Plenair verslag

Tweede Kamer, 30e vergadering
Donderdag 26 november 2020

  • Aanvang 10:15 uur
  • Sluiting 19:25 uur
  • Status Ongecorrigeerd

Opening

Voorzitter: Arib

Aanwezig zijn 109 leden der Kamer, te weten:

Van Aalst, Agema, Arib, Azarkan, Becker, Beckerman, Belhaj, Van den Berg, Van den Berge, Bergkamp, Van Beukering-Huijbregts, Bisschop, Bolkestein, Bosman, Bouali, Buitenweg, Van Dam, Diertens, Tony van Dijck, Emiel van Dijk, Jasper van Dijk, Pia Dijkstra, Remco Dijkstra, Dik-Faber, Van Eijs, El Yassini, Ellemeet, Fritsma, Futselaar, Geluk-Poortvliet, Van Gerven, Geurts, De Graaf, Van der Graaf, Graus, Groothuizen, Van Haga, Harbers, Rudmer Heerema, Pieter Heerma, Helder, Van Helvert, Van den Hul, Jansen, Jetten, De Jong, Karabulut, Van Kent, Koerhuis, Koopmans, Kops, Kröger, Krol, Kuik, Kuiken, Laan-Geselschap, Laçin, Van der Lee, Leijten, Van der Linde, Lodders, Maeijer, Marijnissen, Markuszower, Von Martels, Van der Molen, Moorlag, Agnes Mulder, Edgar Mulder, Van den Nieuwenhuijzen, Nijboer, Van Nispen, Van Ojik, Omtzigt, Öztürk, Özütok, Palland, Paternotte, Peters, Ploumen, Postma, Van Raan, Rog, De Roon, Sazias, Schonis, Segers, Sienot, Sjoerdsma, Slootweg, Smeulders, Sneller, Snels, Snoeren, Stoffer, Tellegen, Terpstra, Tielen, Van Toorenburg, Veldman, Voordewind, Aukje de Vries, Wassenberg, Van Weerdenburg, Van Weyenberg, Wilders, Wörsdörfer, Yeşilgöz-Zegerius en Ziengs,

en mevrouw Broekers-Knol, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de heer Dekker, minister voor Rechtsbescherming, de heer Grapperhaus, minister van Justitie en Veiligheid, en mevrouw Van Veldhoven-van der Meer, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat.

De voorzitter:
Ik open de vergadering van donderdag 26 november 2020. Ik heet iedereen van harte welkom.

Begroting Justitie en Veiligheid 2021

Begroting Justitie en Veiligheid 2021

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

  • het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (VI) voor het jaar 2021 (35570-VI).

De voorzitter:
Aan de orde is de begroting Justitie en Veiligheid (35570-VI). Vandaag vindt de voortzetting van de behandeling van de begroting plaats. Het kabinet is nu aan de beurt. Ik wil dus graag de minister van Justitie en Veiligheid het woord geven. Ik wil met de Kamerleden afspreken dat we acht vragen per fractie doen. Dan kijken we een beetje hoe dat gaat. Dat moet ik er eigenlijk nooit bij zeggen, want dan weet ik hoe het gaat. Maar goed, in principe acht vragen.

Door mij zijn schriftelijke antwoorden ontvangen van de minister van Justitie en Veiligheid, de minister voor Rechtsbescherming en de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op vragen, gesteld in eerste termijn.

Deze antwoorden zullen worden opgenomen in een bijvoegsel bij de Handelingen van deze vergadering.

(Het bijvoegsel is opgenomen aan het eind van deze editie.)

De algemene beraadslaging wordt hervat.

De voorzitter:
Ik geef eerst het woord aan de minister van Justitie en Veiligheid.

Minister Grapperhaus:
Dank u wel, voorzitter. Kort voor het begin van de zomer heb ik een grote zandloper op mijn werkkamer gezet. Die stond symbool voor de drie maanden die ik zeventien internethosters gaf om hun service volledig en blijvend te schonen van kinderporno. Er moest een ultimatum worden gesteld. De beperkte tijd vereiste werkelijk actie. Dat gebeurde ook zo bij vrijwel alle hosters. Kortom, de tijd deed zijn werk. Dat is een treffende illustratie van wat Augustinus heeft gezegd: "De wereld is niet in de tijd, maar met de tijd gevormd." Dit jaar werd onze samenleving vooral gevormd en bepaald door het coronavirus en ook steeds meer door de lange tijd die dat virus nu onder ons is, want er zijn nu al negen maanden verstreken sinds op 27 februari van dit jaar in Loon op Zand de eerste Nederlandse coronabesmetting gemeld werd. Maar het lijkt wel een eeuwigheid. Sinds die dag ziet ons land er anders uit en verkeert ons land in een crisissituatie. We hebben tot aan de zomer als kabinet ook in de zogenaamde crisisstructuur moeten werken.

Het is voor alle Nederlanders een nieuwe ervaring dat zo'n crisis zo lang voortduurt, met allerlei crisismaatregelen waarmee we heel veel van onze burgers hebben gevraagd, terwijl er juist bij hen ook veel vragen waren, waar we bij deze crisis zonder precedenten niet altijd een antwoord op hadden. De burgers verdienen een groot compliment, want ze hebben zich vanaf het begin in groten getale gecommitteerd aan de nieuwe regels, aan de bestrijding van het virus, aan de bescherming van kwetsbaren en aan het tegengaan van overbelasting in de zorg. Daarnaast ook echt een groot compliment aan onze handhavers, de politieagenten en de boa's, aan onze brandweermensen, onze andere hulpverleners en natuurlijk de zorgmedewerkers. Zij hebben zich vanaf het begin van de coronacrisis, nu al negen maanden, dagelijks met grote inzet op nieuwe en extra taken geworpen.

Ik noem ook de veiligheidsregio's. Ik zei het al: binnen afzienbare tijd moest worden overgestapt op de bestuurlijke crisisstructuur. De samenwerking met de veiligheidsregio's verliep goed. Ze waren de verbinding tussen maatregelen en goede uitvoering. Dat ging in de complexe crisis met veel inzet en betrokkenheid van iedereen. De wijze waarop door allen in die veiligheidsregio's is samengewerkt en hoe men alles ook echt bij elkaar heeft kunnen brengen, verdient een heel groot compliment. Dat geldt ook voor de probleemoplossende en positief-kritische samenwerking vanuit de regio's met de regiovoorzitters en daarachter natuurlijk alle burgemeesters. Dit heeft geleid tot een landelijk handhavingskader, modelverordeningen, het samenbundelen van regionale informatie tot een landelijk beeld en gezamenlijke handelingsperspectieven, zodat we altijd een landelijke herkenbare aanpak tot op lokaal niveau zichtbaar hadden. Dat heb ik hier nog eens willen aanhalen, omdat dat laat zien dat we in de samenleving een groot draagvlak hebben voor onze rechtsstaat.

Als minister van Justitie en Veiligheid heb ik de verantwoordelijkheid dat ondanks de beperkingen en aanpassingen onze rechtsstaat overeind blijft en bij alles leidend blijft. Ook in tijden van crisis moeten we kunnen steunen op de rechtsstaat als ruggengraat van onze samenleving. En ik durf te stellen dat niet alleen die ruggengraat sterk is, maar dat ook het vertrouwen in onze instituties behouden is gebleven. In dit land is, in tegenstelling tot in andere landen, nooit de noodtoestand uitgeroepen of een volledige lockdown ingesteld. Dat past ook niet bij onze samenleving. Nederland is een land waarin burgers in groten getale, nadat er eerst kritisch over is nagedacht en uitvoerig over is gediscussieerd, maatregelen opvolgen. En als er mensen zijn die zich daartegen verzetten, dan kan dat.

Ik wil nog eens benadrukken dat je binnen onze rechtsstaat mág demonstreren, en een rechtszaak mág beginnen, ook over coronamaatregelen. Je mag ook forse kritiek op de regering uiten. Maar ik plaats wel de kanttekening dat je je in dat verzet gewoon moet houden aan de wet en aan de regels die we in de rechtsstaat hebben afgesproken. Als ik handhavers spreek, hoor ik dat ze in die afgelopen tijd dagelijks te maken hadden met scheldpartijen en soms met geweld, en dat is onacceptabel. Dat gaat juist in tegen dat commitment dat het overgrote deel van de Nederlanders wél heeft gegeven aan die rechtsstaat. Desondanks blijven politieagenten en boa's zich dag in, dag uit onvermoeibaar inzetten voor die veilige samenleving.

Mevrouw de voorzitter. Corona is ons als samenleving overkomen, maar we hebben ook te maken met kwaden die in de loop der jaren in onze maatschappij zijn gegroeid, kwaden waarvan we niet kunnen zeggen dat ze ons zijn overkomen, zoals de georganiseerde ondermijnende criminaliteit. Dat is een plaag die, als we daar niet alles tegen inzetten, diepgeworteld zou kunnen raken in onze samenleving. Ik benadrukte vorig jaar dat ondermijning de grootste bedreiging vormt voor onze rechtsstaat, en ik doe het dit jaar weer. Ik doe het juist dit jaar, want in tijden van grote onzekerheid, waarin een inkomen weg kan vallen en waarin je misschien je onderneming noodgedwongen een tijd dicht moet doen en je ondanks compensatie van de overheid toch geen uitweg vindt, kunnen criminelen van jouw situatie misbruik maken. Mevrouw Helder legde dat verband gisteren heel scherp. Ondermijning beschadigt de samenleving met grof geweld, grote sommen geld waarmee criminelen een machtspositie verwerven, een schaduweconomie waarin de bovenwereld de onderwereld helpt, jongeren die de drugshandel in worden gezogen en niet in de laatste plaats de schadelijke gezondheidseffecten van drugs. We moeten dat dus hard en structureel aanpakken. Dat doen we met een breed offensief, waar ik zo dadelijk bij de beantwoording van de vragen concreet op in zal gaan.

Een ander kwaad, voorzitter, dat in onze samenleving nog steeds veel schade veroorzaakt, is seksueel grensoverschrijdend gedrag. In Nederland moet iedereen zich veilig weten als het gaat om zijn of haar seksuele beleving, maar dat is niet het geval. Bij mijn aantreden — dat geef ik eerlijk toe — schrok ik van de omvang die dat probleem nog steeds heeft in de maatschappij. De MeToobeweging bracht schrijnend aan het licht hoe vaak seksuele grensoverschrijding nog steeds plaatsvindt en hoe onveilig mensen zich ook vaak voelen. Dat is voor mij de drijvende kracht geweest om de modernisering van de wetgeving over seksuele misdrijven voortvarend op te pakken, en ook het onderwerp van kindermisbruik online, niet als opgaves uit het regeerakkoord, maar gewoon omdat dat dringend nodig was en nog steeds is. Seks hoort in alle gevallen vrijwillig en gelijkwaardig te zijn. Dat is de norm. Thuis, op straat, in de kroeg en online moet je veilig zijn, zonder de angst voor ongewenste seksuele toenadering. Dat moet gelden voor alle groepen mensen en al helemaal voor kinderen.

Mevrouw de voorzitter. Een ander onderwerp dat niet genoeg benoemd kan worden is onze digitale weerbaarheid. Als ik alleen al Citrix, de phishingaanvallen op burgers — het kan ons allen overkomen — en de ransomware-aanval op de Universiteit Maastricht van dit jaar noem, dan weet u dat de cyberweerbaarheid in ons land nog niet aan de maat is. Door het beveiligingslek bij Citrix konden medewerkers van honderden organisaties van het ene op het andere moment niet meer thuiswerken. We zouden het bijna zijn vergeten, hoewel het nog maar in januari van dit jaar was. We moeten ons niet voorstellen dat ons dat een aantal maanden later was overkomen, nu iedereen thuis zou moeten werken. Door phishingaanvallen kunnen mensen worden misleid. Dat is vaak een eerste stap van een cyberaanval. Over de ransomware-aanval van de Universiteit Maastricht is al veel gezegd. Ik wil overigens benadrukken dat ik enorm veel waardering heb voor hoe de veiligheidsregio Gelderland eerder dit najaar een dergelijke aanval heeft gepareerd en in ieder geval niet heeft toegegeven aan de eisen van degenen die de ransomware hadden geplaatst.

De voorzitter:
Ik ga toch iets vragen over uw inleiding.

Minister Grapperhaus:
Die is klaar, voorzitter.

De voorzitter:
Bent u klaar? Dat is fijn!

Minister Grapperhaus:
Ik kom nu bij mijn ...

De voorzitter:
Dat is fijn. Ik stel voor dat u even uw inleiding afrondt en dan aangeeft welk onderwerp u op het lijstje heeft, zodat Kamerleden kunnen inschatten op welk moment er wel of niet geïnterrumpeerd kan worden.

Minister Grapperhaus:
Voorzitter. Ik kom straks namelijk nog concreet terug op het laatste punt, de dreiging van terrorisme in onze samenleving. Maar ik ga eerst over op de vragen.

Allereerst kom ik op de vragen over de capaciteit bij de politie. Net als heel Nederland heeft de politie te maken met de gevolgen van de coronacrisis. De samenleving ziet er anders uit. Er zijn coronamaatregelen die moeten worden gehandhaafd. Een deel van de criminaliteit heeft zich naar online verplaatst. De basisteams, met name de circa 14.000 agenten die werkzaam zijn in de incidentenafhandeling, ervaren die gevolgen het meest. Om de druk op die teams op korte termijn te verlichten, treft de politie maatregelen. Dit is een antwoord op een aantal zorgen hierover. Daarbij wordt ook nadrukkelijk een beroep gedaan op de solidariteit van de rest van de 65.000 politiemedewerkers door ook mensen van buiten de GGP diensten te laten draaien.

Daarbij komt dat we op dit moment te maken hebben met een grote vervangingsvraag bij de GGP. De heer Van Nispen heeft daar in zijn vragen zeer terecht aandacht voor gevraagd. Er is een grote uitstroom van agenten die met een overigens welverdiend pensioen gaan. Ik denk dat de heer Van Nispen en ik het erover eens zijn dat dit pensioen welverdiend is. Ook vindt er een verhoogde doorstroom plaats naar andere functies. De druk op de capaciteit heeft verder ook te maken met een veranderd werkaanbod in de afgelopen periode. Politieagenten hebben juist in deze tijd te maken met veel demonstraties die ze in goede banen moeten leiden. Er is een tijdelijke extra inzet voor bewaken en beveiligen. Ook zijn er als gevolg van de coronacrisis meer meldingen van personen met verward gedrag, zo blijkt uit de corona-veiligheidsmonitor.

Dat de druk op de capaciteit zou toenemen, was voorzien. Dat is een van de redenen waarom het kabinet vanaf het begin fors in de politie en het politieonderwijs heeft geïnvesteerd, bijvoorbeeld 291 miljoen euro per jaar om capaciteit en instroom op orde te brengen. Maar er zijn meer investeringen gedaan. Ik kom straks bijvoorbeeld ook nog uitgebreider terug op de investering van 15 miljoen structureel die wordt gedaan naar aanleiding van de motie-Klaver op het gebied van zeden.

Het punt is natuurlijk dat nieuwe agenten niet van vandaag op morgen inzetbaar zijn op straat. Die druk zal nog even voelbaar blijven. Dat heb ik eerder, in de zomer, al aan deze Kamer geschreven. In antwoord op de vraag van de heer Van Nispen zeg ik dat de huidige verwachting nog steeds is dat de operationele formatie en de bezetting binnen de politie vanaf 2024 weer helemaal in balans zijn, dus dat al die extra agenten waar het structurele geld voor is vrijgemaakt, dan ook echt, werkelijk, in de extra bezetting zijn.

Ik noem verder nog de investering in extra specialisten op het gebied van cybercrime en digitale opsporing. Het lid Groothuizen heeft naar voren gebracht dat zo'n investering nodig is, juist nu criminelen volop gebruikmaken van de digitale mogelijkheden. Ik onderschrijf dat. Daarom is de afgelopen jaren in de opbouw van die expertise bij politie en OM geïnvesteerd. Het regeerakkoord heeft al gezorgd voor een uitbreiding van 145 fte. Naar aanleiding van vragen van de heer Van Nispen en de heer Groothuizen zeg ik dat er daarnaast ook herhaaldelijk is geïnvesteerd in de capaciteit en expertise bij het OM. In 2017 betrof dat een bedrag van 1,7 miljoen euro en in 2018 was het 1 miljoen euro. Op basis van het regeerakkoord is daarbovenop verder geïnvesteerd voor 1,2 miljoen euro op het gebied van die speciale expertise op het gebied van digitale opsporing.

De voorzitter:
Was u klaar met dit onderwerp over de politie?

Minister Grapperhaus:
Nee. Zal ik het even afmaken?

De voorzitter:
Ja. Dan heb ik de heer Van Nispen en de heer Groothuizen.

Minister Grapperhaus:
Tot slot over de politieorganisatie. Ik ga nog in op de vragen van mevrouw Van Toorenburg over een defilé voor oud-politieagenten en de eremedaille voor verdienste. Daarover dit. Jaarlijks vindt in Almere de Nationale Veiligheidsdag plaats. Dat zou wat mij betreft de gelegenheid moeten zijn om politieagenten dat extra blijk van waardering te geven. De eremedaille is tot nu toe één keer uitgereikt, maar er zijn er meer in voorbereiding. Dat kon door het coronavirus nog niet verder uitgevoerd worden, maar dat staat op het punt om te gebeuren.

Ten slotte ben ik in gesprek met het ministerie van BZK en de Kanselarij over een eventuele onderscheiding voor optreden bij rampen en crisisbestrijding.

De heer Van Nispen (SP):
We hebben hier gisteren eigenlijk allemaal de grote problemen bij de politie benadrukt, veel van ons ook de grote problemen bij het Openbaar Ministerie. We hebben het allemaal gehad over het grote probleem van de toenemende georganiseerde criminaliteit. De minister komt nu weer met een opsomming van de cijfers en de investeringen die wij eigenlijk al kennen. Maar ik wil het met de minister ook over de praktijk hebben. We zien allemaal het tekort aan agenten, het feit dat wijkagenten nog nauwelijks in de wijken kunnen komen. Er is een Pact voor de Rechtsstaat verschenen. Burgemeesters vragen ons om aandacht vanuit de politieorganisatie zelf. Vanuit het Openbaar Ministerie horen we dat er meer nodig is. Nu is mijn vraag aan de minister, die zelf ook heeft erkend dat hij eigenlijk te weinig geld heeft losgekregen van het ministerie van Financiën: is het dan de hoekige opstelling van de minister van Financiën? Is het de VVD-premier, die al jaren zijn beloftes op het gebied van veiligheid en de rechtsstaat niet waarmaakt? Hoe komt dat nou? Wat zit er nou achter dat er eigenlijk onvoldoende geïnvesteerd wordt?

De voorzitter:
De minister, een concrete vraag.

Minister Grapperhaus:
Ja, een hele concrete vraag, waarbij u me wel vergeeft als ik in ieder geval benadruk dat ik lid van het CDA ben, want de afgelopen dagen is gesuggereerd dat het tien jaar lang de VVD is geweest, maar er zit nu in ieder geval een CDA-minister die verantwoordelijk is voor de begroting van JenV. Ik vind het wel eerlijk om dat te zeggen.

Wat die formatie betreft, geen misverstand. Het is niet zo dat mijn collega van Financiën of wie dan ook in het kabinet dwars zou liggen op het punt van extra middelen, integendeel. Ik ga het u omwille van de tijd besparen, maar er zijn structureel heel veel gelden vrijgemaakt de afgelopen jaren. Alleen, we moeten heel ruiterlijk onder ogen zien dat door die uitstroom waar de heer Van Nispen gisteren op gewezen heeft al 2.200 fte zijn uitgestroomd, er komen er nog zo ongeveer 14.000. Inderdaad telt dat op tot zo'n 17.000. Die getallen ronden we allemaal een beetje af. Ik heb de Kamer laten weten dat we volgend jaar echt even in een dip komen daarover. Maar het géld is er wel. Het probleem is dat we alles op alles moeten zetten om de bezetting ook echt op orde te krijgen, omdat er nou eenmaal zo veel mensen uitstromen. De heer Van Nispen mag er echt op rekenen dat ik er alles aan doe om ook die planning van 2024 te halen.

De heer Van Nispen (SP):
Ik geloof wel dat de minister wil probéren om die planning te halen en hij mag daar optimisme over uitstralen, maar ik heb gisteren echt gevraagd om een realistisch beeld van de problemen bij de politie, de bezetting en de screening die volgens mij op dit moment niet op orde is. Daar heb ik de minister nog niet over gehoord. Kijken naar de cijfers van de Politieacademie. De minister zegt trots dat daarin geïnvesteerd is. Nou, dat zie je niet terug in de cijfers die de minister aan de Kamer heeft gestuurd. Daar zie je dit gewoon niet in terug. De formatie bij de Politieacademie loopt zelfs naar beneden. Ik hoor ook dat de uitstroom van het politieonderwijs veel te hoog is, zo rondom de 20%. Ik wil echt heel graag dat de minister eerlijk is over wat voor politiekorps we nou hebben in 2024. Dan helpt het niet om steeds te zeggen dat je het zo fantastisch doet en dat je daar voldoende in investeert. Ik denk dat de discussie echt gediend is bij een realistisch beeld, want er zijn de afgelopen jaren heel veel fouten gemaakt door veel te weinig geld beschikbaar te stellen, zelfs te bezuinigen op de politie. En misschien kan deze minister het niet allemaal oplossen. Het gaat er niet om of ik dat deze minister verwijt. Ik wil echt een realistisch beeld, zodat we met elkaar die problemen kunnen oplossen. Want volgens mij zijn die problemen er.

Minister Grapperhaus:
Voorzitter. Ik ga toch wat in de getallen, excuseert u mij. De uitbreiding van de operationele formatie die inmiddels uit investeringen van het kabinet voortkomt — denk bijvoorbeeld aan de motie-Klaver en anderen — leidt tot 2.400 fulltime eenheden extra, bovenop de bezetting zoals die was op 25 oktober 2017, de dag voordat het kabinet aantrad. Dan ga je van 49.802 fte op dat moment naar 52.204 fte in de loop van 2024. Die planning is er. Daar heb ik een uitvoerige brief over geschreven en daar sta ik nog steeds achter. Voor de 17.000 die uitstromen, heb ik overigens al in 2018 extra middelen gekregen. Daar heb ik uw Kamer over bericht. Met die middelen wordt in ieder geval incidenteel de enorme uitstroom opgevangen, met tijdelijke zijinstromers of met het financieren van agenten die na pensioen langer doorwerken. We doen daar alles aan. Dat is het eerlijke, realistische beeld.

De voorzitter:
Ik ga naar de heer Groothuizen en dan naar de heer Bisschop.

De heer Groothuizen (D66):
Het lijkt erop dat we heel vaak geld vrijmaken voor de politie en dan vergeten dat daar het OM, de rechtspraak en eventueel DJI achter zitten. Dat zag je een beetje bij zeden. Dat was op zich een goede stap. Dat zie je ook een beetje bij cybersecurity. Het OM zegt: hartstikke goed dat de politie er weer werk van maakt, maar nu komen die zaken bij ons. Ik herinner me nog uit mijn tijd in Breda dat er één cyberofficier was die heel Zuid-Nederland bediende. Die mensen komen dus om in het werk. Volgens mij moeten we af van dat systeem. Mijn vraag is of de minister dat met mij eens is. Zouden we niet eigenlijk — dat komt misschien een beetje tegemoet aan de discussie over de strafrechtketen — naar een soort operationeel budget moeten waarmee je niet langer instituties financiert, maar gewoon zegt: er is één zak geld voor een bepaalde klus, waar de hele keten mee moet werken? Daarmee voorkom je dat je tegen elkaar in werkt. Dat is een revolutionaire gedachte, maar die geef ik graag aan deze minister mee.

Minister Grapperhaus:
Over deze revolutionaire gedachte zouden we misschien wat langer moeten spreken. Niet nu natuurlijk, want daar is geen tijd voor. Zo zouden we het niet moeten doen.

Ik ben het helemaal eens met de heer Groothuizen dat cybersecurity een ongelofelijk belangrijk onderwerp is, net als alles op het gebied van cybercrime. Ik heb al gezegd dat de weerbaarheid in ons land niet aan de maat is. Ik ben er heilig van overtuigd dat er in een volgende kabinetsperiode goed moet worden ingezet op het verstevigen van die weerbaarheid. Daar horen ook verstevigingen bij het Openbaar Ministerie bij.

Ik denk dat de heer Groothuizen zijn revolutionaire gedachte heel graag zal willen inwisselen voor mijn opvatting dat we het dan ook structureel bij het OM moeten neerzetten. We moeten niet tegen het OM zeggen: hier heeft u een hele grote zak geld; als het deze maand cybersecurity is, moet u het daaraan uitgeven, en als het volgende maand drugshandel is, moet u het daaraan uitgeven. Nee, we moet er samen voor zorgen dat justitie haar werk kan doen op al die onderdelen.

