vanuit dat perspectief vraagt om ernaar te kijken.

De heer Van Raan (PvdD):
Grappig dat de staatssecretaris dat voorbeeld van houtige biomassa en het afbouwpad noemt, want dat pad is nou juist iets wat er steeds niet komt en er nog steeds niet is. We geven nog steeds 9 miljard tot in 2030 uit aan houtige biomassa. Maar dank voor de toezegging dat de staatssecretaris bereid is om op haar schreden terug te keren als we zien dat het misgaat. De stelling is natuurlijk: we weten allang dat het misgaat. Ik ben dus nog even op zoek naar welk bewijs de staatssecretaris precies zoekt om die draai met ons te maken.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Als we de indruk zouden hebben dat het geen restproduct maar een hoofdproduct is, is dat eigenlijk het tippingpoint waar de heer Van Raan het over heeft. En als we tot de conclusie zouden komen dat productie langs die weg, waarbij ook echt sprake is van indirect land-use change, onder dezelfde categorie zou moeten vallen als palmolie of sojaolie, heb je gewoon een andere discussie met elkaar te voeren.

Mevrouw Hagen (D66):
Ik heb een vraag in het verlengde van de opbouw dan wel de afbouw. Uit het verleden hebben we natuurlijk ook geleerd dat we door een vraag te creëren, zoals met onze woningen, die voorzien waren van gas, maar ook met onze auto's, die op fossiele brandstof rijden, een markt creëren en ook een padafhankelijkheid richting de toekomst. Kan de staatssecretaris ons er misschien nog in meenemen wat het pad van weer afbouwen is? We hebben het wel al van EV gehoord, maar hoe zit het in de andere sectoren? We hebben hier in de Kamer namelijk allemaal gezegd dat we het zien als een transitiebrandstof. Kan de staatssecretaris daar dus nog wat over zeggen?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Ja. Volgens mij zijn er in het Klimaatakkoord bepaalde afspraken gemaakt. Dat geldt overigens ook voor de inzet van biobrandstoffen. Dit zijn ook de doelstellingen die we met elkaar moeten halen. Ook in de context van de discussie die ik zonet met de heer Van Raan had, zei ik dat we natuurlijk wel moeten zorgen dat we de doelstellingen blijven halen die we met elkaar hebben afgesproken. De keuzes die je daarin maakt, moeten natuurlijk mede zijn afgestemd op dat grote pad dat je met elkaar wil invullen.

Op het afbouwpad zal ik even in tweede termijn moeten terugkomen, want daar hebben we gewoon geen concrete data voor afgesproken met elkaar. Wel hebben we natuurlijk een belangrijke stip op de horizon gezet met de uitfasering — of eigenlijk wil het kabinet daarmee stoppen — vanaf 2030 van de verkoop van nieuwe auto's die op fossiele brandstoffen rijden.

Mevrouw Hagen (D66):
Het gaat mij met name om het volgende. Kijk, personenvervoer is al te elektrificeren. Maar ik ben vooral benieuwd hoe wij ervoor kunnen zorgen dat we niet alleen een markt creëren maar ook een toekomstperspectief bieden, juist aan de sectoren die nog niet te elektrificeren zijn. Het is prima als dat in de tweede termijn komt.

De voorzitter:
Prima. Tot zover de eerste termijn. De staatssecretaris zet het meteen op een appen, dus we krijgen al die antwoorden straks in tweede termijn. Bestaat er behoefte aan een tweede termijn bij de leden? Ja, dat is het geval. Dat is het verkeerde antwoord, maar goed. Dan geef ik graag het woord aan mevrouw Hagen van de fractie van D66. Zij heeft net als iedereen een derde van de opgebruikte tijd in eerste termijn.

Mevrouw Hagen (D66):
Voorzitter. Dit is echt een bijzondere dag natuurlijk. Mooie, prachtige maidenspeeches, waarvoor veel dank. Ik gaf het net al aan in een interruptie, maar in mijn eerste termijn heb ik er voornamelijk op gewezen dat het belangrijk is dat we ook kijken naar hoe we dit weer gaan afbouwen. We creëren straks een markt voor en vraag naar deze biobrandstof. Ik wil alleen iets opbouwen wat we ook weer kunnen afbouwen.

Ik ben blij met de enigszins positieve reactie van de staatssecretaris op mijn amendement. Ik denk dat het goed is om nog even te horen wat het verzoek tot wijziging is, zodat het ook voor de rest van de Kamer die al steun heeft betuigd, duidelijk is.

Complimenten voor de inzet op EV en het positief staan ten opzichte van factor 4. Hoe sneller we elektrificeren, hoe minder biobrandstof we gebruiken.

Tot zover, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan mevrouw Bouchallikh van GroenLinks.

Mevrouw Bouchallikh (GroenLinks):
Dank u wel. Dank aan de staatssecretaris voor de beantwoording. Het is vandaag vaker aan bod gekomen en ook wij willen geen voedsel gebruiken voor biobrandstof. We hebben het amendement van D66 over het uitbannen van soja mede ondertekend. We hopen dat dit amendement een meerderheid krijgt. Ook het amendement van de Partij voor de Dieren over het uitbannen van voedsel zullen wij steunen.

Ook wij zijn voor het stimuleren van de elektrificatie van vervoer. Daarom dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat elektrificatie van de vervoerssector alle steun kan gebruiken;

constaterende dat de Richtlijn hernieuwbare energie die mogelijkheid biedt, zowel voor wegverkeer als de binnenvaart, waarbij in de richtlijn de vermenigvuldigingsfactor 4 wordt gehanteerd;

verzoekt de regering de vermenigvuldigingsfactor van 4 toe te passen voor elektrisch vervoer, zowel voor wegvervoer als voor binnenvaartschepen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Bouchallikh.

Zij krijgt nr. 15 (35626).

Mevrouw Bouchallikh (GroenLinks):
Mijn volgende motie gaat over palmolie. Ik heb vandaag geleerd dat de heer Van Raan daar een studie naar heeft verricht. Daar ben ik heel benieuwd naar. Ik zou hier graag een motie over willen indienen. Er zijn gelukkig al veel stappen gezet, maar we maken ons nog zorgen over de bijproducten van palmolie. Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat restproducten van palmolie niet worden uitgefaseerd;

overwegende dat deze restproducten als grondstof dienen voor andere industrieën, waardoor de vraag naar palmolie dreigt te stijgen;

verzoekt de regering de negatieve effecten van het bijmengen van deze restproducten op de productie van palmolie te onderzoeken, en wanneer dit is aangetoond stappen te zetten om dit te voorkomen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bouchallikh en De Hoop.

Zij krijgt nr. 16 (35626).

De heer Alkaya (SP):
Wanneer zou dat onderzoek afgerond moeten zijn volgens GroenLinks? We gaan er hierover stemmen en dit is een vrij essentieel onderdeel; dat debat hebben we zojuist gehad. Is dit onderzoek een voorwaarde voordat we over de wet kunnen stemmen? Of kan de GroenLinksfractie zich ook een mening vormen over deze wet zonder dat het onderzoek heeft plaatsgevonden?

Mevrouw Bouchallikh (GroenLinks):
Ik heb daar nog geen datum voor in gedachten.

De heer Alkaya (SP):
Oké. Dus dat betekent dan dat GroenLinks zich ook een mening kan vormen over deze wet, waar dat onderzoek een belangrijk onderdeel in is, namelijk om te zien of deze wet duurzaam uitpakt of niet. Het kan ook heel verkeerd uitpakken. Dat was een belangrijk debat zojuist met de regering. Maar dat onderzoek hoeven we volgens GroenLinks dus niet af te wachten voordat we over deze wet kunnen stemmen?

Mevrouw Bouchallikh (GroenLinks):
Ik heb hier nu even geen antwoord op.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar de heer Van Raan.

De heer Van Raan (PvdD):
Dank u wel, voorzitter. Ik wil ook even zeggen dat ik de staatssecretaris inderdaad ken als iemand die de wereld beter wil maken. Dat moet wel even gezegd worden, maar het is wel een wet die aan alle kanten de vraag oproept of je eraan moet beginnen om deze in te voeren, omdat er zoveel risico's zijn. Omwille van de tijd zal ik ze niet allemaal herhalen.

Dank voor de toezegging om de vraag aan de minister door te zetten hoeveel energie er gemoeid is met 4,7% van de e-brandstoffen voor luchtvaart. Dank ook voor de mooie maidenspeeches, nogmaals. We hebben gehoord dat het risico op landgebruik toeneemt. We delen de analyse van de heer Madlener. Er is fraudegevoeligheid.

Voorzitter. Deze wet is gas geven in een doodlopende weg. Daarom de volgende moties en de amendementen die we hebben ingediend.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Nederland niet beschikt over genoeg duurzame bronnen voor biobrandstof;

constaterende dat Nederland door dit tekort grondstoffen moet importeren;

overwegende dat ngo's waarschuwen dat de import van grondstoffen ILUC-risico's en mensenrechtenschendingen en landroof in de hand kunnen werken;

verzoekt de regering om deze externe risico's actief te monitoren, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Raan en Bouchallikh.

Zij krijgt nr. 17 (35626).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat per ministeriële regeling vastgesteld gaat worden welke grondstoffen zoals bedoeld in bijlage IX, deel A van de Richtlijn hernieuwbare energie gebruikt mogen worden voor biobrandstof;

overwegende dat niet alle mogelijkheden die op bijlage IX, deel A van de Richtlijn hernieuwbare energie staan echt duurzaam zijn;

verzoekt de regering een voorhangprocedure te verbinden aan de hierboven genoemde ministeriële regeling,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Raan.

Zij krijgt nr. 18 (35626).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat voor het produceren van biobrandstof het gebruik van houtige biomassa niet is uitgesloten;

overwegende dat houtige biomassa grote risico's op ontbossing met zich meebrengt;

verzoekt de regering om alle vormen van houtige biomassa uit te sluiten van gebruik voor biobrandstoffen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Raan.

Zij krijgt nr. 19 (35626).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het gebruik van voedsel- en voedergewassen voor brandstof geen langdurige duurzame optie is;

overwegende dat in de Wet milieubeheer is vastgelegd dat voedsel- en voedergewassen voor biobrandstoffen gebruikt mogen worden;

verzoekt de regering om het gebruik van voedsel- en voedergewassen voor biobrandstof zo snel mogelijk uit te faseren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Raan en Bouchallikh.

Zij krijgt nr. 20 (35626).

De heer Van Raan (PvdD):
Dat was het, voorzitter. Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar De Hoop van de fractie van de Partij van de Arbeid.

De heer De Hoop (PvdA):
Dank, voorzitter. Ik houd het kort. Ik wil graag twee moties indienen, omdat mijn fractie zich toch wel zorgen maakt over het gebruik van de biobrandstoffen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat biobrandstoffen vervaardigd uit voedsel- en voedergewassen leiden tot gebruik van schaarse grond en ontbossing;

verzoekt de regering in het Besluit energie vervoer een afbouwpad voor biobrandstoffen uit voedsel- en voedergewassen op te nemen, zodat hier vanaf 2023 geen gebruik van mag worden gemaakt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid De Hoop.

Zij krijgt nr. 21 (35626).

De heer De Hoop (PvdA):
Daarnaast heb ik nog een motie over het impactassessment, waar wij ook in eerste termijn naar gevraagd hebben. Deze motie wordt medeondertekend door mevrouw Bouchallikht van GroenLinks.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat duurzame biomassa beperkt beschikbaar is en Nederland hier geen onevenredig groot beslag op zou mogen leggen;

overwegende dat de door het kabinet voorgenomen inzet van biobrandstoffen in het verkeer, scheepvaart en luchtvaart substantieel is en de gevolgen hiervan nog niet goed in kaart zijn gebracht;

verzoekt de regering een impactassessment uit te voeren naar de verwachte toename in de vraag naar biobrandstoffen door het (voorgenomen) kabinetsbeleid en daarbij indien mogelijk de verwachte herkomst van de biobrandstoffen te betrekken;

verzoekt de regering deze impactassessment de Kamer te doen toekomen voor implementatie van het Besluit energie vervoer,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden De Hoop en Bouchallikh.

Zij krijgt nr. 22 (35626).

De heer De Hoop (PvdA):
Dank.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan de heer Grinwis van de fractie van de ChristenUnie.

De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Dank aan de staatssecretaris voor de beantwoording. Eerst maar eens een motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat elektriciteit veel minder vaak wordt ingeboekt in het Register Energie voor Vervoer (REV) dan biobrandstoffen;

overwegende dat administratieve en financiële drempels het voor kleine spelers in elektrisch vervoer moeilijk maken om elektriciteit in te boeken in het register;

overwegende dat in Duitsland kleine spelers in elektrisch vervoer een derde partij kunnen aanwijzen om elektriciteit geaggregeerd in te boeken;

overwegende dat geaggregeerd inboeken van elektriciteit investeringen in laadinfrastructuur aantrekkelijker maakt;

verzoekt de regering om de mogelijkheden van geaggregeerd inboeken van elektriciteit in het Register Energie voor Vervoer te onderzoeken, en de Kamer over de uitkomsten te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Grinwis.

Zij krijgt nr. 23 (35626).

De heer Grinwis (ChristenUnie):
Deze motie hoort eigenlijk bij het amendement dat een kan-bepaling in de wet heeft gecreëerd.

Voorzitter. Dan nog een punt over de binnenvaart. De staatssecretaris gaf aan dat zij in gesprek is en gaat met de sector. Aha, de minister! De minister gaat dat doen, hoor ik. Prima. De veiligheid wordt actief bijgehouden en gemonitord. Wordt de Kamer gerapporteerd over die gesprekken en over de veiligheid van bijmengen in de binnenvaart, voordat de bijmengverplichting in de binnenvaart ingaat? Het gaat erom dat wij niet een stap zetten die onverantwoord is.

Dan het laatste punt. De staatssecretaris sprak mij aan op de megatonnen in de mobiliteitssector en koos een nieuw basisjaar, namelijk 2005. Ja, zo kan ik het ook. Het basisjaar dat algemeen wordt gebruikt in klimaatland, is 1990. En ten opzichte van 1990 is de uitstoot nog altijd niet gedaald. Ten opzichte van 2005 is dat wel het geval. Dat klopt, maar we hebben eerst nog een spurt gemaakt van 1990 naar 2005. Wat dat betreft is het niet best gesteld met wat we met z'n allen uitstoten bij al dat verplaatsen, bij al die mobiliteit. Volgens mij zijn we het daarover eens en zijn we het er ook over eens dat het anders en minder moet.

Tot zover, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel. Nog een vraag van de heer Alkaya. Wilt u nog even terugkeren naar het katheder?

De heer Alkaya (SP):
Ik heb eigenlijk een soortgelijke vraag als die ik net aan GroenLinks stelde. Nu hoor ik van de ChristenUnie dat de binnenvaart belangrijk is. De minister gaat erover in gesprek en de ChristenUnie hoort graag wat daaruit komt. Maar het is toch best wel belangrijk wat daaruit komt?

De heer Grinwis (ChristenUnie):
Zeker.

De heer Alkaya (SP):
Dan kunnen wij een mening vormen over waar we over moeten besluiten. We gaan toch niet eerst de wet vaststellen en vervolgens aanhoren wat er met onze zorgen is gedaan? Of is die volgorde logisch volgens de ChristenUnie?

De heer Grinwis (ChristenUnie):
We gaan inderdaad stemmen over deze wet, maar op dat moment gaat de bijmengverplichting voor de binnenvaart nog niet in. Die wordt pas na een tijdje daadwerkelijk van kracht. Voordat die van kracht wordt, wil ik de uitkomst horen van die gesprekken over de monitoring en de veiligheid van die binnenvaartschepen. Hoe is het gesteld met de toevoerleidingen, de brandstoftanks, de vochtproblematiek en de veiligheidssituatie op die schepen? Dan wil ik horen of het verantwoord is om op dat moment over te gaan tot het bijmengen van biobrandstoffen in de binnenvaart. Dat lijkt mij een prima volgorde. Op dit moment zeggen we dus: wacht even, wij willen als Kamer eerst daarover geïnformeerd worden alvorens dat bijmengen moet gaan plaatsvinden.

De heer Alkaya (SP):
Het lijkt de ChristenUnie dus denkbaar dat we hier een wettelijke plicht gaan vaststellen en vervolgens toch afzien van het handhaven daarop, omdat het niet goed is, omdat het gewoon niet kan? Ik vind dat gek. We hebben net met de SGP-fractie de regering bevraagd op het uitsluiten daarvan. Sommige lidstaten doen dat. Die informatie heb ik ook. De staatssecretaris kon dat niet bevestigen of ontkennen. Die informatie hebben ze simpelweg niet. Dus het is nu een optie om de binnenvaart geheel uit te sluiten. Maar voor de ChristenUnie is dat geen optie, begrijp ik?

De heer Grinwis (ChristenUnie):
Op dit moment gaan wij niet zover. Wij hebben vertrouwen … De staatssecretaris heeft twee dingen toegezegd die wij hebben gevraagd, namelijk dat ze het gaan monitoren en dat ze in gesprek gaan met de sector. Op dit moment is nog niet aan de orde dat die bijmenging stante pede gaat plaatsvinden. Dus ik wacht graag eerst even af wat daaruit gaat komen. Ik heb er alle vertrouwen in dat dit demissionaire kabinet de binnenvaart niet met onveilige schepen op pad stuurt.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar de heer Madlener van de fractie van de Partij voor de Vrijheid. Het woord is aan hem.

De heer Madlener (PVV):
Voorzitter. Ik begon dit debat zeer sceptisch en ik prees de nieuwelingen voor hun nieuwe, frisse moed. En ik moet zeggen dat ik toch wat minder sceptisch ben geworden. Ik begon ermee dat twaalf jaar geleden, 2011 of zo, ik hier hevige discussies had over biobrandstoffen, biomassa en het verbranden van hout in centrales. Ik was toen ongeveer de enige tegenstander, misschien samen met de Partij voor de Dieren maar dan kan ik mij niet meer herinneren. GroenLinks was er in ieder geval erg voor om dat te gaan doen in het kader van CO2-neutraal et cetera. Inmiddels hebben we geleerd van die fouten. Het is een enorme fout gebleken maar het is toch gebeurd. Ik ben er dan nu ook zo bang voor dat we weer beleid gaan inzetten en we over tien jaar moeten zeggen: dat heeft geleid tot enorme ontbossing en de kap van regenwouden. Daar zijn we dan medeplichtig aan. Dat neemt niet weg dat ik nu enigszins hoopvol ben. Er zijn een aantal moties ingediend die heel sceptisch zijn. Ook meneer De Hoop heeft op dat punt een mooie motie ingediend. Ik voel dus wel dat we op onze hoede zijn. Dus we zullen de kritische moties steunen. We gaan niet voor deze Europese wetgeving stemmen, want we weten dat het gebruik van vegetarische olie om te verbranden slecht is voor de oerwouden en de wereld. Dus dat moeten we niet gaan doen. En de PVV zit in deze Kamer om massa-immigratie tegen te gaan en niet om oerwouden te vernietigen. Dat laten we graag aan anderen over. Dus we zullen tegen de wet stemmen en voor de kritische moties. Ik dank de Kamer en de nieuwe mensen voor hun inzet de goede kant op.

De voorzitter:
U bedankt. Dan is het woord aan de heer De Groot van de fractie van de VVD.

De heer Peter de Groot (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Ik wil vanaf deze kant mijn collega's feliciteren met hun maidenspeech en ze danken voor de mooie woorden. Daarnaast wil ik de staatssecretaris bedanken voor de beantwoording en met name over de HBE zeevaart en de eventuele administratieve lastendruk die dat met zich mee zal brengen. De VVD vindt het wel belangrijk dat we goed zicht hebben op waar de grondstoffen vandaan komen en vooral hoe ze worden ingezet in he kader van de biobrandstoffen. Dat is de reden waarom ik kom met de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat nu onvoldoende duidelijk is hoe gedurende het jaar de inzet van hernieuwbare energie per eindbestemming, en met name de zeevaart, zich ontwikkelt;

overwegende dat dit inzicht wel wenselijk is om tijdig daarop te kunnen sturen;

verzoekt de regering te onderzoeken wat de mogelijkheden zijn om de leveringen van hernieuwbare energie in de zeevaart per kwartaal te laten inboeken;

verzoekt voorts de regering te onderzoeken of de Nederlandse Emissieautoriteit regelmatig, bijvoorbeeld eens per kwartaal, kan rapporteren over de inzet van hernieuwbare energie per eindbestemming en bij beide onderzoeken de impact op de administratieve lasten mee te nemen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Peter de Groot.

Zij krijgt nr. 24 (35626).

De heer Peter de Groot (VVD):
Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Dat was uw bijdrage? Heel goed. Dan de heer Bisschop van de fractie van de Staatkundig Gereformeerde Partij.

De heer Bisschop (SGP):
Voorzitter, dank u wel. Laat ik beginnen met de staatssecretaris te bedanken voor haar inzet om antwoord op de vragen te geven. De aard van de beantwoording was niet geheel bevredigend, zeg ik er meteen bij. Alles bij elkaar maakt dat de afdronk van de behandeling van dit wetsvoorstel en de discussie eromheen bij de SGP toch een wat wrange nasmaak nalaat. We hebben sterk de indruk dat het kabinet en de milieubeweging een beetje met zichzelf in de knoop zitten. De klimaatambities worden steeds verder opgeschroefd zonder zich al te veel te bekommeren over realisme en over de haalbaarheid en betaalbaarheid ervan. De milieubeweging is ook niet te beroerd om te zeggen wat ze niet willen. Geen kernenergie bijvoorbeeld. Terwijl volgens mij, maar goed, puntje, puntje, puntje. Het kabinet laat zich naar ons gevoel ook een beetje opjagen, inclusief het toepassen van extra Nederlandse kopjes op de EU-eisen. Om het een beetje haalbaar en betaalbaar te houden, wordt veel verwacht van biomassa. Hoe het daarmee staat ... Zo langzamerhand gaan er steeds meer ogen open. En biobrandstoffen? Hoe het daarmee staat ... Precies. U reageert niet, want niemand weet het. En CO2-opslag? Nou ...

Voorzitter. Hoe duurzaam is dit allemaal? Is dit niet gewoon van incidentje naar incidentje hollen en op die manier hopen dat je wat goede dingen doet, al is het ongetwijfeld met de beste bedoelingen? Voor ons zijn er grote vraagtekens bij te zetten. Daarom zeggen wij: kies voor duurzame maatregelen, pas ook gewoon in alle nuchterheid je ambities daarop aan, en zet op die manier stappen voorwaarts. Dat er wat moet gebeuren, is niet het punt van discussie, maar wel hoe.

Voorzitter, tot slot heb ik één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering voornemens is de binnenvaart mee te nemen onder de bijmengverplichting voor biobrandstoffen;

overwegende dat bijmenging van biodiesel risico's met zich mee kan brengen voor scheepsmotoren en dat nog geen gericht onderzoek heeft plaatsgevonden;

overwegende dat volgens het kabinetsplan de binnenvaart in één keer geconfronteerd wordt met het reguliere, hoge bijmengpercentage en bijbehorende prijsrisico's;

verzoekt de regering op korte termijn onderzoek uit te laten voeren naar de risico's van verschillende soorten biobrandstoffen voor scheepsmotoren in de binnenvaart;

verzoekt de regering in overleg met sectororganisaties te bezien hoe de invoering van de bijmengverplichting in de binnenvaart op een zorgvuldige wijze vormgegeven kan worden, en de Kamer hierover voor de behandeling van het voorgenomen ontwerpbesluit voor herziening van het Besluit energie vervoer te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bisschop en Alkaya.

Zij krijgt nr. 25 (35626).

De heer Bisschop (SGP):
Voorzitter, ik dank u zeer.

De voorzitter:
U bedankt. De laatste spreker van de zijde van de Kamer is de heer Alkaya van de fractie van de SP.

De heer Alkaya (SP):
Voorzitter. Of deze wet uiteindelijk gaat leiden tot het beoogde doel, namelijk een bijdrage leveren aan het tegengaan van klimaatopwarming, hangt te veel af van zaken die vandaag nog niet duidelijk zijn. Vandaar ook de moties die we vandaag hebben gezien, over impactassessments, over nader onderzoek, over gesprekken met sectoren die nog plaatsvinden. Toch moeten we nu al stemmen over een wet waarin we ambities vastleggen en toch ook wel een pad. Dat baart mij zorgen. Ik heb eigenlijk heel veel vraagtekens over of het uiteindelijk gaat leiden tot een bijdrage aan het tegengaan van klimaatopwarming, of misschien zelfs een averechts effect gaat hebben. Daardoor vind ik het eigenlijk niet rijp genoeg om nu over te stemmen. De besluiten die nog volgen hebben namelijk een enorme impact op wat het effect zal zijn. Mocht het onverhoopt wel zover komen dat we die wet aannemen als Kamer zijnde, dan vind ik het wel belangrijk dat sectoren daar geen last van hebben. Daarom dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er veel onzekerheid is omtrent het bijmengen van biobrandstoffen in de binnenvaart, met betrekking tot zowel de veiligheid als geschiktheid als duurzaamheid;

overwegende dat de handhaving en naleving op de aanvoerketen van biobrandstoffen complex is en fraude vermeden moet worden;

verzoekt de regering om de bijmengverplichting niet te handhaven voor de binnenvaart zolang de veiligheid, geschiktheid en duurzaamheid niet gegarandeerd zijn,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Alkaya en Bisschop.

Zij krijgt nr. 26 (35626).

De heer Alkaya (SP):
Voorzitter, tot slot. Ik heb op verzoek van de heer Madlener nog even proberen uit te zoeken hoe er is gestemd in het Europees Parlement. Nou, ik kan u garanderen: dat is geen gemakkelijke zaak. Dat laat even zien hoe de Europese Unie werkt. Maar er is een negatief stemadvies naar de fractie gegaan en de fractieleden hebben ofwel tegengestemd ofwel zich onthouden. Wij hebben dus of tegengestemd of ons onthouden. Zover heb ik in de lunchpauze kunnen komen, maar er is nog veel te verbeteren op het gebied van democratie in Brussel. Dat is ook weer bevestigd.

Dank u.

De voorzitter:
Fijn dat u dat even heeft opgehelderd, want dan blijft het ook niet boven de markt zweven. Anders gaan we met een vervelend gevoel het weekend in, en dat willen we ook niet met z'n allen. Dus dank daarvoor.

Hoe lang heeft de staatssecretaris nodig om na te denken? We doen de stemmingen namelijk na dit debat.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Een kwartiertje.

De voorzitter:
Een kwartiertje. Nou, dan schors ik tot 15.15 uur, maar ik hoop dat we eerder verdergaan.

De vergadering wordt van 14.57 uur tot 15.15 uur geschorst.

De voorzitter:
We zijn toe aan de tweede termijn van de regering. Het woord is aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Dank u wel, voorzitter. Voordat ik inga op de moties en de amendementen, dank ik alle leden voor het debat. Ik denk dat het een mooi debat was en ik denk dat er echt gedeelde zorgen en gedeelde wensen zijn, namelijk dat we dit op een zorgvuldige manier moeten doen. Dat is de rode draad die ik door de inbreng van alle fracties heen hoor.

Er zijn natuurlijk ook verschillen van inzicht — daarop kom ik terug bij de moties en amendementen — maar ik vind het wel belangrijk om nog even te markeren wat deze wet doet. Het is echt een verbetering ten opzichte van de huidige situatie. Bij de huidige situatie worden een aantal kanttekeningen geplaatst. Deze wet is misschien niet op alle onderdelen perfect 100% waterdicht zoals we het in de toekomst misschien zouden willen hebben voor alles, maar deze wet biedt wel alle grondslagen om klimaatdoelen te realiseren op een duurzame manier, versterkt het publieke toezicht, vergroot de transparantie met onder andere de Uniedatabank, en sluit die hoge ILUC, waar we zorgen over hebben, uit. Als we de wet niet hebben, kunnen we dat dus niet doen. Wat dat betreft beveel ik de wet dus warm aan.

Het besluit zet vervolgens de limieten exact in procenten vast en regelt de stimuleringsfactoren. Dat is dus de vertaling naar de concrete toepassing. Er zijn nog een aantal vragen naar informatie die u nodig vindt voordat het besluit kan worden genomen. Daar kom ik zo meteen op terug bij een aantal van de amendementen.

Voorzitter. De heer Geurts vroeg om een illustratie van dat publieke toezicht. Als je kijkt naar hoe we de fraude bij biobrandstoffen aan het licht hebben kunnen brengen, dan zie je dat we daarvoor niet per schakel hebben gekeken, maar over de schakels heen. De certificerende instelling certificeert een schakel, maar we zien dat we met dat publieke toezicht beter door verschillende schakels heen kunnen kijken: klopt het dan nog allemaal? Dat is een van de punten. We kunnen de financiële administratie vergelijken over de verschillende financiële schakels heen. Dat heeft uiteindelijk aan het licht gebracht wat er misging. Zo gaan we dat publieke toezicht versterken. Het is een heel concrete illustratie van hoe we iets aan het licht hebben kunnen brengen dat we met elkaar niet wilden. We gaan hiermee ondervangen dat dat in de toekomst nog op dezelfde manier kan.

Voorzitter, dan de moties. De motie op stuk nr. 15 van mevrouw Bouchallikh geef ik oordeel Kamer. Bij het toerekenen van de stimuleringsfactor "land" in de regeling energievervoer ben ik inderdaad voornemens om de factor 4 te hanteren conform de RED II. De motie op stuk nr. 15 krijgt dus oordeel Kamer.

Dan de motie op stuk nr. 16 van GroenLinks. In Nederland wordt PFAD niet ingezet, maar ik zal onderzoeken of deze grondstof risico's op aanzuigende werking heeft. Ik zal bij de Commissie checken of het wellicht onder hoge ILUC kan meelopen. Als dat kan, kunnen we met elkaar bij het besluit concreet bespreken wat we daarmee willen doen. Ik laat het oordeel met deze kanttekeningen over aan de Kamer.

Dan de motie op stuk nr. 17 van de heer Van Raan. Ook daarover laat ik het oordeel aan de Kamer. De monitoring is op Europees niveau bij de Commissie belegd. Het is immers beleid dat de EU-markt reguleert. Ik zal zeker de Kamer proactief informeren. Dat is volgens mij de vraag van de heer Van Raan.