De heer Groothuizen (D66):
De warme woorden over cybersecurity deel ik. Dat is mooi. Met een operationeel budget bedoel ik niet één grote zak geld. Ik heb het niet over een lumpsum. Ik heb het erover dat je niet meer allerlei losse onderdelen in de keten financiert, maar dat je tegen politie en OM zegt: u heeft gezamenlijk een taak. Daar zit ook een rechtspraakdeel achter. In die zin probeer je dan de schotten daartussen op te heffen, en daarmee ook de prikkels eruit te halen die volgens mij tegen elkaar in werken.

Minister Grapperhaus:
Het is niet om GroenLinks in het zonnetje te zetten, maar dan ga ik de heer Rosenmöller van GroenLinks …

De voorzitter:
Dat vindt mevrouw Buitenweg helemaal niet erg.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Een goed begin van de dag.

Minister Grapperhaus:
Ik had gehoopt dat ze dan weer ging zitten, maar dat zit er niet in.

De voorzitter:
Nee, dat telt niet.

Minister Grapperhaus:
De heer Rosenmöller heeft in de Eerste Kamer een motie ingediend. Daarvan zeg ik overigens nu al hardop dat ik alles op alles zet om ervoor te zorgen dat die er aan het begin van het voorjaar is — het voorjaar loopt tot juni — zodat men er bij de formatietafels wat mee kan. Die motie zal de vraag beantwoorden hoe we ervoor kunnen zorgen dat de begroting van de hele keten minder politiek-conjunctureel gevoelig is — mag ik het zo zeggen? — en een veel stabielere vorm gaat krijgen. Daar hoort de aanpak van het OM van bepaalde onderwerpen bij, zoals cybercrime. Hoe ga je die stabiel en structureel oplossen?

Ondertussen wil ik toch nog eens hardop zeggen dat ik het punt van de heer Groothuizen deel: we moeten in de keten heel erg inzetten op mensen die expertise hebben in het kader van cyber.

De heer Bisschop (SGP):
Ik vroeg mij bij het lezen van de schriftelijke beantwoording van vragen af wat de minister tegen politievrijwilligers heeft. Wij hebben de vraag gesteld of er mogelijkheden zijn om politievrijwilligers en/of mensen van de Nationale Reserve tijdelijk een rol te laten spelen, nu we te maken hebben met een capaciteitstekort. Wij krijgen daarop — ik laat de Nationale Reserve nu maar even liggen — het volgende antwoord: "Vrijwilligers zijn een aanvulling op het beroepspersoneel en niet bedoeld om tekorten op te vangen. Ze brengen vaak andere expertise mee en mogen bovendien maar een beperkt aantal uren worden ingezet. De druk op de capaciteit zal de komende jaren blijven bestaan, maar op termijn weer afnemen, naarmate de komende jaren meer aspiranten afstuderen en doorstromen vanaf 2024." Maar dan is er toch alle reden om te gaan werven voor politievrijwilligers? Nu is het dan misschien niet om de capaciteit op te vullen, want dat is een goede gedachte van de minister, maar daarna is die capaciteit op peil en dan heb je toch behoefte aan die vrijwilligers voor die extra taken?

Minister Grapperhaus:
Ik heb richting de heer Bisschop twee argumenten hiertegen. Het eerste is een principieel argument, het tweede is een meer filosofisch-logisch-begrotingstechnisch argument. Wat het eerste argument betreft: nee. Ik denk dat wij ons echt moeten realiseren dat wij voor de echte politietaken de professionals nodig hebben die echt voldoen aan de bestaande opleidingsvereisten. Dat wil ik gewoon zo laten, want ik vind dat echt een heel belangrijk iets in een rechtsstaat.

Dan het tweede, meer filosofisch-logisch-begrotingstechnisch argument. Mijn collega van Financiën zou dat wellicht op enig moment toejuichen. Die zou zeggen: vriend, dat heb je mooi opgelost, want je hebt nu mensen die je nauwelijks of geen beloning, of alleen een dagvergoeding betaalt, die politietaken gaan overnemen, dus voorlopig hoeven wij niet aan die extra politie te komen. Op den duur zou je dan krijgen dat er binnen de politie hele cohorten vrijwilligers aanwezig zijn, terwijl de heer Bisschop en ik allebei vinden dat wij onze politie echt op het huidige niveau zouden moeten houden. Qua professionaliteit en integriteit staat onze politie op nummer 5 of 6 van de wereldranglijst van politiekorpsen. Daar moeten wij op investeren en die moeten wij groot houden.

De heer Bisschop (SGP):
Mijn verwarring — laat ik het maar bij mijzelf leggen — wordt steeds groter. Natuurlijk wordt niet gevraagd van vrijwilligers om de kerntaken van de politie over te nemen. Maar een politieagent — dat weet de minister ook — doet heel veel zaken die niet direct gerelateerd zijn aan zijn of haar opleidingsniveau. Waarom zou je niet gebruikmaken van vrijwilligers om juist voor de professionele taken politieagenten vrij te spelen, door vrijwilligers meer andere taken te laten doen? Denk aan bepaalde surveillances; ik noem maar een voorbeeld. En bovendien komen ze straks, volgens het antwoord van de minister, bovenop de formatie, vanaf 2024. Dan heb je dus vrijwilligers nodig, als je tenminste de veiligheid wil waarborgen. Ik zou dus de minister dringend in overweging willen geven om nog eens goed te kijken hoe je nu dat korps zodanig kunt inzetten dat je optimaal gebruikmaakt van de deskundigheid van de daartoe opgeleide politiemannen en -vrouwen, en dat je daarnaast hen een deel van hun standaardtaken uit handen neemt door juist gebruik te maken van vrijwilligers die daartoe gemotiveerd zijn vanuit maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef. Benut de krachten in de samenleving. Dat is oer-CDA, minister.

Minister Grapperhaus:
Dank voor deze onderstreping van een van de grondprincipes van het CDA. Maar een heel kort antwoord. Een misverstand. Ik heb net in een antwoord aan de heer Van Nispen nog eens uitgelegd dat ik in 2018 51 miljoen, zeg ik uit mijn hoofd, gekregen heb voor zijinstromers, die taken kunnen doen waar je niet het hoogste niveau van de Politieacademie voor hoeft te hebben gevolgd, of überhaupt niet op de Politieacademie hoeft te hebben gezeten. Dat gebeurt dus wel. Maar die mensen worden wel gewoon betaald volgens de cao. Het laten vervullen van politiewerk door mensen die daar geen of nauwelijks beloning voor krijgen, is naar mijn mening niet in overeenstemming met die cao. Maar ik vind het ook niet passen in een rechtsstaat.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
De minister introduceert het idee van filosofisch-logisch, dus daar wil ik graag een beetje op doorborduren. Een van de vragen die ik heb gesteld, ging over kindermisbruik. Daarvan heb ik gezegd dat het in een paar jaar tijd meer dan vertienvoudigd is. Het aantal rechercheurs, die 150 rechercheurs, is gelijk gebleven. Dus dat is een enorme opgave voor hen, waarbij zij dus steeds tekortkomen. Volgens mij wordt heel breed gedeeld dat we daar iets aan moeten doen. Vervolgens zegt de minister in de schriftelijke beantwoording daar ook wat aan te doen, omdat de motie-Klaver daar deels voor kan worden gebruikt. De motie-Klaver was ingediend en hier ondersteund, omdat er honderden zedenzaken op de plank lagen waar niks aan gedaan werd. Dat was een manier om in ieder geval te proberen de achterstand daarop in te lopen. Dat is iets heel anders dan dat je nu die vertienvoudiging van de meldingen van kinderporno hier ook nog eens een keer uit gaat bekostigen omdat het filosofisch-logisch is. Je kan het geld niet twee keer uitgeven.

De voorzitter:
En uw vraag is?

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Het klopt gewoon niet dat die gelden daarvoor kunnen worden ingezet. Er is een vertienvoudiging van de meldingen. Mijn echte vraag aan de minister is om in de begroting iets van die 5 miljoen die we hebben gevraagd te zoeken, om ervoor te zorgen dat we ook iets aan deze meldingen kunnen doen.

Minister Grapperhaus:
In de schriftelijke beantwoording heb ik ook de aantallen extra fte's aan digitale rechercheurs aangegeven die op zedenzaken ingezet kunnen worden. Het ministerie van Financiën kijkt er heel streng naar of ik die inzet doe op basis van hoe de motie is ingericht. Ik meen dat dat ook echt zo is gebeurd. Ik ben bereid mevrouw Buitenweg een uitgebreide brief toe te zeggen en het nog een keer helemaal voor haar uit te splitsen. Ik kan me voorstellen dat de schriftelijke beantwoording van de vragen misschien wat kort is, maar de motie was zeer welkom — laat ik dat nog maar eens onderstrepen — en het geld wordt echt daarop ingezet.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Ik ben mijn vragen aan het tellen, mevrouw de voorzitter. Ik weet hoe de motie in elkaar zat, want die heb ik mede opgesteld. Er zaten ook gelden in voor het OM en voor de digitale component bij de zedenzaken, maar die hadden allemaal betrekking op de enorme hoeveelheid zedenzaken die op de plank liggen. Ik heb nadrukkelijk aangegeven dat er nieuwe vormen van kinderporno zijn, zoals kinderporno op afstand, dat er een enorm tekort is bij de dienst die zich hiervoor inzet en dat het aantal meldingen is vertienvoudigd. Ik zou dus wel een brief willen van de minister, maar niet om mij uit te leggen hoe de motie in elkaar zit die wij zelf hebben geschreven, maar om toe te lichten op welke wijze wij capaciteit hebben om de toename van het aantal meldingen van kinderporno in Nederland op te pakken.

Minister Grapperhaus:
Zo'n brief bedoelde ik, eerlijk gezegd.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Dan heb ik niks gevraagd.

Minister Grapperhaus:
Dat vind ik dan ook.

De voorzitter:
Is goed.

Mevrouw Van Beukering-Huijbregts (D66):
Ik weet niet of de minister zo nog bij het punt politie komt, omdat hij net al over de politie sprak, maar ik wil daar nog een vraag over stellen.

Minister Grapperhaus:
Dit is 99% politie geweest.

Mevrouw Van Beukering-Huijbregts (D66):
Dat dacht ik ook. Dan heb ik een aanvullende vraag. We hebben heel veel waardering voor wat de politie doet. Ik denk dat het daarom wel handig is als we ze één lijn meegeven. In de schriftelijke beantwoording, waarvoor heel veel dank, wordt aangegeven dat er continu aandacht is voor het risicoprofiel en voor wat er mag. Er wordt ook aangegeven dat er in principe niet gekeken mag worden naar etniciteit en nationaliteit. Maar tijdens het notaoverleg heeft de minister nadrukkelijk gezegd dat het toepassen van algoritmen die etniciteit en nationaliteit als risicofactor gebruiken, niet is toegestaan. Wat is nu eigenlijk het beleid? Het lijkt mij handig voor de politie om vanuit de Kamer één lijn mee te krijgen.

Minister Grapperhaus:
Ik sta nog steeds achter wat ik eerder heb gezegd, namelijk dat het gebruik van algoritmen niet is toegestaan.

Mevrouw Van Beukering-Huijbregts (D66):
U zei toen heel nadrukkelijk dat het niet is toegestaan.

Minister Grapperhaus:
Dat bedoel ik: dat het niet is toegestaan.

Mevrouw Van Beukering-Huijbregts (D66):
Maar in de schriftelijke beantwoording staat nu dat het onder voorwaarden wel zou kunnen worden toegestaan. Ik vind dat niet helder.

De voorzitter:
Misschien dat u dat eerst even kunt checken en dat u daarop dan terugkomt.

Minister Grapperhaus:
Ik kom daar zo bij u op terug.

De voorzitter:
Dan ga ik eerst naar mevrouw Van der Graaf en daarna naar mevrouw Van Toorenburg.

Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):
Ik wil ook even terugkomen op het punt van online kindermisbruik. Mevrouw Buitenweg vroeg daar al aandacht voor; ik heb er gister ook over gesproken. Ik heb specifiek gevraagd naar de bereikbaarheid van de hulplijn Stop it Now!. Nu krijg ik schriftelijk antwoorden op de vragen die ik heb gesteld. Eigenlijk word ik daar niet heel erg gelukkig van. Ik hoor net dat de minister aangeeft dat hij nog met een uitgebreide brief wil komen over de inzet van het kabinet hiervoor. Ik wil heel graag dat de minister er dan ook op ingaat hoe de bereikbaarheid van deze hulplijn, die helpt te voorkomen dat mensen over de schreef gaan en kinderen zullen misbruiken, uitgebreid zal worden.

Ik zou ook willen vragen aan de minister of hij een nadere duiding wil geven aan de autoriteit die zou moeten gaan ingrijpen bij die hostingpartijen. We weten dat driekwart van de kinderporno wereldwijd gehost wordt in Nederland. Dat is absurd. Ik wil heel graag weten welke bevoegdheden die autoriteit dan precies gaat krijgen, zodat we daar een einde aan kunnen maken.

De voorzitter:
Ik zag in uw lijstje ook zeden als onderwerp. Ik zou het gewoon hierbij betrekken, want ik merk dat heel veel collega's daar vragen over hebben.

Minister Grapperhaus:
Ik kom daar zo dadelijk op terug.

De voorzitter:
Misschien dat u het nu even kunt doen, want het is toch wel iets waar iedereen iets over wil weten. Wees een beetje flexibel.

Minister Grapperhaus:
Dan ben ik straks wel weer net zo veel tijd kwijt met zoeken naar wat ik nu al gedaan heb. Maar goed.

De voorzitter:
Dat valt wel mee.

Minister Grapperhaus:
Op het eerste punt zeg ik meteen: ja. Daarvoor hoef ik niet eens door mijn papieren te zoeken.

Over het tweede punt, over kinderporno en die autoriteit, zeg ik alvast het volgende. Ik heb het moment gegrepen, toen er vanuit Europa werd besloten dat er zoiets moest komen voor terrorist content online, om te zeggen: laten we die twee nu combineren. Dan komt er een autoriteit, die niet zoals deze minister met een zandloper moet gaan zitten en gaat namen en shamen, maar die onmiddellijk bestuursrechtelijk kan ingrijpen, forse boetes kan opleggen en voorzieningen kan treffen, zodat het wordt dichtgedraaid. Afgezien daarvan kan hij met publieke uitspraken ook blijven namen en shamen. De bedoeling is echt dat dat net zoiets wordt als we nu ook op het gebied van de ACM hebben, de Autoriteit Consument & Markt, die gewoon directe actie onderneemt.

Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):
Dan ben ik heel erg blij.

Minister Grapperhaus:
Dat zal ik ook nog uitleggen in die brief, want dat lijkt me logisch.

Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):
Dat lijkt me heel goed, maar ik zou ook heel graag willen weten: wanneer kunnen we dan zo'n autoriteit tegemoetzien? Er moeten natuurlijk mensen ingezet worden, maar er moeten ook bevoegdheden voor gecreëerd worden bij wet. Kan dat dan met spoed opgesteld worden? Want we kunnen hier geen tijd verliezen.

Minister Grapperhaus:
Wat mij betreft gebeurt dit met de grootste spoed, maar er moeten natuurlijk nog wel een aantal dingen af komen. Er zijn nog een aantal uitvoeringsaspecten. Ik ben al heel verheugd dat de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft gezegd: we gaan ermee akkoord dat er een zbo komt. U weet namelijk dat er vanuit de Raad van State is gezegd: zorg dat er niet te veel zbo's komen. Dat gaan we dus nog uitwerken. Ik spreek vrijdag met Commissaris Johansson onder andere hierover verder, omdat zij mijn drang, mede ingegeven door wat ik vanuit uw Kamer aan stimulus kreeg op dit punt, ook in Europa heeft overgepakt. Dat wil ik ook meenemen, want als Europa daarbij kan helpen, is het des te beter. Ze opereren immers misschien wel vanuit hier, maar ze worden heel vaak feitelijk aangestuurd door een server die ergens in Verweggistan gezet is.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Goeiemorgen, voorzitter.

De voorzitter:
Goeiemorgen.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Ik moet heel eerlijk zeggen dat ik collega Chris van Dam simpelweg niet onder ogen durf te komen als ik niet thuisgekomen ben met een medaille. Laat ik dat gewoon even heel duidelijk zeggen. Wat gaan we daar nou aan doen? Ik hoor dat er een medaille is; dat weet ik. Ik weet ook dat er door corona niet zo veel aan is gedaan. Er wordt over nagedacht bij de Kanselarij; dat snap ik ook. Maar ik wil toch gewoon aan de minister vragen of hij de gedachte van Chris van Dam steunt, die zegt: er moet iets komen als een soort Invictusmedaille voor dienders die wellicht geen grootschalige megarampen, vuurwerkellende en dat soort dingen hebben aangepakt, maar toch als individu zó betekenisvol zijn geweest, op wat lokaler niveau? Wil de minister ons toezeggen dat hij daar echt mee aan de slag gaat, want anders ben ik gewoon bang voor Chris van Dam, en dat wordt 'm niet. Ik ben banger voor Chris van Dam dan voor de minister, dus ik ga nog even door.

Minister Grapperhaus:
Ik vind het natuurlijk heel jammer dat ik het hier afleg tegen de heer Van Dam, maar dat is niet anders. Ik wil met een brief komen waarin ik uiteenzet hoe die waarderingsmedaille precies werkt. Dat zeg ik toe. Het is niet zo dat we daar nog niet mee bezig zijn, maar we kunnen hem niet uitreiken; dat is een beetje het probleem. Dan moet je 'm naar iemand gaan gooien. Dan gaat de lol van die ceremonie er ook gauw van af. Dat is één. Twee: u moet goed begrijpen dat ik over die speciale onderscheiding voor mensen met een taak in een crisis hele gesprekken heb met de Kanselarij. Dat is terecht, want die moet wel in relatie gezien worden tot bestaande onderscheidingen. Maar ik zeg een brief toe waarin ik terugkom op de vraag of er dan nog ruimte is voor zo'n Invictusmedaille. Ik kom daarop terug. Dat wordt wel in het nieuwe jaar.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
En dan zal de heer Van Dam wel iemand aanreiken die daar al mee bezig is en er heel ver in is, iemand die binnen de politie ook gedragen wordt. Ik vind het goed dat de lat voor medailles relatief hoog ligt, maar bij de politie mag die wat mij betreft ietsje naar beneden, want alles wat zij doen is al zo betekenisvol.

Minister Grapperhaus:
In zekere zin is de lat dan nog steeds heel hoog. Dat is ook filosofisch-logisch.

De voorzitter:
Gaat u verder. U ben toe aan het volgende onderwerp, ondermijning?

Minister Grapperhaus:
Als het zo doorgaat, heb ik bijna alles al ... Ondermijning, voorzitter. Daarover hebben we met elkaar de afgelopen jaren echt goede gesprekken gehad. Ik waardeer het ook enorm dat er vanuit uw Kamer initiatieven en voorstellen zijn gekomen die mijn aanpak daarvoor alleen maar hebben kunnen verstevigen. Ondermijning is echt een monster. Ik benoem toch een paar dingen, zodat de Kamerleden die er vragen over hebben gesteld waarop ik schriftelijk ben ingegaan, ook mondeling nog wat voorbeelden zien. Ik noem met name de regioaanpak. De regio's geven echt een stevige impuls.

Wij gaan onder andere verder in op de motie van mevrouw Van Toorenburg en mevrouw Yeşilgöz over de mainports en dergelijke. Ook in bijvoorbeeld een kleinere haven, zoals de haven van IJmuiden, bekend vanwege de zeesluis — met een naam die lastig te onthouden is, maar die sommige leden toch nog kennen — ziet u van tijd tot tijd boten die op gekke tijden uitvaren en veel zwaarder beladen terugkomen. We hebben dus een project maritieme smokkel, waarmee we werken aan het weerbaarder maken van ook vissers, om hen te waarschuwen en hen te wapenen tegen de verleiding van dat snelle criminele geld. We hebben ook een digitaal nachtregister gefinancierd waardoor er beter zicht is op het in- en uitvarende schip.

Ik noem dus een aantal van die regionale projecten. In Limburg hebben we nu de eendagskentekens voor drugstransport in kaart door de wijziging van de procedure bij de RDW. We hebben inmiddels een afname van die eendagskentekens met maar liefst 97%. U vraagt zich dan af waarvoor die overige 3% gebruikt werd, maar goed.

Dan is er het Integraal Intelligence Project Synthetische Drugs in Noord-Holland, waar men nu een centrale intelligencemethode ontwikkelt voor de aanpak van productielocaties van synthetische drugs. Daarbij wordt integraal informatie gecombineerd. Dat heeft al tot allerlei succesvolle invallen geleid in drugslabs.

Waarom noem ik die voorbeelden? Het zijn de slimme interventies waar de heer Bisschop en de heer Azarkan — ik zie hem niet — naar vroegen. Die slimme interventies zijn nu nog regionaal, maar bijvoorbeeld zo'n zeehavenproject in IJmuiden of dat Integraal Intelligence Project Synthetische Drugs lijken dus te gaan werken. Dan kun je die veel meer breed, ook in andere regio's, uitrollen. De bestedingsperiode loopt nog tot 2021. Die regio's zijn nu echt door de opstartfase heen, en het gaat nu in een flink tempo.

Voorzitter. Dan zijn er een aantal vragen geweest over het zogenaamde brede offensief tegen de georganiseerde ondermijnende criminaliteit. Dat is echt een basis voor de komende tien jaar; dat wil ik hier nog eens benadrukken. Een aantal van uw leden heeft er ook zelf aan gerefereerd. In antwoord op de vragen daarover zeg ik nog dit. We trekken daar dit jaar 141 miljoen voor uit. Dat loopt daarna op naar 150 miljoen structureel. Het gaat om oprollen, afpakken en voorkomen. Ik ga nu die drie aspecten nog even kort doorlopen. Er zijn heel veel akelige voorbeelden van te geven, en die zal ik u omwille van het feit dat we nog een hele dag hebben, besparen. Maar dat varieert van enorme ladingen cocaïne die via de haven van Vlissingen gaan, via de drugscriminaliteit die vanuit Spanje tot ons komt en waar we ook steeds meer inzetten op liaisons op andere plekken binnen en buiten Europa, tot bijvoorbeeld het tegengaan van allerlei financiële stromen, maar daar kom ik zo dadelijk nog uitvoeriger op.

Mevrouw Van der Graaf stelde een terechte vraag over de maatschappelijke kosten van drugshandel en drugsgebruik. Ik wil haar het volgende voorleggen. We hebben op dit moment heel veel onderzoeken op dit punt. De Nationale Drug Monitor mag ik van harte onder de aandacht van iedereen brengen. Daarin staan alle cijfers rondom drugshandel, drugsproductie, drugscriminaliteit en drugsgebruik. Daarnaast levert Nederland informatie aan internationale monitoringsinstrumenten van het EMCDDA en vooral aan het Anti-Drugs Agentschap in Wenen. Ik heb daar op 11 september 2019 in een debat met uw Kamer vrij veel aandacht aan besteed. Ik ben graag bereid het volgende te doen: tijdig, dus echt begin januari, voordat we met reces zijn, stuur ik een overzicht van wat we op dit moment aan onderzoeks- en monitoringsinstrumenten hebben, omdat het WODC bij mij afgelopen zomer onder de aandacht heeft gebracht dat we zo veel mooie onderzoeken of toegang tot lopende onderzoeken hebben dat die onder de aandacht van de Kamer zouden moeten worden gebracht — bij dezen — zodat we veel sneller kunnen schakelen als er bepaalde onderzoeksvragen zijn. Ik vind de vraag heel terecht. Ik wil aan mevrouw Van der Graaf voorleggen dat ik begin januari met een overzichtsbrief kom met daarin alle onderzoeken en waar ze over gaan. Dan kunnen we op grond daarvan concluderen waarnaar nog onderzoek ontbreekt, waarna we vervolgens met elkaar kunnen zeggen: daar moeten we nu aanvullend onderzoek op doen. Dan kan het veel sneller, dan kunnen we namelijk tot conclusies komen.

De voorzitter:
De minister is klaar met dit onderdeel, begrijp ik. Mevrouw Van der Graaf.

Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):
Ik zie ook dat er op zich heel veel bekend is, maar wel heel gefragmenteerd. We weten natuurlijk wat de aantallen drugsdoden zijn, maar we weten bijvoorbeeld niet hoeveel mensen indirect aan de gevolgen van drugs, drugsgebruik of drugscriminaliteit zijn overleden. Er zijn veel indirecte gegevens niet bekend, er zijn veel opruimkosten, gemeenten maken kosten, medeoverheden maken kosten, de zorg, het is heel erg breed. Ik zou daarom heel erg graag in brede zin de minister mee willen geven om dat uit te zoeken en ook om dat regulier te monitoren. Want de laatste cijfers over drugsdoden en drugsverslavingen dateren van vijf jaar geleden. Dat is wel heel erg lang geleden. Onze actuele cijfers ontbreken, dus we zullen dit echt moeten monitoren, willen we echt kunnen weten of het door minister en kabinet ingezette beleid een beetje effect heeft.

Minister Grapperhaus:
Mevrouw Van der Graaf is altijd heel goed voorbereid, dus ik moet even heel voorzichtig zijn, maar de jaarlijkse Nationale Drug Monitor — die ik altijd met afgrijzen lees — geeft volgens mij echt heel goede, juist recente gegevens, tot en met details over de synthetische samenstelling van weer een nieuwe drug die is opgedoken. Maar ik wil nogmaals benadrukken wat ik wil doen: begin januari wil ik inventariseren wat we allemaal aan onderzoek hebben, en voor mijn part stuur ik ze dan meteen integraal mee. Dit zou nog ontbreken om de vraag die mevrouw Van der Graaf hier terecht stelt te beantwoorden. Dan kunnen we nog voor het reces in een AO of anderszins besluiten of we dat snel als onderzoek inzetten. Dan kan dat onderzoek ook veel korter duren dan wanneer je het allemaal opnieuw zou gaan inzetten.

Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):
Inderdaad even een correctie. De verslavingscijfers dateren van vijf jaar geleden, maar er wordt inderdaad wel jaarlijks gemonitord over het aantal mensen ...

Minister Grapperhaus:
Dat is juist.

Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):
... dat sterft aan de gevolgen van drugs. Dat is niet gering. In januari stierf daar iedere werkdag iemand aan, dus we hebben best een groot probleem. Mag ik de minister concreet vragen of hij de maatschappelijke kosten van de drugshandel, de productie, de criminaliteit en het drugsgebruik in beeld wil brengen? Het kan dan als toets langs die meetlat worden gelegd. Kunnen we dat in januari naar de Kamer krijgen?

Minister Grapperhaus:
Ja, dat ga ik allemaal in kaart brengen, dat laatste stukje mede namens collega Blokhuis. Ik moet dit nog wel even aan hem voorleggen om te zien of hij dit, net als ik, wil doen voor de openstaande dingetjes rond drugsgebruik. Ik heb het gevoel dat hij daar ook voor voelt, maar hij moet daar nog wel even over beslissen. Maar we gaan het zo doen.

De voorzitter:
Gaat u verder.

Minister Grapperhaus:
Voorzitter. Ik ga kort even wat over oprollen zeggen, alleen datgene wat echt belangrijk is. Ik hoor de zorgen van uw leden. Kunnen we wel op tegen wat al die criminelen doen? Als ik EncroChat noem, dan zullen velen overeind veren en zeggen: daar hebben we echt met de opsporingsdiensten een enorme slag geslagen, want het gaat over miljoenen berichten van duizenden criminelen. Zoals de politie het zelf tegen mij zei, is daarmee een soort blauwdruk van de onderwereld verkregen. U heeft net voor het reces een aantal schokkende uitwerkingen gezien van een paar van die berichten. Het heeft tot nu toe tot enorm veel zaken geleid. Het hoofd van de Landelijke Eenheid zei treffend: vaak heb je een zaak en moet je er bewijs bij zoeken, maar hierbij is het omgekeerd; hier hebben we het bewijs en hoeven we alleen nog maar de zaak erbij te zoeken. Maar dat neemt niet weg ... Ik wil dit toch nog een keer benadrukken. We rolden in de eerste helft van dit jaar 65 productielocaties voor synthetische drugs op. Vorig jaar waren dat er in het hele jaar 90. De Mexicanen kwamen gisteren even ter sprake in de bijdrage van een uw leden. In de eerste zes maanden hadden we acht crystalmethlabs tegenover negen in totaal in het hele jaar 2019. Dat zegt echt iets over goed recherchewerk, maar ook over de ernst van de problematiek. We investeren vanaf volgend jaar 82 miljoen euro per jaar in het MIT. Dat wordt echt het meest verregaande samenwerkingsverband ooit op het gebied van intelligence, toezicht, handhaving en opsporing. Dat is mede opgericht naar aanleiding van de motie-Heerma/Dijkhoff van vorig jaar. Tot zover even het oprollen. Ik kom zo nog op afpakken.

De voorzitter:
Ik zou de ondermijning toch even eerst doen.

Minister Grapperhaus:
Zal ik dat even eerst doen?

De voorzitter:
Ja. Daarna geef ik mevrouw Helder het woord.

Minister Grapperhaus:
Nog even over het criminele vermogen. Daar is terecht in veel vragen aandacht voor gevraagd. Er is groot commitment onder alle betrokken partners om daar beter in te worden. Daarom werk ik aan een meerjarenplan om de afpakresultaten te verbeteren. We moeten echt structureel zorgen dat daar meer uitkomt. Een van de dingen is destijds als eerste door de heer Groothuizen naar voren gebracht: het afpakken van crimineel vermogen zonder voorafgaande veroordeling voor een strafbaar feit. Daar zijn allerlei voorbeelden van mogelijk. Als je in een pand op zoek bent naar illegale wapens en je een half miljoen euro tegenkomt, dan is het het makkelijkst als je daar gewoon beslag op kunt leggen als overheid. Iemand zal dan met een geldige titel moeten komen om te laten zien dat hij dat geld op rechtmatige wijze heeft verkregen. Maar je kunt veel verder gaan om op die manier ook allerlei verhullende eigendomsconstructies met katvangers op te pakken. Voor degenen die in uw Kamer heel erg met dit onderwerp bezig zijn, wil ik benadrukken dat ik kijk naar het Brits-Ierse model. Ik heb hier veel met mijn Italiaanse collega Bonafede over gesproken, maar het Italiaanse model is niet heel goed in ons land, in ons rechtsstelsel, in te passen, dus ik kijk naar het Brits-Ierse model.

Dan waren er wat vragen over de poortwachtersfunctie op dit punt van banken. Mevrouw Buitenweg gaf aan dat dat niet altijd goed wordt opgenomen. Daar heb ik nu actie op ondernomen ten aanzien van de toename van de meldingen van ongebruikelijke transacties. Er zijn ook maatregelen getroffen om de kwaliteit en de opvolging te verbeteren. We hebben de specialistische capaciteit uitgebreid bij de zogenaamde Financial Intelligence Unit-Nederland maar ook bij politie, FIOD en OM. Ook in dat MIT wordt extra geïnvesteerd, juist in dit specialisme. Daar zal ik ook periodiek over blijven rapporteren. Ten slotte heb ik de afgelopen tijd ook de publiek-private samenwerking met de banken binnen het zogenaamde FEC en in de zogenaamde Fintel Alliance, dat is een samenwerkingsforum tussen de vier grootbanken en de FIU, uitgebreid met steun van collega Hoekstra. Zo kunnen we de effectiviteit van de meldketen ook vergroten.

Een zijstap, maar dat heeft hier ook mee te maken, betreft het Landelijk Meldpunt Internet Oplichting en de samenwerking daar. Daar is nu ook sprake van een versterking van de gegevensdeling tussen politie en banken. Binnenkort bespreek ik met uw Kamer nog het wetsvoorstel Gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden. Daar zal ik nu niet uitvoerig op ingaan.

Ten slotte nog snel het onderwerp voorkomen bij ondermijning. Dan heb ik dat onderwerp helemaal gehad. Ik heb daar dit jaar 15 miljoen euro extra in geïnvesteerd. Daarbij gaat het om het voorkomen van criminele carrières van jongeren in acht grote steden. U heeft bijvoorbeeld kunnen zien dat Utrecht-Zuid is gestart met de pilot van het onderwijsprogramma Kapot Sterk. Dat is echt gericht op kinderen uit groep 7 en 8, die leskrijgen van een officier van justitie, een wijkagent en een ervaringsdeskundige om ze — ik vind het vreselijk om te zeggen — weerbaarder te maken tegen mogelijke ronselpraktijken en dat soort dingen. Het is gewoon nodig dat dat gebeurt. Over de noodzaak daarvan hoef ik het dus verder niet te hebben.

De heer Moorlag wees in zijn vraag ook op de noodzaak van de wijkgerichte aanpak. Maar dan moet je dus ook investeren in betere leefbaarheid, dat het daar leefbaarder wordt. Dat betekent dat je ook de veiligheid daar onderdeel van moet zijn. In ieder geval zal daar de komende jaren tot en met eind 2022 veel geld voor worden vrijgemaakt.

Dan nog de coördinator ondermijningsaanpak. Ik durf het bijna niet te zeggen, maar daar was door de heer Van den Berge — ik zal zijn partij niet noemen — een motie over ingediend. Daarvoor is inmiddels een programmadirecteur-generaal ondermijning benoemd, die daar een rol in speelt.

Dat is het even.

Mevrouw Helder (PVV):
Toen de minister sprak over EncroChat haalde hij een uitspraak aan van het hoofd van een landelijke eenheid. Maar in dat interview zei zij ook iets anders. Ze had het over strenger straffen in Nederland. Daarover zei zij: "Ik zou willen dat onze doelgroep dat ook zo beleeft". Dus waarom zegt de minister daar nou werkelijk geen woord over? Niet in zijn brief over dat brede offensief, niet in zijn beantwoording van de schriftelijke vragen en nu in dit ellenlange betoog ook niet? Waarom niet? Want zij ziet duidelijk wel de preventieve werking van wat strenger straffen, net als mijn fractie.

Minister Grapperhaus:
In algemene zin moet opgemerkt worden dat Nederlandse rechters in vergelijking met een decennium geleden juist hogere vrijheidsstraffen opleggen, dus in het algemeen strenger straffen. Verder hebben we hier nu eenmaal een machtenscheiding. We hebben voor een aantal delicten de straffen verzwaard aangezet, maar het is uiteindelijk de rechter die in Nederland bepaalt hoe er geoordeeld moet worden. Ook uit internationaal onderzoek blijkt dat de Nederlandse rechter qua gestrengheid van het repressieve beleid, als ik het zo maar even mag zeggen, niet onderdoet voor zijn collega's in andere West-Europese landen.

Mevrouw Helder (PVV):
Uit onderzoek blijkt duidelijk van wel. En decennia geleden hadden wij hier geen mocromaffia en geen Mexicanen met xtc-labs. Dus hoe soft wil je zijn? Maar dan vraag twee, want ik kom hier in de tweede termijn wel op terug. Vraag twee gaat over dat afpakken. Een tijdje geleden hadden we het, heel vaak zelfs, over een revolverend fonds: wat wordt afgepakt, wordt ondergebracht in een apart fonds waarmee dan weer capaciteit kan worden aangezocht voor de politie en de hele strafrechtketen om dat afpakken ook aantrekkelijk te maken voor de mensen die in die afpakketen werkzaam zijn. Ik weet dat dat geen structureel geld is. Dat is dus lastig, maar om dat helemaal onbesproken te laten ... Zou de minister daar toch nog eens naar willen kijken met de kennis van nu?

Minister Grapperhaus:
Ik hecht er wel aan te zeggen dat de mocromaffia of welke onderwereld dan ook beslist niet is terug te voeren op de rechtsspraak in Nederland. Ik vind het in onze rechtsstaat echt van belang om dat te zeggen.

Mevrouw Helder (PVV):
Dat heb ik niet gezegd.

De voorzitter:
U mag dat even rechtzetten als dat niet uw bedoeling is. Dat tel ik niet mee als interruptie, maar u mag het verduidelijken.

Minister Grapperhaus:
Oké, dan had ik dat … Ik hoorde iets over … Maar dan hebben we dat heel duidelijk. Maar dan is er nog een ander punt. Ik vind het punt van mevrouw Helder zeer begrijpelijk. Dat heb ik ook steeds gezegd. Maar er is in dit regeerakkoord nu eenmaal om hele goede redenen gezegd dat we uit de opbrengsten niet een fonds zouden oprichten, want dan zou je twee effecten krijgen. Het eerste effect zou zijn dat, als je niet oppast, de strafrechtketen zich onbewust toch meer gaat richten op zaken waar dit soort opbrengsten te vinden zijn. Dat is bijvoorbeeld niet het geval bij kinderporno; ik noem maar even wat. Het tweede effect zou zijn dat je dan conjunctureel heel erg afhankelijk bent. Ikzelf zou vinden dat het een idee is om er bij de volgende formatie over te denken om een percentage van, laat ik zeggen, 20% van die zaken hierin terug te investeren, met name — daar heeft mevrouw Van Toorenburg altijd voor gepleit — in de gemeenschappen die het meest getroffen zijn. Want mevrouw Helder is het onmiddellijk met me eens dat de ondermijning vooral zo ondermijnend is omdat die zware criminelen zich vestigen in wijken die kwetsbaar zijn, met mensen met middeninkomens of daaronder, die gewoon hun best doen in het leven en ineens naast de ene of andere doodenge pillenboer blijken te wonen.

De heer Moorlag (PvdA):
Het risico in die wijken is dat jongeren gaan afglijden naar criminaliteit. De jeugdwerkloosheid loopt op. Een heleboel scholieren kunnen op dit moment geen stage lopen. Eerlijk gezegd hou ik mijn hart vast dat er veel talent verloren gaat en dat dat talent gaat opbloeien in de criminaliteit. Dat moeten we zien te voorkomen. Ik heb in mijn bijdrage in feite gevraagd of de minister dat urgentiebesef voelt. Neemt hij de signalen van de vijftien burgemeesters in het manifest serieus? En is hij, als die criminaliteit en dat risico verder oplopen, bereid om daar gewoon aanvullend beleid op te gaan formuleren?

Minister Grapperhaus:
Ja, dat bevestig ik. Dat heb ik ook steeds gezegd, maar de heer Moorlag en ik hebben elkaar natuurlijk niet zo vaak gesproken. Juist daarom zei ik in september 2019, na de laffe moord op Derk Wiersum — laten we daar echt nog even bij stilstaan — dat we niet alleen moeten oprollen en afpakken, maar dat we ook moeten voorkomen. Ik heb daarna — het is misschien vreemd dat de minister van Justitie en Veiligheid dat doet — juist ook met schoolleiders over dit soort punten gesproken, samen met collega Dekker. Hij zal daar ongetwijfeld ook iets over zeggen, misschien nog wel meer. We hebben ook gesproken met burgemeesters en schoolleiders in het kader van de verschrikkelijke steekincidenten en het dragen van wapens door bepaalde jongeren. Dat zijn allemaal dingen waar je helemaal aan de voorkant op moet insteken. Juist daarom noemde ik Kapot Sterk, want dat richt zich op de groepen 7 en 8. Dat zijn kinderen van 10 en 11. Daar moeten we dus al mee aan de slag, maar we moeten ze niet alleen vertellen "pas op"; we moeten ze ook perspectief bieden.

De heer Moorlag (PvdA):
Ik wil de minister toch oproepen. De minister refereert aan acties die hij in november 2019 heeft ondernomen. Maar het effect van de coronacrisis is juist dat de jeugdwerkloosheid oploopt en dat scholieren geen stage meer kunnen lopen. Ik heb in mijn bijdrage gepleit voor het niet alleen vergroten van het aantal repressieve maatregelen, maar het ook inzetten op de preventiekant. Mijn vraag aan de minister, of eigenlijk mijn oproep, mijn cri du coeur, is: zet u zich daar alsjeblieft extra voor in.

Minister Grapperhaus:
Ja. Ik denk dat ik daar alleen maar instemmend op kan antwoorden.

De voorzitter:
Dat denk ik ook. Gaat u verder.

Minister Grapperhaus:
U denkt het ook. Oké, goed.

De voorzitter:
Ja.

Minister Grapperhaus:
Voorzitter. Ik ben inmiddels een heel stuk verder. Ik ga nu in op het punt van bewaken en beveiligen. Daar zijn ook een aantal terechte vragen over gesteld. Laat heel duidelijk zijn dat we volgend jaar al 40 miljoen structureel extra hebben voor bewaken en beveiligen, en dat dat nog oploopt naar 55 miljoen. Ik vind het verschrikkelijk om dat te moeten zeggen, want het is gewoon een enorme hap extra geld, terwijl je dat natuurlijk veel liever zou besteden aan het oprollen of voorkomen van criminaliteit. Maar we hebben dit dus echt nodig om mensen die veiligheid te bieden. Ik hoorde de heer Van Nispen zeggen dat we wachten met investeringen in het stelsel, maar ik wil u er echt op wijzen dat we door de toegenomen druk op het stelsel inmiddels structureel investeren in onder andere aanvullende capaciteit en alternatieven in de uitvoering. Op dit moment is de werving, selectie en opleiding van de regionale teams bewaken en beveiligen gaande. In 2021 zijn de eerste teams operationeel inzetbaar, en die zullen we specifiek gaan inzetten voor de uitvoering van maatregelen rond bewaken en beveiligen, en voor een deel van de taak die nu wordt uitgevoerd door leden van de bewakingseenheden. Ik vind de vraag zeer terecht en ik hoop in het voorjaar hierop te kunnen terugkomen, om te laten zien dat men inmiddels op die en die manier aan de slag is en we daar dan inmiddels de resultaten van zien in de praktijk.

Ik wil specifiek iets zeggen over de positie van journalisten. Daar is vooral door mevrouw Yeşilgöz aandacht voor gevraagd en ik vind dat zeer terecht. Laten we daar heel duidelijk over zijn. De vrije, kritische en onafhankelijke journalistiek vormt een belangrijk fundament onder onze democratie. Agressie en geweld richting journalisten past gewoon niet binnen deze samenleving. Voor wat betreft uniformiteit in de afhandeling van aangiften geldt al het Protocol agressie en geweld tegen journalisten. Verder is er ook nog het Protocol PersVeilig van het OM, dat vooral is gericht op werkgevers. Ik kan ook de gedachte van mevrouw Yeşilgöz goed volgen om freelancers ook mee te nemen. Want het maakt voor jezelf natuurlijk uit als je als journalist gewoon zzp'er bent en niet zo'n groot mediaconglomeraat als werkgever achter je hebt staan, maar dat maakt voor mij niet uit. Dat mag ook niet uitmaken. Die mensen moeten gewoon honderd procent dezelfde bescherming hebben als er ook maar een zweem van dreiging is. Ik zal daarover in gesprek gaan met de NVJ en ook met het Nederlands Genootschap van Hoofdredacteuren, om te kijken hoe zij dit zien, want zij zitten natuurlijk veel meer in de buurt van de werkvloer, en hoe we dit voor freelancers zouden kunnen oppakken. Als het nodig is om daar de zzp-bonden bij te betrekken, moeten we daarnaar kijken, maar ik wil vooral praten met de mensen die hier journalistiektechnisch iets over kunnen zeggen.

Mevrouw Yeşilgöz vroeg ook naar de kroongetuigen. Ik denk dat het goed is als ik eerst iets algemeens zeg over de risico's bij strafzaken. Als er dreiging of andere risico's zijn voor advocaten, rechters, officieren van justitie en journalisten, worden passende beveiligingsmaatregelen getroffen in het kader van het stelsel bewaken en beveiligen. Wordt er gebruikgemaakt van kroongetuigen, dan bestaan er voor hen en hun familie en andere naasten ook beschermingsmaatregelen. Er wordt steeds per zaak bekeken of en, zo ja, in welke mate die bescherming nodig is. Dat geldt ook voor de eventuele rechtsbijstandsverlener van die laatste categorie. Ik kan daarover niet in detail treden. Er wordt op dit punt een vertrouwelijke technische briefing georganiseerd. Er heeft al een technische briefing over kroongetuigen en getuigenbescherming in september plaatsgevonden, maar ik wil de technische briefing over het stelsel bewaken en beveiligen in dit licht graag hierbij aanbieden. Dat moet wel een vertrouwelijke technische briefing zijn. We onderzoeken de mogelijkheden en voorwaarden van verruiming van de kroongetuigenregeling. We kijken bijvoorbeeld ook naar de maximaal toe te zeggen strafkorting voor kroongetuigen die zelf van minder ernstige feiten worden verdacht of een faciliterende rol in het geheel hebben. Daarmee ben ik aan het einde van mijn punten, voorzitter.

De voorzitter:
Van alle punten die betrekking hebben op ondermijning?

Minister Grapperhaus:
Ja. Ik heb alleen nog een stukje zeden en een stukje nationale veiligheid, dus het gaat nu heel snel.

De voorzitter:
Dat is goed. Mevrouw Helder is al geweest, dus eerst mevrouw Yeşilgöz-Zegerius en dan mevrouw Buitenweg.

Mevrouw Yeşilgöz-Zegerius (VVD):
Dank aan de minister dat hij de punten herkent en wil oppakken. Hij noemt daarbij in één blok de journalisten en kroongetuigen. Daar wil ik graag vragen over stellen om het iets te verduidelijken. Wij hebben gisteren vragen gesteld en die zijn schriftelijk beantwoord; dank daarvoor. In de schriftelijke antwoorden zie ik dat de minister over het Team Bedreigde Politici zegt dat hij even wil kijken of hij dat kan uitbreiden. Ik begrijp dat er misschien iets anders voor journalisten zou moeten. Ik ken de protocollen en ik ken persveiligheid. Ik heb hier eerder gestaan met voorbeelden van journalisten die zeggen dat hun aangifte niet op die manier wordt opgenomen en dat ze daar meer steun bij nodig hebben. Daar krijg ik graag nog een reactie op.

En als ik mijn journalistenvraag mag afronden, voorzitter, zou ik willen zeggen dat ik heel blij ben dat de minister met verschillende partijen om tafel gaat wat betreft die freelancers. Het gaat echt over mensen die bijvoorbeeld camera's zouden willen, maar die dan uit eigen zak moeten betalen, terwijl het voor hun werk nodig is. Zij hebben tegen ons gezegd: kijk nou of mediabedrijven mee kunnen betalen, zodat er niet straks een fonds alleen vanuit de overheid komt, waardoor onze onafhankelijkheid misschien ter discussie gesteld wordt. Kan de minister dat meenemen? Kan hij gesprekken voeren met mediabedrijven die wellicht gebruikmaken van freelancers? Wil hij zeggen: als iedereen iets neerlegt, dan kunnen we ook freelancers op een goede manier bedienen als het gaat om hun veiligheid?

Minister Grapperhaus:
Ik wil de toezegging nog wat uitbreiden, want ik denk dat het ook goed is om in dat gesprek met de NVJ en het genootschap het punt aan de orde te stellen dat er kennelijk aangiften zijn die niet goed aankomen. We hebben daar eerder in het mondelinge vragenuur ook al eens over gedebatteerd. Ik heb naar aanleiding van het debatje in het mondelinge vragenuur dat we toen hebben gehad, meteen actie laten ondernemen. Ik krijg daar wel wat over terug, maar dan kom je juist ook in een heel vertrouwelijke individuele zaak terecht. Ik denk dat het alleen maar een beetje daar langs komt, want anders is het voor uw Kamer ook frustrerend, als ik toezeg dat ik aan de NVJ en het genootschap vraag om aan te geven waar dingen, al dan niet op bepaalde punten, niet werken. In dat gesprek haal ik dan natuurlijk ook meteen de betreffende verantwoordelijke van de korpsleiding van de politie erbij, zodat we zaken kunnen doen.

De voorzitter:
En de freelancers?

Minister Grapperhaus:
Daar had ik toch al van gezegd dat ik dat ging doen?

Mevrouw Yeşilgöz-Zegerius (VVD):
Dan neem ik die toezeggingen. Dank daarvoor. Dan maak ik mijn vraag even af, als dat mag, voorzitter. Ik denk dat mijn collega Buitenweg over de pers door wil gaan, maar ik wil toch nog iets over de kroongetuigen vragen. Ook daar heeft de minister net uitgebreid over gesproken. Het is fijn als wordt bekeken hoe de kroongetuigenregeling verruimd en eventueel gemoderniseerd kan worden. Er zijn nog andere aspecten die verbeterd zouden kunnen worden. Het is heel fijn als de minister die ook zou willen meenemen. Daar heb ik gisteren geen aandacht voor gevraagd, want zo veel tijd hadden we nou ook weer niet. Hij zei ook dat er tijdens de strafzaak wordt bekeken wie er helaas beveiliging nodig heeft. Mijn verzoek is al een jaar om dat naar voren te halen, dus om dat in kaart te krijgen voordat je aan een strafzaak begint, ook wat betreft advocaten, rechters, officieren en wellicht potentiële journalisten die daarover gaan schrijven, zodat je van tevoren weet wat voor pakket je nodig hebt en welke middelen je nodig hebt. Dan kunnen wij ons ook inzetten, indien nodig, als er een tekort ontstaat.

Minister Grapperhaus:
Ik vind dat een terecht punt. Ik heb een tijd geleden met OM en politie ook besproken dat we echt aan het begin van een zaak moeten kunnen overzien wat die gaat betekenen. Ik heb nu die 40 tot 50 miljoen extra voor bewaken en beveiligen, maar je moet op enig moment ook afwegingen kunnen maken. Dat is een heel lastige afweging, want je wilt ook weer niet dat je een bepaalde zaak niet kunt doorzetten omdat je bepaalde bescherming niet zou kunnen bieden. Het is nu al zo dat de NCTV dit in zijn dreigingsanalyses vooraan in het traject afweegt. Ik denk dat het het verstandigste is om dit aspect mee te nemen in de vertrouwelijke technische briefing die ik heb aangeboden. Daar zal dan een presentatie over worden gegeven.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Er zijn een aantal zaken gezegd over de journalisten en de freelancers. Dat is hartstikke belangrijk. In mijn bijdrage heb ik gezegd dat het niet alleen daartoe beperkt moet blijven. Je ziet dat er in het maatschappelijke debat veel meer mensen onder vuur liggen. We hebben dat in het afgelopen jaar gezien bij Akwasi en Gargard, maar ik weet dat ook een aantal directeuren van maatschappelijke organisaties zich af en toe onveilig voelen en dat ze daar ook reden voor hebben. Ik vind dat er een grote stap wordt gemaakt. De minister schrijft in zijn beantwoording dat er uiteindelijk geen enkel beroep uitgesloten is van het stelsel bewaken en beveiligen. Maar dat is nogal een stap. Vaak is dát dan niet nodig, maar moeten we wel nadenken over hoe we omgaan met de situatie. Wat voor veiligheidsmaatregelen moeten we nemen? Wie draait daar inderdaad voor op? Want het zijn ook vaak individuen die ineens in een verhit maatschappelijk debat zitten, waarbij zij de klappen vangen. Ik zie dat er wel veel geregeld wordt voor geïnstitutionaliseerde journalisten, hopelijk dan ook voor de freelancers, en gelukkig ook voor politici. Maar hoe gaan we nou om met zo'n groep mensen? Want zij voelen zich heel vaak alleen staan.