Dan de motie op stuk nr. 18 van de heer Van Raan. Die moet ik ontraden. Wij informeren de Kamer wel over de Europese lijst bij het besluit. Dan heeft de heer Van Raan die informatie dus bij het besluit. De regeling is verder alleen maar de uitwerking daarvan. De politieke besluiten worden genomen wanneer we met elkaar het besluit bespreken.

De voorzitter:
Eén korte vraag, meneer Van Raan.

De heer Van Raan (PvdD):
Excuus, er is toch een misverstand. Ik zal het illustreren met een voorbeeld. Stel dat er op de Europese lijst tien onderwerpen staan. Op de Nederlandse lijst kunnen we er daar tien, maar ook acht van overnemen. Wij willen graag die Nederlandse lijst hebben. Daarover willen wij graag over debatteren in de Kamer en niet over de Europese lijst.

De voorzitter:
Helder.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Dat snap ik, maar wanneer het besluit naar de Kamer komt, zal ik ervoor zorgen dat de lijsten daarbij zitten. Dan kan de heer Van Raan zeggen wat hij daarvan vindt. De Nederlandse lijst is een vertaling van de Europese lijst. Daar is namelijk een eerste onderverdeling gemaakt. Wij zorgen dat de Kamer die lijsten heeft. Dan kan de heer Van Raan daarover zeggen wat hij wil. Dat doe ik niet bij de regeling, maar bij het besluit. Dan zorg ik ervoor dat u de informatie heeft over die lijst. Deze motie vraagt om een voorhangprocedure bij een ministeriële regeling. Dat doen we niet, maar ik stuur u het wel. Als we dan met elkaar het besluit bespreken, hebben we ook inzicht in de lijst die we in Nederland gaan hanteren. Het kan zijn dan er dan een verschil van mening ontstaat tussen de heer Van Raan en het kabinet over welke lijst Nederland zou moeten hanteren. Moet er dan bijvoorbeeld nog een nadere selectie plaatsvinden? Dat is een legitieme politieke discussie, maar die voeren we dus wanneer we het besluit bediscussiëren. En ik zal zorgen dat u die informatie dan ook heeft.

De voorzitter:
Helder. Dan de motie op stuk nr. 19.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
De motie op stuk nr. 19 gaat over het uitsluiten van houtige biomassa. Ik ontraad die motie en waarom ik dat doe, hebben we denk ik in het debat voldoende gewisseld. In de EU wordt bepaald of die grondstoffen op een lijst van die specifieke bijlage komen en die trajecten volgen we ook actief. Maar deze motie ontraad ik dus.

Ik zou de indieners van de moties op de stukken nrs. 20 en 21 willen vragen om ze aan te houden. Deze moties gaan over een uitfaseringspad voor dat kleine gedeelte, die 1,7%, dat we nu nog aan voedselhoudende gewassen hebben. We hebben namelijk ook een klimaatdoelstelling met elkaar afgesproken. De heer De Hoop stelt voor om het in 2023 in één keer te schrappen en dat kan effect hebben op het kunnen halen van onze klimaatdoelstellingen. Ik vind het belangrijk dat we over voldoende goede alternatieven beschikken als we iets uitsluiten. Zo niet, dan gaat de CO2-uitstoot omhoog, omdat we het vervangen door fossiele brandstoffen of wellicht door andere biobrandstoffen die slechter zijn dan deze. Ik wil daarom voorstellen dat we de effecten in kaart brengen van het verzoek dat in de moties ligt. Ik zal proberen om dat ten tijde van de discussie over het besluit in uw Kamer te hebben liggen. Dan kunnen we daarna nog een keer met elkaar bespreken of en op welke manier we met deze moties om zouden willen gaan. Mijn verzoek aan de indieners is dus om de moties op de stukken nrs. 20 en 21 aan te houden, want anders moet ik ze ontraden.

De voorzitter:
Ik kijk eerst naar de heer Van Raan, want dat is de eerste indiener van de motie op stuk nr. 20. Gewoon knikken kan ook, meneer Van Raan.

De heer Van Raan (PvdD):
Dat weet ik, voorzitter, maar dat is nu niet aan de orde. Als we het er al over eens zijn dat het gebruik van die voedselgewassen zo snel mogelijk uitgefaseerd moet worden en als dat ook de inzet van de staatssecretaris is, dan kan ze daar wat ons betreft gewoon mee beginnen.

De voorzitter:
Dus u trekt de motie niet in?

De heer Van Raan (PvdD):
Nee, niet op voorhand.

De voorzitter:
Wat is dan het oordeel van de staatssecretaris?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Voorzitter, dan moet ik ze op dit moment ontraden, gezien de context van de doestellingen die we in het Klimaatakkoord met elkaar hebben afgesproken. Anders is het een hele vage motie die eigenlijk verder niks zegt. Die van de heer De Hoop is veel specifieker. Die vraagt namelijk om een specifieke datum. Daarom lijkt het me goed in kaart te brengen wat de impact is als je hier binnen een specifieke korte termijn voor kiest.

De voorzitter:
Helder. Dan ook even de motie op stuk nr. 21.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Het verzoek is ook hier om die motie aan te houden. Ik zie dat de heer De Hoop knikt, voorzitter.

De voorzitter:
De heer De Hoop lijkt te knikken.

De heer De Hoop (PvdA):
Ja, ik wil 'm wel aanhouden.

De voorzitter:
Heel goed.

De heer De Hoop (PvdA):
Ik vind de inzet van de staatssecretaris goed, maar de staatssecretaris zei: dan wil ik proberen om het voor het besluit bij de Kamer neer te leggen. Ik wil haar dan wel echt op het hart drukken dat mijn fractie het heel belangrijk vindt dat we het ook werkelijk voor het besluit krijgen.

De voorzitter:
Dat is genoteerd. De motie-De Hoop wordt dus aangehouden.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Ik ga ervan dat we het dan hebben. Dat is zeker mijn inzet.

De voorzitter:
Op verzoek van de heer De Hoop stel ik voor zijn motie (35626, nr. 21) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Dan de motie op stuk nr. 22. Ook daarin wordt verzocht om voor het implementatiebesluit een impactassessment naar de Kamer te sturen. Dat lijkt mij akkoord. Ik kan de motie dus overnemen of oordeel Kamer laten, want ik ben van plan om dat te doen.

Dan de motie op stuk nr. 23 van de heer Grinwis. De jaarverplichting kan bijdragen aan de uitrol van REV. Het geaggregeerd inboeken van laadpunten kan hier ook aan bijdragen. Er zijn echter ook zorgen. Dat hebben we in het debat met elkaar gewisseld. Dus rekening houdend met deze zorgen wil ik laten onderzoeken wat de mogelijkheden zijn voor dat geaggregeerde inboeken. Er komt straks nog een amendement langs dat hiermee samenhangt, maar het oordeel over deze motie laat ik dus aan de Kamer.

De motie van de VVD op stuk nr. 24 verzoekt om een onderzoek. Ook deze motie laat ik oordeel Kamer. We zullen kijken of een kwartaal geschikt is, maar misschien is een andere periode net beter. Vanwege de administratieve lasten zullen we het in kaart brengen. Dus oordeel Kamer.

Dan de motie op stuk nr. 25 over de binnenvaart. De minister is in gesprek met de sector en voor de behandeling van het besluit zal de Kamer geïnformeerd worden over de gesprekken. Zo interpreteer ik de motie van de heer Bisschop en als dat correct is, geef ik ook deze motie graag oordeel Kamer.

De voorzitter:
Dan mis ik nog de motie op stuk nr. 26.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Ik kom nu bij de motie op stuk nr. 26, voorzitter! Dit was namelijk de motie op stuk nr. 25.

De voorzitter:
Ik was weer te vroeg!

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Ja. Deze motie moet ik ontraden. Alle inzet moet voldoen aan de kwaliteitseisen en de kwaliteit is dus geborgd. De verplichting is ook een Europese eis en daarom moet ik deze motie ontraden.

Dan was er nog een vraag van de heer Grinwis over de kwaliteitseisen. Ik kan het nog een keer herhalen. Het is wel goed om te weten dat er op dit moment al wordt bijgemengd in de binnenvaart. Er is ook een mogelijkheid om die bijmengverplichting als het ware af te kopen. Ik bedoel dus dat je het administratief invult, in plaats van dat je het invult via daadwerkelijke bijmenging in het eigen schip. Uiteraard ben ik bereid om het te monitoren, ook in het kader van de verplichtingen. Dat vind ik een hele reële vraag, dus dat zullen we zeker doen.

De voorzitter:
De heer Grinwis is inmiddels afwezig, maar ergens in dit gebouw haalt hij opgelucht adem.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Ik weet dat de medewerkers altijd goed meeluisteren.

De voorzitter:
Dat is zo.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
We zullen dat dus zeker blijven monitoren. Maar kwaliteitseisen voor inzet worden natuurlijk ook Europees vastgesteld.

Voorzitter. Dan kom ik bij de amendementen. Allereerst de motie op stuk nr. 8.

De voorzitter:
Het amendement.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Sorry, het amendement op stuk nr. 8. Daarvan zou ik, als dat wat gewijzigd wordt, een nieuwe schriftelijke appreciatie kunnen sturen. Ik ga ervan uit dat dat dan positief is. Dat gaat over het volgende. Het amendement gaat nu voorbij aan het onderscheid wat, net als voor palmolie, nog mogelijk is tussen hoog en laag ILUC-risico op basis van duurzaamheidscertificering. Dat is wel van groot belang, ook met het oog op alle internationale regels. Om dit te ondervangen en het amendement wel mogelijk te maken, zou het nodig zijn om de formulering aan te passen en dat onderscheid daarin mee te nemen. Als de indiener daartoe bereid is, ga ik ervan uit dat ik een positief oordeel kan geven.

De voorzitter:
Wat is hierop uw antwoord, mevrouw Hagen?

Mevrouw Hagen (D66):
Heel kort geformuleerd. Het gaat mij er vooral om dat de huidige situatie eigenlijk in wetgeving plaatsvindt. Als dat zo is, dus geen gebruik van sojaolie voor biobrandstof, dan kan ik met die wijziging instemmen.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Dat onderscheid is wel even van belang. Als we dat kunnen maken, kunnen we het wettelijk verankeren. Als het amendement gewijzigd is, zal ik ervoor zorgen dat de appreciatie op schrift naar de Kamer toekomt vóór stemming.

De voorzitter:
En dan verwachten wij dus van mevrouw Hagen een nieuwe versie van wat nu nog het amendement op stuk nr. 8 is.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Voorzitter. Het amendement op stuk nr. 9 moet ik ontraden. Zoals toegezegd, stuur ik het Besluit energie vervoer altijd ter voorhang aan uw Kamer toe. Dat doe ik ook met het Besluit energie vervoer voor dit implementatietraject. Het vastleggen van limieten en het principe van fair shareis lastig te operationaliseren op het niveau van de AMvB. Daarom ontraad ik het amendement. Maar ik snap de vraag wel. Daarom zou ik, in plaats van dit amendement in de wet te verankeren, willen voorstellen dat ik de Nederlandse Emissieautoriteit vraag om in haar jaarlijkse rapportage over de inzet van biobrandstoffen aan dit aspect aandacht te geven. Die rapportage ontvangt uw Kamer elk jaar. Zo kunnen we met elkaar de vinger aan de pols houden, wat mijns inziens een belangrijke reden is voor dit amendement.

De voorzitter:
Dat is het amendement op stuk nr. 9, maar dat heeft inmiddels een nieuw nummer gekregen, namelijk het nummer 27. Vraag me niet waarom.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
De wegen van de Kamer zijn in sommige opzichten ondoorgrondelijk, voorzitter.

Voorzitter. Het amendement op stuk nr. 10, over verplichte voorhang van de AMvB ter uitwerking van de BKE-systematiek, krijgt oordeel Kamer. We doen het altijd, maar als de Kamer dat graag op dit punt in de wetgeving verankerd wil hebben, ben ik daar uiteraard niet tegen. Dat lijkt me goed. Eventuele inzet van die BKE-systematiek zou echt nog een nadere weging vragen. We creëren wel het haakje in de wet om het eventueel te zijner tijd mogelijk te maken, maar dat vraagt echt nog een nadere weging. Prima om dat voor te hangen.

Voorzitter. Het amendement op stuk nr. 11, ook van de heer Grinwis, is een sympathiek idee. We willen allemaal elektrisch rijden stimuleren. Ik sta positief ten opzichte van het voorstel om het met een kan-bepaling op te nemen. Ik heb net al in de mondelinge beantwoording aangegeven dat er een aantal randvoorwaarden zijn die we eerst goed moeten bekijken om te beoordelen of het ook kan en of we het ook met elkaar moeten willen. Maar dit haakje is wat dat betreft oké. Ik ga onderzoeken of het binnen de bestaande regelgeving en handhaving mogelijk zou zijn. Maar daarover komen we dan nog terug naar de Kamer, zoals net al toegezegd in de mondelinge beantwoording.

Voorzitter. Het amendement op stuk nr. 13 vraagt om een evaluatie. Ik denk dat dat een heel verstandig idee is. Ik geef dat amendement van de heer Geurts dus graag oordeel Kamer, ook omdat het eigenlijk een antwoord is op een deel van de zorgen die vandaag in de Kamer in de context van dit debat naar voren zijn gebracht. Zo'n evaluatie geeft ons ook over een paar jaar de gelegenheid om te zeggen: "We hadden bepaalde zorgen. Daar zijn bepaalde antwoorden en waarborgen op gekomen. Zijn die voldoende of blijkt toch dat we vinden dat we daar een nader antwoord op moeten geven?" We gaan wel door met deze versterking, de verbetering, de stap die we nu kunnen nemen, maar we sluiten niet onze ogen dat we over een paar jaar misschien zeggen dat er meer nodig is. Dus oordeel Kamer.

Dan de amendementen op stuk nr. 12 en stuk nr. 14, die bepaalde dingen uitsluiten; daarom wil ik ze samen beantwoorden. Het is belangrijk om op te merken dat in het systeem van hernieuwbare energie met dit wetsvoorstel per 2022 al wordt gestuurd op het uitsluiten van biobrandstoffen met hoge ILUC-risico's. Het nu per amendement uitsluiten van conventionele brandstoffen leidt tot minder CO2-reductie, en daar hebben we gewoon een verantwoordelijkheid. Nogmaals, ik heb de Kamer al aangegeven dat ik voor de discussie over het besluit nog een nadere toelichting zal geven in antwoord op de moties. Ik raad dus af om dit op dit moment in wetgeving vast te leggen. Dat geldt voor zowel het amendement op stuk nr. 12 als het amendement op stuk nr. 14.

Ik hoop dat ik daarmee aan het einde van de beantwoording ben en de vragen heb beantwoord.

De voorzitter:
Dat lijkt me wel. Er zijn geen vragen meer, stel ik vast. Hartelijk dank aan de staatssecretaris voor haar aanwezigheid vandaag.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
Dinsdag stemmen wij over de wet, over de amendementen en over de moties. Ik schors voor een enkel minuutje, en dan gaan we stemmen.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Voorzitter: Bergkamp

Regeling van werkzaamheden (stemmingen)

Regeling van werkzaamheden (stemmingen)

Regeling van werkzaamheden (stemmingen)

De voorzitter:
We beginnen met stemmingen over moties ingediend bij het tweeminutendebat Raad Buitenlandse Zaken Handel. Mevrouw Koekkoek heeft allereerst een verzoek met betrekking tot haar motie.

Mevrouw Koekkoek (Volt):
Dank u wel, voorzitter. Het gaat over de motie-Dassen. Die willen we graag aanhouden.

De voorzitter:
Welk nummer is dat?

Mevrouw Koekkoek (Volt):
Dat is motie 21501-20, nr. 1691.

De voorzitter:
Op verzoek van de heer Dassen stel ik voor zijn motie (21501-20, nr. 1691) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Koekkoek.

Stemmingen

Stemmingen

Stemmingen moties Raad Buitenlandse Zaken Handel

Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het tweeminutendebat Raad Buitenlandse Zaken Handel,

te weten:

  • de motie-Teunissen/Van der Plas over niet instemmen met handelsverdragen met landen waar de productiestandaarden in de landbouw lager liggen dan in Europa (21501-02, nr. 2329);
  • de motie-Jasper van Dijk over zich ervoor inspannen dat het EU-China-investeringsakkoord een gemengd akkoord wordt (21501-02, nr. 2330);
  • de motie-Jasper van Dijk over het niet hervatten van TTIP-onderhandelingen (21501-02, nr. 2331);
  • de motie-Jasper van Dijk over het per direct stopzetten van de exportkredietverzekering voor het gasproject in Mozambique (21501-02, nr. 2332).

(Zie vergadering van 19 mei 2021.)

De voorzitter:
Op verzoek van mevrouw Teunissen stel ik voor haar motie (21501-02, nr. 2329) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

In stemming komt de motie-Jasper van Dijk (21501-02, nr. 2330).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de SGP, het CDA, BBB, JA21, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Jasper van Dijk (21501-02, nr. 2331).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, de ChristenUnie, BBB, FVD en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Jasper van Dijk (21501-02, nr. 2332).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, de ChristenUnie, de SGP en BBB voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

Stemmingen moties Europese top van 24 en 25 mei 2021

Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het debat over de Europese top van 24 en 25 mei 2021,

te weten:

  • de motie-Teunissen over een definitief einde aan het maandelijkse verhuiscircus naar Straatsburg (21501-20, nr. 1667);
  • de motie-Sjoerdsma c.s. over een gratis testmogelijkheid met een test naar keuze (21501-20, nr. 1668);
  • de motie-Sjoerdsma c.s. over zich inzetten voor een staakt-het-vuren (21501-20, nr. 1669);
  • de motie-Kuzu/Simons over uitspreken dat de Kamer tegen apartheid is (21501-20, nr. 1671);
  • de motie-Kuzu c.s. over uitspreken dat de Israëlische autoriteiten moeten afzien van illegale uithuiszettingen (21501-20, nr. 1672);
  • de motie-Kuzu/Simons over uitspreken dat Israël de status quo op heilige plaatsen moet respecteren (21501-20, nr. 1673);
  • de motie-Kuzu c.s. over aankaarten dat Israël geen Palestijns gebied mag annexeren (21501-20, nr. 1674);
  • de motie-Kuzu/Simons over het erkennen van de Palestijnse staat (21501-20, nr. 1675);
  • de motie-Kuzu/Simons over materiële ondersteuning bieden bij de opbouw van de Palestijnse staat (21501-20, nr. 1676);
  • de motie-Kuzu/Jasper van Dijk over naleving van artikel 2 van het EU-associatieverdrag met Israël (21501-20, nr. 1677);
  • de motie-Kuzu c.s. over het beëindigen van de Israëlische blokkade van Gaza (21501-20, nr. 1678);
  • de motie-Kuzu c.s. over het stopzetten van de militaire samenwerking met Israël (21501-20, nr. 1679);
  • de motie-Jasper van Dijk over ook het geweld tegen Gaza veroordelen (21501-20, nr. 1681);
  • de motie-Jasper van Dijk c.s. over concrete maatregelen tegen Israël indien de annexatie van Palestijns gebied voortduurt (21501-20, nr. 1680);
  • de motie-Jasper van Dijk over mogelijke opschorting van de militaire samenwerking met Israël (21501-20, nr. 1682);
  • de motie-Piri c.s. over inspanningen in EU-verband voor drukmiddelen tegen Israëls nederzettingenbeleid (21501-20, nr. 1683);
  • de motie-De Roon over het aanspreken van statelijke actoren die het terroristische geweld van Hamas steunen (21501-20, nr. 1684);
  • de motie-De Roon over de Zr. Ms. Evertsen voor een havenbezoek naar Israël sturen (21501-20, nr. 1685);
  • de motie-De Roon over alle financiële hulp aan Palestijnse organisaties direct stoppen (21501-20, nr. 1686);
  • de motie-Van der Lee c.s. over een onafhankelijk onderzoek naar de verwoesting van een mediagebouw in Gaza-stad (21501-20, nr. 1687);
  • de motie-Bisschop over steun uitspreken voor legitieme zelfverdediging van Israël (21501-20, nr. 1688);
  • de motie-Segers/Kamminga over een stevige grensoverschrijdende en Europese aanpak van antisemitisme (21501-20, nr. 1689);
  • de motie-Dassen/Van der Lee over een Europees draaiboek pandemiebestrijding (21501-20, nr. 1690);
  • de motie-Simons/Kuzu over afstand nemen van de tweet van de demissionaire minister-president over Israël (21501-20, nr. 1692);
  • de motie-Simons over een boycot van Israëlische producten en producten uit de nederzettingen (21501-20, nr. 1693);
  • de motie-Simons/Kuzu over geen contracten met Israëlische defensiebedrijven (21501-20, nr. 1694);
  • de motie-Simons/Kuzu over het stopzetten van samenwerkingsprojecten totdat Israël het internationaal recht naleeft (21501-20, nr. 1695);
  • de motie-Simons c.s. over een verbod op goederen uit illegale kolonies in bezet Palestijns gebied (21501-20, nr. 1696);
  • de motie-Simons c.s. over geen economische relaties met bedrijven die operationeel zijn in illegale kolonies in bezet Palestijns gebied (21501-20, nr. 1697).

(Zie vergadering van 19 mei 2021.)

De voorzitter:
De motie-Jasper van Dijk (21501-20, nr. 1682) is in die zin gewijzigd dat zij thans luidt:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat door Israël grof geweld wordt ingezet tegen Gaza, ook tegen burgerdoelen, als gevolg waarvan meer dan 200 Palestijnen zijn gedood, waaronder tientallen kinderen;

constaterende dat mensenrechtenorganisaties grote zorgen hierover uiten, specifiek ook over (mogelijke) oorlogsmisdaden die door Israël worden begaan;

overwegende dat Nederland allerlei militaire betrekkingen onderhoudt met Israël, waaronder militaire samenwerking en wapenhandel;

verzoekt de regering de Kamer op korte termijn en in detail hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt nr. ??, was nr. 1682 (21501-20).

Ik stel vast dat wij hier nu over kunnen stemmen.

In stemming komt de motie-Teunissen (21501-20, nr. 1667).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de SGP, het CDA, BBB, JA21, FVD en Groep Van Haga voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Sjoerdsma c.s. (21501-20, nr. 1668).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, het CDA, BBB, JA21, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fractie van de PvdD ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Sjoerdsma c.s. (21501-20, nr. 1669).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de VVD, het CDA, BBB en Groep Van Haga voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Kuzu/Simons (21501-20, nr. 1671).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, BIJ1, DENK, de PvdD en Fractie Den Haan voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Kuzu c.s. (21501-20, nr. 1672).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de VVD en het CDA voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Kuzu/Simons (21501-20, nr. 1673).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, het CDA en BBB voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Kuzu c.s. (21501-20, nr. 1674).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66 en BBB voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Kuzu/Simons (21501-20, nr. 1675).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan en D66 voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Kuzu/Simons (21501-20, nr. 1676).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66 en het CDA voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Kuzu/Jasper van Dijk (21501-20, nr. 1677).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, DENK, de PvdD en Fractie Den Haan voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Kuzu c.s. (21501-20, nr. 1678).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan en D66 voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

Mevrouw Agema.

Mevrouw Agema (PVV):
Wij worden geacht tegen de motie op stuk nr. 1667 gestemd te hebben. Wij zijn tegen het verhuiscircus.

De voorzitter:
U bent vóór de motie, dus tegen de verhuizing. Deze opmerking zal worden meegenomen in de Handelingen.

In stemming komt de motie-Kuzu c.s. (21501-20, nr. 1679).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, BIJ1, DENK, de PvdD en Fractie Den Haan voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Jasper van Dijk (21501-20, nr. 1681).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan en D66 voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Jasper van Dijk c.s. (21501-20, nr. 1680).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD en Fractie Den Haan voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de gewijzigde motie-Jasper van Dijk (21501-20, nr. ??, was nr. 1682).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan en D66 voor deze gewijzigde motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Piri c.s. (21501-20, nr. 1683).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan en D66 voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-De Roon (21501-20, nr. 1684).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, Volt, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, het CDA, BBB, JA21, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-De Roon (21501-20, nr. 1685).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SGP, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-De Roon (21501-20, nr. 1686).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van BBB, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Van der Lee c.s. (21501-20, nr. 1687).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan en D66 voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Bisschop (21501-20, nr. 1688).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de ChristenUnie, de SGP, BBB, JA21, FVD, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Segers/Kamminga (21501-20, nr. 1689).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, de PvdD, Fractie Den Haan, D66, de ChristenUnie, de VVD, de SGP, het CDA, BBB, JA21, Groep Van Haga en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fractie van FVD ertegen, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Dassen/Van der Lee (21501-20, nr. 1690).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van GroenLinks, BIJ1, Volt, DENK, de PvdA, Fractie Den Haan, D66, het CDA en BBB voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Simons/Kuzu (21501-20, nr. 1692).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, BIJ1, DENK, de PvdD en Fractie Den Haan voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Simons (21501-20, nr. 1693).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van BIJ1 en DENK voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Simons/Kuzu (21501-20, nr. 1694).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, BIJ1, DENK, de PvdD en Fractie Den Haan voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Simons/Kuzu (21501-20, nr. 1695).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, BIJ1, DENK en de PvdD voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Simons c.s. (21501-20, nr. 1696).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, BIJ1, DENK, de PvdD en Fractie Den Haan voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Simons c.s. (21501-20, nr. 1697).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, BIJ1, DENK, de PvdD en Fractie Den Haan voor deze motie hebben gestemd en de leden van de overige fracties ertegen, zodat zij is verworpen.

Daarmee zijn we aan het einde gekomen van deze ronde van stemmingen. Ik schors de vergadering voor een enkel ogenblik zodat we daarna hoofdelijk kunnen stemmen. Ik wil vragen aan groep 1 om binnen te komen.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Stemmingen

Stemmingen

Stemming brief Verzoek tot het in overweging nemen van een onderzoek naar een aanklacht (ronde 1)

Aan de orde is de stemming over de brief van de leden Wilders, Markuszower, Agema, Léon de Jong en Fritsma houdende het verzoek tot het in overweging nemen van een onderzoek naar een aanklacht (35820, nr. 1).

De voorzitter:
Aan de orde zijn de hoofdelijke stemmingen.

De leden van de eerste groep, Aartsen tot en met Den Haan, brengen hun stem uit.

Stemming motie Europese top van 24 en 25 mei 2021 (ronde 1)

Aan de orde is de stemming over een motie, ingediend bij het debat over de Europese top van 24 en 25 mei 2021,

te weten:

  • de motie-Kuzu c.s. over uitspreken dat het niet is toegestaan dat landen het internationaal recht overtreden (21501-20, nr. 1670).

(Zie vergadering van 19 mei 2021.)

De leden van de eerste groep, Aartsen tot en met Den Haan, brengen hun stem uit.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan schors ik voor een enkel moment zodat groep 2 naar binnen kan komen.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Stemming brief Verzoek tot het in overweging nemen van een onderzoek naar een aanklacht (ronde 2)

Aan de orde is de stemming over de de brief van de leden Wilders, Markuszower, Agema, Léon de Jong en Fritsma houdende het verzoek tot het in overweging nemen van een onderzoek naar een aanklacht (35820, nr. 1).

De voorzitter:
Aan de orde zijn de hoofdelijke stemmingen. Ik wil aan de leden vragen om hun plaats in te nemen — en om iets rustiger te zijn. Dank u wel.

De leden van de tweede groep, Van Haga tot en met Edgar Mulder, brengen hun stem uit.

Stemming motie Europese top van 24 en 25 mei 2021 (ronde 2)

Aan de orde is de stemming over een motie, ingediend bij het debat over de Europese top van 24 en 25 mei 2021,

te weten:

  • de motie-Kuzu c.s. over uitspreken dat het niet is toegestaan dat landen het internationaal recht overtreden (21501-20, nr. 1670).

(Zie vergadering van 19 mei 2021.)

De leden van de tweede groep, Van Haga tot en met Edgar Mulder, brengen hun stem uit.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan schors ik de vergadering voor een enkel moment, zodat groep 3 naar binnen kan komen.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Stemming brief Verzoek tot het in overweging nemen van een onderzoek naar een aanklacht (ronde 3)

Aan de orde is de stemming over de brief van de leden Wilders, Markuszower, Agema, Léon de Jong en Fritsma houdende het verzoek tot het in overweging nemen van een onderzoek naar een aanklacht (35820, nr. 1).

De voorzitter:
Ik wil aan de leden vragen om hun plaats weer in te nemen. Aan de orde zijn de hoofdelijke stemmingen. Volgens mij zijn we zo goed als compleet, denk ik. Ja, iedereen zit.

De leden van de derde groep, De Neef tot en met Yeşilgöz-Zegerius, brengen hun stem uit.

In de rondes 1, 2 en 3 hebben de leden als volgt gestemd.

In stemming komt de brief van de leden Wilders, Markuszower, Agema, Léon de Jong en Fritsma houdende het verzoek tot het in overweging nemen van een onderzoek naar een aanklacht.

Vóór stemmen de leden: Agema, Azarkan, Van Baarle, Baudet, Beertema, Martin Bosma, Tony van Dijck, Van Esch, Fritsma, De Graaf, Graus, Van Haga, Helder, Van Houwelingen, Jansen, Léon de Jong, Kerseboom, Kops, Kuzu, Madlener, Maeijer, Markuszower, Van Meijeren, Edgar Mulder, Ouwehand, Van der Plas, Van Raan, De Roon, Simons, Teunissen, Vestering, Wassenberg, Van Weerdenburg en Wilders.

Tegen stemmen de leden: Aartsen, Alkaya, Amhaouch, Van Ark, Becker, Beckerman, Belhaj, Van den Berg, Bergkamp, Van Beukering-Huijbregts, Bikker, Bisschop, Boswijk, Bouchallikh, Boucke, Boulakjar, Brekelmans, Bromet, Van Campen, Ceder, Dassen, Inge van Dijk, Jasper van Dijk, Eerdmans, El Yassini, Ellian, Eppink, Erkens, Geurts, Van Ginneken, Grinwis, Peter de Groot, Tjeerd de Groot, Den Haan, Hagen, Hammelburg, Harbers, Rudmer Heerema, Pieter Heerma, Heinen, Hermans, Van den Hil, De Hoop, Idsinga, Romke de Jong, Kamminga, Kat, Kathmann, Keijzer, Van Kent, Koekkoek, Koerhuis, De Kort, Kuik, Kuiken, Kwint, Van der Laan, Van der Lee, Leijten, Maatoug, Van Meenen, Michon-Derkzen, Agnes Mulder, De Neef, Nijboer, Van Nispen, Palland, Paternotte, Paul, Paulusma, Peters, Piri, Pouw-Verweij, Raemakers, Rajkowski, Schouten, Segers, Sjoerdsma, Sneller, Snels, Van der Staaij, Stoffer, Van Strien, Thijssen, Tielen, Valstar, Vijlbrief, Aukje de Vries, Van der Werf, Werner, Westerveld, Van Weyenberg, Wiersma, Van Wijngaarden, Van der Woude, Wuite en Yeşilgöz-Zegerius.