Minister Grapperhaus:
Het klinkt weer als een dooddoener als ik zeg: er komt een vertrouwelijke technische briefing. Laat ik dus eerst even hiermee beginnen. Het is zeer juist dat dit punt is aangestipt. We zien polarisatie. Ik zal zo iets zeggen over de nationale veiligheid in dat verband. We hebben dat ook gezien met de leraren. Op een gegeven moment komen mensen in een bedreigende situatie, terwijl je dat van tevoren niet zo had kunnen voorspellen. Dat breidt zich inderdaad uit tot, zoals mevrouw Buitenweg noemde, mensen die vooraanstaand zijn in een maatschappelijke organisatie die onder vuur ligt. Maar de leraren zijn ook als voorbeeld genoemd. De NCTV schrijft daarom het dreigingsbeeld van Nederland. Daarin is het punt van de polarisatie in Nederland heel erg duidelijk aan de orde gekomen en ook de gevolgen daarvan voor onze veiligheid. Bij de NCTV zit het al heel snel op het niveau van veiligheidsanalyses. Daar kan ik nu verder natuurlijk niet op ingaan. Daarom zeg ik dat we daar echt in zo'n vertrouwelijke briefing met elkaar doorheen moeten. Laten we dat snel doen, want dan kunnen we daar in januari, als u dat op prijs stelt, nog een keer een inhoudelijk debat over voeren of zeggen dat daar meer op moet gebeuren. Maar het grote kwaad of de grote zorg is natuurlijk wel dat het zich niet meer beperkt tot de pure hoeders van de rechtsstaat, maar dat het zich ook steeds meer uitbreidt tot mensen die gewoon hun werk doen in dit soort situaties. Daar vraagt mevrouw Buitenweg terecht aandacht voor.

De voorzitter:
Mevrouw Buitenweg? Nee? Dan ga ik naar mevrouw Van der Graaf.

Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):
Onder het kopje ondermijning past volgens mij ook het kopje drugs. Heb ik dat goed?

Minister Grapperhaus:
Wat mij betreft wel.

Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):
Goed, dan is nu het moment aangebroken. We hebben gisteren en het afgelopen jaar met heel veel partijen aandacht gevraagd voor de problemen met lachgas en designerdrugs zoals 3-MMC, waar kinderen van 14, 15 jaar aan verslaafd raken, helemaal in deze coronatijd. Er zijn grote problemen. In maart van dit jaar kondigde het kabinet aan dat het daar iets aan zou gaan doen en dat het met wetgeving zou komen om dit aan te pakken. In antwoord op de vragen die ik gisteren heb gesteld, lees ik nu dat het kabinet nog steeds kijkt naar de uitvoeringsconsequenties, inclusief de budgettaire gevolgen, en dat er niet eens een tekst ligt die naar de Raad van State is gestuurd. Het kabinet talmt, terwijl we een enorm probleem hebben. Ik vraag actie van het kabinet om snel een tekst naar de Raad van State te sturen, zodat we ons als Kamer hierover kunnen buigen en deze drugs aan banden kunnen leggen.

Minister Grapperhaus:
Daarin trek ik samen op met de heer Blokhuis, de staatssecretaris van VWS. Mevrouw Van der Graaf weet dat de heer Blokhuis en ik wat dat betreft volledig dezelfde kant op denken, maar dat we nog steeds dit op een heel zorgvuldige manier in de uitvoering moeten zetten en dan de budgettaire consequenties ook goed moeten bekijken. Ik kan u zeggen dat wij daar nog deze week over spreken, want dit ligt zeer vooraan op ons bureau, om het maar even zo te zeggen. Dit moeten we echt met twee ministeries op een zorgvuldige manier oppakken. Ik realiseer mij die urgentie.

De voorzitter:
U weet dat Kamerleden beperkte interrupties hebben. Als u zegt dat u deze week met Blokhuis gaat praten, wordt mevrouw Van de Graaf daarover geïnformeerd en de Kamer in elk geval?

Minister Grapperhaus:
Ja, ik zou dan voorstellen dat wij samen een brief aan u schrijven. Ik kan nog niet garanderen dat die er volgende week is, maar ik wil wel toezeggen dat we uiterlijk vier weken na vandaag zo'n soort brief naar uw Kamer schrijven over waar we staan.

De voorzitter:
Dat is goed. Gaat u verder.

Minister Grapperhaus:
Voorzitter. Ik ga naar het onderwerp zeden. Ik denk dat het goed is om in ieder geval voor het zedenwetsvoorstel dank uit te spreken aan uw Kamer, omdat we daar echt samen uit zijn gekomen, tot het punt dat ik nu in ieder geval in het voorstel een vergaande wijziging in de wetgeving heb gezet. Die houdt in dat er ook een schuldverkrachting bij verkrachting komt. Je behoorde te weten dat de ander geen seks wilde. Dat moet al die slachtoffers bescherming, in ieder geval strafbescherming, bieden die inderdaad niet hun wil goed duidelijk konden maken of konden bepalen, of die onder druk iets anders zeiden dan wat ze wilden. Dat is een uitgebreid traject geweest. Mevrouw Van Toorenburg vroeg naar de voortgang daarvan. Ik ben voornemens om het wetsvoorstel zo mogelijk al aan het begin van het voorjaar van 2021 naar de Raad van State te sturen.

Dan nog over veiligheid als landelijke opgave. De heer Groothuizen heeft mij, ook in verband met de veiligheid van vrouwen, gevraagd om de bevindingen uit de Veiligheidsmonitor, met name dat jonge vrouwen zich nog te vaak onveilig voelen op straat, onder de aandacht te brengen bij de VNG en het Veiligheidsberaad. Ik zal dat onderwerp daar niet alleen onder de aandacht brengen, maar ik ga er ook over in gesprek. Ik denk dat we daar juist op regionaal niveau echt goede meters op het punt van de veiligheid van jonge vrouwen kunnen maken.

Dan de deep nudes. Dat zijn pornografische video's of afbeeldingen die ongelofelijk schadelijk kunnen zijn voor iemands privacy. Even voor de goede orde, het gaat dus om het bewerken van bestaand pornomateriaal, zodanig dat daar andere gezichten op komen, enzovoorts. Mevrouw Van Toorenburg of mevrouw Buitenweg had het over bekende Nederlanders die dat overkomt, maar het kan dus iedereen overkomen. Het is dezelfde technologie als achter de deepfakes. Dit is een ontwikkeling die we goed in kaart moeten brengen want ook hiervoor geldt wat ik net tegen mevrouw Van der Graaf zei over de synthetische drugs. Het gaat mij er echt niet om dat we nog eens even hier een komma en daar een punt moeten draaien. Nee, ik wil echt dat we hierover wetgeving aan u kunnen voorleggen die ook technologisch doorwerkt en waarmee ook meteen allerlei varianten hierop of weer andere creatieve akelige bedenksels onder de strafbaarstelling vallen. Het WODC doet dus wat mij betreft nog dit jaar onderzoek naar het bredere verschijnsel van deepfakes. Het is bezig met de eventuele noodzaak van aanvullende wetgeving en strafbaarstelling, en hoe die eruit zouden kunnen zien.

Ik kom nog even heel kort op het heikele punt van de end-to-endencryptie. Daar loopt de politie tegenaan bij de opsporing van veel vormen van dit soort online criminaliteit, zoals online kinderporno. Ik wil benadrukken dat encryptie van belang is voor de privacy van ons allemaal, en voor de veiligheid van onze gegevens en communicatie. Die moeten we dus heel goed en zorgvuldig als uitgangspunt nemen. Een keerzijde is dat opsporingsdiensten daardoor hun werk vaak niet meer effectief kunnen doen. Ik ben bezig om in Europees verband te kijken hoe we op een proportionele en rechtmatige manier toegang kunnen krijgen in die gevallen waarin we zien dat dat dringend noodzakelijk is.

Voorzitter. Over cybersecurity heb ik al het een en ander gezegd. Daarbij heb ik ook aangegeven dat de versterking van de aanpak in onze cybersecurityagenda zit. Ik heb daar al het een en ander over gezegd bij de interrupties van de heer Groothuizen en de heer Van Nispen. Als u het goed vindt, laat ik dat nu verder voor wat het is.

Voorzitter. Dan kom ik op mijn laatste onderwerp. Dat is wel een heel zwaar onderwerp: de nationale veiligheid.

De voorzitter:
Mevrouw Buitenweg, is de minister iets vergeten?

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Een deel doe ik gewoon in mijn tweede termijn, mevrouw de voorzitter. Ik wil namelijk ook nog wat overlaten voor de heer Van Ojik. Maar ik heb toch nog een vraag. Die heb ik gisteren gesteld. Ongetwijfeld heb ik die niet goed geformuleerd, want de schriftelijke beantwoording gaat daar een beetje naast. Ik heb aangegeven dat het voor heel veel mensen ongelofelijk moeilijk is om allerlei zaken die online staan verwijderd te krijgen. Dat kan inderdaad om wraakporno gaan, maar niet alleen dat. In het rapport Voorziening voor verzoeken tot snelle verwijdering van onrechtmatige online content van het WODC staat het voorstel van het inrichten van een centraal kenniscentrum of meldpunt waar belanghebbenden terechtkunnen voor een integrale routekaart. Dat is heel nuttig, zodat ze heel snel weten waar ze heen moeten. Laat dit nou precies overeenkomen met de motie van de heer Van Nispen c.s. die in de Tweede Kamer is aangenomen. Daarin vragen we om zo'n kenniscentrum, zodat mensen precies weten waar ze kunnen aankloppen. Ik begrijp dan niet dat in de beantwoording staat: we denken toch dat dit niet nodig is. Waarom is dat het antwoord van het kabinet op een motie van de Kamer die aangenomen, terwijl het WODC bevestigt dat die motie nuttig was?

Minister Grapperhaus:
Ik doe het niet vaak en eigenlijk ook niet graag, maar ik moet dan toch toegeven dat ik hier in mijn schriftelijke beantwoording wellicht enigszins tekort ben geschoten. Ik zag zelf voor mij om iets dergelijks in te richten bij dat zelfstandig bestuursorgaan. Dat is een van de redenen waarom ik zei dat we een aantal dingen bij elkaar brengen in die autoriteit. Dat heb ik in mijn antwoord niet goed aangegeven.

De voorzitter:
Dus u komt hierop terug? Dat is het tweede punt, trouwens.

Minister Grapperhaus:
Ik kom daarop terug door te zeggen dat het mijn schuld is dat ik dat schriftelijk niet goed heb gedaan. Daarvoor mijn verontschuldigingen.

Ik wil heel kort uitleg geven over mijn insteek. Ik heb namelijk eerst geprobeerd om voor al deze onlinecontentproblematiek een andere, al bestaande instelling te vinden, die bereid zou zijn om die taak in een soort aparte onlinekamer op zich te nemen. Dat is mij om allerlei begrijpelijke redenen niet gelukt. Daarom heb ik bepleit om dat apart te doen. Het mooie daarvan is dat we dan een autoriteit hebben met gezag, die ook zo'n meldpunt kan vormen. Mensen weten dan ook echt waar ze naartoe moeten. Als je iets over consumentendingen wilt weten, of als je je vingers hebt verbrand aan je nieuwe tostirooster, kun je naar de ACM toe. Althans, dat veronderstel ik op dit moment even. Die heeft dan misschien een routekaart waarin staat: je kunt daar klagen.

De voorzitter:
Een routekaart?

Minister Grapperhaus:
Die routekaart zou bij die autoriteit terecht moeten komen.

De voorzitter:
Dus u komt erop terug.

Minister Grapperhaus:
Ik kom er alsnog op terug. Ik trek de lijn op dit punt in de schriftelijke beantwoording bij, als ik het zo mag zeggen.

Voorzitter. Ik kom nu op de nationale veiligheid, want ik vind dat een wezenlijk punt; laat dat heel duidelijk zijn. Het heeft ook mij enorm gestoord, dat wil ik hier meteen maar zeggen, dat Kamerlid Omtzigt op straat bedreigd is. Wij hebben de beelden gezien. Ik heb het toen al gezegd, maar ik blijf dat benadrukken: deze samenleving tolereert dit niet. Wij zijn niet van de bedreiging en de intimidatie, en dat soort dingen meer, van onze volksvertegenwoordigers, onze journalisten, onze leraren en anderen. Dat is nu juist het kenmerk van een vrije, open samenleving. Dit betekent dat ik mij in het kader van de nationale veiligheid dus niet alleen concentreer op de cybersecurity waar ik het eerder over heb gehad — daar ga ik nu niets meer over zeggen — maar dat ik ook een heel heftige taak heb op het punt van het tegengaan van het terrorisme, het terroristisch gedachtegoed en het zorgen dat er een weerbaarheid bestaat tegen de polarisatie en de radicalisering, waar ik net in het korte debatje met mevrouw Buitenweg al aan refereerde.

De rechtsstaat is niet een loos begrip. De recente aanslagen in Europa bevestigen dat de dreiging van een terroristische aanslag desondanks door een eenling of een groepering ook in Nederland nog steeds aanwezig is. Dit betekent dat wij waakzaam moeten blijven en dat actie vereist is. Ik wil hier uitgesproken hebben dat wij er alles aan doen om te voorkomen dat die radicalisering plaatsvindt, maar vooral ook dat die radicalisering leidt tot het soort terroristische aanslagen dat wij tot ons afgrijzen gezien hebben in Wenen, Parijs en Nice. Om te voorkomen dat terroristische en extremistische uitingen online ook maar enigszins vat krijgen op onze samenleving, zetten wij dus ook zeer in op het in beeld brengen daarvan via de nationale coördinator terrorismebestrijding en veiligheid.

Ik wil hier nog zeggen dat ook in ons land leraren bedreigd worden, dat Kamerleden niet meer op straat kunnen zijn, of zelfs dat een Kamerlid zich thuis niet meer veilig voelt. Dat moeten wij krachtig afwijzen, openbaar, maar wij moeten ook zorgen dat er maatregelen zijn zodat men zich wél veilig voelt. Wij voeren de discussie met elkaar op de plaatsen waar dat hoort in Nederland, en niet verder dan dat. Als mensen vinden dat ze dit moeten overschrijden, dan kan daar alleen maar lik op stuk op volgen.

Ik heb nog een hele tekst — maar die zal ik u besparen — over dat wij hier investeren …

De voorzitter:
Van mij hoeft u niets te besparen. Het gaat erom dat er antwoorden worden gegeven. Ik ga naar de heer Markuszower.

De heer Markuszower (PVV):
De minister is rolvast. Stevige woorden. "Lik op stuk." We moeten hier niet hebben wat we bijvoorbeeld in Frankrijk, in Parijs hebben gezien. Maar ja, de werkelijkheid is niet lik op stuk. Ik heb gister aan de minister gevraagd — ik heb dat niet in de schriftelijke beantwoording teruggezien — wat de minister nu precies gaat doen aan de bedreigers van bijvoorbeeld die docent in Leiden, die Leidse godsdienstdocent die zijn leerlingen lesgeeft. Die is bedreigd, net zoals Samuel Paty. Daar werd aan gerefereerd door de minister. De minister in Frankrijk heeft niet tijdig ingegrepen en Samuel Paty is onthoofd. De minister in Nederland grijpt niet in, terwijl de namen van de bedreigers van die Leidse godsdienstleraar bekend zijn. Op social media zijn die namen bekend. Dan ga ik er toch van uit dat het apparaat van de minister die ook kent. Hoe kan het dat we hier een minister hebben die zegt dat hij voor lik op stuk staat, dat stevig klinkt, terwijl de docent nog ondergedoken zit en zijn bedreigers, net als de moordenaars van Paty —zelfde laken een pak — wél nog vrij rondlopen?

Minister Grapperhaus:
Even heel duidelijk daarover: ik heb gezegd dat de politie en het OM hierop inzetten met lik op stuk. Zij kijken ook zeer goed naar de sporen die er online of anderszins zijn. U heeft dat gezien bij degene die is opgepakt in verband met het opruien van jongeren in Utrecht deze zomer om rellen te stichten. U heeft dat ook gezien ten aanzien van de bedreiging van de leraar in Rotterdam. Ik ga verder niet in op individuele zaken. U weet dat ik dat niet kan als minister van Justitie. Ik moet daar echt buiten blijven in het kader van de machtenscheiding in onze rechtsstaat. De heer Markuszower mag er echt op vertrouwen dat we erin investeren dat de politie, het OM en vooral ook de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid hier vol op kunnen inzetten. Ik doel dan op het creëren van veiligheid voor de mensen die volkomen ten onrechte, buitensporig en buiten onze rechtsstaat, aan bedreiging of intimidatie worden blootgesteld. Hun veiligheid moet geborgd zijn. Maar de heer Markuszower mag er ook op vertrouwen dat we de middelen beschikbaar stellen, zodat de politie ook echt kan opsporen en de mensen kan aanpakken die dit soort zaken op poten zetten, bedreigen en intimideren.

De heer Markuszower (PVV):
Ik constateer, ondanks de wederom rolvaste en stevige woorden, dat de docent nog zit ondergedoken en dat zijn bedreigers, die bekend zijn bij de politie, nog vrij rondlopen. Ik constateer ook dat de gemiddelde straf die wordt gegeven aan veroordeelde terroristen in Nederland bijzonder laag is. Ik vraag de minister — ik heb dat gisteren ook gevraagd, maar in de schriftelijke beantwoording van vandaag wordt dat niet beantwoord — wat hijzelf vindt van die verschrikkelijk lage straffen die worden gegeven aan veroordeelde terroristen in Nederland. Gemiddeld zijn dat straffen van anderhalf jaar. Onder het bewind van deze minister worden terroristen — niet omdat ik het verzin, maar omdat de rechter zegt dat het terroristen zijn — voor terroristische daden veroordeeld tot maximaal drie jaar. Maar er zijn ook straffen uitgedeeld van anderhalf jaar. Dat is toch niet serieus?

Minister Grapperhaus:
Ik begin met het laatste. De heer Markuszower weet, of kent althans mijn beantwoording op dit punt, dat ik als minister van Justitie en Veiligheid mij niet in te laten heb met en uit te laten over de uitspraken die rechters doen in onze samenleving. Zo hoort het ook. Dat u zich daar als Kamer over uitspreekt, is uiteraard helemaal aan de Kamer, maar ik moet daar ver van blijven. Vervolgens heeft de heer Markuszower een terecht punt dat we echt moeten zorgen voor een evenwichtige samenhang van preventie — voorkomen dat deze mensen in het radicaliseringstraject komen — repressie en bestuurlijke aanpak. Een bestuurlijke aanpak die zich bijvoorbeeld vertaalt in de bestuursrechtelijke gebiedsverboden voor mensen die het verkeerde gedachtengoed verspreiden. Een bestuurlijke aanpak die zich ook vertaalt in zaken als de onttrekking van het Nederlanderschap. En zo zijn er meer. De heer Markuszower mag ervan verzekerd zijn dat politie en OM van het ministerie de middelen en de mogelijkheden krijgen om daar vol op in te zetten. Wat daarvan de uitkomst bij de rechter is, hangt ook af van de concrete zaak. We hebben een uitstekende advocatuur in Nederland — dat mogen we rustig zeggen — en die doet daar ook haar werk in, maar dat hangt af van het bewijs. Maar ik wil heel duidelijk zeggen dat ik daarop niet kan ingaan.

De heer Moorlag (PvdA):
De minister sprak de juiste woorden over het afkeuren van intimidatie en bedreiging van politici. Maar wil de minister dan wel zorgen voor eenheid van beleid? Ik heb gezien dat er onder agrariërs een enorme radicalisering plaatsvindt. Organisaties bagatelliseren de holocaust en de politie wordt bedreigd. Bij acties is zelfs een politiepaard aangereden. Dan moet ik vaststellen dat de minister-president en de minister van Landbouw de rode loper uitrollen om vertegenwoordigers van die organisaties die deel uitmaken van een breder landbouwberaad toch als overlegpartner te accepteren. Ik heb daar mijn afkeuring over uitgesproken. Ik zou van de minister graag willen horen of hij wil bevorderen dat er echt eenheid van kabinetsbeleid is, en dat dat type organisaties, waar de NCTV ook in zijn rapportage aandacht aan schenkt, van overlegtafels worden geweerd.

Minister Grapperhaus:
Vindt u het goed, vraag ik via de voorzitter aan de heer Moorlag, dat ik, of liever het kabinet, daar in een brief op terugkomt? Want dat vergt, denk ik, een wat breder antwoord; u vraagt om het kabinetsbeleid. Ik kom daarop terug in een brief.

De voorzitter:
Goed. Gaat u verder.

Minister Grapperhaus:
Ik heb nog drie losse vragen. Die zal ik heel snel behandelen. Ik heb ook een antwoord voor mevrouw Van Beukering, en dan nog een klein slotwoordje, als dat ook mag.

Allereerst vroeg mevrouw Yeşilgöz terecht iets over compensatie van slachtoffers van bankfraude. Ik kan u vertellen dat het gesprek waar zij terecht naar vroeg door mij gevoerd is. Ik heb uw Kamer daarover bericht in een Kamerstuk van 2019 (28684, nr. 638). Banken vergoeden nu grotendeels de schade door de bancaire fraude, tenzij er bij iemand sprake is van grove nalatigheid. Maar er is iets nieuws, waarvan ik denk dat mevrouw Yeşilgöz en ook mevrouw Van Toorenburg, die daar heel vaak op aangedrongen hebben, en ik, dat als een grote vooruitgang zien. Met ingang van januari gaan ze onder voorwaarden de NAW-gegevens van fraudeurs aan slachtoffers verstrekken, zodat die in staat zijn om civielrechtelijk op te treden tegen fraudeurs. We hebben wel een reisje met elkaar afgelegd, om dat zo ver te krijgen. Maar gelukkig ben ik voldoende opgejaagd door uw Kamer om de banken daar ook echt op te blijven aanspreken. Ik blijf met ze in gesprek om hier ook verder in te komen.

De heer Wassenberg wil ik aangeven dat ik zeer stellig verwacht dat het wetsvoorstel over het houdverbod in december voor advisering naar de Raad van State gaat. Ik wil hardop uitspreken dat ik het ook niet fraai vind dat het lang geduurd heeft. Ik zeg erbij dat er de afgelopen tien maanden, juist door het coronaverhaal, wat complicerende factoren bleken te ontstaan, maar ik zeg gewoon hardop: de heer Wassenberg heeft terecht kritiek geuit. Dit had veel sneller gekund. Daarom wil ik dit toch nog eens hardop naar hem uitspreken.

Dan nog even de vraag van mevrouw Van Beukering. Ik denk dat er een interpunctiefout heeft gezeten in de betreffende schriftelijke beantwoording. Dus ook hier wil ik even duidelijk zeggen: er wordt niet geselecteerd op etniciteit. In beginsel gebeurt dat ook niet op nationaliteit, want dat kan soms gerechtvaardigd zijn. Daar heeft de Hoge Raad in het zogenaamde Moelanderarrest van gezegd dat dat kan, als dat goed wordt onderbouwd door passendheid en noodzakelijkheid. Dan noemt de Hoge Raad grensoverschrijdende criminaliteit. Dan ga ik weer terug — maar daar gaan we het nu niet over hebben, denk ik — naar dat project in Roermond. Maar dan heb ik dus nog steeds overeind waar mevrouw Van Beukering mij terecht aan houdt, namelijk wat ik heb gezegd ik het AO: selectie gebeurt niet op etniciteit.

Voorzitter. Dan heb ik nog een laatste vraag van mevrouw Buitenweg.

De voorzitter:
Ik zou die vraag maar beantwoorden.

Minister Grapperhaus:
Zal ik die doen?

De voorzitter:
Ja hoor, want ik zie de heer Wassenberg ook.

Minister Grapperhaus:
En daarna nog een slotwoord. Mevrouw Buitenweg vroeg aan elk van ons: hoe heeft u het nou ervaren? Maar daar voegde zij aan toe: de afgelopen kabinetsperiode. Dat vond ik wat somber, want we zijn er nog niet, dus het is misschien wat vroeg. Maar ik wil toch een voorlopige reactie geven. Allereerst zijn mij — ik laat het natuurlijk aan de collega's om daar hun ding over te zeggen — het ministerie en de mensen die daar werken erg goed bevallen. Onder de vorige secretaris-generaal en de huidige is de cultuur opener geworden. Mensen werken met gedrevenheid en kennis, en daar komt het, aan justitie én veiligheid.