De voorzitter:
Ik constateer dat dit voorstel met 34 stemmen voor en 97 stemmen tegen is verworpen.

Stemming motie Europese top van 24 en 25 mei 2021 (ronde 3)

Aan de orde is de stemming over een motie, ingediend bij het debat over de Europese top van 24 en 25 mei 2021,

te weten:

  • de motie-Kuzu c.s. over uitspreken dat het niet is toegestaan dat landen het internationaal recht overtreden (21501-20, nr. 1670).

(Zie vergadering van 19 mei 2021.)

In stemming komt de motie-Kuzu c.s. (21501-20, nr. 1670).

Vóór stemmen de leden: Alkaya, Azarkan, Van Baarle, Beckerman, Belhaj, Bergkamp, Van Beukering-Huijbregts, Bouchallikh, Boucke, Boulakjar, Bromet, Dassen, Jasper van Dijk, Van Esch, Van Ginneken, Tjeerd de Groot, Den Haan, Hagen, Hammelburg, De Hoop, Romke de Jong, Kat, Kathmann, Van Kent, Koekkoek, Kuiken, Kuzu, Kwint, Van der Laan, Van der Lee, Leijten, Maatoug, Van Meenen, Nijboer, Van Nispen, Ouwehand, Paternotte, Paulusma, Piri, Van der Plas, Van Raan, Raemakers, Simons, Sjoerdsma, Sneller, Snels, Teunissen, Thijssen, Vestering, Vijlbrief, Wassenberg, Van der Werf, Westerveld, Van Weyenberg en Wuite.

Tegen stemmen de leden: Aartsen, Agema, Amhaouch, Van Ark, Baudet, Becker, Beertema, Van den Berg, Bikker, Bisschop, Martin Bosma, Boswijk, Brekelmans, Van Campen, Ceder, Tony van Dijck, Inge van Dijk, Eerdmans, El Yassini, Ellian, Eppink, Erkens, Fritsma, Geurts, De Graaf, Graus, Grinwis, Peter de Groot, Van Haga, Harbers, Rudmer Heerema, Pieter Heerma, Heinen, Helder, Hermans, Van den Hil, Van Houwelingen, Idsinga, Jansen, Léon de Jong, Kamminga, Keijzer, Kerseboom, Koerhuis, Kops, De Kort, Kuik, Madlener, Maeijer, Markuszower, Van Meijeren, Michon-Derkzen, Agnes Mulder, Edgar Mulder, De Neef, Palland, Paul, Peters, Pouw-Verweij, Rajkowski, De Roon, Schouten, Segers, Van der Staaij, Stoffer, Van Strien, Tielen, Valstar, Aukje de Vries, Van Weerdenburg, Werner, Wiersma, Van Wijngaarden, Wilders, Van der Woude en Yeşilgöz-Zegerius.

De voorzitter:
Ik constateer dat deze motie met 55 stemmen voor en 76 stemmen tegen is verworpen.

Dank u wel. Dan schors ik de vergadering voor een enkel moment, zodat we de stemmen kunnen tellen. Ik verzoek groep 3 om een beetje in de buurt te blijven van de plenaire zaal.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:
De uitslag van de stemmingen over het verzoek en de motie luidt als volgt.

Eerst de brief van de leden Wilders, Agema, Markuszower, Léon de Jong en Fritsma op stuk nr. 1 (35820). 34 leden hebben voor het verzoek in de brief gestemd en 97 hebben daartegen gestemd. Het verzoek is verworpen.

Dan de motie-Kuzu c.s. op stuk nr. 1670 (21501-20) die is ingediend bij het debat over de Europese top, die op 24 en 25 mei 2021 plaatsvindt. 55 leden hebben voor de motie gestemd en 76 leden hebben tegen de motie gestemd. De motie is dus verworpen.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Voorzitter: Martin Bosma

Gewasbeschermingsmiddelen

Gewasbeschermingsmiddelen

Aan de orde is het VAO Gewasbeschermingsmiddelen (AO d.d. 02/11).

De voorzitter:
Een hartelijk woord van welkom aan de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. De staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat is nog steeds bij ons. Die kan maar geen genoeg van ons krijgen, en dat siert haar.

Aan de orde is thans het VAO Gewasbeschermingsmiddelen. Het AO vond plaats op 2 november. Of 11 februari? Dat weet ik ook niet meer. Wij hebben voor u negen deelnemers van de zijde van de Kamer. De eerste is de heer Tjeerd de Groot van de fractie van D66. Hij heeft twee minuten spreektijd. Het woord is aan hem.

U bent al halverwege uw spreektijd, meneer De Groot. Welkom bij het VAO Gewasbescherming. Fijn ook dat u bij ons bent!

De heer Tjeerd de Groot (D66):
Voorzitter, ik heb een drietal moties en ik ga maar meteen beginnen met voorlezen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat aanvragen van nieuwe groene laagrisicogewasbeschermingsmiddelen een zeer lange doorlooptijd kennen en de vraag onverminderd hoog is;

constaterende dat Nederland als enige Europese lidstaat een afbakening van 1.000 hectare voor de bedekte teelt en als een van de weinige lidstaten een afbakening van 5.000 hectare voor de onbedekte teelt heeft vastgesteld voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen voor kleine toepassingen waar andere lidstaten respectievelijk 5.000 hectare en 10.000 hectare of meer hanteren;

overwegende dat door de afwijkende afbakening toegelaten groene middelen momenteel niet beschikbaar zijn voor Nederlandse kleine teelten;

verzoekt de regering deze discrepantie weg te nemen en het maximale areaal voor kleine toepassingen voor de bedekte teelt naar 5.000 hectare en voor de onbedekte teelt naar 10.000 hectare te verhogen voor groene laagrisicogewasbeschermingsmiddelen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Tjeerd de Groot.

Zij krijgt nr. 538 (27858).

De heer Tjeerd de Groot (D66):
En dan heb ik een tweede motie, en daarna nog een derde. Ik ga dus gauw door.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat aanvragen van nieuwe groene laagrisicogewasbeschermingsmiddelen een zeer lange doorlooptijd kennen;

constaterende dat er sprake is van een tekort aan specialistische beoordelingscapaciteit;

constaterende dat de Toekomstvisie gewasbescherming 2030 onderschrijft dat de behoefte aan gewasbeschermingsmiddelen verminderd moet worden;

overwegende dat groene laagrisicomiddelen in dezelfde lange wachtrij van beoordeling staan als reguliere middelen;

verzoekt de regering om een apart loket bij het Ctgb in te richten waarbij groene laagrisicomiddelen voorrang krijgen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Tjeerd de Groot en Boswijk.

Zij krijgt nr. 539 (27858).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in de Europese Green Deal de doelstelling is opgenomen om uiterlijk in 2030 25% van de landbouwgrond voor biologische landbouw te gebruiken en Nederland achterloopt;

overwegende dat Nederlandse overheidsinstanties een grote bijdrage leveren aan een natuurinclusieve samenleving waarbij in groten getale bloembollen en perkgoed worden afgenomen;

verzoekt de regering om met de biologische sector, gemeenten en provincies te bekijken of het mogelijk is het aandeel biologische bloembollen en perkgoed dat afgenomen wordt door gemeenten en provincies te verhogen naar minimaal 25% binnen afzienbare tijd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Tjeerd de Groot en Boswijk.

Zij krijgt nr. 540 (27858).

Dank u wel. Dan mevrouw Vestering van de Partij voor de Dieren.

Mevrouw Vestering (PvdD):
Voorzitter. De Nederlandse landbouw heeft er heel wat voor over om z'n exportpositie te behouden. Met tonnen mest en landbouwgif vervuilen we onze natuur, ons water en onszelf. In Nederland wordt per hectare landbouwgrond het meeste landbouwgif gebruikt van de EU. En het wordt alleen maar erger. Waar de EU in 2019 gemiddeld 6% minder gif is gaan spuiten, was dat in Nederland slechts 1%. Daarom de volgende moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de nota Gezonde Groei, Duurzame Oogst concrete doelen stelt voor de reductie van het gebruik en de schadelijke effecten van landbouwgif voor 2023;

constaterende dat uit de tussenevaluatie van deze nota blijkt dat de meeste tussendoelen niet werden gehaald en dat werd verwacht dat met voortzetting van het huidige beleid ook de doelen voor 2023 niet zullen worden gehaald;

verzoekt de regering aanvullende maatregelen te treffen en alles op alles te zetten om de doelen uit de nota Gezonde Groei, Duurzame Oogst uiterlijk in 2023 te halen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Vestering.

Zij krijgt nr. 541 (27858).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er een mix van schadelijke stoffen, waaronder landbouwgif, is aangetroffen tot in de kern van beschermde natuurgebieden;

constaterende dat de Raad voor de leefomgeving heeft aanbevolen om voor kwetsbare gebieden een maximaal toelaatbare toxiciteitsdruk te hanteren ter aanvulling op de huidige normen per stof;

overwegende dat de regering hier positief op heeft gereageerd en reeds een verkenning uitvoert naar de mogelijkheden hiervoor;

verzoekt de regering naast beschermde natuurgebieden ook woningen, scholen en speelplekken aan te merken als kwetsbare gebieden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Vestering.

Zij krijgt nr. 542 (27858).

Dank u wel. Dan de heer Thijssen van de fractie van de Partij van de Arbeid.

De heer Thijssen (PvdA):
Dank u, voorzitter. Ik heb één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de Kamer heeft uitgesproken dat er spuitvrije zones ingesteld dienen te worden voor landbouwpercelen grenzend aan gronden die een woonbestemming hebben;

overwegende dat dat bij bestaand rechtmatig gebruik van landbouwpercelen om juridische redenen niet eenvoudig te bewerkstelligen is;

van mening dat blootstelling van bewoners aan gewasbeschermingsmiddelen vermeden moet worden en dat daarbij het voorzorgsbeginsel geldt;

van mening dat de eigenaren van landbouwpercelen in de nabijheid van gronden met een woonbestemming aangezet moeten worden tot het instellen van spuitvrije zones;

verzoekt de regering een regeling te ontwerpen waarmee deze eigenaren door middel van financiële compensatie aangezet worden genoemde spuitvrije zones aan te gaan houden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Thijssen en Bromet.

Zij krijgt nr. 543 (27858).

Dank u wel. Dan mevrouw Bromet van de fractie van GroenLinks.

Mevrouw Bromet (GroenLinks):
Voorzitter. Ik heb een vraag en twee moties. De vraag gaat over het verbod van glyfosaat op verhardingen en de reparatie van de wetgeving die verworpen is door de rechter. Ik zou graag van de staatssecretaris willen weten hoe het daarmee staat.

Ik heb een motie over glyfosaat op rijksgronden.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de Kamer zich eerder heeft uitgesproken tegen het gebruik van glyfosaat op land van het Rijk;

constaterende dat de minister gezien haar recente brief hierover onvoldoende uitvoering geeft aan deze motie;

overwegende dat 10% van de rijksgronden in eigen beheer is;

overwegende dat bij de 90% van de rijksgronden die in pacht is uitgegeven, bij een nieuwe pachtovereenkomst ook nieuwe eisen gesteld kunnen worden aan de manier van gebruik;

verzoekt de regering om per direct het gebruik van glyfosaat te stoppen op rijksgronden die in eigen beheer zijn en bij het (opnieuw) verpachten van gronden aan landbouwbedrijven voortaan de clausule op te nemen dat deze uitsluitend voor biologische landbouw gebruikt mogen worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bromet, Thijssen en Tjeerd de Groot.

Zij krijgt nr. 544 (27858).

Mevrouw Bromet (GroenLinks):
En de tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de Gezondheidsraad in het "vervolgadvies gewasbescherming omwonenden" de zorgwekkende gevolgen van blootstelling aan landbouwgif vooral baseert op buitenlands epidemiologisch onderzoek, omdat er in Nederland weinig onderzoek wordt gedaan;

constaterende dat de Gezondheidsraad adviseert om een langlopende studie naar de langetermijngevolgen van de blootstelling aan landbouwgif in te stellen;

verzoekt de regering om een langetermijnstudie naar de gezondheidsgevolgen van blootstelling aan bestrijdingsmiddelen te doen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bromet en Thijssen.

Zij krijgt nr. 545 (27858).

Dank u wel. Dan mevrouw Van der Plas van de fractie van BBB.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Onze voedsel- en bloemenmakers zijn hoogopgeleid. Het zijn geen nitwits die lollig in het rond spuiten met gif. Dat kan niet eens want boeren en tuinders moeten spuitlicenties hebben en regelmatig verplicht op cursus. Ze moeten alles weten over doses en werkzame stoffen. Dat is dus heel anders dan voor ons, de burgers, die wel op zaterdag onze huizen en tuinen kunnen volsprayen met pesticiden, zonder te weten wat de precieze werking is van die middelen.

Los van de kennis die boeren moeten hebben over gewasbeschermingsmiddelen, hebben we deze middelen nodig voor onze voedselproductie. In Noordwest-Europa is er sinds de komst van gewasbeschermingsmiddelen nooit meer een hongersnood geweest vanwege ziektes of insectenplagen. Hongersnoden vanwege plagen kwamen wel voor in de tijd van Ot en Sien, de tijd waar sommige Kamerleden en heel veel burgers naar terugverlangen en die zij romantiseren, want alles was onbespoten. Nou, zo romantisch was het allemaal niet, want er was veel sterfte op jonge leeftijd door ondervoeding, veroorzaakt door misoogsten en dus voedselgebrek.

Natuurlijk moeten we in de landbouw goed kijken naar de werking en het gebruik van middelen en de effecten ervan op natuur, mens, voedsel en omgeving. Niemand bestrijdt dit, maar informeer Nederland objectief en feitelijk, zonder bangmakerij en polarisatie. Stop met het opzetten van burgers en boeren tegen elkaar.

Wij dienen dan de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat gewasbescherming een van de beleidsterreinen is waar polarisatie van het maatschappelijk debat over de landbouw het sterkst aanwezig is;

constaterende dat een brede coalitie van overheid, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties knetterhard werkt aan een transitie op het gebied van gewasbescherming aan de hand van het uitvoeringsprogramma behorend bij de Toekomstvisie gewasbescherming 2030;

constaterende dat deze complexe opgave steun verdient van partijen vanuit de bredere samenleving, ook van partijen die niet rechtstreeks bij dit uitvoeringsprogramma zijn betrokken;

constaterende dat polarisatie van het maatschappelijk debat leidt tot ondermijning van het draagvlak voor investeringen en inzet voor deze transitie;

verzoekt het kabinet scherp te zijn op polarisatie en valse framing op het gebied van gewasbescherming, en om zich actief in te zetten om de maatschappij goed en gestaafd met feiten en cijfers te informeren over de voor- en nadelen van gewasbeschermingsmiddelen en daarmee draagvlak te creëren voor het uitvoeringsprogramma;

voorts gaan we verder met het verspreiden van gezond verstand in de Tweede Kamer,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Plas.

Zij krijgt nr. 546 (27858).

Dank u wel. Een vraag nog van mevrouw Bromet.

Mevrouw Bromet (GroenLinks):
Ik heb een vraag. Wat betekent het eigenlijk dat het kabinet polarisatie tegen moet gaan? Betekent dit dat het kabinet tegen bepaalde partijen moet gaan zeggen dat ze het woord "gif" niet meer mogen gebruiken?

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Mogen? Ik zeg niet dat er een verbod moet komen op het gebruik van het woord, want in Nederland kennen we vrijheid van meningsuiting. Ik vind wel dat de minister er best eens iets van mag zeggen als bijvoorbeeld door de ministeries, op websites of hier constant met het woord "gif" wordt gestrooid en het dus letterlijk wordt rondgestrooid. Los daarvan, op websites en in documenten van het ministerie heb ik ook weleens het woord "landbouwgif" gezien. Ik zou graag willen dat het ministerie dat woord niet gebruikt, want we hebben het over gewasbeschermingsmiddelen en, als er bestreden moet worden, misschien ook nog wel over bestrijdingsmiddelen. Maar hier wordt vaak gedaan alsof er maar wat met gif wordt rondgestrooid, alsof iedereen daar ziek van wordt of dood aan gaat. Natuurlijk moet je goed kijken naar de werking van de middelen, maar ik denk dat het gros van Nederland denkt dat de boeren eigenlijk zomaar wat doen op die akkers.

De voorzitter:
Afrondend. Heel kort.

Mevrouw Bromet (GroenLinks):
Nee, ik heb er niks op te zeggen.

De voorzitter:
Dat mag ook.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Nee? Nou, oké. Dat is dan duidelijk.

De voorzitter:
Dat was uw termijn. Dan de heer Van Campen van de VVD. Het woord is aan hem.

De heer Van Campen (VVD):
Voorzitter, dank u wel. Neonicotinoïden. Ik moest er vroeg voor opstaan om het voor de spiegel te oefenen om het uit mijn strot te krijgen. Het is een spulletje dat ervoor zorgt dat bietenplantjes niet al in de eerste weken verpieteren door allerlei plagen, luizen en ander ongein. Het mag niet meer van Europa. In Nederland houden wij ons daar netjes aan, maar helaas zijn er andere landen, wel tien tot twaalf lidstaten, die daarvoor een ontheffing verlenen. Dat vinden we niet eerlijk tegenover onze bietentelers. De VVD wil dus graag op zoek naar een alternatief, en daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Europese Commissie het gebruik van neonicotinoïden door bijvoorbeeld bietentelers niet toestaat, maar dat lidstaten zelf bepalen of ze navolging geven aan dit verbod;

constaterende dat bietentelers in Nederland overgeleverd zijn aan andere middelen om bieten te beschermen, niet zelden middelen die tot meer milieudruk leiden;

van mening dat het onwenselijk is dat andere Europese lidstaten ontheffingen geven voor het gebruik van neonicotinoïden, omdat dit leidt tot een ongelijk speelveld voor Nederlandse bietentelers;

van mening dat het onwenselijk is dat een verbod leidt tot meer gebruik van andere middelen die leiden tot meer milieudruk;

verzoekt de regering in gesprek met de sector te komen tot een werkbaar alternatief voor het gebruik van neonicotinoïden door bietentelers, en de Kamer daarover zo spoedig mogelijk te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Campen, Boswijk, Van der Plas en Grinwis.

Zij krijgt nr. 547 (27858).

De heer Van Campen (VVD):
Tot slot nog een motie over de coördinatie van de strategie rondom de aanpak van knaagdierplagen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het RIVM stelt dat versnippering van beleid vermeden moet worden aangezien knaagdierplagen aan veel verschillende beleidsterreinen en regelgeving raken;

constaterende dat het kabinet stelt dat verbreding van betrokkenen bij knaagdierbeheersing wenselijk is en dat kennisuitwisseling en afstemming moet plaatsvinden over de aanpak voor zowel ratten als muizen;

van mening dat versnippering van beleid moet worden voorkomen door een duidelijk aanspreekpunt in te stellen zodat mensen weten waar ze moeten zijn voor voorlichting en advies over knaagdieren;

constaterende dat het Kennis- en Adviescentrum Dierplagen (KAD) onafhankelijk is en beschikt over de expertise om dit goed in te vullen;

verzoekt de regering de informatie- en voorlichtingspositie van de aanpak onder te brengen bij het Kennis- en Adviescentrum Dierplagen (KAD),

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Campen, Boswijk, Van der Plas en Grinwis.

Zij krijgt nr. 548 (27858).

Dank u wel. De laatste spreker aan de zijde van de Kamer is de heer Boswijk van de fractie van het CDA.

De heer Boswijk (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Wij hebben één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de criminele handel in illegale gewasbeschermingsmiddelen groeit en Europol in 2020 maar liefst 1,3 miljoen kilogram illegale middelen van de markt heeft gehaald, bijna twee keer zoveel als in 2019;

constaterende dat wetgeving en handhaving nu vooral zijn gericht op individuele telers, waardoor criminele organisaties buiten schot blijven;

constaterende dat illegale en vervalste gewasbeschermingsmiddelen niet zijn onderzocht en getoetst en daarmee een bedreiging kunnen vormen voor de gezondheid en voor het milieu;

overwegende dat een samenhangend plan van aanpak nodig is om deze illegale praktijken aan banden te leggen;

verzoekt de regering om samen met de NVWA en andere betrokken partijen een plan van aanpak op te stellen om de criminele handel in illegale gewasbeschermingsmiddelen aan banden te leggen, en de Kamer hierover in het najaar van 2021 te informeren;

verzoekt de regering bij het opstellen van dit plan in ieder geval aandacht te besteden aan verruiming van inspectie- en handhavingsmogelijkheden, capaciteit bij de controlerende instanties en de mogelijkheden voor zwaardere straffen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Boswijk, Grinwis, Tjeerd de Groot en Van Campen.

Zij krijgt nr. 549 (27858).

Dank u wel. Tot zover de termijn van de Kamer. Ik schors vijf minuten. Daarna gaan we luisteren naar de minister en de staatssecretaris.

De vergadering wordt van 16.37 uur tot 16.43 uur geschorst.

De voorzitter:
Het woord is aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Dank u wel, voorzitter. Ik ga in op twee moties en er is een vraag aan mij gesteld. De overige moties zullen door de minister worden behandeld.

Allereerst de motie op stuk nr. 542 van mevrouw Vestering. Die gaat over de verkenning van een pilot voor de maximaal toelaatbare toxiciteitsdruk. Ik heb met betrekking tot het vraagstuk van de cumulatie van verschillende chemische stoffen inderdaad in een algemeen overleg aan de Kamer toegezegd dat het interessant is om eens te kijken of er reden zou zijn om te komen tot een maximaal toelaatbare cumulatieve toxiciteitsdruk. Daar voeren we nu een verkenning naar uit. Dan is het wel belangrijk om eerst die verkenning naar de vraag of we daar überhaupt iets mee kunnen, af te wachten in plaats van meteen de toepassing ervan op x of y hier vast te leggen. Dus daar zou ik nu ook niet toe willen overgaan. Ik zou eigenlijk willen vragen om deze motie aan te houden en eerst de resultaten van de verkenning af te wachten. Dan kunnen we die met elkaar bespreken en dan zien hoe en waarop we de resultaten van die verkenning daarna ook daadwerkelijk willen toepassen. Ik verzoek mevrouw Vestering dus om de motie aan te houden. Anders moet ik de motie ontraden.

De voorzitter:
Ik kijk even naar mevrouw Vestering. Ik zie nog weinig actie. Ze komt naar de microfoon.

Mevrouw Vestering (PvdD):
Nee, voorzitter, ik ben niet bereid om de motie aan te houden.

De voorzitter:
Helder. Dan wil ik graag een oordeel van de staatssecretaris.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Voorzitter. Dan moet ik de motie ontraden, want daarmee wordt echt ver vooruitgelopen op de verkenning die ik heb toegezegd. Daar ben ik dus mee bezig.

Voorzitter. Dan de motie van de heer Van Campen op stuk nr. 548. Die verzoekt de regering om de informatie- en voorlichtingspositie onder te brengen bij het Kennis- en Adviescentrum Dierplagen. Ik weet zeker dat de heer Van Campen het met mij eens is dat voorlichting aan burgers objectief, betrouwbaar en goed onderbouwd moet zijn. Het is dan ook een bewuste keuze geweest om die te beleggen bij een volledig onafhankelijke partij als Milieu Centraal, die gespecialiseerd is in de voorlichting aan burgers. Maar uiteraard staat niks de samenwerking met private partijen, die ook hele specifieke kennis kunnen hebben, in de weg. Ik heb inderdaad vernomen dat Milieu Centraal en het Kennis- en Adviescentrum Dierplagen goed met elkaar in contact staan, maar de primaire verantwoordelijkheid blijft bij Milieu Centraal. Maar het is wel belangrijk dat goed gebruik wordt gemaakt van de kennis die er is. Ik ontraad dus de motie, maar ik denk dat in die samenwerking goed gebruik kan worden gemaakt van de kennis die er is bij dat kennis- en adviescentrum.

De heer Van Campen (VVD):
Dat kennis- en adviescentrum is een organisatie waarmee ook in de gemeenten en de provincies enorm veel wordt gewerkt. Er wordt veel gewerkt met overheden, ook in de dienstverlening richting bedrijven en burgers. Kan de staatssecretaris aangeven op welke wijze die samenwerking en de kennis en expertise van het kennis- en adviescentrum wordt benut? Ik kan me voorstellen dat dat misschien niet op dit moment kan, maar dat ze ons die informatie op een later moment doet toekomen. Ik ben daar wel nieuwsgierig naar.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Ik ben graag bereid om in een volgende brief wat nader in te gaan op de wijze waarop die samenwerking in de praktijk plaatsvindt. Misschien is dat een praktische oplossing. Dan ontraad ik dus deze motie.

Dan was er nog een vraag van mevrouw Bromet: hoe gaan we verder met het wetsvoorstel inzake het verbod op gewasbescherming buiten de landbouw? Naar aanleiding van de rechtszaak die heeft plaatsgevonden waardoor de wet buiten werking was gesteld, is er een ander wetsvoorstel ingediend waarmee de problematiek wordt ondervangen. Dat wetsvoorstel en de achterliggende brief van 13 april jongstleden zijn door uw Kamer controversieel verklaard. Dus we wachten eigenlijk tot het moment dat de Kamer besluit om dat onderwerp weer te gaan bespreken. Dan zullen we daar uiteraard graag toe bereid zijn. Daar is nu dus het wachten op.

Voorzitter. Dat was het.

De voorzitter:
Prima. Dank aan de staatssecretaris voor haar vele bijdragen van vandaag. Dan geef ik graag het woord aan de minister.

Minister Schouten:
Dank u wel, voorzitter. Eerst de motie-De Groot op stuk nr. 538. Ik snap de vraag achter de motie. Er loopt alleen op dit moment een gerechtelijke procedure over de vraag of we dit niet al te veel ruimte geven. Dat is op dit moment de feitelijke situatie. Als ik de motie zo mag interpreteren dat het verzoek is te bekijken of het ophogen van de areaalgrenzen effectief is voor het beoogde doel en wat de voor- en nadelen hiervan zijn, dan kan ik de motie oordeel Kamer geven.

De voorzitter:
De heer De Groot knikt.

Minister Schouten:
De tweede motie, die op stuk nr. 539, gaat over de voorrang voor de groene laagrisicomiddelen, en een apart team of loket hiervoor. Het Green Team bij het Ctgb maakt daar ook al werk van. In de motie wordt gevraagd om een apart loket. Ik vraag me af of dat de portee van de zaak zou moeten zijn, want het Green Team is juist heel goed geëquipeerd om die groene middelen te behandelen. In het algemeen is er een behoorlijk tekort aan specialistische kennis, ook in Nederland, om dit soort zaken goed en snel te kunnen beoordelen. Daar zit dus eigenlijk de bottleneck. Ik wil kijken wat ervoor nodig is om die laagrisicomiddelen makkelijker toegang te geven in de procedures en dergelijke, maar ik weet dus niet of dat dan per se met een nieuw loket is, omdat we dat Green Team al hebben. Maar is de essentie van de motie om te bezien wat we nog kunnen doen om hierin stappen vooruit te zetten? Als ik de motie op die manier mag uitleggen, kan ik die ook oordeel Kamer geven.

De voorzitter:
Ook dat is het geval.

Minister Schouten:
Dan de biologische bollen en de gemeenten en de provincies. Over het algemeen gaan wij natuurlijk niet over het inkoopbeleid van de gemeenten en de provincies. Daar gaan zij zelf over. Ik vind het wel belangrijk dat we goed kijken hoe we ook dit kunnen stimuleren. Als ik de motie op stuk nr. 540 zo mag lezen dat ik bij VNG en IPO nadrukkelijk de mogelijkheid van biologische bollen en perkgoed onder de aandacht breng, dan kan deze motie oordeel Kamer krijgen. Ik zal er dan een brief over schrijven en dit in een gesprek nog eens benadrukken.

De voorzitter:
Ook daar knikt de heer De Groot. Wat een mooie functie heb ik vandaag: ik moet de bodylanguage van de heer De Groot aflezen.

Minister Schouten:
Ja, de knikjes van de heer De Groot.

Dan de motie op stuk nr. 541 van mevrouw Vestering over de nota Gezonde Groei, Duurzame Oogst. Ik was daarover een klein beetje in verwarring, want we hebben na die nota het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie gewasbescherming 2030 opgesteld. Dat is de opvolger van de nota Gezonde Groei, Duurzame Oogst. Wat de motie vraagt, hebben we dus eigenlijk al opgenomen in het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie. Dat programma richt zich ook op de doelen die eerder in de nota Gezonde Groei, Duurzame Oogst stonden. Technisch gezien gebeurt het dus al. Volgens mij is hier dan de lijn dat de motie overbodig is, maar ik kijk even naar de voorzitter om te weten hoe tegenwoordig de benamingen zijn.

De voorzitter:
We gaan eerst even naar mevrouw Vestering luisteren.

Mevrouw Vestering (PvdD):
Hoe mooi zou het zijn als het overbodig zou zijn? Als ik goed kan rekenen, dan is 2030 later dan 2023. O, nee, schudt de minister. Maar met het nieuwe programma, het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie 2030, schuiven we de deadline, die we nu nog hebben gesteld in 2023, naar achter, naar 2030. Dat moet je niet willen, vandaar deze motie. Plus: het is heel belangrijk dat in die nieuwe Toekomstvisie geen kwantitatieve doelen staan. Die hebben we wel voor 2023, bijvoorbeeld als het gaat om de waterdoelen. Wij vinden dat heel belangrijk en het is zeker niet overbodig om deze motie in te dienen.

Minister Schouten:
Ik schudde nee, omdat ik mevrouw Vestering kan geruststellen. De waterdoelen die in de nota Gezonde Groei, Duurzame Oogst stonden voor 2023, zijn ook in de Toekomstvisie opgenomen. Dat vraagt deze motie en die vraag hebben wij al overgenomen.