Mijn tweede ervaring is dat het een ministerie is met, laat ik met een understatement zeggen, heel veel onderwerpen. Maar bij elkaar kan ik zeggen: je kunt ze niet uit elkaar halen. Ze horen bij elkaar. Ik heb het vaker gezegd: zonder justitie is er geen veiligheid. Als je justitie niet hebt, controleer je de mensen niet die voor je veiligheid zorgen. Erger is: zonder veiligheid geen justitie. Ik verwijs naar de Sovjet-Unie. Die had grondrechten, maar durf er daar maar eens voor op te komen. Dan kon je onverwarmd naar Siberië.

Voorzitter. Dan mijn derde ervaring, waarmee ik wil afsluiten. Corona is diep in onze samenleving ingeslagen. De pandemie heeft levens gekost en levens ontwricht. Ze heeft onze samenleving stevig uit het lood getrokken. Maar ik constateer echt nog steeds dat er een groot besef van saamhorigheid, vrijwilligheid en commitment gebleken is in Nederland. Dat is zo mooi, want wij zijn met z'n allen de rechtsstaat.

Dat is het, voorzitter.

De voorzitter:
Nee, meneer Groothuizen, ik heb nog de heer Wassenberg en mevrouw Yeşilgöz. Als u vooraan zit, ziet u dat niet. De heer Wassenberg.

De heer Wassenberg (PvdD):
Ik dank de minister in elk geval voor de toezegging dat het wetsvoorstel over het houdverbod snel naar de Raad van State gaat. Hopelijk kan het nog eind januari aan de Kamer worden aangeboden. Maar ik heb nog een vraag over de politiehonden. Ik wist niet precies waar ik die vraag moest stellen.

De voorzitter:
Dat was aan het begin.

De heer Wassenberg (PvdD):
Oké. Ik wil nu een vraag over de politiehonden stellen. De minister schrijft in de schriftelijke beantwoording dat er eigenlijk niet zo heel veel mis is. Tegelijk heeft de burgemeester van Rotterdam, de heer Aboutaleb, vanwege de uitzending van Zembla naar aanleiding waarvan ik die vragen stelde, een gesprek gevraagd met de minister en de regioburgemeesters over de inzet van politiehonden. Kennelijk vindt hij dus wel dat er iets mis is. Vervolgens schrijft de minister ook in zijn beantwoording, in het antwoord op vraag 167: "Het inzetten van de hond door het een raam of in iemands nek te werpen maakt geen onderdeel uit van de inzet zoals die aangeleerd, getraind of gecertificeerd wordt bij de politie." Het maakt geen deel uit van de training. Maar Zembla liet ook een instructievideo zien van de Rotterdamse politie. Daar heb ik een still uit. Dit is een instructievideo van de Rotterdamse politie, waarin dus wél een hond door het raam van een auto wordt gegooid. En die hond valt de verdachte aan. Kennelijk maakt het dus wel degelijk deel uit van in elk geval de instructievideo's. Wat vindt de minister daarvan? U kunt dan toch niet met droge ogen zeggen dat het niks met de instructie of met de training te maken heeft?

Minister Grapperhaus:
Laat ik vooropstellen dat ik de kritiekpunten begrijp. In de gewijzigde ambtsinstructie zal hieraan ook echt aandacht worden besteed, om het maar even zo te zeggen. De video waarnaar de heer Van Wassenberg verwijst, ken ik niet. Ik zou bijna willen zeggen: laten we 'm samen bekijken; op 1,5 meter, uiteraard, maar goed. Maar als dat een instructievideo is, moet hier maar heel duidelijk gezegd worden dat daar dan iets niet goed is gegaan, want dit behoort niet tot de ambtsinstructie.

De heer Wassenberg (PvdD):
Ik vind het prima om die video een keer met de minister te bekijken, maar de minister kan ook nog een keer naar die uitzending van Zembla van vorige week kijken. Kennelijk heeft hij die ook niet gezien. Ik zou hem dat toch dringend aanraden, want daarin zit ook een onderdeel van die instructievideo. De minister hoeft dus alleen maar naar die uitzending van Zembla te kijken. Dan kan hij het zelf zien. Ik vind het prima om ook die video een keer te bekijken, maar de minister hoeft niet op zoek op te gaan naar die video. Ik vraag hem toch: kijk nog een keer die uitzending van Zembla terug en kom er dan later eventueel nog schriftelijk op terug.

Minister Grapperhaus:
De heer Van Wassenberg heeft het ook gezien bij mijn opmerking over het houdverbod: ik trek het mij aan als er op het punt van de dieren dingen niet zijn zoals we die met elkaar goed kunnen regelen. Over de politiehonden heb ik heel duidelijk gezegd: dit maakt geen deel uit van de ambtsinstructie. Ik moet bekennen — ik hoop dat de heer Van Wassenberg mij dat vergeeft ...

De heer Wassenberg (PvdD):
Voorzitter, mijn naam is Wassenberg. Het voorvoegsel kunt u weglaten. Dan wordt het debat ook wat korter.

De voorzitter:
Wassenberg, zonder Van.

Minister Grapperhaus:
Excuses, ja, Wassenberg. Ik heb wel drie keer gezegd dat iets mij spijt. Dat is scheepsrecht. Maar even terug, voorzitter. Ik begrijp dus de kritiek. Daar ging het om. Dit is strijdig — dat wil ik nadrukkelijk gezegd hebben — met de instructie van het gebruik. Ik zal daar zeker contact over opnemen. Laat ik dat gewoon zeggen. Daar gaat het om, en daar vraagt de heer Wassenberg terecht aandacht voor.

De voorzitter:
Ook een reactie kennelijk op wat in Zembla is getoond. Daar komt de minister schriftelijk op terug.

Minister Grapperhaus:
Ja, daar kom ik schriftelijk op terug.

De voorzitter:
Ik had mevrouw Yeşilgöz en dan de heer Groothuizen.

Mevrouw Yeşilgöz-Zegerius (VVD):
Dank aan de minister voor de mooie slotwoorden die wij nu een beetje platslaan. Ik wil terugkomen op een punt van een tijd geleden, waarvoor excuses. Ik wil nog even terug naar die end-to-end-encryptie. Als ik het goed heb begrepen, zei de minister dat hij bezig is om ook in Europees verband te kijken wat er kan worden gedaan om het wel wat beter in te zetten voor opsporing. De minister heeft een aantal toezeggingen gedaan aan GroenLinks. Heeft hij daarbij ook toegezegd dat hij de Kamer meeneemt in wat daar besproken wordt en kan dat voor het kerstreces? Ik vraag dit expliciet, omdat die end-to-end-encryptie juist belangrijk is voor onze veiligheid. Naar wat ik heb begrepen van deskundigen zit er niet heel veel grijs tussen het opengooien van de achterdeur of niet. Daar verschillen de meningen heel erg over. Als de minister ons voor het kerstreces wil betrekken bij waar hij aan denkt, zodat wij nog ruimte hebben om er wat van te vinden, zou ik erg blij zijn.

Minister Grapperhaus:
Voor het kerstreces is misschien wat ambitieus, want ik weet niet of ik daarover dan al een zinnig standpunt kan laten weten. Maar wat mevrouw Yeşilgöz terecht aanroert — mevrouw Buitenweg heeft daarvoor bij eerdere gelegenheden ook al aandacht gevraagd en overigens ook de heer Verhoeven van D66 en de heer Van Dam tijdens de helaas telkens wat slecht bezochte AO's Cybersecurity, waar altijd maar twee leden waren — is dat we heel goed moeten kijken: end-to-end-encryptie is voor de gewone burger echt van belang. Het was de heer Bisschop die daar gisteren ook nog eens de aandacht op vestigde: privacy moet geen schild worden voor criminelen. Die afweging wil ik eerst bespreken met Commissaris Johansson om te zien hoe men er daar tegen aankijkt. Maar ik beloof u dat ik eerst bij de Kamer terug zal komen voordat ik daar ook maar een stap heb gezet.

De voorzitter:
Goed, dat zal dan niet voor het kerstreces zijn.

Minister Grapperhaus:
Ik ben bang dat dat te ambitieus is. Ligt er natuurlijk aan wanneer het kerstreces is.

De voorzitter:
Het kerstreces van 2020, denk ik.

De heer Groothuizen (D66):
De minister sprak terecht woorden over de Sovjet-Unie, waar we niet naar af moeten glijden. Helaas moeten we constateren dat een land als Hongarije toch een beetje die kant opgaat. Er zijn nu zelfs Zweedse wetenschappers die zeggen: eigenlijk geldt dat niet meer als een democratische rechtsstaat. Gisteren heeft het Europese Hof van Justitie een uitspraak gedaan over de bijzondere aanwijzingsbevoegdheid van het OM. Dat staat in de weg dat je het OM als een onafhankelijke rechterlijke autoriteit kunt zien. Dat is van de redenen waarom ik dat wetsvoorstel heb ingediend. Vanmorgen zie ik dat de Hongaarse minister van justitie op twitter Nederland daarop aanspreekt. Hij zegt: Nederland heeft wel een heel grote mond, maar kijk eens wat het Europese Hof hierover zegt. Ik ben benieuwd hoe de minister ertegenaan kijkt dat wij nu door iets wat in onze wet staat in zo'n discussie belanden met een land dat evident aan het afglijden is.

Minister Grapperhaus:
Laat ik beginnen met iets te vertellen over de das die ik vandaag aan heb, die van de Hongaarse justitieorganisaties is. Ik weet niet of ze heel erg naar Politiek 24 kijken, je weet het nooit, maar als een blijk van solidariteit aan hen. Dat is één. Twee: ik weet zeker dat wij een oplossing zullen vinden voor de door het Hof van Justitie gesignaleerde kwestie, in die zin dat we dit alsnog zullen neerleggen bij wat dan wel als een rechterlijke autoriteit wordt gezien. Misschien wordt door de buitenwereld, kijkend naar ons rechtstelsel, wel gezegd: die zouden jullie ergens anders moeten beleggen. Voor dat soort kritiek moet je juist altijd openstaan, anders word je de dominee met het vingertje. Dat had trouwens ook een pastoor kunnen zijn.

Ten slotte wil ik voor diegenen die zich daar zorgen over maken toch niet onvermeld laten dat de aanwijzingsbevoegdheid van de minister alleen kan worden ingezet als daar bij de Kamer melding van is gemaakt. Ik heb die aanwijzingsbevoegdheid als minister nooit gebruikt. Ik heb hier in de Kamer een paar keer uitgesproken dat, tenzij de Kamer mij ertoe zal dwingen om haar te gebruiken, ik dat niet zal doen. Want ik ben het helemaal eens met de heer Groothuizen dat ik politiek verantwoordelijk ben voor het Openbaar Ministerie, maar het Openbaar Ministerie moet autonoom zijn.

De heer Groothuizen (D66):
Ik hoop dat de minister er serieus naar gaat kijken. Hij heeft zich bij zijn aantreden geafficheerd als iemand die in de ketel der rechtsstatelijkheid was gevallen. Ik zou zeggen: treed nu ook op als Obelix van de rechtsstaat en kijk ook eens naar dit soort elementen. De haardracht is wat anders, maar dat is wel het gedrag dat ik van deze minister verwacht.

De voorzitter:
Goed. Dat is een oproep, geen vraag.

Minister Grapperhaus:
U weet dat het vaste begrip van Obelix steeds was: dikke mensen zijn gezellige mensen. Dus dat moeten we dan ook niet vergeten.

Voorzitter. Op dit laatste punt wil ik nog wel benadrukken richting de heer Groothuizen ... Ik wil natuurlijk het gesprek niet storen van de heer Groothuizen. Ik wil toch nog naar hem toe benadrukken wat ik aan het slot net zei. Ik denk dat het ons als land krachtig maakt dat we kritiek oppakken en dat we — je ziet het ook bij corona — saamhorigheid in onze samenleving hebben. Daardoor durf ik hardop te zeggen dat wij met z'n allen, ook iedereen buiten, de rechtsstaat zijn.

De voorzitter:
Goed. Dank u wel. Ik schors de vergadering voor twee minuten, zodat er een wisseling kan plaatsvinden. Daarna gaan we verder met de antwoorden ...

Minister Grapperhaus:
Zal ik even mijn haar doen?

De voorzitter:
Ja, doe eerst uw haar. Daarna gaan we verder met de minister voor Rechtsbescherming. Minister, er moet eerst schoongemaakt worden. Ik weet dat u zin heeft om gelijk aan de slag te gaan, maar het duurt even dus ik wil twee minuten schorsen.

Minister Grapperhaus:
De collega is niet vies van mij.

De voorzitter:
Nee, dat zie ik. Dank u wel.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:
Ik geef de minister voor Rechtsbescherming het woord.

Minister Dekker:
Voorzitter, vindt u het prettig als ik even kort vertel welke stapjes ik ga nemen?

De voorzitter:
Ja, hoor. Dat is prima.

Minister Dekker:
Ik zal heel kort een introotje doen. Dan wil ik beginnen met de toegang tot het recht en vervolgens de rechtspraak. Dan komt er een blokje veiligheidsdingen: straffen, recidive en preventie. Dan komt er een blok huiselijk geweld, een blokje rechtsbescherming in de digitale wereld, wat over kansspelen en tot slot adoptie.

De voorzitter:
Ja, prima. Gaat uw gang.

Minister Dekker:
Voorzitter. De behandeling van de begroting is een jaarlijks terugkerend ritueel. Vorig jaar stond ik hier ook. Als ik terugdenk aan de stemming van dat moment, overheerste het optimisme. Dat had ook een beetje te maken met de periode van het jaar. De kerstdagen stonden voor de deur en we gingen een mooi jaar tegemoet. Het Songfestival zou in Rotterdam plaatsvinden en we zouden het EK gaan spelen met een wedstrijd in Amsterdam. Voor de echte sportliefhebber — ik zie de heer Van Nispen nog niet onmiddellijk bewegen — hadden we de Olympische Spelen op het programma staan. Na twee volle jaren was het ook een beetje het moment in de ambtsperiode dat de tijd van de meters was aangebroken. We wisten wat we wilden en we waren bezig met het realiseren van onze plannen. Er lagen concrete afspraken om de financiële problemen en achterstanden in de rechtspraak aan te pakken. We waren bezig om het recht dichter bij mensen te brengen. De Wet straffen en beschermen, een belangrijke grote wet in deze periode, was net met een brede meerderheid aan stemmen in uw Kamer aangenomen. Nederland werd veiliger. Dit zijn allemaal zaken waar ik straks nog bij stil zal staan.

Maar toen veranderde in maart opeens alles. Je zou kunnen zeggen dat "bescherming" opeens ook een hele andere betekenis kreeg. Natuurlijk staat bescherming gewoontegetrouw bij Justitie hoog in het vaandel. Dan heb je het over bescherming tegen onrecht en tegen criminaliteit, maar ook over rechtsbescherming in de meer klassieke zin van het woord. Maar het ging nu plotseling om bescherming tegen een onbekend virus, waarvan meteen vaststond dat het gevaarlijk en besmettelijk was. De eerste gedachten gaan dan uit naar je familie en naar je dierbaren. Je hoopt dat zij gezond zijn en blijven. En ja, natuurlijk, naar alle medewerkers in de zorg. Je ziet de beelden en je hoort de verhalen.

Al snel drong het besef door dat dit ook in het recht een heel erg gek jaar ging worden. Rechtszaken werden noodgedwongen verzet, ook tot groot verdriet van slachtoffers, medewerkers in gevangenissen maakten zich zorgen over hun eigen veiligheid en die van gedetineerden. In de forensische zorg werden patiënten niet meer doorgeplaatst, wat natuurlijk effect had op hun behandeling. En voor kinderen die acuut een opvangadres nodig hadden, moest plotseling ontzettend worden geleurd. Niemand had dit ooit meegemaakt. Er lagen geen draaiboeken voor klaar. Het zorgde even voor een moment van verwarring en van verbijstering: in wat voor slechte film waren we nu met z'n allen beland? Ik zeg bewust "even", want al snel merkte ik ook dat zo'n crisis iets heel erg bijzonders doet met al die mensen die in de justitieketen werken. Geboren uit het gevoel dat dit juist het moment is dat we er zouden moeten staan en waarin we het verschil kunnen maken. De rechtsstaat moet ook in tijden van crisis doordraaien, of juist in tijden van crises, wanneer vrijwel alle dagelijkse zekerheden wegvallen, want dan moeten mensen iets hebben om op terug te kunnen vallen. Dat is dat recht, dat is die rechtsstaat.

Daarom wil ik deze begrotingsbehandeling heel graag beginnen met een groot compliment aan al die mensen die die rechtsstaat maken, dag in, dag uit. Politiemannen en -vrouwen, officieren van justitie, rechters, rechtbankmedewerkers, gevangenispersoneel, reclasseerders, behandelaren, advocaten, medewerkers in de jeugdzorg en de kinderbescherming en ga zo maar door. Hun moed, hun daadkracht en hun improvisatievermogen laten ook de kracht van justitie zien. Dat maakt misschien ook dat ik ondanks alle ellende die corona met zich meebrengt, hier toch ook wel weer sta met een gezonde dosis optimisme. Het maakt dat ik nog meer urgentie voel om de plannen die we hadden en die we hebben, uit te voeren. Daarom begin ik met mijn eerste onderwerp, de toegang tot het recht.

Voorzitter. Als je een probleem hebt met je buren of met je partner, met je baas of met een bedrijf, wat kun je dan doen? Waar moet je naartoe? Wie helpt je daarbij, ook als je niet veel geld te besteden hebt? Dat mensen weten hoe ze hun conflicten kunnen oplossen en daarbij worden geholpen is een van de fundamenten van onze rechtsstaat. Hoe we dat kunnen verbeteren, is de basisvraag van de stelselvernieuwing van de rechtsbijstand die we hebben ingezet. De verbetering van de rechtsbijstand was de afgelopen jaren best een ingewikkelde opgave. Er was heel veel discussie, ook in deze Kamer, over waar die plannen nu precies naartoe gaan en de onzekerheden die daarin zitten, en natuurlijk ook over de vergoedingen van sociaal advocaten. Die discussie werd scherp gevoerd; dat is goed en terecht. Voor mij staat daarbij steeds het belang van de rechtzoekende voorop: hoe is hij of zij nu het best en het snelst geholpen? Ik ben ervan overtuigd dat we met het geld dat we in Nederland uittrekken voor rechtshulp echt tot betere resultaten kunnen komen: betere oplossingen voor mensen in nood en betere tarieven voor de advocaten die eventueel daarvoor nodig zijn.

Laat ik beginnen met de rol van de overheid. Als we het hebben over het voorkomen van conflicten in een vroeg stadium, dan moeten we als overheid ook de hand in eigen boezem durven steken. Veel procedures die mensen voeren met een toevoeging, zijn gericht tegen die overheid. Soms is dat niet te voorkomen. Neem bijvoorbeeld het strafrecht: daar is dat nou eenmaal zo ingericht. Maar lang niet al die procedures zijn nodig, zeker niet als je kijkt naar het bestuursrecht. Met informele afhandeling en meer maatwerk kunnen we onnodige procedures in het bestuursrecht voorkomen en kunnen mensen ook weer sneller verder met hun leven.

Voorzitter. Eerlijk gezegd gaat dat de goede kant op, in tegenstelling tot wat de heer Van Nispen beweert. Inmiddels zijn in 2019 ruim 10% minder toevoegingen in het bestuursrecht afgegeven in vergelijking met 2017. Daarmee is de aanvankelijke doelstelling van het programma al behaald, al ver voor het moment waarvoor we ons dat doel hadden gesteld. Minder mensen hadden het afgelopen jaar een advocaat nodig in hun contact met de overheid. Dat is goed nieuws. Ik heb gezegd dat we het daar dan niet bij moeten laten en dat we daar dan nog een schepje bovenop doen, want alles wat we daar aan winst halen, kunnen we straks ook weer gebruiken voor betere vergoedingen voor advocaten.

Voorzitter. Er is niet veel gesproken over de inhoud van het programma. Misschien is dat ook wel weer goed. Ik denk dat veel van de verbeteringen op het punt van de versterking van de eerste lijn, onlinevoorzieningen en laagdrempelige juridische inlooppunten ook helemaal niet zo vreselijk veel politieke discussie vragen. Ik denk dat we het daar allemaal wel over eens zijn. Wat de ontwikkeling van rechtshulppakketten betreft ken ik het kritische oog van een aantal fracties hier, maar we zijn nu gewoon begonnen, ook samen met de NOvA, om een aantal van die pakketten te ontwikkelen op het gebied van echtscheiding en arbeidsconflicten. Wat dat betreft maken we samen echt meer meters dan een jaar of twee, drie geleden.

Voorzitter. Ik ga naar de mensen die de juridische hulpverlening verzorgen. Wanneer er specialisten nodig zijn, zijn dat advocaten. Ik ga eerst in op de hoogte van de vergoedingen voor de sociale advocatuur, want daar hadden meerdere leden van uw Kamer vragen over, onder anderen de woordvoerders van de SP, GroenLinks, D66 en DENK. De heer Van Nispen gaf mij gisteren aan het eind van de middag een zwartboek over de sociale advocatuur met verhalen van advocaten. Ik heb dat, zoals hij mij vroeg, gelezen. Ik ben het volledig met hem eens dat sociaal advocaten een moeilijk vak hebben, maar ook een mooi en belangrijk vak uitoefenen met grote maatschappelijke waarde als een belangrijke poot in onze rechtsstaat. Ik snap dat advocaten vinden dat zij onderbetaald worden, maar tegelijkertijd hun cliënten niet in de kou willen laten staan. Ik ben het daar ook mee eens, want ook ik vind dat de vergoedingen nu achterblijven bij het gedane werk. Daarom zet ik in op een betere vergoeding voor advocaten en trouwens ook voor mediators, iedereen die toevoegingen krijgt. Dat is eigenlijk een van de grondslagen die aan de stelselvernieuwing ten grondslag liggen. Met de oogst van de maatregelen die we op dit moment nemen, laten ook de laatste berekeningen zien dat nog altijd een stijging van het gemiddelde uurtarief met 10% tot 20% haalbaar is ten opzichte van het gemiddelde uurtarief zoals berekend door de commissie-Van der Meer.

Wat volgens mij ook helpt, is dat we hebben gezegd: als dat nu is wat aan de horizon gloort, moeten we de advocatuur daar dan zo lang op laten wachten? Daar is vorig jaar uitvoerig over gediscussieerd. Eigenlijk hebben we vlak na de begroting gezegd dat we daar toch wel graag een beweging willen maken. We hebben toen 70 miljoen uitgetrokken om voor dit jaar maar ook voor het komende jaar te zorgen voor een financiële overbrugging waarmee de tarieven in deze jaren met ruim 10% zijn verhoogd.

Voorzitter. Ik deel ook de conclusie van de commissie-Van der Meer dat de vergoedingen voor de sociale advocatuur met name in het personen- en in het familierecht het meest achterblijven. Dat is ook de reden waarom ik bij de stelselvernieuwing prioriteit geef aan het familierecht, met name op het vlak van echtscheidingen, waar een toevoeging kan worden gegeven. Daarnaast hebben we recent een regeling afgekondigd om ook in de leeftijdsopbouw van het advocatenbestand wat te kunnen doen door een tegemoetkoming te bieden in de opleiding van jonge advocaten.

Voorzitter. Er werd gevraagd naar de uitputting van het budget van dit jaar, want het uitgangspunt bij veel van de hervormingen in de rechtsbijstand is om te proberen om dat zo veel mogelijk te doen in het vierkant van geld dat beschikbaar is voor rechtsbijstand, ruim 400 miljoen. Voor dat bedrag hoeven we ons, ook in vergelijking met veel landen om ons heen, niet te schamen. We hebben daar zelfs nog wat bovenop gedaan; dat is die 70 miljoen. We kijken of we het daarbinnen kunnen doen. Dat betekent dus ook dat er als we erin slagen om meer problemen aan de voorkant op te lossen en het aantal toevoegingen wat te verminderen, financiële ruimte gaat ontstaan om wat te doen in de vergoeding.

Er werd mij gevraagd of er sprake is van onderuitputting in het lopende jaar, in 2020. Ik denk het wel. We hebben het jaar natuurlijk nog niet afgesloten dus ik denk dat we dat even netjes moeten afwachten, maar net als in de voorgaande jaren zien we dat er nu, nadat we eerst jaren te maken hadden met tekorten op de rechtsbijstand, sprake is van een klein overschot. Ik zou u daarin erg graag iets meer inzicht willen geven in de voortgangsrapportage die ik u tegen de kerst zal toesturen. Zijn dat nou incidentele meevallers? Voor een deel wel, denk ik. Dat zagen we in de afgelopen jaren ook. Of zie je nou langzaam maar zeker ook iets van een structurele component ontstaan, waarmee je iets kunt doen in de tarieven van de advocatuur? Als je mij dan vraagt waar dat het hardst nodig is, kom ik eigenlijk weer uit bij het personen- en familierecht. Het zou mooi zijn als we daar een klein stapje kunnen maken.

Voorzitter. Het amendement van de heer Van Nispen en de heer Van den Berge op stuk nr. 10 gaat over het punttarief voor de sociale advocatuur. De indieners zouden daar 180 miljoen aan willen toevoegen. Dat moet ik helaas ontraden. Het kabinet heeft gezegd dat het de rechtsbijstand eigenlijk zo veel mogelijk wil hervormen binnen de bestaande financiële kaders. Ik denk ook nog steeds dat dat goed kan. Ten tweede is de dekking die in dit amendement wordt aangedragen niet deugdelijk. Die gaat uit van een slag die gemaakt moet worden in het Belastingplan, maar dat Belastingplan is reeds goedgekeurd en het amendement dat daarbij is ingediend over de beperking van de Innovatiebox heeft het niet gehaald. Daardoor komt in feite de dekking voor dit amendement te vervallen.

De voorzitter:
Bent u klaar met dit onderdeel, de toegang tot het recht?

Minister Dekker:
Ik heb nog een paar kleine punten.

De voorzitter:
Ja, en dan ga ik naar de heer Van Nispen.

Minister Dekker:
Want we hebben het over rechtsbijstand gehad, maar we doen als het gaat om de toegang tot het recht natuurlijk meer. Ik wijs bijvoorbeeld op het bevorderen van mediation, ook in reactie op mevrouw Van der Graaf, die vroeg hoe het zit met het wetsvoorstel daarover. We hebben in de afgelopen tijd heel veel gesprekken gehad en ik hoop eigenlijk dat we erin slagen om samen met mediationverenigingen tot een overeenkomst te komen. Dan zou dat wetsvoorstel voor de kerst in consultatie kunnen gaan.

En nu de heer Van Nispen toch bij de interruptiemicrofoon staat: ook griffierechten zijn natuurlijk onderdeel van de discussie over de toegang tot het recht. Ik heb wel een positieve reactie op het amendement dat de heer Van Nispen en de heer Van den Berge hebben ingediend op stuk nr. 8. Dat gaat over het minder snel verhogen in de onderste tree. Daarvoor hebben zij eigenlijk zelf al voor de dekking gezorgd in het debat over de verlaging van de griffierechten, dus ik vind het niet meer dan terecht om het oordeel over dit amendement aan de Kamer te laten.

Tot slot in dit blok de buurtrechter. Ik proef heel veel enthousiasme daarvoor bij de Kamer en daar ben ik heel erg blij om. Wij komen als onderdeel van de proef op basis van de Tijdelijke Experimentenwet in 2021 ook met een verplichting om daaraan deel te nemen. Wij denken dat daardoor het aantal zaken dat door een buurtrechter behandeld kan worden enorm toeneemt. Vorig jaar hebben we in de prijsafspraken gezegd dat we daar ook wat extra geld bij doen, 1 miljoen extra. Maar natuurlijk krijgt de rechtspraak ook vanuit de bestaande budgetten al geld voor iedere zaak die hij doet, zo zeg ik tegen de heer Moorlag. Dat geld van destijds komt daar dus eigenlijk bovenop, om een aantal van die innovatieslagen te kunnen maken.

Daarmee ben ik aan het einde van dit blok.

De voorzitter:
De heer Van Nispen, kort.

De heer Van Nispen (SP):
Ik hoor heel veel mooie woorden van de minister, maar hij weigert eigenlijk al jaren te doen wat gedaan moet worden, namelijk die redelijke vergoeding regelen voor de sociaal advocaat. En dat weet de minister. Daarmee toont deze minister zich een behendig bestuurder van de VVD, maar eigenlijk een hele slechte hoeder van de rechtsbescherming, wat mij betreft. We zien op dit moment sociaal advocaten vertrekken uit het stelsel. We zien dat rechtszoekenden nauwelijks nog een advocaat kunnen vinden die hun zaak kan en wil behartigen. Maar het gaat eigenlijk nog veel verder. Het probleem is nog veel groter. Dit gaat over de tegenmacht van de overheid. Hoe belangrijk die is, hebben we onder andere gezien in het schandaal rondom de toeslagenfraudeaffaire. Onder andere een advocaat heeft heel veel gedaan om die aan het licht te brengen. Daar hebben we heel veel aan te danken. De democratische rechtsstaat moet dus verder versterkt worden. Waarom is de minister dan bezig met het verzwakken van de tegenmacht van de overheid?

Minister Dekker:
Ik begrijp heel goed dat we het geduld van advocaten op de proef stellen als we zeggen dat we naar een verbetering toe werken, maar dat die verbetering tijd kost. Maar die verbetering is wel ingezet. In de tussentijd hebben we ter financiële overbrugging wel het een en ander gedaan. Vorig jaar hebben we een akkoord gesloten met de NOvA dat wat meer ruimte in de tarieven biedt, zodat het zoet niet pas aan het eind van de horizon gloort.

Als ik vervolgens kijk naar de ontwikkelingen, bijvoorbeeld de beschikbaarheid van advocaten, zie ik gewoon even de feiten. Ik ben dan minder somber gestemd dan de heer Van Nispen. Ik ben wel somber op het punt van de tarifering. Die blijft gewoon achter, maar daar wordt hard aan gewerkt. Als ik kijk naar de aantallen beschikbare advocaten, zie ik niet een enorm forse of zorg barende daling. Ook de Raad voor Rechtsbijstand geeft aan dat er vooralsnog gewoon genoeg sociaal advocaten in het stelsel zijn om het werk te verrichten. De commissie-Wolfsen heeft ooit eens berekend dat je zo'n 3.750 fulltime advocaten nodig hebt om het werk te kunnen doen. Op dit moment zijn er een kleine 7.000 ingeschreven in het stelsel. Als ik dan kijk naar de ontwikkelingen op jaarbasis, was het zo dat zich vorig jaar 700 advocaten uitschreven en dat er 500 bij kwamen. Er is dus een hele lichte afname. Ik denk dat het stelsel dit wel kan hebben.

De heer Van Nispen (SP):
Ik denk dat de minister ook wel weet dat hij hier halve waarheden staat te verkondigen en dat hij de boel staat te framen. Als hij dat niet weet, vind ik dat ook een probleem. Bij de advocaten die ingeschreven staan bij de Recht voor Rechtsbijstand zijn er ook mensen die maar enkele zaken per jaar doen. De commissie-Wolfsen heeft geadviseerd over de aantallen advocaten die nodig zijn voor het stelsel, maar dat gaat over mensen die daar een fulltime praktijk voor hebben en die dus 100% gesubsidieerde zaken doen. Dat is niet de realiteit, want er zijn heel veel gemengde praktijken. Dat soort dingen weet de minister toch wel? Als we steeds weer de halve waarheden van de minister moeten ontmantelen, komen we hier nooit tot het echte debat. De minister heeft hier de theoretische kant van de zaak geschetst, maar ik heb de praktijk onder andere geschetst in het zwartboek. De praktijk is gewoon dat sociaal advocaten vertrekken uit het stelsel. Van degenen die dat nog niet gedaan hebben, staat een heel groot deel op het punt om dat wél te doen. Deze ramp voor de rechtsstaat moet worden afgewend. Dat doet deze minister niet. De praktijk is dat iemand die een echtscheidingszaak heeft, 35 advocaten moet bellen en dan met enig geluk iemand vindt die zijn zaak wil behartigen. Na al die jaren komt de aap uit de mouw. Waarom heeft de minister al die jaren niks gedaan met het rapport van de commissie-Van der Meer? We kennen nu het VVD-verkiezingsprogramma. Om het stelsel betaalbaar te houden, willen ze gewoon een deel van de rechtsbijstand afschaffen. Ja, dan hou je het wel betaalbaar! Intussen is de rechtshulp voor gewone mensen zo ongeveer om zeep geholpen als de minister niet nú ingrijpt en nú zorgt voor een redelijke vergoeding van die advocaten.

Minister Dekker:
De Raad voor Rechtsbijstand, dé instantie die moet kijken of er voldoende beschikbaar is, geeft aan dat er geen tekort is. Ik deel wel het punt van de heer Van Nispen: als je kijkt naar die kleine 7.000 advocaten die zijn ingeschreven, zie je dat een deel daarvan een gemengde praktijk heeft. Maar goed, dat aantal ligt natuurlijk vele malen hoger dan de berekening die Wolfsen maakte. Tegelijkertijd zijn er ook sociaal advocaten die een 100% sociale praktijk hebben. Ik denk dus dat het redelijk gemengd is. Als ik gewoon kijk naar de Raad voor Rechtsbijstand, dan zegt die: vooralsnog geen tekort! Ik zie wel een probleem in de opbouw, de leeftijdsopbouw van de advocatuur. Dat staat los van de tarifering die onderdeel is van de beweging die we nu hebben ingezet en van de 70 miljoen die we daar vorig jaar extra voor hebben uitgetrokken. We zien dat die gemiddelde leeftijd relatief hoog is. Een deel van de uitstroom zal straks ook plaatsvinden door mensen die op een gegeven moment zeggen: nu ga ik van mijn oude dag genieten. Er is minder instroom door jonge aanwas. Maar ook daar doen we wat aan. We hebben een regeling voor het komend jaar om, ik geloof, 175 nieuwe stagiairs aan te nemen en ook in de opleidingskosten daarvan te voorzien. Met andere woorden: wij zitten niet stil. Er wordt hard gewerkt om ook weer nieuwe jonge mensen voor het vak aan te trekken. Ik zie ook dat daarvoor op termijn de tarifering beter moet. Dat is waar op dit moment in het programma ook hard aan wordt gewerkt.

De voorzitter:
Dan stel ik voor dat u verdergaat, want u heeft nog een aantal onderwerpen en we hebben nog een bewindspersoon. Dus ik zou graag een beetje vaart erachter willen zetten.

Minister Dekker:
Ik eindigde net met de buurtrechter. Eigenlijk is dat een mooi bruggetje naar het volgende blok, de rechtspraak.

De voorzitter:
Ik zie de heer Moorlag.

De heer Moorlag (PvdA):
Ja, nog even over dit blokje, ook over de buurtrechter, de nabijheidsrechter, de vredesrechter. Ik wil heel graag van de minister weten of hij een grondhouding heeft om dat gewoon een vaste plek te geven in de Nederlandse rechtspraak. Natuurlijk, er lopen experimenten. Maar als we kijken naar de ervaringen in buurlanden en naar zaken in het arbeidsrecht waar geschillencommissies vaak veel efficiënter arbeidsrechtelijke zaken oplossen dan de rechter, dan hoeven wij toch niet pilots te gaan doen om uit te vinden dat water nat is? Heeft de minister de grondhouding om de nabijheidsrechter een vaste plek te geven in onze rechtspraak?

Minister Dekker:
Ja, laat ik het zo zeggen: ik ben daar heel erg enthousiast over. En gevoelsmatig zeg ik ook: dit is interessant en enorm kansrijk. Tegelijkertijd vind ik ook dat we de rechtspraak de ruimte moeten geven om dit gewoon eens uit te proberen en te zien hoe dat bevalt. Wat betekent het voor het aantal zaken dat je aantrekt? Is het nou ook zo — dat is de veronderstelling die hieraan ten grondslag ligt — dat je met de inzet van die buurtrechter niet alleen de toegang tot het recht verbetert maar we ze minder snel terugzien, omdat het vaak niet komt tot een rechterlijke uitspraak maar de rechter ervoor zorgt dat de mensen zelf, zeker bij civiele conflicten, er onderling uitkomen? Want dan kan je ook rechtvaardigen waarom een goedkopere vorm van rechtspraak, of wat meer tijd aan de voorkant, loont, omdat je daar veel problemen mee in de toekomst kunt ondervangen. Dat is vooralsnog beleidstheorie, waarvan ik het wel goed vind dat we dat gewoon ook eens toetsen. Dus ja, ik heb een positieve grondhouding, maar ik vind het tegelijkertijd ook goed om stapsgewijs ook echt te kijken of het in de praktijk zo uitwerkt als we denken.

De heer Moorlag (PvdA):
Ik zal mijn ongeduld onderdrukken, maar ik hoop dat het echt met voortvarendheid verder uitgerold wordt.

Minister Dekker:
Zeker. We hebben na die eerste fase nu echt ook een tweede fase, dus dat betekent dat er voor twee modellen wordt gekozen. Dat gaat over heel Nederland gebeuren, ook met die experimentenwet en met de plicht om daaraan deel te nemen, wat betekent dat het aantal zaken dat wordt afgedaan door een buurtrechter echt zal toenemen.

De heer Azarkan (DENK):
Ik moet zeggen: bij debatten met de minister voor Rechtsbescherming schieten mij toch regelmatig de schoenveters uit mijn schoenen, en ze zitten er niet eens in!

De voorzitter:
Nee.

De heer Azarkan (DENK):
Wat bij mij altijd een beetje jeukt, is dat deze minister eigenlijk alles wat te maken heeft met geschillen tussen mensen zo snel mogelijk naar commerciële partijen toe wil brengen. Daarvoor heeft hij ook een reclamespot ingesproken van Achmea. In de praktijk zien we dat de minister zegt: ik wil dat vercommercialiseren. We zien dat die commerciële partijen nu een aantal keren door de rechter zijn teruggefloten omdat ze veelal heel snel willen schikken en dat soms ook een aantal keren door een rechter is gezegd: u ontneemt eigenlijk de persoon die bij u komt het recht om naar de rechter te gaan. Hoe kijkt de minister nou aan tegen dat soort verwijten?

Minister Dekker:
Ik heb geen idee waar de heer Azarkan het over heeft. Wij zijn met de rechtsbijstand helemaal niet bezig met de vercommercialisering of het naar de markt brengen. Dit is een door de overheid gesubsidieerde bezigheid. Daar gaat 400 miljoen in om. Daar halen we ook geen euro vanaf. Ik heb dus echt geen idee waar de heer Azarkan het over heeft.

De heer Azarkan (DENK):
De minister blijft weg van het grote plaatje. Dat is dat hij onder het mom van betere oplossingen gewoon met een keiharde bezuiniging komt. Het rapport van Van der Meer was helder. Daar stond in dat we 127 miljoen tekortkomen. Toen we hier een aantal debatten over gevoerd hebben, zei de minister vervolgens: weet u, dat kan allemaal wel zo zijn, maar ik ga daar gewoon nog eens even lang op studeren, lang over nadenken en kijken hoe ik daar iets in kan doen. In de praktijk zien we dat de minister binnen de budgettaire kaders niet meer geld wil besteden, omdat hij ervan overtuigd is dat het voldoende is. Hij zoekt vervolgens naar wegen om dat zo klein mogelijk te maken. Hij zegt eigenlijk tegen mensen: ik wil helemaal niet dat u de rechterlijke macht daarmee belast. Door het inzetten van commerciële partijen die zo veel mogelijk willen schikken, ontneemt hij burgers het recht om naar de rechter te gaan om iets onafhankelijk te kunnen laten toetsen.

De voorzitter:
De minister. Dat is dezelfde vraag.

Minister Dekker:
Sorry, ik kan hier weinig van maken. De heer Azarkan heeft het over bezuinigingen. Nou, laat hij dan maar vertellen hoeveel dit kabinet bezuinigt op de rechtsbijstand. Ik zou zeggen nul. Ik heb dus geen idee waar de heer Azarkan het over heeft. Ook als het gaat over commercialisering heb ik echt geen idee.

De voorzitter:
Dat is het antwoord.

Minister Dekker:
De ontwikkelingen van rechtshulppakketten doen we bijvoorbeeld samen met de sociale advocatuur.

De heer Azarkan (DENK):
Ik krijg geen antwoord op mijn vraag. De minister doet net of hij het niet weet. Als je 127 miljoen tekortkomt en er moet iets bij, dan kun je twee dingen doen. Je kunt die groep laten creperen. Dat is wat deze minister doet. Deze minister komt met oplossingen voor problemen die er niet zijn, en lost de problemen niet op. Als je 127 miljoen tekortkomt, aan een serieuze onderzoekscommissie vraagt wat te doen, en daar vervolgens niks mee doet, dan ben je het per saldo in stand aan het houden. In de praktijk zijn inmiddels 350 mensen weg uit de sociale advocatuur. Dat zijn de cijfers. De minister zegt dan: dat merk ik niet; ik zie helemaal niet dat er een tekort ontstaat. Hij zit maar in zijn eigen wereld. De praktijk is dat de advocaten vorig jaar bij de onderhandelingen gewoon wegliepen. Ze wilden niet met deze minister spreken, omdat hij alleen maar op zijn voorwaarden iets wilde doorvoeren. Nu speelt hij hier toneel en doet hij alsof er niets aan de hand is. De praktijk is dat deze minister de toegang tot het recht wil uithollen. Dat is de praktijk. Daar heeft hij van alles voor verzonnen. De praktijk is dat je daarmee de grondrechten van burgers schendt.

Minister Dekker:
Ik heb geen vraag gehoord. Ik zal te allen tijde bestrijden dat we hier bezig zijn met uithollen. We willen de toegang tot het recht juist vergroten, door te kijken of je er eerder bij kunt zijn en of problemen niet veel meer aan de voorkant kunnen worden opgelost. Heel veel mensen zitten helemaal niet te wachten op een rechter of een advocaat. Ze willen gewoon een oplossing voor hun probleem. Dat kan in bepaalde gevallen eenvoudiger en sneller. Ik denk dat mensen daar ook zeer wel mee zijn gediend.

De voorzitter:
Gaat u verder.

Minister Dekker:
Dat laat onverlet dat je, daar waar je er niet uitkomt, soms wel die rechter en die advocaat nodig hebt. Die hebben in ons nieuwe stelsel dus ook gewoon een plek.

Voorzitter. Dan de rechtspraak, de rechterlijke macht. Uiteraard is die onafhankelijk en van goed kwalitatief niveau. De rechter biedt rechtsbescherming en rechtszekerheid. De Nederlandse rechtspraak staat er goed voor. Onlangs heeft de Europese Commissie nog eens onderzoek gedaan. Dat laat zien dat we op Europees niveau echt in de top zitten. Het laat ook zien dat dat niet vanzelfsprekend is; kijk naar een aantal landen om ons heen. Ik kom daar straks op terug.

Voorzitter. Toch kan ik wel zeggen dat het piepte en kraakte in de rechtspraak toen ik in 2017 aantrad als minister voor Rechtsbescherming. Er waren flinke financiële tekorten, de digitalisering stond op klappen, doorlooptijden en achterstanden waren hardnekkig hoog, en een procedure bij de rechter werd vaak gezien als duur, ingewikkeld en langdurig. Dat bleek ook uit het visitatierapport van 2019. Dat betekent echt wel wat voor mensen. We hadden bijvoorbeeld forse achterstanden in het noorden van het land, waar een paar honderd familiezaken op de plank lagen te liggen. Dat betekent dat je soms twee, drie jaar moet wachten op een uitspraak van een rechter als je in een echtscheiding zit. Dat moet echt anders. Daar hebben we vorig jaar goede afspraken over gemaakt.

Omdat wij vorig jaar goede afspraken hebben gemaakt, vind ik ook het amendement op stuk nr. 11, dat is ingediend door de heer Van Nispen en de heer Van den Berge, niet nodig. Ik ontraad dit amendement. Ik begrijp best dat meer financiële ruimte altijd fijn is, maar sinds vorig jaar zijn de echt financiële noden bij de rechterlijke macht aangepakt en hebben wij, zeg maar, de plooien er goed uitgetrokken. Daar zou de rechtspraak voor deze prijsafspraakperiode, die nog twee jaar loopt, mee uit moeten kunnen. Ook hier ontbreekt het aan een deugdelijke dekking van het amendement.

Dan waren er vragen over de achterstanden en hoe wij daarmee omgaan.

De voorzitter:
Op het vorige punt, de heer Van Nispen.

De heer Van Nispen (SP):
Eigenlijk niet als interruptie, maar als punt van orde. De minister kan niet zeggen dat de dekking niet deugdelijk is. Dat kan niet. Die dekking is deugdelijk. Het gaat om politieke keuzes. Je kunt ook andere politieke keuzes maken. De Kamer had ook kunnen besluiten om het amendement dat wij hadden ingediend op het Belastingplan te steunen. Dan was het dus wel een deugdelijke dekking. Dus de minister kan niet zeggen dat het een niet-deugdelijke dekking is. Ik wil dat de minister dat achterwege laat.

Minister Dekker:
Ik laat de kwalificatie maar even achterwege. Het punt is dat het Belastingplan inmiddels is aangenomen en dat de dekking die in dit amendement wordt aangedragen, uitgaat van een Belastingplan waar dit onderdeel niet in zit. Daarmee is de dekking voor dit amendement er in feite niet.

De voorzitter:
De heer Azarkan. Daar bent u weer.

De heer Azarkan (DENK):
Ja, het is bijna een hobby om hier te staan. Daar ben ik weer. Gaat de minister nog iets zeggen over strafbeschikking?

Minister Dekker:
Daar ga ik zo iets over zeggen.

De voorzitter:
Oke, dan wachten wij dat af. Gaat u verder.

Minister Dekker:
Vorig jaar hebben we afspraken gemaakt over het inlopen van de achterstanden en het verbeteren van de doorlooptijden. En toen kwam corona. Misschien toch goed om daar nog even op in te zoomen, want ook daarvan zijn de effecten op de rechterlijke macht natuurlijk enorm. U kent de verhalen. Aan het begin van de coronacrisis ging een groot deel van de zittingen niet door. De achterstanden in de strafrechtketen zijn daardoor opgelopen. Maar gelukkig zag ook iedereen in het strafrecht de urgentie. Met een breed en ambitieus ketenplan zijn wij gezamenlijk met deze achterstanden aan de slag gegaan. Wij hebben de capaciteit vergroot door de inzet van oud-rechters mogelijk te maken. Inmiddels zijn er 50 oud-rechters, die anders al gepensioneerd zouden zijn, aan de slag.

Daarnaast is nog eens kritisch gekeken naar de soorten zaken. Waar moeten die worden afgedaan? Dit betekent dat zaken die wellicht anders op de rol hadden gestaan van de meervoudige kamer, waar je drie rechters voor nodig hebt, zijn overgezet naar de politierechter, waar je maar één rechter nodig hebt. Dat scheelt natuurlijk enorm, want dan kun je meer afdoen. En het OM gaat meer zaken met een strafbeschikking afdoen, die anders wellicht door de politierechter hadden moeten worden gedaan. Verder zijn er zijn nieuwe manieren van werken ingevoerd, onder andere met videoverbindingen en telehoren. Voor die aanpak hebben wij ook geld uitgetrokken: 60 miljoen in 2020 en 40 miljoen in 2021.

Gevraagd werd of wij nu de effecten zien van dat pakket van maatregelen. Ik constateer dat wij de coronavoorraden bij de rechtspraak sneller dan verwacht aan het inlopen zijn. Aan het begin van de zomer lagen er ongeveer 14.000 extra misdrijfzaken bij de rechtbank, begin september waren dat er ongeveer 11.000. En als die ontwikkeling zich doorzet, dan is de prognose dat het mogelijk moet zijn om dat aantal aan het eind van het jaar terug te hebben gebracht tot een paar duizend. Begin 2021 zal ik u meer in detail over de resultaten informeren, maar ik vind dit echt een groot compliment waard aan al die mensen die in rechtbanken ongelofelijk hard werken om de corona-achterstanden weg te werken.

Het sterkt mij ook in de gedachte en in de hoop, zoals wij die ook in juli aan uw Kamer hebben laten weten, dat we echt in staat moeten zijn om eind volgend jaar die corona-achterstanden in de rechtspraak te hebben weggewerkt. Ik zeg daar wel onmiddellijk bij dat het van de rechtspraak voor een deel ook weer gaat naar de uitvoering, de executie. Bij DJI en de reclassering liggen dan nog wel wat uitdagingen. Tegelijkertijd zet de rechtspraak nog steeds vol in op het wegwerken van de reguliere achterstanden. We maken in feite een dubbelslag: de afspraken van vorig jaar staan nog en de achterstanden als gevolg van corona die er dit jaar bovenop kwamen, werken we ook weg. We gaan het allebei doen.

De voorzitter:
Ik zie u staan, meneer Azarkan, maar ik wil dat de minister dit eerst afrondt, met alle vragen die daarover zijn gesteld. Bent u klaar, minister?

Minister Dekker:
Ik ben klaar met de rechtsstaat en de rechterlijk macht. Dan ga ik over naar Polen.

De voorzitter:
U had het over de rechtspraak. Dat stukje is klaar?

Minister Dekker:
Ja, behalve dan dat er door de heer Groothuizen vragen zijn gesteld over de rechtspraak in Polen.

De voorzitter:
Zijn alle vragen die daarop betrekking hebben klaar?

Minister Dekker:
De vragen over het Nederlandse deel heb ik dan gehad.

De voorzitter:
Maar dan eerst de rest.