De voorzitter:
En daarmee stelt de minister dat de motie overbodig is. Anders zou ze haar moeten ontraden.

Minister Schouten:
Ja, dan is dat de conclusie.

De voorzitter:
Dat is bij dezen gebeurd. Mevrouw Vestering nog even, kort en puntig.

Mevrouw Vestering (PvdD):
Sorry, ik geloof dat ik alle microfoons afga.

De voorzitter:
Dat moet ook.

Mevrouw Vestering (PvdD):
Heel fijn. Ik vind het toch echt belangrijk om op te merken dat ik nu een ontrading krijg op een motie die vraagt om aanvullende maatregelen om onze doelen te halen voor 2023, terwijl het Toekomstvisieplan is gericht op 2030. Dat is echt wat anders dan het halen van onze doelen over anderhalf jaar. Ik vraag om aanvullende maatregelen. Die maatregelen zijn niet opgenomen in het plan voor 2030.

Minister Schouten:
Het verzoek is dat we alles op alles zetten om de doelen uit de nota Gezonde Groei, Duurzame Oogst uiterlijk in 2023 te halen. De waterdoelen, die geformuleerd waren in de nota Gezonde Groei, Duurzame Oogst, zijn overgenomen in het Uitvoeringsprogramma Gewasbeschermingsmiddelen. Dat programma gaat over meer; daar komen allerlei zaken bij richting 2030. Ik hoor mevrouw Vestering eigenlijk twee dingen zeggen. Zij wil daarbovenop allemaal extra maatregelen. Ik heb al een actieprogramma en een Toekomstvisie geformuleerd, waaraan ik gewoon vasthoud. Dat is misschien niet heel verassend. Als dat de portee van de motie is, moet ik haar zeker ontraden. De discussie was of die zaken uit 2023 overgenomen zijn in de Toekomstvisie, en dat is zo.

De voorzitter:
Prima. De motie is gewoon ontraden. Dan de motie op stuk nr. 543.

Minister Schouten:
Ja. Dit is denk ik een beetje de "verleidingsmotie" in plaats van de "bestraffingsmotie". Zo moet ik haar maar proberen te lezen. We hebben namelijk eerst onderzocht of die bufferzones mogelijk waren, en dit is dan de motie "beloon het dan, als men het doet". Ik zou eigenlijk willen vragen of deze motie aangehouden kan worden. De reden daarvoor is dat we ook nog een discussie krijgen in het NSP, het Nationaal Strategisch Plan, behorende bij het GLB, over hoe we bijvoorbeeld omgaan met de beloning van akkerranden. Dat zijn ook mogelijkheden om die buffer te creëren. Heel sec, als ik deze motie zo zou moeten lezen, dan zouden we nu mensen gaan belonen die eerst wel hebben gespoten en het dan niet meer doen. Maar de biologische landbouw bijvoorbeeld doet het al niet en die zou die beloning dan niet krijgen. Dat lijkt me een ingewikkelde. Het is ook een motie waarvoor ik nu geen geld heb, maar ik denk dat we deze discussie juist goed kunnen voeren als het NSP aan de orde is. Dat zou voor mij de reden zijn om te vragen om deze motie aan te houden.

De voorzitter:
Dat is een vraag aan het adres van de indieners. Ik zie dat er geen actie komt.

Minister Schouten:
Dan moet ik de motie ontraden.

De voorzitter:
Dan is ze ontraden. Heel goed. Dan de motie op stuk nr. 544.

Minister Schouten:
Dat is de motie over glyfosaat op de rijksgronden. Het onderwerp rijksgronden ligt bij de staatssecretaris van BZK. De motie was aan mij gericht, dus heb ik die motie beantwoord. Ik zou willen voorstellen om de staatssecretaris van BZK deze keer de appreciatie op deze motie te laten geven. Zij zijn ook degenen die de contracten voor de rijksgronden afsluiten en de voorwaarden die daarin staan behandelen. Ik zal vragen of de staatssecretaris dat snel kan doen en zo ja, of het oordeel dan in de appreciatie van de staatssecretaris van BZK wordt geformuleerd. Ik denk dat de motie nu dan technisch moet worden aangehouden totdat de appreciatie er is. Ik zal verzoeken of dat voor de stemmingen kan worden gestuurd.

De voorzitter:
Dan moet de motie inderdaad even worden aangehouden totdat er een reactie van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken komt.

Mevrouw Bromet (GroenLinks):
Wat kan ik doen? Ik wil graag dat zij aangenomen wordt en ik wil graag een appreciatie hebben, dus: ja. Alleen ...

De voorzitter:
Dan wordt de motie bij dezen aangehouden.

Mevrouw Bromet (GroenLinks):
Ja. Maar, voorzitter, de minister zegt dat ze het voor de stemmingen zal proberen te doen. Dan hoeft de motie toch niet te worden aangehouden?

Minister Schouten:
Ik kan er nu geen oordeel over geven, omdat het aan de staatssecretaris van BZK is. Technisch zou ik de motie nu dan moeten ontraden, omdat ik niet voor hem kan praten. Ik weet dus even niet hoe het technisch zit. Ik zou willen voorstellen om de motie aan te houden totdat u de appreciatie heeft. Ik zet alles op alles om te zorgen dat u de appreciatie op tijd heeft.

De voorzitter:
Ja, want we hebben natuurlijk geen enkele garantie dat de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken voor dinsdag al met een appreciatie komt. Het zou best kunnen, maar ik vrees dat het over heel veel schijven gaat.

Mevrouw Bromet (GroenLinks):
Ik heb begrepen dat de minister van LNV vraagt om snel met een reactie te komen. Ik hoop dat dat ook gebeurt. Ik houd de motie tot dan even aan.

De voorzitter:
Op verzoek van mevrouw Bromet stel ik voor haar motie (27858, nr. 544) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Minister Schouten:
Dan kom ik op de volgende motie van mevrouw Bromet, op stuk nr. 545. Het kabinet heeft al aangegeven om de mogelijkheden voor aanvullend gezondheidsonderzoek te bestuderen, ook in het licht van — daar is hij weer — het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie Gewasbescherming 2030. Het RIVM is op dit moment bezig om die mogelijkheden in kaart te brengen. Ik wil uw Kamer daarover in het eerste kwartaal van 2022 kunnen informeren, want het RIVM heeft tijd nodig om het goed te kunnen bekijken. Het loopt dus eigenlijk al. Ik zou u desondanks willen vragen om de motie aan te houden, want pas als we de mogelijkheden van het RIVM hebben, kunnen we goed beoordelen of dat onderzoek meerwaarde heeft en hoe we het precies zouden kunnen doen. Ik heb die stukken van de RIVM wel nodig om dat goed te kunnen beoordelen. Dus ik zou willen vragen om de motie aan te houden, waarbij ik opmerk dat we dus al bezig zijn om te kijken hoe we het zouden kunnen doen.

Mevrouw Bromet (GroenLinks):
De motie vraagt niet om de manier aan te geven waarop het onderzoek gedaan gaat worden, maar om aan te geven dat er een onderzoek komt. Ik zou dus eigenlijk uit de woorden van de minister kunnen opmaken dat het onderzoek er komt, aangezien er al gedacht wordt over de manier waarop het onderzoek gaat plaatsvinden. Klopt dat?

Minister Schouten:
Ik heb aangegeven de mogelijkheden voor dat aanvullende onderzoek te zullen bestuderen. Ik heb aan het RIVM gevraagd wat de mogelijkheden zijn, op welke termijnen je dingen kunt krijgen et cetera et cetera. Met andere woorden, wat kan er technisch? Ik overzie dat nu nog niet, want anders had ik dat niet aan het RIVM gevraagd. Die informatie heb ik wel nodig om goed te kunnen beoordelen wat dat langjarige onderzoek zou behelzen, wat het gaat kosten, wat de technische mogelijkheden zijn en hoe lang het gaat duren. Dat moet natuurlijk allemaal mee worden genomen in die weging. Dat is de achtergrond van mijn antwoord. De bouwstukken worden dus geleverd, maar het definitieve besluit moet wel dán worden genomen.

Mevrouw Bromet (GroenLinks):
Het gaat mij te langzaam en ik houd de motie dus niet aan.

Minister Schouten:
Dan moet ik haar ontraden.

De motie van mevrouw Van der Plas vraagt mij scherp te zijn op polarisatie en valse framing. Ik ga altijd uit van feitelijke informatie. Dat is mijn lijn en daar informeer ik de Kamer over, en daarmee ook de samenleving. Uiteindelijk staat het iedereen natuurlijk vrij om daar zijn eigen opvattingen en zijn eigen gevoelens en meningen over te uiten. Ik herken mij dus niet in het beeld dat wij polarisatie, valse framing of iets dergelijks zelf zouden stimuleren. Ik hoorde daar wel een voorbeeld over worden gegeven door mevrouw Van der Plas. Tegelijkertijd denk ik dat het juist aan de Tweede Kamer zelf is om te zorgen dat het debat met respect wordt gevoerd en daarbij mogen natuurlijk alle meningen geventileerd worden. In dat licht moet ik deze motie ontraden, maar ik zal mij niet anders gaan opstellen dan ik hiervoor heb gedaan.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ik heb het zelf weleens gezien in stukken van LNV. In mijn vorige leven heb ik er ook contact over opgenomen om aan te geven dat ik dat raar vond. In de Kamer worden mensen verder weleens vaker terechtgewezen als ze op een onbehoorlijke manier over medeburgers spreken. Ik zou inderdaad graag willen dat hierover met respect wordt gesproken. Je hoeft niks te maskeren en je hoeft het ook niet allemaal mooier te maken dan het is, maar als je het woord "gifspuiter" gebruikt of iets dergelijks zegt, moet je er wel rekening mee houden dat je over de groep mensen spreekt die voor ons voedsel zorgt. Die mensen proberen dat op een heel erg goede en duurzame manier te doen. Dat staat los van de excessen en los van de cowboys, want we weten allemaal dat die aangepakt moeten worden. Dat is eigenlijk een beetje mijn oproep. We willen naar een inclusieve samenleving waarin we niemand laten vallen. We moeten aardig zijn voor elkaar en daar ben ik het dus helemaal mee eens.

De voorzitter:
Helder.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dat is dan ook de onderliggende gedachte van deze motie. Ik hoop en ik verwacht dat iedereen het daarmee eens is en de volgende keer voor gaat stemmen.

Minister Schouten:
Dat zullen we gaan zien, maar ik heb net mijn toelichting gegeven. In dat licht ontraad ik deze motie, maar het is uiteindelijk natuurlijk aan uw Kamer.

Dan de motie van de heer Van Campen op stuk nr. 547 over de neonicotinoïden, een onderwerp dat een vrij lange historie en geschiedenis kent. Neonicotinoïden zijn in Europa verboden, maar het klopt dat er ontheffingen afgegeven kunnen worden door lidstaten, onder andere vanwege een landbouwkundige noodzaak. Ik ben er geen voorstander van om met allerlei ontheffingen te werken, omdat je dan inderdaad een ongelijk speelveld krijgt. Een besluit dat we in Europa nemen is uiteindelijk ook gewoon een besluit. Daar moet je dan ook gewoon met z'n allen invulling aan geven, is mijn opvatting. Dat doen wij ook. Wij hebben dus geen ontheffing gegeven voor neonicotinoïden in de bietenteelt.

Het verzoek is om in gesprek met de sector te komen tot een werkbaar alternatief voor het gebruik van neonicotinoïden. Ik zou eigenlijk willen vragen of de sector dit zelf in kan brengen bij het Uitvoeringsprogramma Gewasbescherming 2030. Daar zitten mogelijkheden in om dit soort vragen te stellen en dit soort zaken door te gaan voeren. Ik zou het dus eigenlijk willen omdraaien. Laat de sector dit zelf doen. Dan hoef ik de sector niet om een alternatief te gaan vragen, maar biedt de sector zich gewoon zelf aan. Dan is er ruimte in dat programma om ook te kijken naar die alternatieven. Als ik die motie in dat licht mag lezen, dan kan ik haar oordeel Kamer geven. Ik heb zomaar het vermoeden dat ze wel langs zullen komen voor een alternatief. Met deze uitleg dus oordeel Kamer.

De voorzitter:
Dat wordt beaamd vanuit de Kamer.

Minister Schouten:
Dan het Plan van aanpak Illegale Gewasbeschermingsmiddelen van het CDA, van de heer Boswijk. Hij vraagt ook om met de NVWA en andere betrokken partijen een plan van aanpak voor de criminele handel op te stellen. Ik deel zijn zorgen over de illegale handel in gewasbeschermingsmiddelen. Dat is een absoluut no-go, ook vanwege de risico's voor mens, dier en milieu. Wij hebben daarop al een aantal stappen gezet. Bij de NVWA gebeurt dat altijd risicogericht. Er moeten keuzes gemaakt worden en dan kijken we ook waar de grootste risico's zitten. Dat heeft er helaas — of anderszins, het is net hoe je het duidt — ook toe geleid dat er ongeveer 300 ton illegale biociden en gewasbeschermingsmiddelen in beslag zijn genomen en vernietigd in de periode 2015-2019. Er gebeurt dus al wel het een en ander.

Ik zal uw Kamer, in lijn met de motie, informeren over wat de NVWA samen met de Douane en andere organisaties precies al doet op het gebied van deze illegale handel, zowel bij de telers als bij de handelsorganisatie. We zullen ook kijken wat er verder nodig is om deze handel nog actiever te kunnen opsporen. Met die uitleg kan ik de motie oordeel Kamer geven.

De voorzitter:
Dank u wel. Tot zover.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
Dinsdag stemmen wij over de moties.

Dierproeven

Dierproeven

Aan de orde is het VAO Dierproeven (AO d.d. 12/11).

De voorzitter:
Wij gaan in één vloeiende beweging door naar het VAO Dierproeven. Wij hebben vier sprekers van de zijde van de Kamer en de eerste is de heer Wassenberg van de fractie van de Partij voor de Dieren. Het woord is aan hem.

De heer Wassenberg (PvdD):
Dank, voorzitter. Bij het debat over dierproeven — dat was een half jaar geleden — vond iedereen dat het wel heel erg langzaam gaat met de afname van het proefdiergebruik. Maar dat zeggen we al jarenlang! Dat is heel erg pijnlijk. Er moet echt iets gebeuren. Systematic reviews, die onderzoekers helpen om een volledig beeld te krijgen van alle literatuur bij een onderwerp, helpen echt om dat proefdiergebruik terug te dringen en ze leveren beter onderzoek op. Dat is dus een win-winsituatie. Maar hét Nederlandse expertisecentrum op het gebied van systematic reviews wordt op dit moment ontmanteld door gebrek aan financiën, en die systematic reviews raken uit beeld. Daarom twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit wetenschappelijke publicaties blijkt dat 90% van alle gebruikte proefdieren niet leidt tot verder bruikbare resultaten voor de mens;

constaterende dat ZonMw, de Nederlandse organisatie voor gezondheidsonderzoek en zorginnovatie, stelt dat met een systematic review, waarbij onderzoekers een volledig overzicht krijgen van alle literatuur op het terrein van hun onderwerp, vooraf kan worden geïnventariseerd wat er al is gedaan en wat het beste model is voor een bepaald onderzoek;

overwegende dat het consequent en systematisch toepassen van systematic reviews betere resultaten voor de patiënt oplevert, betere medicijnen en minder gebruik van proefdieren;

constaterende dat een vooraf uitgevoerde systematic review desondanks nog steeds geen voorwaarde is voor het mogen uitvoeren van een dierproef;

verzoekt de regering om een vooraf uitgevoerde systematic review een voorwaarde te laten zijn voor het mogen uitvoeren van een dierproef,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Wassenberg.

Zij krijgt nr. 115 (32336).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het Nederlands kennisplatform voor systematic reviews SYRCLE (Systematic Review Centre for Laboratory Experimentation) geen structurele overheidssubsidie krijgt;

overwegende dat het zeer onwenselijk is als dit kennisplatform daardoor verdwijnt;

overwegende dat een consequente en structurele toepassing van systematic reviews bijdraagt aan beter onderzoek, betere medicijnen, betere besteding van onderzoeksgeld en minder onnodige dierproeven;

overwegende dat systematic reviews uitstekend passen in het overheidsbeleid met betrekking tot de Transitie Proefdiervrije Innovatie (TPl);

verzoekt de regering om met een voorstel te komen voor een structurele subsidie van SYRCLE,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Wassenberg.

Zij krijgt nr. 116 (32336).

De heer Wassenberg (PvdD):
Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar de heer Tjeerd de Groot van de fractie van D66. Ik heet de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap nog even welkom, die inmiddels bij ons is aangeschoven; fijn dat u bij ons bent.

De heer Tjeerd de Groot (D66):
Dank u, voorzitter. Dit is misschien wel mijn lievelingsonderwerp, omdat het toch heel mooi is om met minder dieren tot een betere wetenschap te komen. De lijn van D66 is geweest om te zeggen: vervang dat 3V-beleid — verminderen, vervangen, verfijnen — nou door een beleid waar de onderzoeksvraag centraal staat, zodat de dierproef als gouden standaard een beetje naar de achtergrond verdwijnt.

Ik heb twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat Nederland de ambitie heeft om voorloper te zijn op het gebied van dierproefvrije innovatie;

overwegende dat Nederland diverse toonaangevende bedrijven kent op het gebied van dierproefvrije innovaties zoals 3D-celkweek, imaging, bio-informatica, artificial intelligence, labs-on-a-chip, organoïden en toxiciteitstesten;

constaterende dat deze ontwikkelaars tegen knelpunten aanlopen, waaronder op het gebied van routes naar toelating en toepassing, waardoor veel van de potentie om dierproeven te verminderen onbenut blijft;

verzoekt de regering om in de voortzetting van het TPI-programma samen met de ministeries van EZK en VWS in kaart te brengen hoe knelpunten op de route van het lab naar praktijk kunnen worden weggenomen, en de Kamer hiervan op de hoogte te houden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Tjeerd de Groot en Valstar.

Zij krijgt nr. 117 (32336).

De heer Tjeerd de Groot (D66):
De tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het programma Transitie Proefdiervrije Innovatie bijdraagt aan de Nederlandse ambitie om voorloper te zijn in proefdiervrije innovatie;

overwegende dat ter uitvoering van de motie-De Groot wordt gewerkt aan een opvolger van het 3V-beleid en het TPI hier een centrale rol in speelt;

overwegende dat de TPl-partners in beeld hebben op welke gebieden nog meer aan proefdiervrij onderzoek moet worden gedaan om de transitie naar proefdiervrij te versnellen;

verzoekt de regering om een vervolg te geven aan de regie op het partnerprogramma TPI,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Tjeerd de Groot en Valstar.

Zij krijgt nr. 118 (32336).

De heer Tjeerd de Groot (D66):
Misschien moet ik de motie-De Groot nog eventjes van een nummer voorzien, voordat ik haar inlever?

De voorzitter:
Nee, dat doen wij voor u. Ja, de service kent bij ons geen grenzen.

De heer Tjeerd de Groot (D66):
Dat is ongelofelijk.

De voorzitter:
Meestal doen we dat ook nog op volgorde.

De heer Tjeerd de Groot (D66):
De service van de griffie kent geen grenzen.

De voorzitter:
Het is waanzinnig. Als u even naar loket twee komt en de motie hier komt inleveren, dan komt het allemaal goed. Dan geef ik graag het woord aan de heer Thijssen van de fractie van de Partij van de Arbeid, die ik net nog zag. Maar als hij dan het woord moet voeren, is hij ineens verdwenen. Hij zat hier toch 30 seconden geleden nog? Hier komt zijn moeder.

(Hilariteit)

Mevrouw Bromet (GroenLinks):
Ik zou zeggen: zuster op links.

De voorzitter:
Zuster Klivia.

Mevrouw Bromet (GroenLinks):
De heer Thijssen heeft een andere afspraak, dus hij komt niet meer. Ik denk dat het een foutje is dat hij op de lijst staat.

De voorzitter:
O, hij is verdwenen inmiddels? Dat kan. Fijn dat u het allemaal even regelt. Krijgt u daar ook geld voor of doet u dat helemaal pro Deo? Mevrouw Van der Plas, het woord is aan u.

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Ik vind het een heel erg moeilijk onderwerp. Ik heb geen motie, maar ik wil er wel wat over zeggen. Ik vind het echt een heel moeilijk onderwerp, want als ik thuiskom en onze Mechelse herder springt tegen mij op en begint te janken, niet van verdriet hoor, maar van blijdschap, dan denk ik: ja, dat raakt je dan wel, want het is wel je huisdier. Maar ja, wat is dan het nut van dierproeven? Ik heb begrepen dat het nut van dierproeven verschilt van ziekte tot ziekte. Voor de ontwikkeling van antibiotica, vaccins, middelen tegen ziektes als aids en hepatitis C zijn dierproeven goede voorspellers gebleken, maar bij alzheimer of ALS leidt soms maar 10% van de succesvolle dierproeven tot een verbetering bij de mens. Dat schuurt natuurlijk heel erg. Zijn dierproeven dan nutteloos? Ik heb begrepen van neurobioloog Liesbeth Aerts van de Katholieke Universiteit Leuven dat slechts een minderheid van de proefdieren wordt gebruikt om potentiële nieuwe medicijnen te testen. Dat wisselend succes wordt geboekt, is dan geen reden om alle dierproeven af te serveren.

De meeste dierproeven gebeuren bij fundamenteel onderzoek, onder meer om onderliggende mechanismen achter ziektes te begrijpen. Voor 30 baanbrekende medicijnen zat 30 jaar tussen de start van het onderzoek en het op de markt brengen van de medicijnen. Dan kun je zeggen dat dat heel lang is, maar het zal morgen maar net het medicijn zijn tegen de kanker waar je moeder of een van je kinderen aan lijdt. Fundamenteel onderzoek blijft dus nodig, liefst, ook wat ons betreft, zonder dierproeven, maar soms met dierproeven. Of er een verbod komt of niet? Er zal misschien uiteindelijk wel een keer een discussie over komen. Wij zijn daar niet voor, zeker niet als het niet op Europees niveau wordt geregeld. BBB is ervoor dat het hier gecontroleerd gebeurt, zodat we gewoon weten wat er gebeurt en waar we mee bezig zijn, en dat niet gebeurt wat er bijvoorbeeld bij de nertsenfokkerij is gebeurd. Of je nou voor of tegen bont bent, dat verplaatst zich wel naar Oekraïne of China en dan hebben we er geen zicht meer op.

De voorzitter:
U bent door uw tijd heen, hè?

Mevrouw Van der Plas (BBB):
Ja. Ik wil afsluiten met een vraag aan de minister. Ik was eigenlijk benieuwd of de minister een beeld heeft van de stand van zaken in Europa op het gebied van proefdier en proefdiervrij en of zij een beeld heeft van wat er gebeurt als wij het hier niet meer doen, in welke landen het terecht zou komen en hoe het er in die landen aan toegaat.

De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Van der Plas was meteen de laatste spreker van de zijde van de Kamer in deze termijn. Kunnen de beide bewindspersonen gelijk antwoord geven? Ja, hè? Even uit de losse pols. De moties? Oké, ik schors voor een klein minuutje.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:
Het woord is aan de minister.

Minister Schouten:
Dank u wel, voorzitter. Ik kom eerst op de motie van de Partij voor de Dieren op stuk nr. 115, over de systematic reviews. De Centrale Commissie Dierproeven toetst als er een vergunning wordt aangevraagd of er ook al gekeken is naar ander literatuuronderzoek. Dus dat wordt ook meegenomen in de beoordeling van de aanvraag. Ik heb begrepen dat systematic review een van de manieren is om te kijken of er al andere onderzoeken hebben plaatsgevonden, en dat er meer methoden zijn om dat te toetsen. Het verschilt een beetje welke methode je het beste kunt toepassen. Deze motie vraagt eigenlijk om één methode centraal te stellen. Dat zou ik niet willen doen, want dan mis je misschien andere methodes die ook kansrijk zijn. En er wordt bovendien dus bij de aanvraag ook al gekeken door de Centrale Commissie Dierproeven of er al literatuuronderzoek is betrokken in de aanvraag, dus voordat een onderzoeker met dierproeven aan de gang gaat. Want als er in de literatuur al wat informatie beschikbaar is, dan moet je die er eerst bij betrekken. Ik zou dus deze motie willen ontraden.

De heer Wassenberg (PvdD):
Dat klopt. Maar op dit moment wordt er oppervlakkig gekeken. En dat kan niet voorkomen dat 90% van de geslaagde dierproeven uiteindelijk geen enkel voordeel oplevert voor de mens. Als je die systematic reviews gaat toepassen, wordt het veel structureler. Het duurt ook langer. Dat wil zeggen: je moet langer mikken, maar je schiet veel vaker raak. Dus stel dat je met een langere voorbereiding dadelijk niet bij 10% van de proeven succes hebt, maar naar 40%, 50%, 60% gaat, dan zou ik toch zeggen: zorg dat je die systematic reviews standaard maakt. Nu gebeurt dat niet. De toetsing die nu plaatsvindt, vindt al sinds 1977 plaats, maar levert steeds minder op omdat ze oppervlakkig is. Daarom zeg ik: toets nou goed. Daarvoor zijn die systematic reviews nodig. Daarom mijn dringende advies: zorg ervoor dat die systematic reviews standaard worden. Nu zijn ze dat niet.

Minister Schouten:
Zoals ik al zei: systematic review is een van de manieren. Ik zou niet één manier tot de enige norm willen verheffen, want dan mis je ook dingen. Ik zeg ter informatie nog even dat ik gisteren een gesprek met een aantal deskundigen had over dierproeven. Daar werd gezegd: "Als iets mislukt, zou je dat ook gelijk moeten meenemen. Het is ook informatie als je een proef doet en er niets uitkomt." Men zei: "Je moet ervoor zorgen dat dat soort informatie veel vaker ook wordt gepubliceerd. Je moet het dus ook veel meer duidelijk gaan maken als iets géén effect blijkt te hebben, zodat andere mensen weten dat ze dat onderzoek niet nog een keer hoeven te gaan doen." Ik denk dus dat deze discussie juist veel breder aangevlogen moet worden, ook in de wetenschap, maar dat weet collega Van Engelshoven veel beter. Je moet ervoor zorgen dat ook als er iets niet lukt, erover gepubliceerd wordt, want dat is ook informatie.

De heer Wassenberg (PvdD):
Ik dank de minister voor dit antwoord. Ik had maar tijd voor het indienen van twee moties. Als ik meer tijd had gehad, had ik hierover een derde motie ingediend. Ik vind inderdaad ook dat er ook over mislukte experimenten moet worden gepubliceerd. Ook van dingen die niet goed gaan, wordt heel veel geleerd. Maar dat laat onverlet dat die systematic reviews echt een veel te belangrijke voorbereiding zijn om die niet standaard in te stellen. Je kunt dan zeggen dat er ook nog allerlei andere manieren zijn. Dat is prima, maar begin hiermee, want met systematic reviews kun je proefdiergebruik echt verminderen. Anders staan we volgend jaar, over twee jaar en over drie jaar hier weer met hetzelfde verhaal, net als de afgelopen tien jaar.

Minister Schouten:
Oké. Voorzitter, ik heb mijn appreciatie gegeven: ik ontraad deze motie.

De voorzitter:
Ja. De tweede motie.

Minister Schouten:
Die motie, op stuk nr. 116, is voor minister Van Engelshoven.

De motie op stuk nr. 117 kan ik oordeel Kamer geven. Zij hangt een beetje samen met de motie op stuk nr. 118. Eigenlijk had de heer De Groot ze in een andere volgorde moeten indienen, want hij vraagt eerst of het programma TPI doorgezet kan worden. In de afgelopen jaren hebben mensen met veel plezier aan het TPI-programma gewerkt. Ik denk dat dat programma echt een toevoeging is en dat we juist ook daar steeds meer waardevolle inzichten gaan geven. Wat mij betreft zou dat programma dus ook door moeten lopen. Gezien vanuit mijn perspectief zou ik de motie dus oordeel Kamer geven. Het is uiteindelijk altijd aan een nieuw kabinet om die keuzes te maken, maar als ík in het kabinet zou zitten, dan zou ik het programma doorzetten. Dus de motie op stuk nr. 118 geef ik al oordeel Kamer.

Dan ga ik even terug naar de motie op stuk nr. 117. Omdat ik vind dat het programma moet doorlopen, kan ik ook zeggen dat de motie op stuk nr. 117 oordeel Kamer zou moeten krijgen. Het is een beetje ingewikkeld, voorzitter, maar ik hoop dat u het snapt.

De voorzitter:
Ik doe niet m'n best om het te snappen.

Minister Schouten:
Nee, dat begrijp ik.

De voorzitter:
Ik vertel nog even dat de heer De Groot in de motie op stuk nr. 118 aan zichzelf refereert. Dat doen wij politici graag. De motie-De Groot die in de motie op stuk nr. 118 wordt genoemd, is de motie 22336, nr. 101. Dat hebben we even opgezocht voor hem.

Minister Schouten:
Heel goed. De motie op stuk nr. 117 én de motie op stuk nr 118 krijgen dus oordeel Kamer.

Er is mij nog gevraagd hoe het zit met het EU-beleid ten aanzien van proefdieren en proefdiervrije ambities. Dat is Europees beleid. Ook in andere landen is de ambitie om het aantal proefdieren naar beneden te krijgen. Op het moment dat wij bij wijze van spreken geen proefdieren meer zouden doen — daar zijn we nog lang niet, helaas — moeten die zaken ook in al die andere EU-landen afgebouwd worden. Dat is echt Europees afgesproken. Buiten Europa gelden weer andere regels, maar binnen Europa hebben we hetzelfde streven.

Dan is er nog één motie voor collega Van Engelshoven.

De voorzitter:
Dan gaan we daar nu naar luisteren. Het woord is aan haar, maar we moeten even de boel ontsmetten.

De kust is veilig.

Minister Van Engelshoven:
Voorzitter, dank u wel. Misschien nog in aanvulling op hetgeen mevrouw Schouten tegen meneer Wassenberg zei over het leren van mislukte dierproeven. Ja, dat is heel belangrijk, ook vanuit de wetenschap. Een van de doelstellingen die wij hebben met het beleid van open science is juist dat dat soort informatie publiek en voor alle wetenschappers toegankelijk wordt. Daar kunnen we heel veel van leren.

Dan de motie op stuk nr. 116 over de structurele subsidie van SYRCLE. SYRCLE was onderdeel van het Radboudumc. Radboudumc heeft dit jaar inderdaad besloten om SYRCLE niet voort te zetten omdat het niet kostendekkend was. Dat besluit valt binnen de autonomie van de besluitvorming van het Radboudumc. Er lopen op dit moment nog op diverse fronten gesprekken om SYRCLE en de expertise ervan over systematic reviews structureel te borgen. Wij volgen nauwgezet wat daaruit komt. Daarnaast onderzoekt ZonMw op dit moment in hoeverre die systematic reviews heel breed kunnen worden ingezet voor dierproeven. Die resultaten komen eind 2021. Daarnaast heeft ZonMw op dit moment al een call waarbij men aanvragen kan doen om een systematic review te krijgen. Daar is de expertise van SYRCLE ook bij betrokken. Dus als je op dit moment zo'n systematic review wil, dan kan dat via die call van ZonMw.

Dus er spelen nog een aantal ontwikkelingen. Ik vind het nu te vroeg om daarop vooruit te lopen. Ik zou nu ook niet de middelen hebben voor structurele financiering. Er komt voor de zomer nog een brief over onder andere TPI. Daarin zouden wij nader in willen gaan op de ontwikkelingen bij SYRCLE. Dus ik zou de heer Wassenberg willen vragen om de motie tot dat moment aan te houden. Dan weten wij wat de mogelijke uitkomst is van de gesprekken over de borging van de expertise van SYRCLE. Als hij de motie nu in stemming wil brengen, dan moet ik haar ontraden.

De heer Wassenberg (PvdD):
Het vervelende is dat de minister zegt dat het niet kostendekkend was, maar het huishoudboekje is voor de overheid minder belangrijk. We moeten het proefdiergebruik terugdringen. Dan kun je niet zeggen: kost het evenveel als het oplevert? Dit is een heel belangrijk doel voor de overheid. Uiteindelijk help je daar ook de wetenschap mee. Dan ga je niet kijken of je €10 overhoudt of dat je er €10 bij inschiet. Het is gewoon te belangrijk. De universiteit van Nijmegen zegt: wij kunnen dit niet langer financieren; wij zijn maar een van de vele universiteiten. Maar het proefdierbeleid is van de rijksoverheid, van de regering. Daarom vind ik dat de regering dat toe moet moet zeggen. SYRCLE bloedt nou langzaam dood. De stekker is eruit getrokken. Het is een kwestie van tijd. Dus als ik haar nu aanhoud tot de zomer, dan is er dadelijk helemaal niets van over. We zien de expertise weglekken. Dan is mijn pleidooi: zorg dat het nu in elk geval voorlopig overeind blijft en dat er dadelijk structurele financiering kan komen. Het is dadelijk te laat! Als we tot de zomer wachten, is SYRCLE dood.

Minister Van Engelshoven:
Het Radboudumc heeft het besluit al genomen. De betrokken medewerkers zijn daar overigens nog steeds werkzaam en hun expertise wordt nu ook via de route van ZonMw ingezet. U vraagt in uw motie niet om een oplossing tot de zomer, maar u vraagt om een structurele oplossing. Die heb ik op dit moment niet. Overigens lopen er op dit moment nog gesprekken, juist over wat u vraagt: hoe borgen we de expertise en hoe zorgen we ervoor dat die kennis via ZonMw op een meer structurele manier betrokken kan worden bij het beleid rondom dierproeven? Op die gesprekken wil ik niet vooruitlopen, dus ik zeg: hou die motie nou even aan, tot we weten hoe die gesprekken lopen. In het najaar komt er een breder beeld vanuit ZonMw. Maar de expertise gaat op dit moment zeker niet verloren.

De voorzitter:
Maar ik stel vast dat de motie niet wordt aangehouden, dus dan hoor ik graag een oordeel.

Minister Van Engelshoven:
Dan wordt de motie op stuk nr. 116 ontraden.

De voorzitter:
Dan wordt ze ontraden. Meneer Wassenberg, heel kort.

De heer Wassenberg (PvdD):
Ik hou niet van achterkamertjesoverleg, dus daarom ga ik even in het zicht van de camera's een dealtje proberen te sluiten. Ik snap inderdaad dat er nu geen structurele financiering is, maar als de minister nou zegt "tot aan de zomer kunnen wij ervoor zorgen dat we SYRCLE nog overeind houden", dan kan ik de motie tot dan aanhouden en kunnen we dan even kijken. Maar dan hebben we in elk geval die paar maanden waarin we die knowhow, die kennis, niet verliezen. Daar ben ik nu zo bang voor. Dus als de minister zegt "tot de zomer is het gefinancierd", dan houd ik de motie aan.

Minister Van Engelshoven:
Sterker, wat ik u probeer te vertellen is dat die expertise tot de zomer gewoon geborgd is via de calls van ZonMw en via de medewerkers die eerder bij SYRCLE werkten. Die expertise wordt ingezet. Die gaat helemaal niet verloren. Er worden nu gesprekken gevoerd over de borging daarvan. Dus er zijn op dit moment geen extra middelen van OCW nodig om die expertise te borgen. Het gebeurt op dit moment en we zijn aan het kijken hoe dat structureel gaat gebeuren.

De voorzitter:
Dank u wel. Tot zover dit debat.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
Dinsdag stemmen wij over de moties. Dank aan de beide ministers voor hun aanwezigheid.

Landbouw- en Visserijraad van 26 en 27 mei 2021

Landbouw- en Visserijraad van 26 en 27 mei 2021

Aan de orde is het tweeminutendebat Landbouw- en Visserijraad van 26 en 27 mei 2021 (21501-32, nr. 1295).

De voorzitter:
Een hartelijk dank aan de minister van OCW dat zij vandaag bij ons was voor dit megadebat. Wij gaan in een vloeiende beweging door met het tweeminutendebat Landbouw- en Visserijraad. Die Landbouw- en Visserijraad vond plaats op 26 en 27 mei jongstleden. We hebben vier sprekers van de zijde van de Kamer. De eerste is mevrouw Vestering van de fractie van de Partij voor de Dieren. Het woord is aan haar.

Mevrouw Vestering (PvdD):
Voorzitter, dank u wel. De minister deelt onze zorgen over de gruwelen van internationale diertransporten, met name naar landen buiten de Europese Unie. Nederland heeft geen zicht op deze transporten als de haven van bestemming niet in de EU ligt. Dit betekent dat er geen zicht is op het welzijn en de gezondheid van de dieren, dan wel op het naleven van de hiervoor geldende regelgeving. Ook is het niet mogelijk om hierop te controleren, dan wel te handhaven, omdat we worden belemmerd door Europese regelgeving. We willen grote dierenwelzijnsrampen, die nu met enige regelmaat plaatsvinden, in de toekomst voorkomen. We zien dat het Verenigd Koninkrijk na het verlaten van de Europese Unie direct een verbod heeft aangekondigd op de export van levende dieren. Europa staat hiermee in zijn hemd. Hoe gaat de minister dit moment benutten om ervoor te zorgen dat Europa zo snel mogelijk dit voorbeeld volgt en om te doen waar opeenvolgende kabinetten al twintig jaar toe oproepen: paal en perk stellen aan lange internationale diertransporten?

Voorzitter. Het is vandaag ook Wereld Bijendag. Daarom nog één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Europese Commissie voorstelt om het neonicotinoïde landbouwgif sulfoxaflor te verbieden voor open teelten vanwege de risico's voor bijen;

overwegende dat sulfoxaflor ook giftig is voor mensen en zeer schadelijk voor het waterleven en dat andere neonicotinoïden inmiddels geheel verboden zijn;

verzoekt de regering spoedig aan de Europese Commissie kenbaar te maken voor een geheel verbod op sulfoxaflor te zijn,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Vestering.

Zij krijgt nr. 1296 (21501-32).

Dank u wel. Dan mevrouw Bromet van de fractie van GroenLinks.

Mevrouw Bromet (GroenLinks):
Voorzitter. Ik heb twee moties. Eén.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het Nationaal Strategisch Plan een grote rol gaat spelen in de uitvoering van de Europese Green Deal en van groot belang is voor het behalen van de klimaat- en biodiversiteitsdoelstellingen;

verzoekt de regering het Planbureau voor de Leefomgeving een doorrekening te laten maken om te kijken in hoeverre Nederland met het concept-Nationaal Strategisch Plan de doelstellingen uit de Green Deal kan halen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bromet en Thijssen.

Zij krijgt nr. 1297 (21501-32).

Mevrouw Bromet (GroenLinks):
En de tweede.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er brede steun is om boeren te ondersteunen om landschapselementen op hun erf te maken ten gunste van biodiversiteits- en klimaatdoelstellingen;

overwegende dat de landbouwsector een onmisbare rol speelt in de vergroening van het landelijk gebied en hier daarom een financiële vergoeding tegenover zou moeten staan;

verzoekt de regering bij de onderhandelingen over ruimte voor natuur tijdens de supertrialogen in te zetten op 10% groenblauwe dooradering voor de gehele landbouwsector en middelen te reserveren zodat de agrarische sector financieel gecompenseerd kan worden voor het behalen van deze doelen;

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Bromet en Thijssen.

Zij krijgt nr. 1298 (21501-32).

Mevrouw Bromet (GroenLinks):
Beide moties zijn ingediend namens mijn linkse vriend Thijssen van de PvdA.

De voorzitter:
Ha, die weg is, ja. Dan de heer Tjeerd de Groot van de fractie van D66.

De heer Tjeerd de Groot (D66):
Dank, voorzitter. Twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Nederland en de Europese Commissie de consument centraal stellen in een omslag naar een meer duurzame landbouw;

constaterende dat het Europees biologisch keurmerk kan helpen hier een positieve bijdrage aan te leveren;

van mening dat supermarkten een grote invloed hebben op de keuzes die een consument maakt;

overwegende dat supermarkten een maatschappelijke verantwoordelijkheid hebben voor de producten die zij verkopen;

constaterende dat supermarkten in andere Europese landen een belangrijke katalysator zijn van de groei van biologische producten;

verzoekt de regering een convenant te sluiten over de inzet van supermarkten op het gebied van voorlichting, schapruimte en aanbod van biologische producten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Tjeerd de Groot en Boswijk.

Zij krijgt nr. 1299 (21501-32).

De heer Tjeerd de Groot (D66):
Mijn tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de groei van het biologisch areaal in Nederland achterblijft bij de rest van Europa;

constaterende dat Nederland in het huidige GLB als enige land in de Europese Unie geen budget reserveert voor biologische landbouw;

overwegende dat biologische landbouw geldt als een van de voorbeelden van kringlooplandbouw;

overwegende dat het Nationaal Strategisch Plan ruimte biedt om samenwerkingsverbanden voor kwaliteitsschema's te ondersteunen;

overwegende dat landen als Duitsland en Frankrijk biologische certificering zullen inzetten als invulling van de ecoregelingen — onder de eerste pijler;

verzoekt de regering de biologische landbouw in het Nationaal Strategisch Plan een prominente plek te geven,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Tjeerd de Groot en Boswijk.

Zij krijgt nr. 1300 (21501-32).

De heer Tjeerd de Groot (D66):
Voorzitter. De resterende tijd wil ik graag benutten om aandacht te vragen voor het transport van levende dieren over zee. De Europese Commissie heeft aangegeven dat de controles daarop schorten. Ik wil de minister vragen wat zij in Europa écht gaat doen aan deze ongelofelijke misstanden, zoals we die hebben gezien met de schepen El Beik, Karim Allah en natuurlijk Ever Given, die tot de dood van duizenden dieren hebben geleid. Wat gaat de minister daaraan doen, vooral richting de landen in Europa die exporterende havens hebben? Daarop moet echt beter worden toegezien.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel. De laatste spreker van de zijde van de Kamer is de heer Boswijk van de fractie van het CDA.

De heer Boswijk (CDA):
"Some men see things as they are and say why, I dream things that never were and say why not". Dit is een quote van Robert Kennedy, die ook van toepassing is op de volgende casus. Eens in de zoveel jaar is er weer heel veel te doen over sojateelt en de ontbossing. Begrijpelijk, want wat daar gebeurt, is natuurlijk vreselijk. Daar zijn we het, denk ik, allemaal over eens. Vervolgens verzandt de discussie in de vraag hoeveel verantwoordelijkheid er ligt bij de landbouw en gaan we er eigenlijk best wel makkelijk aan voorbij dat in zowat alle producten die we vandaag de dag gebruiken, soja is verwerkt. Maar deze discussie is eigenlijk helemaal niet interessant, want het is natuurlijk een bizar idee dat we soja helemaal uit Zuid-Amerika halen. Dat is slecht voor de natuur en voor het milieu. Tegelijkertijd zijn we erg afhankelijk op geopolitiek niveau en zijn we daardoor ook kwetsbaar. Dat terwijl Chinese bedrijven sinds 2010 in Frankrijk voor 80 miljard euro aan landbouwgronden opkopen voor eigen gebruik. Daarom het pleidooi om soja te verbouwen in Europa. Dat is in het belang van het klimaat, het Amazonegebied en onze geopolitieke positie. Hiervoor dien ik een motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat op dit moment het overgrote deel van de in veevoer gebruikte soja van buiten Europa wordt geïmporteerd;

overwegende dat het inzetten op in Europa verbouwde soja beter zou zijn; dit zorgt voor minder ontbossing, transparante aanvoerketens en minder geopolitieke afhankelijkheid;

overwegende dat de innovatie en veredeling die nodig zijn voor het realiseren van nieuwe soorten die passen in het Europese klimaat ook een economische impuls kunnen geven;

verzoekt de regering in EU-verband in te zetten op "made in Europe"-eiwitten en daarbij tevens te onderzoeken welke maatregelen daaraan kunnen bijdragen, en hoe veevoerbedrijven gestimuleerd kunnen worden om meer eiwithoudende grondstoffen uit Europa te halen, zonder dat dit ontbossing in Europa tot gevolg heeft;

verzoekt de regering de Kamer in het najaar van 2021 hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Boswijk, Bromet, Bisschop, Grinwis, Tjeerd de Groot, Thijssen en Van Campen.

Zij krijgt nr. 1301 (21501-32).

De heer Boswijk (CDA):
Deze motie is meeondertekend door de verloren zoon van Bromet: Thijssen.

De voorzitter:
Dank u wel. Tot zover de termijn van de Kamer. De minister vraagt om een minuutje bedenktijd.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:
Ik geef het woord aan de minister. Ik loop al bijna een uur achter op het schema, dus wat mij betreft kort en puntig.

Minister Schouten:
Ja. Eerst de vraag van mevrouw Vestering. Wat ga ik doen om te zorgen de transporten over lange afstand, en ook zeker de zeetransporten over lange afstand, worden beperkt? Ik geef dan ook gelijk antwoord op de vraag van de heer De Groot. Ik ben daar zelf proactief al een paar jaar mee bezig. Wij hebben een groep landen gevormd die er bij de Commissie op aandringt om de transportverordening aan te passen op dit punt. Dat doen we in die groep, maar dat doen we ook op alle andere momenten dat dat voorhanden is. We hebben pas nog een presentatie gegeven aan het Europees Parlement om te laten zien hoe wij tegen diertransporten aankijken. Daar hebben wij ook weer gepleit voor dat soort zaken.

Ik snap het ongeduld van de Kamer en dat deel ik, maar dit moet de Commissie zelf gaan oppakken. Het voorzitterschap heeft een en ander ook wel weer gevraagd aan de Commissie. Ook daar is onze inzet dat wij langeafstandstransporten willen beperken; zeker ook daar. Maar het moet echt vanuit de Commissie komen. Ik kan daar gewoon geen ijzer met handen breken.

De voorzitter:
Mevrouw Vestering, kort, puntig.

Mevrouw Vestering (PvdD):
Dank voor de inzet van de minister op dit terrein. Wij kunnen inderdaad niet wachten. We zijn inmiddels behoorlijk ongeduldig. Ik denk dat mijn specifieke vraag in de richting van de minister is of zij bereid is om opnieuw met de vuist op tafel te slaan en te zeggen: kijkend naar het voorbeeld van Engeland, hoe kunnen we dit binnen Europa overnemen, zodat we de export van levende dieren buiten Europa kunnen stopzetten?

Minister Schouten:
Op alle momenten dat ik dat kan doen, doe ik dat.

De heer Tjeerd de Groot (D66):
Dank voor de inzet die de minister pleegt op dit dossier. Het gaat niet alleen om de transportverordening maar ook om de controles. Nederland heeft ook bilaterale contacten. Is de minister bereid om via het netwerk dat zij heeft, of via het netwerk van Landbouwraden, toch nog een keer in die landen met exporterende havens te gaan kijken of er op het belang van goede controles kan worden gewezen?

Minister Schouten:
Het antwoord daarop zal ook zijn: het mag Europees. De lidstaten gaan zelf over de handhaving in hun eigen omgeving. De weg zou dan meer zijn via de Commissie, want die kan wel tegen lidstaten zeggen: hé, houd u zich aan de handhavingsregels die wij hebben afgesproken. In de gremia waarin ik dit bespreek, zal ik in het algemeen daarbij ook de handhaving benoemen als een aandachtspunt. Nogmaals, dat zal niet een-op-een met de lidstaten zijn, maar echt via de route van de Commissie, want die heeft ook het ticket om lidstaten daarop aan te spreken.

De voorzitter:
Prima.

Minister Schouten:
Dan de moties, eerst die van mevrouw Vestering. Er is SCoPAFF geweest. Wij hebben aangegeven dat we echt een voorstel van de Europese Commissie willen op dit punt, met de onderbouwing zoals normaal ook altijd het geval is. Op de een of andere manier heeft de Commissie dat hier niet gedaan. Dat is wel echt de route. Ik wil op grond daarvan vragen om de motie aan te houden, zodat wij straks een voorstel hebben waarover we ons kunnen buigen, met de argumenten van de Commissie. Die heb ik nu niet. Ik hecht wel aan die normale procedure, dus ik zou willen vragen om deze motie aan te houden tot we dat verzoek van de Commissie hebben gehad.

De voorzitter:
Mevrouw Vestering knikt en daarmee is de motie-Vestering aangehouden.

De voorzitter:
Op verzoek van mevrouw Vestering stel ik voor haar motie (21501-32, nr. 1296) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Minister Schouten:
Dan de tweede motie, van de leden Bromet en Thijssen op stuk nr. 1297. Wij hebben al twee onderzoeken uitgevraagd. Dat is een ex-ante-evaluatie en de strategische milieu-effectrapportage. Die zijn allebei aanbesteed, de een bij Ecorys en de andere weet ik even niet uit mijn hoofd. Dit is eigenlijk de informatie die mevrouw Bromet vraagt, alleen niet via het bureau dat zij in deze motie noemt. Als zij zegt dat ze het goedvindt dat het via die weg wordt belegd en dat ook prima vindt, dan is deze motie eigenlijk een ondersteuning van het beleid dat ik voer. Als ze echt hecht aan het Planbureau voor de Leefomgeving, dan zou ik deze motie moeten ontraden, want dan moet ik nu om nóg een onderzoek gaan vragen, terwijl de Kamer dat eigenlijk al krijgt.

Mevrouw Bromet (GroenLinks):
Dat klinkt goed. Ik trek mijn motie dus in.

De voorzitter:
Aangezien de motie-Bromet/Thijssen (21501-32, nr. 1297) is ingetrokken, maakt zij geen onderwerp van beraadslaging meer uit.

Minister Schouten:
Dan de motie-Bromet/Thijssen op stuk nr. 1298. Even over de onderhandelingsfase waar we in zitten. De Raad heeft al een positie ingenomen. De discussie vindt nu plaats met het voorzitterschap, de Commissie en het Parlement — dat is ook de supertrialoog — om te bezien of we op punten toch bij elkaar kunnen komen. De range inzake de groenblauwe diensten waarover wordt gediscussieerd, ligt tussen de 3%, 4% en 5%. Dat is niet 10%. Dat is nu opeens weer een heel ander percentage, dat niet valt binnen de range waarover nu onderhandeld wordt. Datgene waar we het over hebben, moet wel binnen de kaders vallen die we eerder met elkaar hebben besproken. Als dat zo zou gaan gebeuren, is dat procedureel gezien dus een bijzondere, en dat kan ook eigenlijk niet. Dus op basis daarvan moet ik deze motie ontraden.

Mevrouw Bromet (GroenLinks):
Uit de woorden van de minister begrijp ik dat 5% is het hoogst haalbare is.

Minister Schouten:
De range is tussen de 3%, 4% en 5% in de GLMC's; ik kan even heel technisch doen.

Mevrouw Bromet (GroenLinks):
Als ik er 5% van maak, wat zegt de minister dan over deze motie?

De voorzitter:
We gaan nu wel een beetje dealen.

Minister Schouten:
Ik merk het, voorzitter! Dat is een beetje "motie schrijven terwijl u spreekt", zeg maar.

De voorzitter:
Het is ook een beetje de Purmerender koemarkt.

Minister Schouten:
We moeten hier echt kijken welk voorstel zo meteen uit het geheel komt. Als dat bij wijze van spreken 4% is en ik moet dan zeggen dat ik tegen die uitkomst ben, dan is dat ook weer gelijk een heel groot ding. Ik hoor mevrouw Bromet zeggen: probeer te kijken of dat maximaal kan. Nou, de Raadspositie is al ingenomen. Ik kijk wat er terugkomt uit de supertrialoog. Eerlijk gezegd, laat ik de hele onderhandelingen over het NSP en het GLB hier niet op klappen. Daar ben ik maar echt eerlijk in. Ik proef dat mevrouw Bromet zegt: probeer te kijken of het maximaal kan. Ik heb niet meer de individuele positie om dat te doen. Ik zou zeggen: laten we gewoon bij de eco-regelingen kijken hoe we ook daar goed invulling aan kunnen geven. Ik denk dat dat de beste plek is.

Mevrouw Bromet (GroenLinks):
Het gaat om de inzet van onze minister. Ik zal even overwegen de motie aan te passen.

De voorzitter:
We horen van u.

Minister Schouten:
Nogmaals, procedureel is dat punt eigenlijk al voorbij. De Raad heeft zijn positie ingenomen. De Raad onderhandelt nu met het Parlement. Stel nou dat het 0% is. Ja, dan hebben we een discussie, want dat past helemaal niet binnen het mandaat dat de Raad heeft gegeven. Maar het is niet zo dat ik nu nog eventjes percentages erin kan gaan gooien. Dit is echt het stadium Raad versus Parlement.

De voorzitter:
De motie is dus ontraden. Mag de reactie op de volgende drie moties wat korter en bondiger?

Minister Schouten:
Ja. De heer De Groot verzoekt echt heel concreet om een convenant. Ik ben al aan het kijken wat hierbij mogelijk is. Ik kan nu nog niet toezeggen dat dit de vorm van een convenant zal krijgen, maar als ik daarin wat ruimte krijg van de heer De Groot, dan zou ik de motie-De Groot/Boswijk op stuk nr. 1299 oordeel Kamer kunnen geven.

De voorzitter:
De heer De Groot knikt weer.

Minister Schouten:
Dat geldt ook voor de motie-De Groot/Boswijk op stuk nr. 1300. Die motie kan ik gewoon oordeel Kamer geven.

Dan de laatste motie, de motie-Boswijk c.s. op stuk nr. 1301. Ik ben het eens met de strekking ervan. Zij is ook in lijn met de Nationale Eiwitstrategie die wij hanteren. Deze motie krijgt dus ook oordeel Kamer.

Korter kan ik het niet doen.

De voorzitter:
Dank u wel. Dank aan de minister voor haar aanwezigheid. Nu kan ze toch nog naar het Eurovisiesongfestival kijken. En dat vindt ze toch belangrijk, dat weet ik. Maar ze moest eerst even eten.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
Dinsdag stemmen wij over de moties. Ik schors voor een ogenblik en dan gaan we praten over de Crisis- en herstelwet.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Voorhang concept-AMvB Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet

Voorhang concept-AMvB Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet

Aan de orde is het VSO Voorhang concept-AMvB Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet (32127, nr. 244).

De voorzitter:
Een hartelijk welkom aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Wij hebben thans aan de orde het VSO Voorhang concept-AMvB Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet. Er zijn in dit debat nog maar twee sprekers van de zijde van de Kamer. Laten we snel beginnen voordat er weer iemand afzegt. Daarom geef ik graag het woord aan de heer Koerhuis, die altijd spreekt volgens mij, dag en nacht, en die nooit een gelegenheid voorbij laat gaan om iets te zeggen. Het woord is aan hem. Hij heeft maximaal twee minuten spreektijd.

De heer Koerhuis (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Ik neem mijn controlerende taak serieus. Ik heb een motie naar aanleiding van het SO.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat onder de Omgevingswet gemeenten lokaal een strengere energie-eis kunnen stellen aan nieuwbouwwoningen dan het landelijk Bouwbesluit aangeeft;

overwegende dat Amsterdam hierdoor geen enkel groot bouwplan meer kan rondrekenen en het woningtekort oploopt;

verzoekt de regering om een impactanalyse op de bouwkosten te maken voor iedere gemeente die lokaal een strengere energie-eis wil stellen en zo een rem op de nieuwbouw te voorkomen, en de Kamer tevens hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Koerhuis.

Zij krijgt nr. 245 (32127).

Dank u wel.

De heer Koerhuis (VVD):
Voorzitter. Dan heb ik nog een vraag voor de minister. Niet alleen Amsterdam is berucht vanwege zijn rem op de nieuwbouw, maar ook Utrecht. Er is door deze Kamer een motie aangenomen om Utrecht een aanwijzing te geven om te bouwen in Rijnenburg. Dat is ondertussen alweer vorig jaar gebeurd. Ik ben benieuwd wanneer de motie uitgevoerd wordt.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan hadden we nog een spreker: de heer Nijboer van de Partij van de Arbeid. Maar die zie ik niet. Even kijken of hij er nu toevallig nog aan komt lopen. Nee, die wil ook gewoon op tijd thuis zijn om het Eurovisie Songfestival te kijken. Ik ken hem een beetje. Dan geef ik maar meteen het woord aan de minister. Ik hoor van de minister dat ze zelfs hierover moet nadenken. Nou, dan schorsen we. Ja, u kunt alle tijd van de wereld krijgen, hoor!

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:
Het woord is aan de minister. Het mag kort en puntig.

Minister Ollongren:
Dank voor deze uitnodiging, voorzitter. Dank ook aan de heer Koerhuis voor de motie en zijn vraag.

Allereerst de motie — ik doe het in de volgorde die hij zelf ook had. De motie vraagt om een impactanalyse voor iedere gemeente die lokaal een strengere energie-eis wil stellen. Mijn stelling is dat gemeenten dit lokaal al doen. Ze doen dit zelf al en het is ook aan hen. Het is lokale besluitvorming en de raad gaat hierover. Ik vind eigenlijk niet dat wij ons hierin hoeven te mengen door middel van zo'n algemeen geformuleerde impactanalyse. Ik ontraad dus de motie.

Dan de tweede vraag van de heer Koerhuis. Ik dacht daarbij even dat ik het niet helemaal goed had begrepen en dat hij misschien verwees naar een andere motie. Een check bij mijn ambtenaren leerde dat het toch echt over de motie over Rijnenburg gaat. Toch? Ja, precies. Nou ja, dat verbaasde mij een beetje bij dit debat. Ik heb de Kamer inderdaad per brief geïnformeerd hoe om te gaan met de motie van de heer Koerhuis, want die is aangenomen. In de brief wordt, dacht ik, ook het traject geschetst. Dat traject vergt veel onderzoek samen met de regio en met de gemeente Utrecht. Het moet de verbinding leggen met het MIRT, vanwege de kosten aan bereikbaarheid die verbonden zijn aan woningbouw op de locatie Rijnenburg. Dat heb ik de Kamer toegezegd. Het is de eerste stap op weg naar hetgeen waartoe de motie oproept, maar het is een noodzakelijke stap. Er moet nog heel veel gebeuren, maar die stap is gezet.

De voorzitter:
Heel kort, meneer Koerhuis.

De heer Koerhuis (VVD):
Natuurlijk, als een gemeente een impactanalyse heeft gemaakt, dan hoeft de minister dat niet over te doen. Dan mag ze die ook gewoon naar de Kamer sturen.

Dan nog iets over de motie over Rijnenburg. In die motie wordt niet gevraagd om een onderzoek, maar om een aanwijzing. Ik wil dus toch even aan de minister vragen wanneer die aanwijzing dan komt.

De voorzitter:
Helder.

Minister Ollongren:
Stel dat je een aanwijzing zou willen geven — dat is inderdaad waartoe de motie oproept — dan moet je toch echt eerst in beeld hebben waar je die aanwijzing toe geeft. Dat is wat ik in de brief heb gezegd. Die brief is geen afwijzing of iets dergelijks van wat de Kamer heeft gevraagd. Ik er mij heel erg van bewust dat de motie om een aanwijzing vraagt, maar het onderzoek en de koppeling aan de MIRT zijn stappen die eerst moeten worden gezet om op een goede en degelijke manier te kunnen overwegen of je zo'n aanwijzing zou willen geven. Ik heb er al vaker met de Kamer over gesproken dat dit uiteindelijk het laatste redmiddel is en dat dit heel vaak niet eens nodig is. Zelfs bij Valkenburg is dat uiteindelijk niet gebeurd.

De voorzitter:
Prima, helder.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
Dinsdag stemmen wij over de motie.

Toezicht WSW 2019

Toezicht WSW 2019

Aan de orde is het VSO Toezicht WSW 2019, strategisch programma WSW en governance corporatiesector (29453, nr. 528).

De voorzitter:
We gaan in een vloeiende beweging door met het VSO Toezicht WSW 2019, strategisch programma WSW en governance corporatiesector. We hebben twee sprekers van de zijde van de Kamer. De ene is de heer Koerhuis van de fractie van de VVD en het woord is aan hem. En nu hoor ik dat de andere spreker zich heeft afgemeld, dus u bent weer de enige, meneer Koerhuis. U bent wel een doorzetter, echt een diehard.

De heer Koerhuis (VVD):
Dat ben ik!

De voorzitter:
Dat moeten we toch toegeven, hoor.

De heer Koerhuis (VVD):
Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Zonder u waren we allang thuis geweest. Daar moet je ook niet aan denken.