Minister Dekker:
Dan ga ik door naar internationaal en maak ik de overstap van de Nederlandse rechterlijke macht naar die van andere landen in Europa, meer specifiek Polen en Hongarije. Ik begrijp heel goed dat de heer Groothuizen daar vragen over stelt. Je zou kunnen zeggen dat de Poolse rechtsstaat ook onze rechtsstaat is. We werken in Europa immers op basis van onderling vertrouwen en de wederzijdse erkenning van gerechtelijke uitspraken. We houden heel scherp in de gaten wat daar gebeurt. Onze zorgen zijn onverminderd. Sterker nog, die nemen toe. Nu is het zo dat we, in de traditie van de Europese samenwerking, ook kijken hoe je daar op een goede manier uitkomt. Dat begint met het aangaan van een gesprek, een dialoog. Dreigende taal en sancties hebben niet altijd onmiddellijk een positief effect. Sterker nog, ik heb weleens de indruk — ik ben net als de heer Groothuizen in Polen geweest — dat het soms ook contraproductief kan werken. Duurzame verandering moet uiteindelijk wel daarvandaan komen.

Dat betekent uiteraard niet dat we achteroverleunen, integendeel zelfs. De andere lidstaten en de EU-instellingen hebben ook een verantwoordelijkheid om duidelijk te maken waar zij voor staan, namelijk pal voor vrijheden, democratie en rechtsstaat. Dat betekent voor mij het volgende: goed gebruikmaken van het internationaal instrumentarium, zoals het EU-verdrag, maar ook de besprekingen in de JBZ-Raad — volgende week staat dat weer op de rol — en het deelnemen aan de rechtszaken van het Europese Hof van Justitie, vaak aangezwengeld door de Commissie, maar waar we ons in Nederland wel in kunnen voegen, wat we ook samen met andere landen doen. Twee: het geluid voor principes van de democratische rechtsstaat altijd laten horen en zorgen dat dit uit vele stemmen bestaat, dus door een zo breed mogelijk blok te maken. Voor mij is het belangrijk om de collega's in Polen en Roemenië te laten zien dat het niet een enkel land is dat daarvoor staat, maar een breed front. Nederland zal zich blijven inzetten voor een EU waarin die basisprincipes ook worden gehandhaafd.

We zien dat ook terugkomen. Kijk bijvoorbeeld naar de impasse waarin de Europese Raad momenteel verkeert door het veto van Polen en Hongarije op het Meerjarig Financieel Kader en het herstelfonds. De afspraken die zijn gemaakt over de rule of law zijn voor Nederland echt essentieel. Het was een vrij kort gesprek tussen de ministers-presidenten, want de bal ligt nu gewoon bij Polen en Hongarije. Het is belangrijk dat we die daar ook even laten liggen. Het is voor nu vooral zaak het Raadsvoorzitterschap onverkort te steunen om dit mechanisme overeind te houden. Voor Nederland is dat echt van belang.

Wat betreft de vraag of Nederland als individuele lidstaat een zaak bij het Hof van Justitie zou moeten beginnen op basis van artikel 259 van het EU-Werkingsverdrag, ben ik nog niet onmiddellijk overtuigd van de meerwaarde. Een van de overwegingen daarbij is dat dit instrument zelden gebruikt wordt, en vooral dan wanneer een specifiek belang van een lidstaat wordt geraakt. Dus wanneer het algemeen belang wordt geraakt, ligt de taak toch primair bij de Commissie. Als we dan als Nederland tot zo'n stap over zouden gaan, zeggen wij eigenlijk impliciet dat de Commissie als hoeder van het EU-verdrag haar werk niet goed doet. En dat is in mijn ogen op dit moment niet aan de orde. Daarnaast is het zo dat het ook geen teken van kracht is als Nederland zoiets in zijn eentje zou doen. Want het impliciete signaal dat daarvan uit zou kunnen gaan, is dat gezegd wordt: kennelijk staat Nederland alleen.

De voorzitter:
Heeft u hiermee alle vragen beantwoord?

Minister Dekker:
Ja.

De voorzitter:
Dan ga ik eerst naar de heer Azarkan en dan naar de heer Groothuizen en mevrouw Buitenweg. Meneer Azarkan, ik zie dat u van plek veranderd bent, in het middelpunt van de aandacht.

De heer Azarkan (DENK):
U heeft mij elke keer door, voorzitter; scherp van u. In het vorige blokje, voordat we naar Polen gingen, sprak de minister over het wegwerken van de voorraad. Daarbij had hij het over meer strafbeschikkingen. We hebben natuurlijk in 2008 de uitzondering gemaakt dat niet alleen de rechter, maar ook het OM, via een OM-afdoening, een straf kan opleggen. In 2008 of 2009 is daar aan evaluatie van geweest. Daar bleek uit dat de rechter bij mensen die in bezwaar gingen alsnog in vier van de tien gevallen een lagere straf oplegde. Hoe zorgen we ervoor dat we daar die kwaliteit wel behouden? Want de praktijk is dat anders namelijk nu — ik zie dat ook op internet — heel veel mensen zeggen: bij een strafbeschikking van het OM moet je standaard bezwaar aantekenen. Hoe kijkt de minister daartegenaan?

Minister Dekker:
Om te beginnen heeft het OM zich die aanbeveling ter harte genomen. Volgens mij heeft mijn collega Grapperhaus daar verschillende debatten met uw Kamer over gevoerd. Dat laat ook verbetering zien. Twee. Wij hebben gezegd: bij deze beweging hoort ook verbetering van de rechtsbescherming. Dus we hebben een beweging gemaakt op het gebied van de rechtsbijstand. Dat betekent dat iedereen die een OM-afdoening krijgt ook een kosteloos gesprek kan voeren met een advocaat over wat dat precies betekent, wat bijvoorbeeld de gevolgen zijn voor je strafblad. Er bestaat natuurlijk altijd de mogelijkheid om verzet aan te tekenen. Dus je hoeft niet akkoord te gaan met een OM-beschikking; je kunt dan alsnog naar de politierechter gaan. Laten we ook eerlijk zijn: als het te makkelijk wordt of als mensen die een OM-strafbeschikking voorgelegd krijgen het idee hebben dat ze er baat bij hebben om naar de rechter te gaan, dan doen we natuurlijk heel weinig met het wegwerken van die achterstanden. Dus uiteindelijk heeft ook het Openbaar Ministerie er baat bij om gewoon reële OM-beschikkingen voor te leggen.

De voorzitter:
De heer Groothuizen. Nee, de andere microfoon.

De heer Groothuizen (D66):
Excuses, voorzitter. Over Polen. Toen ik daar was, sprak ik mensen die zeiden: "De EU was voor ons een droom. Wij werden daar lid van, en dat was eigenlijk wegkomen uit de Sovjet-Unie en de terreur van de eenpartijstaat. Die droom dreigt nu in duigen te vallen." Ik heb aan de minister gevraagd: moeten we niet meer doen? Doen, daar gaat het vooral om. Mijn vraag aan de minister is: doen we nu echt genoeg? Doen we in de praktijk iets wat ook echt zoden aan de dijk zet, of moeten we over een paar jaar concluderen dat we toch te veel met onze handen over elkaar hebben gezien hoe het daar in elkaar dondert?

Minister Dekker:
In alle Europese discussies die mijn collega Grapperhaus en ik voeren, komt dit aan de orde. Ik ben ook in Polen geweest. Ik kan dat iedereen aanbevelen. Op papier ziet het er ernstig uit, maar als je daar komt en je met de betrokkenen spreekt, dan schrik je je wezenloos. Ik heb daar toevallig onder andere met de minister van Justitie gesproken, Ziobro. Hij is overigens nooit bij vergaderingen in Brussel aanwezig. Maar het was wat dat betreft verhelderend om ook een keer met hem het gesprek te voeren, omdat ik zelf de indruk had dat hij wellicht zou verhullen waar hij mee bezig was. Maar eerlijk gezegd werd daar gewoon open en bloot een agenda neergezet, waarbij gezegd werd: wij gaan een aantal van die veranderingen doorvoeren, met als oogmerk om de boel daar te zuiveren van de communistische invloeden die er nog steeds zouden zijn in de rechtspraak. Ik geloof dat hij iets van die termen gebruikte; dat is daar ook publiekelijk gebeurd. Uw vraag was: doen wij dan voldoende daartegen? Ja, wij laten geen kans onbenut. In de afspraken rond het herstelfonds en het Meerjarig Financieel Kader zit nu een rule-of-lawmechanisme, dankzij Nederland; overigens met brede steun van een aantal andere landen. De lijst van inbreukprocedures is inmiddels behoorlijk lang. Nederland voegt zich bij vrijwel al die inbreukprocedures.

De voorzitter:
Ik wil toch even een opmerking maken. De antwoorden moeten kort zijn. U bent nog bij het eerste onderwerp. De Kamerleden moeten kort zijn, maar dat geldt ook voor de bewindspersonen. Sorry dat ik u moet onderbreken.

Minister Dekker:
Ja. In vrijwel iedere JBZ-Raad staan het mechanisme in het Financieel Kader, en de zaken die lopen bij het Europese Hof op de rol. Het enige punt is: wij kunnen de Poolse wet niet veranderen. Het vraagt om druk op de Poolse autoriteiten en de Poolse politiek om deze beweging te maken.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Ik hoor toch heel veel verschillende zaken, moet ik zeggen. Aan het begin zei de minister dat het vooral een zaak is voor de mensen daar. Vervolgens wordt er wat druk op gezet door D66, en dan komt er toch wat meer vuur. Ik zou zeggen: hou dat vooral vast, en wees niet zo kabbelend zoals aan het begin. De minister zegt nu ook dat ze wel degelijk zeggen dat het ook gaat om het zuiveren van de rechtspraak. Dan is het niet alleen een zaak voor daar, maar ook een zaak voor ons. Minister Van Engelshoven heeft onlangs, ik denk een paar weken geleden, in een debat gezegd: laten we misschien maar eens nadenken over zo'n kopgroep van lidstaten; ik ga dat bespreken in het kabinet. Nou hoop ik op een kleine uitleg van wat nu precies de overweging is geweest naar aanleiding van dit gesprek dat, naar ik aanneem, ook echt heeft plaatsgevonden. De minister ziet zo'n kopgroep nu namelijk vooral als afbreuk doen aan de kracht van de Europese Commissie; althans, zo lijkt het. Maar je kunt het ook juist als een versterking zien dat we niet alleen de Commissie de kooltjes uit het vuur laten halen, maar dat we op meerdere fronten duidelijk maken dat dit voor ons allen een kwestie is. Dan kunnen we ook kijken hoe we kunnen samenwerken met lidstaten, ook bijvoorbeeld in Spanje en in Italië, om duidelijk te maken dat dit een gezamenlijk iets is. Ik zou willen dat de mogelijkheid daartoe actief onderzocht wordt door deze minister voor Rechtsbescherming, inclusief de Europese rechtsbescherming.

Minister Dekker:
Wat ik heb willen zeggen met "uiteindelijk moet het daar gebeuren", is niet dat we ons er niet tegenaan bemoeien en niet alle middelen inzetten. Alleen, het gaat hier om Poolse wetgeving, en uiteindelijk kan die alleen in Polen worden veranderd. Wij voeren maximaal de druk op richting de Poolse autoriteiten om die beweging te maken. Mijn punt is dat ik het dan effectiever vind en dat het beter is om met z'n allen tegen één — of als je Hongarije meeneemt twee — te staan, in plaats van met een deel van de lidstaten. Zo zit bijvoorbeeld ook de collega van Buitenlandse Zaken erin, die dit regelmatig bespreekt in de RAZ en die dit ook steeds voorhoudt als het gaat om de artikel 7-procedure, die ook loopt. Vooralsnog hebben wij de indruk dat de Commissie alle mogelijkheden die haar ter beschikking staan, de artikel 7-procedure, de inbreukprocedures via het Hof en nu het rule-of-lawmechanisme in het Financieel Kader, benut om de druk maximaal op te voeren.

De voorzitter:
Goed, dan stel ik voor dat u verdergaat en een beetje tempo erin zet.

Minister Dekker:
Voorzitter. Ik kom bij alles rond veiligheid, preventie, recidive en dat soort zaken. Ons strafrecht is gebaseerd op de drie-eenheid: zo veel mogelijk voorkomen, preventie; daar waar misstappen worden gemaakt, afstraffen; en vervolgens proberen om herhaling te voorkomen, bestrijden van recidive. Wat straffen betreft, hebben we de afgelopen jaren hard gewerkt om de sanctietoepassing te verbeteren en te laten werken voor een veiliger Nederland. Dat hebben we gedaan met wetten en regels en het toewijzen van mensen en middelen.

Op het gebied van de recidivebestrijding hebben we onder andere met de Wet straffen en beschermen natuurlijk een forse slag gemaakt. Daar zit niet alleen het vergeldingselement in, met de verkorting van de voorwaardelijke invrijheidstelling, maar juist ook meer instrumenten om aan de achterkant ervoor te zorgen dat gedrag wordt veranderd en dat dat zwaarder meetelt bij het toekennen van verlof. We bereiden gedetineerden ook beter voor op de terugkeer in de samenleving. Dat is goed voor de recidivecijfers. Daarbij kijken we ook wie er nou eigenlijk binnenkomt. Is er bijvoorbeeld sprake van verslavingsproblematiek of van licht verstandelijke beperkingen? Mevrouw Yeşilgöz vroeg daarnaar. Daar is een screeningsinstrument voor ontwikkeld, de Screener voor intelligentie en licht verstandelijke beperking (SCIL), en verschillende instanties, zoals de Raad voor de Kinderbescherming, HALT, DJI en reclassering voeren die op dit moment in. Als daaruit de indicatie komt dat sprake is van een licht verstandelijke beperking wordt daarmee rekening gehouden in het vervolgtraject. Recidivebestrijding en preventie is eigenlijk waar de cirkel samenkomt. Want zeker als je bij voorbeeld kijkt naar jeugdigen die we in het strafrecht krijgen, proberen we om die zo goed mogelijk weer op het rechte pad te krijgen en daar waar we jongeren aantreffen te voorkomen dat ze afglijden, of dat broertjes en zusjes afglijden.

Mijn collega Grapperhaus heeft al het een en ander gezegd over preventie in het kader van ondermijning. Ik denk dat dat goed is. Er worden ook verschillende onderzoeken gedaan naar de mechanismes van hoe dit soort jongens vaak in de georganiseerde criminaliteit belanden, zodat je gerichtere interventies kunt doen. Ook in het kader van de bredere aanpak van jeugdcriminaliteit kijken we of we niet veel meer uit kunnen gaan van een gezinsbenadering, in plaats van een individuele benadering. Strafrecht is vaak individueel gericht, maar je haalt het oudste broertje eruit omdat het iets vreselijks heeft gedaan en vervolgens tref je in hetzelfde gezin nog twee of drie jongere broertjes aan, waarvan je hoopt dat ze niet het voorbeeld van hun oudere broer volgen. Dan kan het helpen om een beter aangrijpingspunt naar ouders te hebben, om die meer aan te spreken op hun verantwoordelijkheid. We kijken op dit moment naar een wettelijk instrumentarium om ouders waar nodig meer dwingend aan te spreken op hun verantwoordelijkheid, waarbij we nadrukkelijk kijken naar voorbeelden in het Verenigd Koninkrijk op dit vlak. Ik hoop u in de komende maanden meer te laten weten of dat kansrijk is.

De voorzitter:
Er is uitgebreid schriftelijk geantwoord op een aantal vragen. Ik wil dus vragen om daar niet nog eens bij stil te staan, want dat is zonde van de tijd. Dus geen dubbelingen en alleen antwoorden op die vragen die niet schriftelijk zijn beantwoord.

Minister Dekker:
Alle vragen zijn schriftelijk beantwoord. Dus als u wilt, dan stop ik nu.

De voorzitter:
Nee, collega's hebben andere vragen gesteld bij hun inbreng.

Minister Dekker:
Alle vragen zijn beantwoord.

De voorzitter:
Dus u staat eigenlijk de schriftelijke vragen voor te lezen?

Minister Dekker:
Nee hoor, wij beantwoorden alle vragen die zijn gesteld schriftelijk, zodat wij nooit beticht kunnen worden van het niet-beantwoorden van een vraag. Maar we pikken meestal de onderwerpen er even uit …

De voorzitter:
Ja.

Minister Dekker:
… waarvan wij het idee hebben dat daar meerdere vragen over werden gesteld en dat die wellicht ook om een mondelinge toelichting vragen.

De voorzitter:
Natuurlijk is het de bedoeling dat alle vragen worden beantwoord, maar dat daarin geen dubbelingen voorkomen. Want de collega's kennende weten zij ook welke vragen wel en niet worden beantwoord. Daar komen ze zeker op terug. Gaat u verder.

Minister Dekker:
Ik heb nog drie korte blokjes. Daar zitten wel wat dubbelingen in. Als er geen behoefte is aan interrupties, ga ik daar heel snel doorheen. Er zijn bijvoorbeeld vragen gesteld over huiselijk geweld en over de toereikendheid van het instrumentarium. Ik verwijs maar even naar de schriftelijke antwoorden die u op dat vlak hebt gekregen en naar de verkenningen die wij doen, onder andere naar het niet-erkennen van huwelijken die in het buitenland zijn gesloten, waarna men zodra men meerderjarig is naar Nederland komt. Wij kijken hoe we dat vervolgens niet kunnen erkennen. Dat is eigenlijk het interruptiedebatje dat gisteren plaatsvond tussen mevrouw Becker en de heer Markuszower. Daar wordt dus wel degelijk aan gewerkt.

Dan rechtsbescherming in de digitale wereld. Er zijn vragen gesteld over de laagdrempelige voorziening. Het WODC-onderzoek is vorige week naar uw Kamer gestuurd. Komend voorjaar kunt u daarover een brief verwachten. Dat is de regelgeving. Over etniciteit en nationaliteit is al wat gezegd. We hebben natuurlijk ook alles rond de AVG.

Voorzitter. Dan het toezicht. De vragen over de AP zijn allemaal al schriftelijk beantwoord. Het amendement dat daarover is ingediend door de heer Van Nispen en mevrouw Buitenweg om 9 miljoen extra toe te kennen, wil ik graag ontraden. We hebben al extra middelen toegekend, ook in de brief die ik u vorige week heb gestuurd. De AP is een van de best gefinancierde autoriteiten in Europa. Het budget is in de afgelopen jaren verdriedubbeld. Als ik naar het rapport kijk, dan vind ik het vooral belangrijk dat de basis eerst goed op orde wordt gebracht alvorens we nog verder doorgroeien. Daarom ontraad ik het amendement.

Voorzitter. Dan ga ik door naar de kansspelen. Dat is een grote hobby van de leden Van Toorenburg en Van der Graaf. Ik hoor hier "fervent", maar dat zullen ze u niet in dank afnemen. Volgend jaar treedt de Wet kansspelen op afstand in werking, die juist inzet op het bestrijden van illegaal internetgokken, op steviger handhaven en op meer inzetten op preventie. Dat zijn belangrijke publieke doelstellingen.

Mevrouw Van der Graaf vroeg: kunt u de cijfers geven over gokverslaving? Dat doe ik heel erg graag. In de schriftelijke beantwoording geven we ook precies aan hoe dat kan. Als de wetgeving van VWS erdoor komt — maar daar heeft u als Kamer ook een rol in — dan verwacht ik dat in de loop van volgend jaar te kunnen doen. Dus dat zeg ik u toe.

Dan de handhaving van lootboxen. Dat gebeurt wel degelijk, zeg ik in de richting van mevrouw Van Toorenburg. Dat heeft ook geleid tot een aantal handhavingstrajecten, waarna in ieder geval twee fabrikanten aanpassingen hebben gedaan. Richting het populaire spel FIFA is inmiddels een dwangsom opgelegd.

Dan de vragen over de conceptmarktvisie. Ik denk dat het met name gaat over de loterijen. Wat daarbij voor mij leidend is, is de brief die ik u daar vorig jaar over heb gestuurd. Wij vinden het belangrijk om een aantal publieke waarden goed te borgen. Het gaat dan niet alleen om de klassieke belangen die een rol spelen bij het kansspelbeleid, zoals het tegengaan van illegaliteit en het voorkomen van verslaving, maar ook om het behoud van de afdrachten die vanuit een aantal loterijen worden gedaan richting bijvoorbeeld goede doelen.

Voorzitter. Tot slot adoptie. De heer Bisschop vroeg naar de ondersteuning van een aantal organisaties en van geadopteerden in de zoektocht naar hun wortels. Dat is een thema dat mij na aan het hart gaat. Ik heb gezegd: laten we daar extra financiële middelen voor uittrekken om ook te voorzien in een ondersteuningsaanbod dat heel erg is gericht op de vraag hoe we met het geld dat we beschikbaar hebben, zo veel mogelijk geadopteerden kunnen ondersteunen. Dan focus ik toch vooral op de infrastructuur, namelijk een goede vraagbaak en een goede organisatie die daarin kunnen ondersteunen. Zodra je ingaat op het ondersteunen van individuele reizen of individuele zoektochten, is natuurlijk ook dat budget heel snel vervlogen. Dus wij zetten in op een zo breed mogelijke ondersteuning.

De heer Bisschop en de heer Van Nispen stelden heel specifiek een vraag over de verjaringstermijn. Ik kan me heel goed voorstellen dat het moeilijk te accepteren is voor geadopteerden die daarmee geconfronteerd worden. Toch is het niet voor niets dat die twintig jaar ook expliciet in de wet genoemd wordt. Na verloop van tijd zie je nu eenmaal dat het ook gewoon moeilijker wordt om na te gaan, voor een rechter maar ook voor ons, wat er zich heeft afgespeeld. Daarom wens ik daar graag aan vast te houden.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Omdat ik een beetje slome Harry ben, duurt het even voordat ik ben opgestaan. Ik ga nog iets vragen over de kansspelen, maar misschien heeft de heer Van Nispen juist op dit punt een vraag.

De heer Van Nispen (SP):
Dat klopt. Ik had een vraag over het laatste antwoord van de minister. Ik begrijp wel dat de minister zegt: na verloop van tijd is het steeds moeilijker om bewijs te beoordelen. Maar als dat zo is, dan blijkt dat wel bij de rechter. Als het niet meer aan te tonen is dat er zaken zijn misgegaan, dat een organisatie niet aansprakelijk is, dan zal de rechter dat ook niet toewijzen. Het gaat om de afweging van de rechtszekerheid voor de organisatie die mogelijk fraude of misstanden heeft gepleegd ten opzichte van die voor de geadopteerde die mogelijk een zaak heeft waar iets is misgegaan. Dan slaat voor mij de balans toch wel door naar de geadopteerde die op het moment van adoptie een baby was. Dan begint die verjaringstermijn te lopen en als iemand 18 wordt, moet die zich als de wiedeweerga realiseren wat er allemaal is gebeurd en een rechtszaak starten. Dat vind ik niet redelijk en daarom is het voorstel, mede namens de SGP en de SP: kijk daar alsjeblieft naar, laten we die verjaringstermijn afschaffen en het aan de rechter overlaten om te beoordelen of er mogelijk grond is voor een aansprakelijkstelling. Als de minister het niet wil afschaffen, laten we die verjaringstermijn dan in ieder geval pas starten bij het bereiken van de meerderjarige leeftijd. Dat doen we in het strafrecht overigens ook. Dit gaat om civiel recht, maar die analogie kunnen we hier wel maken. Kijk daar alstublieft naar.

Minister Dekker:
Dit zit zo gebakken in de wet. Het is dus geen kwestie van: schaf dat even een-twee-drie af. Dat vraagt dan ook echt om een wetswijziging. Als je dat gaat bekijken denk ik ook dat dat breder is dan alleen adoptiezaken. Er kunnen zich meerdere dingen afgespeeld hebben in de vroege jaren van mensen waar ze op latere leeftijd, zodra ze volwassen zijn, aanspraak op zouden willen maken. Het is dus ook wel iets fundamenteler dan alleen maar deze kwestie van adoptie. Ik ben best bereid om daar eens naar te kijken, zonder nu onmiddellijk te zeggen dat we daar ook wat aan gaan doen. Want het blijft natuurlijk gewoon lastig bij dit soort zaken om dan boven tafel te krijgen hoe het is gelopen. De rechter heeft ook nu al de mogelijkheid om anders te oordelen, om te zeggen: ik vind het hier toch in het belang van betrokkenen dat we niet uitgaan van die verjaringstermijn van twintig jaar. Dat gebeurt wellicht als daar meerdere bevindingen op tafel liggen.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Even naar mijn veronderstelde hobby, wat bepaald niet zo is: de kansspelen. We hebben begrepen dat er een conceptmarktvisie van de Ksa is gekomen, waarin continu aan de visie van Teeven wordt gerefereerd. Ik moet eigenlijk zeggen: de voormalig staatssecretaris. Dat vind ik al verontrustend, maar het gaat maar door. Ook als gesprekken worden gevoerd met organisaties in deze hele keten, dan ligt iedere keer de visie van de voormalig staatssecretaris op tafel. Ik vind dat gewoon ongepast, want we hebben niet voor niets gezegd dat het anders moet. Daar is op bepaalde punten ook een andere beleidslijn in gevoerd. Dus hoe kunnen we er nu voor zorgen dat ook de Ksa, met alle partners, weet dat het niet de visie van een voormalig staatssecretaris is maar de visie van deze minister die hier is afgestemd met de Kamer?