De heer Koerhuis (VVD):
Nou, bij het laatste tweeminutendebat van de reeks van vier zal iedereen hier in de zaal wel komen te spreken. Dat gaat wel even duren.

De voorzitter:
Take it away.

De heer Koerhuis (VVD):
Ik heb één motie naar aanleiding van het SO.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het risicokapitaal van het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) toereikend moet zijn om de financiële risico's voor het Rijk laag te houden;

constaterende dat uit een validatieonderzoek van Deloitte bleek dat het risicokapitaal van het WSW niet meer toereikend was door verliezen van enkele corporaties en hiervoor een strategisch programma is gestart dat inmiddels is afgerond;

verzoekt de regering een nieuwe, onafhankelijke controle te laten uitvoeren om vast te stellen of het risicokapitaal van het WSW nu wel toereikend is,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Koerhuis.

Zij krijgt nr. 534 (29453).

De heer Koerhuis (VVD):
Dan heb ik nog een vraag. We gaan nu naar een model waarbij we eerder het WSW in stelling brengen als een corporatie in de financiële problemen komt, en minder snel het ministerie. De corporaties betalen nu een saneringsheffing en een borgingsheffing. Is het misschien een idee om daarbij ook eens naar de balans te kijken, met bijvoorbeeld iets minder saneringsheffing en iets meer borgingsheffing? We gaan nu immers naar een model dat meer leunt op het WSW en minder op het ministerie.

Dank u wel.

De voorzitter:
U bedankt! Kan de minister meteen antwoorden? We doen toch even een minuutje schorsing. Prima.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:
Het woord is aan de minister.

Minister Ollongren:
Dank u wel, voorzitter. Dank voor uw geduld. Dank weer aan de heer Koerhuis voor het indienen van een motie en het stellen van een vraag. De motie betreft een aanvullend onderzoek. Er is in 2018 een onderzoek gedaan. Dat gaf toen aan dat het risicokapitaal niet toereikend was. Nou, dat kennen we. Mede op basis daarvan is het WSW dat strategisch programma gestart. Er worden verbeteringen doorgevoerd. Onderdeel van die verbeteringen is dat er een modelcommissie komt met externe deskundigen, die de goede expertise hebben en die doorlopend dat model beoordelen, gevraagd en ongevraagd. Ik zou dus zeggen dat een nieuwe studie van het een of andere bureau eigenlijk dubbelop is. Ik zou dus zeggen: implementeer eerst dat nieuwe model en dat zou dan beoordeeld moeten worden als het enige tijd in werking is.

Het volgende zou wel kunnen. Dat is niet precies waar de motie om vraagt, maar misschien staat de heer Koerhuis daar wel voor open. Dat is om het risicomodel van het WSW op termijn, als we dus wel die ervaringen hebben opgedaan, opnieuw door een extern bureau te laten toetsen. Als de heer Koerhuis dat zou willen, en wellicht ook zijn motie zou willen aanpassen, dan zou ik daar dus voor openstaan. Dat is dus wel het geval. Maar ik zie de heer Koerhuis klaarstaan.

De voorzitter:
Het woord is aan hem.

De heer Koerhuis (VVD):
Nee. Dat is het simpele antwoord. Ik vind namelijk dat we de financiële risico's voor het Rijk serieus moeten nemen. Ik vraag enkel en alleen om een herhaling van het onderzoek dat aanleiding was voor het strategisch programma, om te kijken of dat goed is geweest. Kijk, die commissie is intern. Het is een beetje "de slager keurt zijn eigen vlees". Ik wil gewoon graag een extern bureau. Dat is ook eerder gebeurd. Het lijkt me niet zo moeilijk om dat nog een keer te laten gebeuren.

Minister Ollongren:
Die commissie is niet intern. Die commissie bestaat uit externe deskundigen, met expertise. Die gaat dat al doen, dus ik blijf bij mijn oordeel dat het dubbelop is. Mijn appreciatie is dat ik de motie moet ontraden.

De voorzitter:
Bij dezen dan.

Minister Ollongren:
Dan had de heer Koerhuis ook nog een vraag. Dat is best een complexe vraag voor dit debat, waaraan verder ook geen andere woordvoerders deelnemen. De heer Koerhuis volgt dit natuurlijk heel erg goed, dus hij weet dat er een evaluatie is geweest. Daarover is een brief naar de Kamer gegaan. Vermoedelijk zal dat ook leiden tot wetswijziging. Hij heeft eigenlijk een vraag over de balans tussen de saneringsheffing die de woningbouwcoöperaties betalen en datgene wat de borger zou moeten doen, als. Ik zou dat echt willen betrekken bij de behandeling van de brief of bij de wetswijziging. Ik zie dat de heer Koerhuis daar wél mee kan leven.

De voorzitter:
Prima. Hij knikt dankbaar "ja". Tot zover dit debat.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
Dinsdag stemmen wij over de motie.

Acties lood in drinkwater

Acties lood in drinkwater

Aan de orde is het tweeminutendebat Acties lood in drinkwater (27625, nr. 526).

De voorzitter:
Dan gaan wij meteen door met het tweeminutendebat Acties lood in drinkwater. Het nummer van het Kamerstuk is 27625, nr. 526. De heer Nijboer staat al te trappelen van ongeduld om zijn bijdrage aan dit debat te leveren. Het woord is aan hem.

De heer Nijboer (PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Het schiet voor geen meter op met het verwijderen van de loden leidingen, terwijl mensen daar wel ziek van worden. Daarom heb ik de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat volwassenen en vooral kinderen (ernstig) ziek kunnen worden door loden leidingen;

overwegende dat er in Nederland nog tot 200.000 huizen van voor 1960 loden leidingen bevatten;

overwegende dat de vervanging van loden leidingen nog lang niet in zicht is;

verzoekt de regering een verbod in te stellen op loden leidingen en een saneringsverplichting op te leggen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Nijboer, Beckerman en Bromet.

Zij krijgt nr. 534 (27625).

De heer Nijboer (PvdA):
Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan de heer Koerhuis.

De heer Koerhuis (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb geen motie, maar wel een vraag, ook namens de heer Heerma van de CDA-fractie, die helaas niet aanwezig kan zijn. De gezondheidsrisico's van loden leidingen zijn natuurlijk heel ernstig. De oplossing die de heer Nijboer voorstelt, is moeilijk te overzien. Daarom heb ik misschien een suggestie voor een andere oplossing en de vraag hoe de minister daartegen aankijkt. De oplossing van de heer Nijboer kan ook lang duren en die kan ook duur zijn. Het drinkwateronderzoeksbureau KWR heeft daar onderzoek naar gedaan en daaruit blijkt dat er in plaats van voor vervanging van hele leidingen net zo goed gekozen kan worden voor een filtersysteem. Ik zeg daar dan altijd wel bij dat dit een tijdelijke oplossing is. Dat filter kan halverwege de drinkwaterleiding naar de woning toe ofwel in de woning zelf aangelegd worden, maar er kan — daar komt ie — ook een filter op de kraan zelf geplaatst worden. Is de minister bereid om te bekijken of zo'n tijdelijke oplossing misschien sneller gaat en goedkoper is dan de oplossing van de heer Nijboer?

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan de heer Boulakjar van D66.

De heer Boulakjar (D66):
Dank u wel, voorzitter. De vorige Kamer is flink bezig geweest met de situatie rond de loden leidingen en de gezondheidskwesties. Dat is natuurlijk heel belangrijk, zeker met het oog op eventuele kinderen. Er worden al heel veel stappen gezet, maar ik heb toch nog een motie namens D66.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat loden leidingen schadelijke gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van bewoners;

overwegende dat er momenteel geen volledig beeld is op welke locaties deze loden leidingen zijn verwerkt;

overwegende dat marktpartijen momenteel een modelbepaling uitwerken waarin de aanwezigheid van loden leidingen wordt opgenomen in huurcontracten;

verzoekt de regering om de Kamer over de voortgang van deze modelbepaling op de hoogte te houden en, indien deze niet voor het einde van 2021 gereed is, over te gaan op een verplichting hiertoe in huurcontracten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Boulakjar en Grinwis.

Zij krijgt nr. 535 (27625).

De heer Boulakjar (D66):
Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Tot zover de termijn van de Kamer. Ik schors een minuutje en dan gaan we luisteren naar de minister.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:
Het woord is aan de minister.

Minister Ollongren:
Nogmaals dank, voorzitter. Dit keer drie sprekers, ook de heer Nijboer. Hartstikke fijn. Dat belooft wat voor het laatste debatje waarvoor ik hier ben.

De eerste motie. Overigens dank ik de heer Nijboer dat hij dit onderwerp steeds benoemt en onder de aandacht houdt, want het is belangrijk. Dat vind ik ook en ik heb echt geprobeerd om er follow-up aan te geven. Daarom is mijn reactie op zijn motie op stuk nr. 534 dat ik zou hopen dat de heer Nijboer deze motie zou willen aanhouden. Er komt namelijk een voortgangsrapportage. Die heb ik de Kamer toegezegd. Die komt na de zomer. Dan hebben we echt een beter beeld van de stand van zaken van de acties die dit kabinet heeft ingezet. Dat is BZK, maar ook IenW en VWS. Dan kunnen we kijken hoe de sanering verloopt.

Ik heb steeds gezegd: als het niet goed genoeg gaat, dan sluit ik een verbod helemaal niet uit. Het is een zwaar instrument. Het heeft zeker voordelen, maar ook wel een aantal nadelen. Daarom wil ik er het liefst niet mee beginnen, maar het liefst met het huidige instrumentarium werken. Dus eerst de rapportage en dan de motie. En nogmaals: dat verbod sluit ik nog steeds niet uit, maar misschien is het niet nodig.

De heer Nijboer (PvdA):
Ik wil die motie best aanhouden tot de zomer, maar dan wil ik wel de toezegging van de minister dat er, als het dan nog steeds loopt zoals het nu loopt, ook echt een verbod komt. We zijn hier nu al anderhalf of twee jaar mee bezig en er moet ook een keer gezegd worden: het gaat te langzaam.

Minister Ollongren:
Dan zou ik graag met de heer Nijboer afspreken dat we, als die rapportage onvoldoende voortgang laat zien, inderdaad alle instrumenten langslopen die we kunnen inzetten om te zorgen dat het wel gaat gebeuren, inclusief het verbod. Dan ligt opnieuw de vraag voor of we dat dan het geschikte instrument vinden. Is dat waar het knelt, of is er een ander knelpunt? Ik realiseer mij heel goed dat dat verbod — nogmaals, ik heb het nooit uitgesloten — dan weer heel nadrukkelijk op tafel ligt als een van de opties.

De heer Nijboer (PvdA):
Voorzitter. Ik houd de motie aan, maar verhuurders moeten ook een beetje bang zijn van de minister. Van: als ik dat niet ga doen, dan komt dit eraan. Ik moedig de minister wel aan om dat ook uit te stralen.

Minister Ollongren:
Dan zijn de heer Nijboer en ik het nu helemaal eens geworden. Ik zal de verhuurders erop wijzen dat ik vanaf het moment dat de heer Nijboer en anderen hier aandacht voor hebben gevraagd, steeds heb gezegd: ik kan een verbod niet uitsluiten en het komt dichterbij op het moment dat er onvoldoende voortgang is.

De voorzitter:
Op verzoek van de heer Nijboer stel ik voor zijn motie (27625, nr. 534) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:
Bovendien gaat de minister iets uitstralen. Dat is toch de deal?

Minister Ollongren:
Dat klinkt niet dreigend genoeg, voorzitter.

Dan ben ik bij de vraag van de heer Koerhuis. Hij had het over een filter die mogelijk een oplossing zou kunnen bieden. Ik heb het nog even nagevraagd en ik heb begrepen dat we nog niet zeker weten of dat ook in de Nederlandse omstandigheden voldoende goed werkt. Dat is nog niet bewezen. Als het wel zo is, dan zou het als tijdelijke oplossing heel interessant kunnen zijn, omdat je het per direct kunt installeren. Maar deskundigen moeten nog wel even kijken of zo'n filter ook in Nederland goed genoeg is. Dank voor het onder de aandacht brengen ervan.

Dan kom ik bij de tweede motie, die van de heer Boulakjar op stuk nr. 535. Met die motie kan ik grotendeels goed uit de voeten. Ik verwacht eigenlijk dat de marktpartijen daar ook gewoon mee komen, want die zijn daar volop mee bezig. Ik begreep dat daarop vandaag ook vanuit Vastgoed Belang positief is gereageerd. Ik zal het meenemen in de voortgangsrapportage en ik ben sowieso bereid om te verduidelijken dat de verhuurders een plicht hebben bij aanvang van de huur om gebreken te melden. Dat geldt zeker voor loden leidingen: dat is gewoon een gebrek en moet gemeld worden.

Ik heb de motie van de heer Boulakjar hier niet voor me liggen, maar hij zegt daarin dat die verplichting in het huurcontract moet staan. Ik denk dat het misschien niet via het huurcontract, maar op een andere manier zou moeten worden geregeld, maar wel verplichtend. Ik zou de heer Boulakjar willen vragen om die passage uit zijn motie te verwijderen, want het schijnt ook juridisch ingewikkeld te zijn om het via het huurcontract te doen. Maar ik ben dus wel voor de verplichting. Als hij dat uit de motie zou willen halen, geef ik de motie graag oordeel Kamer.

De heer Boulakjar (D66):
Heel kort. Ik zal dat overwegen en ik zal die passage uit de motie halen.

De voorzitter:
Wacht even. Gaat u het overwegen of gaat u het doen?

De heer Boulakjar (D66):
Ik overweeg het nu. Ik ga het doen.

De voorzitter:
Poeh. Het was al zo laat. Ik zit hier de hele dag al. Ik wil het even weten, want anders moet ik namelijk nu zeggen dat wij een verbeterde motie van u tegemoetzien.

De heer Boulakjar (D66):
Ja, u krijgt van mij een nieuwe.

De voorzitter:
Wij krijgen een nieuwe motie-Boulakjar op stuk nr. 535.

Minister Ollongren:
Heel veel dank daarvoor.

De voorzitter:
We komen er wel.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
Tot zover dit debat. Dinsdag stemmen wij ook over deze twee moties.

Klimaatakkoord gebouwde omgeving

Klimaatakkoord gebouwde omgeving

Aan de orde is het tweeminutendebat Klimaatakkoord gebouwde omgeving (CD d.d. 22/04).

De voorzitter:
Dan zijn we nu aangekomen bij het grote feestnummer van vandaag, het tweeminutendebat Klimaatakkoord gebouwde omgeving. Het Kamerdebat was 22 april jongstleden. We hebben maar liefst dertien sprekers van de zijde van de Kamer. We beginnen met de heer Alexander Kops van de fractie van de Partij voor de Vrijheid. Hij heeft zoals iedereen twee minuten spreektijd. Het woord is aan hem.

De heer Kops (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Motie één.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in de laatste voortgangsrapportage van het Programma Aardgasvrije Wijken wordt geconcludeerd dat het aardgasvrij maken van woningen "op basis van louter vrijwilligheid niet haalbaar is" en dat hier "wettelijke bevoegdheden noodzakelijk zijn";

constaterende dat er geen wettelijke bevoegdheid bestaat om woningeigenaren te dwingen van het aardgas af te gaan;

spreekt uit dat dat zo moet blijven;

verzoekt de regering ervoor te zorgen dat aardgasvrij wonen nooit een verplichting wordt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kops.

Zij krijgt nr. 691 (32813).

De heer Kops (PVV):
Dan motie twee.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het aardgasvrij maken van woningen onzinnig, onhaalbaar en onbetaalbaar is;

verzoekt de regering onmiddellijk te stoppen met het aardgasvrij maken van woningen en een streep te zetten door het Programma Aardgasvrije Wijken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kops.

Zij krijgt nr. 692 (32813).

De heer Kops (PVV):
Motie drie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat nieuwbouwwoningen vanaf 1 juli 2018 geen gasaansluiting meer krijgen;

constaterende dat gasloos bouwen onzinnig is én tot vertragingen en hogere kosten leidt;

spreekt uit dat er niets gaat boven een vertrouwde gasaansluiting — op het beste en betrouwbaarste gasnet ter wereld;

verzoekt de regering de afschaffing van de gasaansluitplicht terug te draaien,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kops.

Zij krijgt nr. 693 (32813).

De heer Kops (PVV):
Nog even terugkomend op de eerste motie: ik verwacht absoluut van de VVD dat zij in ieder geval voor die motie stemt. Die motie zegt: ervoor zorgen dat aardgasvrij wonen nooit een verplichting wordt. In het commissiedebat heeft de heer Koerhuis luid en duidelijk gezegd dat de VVD er geen voorstander van is om mensen verplicht af te sluiten van het aardgas. Ik citeer hem even. Hij zegt letterlijk: "Ik ben zo'n beetje de vlaggendrager hier om mensen niet te verplichten om van het gas af te gaan." Nou, dan kunnen we niet anders dan verwachten van de VVD dat zij in ieder geval voor die motie stemt.

Dank u wel.

De voorzitter:
Een vraag van de vlaggendrager.

De heer Koerhuis (VVD):
"Vlaggendrager" betekent natuurlijk dat ik met een eigen motie kom. Die komt er zo.

Nog een vraag voor de heer Kops. Hij stelt dat nieuwbouwhuizen aansluiten op gas altijd goedkoper is dan dat niet doen. Dan vraag ik me af of hij het rapport van Aedes kent waarin wordt aangegeven dat het aansluiten op een warmtenet qua nieuwbouwkosten goedkoper is dan op gas. Ik vraag me of hij daar dan misschien een uitzondering voor wil maken, want dat moet natuurlijk wel mogelijk blijven.

De heer Kops (PVV):
Ten eerste. Het verbaast me een beetje dat de heer Koerhuis nu die vraag aan mij stelt, want in het commissiedebat heb ik hier al minutenlang over gesproken. Precies datgene wat de heer Koerhuis zegt, heb ik aan de orde gesteld. Ik heb toen in dat debat geen enkele interruptie van hem gekregen. Ik vraag me af waarom niet en waarom hij dan nu hier in dit debat, waarin we moties indienen, met die vraag komt. Ik kan ook wel even inhoudelijk antwoord geven. Leest u eens wat artikelen van Cobouw. Daarin staat bijvoorbeeld dat gasloos bouwen €15.000 tot €25.000 extra kost. Luister naar de Vereniging voor Ontwikkelaars & Bouwondernemers, die ook zegt dat door gasloos bouwen de faalkosten in het ontwikkel- en bouwproces eerder toe- dan afnemen. Daarbij zegt die vereniging ook dat er simpelweg niet genoeg technisch personeel is om alle werkzaamheden uit te voeren. Het leidt dus en tot hogere kosten en tot vertraging.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Koerhuis van de fractie van de VVD.

De heer Koerhuis (VVD):
Drie moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat gemeenten dwangsommen willen kunnen instellen om woningen van het gas te halen;

constaterende dat bewoners zorgen hebben om woningen van het gas te halen;

overwegende dat een dreiging van dwangsommen door gemeenten de zorgen van bewoners vergroot in plaats van wegneemt;

overwegende dat de zorgen van bewoners voorop moeten worden gesteld;

verzoekt de regering om gemeenten niet de bevoegdheid te geven om dwangsommen in te stellen om woningen van het gas te halen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Koerhuis en Eerdmans.

Zij krijgt nr. 694 (32813).

De heer Koerhuis (VVD):
Motie twee.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het nieuwe energielabel volgens de minister gemiddeld €190 zou kosten;

constaterende dat dit in de praktijk veel hoger ligt;

van mening dat mensen niet op hoge kosten moeten worden gejaagd voor een energielabel;

overwegende dat het aanbod van energie-experts op dit moment niet toereikend is om de markt haar werk te laten doen;

overwegende dat per 1 juli het digitale energielabel van start gaat;

overwegende dat de problemen rondom het aanbod van energie-experts waarschijnlijk langer gaan duren;

verzoekt de regering om per ministeriële regeling tot 1 januari een maximumprijs in te stellen voor het fysieke energielabel,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Koerhuis en Beckerman.

Zij krijgt nr. 695 (32813).

De heer Koerhuis (VVD):
Motie drie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat een taxatierapport fysiek laten uitvoeren €400 tot €500 kost;

constaterende dat DNB wil dat huiseigenaren bij iedere nieuwe hypotheek of iedere wijziging van een hypotheek het taxatierapport fysiek laten uitvoeren;

van mening dat mensen niet onnodig op hoge kosten moeten worden gejaagd voor een taxatierapport voor een kleine aanpassing van de woning als er een recent taxatierapport is;

overwegende dat de regering zegt dat de kosten van het nieuwe model nog niet zijn uitgekristalliseerd;

verzoekt de regering om voorlopig niet over te stappen op het nieuwe model en het taxatierapport goedkoop te houden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Koerhuis en Agnes Mulder.

Zij krijgt nr. 696 (32813).

De voorzitter:
Dank u wel. Er is een vraag van de heer Kops.

De heer Kops (PVV):
Eén vraag aan de heer Koerhuis. Gaat hij, de vlaggendrager van de VVD die zegt dat mensen niet verplicht moeten worden om van het gas af te gaan, voor de motie stemmen die ik zojuist heb in gediend, die exact dat zegt?

De heer Koerhuis (VVD):
Ik wil de motie graag eerst lezen. Ik heb haar nog niet gekregen. Ik was nog niet helemaal klaar. Mevrouw Beckerman dient zo ook namens mij een motie in over het aardgasvrijproject.

De heer Kops (PVV):
Dat vind ik toch een beetje raar, want moties worden hier nota bene voorgelezen en ik mag toch van de heer Koerhuis verwachten dat hij kan luisteren. Ik heb volgens mij vrij duidelijk gesproken: verzoekt de regering ervoor te zorgen dat gasloos wonen nooit een verplichting wordt. Dat is exact wat ook de heer Koerhuis in het commissiedebat heeft gezegd. En nota bene net voordat ik naar het spreekgestoelte liep, heb ik mijn motie nog even vluchtig aan de heer Koerhuis laten zien. Dan wil ik gewoon nu van de heer Koerhuis weten: gaat hij voor of tegen die motie stemmen?

De heer Koerhuis (VVD):
Kijk, ik ken het trucje. De titel van de motie wordt ongetwijfeld heel mooi, maar ik wil toch echt eventjes goed de overwegingen en de constateringen lezen. Iedereen hier weet dat dat zo werkt. Ik word ongetwijfeld in een filmpje geknipt van de heer Kops met de titel van de motie, maar ik wil haar toch graag echt eerst even goed lezen en dan vooral de constateringen en de overwegingen.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Eerdmans van de fractie van JA21.

De heer Eerdmans (JA21):
Voorzitter, dank je wel. Ik had eigenlijk als eerste een motie willen indienen, maar ik doe het niet. Dat is ook weleens aardig voor de verandering. Ik zag namelijk dat de motie van de heer Kops feitelijk dezelfde strekking heeft waar het gaat om het gasloos wonen, dus die laat ik weg. Dat scheelt weer. Wij sluiten ons aan bij die PVV-motie. Ik heb er nog wel twee over. De eerste gaat over het Klimaatakkoord.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Klimaatwet en het Klimaatakkoord nul effect hebben op het klimaat, honderden miljarden euro's kosten en leiden tot de massale aanwezigheid van megawindturbines, zonneweides en het aardgasvrij maken van de volledige gebouwde omgeving;

overwegende dat hiermee een aanslag op de welvaart en het woongenot van burgers en het Nederlandse landschap wordt gepleegd;

verzoekt de regering het Klimaatakkoord op te zeggen en de Klimaatwet in te trekken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Eerdmans.

Zij krijgt nr. 697 (32813).

De heer Eerdmans (JA21):
Eerst de derde, maar nu dus mijn tweede motie, is kort.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering te garanderen dat niemand gedwongen van het gas hoeft,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Eerdmans.

Zij krijgt nr. 698 (32813).

Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar mevrouw Bromet van de fractie van GroenLinks.

Mevrouw Bromet (GroenLinks):
Voorzitter. Als je naar de rechtse partijen luistert, is het kommer en kwel met de energietransitie. Maar ik denk dat de heren die voor mij spraken nog nooit een gasfornuis hebben schoongemaakt. Het is namelijk veel prettiger om een inductiefornuis schoon te maken. Maar daar ga ik het nu niet over hebben.

De voorzitter:
Het wordt nu heel onrustig in de zaal.

Mevrouw Bromet (GroenLinks):
De heren voelen zich aangesproken. Ik wil het hebben over isolatie. Want je kunt hel en verdoemenis preken over de energietransitie, maar een geïsoleerd huis is comfortabel. Bovendien is het veel goedkoper om een goed geïsoleerd huis te verwarmen. De ChristenUnie heeft twee prima moties over isolatie. Ik zou nog een keer aan de minister willen vragen waarom wij geen beroep hebben gedaan op het Europees Herstelfonds, waarin geld beschikbaar is voor isolatie. Want het is toch zonde om dat te laten liggen? Iedereen verdient een geïsoleerd huis, ook de mensen die het niet kunnen betalen. De overheid kan daar prima een rol in spelen.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het woord aan mevrouw Van der Plas van de fractie van BBB. Oeps, die is er niet, denk ik. Nee. Dan gaan we luisteren naar de heer Grinwis van de fractie van de ChristenUnie. Die is er wel.

De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Ik heb twee moties meegebracht.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de (rijks)overheid al geruime tijd het isoleren van woningen stimuleert, vooral met informatie en subsidies;

overwegende dat gebruikmaken van subsidieregelingen —voorheen de SEEH, momenteel de ISDE — het hebben van spaargeld en/of het toegang hebben tot financiering veronderstelt, en dat mensen die isoleren dan ook veelal een hoger inkomen hebben dan niet-isoleerders;

overwegende dat er naar schatting 2,7 miljoen woningen in Nederland zijn met een energielabel slechter dan C, dat in deze niet goed geïsoleerde woningen gemiddeld vaker mensen met een lager inkomen wonen en dat met het huidige instrumentarium de energetisch slechtste huizen én bewoners met lage inkomens onvoldoende worden bereikt;

overwegende dat, om tijdig alle bestaande woningen te isoleren in lijn met de isolatiestandaard, het huidige isolatietempo een factor drie omhoog moet;

verzoekt de regering het de afgelopen jaren gevoerde isolatiebeleid en de daarbij ingezette subsidieregelingen te evalueren, daaruit lessen te trekken met het oog op een effectieve vormgeving van het eerder door de Kamer gevraagde nationaal isolatieprogramma, zodat Nederland sneller, slimmer en socialer gaat isoleren, en de Kamer daarover uiterlijk bij de begroting te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis, Bromet, Nijboer, Beckerman, Boulakjar en Agnes Mulder.

Zij krijgt nr. 699 (32813).

De heer Grinwis (ChristenUnie):
De tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er dit vergaderjaar tweemaal een motie is aangenomen waarin de regering wordt verzocht om een nationaal isolatieprogramma;

overwegende dat de uitvoering en uitwerking daarvan stokt met als argument een gebrek aan beschikbare middelen;

overwegende dat Nederland juist ook voor investeringen in energiebesparing in de gebouwde omgeving een beroep kan doen op middelen uit de Recovery and Resilience Facility (RRF), aangezien de voor Nederland beschikbare envelop van 5,6 miljard euro voor 37% besteed moet worden aan duurzaamheid;

verzoekt de regering bij de verdere uitwerking van het door de Kamer gevraagde nationaal isolatieprogramma een beroep op de RRF in haar overwegingen te betrekken, en de Kamer hierover bij de aanstaande begroting te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis, Bromet, Nijboer en Agnes Mulder.

Zij krijgt nr. 700 (32813).

De heer Grinwis (ChristenUnie):
Tot zover.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik graag het woord aan de heer Boulakjar van de fractie van D66.

De heer Boulakjar (D66):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb twee moties van de zijde van D66.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er de doelstelling ligt om in 2050 tot een klimaatneutrale gebouwde omgeving te komen;

overwegende dat gebouwgebonden financiering financiële drempels weg kan nemen voor woningbezitters om mee te doen aan de verduurzamingstransitie;

overwegende dat er onder meer in Amersfoort pilots lopen met een gebouwgebonden verduurzamingsdienst;

verzoekt de regering om de uitkomsten van de pilot gebouwgebonden verduurzamingsdienst in Amersfoort voor het einde van het jaar met de Kamer te delen en daarbij ook opties in kaart te brengen voor mogelijke grootschalige toepassing van de uitkomsten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Boulakjar en Grinwis.

Zij krijgt nr. 701 (32813).

De heer Boulakjar (D66):
Mijn tweede motie, voorzitter, gaat over warmtevisies in alle gemeentes.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er de doelstelling ligt om in 2050 tot een klimaatneutrale gebouwde omgeving te komen;

overwegende dat gemeenten in hun transitievisies plannen uitwerken over hoe de warmtetransitie wordt vormgegeven;

overwegende dat het voor de duidelijkheid voor bewoners van belang is dat alle gemeenten begin 2021 hun transitievisie gereed hebben;

verzoekt de regering om de Kamer uiterlijk in Q3 van 2021 te informeren over het aantal gemeenten met een afgeronde transitievisie;

verzoekt de regering tevens om met de gemeenten en andere betrokken partijen een plan van aanpak op te stellen hoe de gemeenten die na deze inventarisatie nog geen transitievisie hebben, deze alsnog voor 2021 kunnen vaststellen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Boulakjar en Grinwis.

Zij krijgt nr. 702 (32813).

De heer Boulakjar (D66):
De heer Grinwis is inmiddels mijn grote vriend.

De voorzitter:
Dat is mooi. Een korte vraag nog van de heer Koerhuis. Kort, hè, kort.

De heer Koerhuis (VVD):
Het gaat over de eerste motie; dat ik het helder heb. D66 lijkt hier wat voor te sorteren. De minister heeft al aangegeven dat het invoeren van een baatbelasting juridisch lastig is. Graag hoor ik van de D66-fractie dat zij dat deelt en dat zij ook politiek geen voorstander is van het zomaar invoeren van een nieuwe belasting. Een andere route die weleens verkend is, is erfpacht invoeren. Dan verkoop je de grond onder je huis om vervolgens te gaan verduurzamen.

De voorzitter:
En uw vraag?

De heer Koerhuis (VVD):
Dat lijkt met toch ook niet helemaal de bedoeling, vraag ik D66.

De heer Boulakjar (D66):
Dank aan de heer Koerhuis voor zijn vraag. Het onderzoeken van gebouwgebonden financiering is onderdeel van het Klimaatakkoord. Daar staat ook de handtekening van de VVD onder. D66 wil net als iedereen dat mensen in een comfortabel huis wonen met een lage energierekening, het liefst kostenvriendelijk, duurzaam en vrijwillig. Dat is precies het fundament van het Klimaatakkoord. Daarom heeft mijn motie de strekking: minister, bekijk nou wat wij kunnen leren van de pilot in Amersfoort. Initiatieven die laagdrempelig en op basis van vrijwilligheid zorgen voor duurzame woningen moeten wij toejuichen.

De voorzitter:
Prima. Min of meer. Het woord is aan mevrouw Beckerman van de fractie van de SP.

Mevrouw Beckerman (SP):
Voorzitter. Door de coronacrisis en het verplicht thuisblijven komt een deel van de huishoudens in de knel met het betalen van de energierekening. Uit onderzoek blijkt dat 26% van de Nederlanders — dat zijn ongeveer 2 miljoen huishoudens — een veel hoger energieverbruik heeft dan voor de coronacrisis. 18% van de Nederlanders maakt zich veel zorgen over de vraag of ze de energierekening wel kunnen betalen. Dat zijn 1,4 miljoen huishoudens. Juist mensen met een lager inkomen maken zich grote zorgen. Al vele malen deed de SP voorstellen voor een lagere energierekening, bijvoorbeeld door de belastingen te verlagen. Daartoe doe ik nu opnieuw een voorstel.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat 18% van de Nederlanders zich zorgen of veel zorgen maakt over de hoogte van de energierekening;

overwegende dat er nog 2,7 miljoen slecht geïsoleerde woningen in Nederland zijn en deze gemiddeld vaker bewoond worden door mensen met lagere inkomens;

constaterende dat met het isoleren van woningen niet alleen gezorgd kan worden voor betere woningen, het halen van klimaatdoelen en het creëren van werkgelegenheid, maar ook voor een daling van de energierekening;

voorts constaterende dat uit onderzoek naar eerdere subsidieregelingen bleek dat subsidies gemiddeld juist vaker terechtkomen bij woningeigenaren met hogere inkomens;

spreekt uit dat het nationaal isolatieprogramma juist ook gericht moet zijn op de lage inkomens en middeninkomens;

verzoekt de regering dit bij de verdere uitwerking van het nationaal isolatieprogramma te borgen;

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Beckerman en Grinwis.

Zij krijgt nr. 703 (32813).

Mevrouw Beckerman (SP):
En de tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat op dit moment naar aanleiding van de motie Beckerman op stuk nr. 472 (32813) onderzoek wordt uitgevoerd naar de ervaringen van bewoners die hebben deelgenomen aan het Programma Aardgasvrije Wijken;

constaterende dat het Programma Aardgasvrije Wijken tot doel heeft te leren hoe wijken verduurzaamd kunnen worden en de ervaringen van bewoners hierbij dus cruciaal zijn,

voorts constaterende dat het bewonerstevredenheidsonderzoek voor de zomer gereedkomt, maar de derde tranche al eerder wordt opengesteld;

verzoekt de regering de derde tranche pas open te stellen wanneer het bewonerstevredenheidsonderzoek gereed is en aanvragen alleen dan te honoreren als geborgd is dat de pilot voor alle bewoners betaalbaar is en kan rekenen op draagvlak en betrokkenheid,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Beckerman en Koerhuis.

Zij krijgt nr. 704 (32813).

Mevrouw Beckerman (SP):
Dat was het, dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Nijboer van fractie van de Partij voor de Arbeid.

De heer Nijboer (PvdA):
Dank u wel, voorzitter. Ten aanzien van het nationaal isolatieprogramma heb ik met collega's een aantal moties ingediend. Ik heb nog één motie. Die gaat erover dat het eigenlijk voor niemand duidelijk is — dat was ook mijn hoofdpunt in het debat, en eerlijk gezegd al één à anderhalf, twee jaar — wat er nou moet gebeuren als je in je huis zit en je je cv-ketel moet vervangen of voor een nieuwe keuken kiest.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het voor veel mensen onduidelijk is wat ze het beste kunnen doen als er praktische afwegingen moeten worden gemaakt, zoals bij de keuze voor een nieuwe keuken (wel of geen gasplaat) of als de cv moet worden vervangen (wel of geen cv, warmtepomp of warmtenet?);

verzoekt het kabinet ervoor te zorgen dat voor iedereen makkelijk te vinden is wat je in de eigen situatie het beste kan doen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Nijboer.

Zij krijgt nr. 705 (32813).

De heer Nijboer (PvdA):
Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan mevrouw Teunissen van de fractie van de Partij voor de Dieren.

Mevrouw Van Esch (PvdD):
Dank u wel, voorzitter. Ik ben niet mevrouw Teunissen, maar ik doe het voor haar, aangezien zij bij een ander debat zit en zij wel dit debat heeft gedaan op 22 april. Ik heb twee moties meegenomen naar aanleiding van haar inbreng die 22 april.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Raad van State oordeelt dat de gedragscode duurzaam renoveren niet voldoet aan de Wet natuurbescherming en de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn;

constaterende dat beschermde vleermuizen en vogels slachtoffer worden van het verkeerd aanbrengen van isolatie;

constaterende dat BZK en LNV samen onderzoek doen naar de knelpunten bij natuurinclusief bouwen, waarbij ook gekeken wordt naar renovatie en isolatie;

overwegende dat bij de opschorting van de gedragscode per individuele aanvraag een ontheffing op basis van de Wet natuurbescherming moet worden gegeven, wat vleermuizen en vogels betere bescherming biedt;

verzoekt de regering tot een tijdelijke opschorting van het toepassen van de gedragscode duurzaam renoveren, totdat het onderzoek naar de knelpunten bij natuurinclusief bouwen gedeeld en besproken is met de Kamer,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Esch en Teunissen.

Zij krijgt nr. 706 (32813).

Mevrouw Van Esch (PvdD):
En de tweede motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat restwarmte uit de fossiele industrie volgens het Bouwbesluit 2019 meetelt in de minimumeis voor het aandeel hernieuwbare energie;

constaterende dat tevens aftapwarmte uit warmtekrachtkoppelingsinstallaties op biomassa mee mag worden gewaardeerd als hernieuwbare energie;

overwegende dat dit leidt tot een ongewenste lock-in, een langdurige afhankelijkheid van fossiele energiebronnen en biomassa;

verzoekt de regering fossiele restwarmte en restwarmte uit biomassa-installaties niet langer aan te merken in bouwregelgeving als hernieuwbare energie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Esch en Teunissen.

Zij krijgt nr. 707 (32813).

Mevrouw Van Esch (PvdD):
Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan mevrouw Agnes Mulder van de fractie van het CDA.

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):
Voorzitter, dank. Allereerst een motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat we veel leren van het Programma Aardgasvrije Wijken en deze nog niet de gewenste CO2-reductie heeft opgeleverd;

overwegende dat in het Klimaatakkoord het aardgasvrij-ready maken van woningen en gebouwen expliciet wordt genoemd als methode om de gebouwde omgeving te verduurzamen;

constaterende dat de minister de genoemde aardgasvrij-ready-aanpak nog niet heeft uitgewerkt, terwijl deze wel kansrijk is om CO2-reductie in de gebouwde omgeving op een haalbare en betaalbare manier en op natuurlijke momenten te realiseren;

verzoekt de regering om het aardgasvrij-ready maken van de gebouwde omgeving met spoed op te pakken en deze niet alleen via het Programma Aardgasvrije Wijken vorm te geven, maar ook woningeigenaren op natuurlijke momenten te stimuleren CO2 te reduceren;

verzoekt de regering te onderzoeken in hoeverre het aardgasvrij-ready maken van de gebouwde omgeving via de contingentenaanpak van het TNO vorm kan krijgen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Agnes Mulder en Grinwis.

Zij krijgt nr. 708 (32813).

Mevrouw Agnes Mulder (CDA):
Voorzitter. Waarom is dit voor het CDA nou belangrijk? We zien dat we echt wel iets moeten doen richting 2030 en 2050 om af te gaan van fossiele brandstoffen en dus ook af te gaan van aardgas. Groen gas? Allemaal prima waar we dat toe kunnen passen, maar dat is niet voor alle huishoudens beschikbaar. Mogelijk is er nog iets te doen met waterstof op termijn en kunnen we onze hele infrastructuur nog hergebruiken. Maar als dat allemaal niet kan, kunnen we ondertussen al wel heel veel gas reduceren. Dat kan bijvoorbeeld door andere ketels op te hangen. Op natuurlijke momenten zou dat ook een heel natuurlijke optie moeten zijn.

Dan komen we natuurlijk bij het punt dat collega Nijboer ook maakte: dat is op dit moment volstrekt niet duidelijk. Dus: wat moet je dan doen? Die stap van de heer Nijboer hebben we dus nodig, maar deze ook. Want als je gewoon tot 70% op je aardgas kunt besparen, waarom doen we dat dan niet? Waarom doen we dan ook niet versneld? Ik denk het heel belangrijk is voor ons allemaal dat iedereen begrijpt dat dit de goede opties zijn richting 2030 en ook richting 2050. Ik hoop dat we die slag met elkaar kunnen gaan maken.

Voorzitter, dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan is het woord aan de heer Bisschop van de fractie van de Staatkundig Geformeerde Partij.

De heer Bisschop (SGP):
Mijnheer de voorzitter, dank u zeer. Ik beperk mij tot een motie die aansluit bij de bijdrage die ik eerder in het overleg heb geleverd. De motie gaat over de contingentenaanpak. In die zin sluit deze ook aan bij de motie die zojuist werd ingediend door collega Mulder.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de energietransitie in de gebouwde omgeving nu deels verloopt via een wijkenaanpak, waarbij vaak hele wijken tegelijk verduurzaamd worden;

overwegende dat verschillende typen woningen vaak om een verschillende aanpak in de energietransitie vragen, en dat door het bundelen van typen woningen bij het verduurzamen van de gebouwde omgeving een versnelling, kostenbesparingen en meer efficiëntie gerealiseerd kunnen worden;

verzoekt de regering vóór de behandeling van de begroting van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties voor het jaar 2022 een voorstel voor een contingentenaanpak voor de verduurzaming van de gebouwde omgeving naar de Kamer te sturen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Bisschop.

Zij krijgt nr. 709 (32813).

De heer Bisschop (SGP):
Dat was mijn bijdrage, voorzitter.

De voorzitter:
Ik vond 'm weer geweldig.

De heer Bisschop (SGP):
Dat dacht ik wel!

De voorzitter:
De laatste spreker van de zijde van de Kamer is de heer Jansen van de fractie van Forum voor Democratie.

De heer Jansen (FVD):
Dank u wel, voorzitter. In het commissiedebat Klimaat en gebouwde omgeving van vorige maand vroeg ik de minister hoeveel geld is uitgegeven aan het programma aardgasloze wijken en hoe dat geld is besteed. Tot mijn verbazing vertelde de minister dat er al 220 miljoen was uitgegeven en dat er voor dit jaar nog eens 50 miljoen is gepland. Tot nu toe zijn in het kader van dit project 600 gasloze woningen gerealiseerd. Dat zou neerkomen op ongeveer €350.000 per woning, maar de minister verzekerde ons dat dit bedrag niet nog volledig was besteed en dat deze deling onterecht is. Zij kon echter niet aangeven hoeveel van dit bedrag wel was besteed.

In haar brief van 7 mei meldde de minister dat het volledige bedrag van 220 miljoen is uitgekeerd aan gemeenten via het Gemeentefonds. Dit beantwoordt echter niet de vraag en roept heel veel nieuwe vragen op. Want ook in de verantwoordingsstukken over 2019 is te lezen dat het onduidelijk is hoe de financiële bijdrage van de minister van BZK aan de gemeenten bijdraagt aan het aardgasvrij maken van woningen en dat een gemeente het geld kán inzetten voor de bekostiging van het aardgasvrij maken van woningen, maar dit niet hóéft te doen. De voornaamste reden die de Algemene Rekenkamer hiervoor aanwijst, is het decentraal uitkeren van het beschikbare bedrag via het Gemeentefonds, zoals ook is te lezen in de brief van de minister. Dit betekent dat het geld niet geoormerkt was voor het project.

Daarom heb ik een aantal vragen. Vraag 1. Betekent dit dat het hele bedrag, 120 miljoen voor de eerste ronde, op één hoop is gegooid met de reguliere uitkering uit het Gemeentefonds voor alle gemeenten? Met andere woorden: is het geld uitgesmeerd over alle Nederlandse gemeenten in plaats van alleen de deelnemende gemeenten? Zo niet, kan de minister aangeven per deelnemende gemeente hoeveel geld ze hebben ontvangen in het kader van het Programma Aardgasvrije Wijken in ronde 1? Indien de minister dat niet kan aangeven, betekent dit dat gemeenten dan ook geen toelichting hebben gekregen hoeveel van hun uitkering uit het Gemeentefonds bestemd was voor het Programma Aardgasvrije Wijken?

Vraag 2. Kan de minister aangeven hoe het bedrag van 100 miljoen euro voor de tweede ronde, die specifiek is uitgekeerd, verdeeld is per gemeente?

Vraag 3. Heeft de minister een overzicht van hoeveel geld deelnemende gemeenten tot nu toe hebben besteed in het kader van het Programma Aardgasvrije Wijken? Zo niet, kan de minister dat inventariseren?

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel. Ik schors voor tien minuten. Dan gaan we luisteren naar de minister.

De vergadering wordt van 18.51 uur tot 19.05 uur geschorst.

De voorzitter:
We gaan vrolijk verder. Ik geef het woord aan de minister.

Minister Ollongren:
Dank u wel, voorzitter. Ik loop de sprekers en de moties langs en eindig met de vragen van de heer Jansen van Forum.

De voorzitter:
Voordat u daaraan begint — sorry dat ik u in de rede val — maar dat commissiedebat duurde al vijf-zes uur. Daar zijn heel veel punten gemaakt en die gaan we allemaal niet herhalen. We gaan gewoon even kort en puntig door de moties en dan staat u voor halfacht buiten. Het woord is aan de minister.

Minister Ollongren:
Voor een heel groot deel zijn het nog dezelfde woordvoerders, voorzitter, dus ik sluit mij volledig bij uw woorden aan.

De motie-Kops op stuk nr. 691 is de enige motie waar ik iets langer over spreek, maar ook niet te lang. We hebben in het Klimaatakkoord een afspraak gemaakt en gezegd dat de gemeenten de bevoegdheid krijgen om de levering van aardgas te beëindigen. Het is nooit de bedoeling geweest om van het aardgasvrij wonen een verplichting te maken. Belangrijk is wel dat we toewerken naar aardgasvrij wonen. Eigenlijk is die bevoegdheid bedoeld als een sluitstuk in een heel zorgvuldig proces. Het is ook de bedoeling om dat in wetgeving vast te leggen, maar nogmaals: als sluitstuk en nooit als inzet. Om die reden ontraad ik wel de motie.

De motie-Kops op stuk nr. 692 wil dat we stoppen met het programma. Dat was het kabinet niet van plan. Die motie ontraad ik.

De motie-Kops op stuk nr. 693 stelt voor om de afschaffing van de gasaansluitplicht terug te draaien bij de nieuwbouw. Dat is een verplichting die we hebben gedaan op initiatief van de Kamer; breed gesteund in deze Kamer. Ook dat wilden we graag zo houden, dus ik ontraad de motie.

Dan de motie op stuk nr. 694 van de heer Koerhuis over de dwangsommen. Allereerst hebben gemeenten geen bevoegdheid om die levering te beëindigen. Als die bevoegdheid er zou zijn, via een pilot of mogelijk via een Crisis- en herstelwetachtige constructie, dan is er geen gemeente die voornemens is om dat te gaan doen. Om die reden vind ik de motie niet aan de orde en ontraad ik deze.

Dan de motie op stuk nr. 695 over de maximumprijs voor het fysieke energielabel. Het is dat mevrouw Beckerman er ook onder staat, want anders was ik toch heel erg verrast geweest dat dit uit de meest liberale partij van ons parlement komt. Maar met de SP eronder wordt het iets begrijpelijker. Nou ja, wij vinden allemaal, de heer Koerhuis en ik ook, dat het energielabel betaalbaar moet blijven. Ik ben mij er ook echt van bewust dat die prijzen nu hoger liggen dan we eigenlijk zouden willen. Maar voor het goed functioneren van de markt — en daar hoop ik de heer Koerhuis weer mee aan te spreken — en het bevorderen van concurrentie vind ik het echt onverstandig om een maximumprijs in te stellen, dus ik ontraad de motie.

De voorzitter:
Heel kort, meneer Koerhuis; gewoon twee zinnetjes of zo.

De heer Koerhuis (VVD):
Ik krijg toch een persoonlijk feit toegeworpen van de minister, of hoe noemen we dat in de Kamer. Ik waarschuw al bijna twee jaar voor de monopoliepositie waarin de minister die energie-experts brengt. Als liberaal econoom zeg ik: als wij een bepaalde sector een monopoliepositie geven, dan is het heel logisch om zoiets te doen als een maximumprijs invoeren. Vanuit die optiek wil ik toch nog even het persoonlijke feit terugbrengen.

De voorzitter:
Heel goed.

Minister Ollongren:
Het was wel bedoeld als compliment, van een andere liberale partij aan de zuster-liberale partij. Het was ook bedoeld om de heer Koerhuis een klein beetje te prikkelen met de marktwerking. Maar ik begrijp dat we het niet helemaal eens worden op dit punt en dan blijf ik toch bij ontraden.

De motie op stuk nr. 696 van de heer Koerhuis gaat over het nieuwe model en het taxatierapport. We hebben hier te maken met richtsnoeren van de Europese Bankenautoriteit. Dit kan niet. Wat wel kan, is ruimte creëren voor een hybride taxatierapport. Banken, modelleveranciers en taxateurs zijn ook in gesprek over de inrichting van dat hybride taxatierapport. Dat zou ook goedkoper zijn dan een volledig fysieke taxatie. Ik heb contact met die partijen en ik benadruk dat het een kwalitatief goed product moet zijn, tegen lage kosten. Op die manier ben ik bezig. Ik kan niet precies doen wat in de motie staat, dus die moet ik helaas ontraden, maar ik ben wel bezig met die hybride variant.

De voorzitter:
Meneer Koerhuis, kort, puntig.

De heer Koerhuis (VVD):
Mijn vraag aan de minister is: wat bedoelt zij met "hybride"? Ik vind dat een moeilijk woord. Betekent dat dat taxatierapporten voor kleine aanpassingen gewoon digitaal kunnen, om bijvoorbeeld de verduurzaming niet af te remmen?

Minister Ollongren:
De heer Koerhuis overvraagt me op de details, want ik weet niet of het voor kleine aanpassingen dan volledig digitaal kan zijn. "Hybride" betekent in ieder geval dat het deels digitaal kan en misschien ook wel voor kleine aanpassingen helemaal digitaal. In het geheel betekent het: zowel fysiek als zo veel mogelijk digitaal.

De voorzitter:
De volgende motie.

Minister Ollongren:
De motie op stuk nr. 697 van de heer Eerdmans verzoekt de regering de Klimaatwet in te trekken en het Klimaatakkoord op te zeggen. Wij hechten heel erg aan het Klimaatakkoord en de Klimaatwet, dus ik ontraad deze motie.

Bij de motie op stuk nr. 698 van de heer Eerdmans verwijs ik naar mijn argumentatie bij de motie op stuk nr. 691 van de heer Kops. Ik ontraad deze motie.

De motie op stuk nr. 699 van de heer Grinwis van de ChristenUnie c.s. gaat over het Nationaal Isolatieprogramma. Ik wil deze motie graag oordeel Kamer geven, want zij ziet vooral op evaluatie en dus op leren van het verleden. Er lopen ook wat evaluaties. Ik wil dat allemaal bij elkaar trekken en de Kamer daarover informeren. Ik geef deze motie dus oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 700 van de heer Grinwis c.s. gaat over het Nationaal Isolatieprogramma en een beroep op de RRF. Daar was ook een vraag over van mevrouw Bromet van GroenLinks. Daar hebben we in meerdere overleggen over gesproken. We hebben inderdaad nu geen middelen beschikbaar voor een groot isolatieprogramma. Ik ben me ervan bewust dat de Europese middelen ook voor duurzaamheid bestemd zijn, maar vanwege de verkiezingen en de formatie lag het niet voor de hand om voor de eerste tranche al aan de slag te gaan, natuurlijk ook omdat dat gekoppeld is aan het indienen van plannen voor hervormingen. Maar ik kan me heel goed voorstellen dat, als we mee gaan doen voor de volgende tranche van het Europese fonds, van de RRF, dit daar een onderdeel van kan uitmaken. Om die reden zou ik de indiener en de mede-indieners willen voorstellen om deze motie aan te houden.

De voorzitter:
Ik kijk even naar de heer Grinwis, de eerste indiener. Er is koortsachtig overleg, zie ik. Niet dus. De spanning wordt tot het maximum opgevoerd. Nederland houdt de adem in. Maar daar is de heer Grinwis met het verlossende woord.

De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ja, ja, voorzitter. Ik heb nog eens even goed rondgekeken naar de mede-indieners. Ik houd deze motie aan, maar dat aanhouden moet er dan niet toe leiden dat dit kabinet of het volgende kabinet denkt: nou, dat gaan we dus voorlopig niet doen. Ik doe dit dus, maar ik spoor deze minister of haar opvolger wel aan om daarmee serieus aan de slag te gaan.

Minister Ollongren:
Ja. Dat wordt zeer gewaardeerd. Dat spreken we af.

De voorzitter:
Op verzoek van de heer Grinwis stel ik voor zijn motie (32813, nr. 700) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Minister Ollongren:
De motie-Boulakjar/Grinwis op stuk nr. 701 vraagt om de pilot die in Amersfoort wordt gehouden, goed te bezien. Dat betreft eigenlijk een beetje een andere vorm van een gebouwgebonden financiering. Ik stel voor om deze motie over te nemen, als de indiener dat goed vindt. Die pilot is immers gaande. Ik wil er ook graag heel goed naar kijken. Overigens duurt het wel tot het einde van het jaar voordat we de uitkomsten daarvan hebben, maar ik ben zeer bereid om die gewoon over te nemen.

De voorzitter:
Ja, dan moeten we toch een oordeel hebben. Als de motie wordt overgenomen, dan is ze eigenlijk overbodig.

Minister Ollongren:
Als de indiener ermee instemt, dan is dat toch ideaal, want dan heb je meteen wat je wilt.

De voorzitter:
Het is helemaal uw dag, meneer Boulakjar.

De heer Boulakjar (D66):
Ja, voorzitter. Dank u wel. Ik ken het woord "overnemen" uit de lokale politiek. Dan wordt de motie door het college omarmd.

De voorzitter:
Dat is hier exact hetzelfde.

De heer Boulakjar (D66):
In de Kamer hoor je dan "oordeel Kamer". Het is hier dus exact hetzelfde? De motie wordt hiermee in uitvoering gebracht en is dan overbodig? Tenminste, overbodig … Zij wordt niet in stemming gebracht?

De voorzitter:
Nou, dat is aan u. Vooralsnog is zij nog steeds gewoon ingediend. De minister heeft gezegd dat zij overbodig is, dus u zou haar kunnen intrekken.

De heer Boulakjar (D66):
Voor het beeld wil ik de motie in stand houden en in stemming brengen. Is dat handig?

De voorzitter:
Ja, dat kan, maar dan kijk ik weer naar de minister.

Minister Ollongren:
Dat komt natuurlijk omdat u dat akelige woord "overbodig" gebruikt. Dat klinkt zo negatief.

De voorzitter:
"Overbodig" is niet een negatieve kwalificatie.

De heer Boulakjar (D66):
Een ander woord voor "overbodig", voorzitter?

De voorzitter:
"Overgenomen". Laten we dat vasthouden.

De heer Boulakjar (D66):
Dan laten we het bij "overgenomen". Dank u wel.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 701 is overgenomen.

Minister Ollongren:
Dank. Heel goed. De motie is overgenomen, "omarmd", om het positief te zeggen.

De motie op stuk nr. 702 van de heer Boulakjar verzoekt eigenlijk om een peilstok in deze vraag te steken. Dat lijkt mij een goed idee. Ik zal u daarover nader informeren. Ik laat het oordeel over de motie graag aan de Kamer.

De motie op stuk nr. 703 van mevrouw Beckerman en de heer Grinwis loopt wat vooruit op dat Nationaal Isolatieprogramma. Die maakt daar eigenlijk een keuze in door eerst uit te spreken dat die gericht moet zijn op lage en middeninkomens, wat ik me overigens goed kan voorstellen. Maar omdat we nog volop bezig zijn en ook weten dat er nog financiële middelen moeten komen voor zo'n Nationaal Isolatieprogramma, ligt het voor de hand dat het volgend kabinet dat oppakt. Dan zou ik zeggen: houd deze motie aan tot dat moment.

Mevrouw Beckerman (SP):
Dat ben ik in dit geval niet van plan, want dat "spreekt uit" geeft gewoon een richting. Dat is ook helemaal niet aan het kabinet. Het is gewoon aan de Kamer om te zeggen: dit is de richting waar we als Kamer naartoe willen. Als Kamer, die niet demissionair is en die niet aan het onderhandelen is, kunnen we dat gewoon uitspreken. En dan ligt dat maar klaar. Dus nee, ik zou deze motie niet willen aanhouden.

Minister Ollongren:
Ik had wel gezien dat er "spreekt uit" staat, maar mijn punt is dat er ook een verzoek aan de regering aan gekoppeld is. Maar als mevrouw Beckerman zegt dat het eigenlijk aan de volgende regering gericht is, dan heb ik er inderdaad verder geen oordeel over.

Mevrouw Beckerman (SP):
Nee, zo kunt u het inderdaad lezen.

Minister Ollongren:
Prima. Dan beschouw ik het als een spreekt-uitmotie en dan heb ik er geen oordeel over.

Dan de motie op stuk nr. 704 van mevrouw Beckerman. Ik wil even kort een toelichting geven op hoe dit nu gaat. We hebben vaak gesproken over die bewonerstevredenheid. Wij vinden dat belangrijk, dat onderzoek wordt nu uitgevoerd en in de zomer hebben we dat bewonerstevredenheidsonderzoek af. Dan kunnen we terugblikkend dus zeggen hoe dat gaat en wat je ervan kunt leren. Dat wil ik alleen maar intensiveren en dan wil ik ook meer doen. Wat ik alleen niet zou willen, is dat de openstelling uitgesteld wordt in afwachting van het bewonerstevredenheidsonderzoek. De openstelling zou ik gewoon zo snel mogelijk willen doen. We mikken nu op 1 juni. We kunnen gaandeweg echt wel flexibel genoeg zijn om ervoor te zorgen dat we de eventuele lessen die we uit het bewonerstevredenheidsonderzoek van de eerste tranche leren, kunnen betrekken bij die derde tranche. Dus ik zou zeggen: houd de boel nou niet op en laten we gewoon doorgaan met die derde ronde. Laten we die zo goed mogelijk alvast openstellen. In november volgen daar pas de keuzes in. Ik heb het idee dat deze motie wel leidt tot uitstel. Dus daarom ontraad ik haar, kort gezegd.

De motie op stuk nr. 705 is van de heer Nijboer. Hij wil dat er nog beter wordt gecommuniceerd, zodat mensen beter weten wat voor keuzes ze moeten maken. Ik heb al eerder tegen hem gezegd dat ik met hem van mening ben dat er duidelijk moet worden gecommuniceerd. Dat moet inderdaad op die logische, natuurlijke momenten gebeuren. Er is informatie beschikbaar. Er zijn allerlei websites — www.verbeterjehuis.nl en andere websites — er is een landelijke campagne en er zijn energieloketten bij de gemeenten. Maar ik wil dat graag intensiveren en ook wat beter coördineren om te zorgen dat er nog beter met de mensen wordt gecommuniceerd. Om die reden laat ik het oordeel over de motie graag aan de Kamer.

Ik heb even ruggespraak gehouden met de collega van LNV over de motie op stuk nr. 706. De collega van LNV werkt aan een brief hierover. Ik zou de indieners willen suggereren om even te wachten op de brief van collega Schouten voordat zij deze motie definitief indienen. Dus ik verzoek hen eigenlijk om de motie aan te houden.

Mevrouw Van Esch (PvdD):
Ik zou wel graag willen weten wanneer die brief komt. Het onderzoek had eigenlijk al in het vierde kwartaal van 2020 af moeten zijn. We zijn nu een halfjaar verder en het onderzoek is er nog niet. Er begint bij ons dus wel wat ongeduld te komen, en dat ongeduld groeit ook. Ik wil de motie eigenlijk alleen aanhouden als ik zeker weet dat we echt binnen zeer afzienbare tijd die brief daarover kunnen verwachten.

Minister Ollongren:
Ik heb alleen meegekregen "binnenkort". Dat lijkt mij binnen zeer afzienbare tijd. Ik zal de urgentie overbrengen aan de collega.

Mevrouw Van Esch (PvdD):
Oké. Dan houd ik de motie voorlopig even aan.

De voorzitter:
Op verzoek van mevrouw Van Esch stel ik voor haar motie (32813, nr. 706) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Minister Ollongren:
Dank u wel. Dan ben ik bij motie op stuk nr. 707, ook van mevrouw Van Esch. Daar ligt een Europese afspraak achter, de Renewable Energy Directive. Daar kunnen we niet zomaar van afwijken en om die reden moet ik de motie ontraden.

De motie op stuk nr. 708 van mevrouw Mulder gaat over het aardgasvrij-ready maken van de gebouwde omgeving via de contingentenaanpak. Ik wil daar meteen de motie op stuk nr. 709 van de heer Bisschop bij betrekken, want — hij zei het zelf al — die ziet eigenlijk op hetzelfde punt. Ik denk dat de contingentenaanpak de stap naar aardgasvrij-ready inderdaad dichterbij kan brengen. Dat wordt ook onderzocht. Ik zie de moties dus eigenlijk als een ondersteuning daarbij en ik geef het oordeel graag aan de Kamer. Dat geldt dus voor de beide moties, die op stuk nr. 708 en die op stuk nr. 709.

Voorzitter. Tot slot de vragen van de heer Jansen van Forum. We hebben inderdaad in een ander overleg uitvoerig gesproken over die middelen en de besteding van die middelen. Hij komt nu terug op de wijze waarop ze beschikbaar zijn gesteld. Het klopt dat dit in de eerste ronde via een decentralisatie-uitkering ging, dus via het Gemeentefonds. Hoewel dat geld in theorie aan andere dingen uitgegeven had kunnen worden, hebben de gemeenten het uitgegeven aan dit doel. De route liep inderdaad via de decentralisatie-uitkering. De tweede ronde en de voorgenomen derde ronde lopen via een specifieke uitkering, mede naar aanleiding van kritiek van de Rekenkamer. Over het algemeen houdt de Rekenkamer juist niet zo van die specifieke uitkeringen, maar voor dit doel werd dat toch als een betere route beschouwd. We vragen het allemaal na. De uiteindelijke controleur van of deze middelen goed besteed zijn, zijn eigenlijk de gemeenteraden. Hier wordt besloten over het totaalbudget, dat wordt vervolgens toegekend aan gemeenten en daar ligt de controle op het goed besteden van die middelen.

Dan de vraag over de totale kosten. Natuurlijk, bij een gering aantal woningen zijn het hoge kosten per woning. Maar als we straks voor die 270 miljoen de 50.000 woningen hebben bereikt, dan hebben we het over iets boven de €5.000 per woning en dat is dus het streven.

Voorzitter. Ik hoop dat ik hiermee ook de vragen van de heer Jansen naar tevredenheid heb beantwoord.

De voorzitter:
Zeker. O, ik wil toch nog even de heer Jansen aan het woord laten. Kort en puntig, hè.

De heer Jansen (FVD):
Ik heb een aantal hele specifieke vragen gesteld en die zijn niet beantwoord. Maar misschien kan de minister dat schriftelijk doen. Ik kan ze haar ook schriftelijk doen toekomen, als dat helpt.

Minister Ollongren:
Ik hoopte dat ik op hoofdlijnen alle vragen had beantwoord. Als dat niet het geval is, ben ik natuurlijk bereid om er schriftelijk nog op terug te komen. Ik ga even terugkijken wat u nog meer wilde weten en dat probeer ik nog schriftelijk te beantwoorden.

De voorzitter:
Heel goed. De heer Kops nog.

De heer Kops (PVV):
Nog even over de motie op stuk nr. 701 van de heren Boulakjar en Grinwis. Wij willen graag over die motie stemmen.

De voorzitter:
Prima. Zo werkt het: als er bezwaar bestaat tegen het overnemen, dan gaan we er gewoon over stemmen.

Tot zover. Ik dank u allen, niet in de laatste plaats de minister, voor het feit dat u allemaal zo beknopt en puntig bent geweest.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
Dinsdag stemmen we over de moties. Een hartelijk woord van dank aan de minister voor haar aanwezigheid en haar commentaar van vandaag.

Ik pauzeer tot 20.05 uur en dan hebben we wellicht nog een ander debat.

De vergadering wordt van 19.22 uur tot 20.09 uur geschorst.

Raad Buitenlandse Zaken

Raad Buitenlandse Zaken

Aan de orde is het tweeminutendebat Raad Buitenlandse Zaken (CD d.d. 20/5).

De voorzitter:
We gaan vrolijk verder. Ik heb met veel belangstelling uw debat in dat kleine zaaltje mogen volgen. Ik begrijp dat de heer Wilders weer veel te makkelijk was en u veel te lang heeft laten praten. Vanaf nu gaan we het dus wat korter en puntiger doen. Ik begrijp dat het conflict in het Midden-Oosten dankzij u bijna is opgelost, maar het duurt nog eventjes. Dit is een tweeminutendebat en meer tijd gaan we er echt niet aan besteden. Ik wil er echt met de turbo doorheen. De heer Kuzu lijkt zeker aanstalten te maken om te gaan spreken, dus laat ik hem maar snel het woord geven. Het woord is aan de hem.

De heer Kuzu (DENK):
Voorzitter, dank u wel. Ik heb achttien moties. Nee hoor, het zijn er drie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er in het Belgische regeerakkoord staat: "De regering zal op multilateraal en EU-vlak (…) werken aan een lijst van effectieve en proportionele tegenmaatregelen in geval van een Israëlische annexatie van Palestijns gebied en aan de mogelijke en tijdige erkenning van de Palestijnse staat.";

overwegende dat België heeft aangegeven dat wanneer de Europese aanpak geen resultaat oplevert, er met gelijkgezinde landen op zoek gegaan zal worden naar maatregelen;

verzoekt de regering, indien er een Belgisch initiatief komt voor maatregelen tegen Israël, onze dappere zuiderburen te steunen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kuzu en Jasper van Dijk.

Zij krijgt nr. 2336 (21501-02).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat Israël niet alleen militaire maar ook civiele doelen probeert te vernietigen, waaronder woonhuizen en wegen;

overwegende dat dit de wederopbouw van Gaza sterk zal bemoeilijken;

verzoekt de regering om er bij Israël op aan te dringen om het bestoken van civiele doelen onmiddellijk te staken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kuzu en Teunissen.

Zij krijgt nr. 2337 (21501-02).

De heer Kuzu (DENK):
Voorzitter, dan alweer de laatste motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat Israël het internationaal recht schendt, zoals blijkt uit VN-resolutie 2334;

overwegende dat Israël zich schuldig maakt aan apartheid en mensenrechtenschendingen, zoals blijkt uit de onderzoeken van de organisaties Oxfam Novib, War Child, Human Rights Watch en Amnesty International;

verzoekt de regering een verkennend onderzoek bij het Internationaal Strafhof te bepleiten om de heer Netanyahu te vervolgen voor oorlogsmisdaden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kuzu.

Zij krijgt nr. 2338 (21501-02).

Dank u wel, ook voor uw beknoptheid. Dan is het woord aan de heer Brekelmans van de fractie van de VVD.

De heer Brekelmans (VVD):
Dank, voorzitter. Ik dank ook de minister voor de antwoorden die hij heeft gegeven ten aanzien van het thema Israël en de Palestijnse gebieden. Hij heeft duidelijk uiteengezet wat de inzet van Nederland daarbij is, en dat we doen wat we kunnen om zo snel mogelijk tot een staakt-het-vuren te komen, partijen aan tafel te krijgen en vervolgens te werken aan een structurele oplossing.

We hebben ook gesproken over andere thema's, onder andere de relatie tussen de EU en Afrika. Daarover gaat de motie die ik zou willen indienen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de toenemende dreiging van terrorisme een groot probleem is in diverse Afrikaanse landen;

overwegende dat deze terroristische dreiging ook een risico vormt voor de Europese veiligheid;

constaterende dat Nederland veiligheid en terrorisme niet als prioriteit heeft benoemd voor de zesde EU-Afrikatop;

verzoekt de regering er binnen de EU op aan te dringen dat ook veiligheid en terrorisme een belangrijk agendapunt wordt voor de zesde EU-Afrikatop, en dat dit ook gekoppeld wordt aan de afspraken rond migratie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Brekelmans.

Zij krijgt nr. 2339 (21501-02).

De voorzitter:
Dank u wel. Dan de heer Amhaouch van de fractie van het CDA.

De heer Amhaouch (CDA):
Voorzitter. Dank aan de minister voor de beantwoording van de vragen in het commissiedebat. Ook dank voor zijn inzet om de Armeense krijgsgevangenen zo snel mogelijk vrij te krijgen, wat ook heel belangrijk is. Er was al progressie, maar we willen graag dat ze allemaal vrijkomen.

Dan het debat over Israël en Palestina, waarbij we natuurlijk al twee dagen stilstaan. Ik heb ook waardering voor het kabinet en de minister voor de korte lijnen en het feit dat Nederland betrokken blijft bij de mensen in de regio, maar ook bij de regeringsleiders in de regio, die direct betrokken zijn bij het conflict. Ik denk dat het heel belangrijk is dat de telefoon gepakt kan worden en dat de minister de inzet heeft toegezegd om Europa een platform te laten zijn voor de structurele oplossing en om daar werk van te maken zodra het staakt-het-vuren is opgelost.

Voorzitter. Ik wil benadrukken dat het CDA staat voor de internationale rechtsorde en mensenrechten. Daarbij hoort het naleven daarvan door alle landen en partijen, met niemand uitgezonderd. Dat willen we onderstrepen met de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat de willekeurige raketaanvallen door Hamas en andere terroristische groeperingen op Israëlisch grondgebied ten zeerste veroordeeld moeten worden;

overwegende dat de toename van geweld geleid heeft tot burgerslachtoffers en gewonden, onder wie kinderen en vrouwen;

overwegende dat Israël het recht heeft zichzelf te verdedigen op een proportionele manier en met inachtneming van het internationaal humanitair recht;

overwegende dat ingezet moet worden op een staakt-het-vuren en de-escalatie;

verzoekt de regering te pleiten voor een onafhankelijk internationaal (VN-) onderzoek naar schendingen van het humanitair oorlogsrecht in de strijd tussen Hamas en Israël,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Amhaouch.

Zij krijgt nr. 2340 (21502-02).

De voorzitter:
Een vraag nog van de heer Van Dijk. Kort en puntig.

De heer Jasper van Dijk (SP):
Dit is toch precies wat de minister heeft toegezegd in het debat. Wat voegt deze motie nou toe?

De heer Amhaouch (CDA):
Wat is de vraag van de heer Van Dijk? Wij onderstrepen nogmaals wat we ook in de commissievergadering hebben gezegd. Wij willen de minister meegeven dat hij de steun heeft van hopelijk de meerderheid van de Kamer als er een onderzoek komt, of dat nou naar de Verenigde Naties gaat of naar een andere onderzoeksinstantie.

De voorzitter:
Prima. Dank u wel.

De heer Amhaouch (CDA):
Ik hoop dat de heer Van Dijk ook meedoet, want ik denk dat hij zou moeten staan te popelen om mee te mogen doen.

De voorzitter:
Ik weet het niet, ik weet het niet. Maar dat gaan we zien! De heer De Roon van de fractie van de Partij voor de Vrijheid.

De heer De Roon (PVV):
Voorzitter. De Kamer heeft vanmiddag met brede steun een motie aangenomen waarin — ik vat het even zakelijk samen — wordt gezegd dat het antisemitisme ook over de grenzen heen moet worden aangepakt. Ik ben natuurlijk hartstikke blij met deze motie en de minister heeft ook wel laten blijken dat hij voor dat idee veel voelt. Ik dacht dus: ik geef hem vanavond meteen de kans om dat waar te maken. Ik heb hem dus gevraagd om antisemitische uitspraken van president Erdogan te veroordelen. Het zijn er vele, maar ik heb er één in het bijzonder genoemd, namelijk zijn recente uitspraak dat de Israëliërs tevreden zijn als zij het bloed van Palestijnse kinderen kunnen drinken. En wat krijg ik dan als antwoord van de minister? Hij zegt: nou, die uitspraak laat ik voor rekening van Erdogan. Dat getuigt er in ieder geval niet van dat de minister met de uitspraak van Erdogan instemt, maar een veroordeling was het natuurlijk ook niet! En het zou natuurlijk wel goed zijn als de minister waarmaakt wat er in onze motie wordt gevraagd, namelijk antisemitisme over de grenzen heen gewoon duidelijk aan de kaak stellen en veroordelen.

Ik begrijp waarom de minister vanavond tegen ons zei: het is soms beter dat ik samen met mijn collega's een bepaalde uitspraak kan doen. Dus als de minister zegt "ik vind het wat lastig om dit nu in m'n eentje te doen", dan kan hij er natuurlijk ook samen met zijn collega's aan werken dat er een deugdelijke veroordeling van die uitspraak van Erdogan komt. Dus ik vraag de minister om een van deze twee zaken te doen, namelijk een veroordeling van die uitspraak door de minister alleen dan wel een veroordeling samen met zijn collega's. Als de minister zegt "dat wil ik niet doen", dan hoor ik natuurlijk graag waarom hij dat niet wil doen.

Dank u wel.

De voorzitter:
Helder. Dan de heer van der Staaij van de Staatkundig Gereformeerde Partij.

De heer Van der Staaij (SGP):
Dank u, voorzitter. Ik wil me beperken tot één motietekst.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat grenzen met Gaza gesloten kunnen zijn om te voorkomen dat Hamas zich kan (her)bewapenen, maar dat dit ook humanitaire hulpverlening in de weg kan staan;

verzoekt de regering zich vanuit veiligheids- en humanitair oogpunt in Europees en internationaal verband in te spannen voor het voorkomen van wapentransporten naar Hamas en andere terreurorganisaties in de Palestijnse gebieden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Staaij.

Zij krijgt nr. 2341 (21502-02).

Dank u wel. Dan de heer Segers van de ChristenUnie.

De heer Segers (ChristenUnie):
Ik dank de minister voor de gegeven antwoorden, ook in het overleg. Dat was breed en het was over het algemeen helder. Ik heb één motie en die ziet op de situatie met betrekking tot Armenië en Azerbeidzjan. De minister zei zich toch het meeste thuis te voelen bij de inzet van de Europese Unie. Die zegt: we moeten kijken naar beide zijden en roepen beide partijen op om het geweld te staken. Dat doet wat mij betreft geen recht aan de situatie en ook niet aan de situatie waarin de Armeense krijgsgevangenen zijn. Armeens grondgebied wordt nu bezet door Azerbeidzjan. Vandaar de volgende motie, die de minister aanspoort om samen met Macron stelling te nemen hierin.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat Azerbeidzjan met troepen Armeens grondgebied is binnengedrongen;

overwegende dat een nieuwe escalatie van het conflict voorkomen dient te worden;

verzoekt het kabinet de Raad ertoe te bewegen zich aan te sluiten bij de oproep van de Franse president Macron aan Azerbeidzjan om de troepen onmiddellijk terug te trekken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Segers en Van der Staaij.

Zij krijgt nr. 2342 (21501-02).

Dank u. Dan gaan wij luisteren naar de heer Jasper van Dijk van de fractie van de SP.

De heer Jasper van Dijk (SP):
Voorzitter. Ik heb twee moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in Palestina en Israël grof geweld wordt ingezet waarbij, volgens allerlei mensenrechtenorganisaties, door alle partijen oorlogsmisdaden worden begaan;

overwegende dat het kabinet voorstander is van onafhankelijk onderzoek hiernaar;

van mening dat straffeloosheid nooit mag volgen op het begaan van oorlogsmisdaden;

verzoekt de regering zich ervoor in te zetten dat alle verantwoordelijken voor het plegen van oorlogsmisdaden worden bestraft,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Jasper van Dijk.

Zij krijgt nr. 2343 (21501-02).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat door het huidige oorlogsgeweld de humanitaire crisis in Gaza nog verder verslechtert;

verzoekt de regering zich extra in te spannen, ook financieel, om de humanitaire crisis in Gaza te bestrijden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Jasper van Dijk.

Zij krijgt nr. 2344 (21501-02).

Dank u wel. De heer Van Dijk was de laatste spreker van de zijde van de Kamer. Ik vroeg me af of de minister veel tijd nodig heeft om naar de moties te kijken. Ik begrijp dat hij de moties ook echt wil lezen. Zal ik dan even voor een paar minuutjes schorsen?

Ik geef nog even het woord aan mevrouw Teunissen van de Partij voor de Dieren.

Mevrouw Teunissen (PvdD):
Voorzitter. Ik begrijp niet aangemeld te zijn, terwijl ik dacht wel aangemeld te zijn. Excuus daarvoor.

De Partij voor de Dieren staat voor de internationale rechtsorde. Daar hoort ook bij dat de legitimiteit van het onderzoek dat het Internationaal Strafhof heeft aangekondigd naar oorlogsmisdaden in de Palestijnse gebieden uitdrukkelijk wordt erkend. Daarom heb ik de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het Internationaal Strafhof in Den Haag heeft aangekondigd, onafhankelijk en onpartijdig onderzoek te gaan doen naar oorlogsmisdaden in de Palestijnse gebieden door de Israëlische autoriteiten én Hamas;

constaterende dat onder andere de Verenigde Staten, Canada, Duitsland en Hongarije de legitimiteit van dat onderzoek in twijfel trekken;

overwegende dat de versterking van de internationale rechtsorde een van de pilaren van het Nederlands buitenlandbeleid is;

overwegende dat Nederland als gastland van het Internationaal Strafhof een bijzondere positie heeft;

verzoekt de regering namens Nederland steun uit te spreken voor het onafhankelijk onderzoek van het Internationaal Strafhof naar oorlogsmisdaden in de Palestijnse gebieden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Teunissen en Kuzu.

Zij krijgt nr. 2345 (21501-02).

Dank u wel, mevrouw Teunissen. Een korte vraag nog van de heer Van der Lee. Eén vraag.

De heer Van der Lee (GroenLinks):
Ja, één vraag. Ik vind het wel ingewikkeld. Ook in Nederland zijn er heel veel rechtszaken en er zijn ook partijen die die rechtszaken niet willen en niet steunen. Wij kunnen toch niet van de Nederlandse overheid vragen om bij iedere rechtszaak aan te geven of zij die wel of niet steunt? De minister heeft klip-en-klaar aangegeven dat Nederland pal staat voor het werk van het Internationaal Strafhof, ook in deze stad. Wij zijn als Nederland trots op deze traditie. Ik zou mevrouw Teunissen dus toch in overweging willen geven om niet deze stap te zetten, want dan betreed je een hellend vlak waar ik niet op zou willen.

De voorzitter:
Helder.

Mevrouw Teunissen (PvdD):
Het gaat om de erkenning van de legitimiteit van het Internationaal Strafhof. Dat is nu belangrijk omdat, zoals ik al zei, onder andere de Verenigde Staten, Canada, Duitsland en Hongarije die legitimiteit in twijfel hebben getrokken. In dit specifieke geval lijkt het me terecht. Ik wil helemaal niet op het vlak gaan zitten van invloed op de rechtspraak. Daar gaat het hier niet om. Het gaat erom dat we de legitimiteit van dit onderzoek erkennen.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan was dit nogmaals het eind van de termijn van de Kamer. Als het goed is, heeft de minister inmiddels alle moties ontvangen, behalve de motie van de Partij voor de Dieren, die zojuist is ingediend. Het woord is aan de minister.

Minister Blok:
Dank u wel, voorzitter. De eerste motie van de heer Kuzu, op stuk nr. 2336, verzoekt de regering "indien er een Belgisch initiatief komt aan maatregelen tegen Israël, onze dappere zuiderburen te steunen". Die moet ik ontraden, want ik moet eerst het Belgische initiatief kunnen zien om te kunnen beoordelen wat ik ermee ga doen.

De heer Sjoerdsma (D66):
Ik ben het er ongetwijfeld mee eens, maar wij als Kamerleden kunnen dat niet beoordelen. Wij hebben geen van de moties. Ik heb best een goed geheugen, vind ik van mezelf, maar ik heb niet alle moties kunnen onthouden en ook niet de strekking van de moties. Misschien is het ouderwets, maar ik hecht toch ook een klein beetje aan het oordeel van de minister. Dat kan ik niet onthouden als ik de motie niet heb.

De voorzitter:
Nee. Ja, het duurt even voordat die uit de kopieerapparaten rollen. Daar komen ze al. Is dat snel, meneer Sjoerdsma, of is dat niet snel? Dat regelen we altijd voor u.

Alleen de backbenchers hebben de moties nog niet. Daar is meneer Kuzu al.

De heer Kuzu (DENK):
In de tussentijd moeten we natuurlijk elkaar een beetje zoet houden. Ik heb een vraag voor de minister. Hij belt natuurlijk met het hele Midden-Oosten op dit moment, van Egypte tot Jordanië, en heeft contacten met heel veel ministers van Buitenlandse Zaken. Dan hebben we ook onze zuiderburen. De minister heeft nu al aangegeven dat hij deze motie ontraadt. Ik zou hem willen vragen om in contact te treden met de zuiderburen om vervolgens, daarna, een appreciatie te geven, in plaats van de motie nu direct stellig te ontraden.

De voorzitter:
Prima, dank u wel.

Minister Blok:
De heer Kuzu heeft een motie ingediend, die iedereen nu voor zich heeft. Die verzoekt de regering "indien er een Belgisch initiatief komt aan maatregelen tegen Israël, onze dappere zuiderburen te steunen". Hij vraagt mij dus om, ongeacht wat de inhoud is, die maatregel te steunen. Dat kan hij toch nooit van een minister verwachten? Ik ontraad die motie dus. Mijn gewaardeerde Belgische collega Sophie Wilmès heb ik deze week twee dagen gezien. Ik heb zelfs naast haar gezeten. Dat doe ik altijd graag. Ze is er niet over begonnen. Ik hoop dat ik volgende week, als ik haar weer tref, weer naast haar mag zitten.

De voorzitter:
De motie op stuk nr. 2337.

Minister Blok:
Die is ook van de heer Kuzu en verzoekt de regering om er bij Israël op aan te dringen het bestoken van civiele doelen onmiddellijk te staken. Daar zitten heel veel aannames achter. Zij is alleen gericht op Israël. Raketten van Hamas volstrekt ongericht op civiele doelen. De Hamasactiveitenschuilplaatsen zitten verscholen tussen burgerhuizen en scholen. Het is een zeer eenzijdige motie en die moet ik ontraden.

De derde motie van de heer Kuzu, de motie op stuk nr. 2338, verzoekt de regering om een verkennend onderzoek bij het Internationaal Strafhof te bepleiten om de heer Netanyahu te vervolgen voor oorlogsmisdaden. Ik heb een uitgebreid betoog gehouden over het belang van het onafhankelijke onderzoek van het Internationaal Strafhof dat al plaatsvindt. Het zou volstrekt onlogisch zijn als Nederland zich daar nu op deze manier in zou gaan mengen, dus ook deze moet ik ontraden.

Dan een motie van de heer Brekelmans. Die verzoekt de regering erop aan te dringen binnen de EU dat ook veiligheid en terrorisme belangrijke agendapunten worden voor de zesde Afrikatop, ook gekoppeld aan afspraken rond migratie. Ik heb in het debat aangegeven dat dit logische onderwerpen zijn voor de Europese en Afrikaanse kant, dus het oordeel over deze motie laat ik graag aan de Kamer.

De heer Amhaouch heeft een motie ingediend die de regering verzoekt te pleiten voor onafhankelijk internationaal VN-onderzoek naar schendingen van humanitair oorlogsrecht in de strijd tussen Hamas en Israël. Ik meen uit het debat af te mogen leiden dat de heer Amhaouch daarmee doelt op mijn inzet in de Mensenrechtenraad, om daar een gebalanceerde resolutie voor zo'n onderzoek te steunen.

De voorzitter:
Eén vraag, meneer Sjoersma.

De heer Sjoerdsma (D66):
Eén vraag, voorzitter. Ik heb ook niet meer nodig, slechts bij de motie op stuk nr. 2339 van de heer Brekelmans. Op zich ben ik niet tegen het bespreken van veiligheid en terrorisme. Het enige dat ik niet zo goed snap, is de koppeling met de afspraken rondom migratie. Waar stemmen we voor als we daarvoor stemmen? Wat betekent dat, het koppelen van terrorisme en veiligheid aan afspraken rond migratie? Als het betekent dat we het op de agenda zetten, ben ik het er helemaal mee eens, maar anders heb wel enige duiding nodig.

Minister Blok:
De vraag lijkt mij — dan kijk ik naar de voorzitter — een vraag aan de indiener. Ik interpreteer niet. Ik kan vanuit mijn positie zeggen dat het beide onderwerpen zijn, zowel bestrijding van terrorisme als migratie, die logischerwijs op een Afrikatop thuishoren.

De voorzitter:
Maar als de heer Brekelmans nu antwoord gaat geven op die vraag, gaan we elkaar natuurlijk vragen stellen en dat is niet de bedoeling. U heeft een appreciatie gegeven van de motie. Dat moet eigenlijk wel voldoende zijn. Daar moeten we het bij laten, want anders gaan we elkaar vragen stellen en dat is niet de bedoeling. Ik waardeer het feite dat u opheldering wilt geven, meneer Brekelmans, maar dan had de vraag net moeten komen, toen uw motie werd ingediend.

De heer Sjoerdsma (D66):
Voorzitter. U wilt een kort debat, maar het wordt zo wel iets langer. Dit had opheldering kunnen geven, maar dan moet ik nu aan de minister vragen wat zijn appreciatie betekent.

De voorzitter:
Dat moet dan uw vraag zijn, ja. Want we zijn nu in debat met de minister.

Minister Blok:
Nogmaals, mijn appreciatie is dat de onderwerpen veiligheid en terrorisme logische zijn voor een EU-Afrikatop. Datzelfde geldt voor migratie.

Ik meen de heer Amhaouch beantwoord te hebben. Ik zie de motie als mijn inzet rond de resolutie in de Mensenrechtenraad en daarmee laat ik haar oordeel Kamer.

Dan de heer De Roon. Ik heb echt nadrukkelijk afstand genomen van de uitspraak van de heer Erdogan en daar heb ik ook verder niets aan toe te voegen.

De heer Van der Staaij verzoekt in zijn motie de regering om zich in te spannen voor het voorkómen van wapentransporten naar Hamas en andere terreurorganisaties. Hamas is inderdaad door de EU en anderen als terreurorganisatie aangemerkt, dus ik laat deze motie graag aan het oordeel van de Kamer.

De heer Segers verzoekt het kabinet de Raad ertoe te bewegen zich aan te sluiten bij de oproep van de Franse president Macron aan Azerbeidzjan om de troepen onmiddellijk terug te trekken. Ik herhaal mijn redenering tijdens het debat. Ik ben zeer gehecht aan de inzet via de EU én de OVSE met betrekking tot het conflict tussen Armenië en Azerbeidzjan, en wil de heer Macron of wie dan ook niet het recht ontzeggen om eigen uitspraken te doen. Maar als een individuele regeringsleider of minister een uitspraak doet terwijl er ook een EU-standpunt is, vind ik het echt niet behulpzaam om dan vervolgens ook weer die uitspraak zelf al of niet te gaan onderstrepen. Op die manier komen we in een heel ingewikkeld traject terecht. Er zijn 27 EU-leiders en 27 ministers van Buitenlandse Zaken. Om die praktische redenen ontraad ik deze motie.

In de motie van Jasper van Dijk op stuk nr. 2343 wordt de regering verzocht zich ervoor in te zetten dat alle verantwoordelijken voor het plegen van oorlogsmisdaden worden bestraft. Ik vind deze motie heel moeilijk te duiden. Er loopt een procedure bij het Internationaal Strafhof met deze inzet. Ik heb uit-en-ter-na mijn steun besproken voor het Internationaal Strafhof in zijn algemeenheid, en dus voor iedere procedure. In die zin is de motie dus overbodig. En als er een grotere lading achter zit, kan ik de motie niet goed beoordelen en moet ik haar ontraden.

De motie op stuk nr. 2344 is ook van de heer Van Dijk. Daarin wordt de regering verzocht zich extra in te spannen, ook financieel, om de humanitaire crisis in Gaza te bestrijden. Dit moet ik overleggen met de collega van BuHa-OS, omdat ik geen eigen budget heb voor humanitaire hulp. Dus hier zou ik schriftelijk op terug willen komen.

De voorzitter:
Voor dinsdag dan graag, minister, in verband met de stemmingen.

Minister Blok:
Ja.

De voorzitter:
De heer Van Dijk heeft nog één vraag.

De heer Jasper van Dijk (SP):
Ja. Die gaat nog even over de vorige motie, op stuk nr. 2343, over de oorlogsmisdaden. Daar hebben we het in het debat net over gehad. Ik zei daar: onafhankelijk onderzoek is hartstikke goed en daar steun ik de minister in. Maar ik zei ook: als uit dat onderzoek blijkt dat er oorlogsmisdaden zijn gepleegd, dan moeten we er ook naar streven dat die worden bestraft. Dat is de kern van de motie.

Minister Blok:
Nogmaals, tegen de achtergrond van het feit dat er al een juridisch traject loopt bij een hof dat wij koesteren, een traject dat kan leiden tot bestraffing, kan ik niet goed begrijpen wat de motie toevoegt. En daarom vind ik haar dus op zijn vriendelijkst gezegd overbodig. Maar omdat de motie niet goed te overzien is, ontraad ik haar per saldo.

Ten slotte is er de motie van mevrouw Teunissen, op stuk nr. 2345. Daarin wordt de regering verzocht namens Nederland steun uit te spreken voor onafhankelijk onderzoek van het Internationaal Strafhof naar oorlogsmisdaden in Palestijns gebied. In lijn met mijn betoog van vanmiddag zeg ik: de Nederlandse overheid steunt van harte het werk van het Internationaal Strafhof, maar dat brengt juist met zich mee dat wij geen uitspraken doen, in welke vorm dan ook, over individuele zaken. Dus ook deze motie ontraad ik.

De voorzitter:
Helder. Tot zover de moties. Er is nog een vraag van de heer De Roon.

De heer De Roon (PVV):
De minister heeft vanmiddag letterlijk gezegd: die uitspraak van Erdogan, over Israëliërs die graag het bloed drinken van Palestijnse kinderen, "die laat ik voor zijn rekening". Ik vraag de minister: moet ik "die laat ik voor zijn rekening" verstaan als een veroordeling? En als dat niet zo is, dan begrijp ik nog steeds niet waarom de minister niet dat woord "veroordelen" in de mond wilt nemen over deze uitlating van Erdogan.

Minister Blok:
Ik heb gezegd: ik werp die uitspraak verre van mij en laat hem volledig voor de rekening van de heer Erdogan. En het ontgaat mij volkomen wat het toevoegt om een eindeloze woordenstrijd met elkaar te gaan voeren over een heel verwerpelijke uitspraak.

De heer De Roon (PVV):
Wat het toevoegt is dat een veroordeling natuurlijk nog iets anders is dan "ik werp het verre van mij en ik laat het verder voor zijn rekening". Het woord "veroordeling" is gewoon een definitieve conclusie van een aard die aan degene aan wie die veroordeling gericht is, of over wie die veroordeling gaat, duidelijk maakt dat dit écht niet door de beugel kan, en dat het onaanvaardbaar is dat hij zulke dingen zegt.

De voorzitter:
Dank u wel. De minister is gaan zitten. Dat impliceert dat hij hier niets meer aan toe te voegen heeft. Prima.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
Tot zover. Dank aan de minister voor zijn aanwezigheid en de vele uurtjes die hij hier weer heeft mogen maken vandaag. Dinsdag stemmen wij over de moties.

Sluiting

Sluiting 20.38 uur.