Minister Dekker:
Daar heeft u van mij vorig jaar een brief over ontvangen. Dat is de beleidslijn van dit kabinet, dus ik ben dat eens met mevrouw Van Toorenburg. Dat betekent niet dat alles wat in die visie van 2011 staat, overboord is gegaan. Er zitten nog steeds elementen in die ook nu nog leidend zijn in dit kader. Maar u mag er van mij van uitgaan dat de meest recente brief ook het leidend kader is. Een aantal van de kwesties die op tafel liggen, gaan uiteindelijk natuurlijk over dingen waar de Ksa niet over gaat, maar die wij hier politiek bepalen, bijvoorbeeld hoe je omgaat met monopolies.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
De politiek is toch niet bepaald jubelend geweest over iets wat de Ksa wel lijkt te vinden, namelijk dat er zo veel mogelijk toetreders moeten komen. Dan denk ik: hoezo zo veel mogelijk toetreders? Moeten we heel Nederland dan maar gek bombarderen met al die rottige spelletjes? Het lijkt er zelfs op dat het winstoogmerk van nieuwe toetreders belangrijker wordt geacht dan maatschappelijke afdracht. Dat zijn gewoon dingen die in die hele keten beginnen op te vallen. Dan wordt het natuurlijk een akelig spelletje, want we waren al tegen die kansspelen. We zijn er op basis van een nieuwe brief mee akkoord gegaan dat daar iets mee gebeurt, maar dan komt iedere keer weer dat giftige naar bovendrijven: zo veel mogelijk aanbieders, lekker winstoogmerk en minder afdracht. Dat kan niet de bedoeling zijn.

Minister Dekker:
Het winstoogmerk van private bedrijven kan nooit een publieke doelstelling zijn. De doelstellingen voor het kansspelbeleid zijn het voorkomen van illegaliteit, het voorkomen van witwassen, het voorkomen van verslaving en de regulering van de markt daaromheen. Het is geen beleidsdoel van de overheid om ervoor te zorgen dat bedrijven winst kunnen maken.

De voorzitter:
Volgens mij was u klaar. Dank u wel.

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:
Ik wil schorsen tot 13.50 uur. Dan gaan we verder met de beantwoording door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

De vergadering wordt van 13.18 uur tot 13.53 uur geschorst.

Mededelingen

Mededelingen

Mededelingen

De voorzitter:
Op de tafel van de Griffier ligt een lijst van ingekomen stukken. Op die lijst staan voorstellen voor de behandeling van deze stukken. Als voor het einde van de vergadering daartegen geen bezwaar is gemaakt, neem ik aan dat daarmee wordt ingestemd.

Regeling van werkzaamheden

Regeling van werkzaamheden

Regeling van werkzaamheden

De voorzitter:
Dan is nu aan de orde de regeling van werkzaamheden. Ik stel voor dinsdag 30 november aanstaande ook te stemmen over de ingediende moties bij de notaoverleggen over de Omgevingswet, over klimaat en energie en over verpleeghuiszorg, en over twee brieven van het Presidium (35570-XVI, nr. 37 en 35612, nr. 2).

Op verzoek van de aanvrager stel ik voor het debat over het verzamelen van gedetailleerde persoonsgegevens door Google van de agenda van de Kamer af te voeren.

Ik stel voor toe te voegen aan de agenda van de Kamer:

  • het VAO Onderwijs en corona VII, funderend onderwijs, met als eerste spreker de heer Van Meenen namens D66;
  • het VAO Vliegveiligheid, met als eerste spreker de heer Laçin namens de SP;
  • het wetsvoorstel Wijziging van de Winkeltijdenwet in verband met de bescherming van winkeliers tegen eenzijdige wijzigingen van openingstijden (35522);
  • het wetsvoorstel Wijziging van de begrotingsstaat van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2020 (Derde incidentele suppletoire begroting inzake corona maatregelen) (35553);
  • het wetsvoorstel Wijziging van de begrotingsstaat van het gemeentefonds voor het jaar 2020 (Tweede incidentele suppletoire begroting inzake coronamaatregelen) (35544).

Het Presidium heeft de recessen tot en met het zomerreces 2022 vastgesteld. Deze zullen op de agenda van de Kamer worden vermeld.

Ik stel voor de volgende stukken van de stand van werkzaamheden af te voeren: 31839-718; 31497-338; 31839-748; 32793-502; 32793-491; 32793-482; 29538-321; 29325-123; 29325-121; 25424-548; 35146-18; 34104-245; 25424-545; 25424-555; 32793-496; 25424-551; 25424-546; 25424-531; 29282-414; 32824-305; 32847-690; 21501-20-1608; 21501-02-2225; 21501-20-1611; 35393-7; 35570-V-9; 33529-813; 22112-2943; 33836-58; 2020Z21306; 2020Z20384; 29614-155; 33552-68; 2020Z17605; 19637-2651.

Ik deel mee dat de volgende aangehouden moties zijn vervallen: 35538-18; 24515-562; 35353-29; 32849-196; 35250-39; 34562-15; 25295-334; 35300-XV-44; 29398-854; 19637-2657.

Op verzoek van een aantal leden stel ik voor de volgende door hen ingediende moties opnieuw aan te houden: 35570-46; 35570-28; 33835-69; 33605-XIII-15; 26991-449; 21501-32-687; 35300-41; 35000-26; 32813-312; 32813-310.

Overeenkomstig de voorstellen van de voorzitter wordt besloten.

De voorzitter:
Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de regeling van werkzaamheden.

Begroting Justitie en Veiligheid 2021

Begroting Justitie en Veiligheid 2021

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

  • het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (VI) voor het jaar 2021 (35570-VI).

De voorzitter:
We zijn toegekomen aan de beantwoording van de zijde van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

De algemene beraadslaging wordt hervat.

De voorzitter:
Het woord is aan de staatssecretaris.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Dank, voorzitter. De afgelopen anderhalf jaar heb ik de portefeuille Asiel en Migratie leren kennen als een bepaald boeiend dossier, dat eerst en vooral vraagt om praktische oplossingen voor complexe problemen. Mijn debatten met uw Kamer gingen dan ook vooral over zaken in het asieldomein die niet soepel liepen en over wat daaraan moest gebeuren. Terecht, want het belang van een goed georganiseerd en goed lopend asiel- en migratiestelsel valt niet te overschatten en daar is iedere dag heel veel werk aan de winkel.

Over onderwerpen als doorlooptijden en capaciteitsproblemen zullen wij ook vandaag weer uitgebreid spreken. Veel van die problemen zijn zo hardnekkig dat we ze niet vandaag kunnen oplossen, en morgen ook niet. Oplossingen in het asielbeleid zijn vaak een zaak van lange adem. Dat leidt soms tot frustraties, in de eerste plaats bij asielzoekers, die soms veel te lang moeten wachten op een beslissing of op de juiste opvang. Maar ook leidt het tot frustraties bij uw Kamer, bij veel burgers en zeker ook bij de mensen die iedere dag aan die oplossingen werken. Ik verzeker u dat ik dat begrijp en herken. Maar wat ik zeker ook herken bij veel leden van uw Kamer is de nog grotere vastberadenheid om samen verbeteringen te bewerkstelligen. De grote betrokkenheid van uw Kamer en de soms scherpe debatten die we hier voeren, hebben in veel gevallen geleid tot goede resultaten en voortgang. Ook over die positieve ontwikkelingen wil ik u vandaag graag informeren.

Dan is er naast deze uiterst belangrijke praktische aangelegenheden nog een thema waarop ik vandaag in mijn laatste begrotingsbehandeling wat breder zou willen reflecteren. Dat is het hogere belang van wat wij hier vormgeven. U kunt gerust zijn; ik zal dat kort doen.

Daarna ga ik over tot de beantwoording van de vragen die door uw leden gesteld zijn. Die beantwoording zal uiteenvallen in de volgende delen: de robuuste migratieketen, overlast, de internationale dimensie en ten slotte mensenhandel en prostitutie.

Mevrouw de voorzitter. Sinds mijn aantreden in juli 2019 als staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heb ik iedere dag de balans gezocht, het juiste evenwicht in de dilemma's waarmee een bewindspersoon op dit departement dag in, dag uit geconfronteerd wordt. Want dit departement is eindverantwoordelijk voor toelating maar ook voor terugkeer. We willen humaan zijn, maar niet naïef. Er zijn mensen die onze hulp hard nodig hebben en er zijn mensen die misbruik maken van ons asielsysteem. We moeten zorgvuldig zijn, maar tegelijk de vaart erin houden. We moeten strak blijven op de rechtsgelijkheid maar oog houden voor schrijnende gevallen. En iedere dag moeten we integere afwegingen maken tussen persoonlijke casuïstiek en het algemeen belang.

Naastenliefde is diep verankerd in onze samenleving; daarvan ben ik overtuigd. Als iemand in nood in Nederland op een deur klopt, zal die deur in de regel opengaan. Zo willen wij ook zijn als land, in onze houding naar de wereld. Nederland wil bescherming bieden aan wie vlucht voor oorlog of vervolging. Dat is de afgelopen anderhalf jaar mijn hoofddoel geweest: de versterking van het asielsysteem om mensen op de vlucht voor vervolging of geweld op te vangen en de deur juist voor hén te openen. Dat betekent ook dat we moeten werken aan de bereidheid van Nederlanders om die deur te openen wanneer dat nodig is.

De heer Emiel van Dijk (PVV):
Ik vind dit een heel mooi sentimenteel praatje: we zijn een land dat mensen welkom heet. Maar we zijn onder de VVD momenteel al tien jaar lang ook een land dat gasten die hun welkom "overstayed" hebben, dus te lang zijn gebleven, niet de deur uit heeft gezet. De VVD houdt hier nu dus het pleidooi dat we iedereen welkom moeten heten, maar aan de andere kant worden er geen mensen teruggestuurd die hier al te lang zijn. Is het niet een beetje eenzijdig om de problematiek zo aan te vliegen?

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Het is jammer dat de heer Van Dijk niet even gewacht heeft, want daar kom ik op. Dat zit in mijn betoog.

De voorzitter:
Dat is goed.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Ik heb alleen als start willen aangeven dat onze instelling is dat we bescherming moeten kunnen bieden aan mensen die vluchten voor oorlog of geweld.

De voorzitter:
En komt u nu op dat andere punt?

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Ja, ik kom nu op dat punt van de heer Van Dijk.

De voorzitter:
Dan krijgt u zo het woord, meneer Van Dijk.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
De bereidheid om de deur te openen is namelijk niet vanzelfsprekend. Er is scepsis, en daar is ook alle reden toe. Laat ik doorgaan op het voorbeeld van de klop op de deur. De afgelopen jaren hebben we te maken gekregen met mensen die op de deur kloppen en dan als het ware hun voet tussen die deur zetten, het huis binnendringen en vervolgens weigeren weg te gaan. Soms draperen ze zich ook nog ongevraagd op de bank en planten ze hun schoenen op de salontafel. Met dat laatste beeld doel ik op overlast gevende asielzoekers, vaak jongeren uit veilige landen die geen enkel recht hebben om hier te verblijven. Dat voelt als een bespotting van noties van gastvrijheid en medemenselijkheid. Het is onrecht, in twee opzichten. Een. Ieder incident met een overlast gevende asielzoeker is een aantasting van het rechtvaardigheidsgevoel en het veiligheidsgevoel.

Twee. Eenieder die asiel zoekt terwijl hij of zij dat niet echt nodig heeft, verkleint daarmee op de langere termijn de kansen voor anderen die wél op de vlucht zijn voor geweld en vervolging, voor mensen die wél vervolgd worden om hun etniciteit, politieke overtuiging, seksuele identiteit of geloof. Nederland kent geen quotum voor vluchtelingen. Daar heeft het kabinet voor gekozen. Maar feit is dat er wel degelijk een grens is aan het absorptievermogen en de spankracht van onze samenleving. Die grens mag minder tastbaar zijn, maar die is voelbaar, ook in de debatten over het asielbeleid in uw Kamer.

Vanuit dat besef heb ik de afgelopen anderhalf jaar hard gewerkt om overlast te bestrijden, procedures te verbeteren, misbruik te voorkomen, achterstanden weg te werken, grenscontroles aan te scherpen en terugkeer te bevorderen. Waar dat geleid heeft tot successen, was dat eerst en vooral de verdienste van anderen. Onze asiel- en migratieketen is het werk van zeer velen, allereerst de uitvoerende diensten: de IND, het COA en de Dienst Terugkeer en Vertrek. Mijn ervaring is dat daar zorgvuldig en toegewijd gewerkt wordt. Ons asiel- en migratiestelsel drijft echter ook op het werk van nog veel meer mensen, van de AVIM en de marechaussee tot en met de talloze vrijwilligers overal in het land en van de vele betrokkenen in de gemeentes, het bestuur en de bevolking, tot de autoriteiten in de provincies.

Dit alles gezegd hebbende ga ik nu over tot het beantwoorden van de vragen van uw Kamer. Ik begin met het dossier waarover uw Kamer de grootste zorgen heeft geuit, namelijk de achterstanden bij de IND.

Voorzitter. De achterstanden bij de IND zijn een grote zorg. Die achterstanden moeten worden ingelopen, in de eerste plaats in het belang van de asielzoekers zelf, maar tevens om te waarborgen dat de dienst zelf slagkracht heeft en de draagkracht voor asiel in de samenleving behouden blijft. Juist daarom heb ik het afgelopen jaar een uiterste inspanning willen doen om de IND te ondersteunen om zich te bevrijden van de zware last van de achterstanden. Dat is slechts ten dele gelukt. Ik begrijp de teleurstelling en de zorgen daarover in uw Kamer. Ik deel die teleurstelling en die zorgen. Mag ik het prozaïscher zeggen? Ik heb er enorm de pee over in!

Het kabinet heeft in 2019 extra structurele financiering beschikbaar gesteld voor de IND op aandringen van uw Kamer. Bij de Voorjaarsnota 2020 is voor 2020, 2021 en 2022 voorzien in extra middelen op basis van de inschattingen van dit voorjaar. Vorig jaar heb ik door Significant een onderzoek laten uitvoeren naar de asielprocedures in het zogenaamde spoor 4. Daaruit bleek dat de sturing en planning op dat vlak beter kunnen. Daarna heb ik de taskforce ingesteld om de achterstanden weg te werken. Met de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND heb ik de dwangsommen voor overschrijding van de geldende termijnen opgeschort. Ook wordt er parallel gewerkt aan het structureel verbeteren van de organisatie van de IND, maar daarmee zijn de zorgen die bij mij en zoals uit dit debat blijkt ook bij uw Kamer leven ten aanzien van de organisatie van de asielketen nog niet weggenomen. Er zijn in de afgelopen jaren al onderzoeken gedaan naar verschillende deelterreinen van de keten door KPMG en Significant en er zijn ook de rapporten van Van Zwol en Donner. Het is echt tijd om die adviezen om te zetten in daden. Daarom doen we dat ook. Dat is een belangrijke les bij grote uitvoeringsorganisaties en dat geldt ook voor de migratieketen.

Tegelijkertijd wil ik zien wat er verder nog aan winst te boeken is. Daarom wil ik in aanvulling op bestaande analyses in 2021 een externe, onafhankelijke doorlichting van de asielketen laten uitvoeren met alle betrokken partijen. Zonder de zware last van de achterstanden kunnen we dan verder blijven bouwen aan een robuuste en toekomstbestendige asielketen. Eerder is dat door het departement van JenV bijvoorbeeld ook gedaan ten aanzien van de strafrechtketen. Op dit moment heeft de inspanning die wordt gedaan om de achterstanden weg te werken en om de nieuwe asielaanvragen binnen wettelijke termijn af te doen, prioriteit. Ik zal uw Kamer zo spoedig mogelijk informeren over de aanpak van deze doorlichting.

De voorzitter:
Waren dat de antwoorden die betrekking hebben op het tweede onderdeel?

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Op het kopje robuuste migratie.

De voorzitter:
Heeft u daarvan alles ...

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Nee, nee, nee, ik heb nog een stuk over de taskforce.

De voorzitter:
Dan zou ik dat ook even doen, want daarna heb ik hier de heer Emiel van Dijk, de heer Jasper van Dijk, de heer Groothuizen en de heer Voordewind.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Dan maak ik het even af.

De voorzitter:
Ja, heel fijn. Gaat u verder.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Dan kom ik bij de taskforce. De opdracht bij de start van de taskforce was ambitieus. Dat moest ook, gezien de omvang van de achterstanden. De taskforce heeft de afgelopen maanden onverminderd ingezet op het beslissen op de 15.350 zaken die de opdracht kent. Ondanks de tegenslagen, die onder andere COVID-19 met zich bracht, is hierbij naar verwachting aan het eind van het jaar in circa 8.000 zaken beslist. Daarmee is voor duizenden personen die reeds geruime tijd wachtten op een beslissing, inmiddels een einde gekomen aan de onzekerheid over hun asielaanvraag.

Per brief van 7 september jongstleden is aangegeven dat het risico bestond dat een deel van de zaken niet voor het einde van het jaar zou worden afgerond. Daarnaast is in deze brief aangegeven dat een versnelling werd verwacht in het afhandelen van aanvragen vanaf dat moment. Daarna is steeds alles gericht geweest op afronding voor het einde van het jaar, zoals ook vermeld. Die inzet is ook onverkort opgenomen in de bijlage bij de taakstellingsbrief die verstuurd is op 3 november jongstleden en die voortkwam uit de landelijke regietafel van 28 oktober 2020. Conform de motie-Van Ojik is in november gewerkt aan het opstellen van de tweede voortgangsbrief over de taskforce. Daarbij werd duidelijk dat de beoogde versnelling zich niet in volle omvang voordeed, zeg ik in antwoord op vragen van onder andere de heer Van Ojik. De meest recente taskforceproductiegegevens zijn gedeeld met de Tweede Kamer bij brief van 18 november jongstleden.

Voorzitter. In zekere zin heeft de taskforce wel degelijk een prestatie geleverd. Het is gelukt om de trend van al maar oplopende achterstanden te doorbreken, en dat dwars tegen de gevolgen van de covidpandemie in. De IND móet nu een efficiënt en effectief werkende organisatie worden. Pas dan kan er sprake zijn van de door ons allen gewenste robuuste migratieketen die bestand is tegen de onvoorspelbaarheid van de migratiestromen in de komende jaren. Het verleden laat zien dat onverkort krimpen bij lagere instroom later problemen kan veroorzaken. Ook financiële onzekerheid vergroot de kwetsbaarheid. Dit biedt de IND een stabieler financieel speelveld, zeker ook dankzij uw Kamer.

Het continu ramen en monitoren van in-, door- en uitstroom blijft noodzakelijk om tijdig te kunnen handelen. De budgetten worden bij de Voorjaarsnota weer aangepast op basis van de laatste inzichten. Bij het Programma Flexibilisering Asielketen zijn voor de organisaties mogelijkheden uitgewerkt om de flexibiliteit de komende jaren te vergroten, bijvoorbeeld met een vernieuwd identificatie- en registratieproces, een gemeenschappelijke planning en flexibelere opvangcapaciteit. In 2021 gaan we stappen zetten om dit uit te voeren.

Op dit moment verblijven 27.700 mensen bij het COA. Dat is nagenoeg de maximale verantwoorde bezetting. Er is dan ook sprake van een urgente opgave om op korte termijn meer opvangplekken voor asielzoekers te realiseren. Te weinig mensen stromen uit naar de gemeenten, en dat is onwenselijk, zeg ik tegen de heer Jasper van Dijk. Gemeentes, provincies en het ministerie van Binnenlandse Zaken zetten nu gezamenlijk alles op alles om statushouders zo snel mogelijk te huisvesten. Het kabinet heeft een pakket aan maatregelen opgesteld om de huisvesting van vergunninghouders te versnellen.

Tot slot wordt in kaart gebracht op welke onderdelen de nationale wet- en regelgeving en uitvoeringspraktijk afwijken van die in andere EU-lidstaten om te onderzoeken in hoeverre aanpassingen kunnen bijdragen aan de effectiviteit van de migratieketen.

De voorzitter:
Dat is het wat betreft de migratieketen?

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Ja.

De voorzitter:
Dan ga ik naar de heer Emiel van Dijk.

De heer Emiel van Dijk (PVV):
Ik vind het een hele mooie analogie: de deur moet openstaan. Maar vervolgens komen er mensen binnen die hun voeten op je bank en op je tafel leggen. Verder hoor ik in het verhaal eigenlijk een hele hoop ambtenarenproza, een hele hoop bureaucratische prietpraat, zo zou ik het haast noemen. Want de feiten spreken eigenlijk voor zich. Jarenlang is door de VVD de deur opengehouden zonder dat we hebben gezegd: nu is het genoeg; we schoppen die mensen naar buiten als ze het verdienen. Kijk naar die 750.000 niet-westerse allochtonen die tijdens de tien jaar waarin de VVD aan de macht is, zijn binnengelaten. Kijk naar de bed-bad-broodvoorzieningen voor de mensen die hun voeten op de bank hebben gelegd en die vervolgens ook nog je huis in brand steken, bij wijze van spreken. Aan hen allemaal wordt bed, bad en brood aangeboden, nog steeds, door u. Dat wordt dan omgezet in een landelijke vreemdelingenvoorziening, een mooie naam voor een faciliteit waarmee mensen die uitgeprocedeerd zijn alsnog aan een vergunning worden geholpen. Dus wat de staatssecretaris hier doet, is met een hele hoop woorden en een bloemlezing van bureaucratische prietpraat …

De voorzitter:
En uw vraag?

De heer Emiel van Dijk (PVV):
… eigenlijk verhullen dat er helemaal niks is gebeurd en dat het een gigantische puinhoop is in het asielbeleid.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Ik kan het niet eens zijn met de heer Van Dijk. Er is heel veel gebeurd en dat heb ik zojuist allemaal aangegeven. Er is één ding dat de heer Van Dijk beslist niet moet vergeten: dat we met z'n allen een asielbeleid hebben om degenen die vluchten voor oorlog en geweld te kunnen opvangen. Dat asielbeleid staat en daar moeten we goed van uitgaan. Dat is het gegeven voor ons. Alle maatregelen die we de afgelopen jaren hebben genomen, hebben er heel erg aan bijgedragen om te zorgen dat het allemaal goed gelopen is. Want het is nogal een opgave om in zo'n crisis als in 2015 al die mensen te registreren, ze allemaal onderdak te bieden en dergelijke. Dat is wel allemaal gelukt en daarnaast hebben we een heleboel maatregelen genomen om de dingen die niet lekker lopen zo goed mogelijk op te vangen.

De heer Emiel van Dijk (PVV):
Laten we even één ding ophelderen. Mensen die voor oorlog en geweld vluchten, nemen niet de moeite om door acht verschillende landen te reizen zoals Griekenland, Oostenrijk, Frankrijk, Polen, Hongarije, Zwitserland, Italië, Duitsland, en om overal waar ze langskomen vervolgens te zeggen: het is hier allemaal niet veilig, laat ik maar doorreizen naar Nederland. Nee, die mensen komen door zes, zeven, acht, soms tien veilige landen heen, met hulp van mensensmokkelaars. Met behulp van louche ngo's komen ze hier de grens over vanwege wat dit kabinet ze biedt. Dat is een gratis huis, dat is gratis zorg, dat is gratis leefgeld, dagbesteding en allemaal ten koste van mensen die nu nog op een huurwoning staan te wachten, want die mensen gaan straks allemaal van dat azc in een sociale huurwoning. Dat is wat de VVD doet. En dat heeft niks te maken met barmhartigheid of met "we moeten de deur openhouden voor mensen die vluchten voor oorlog". Het is 4.000, 5.000 km verderop oorlog geweest, in Syrië, en die mensen komen allemaal hiernaartoe. Opvang in de regio? Wat is er gebeurd met opvang in de regio waar de VVD zo prat op zou gaan? Dat is mijn vraag.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
De heer Van Dijk schetst een enorm somber beeld van mensen die expres naar Nederland komen, hoewel ze vluchten voor oorlog en geweld. Laat ik even dit vaststellen: ik denk dat mensen die vluchten voor oorlog en geweld echt niet duizenden kilometers willen gaan lopen om veilig te zijn. Ze lopen duizenden kilometers om veilig te zijn omdat het daarvoor niet veilig is. Ik denk dat wij wat dat betreft goed moeten opletten dat we niet mensen motieven toedichten die misschien op dat moment voor die mensen helemaal niet aan de orde zijn, maar dat ze bezig zijn om het vege lijf te redden. Dat is belangrijk. En wat de opvang in de regio betreft, denk ik dat de heer Van Dijk de VVD geen verwijt kan maken, want de VVD heeft heel hard gewerkt aan de Turkijedeal om te zorgen dat die in orde kwam.

De heer Emiel van Dijk (PVV):
750.000 niet-westerse allochtonen onder tien jaar VVD, dus u heeft inderdaad heel hard gewerkt, maar dat is niet om mensen buiten de deur te houden. Dat gezegd hebbende, ben ik hier toch wel een beetje verbolgen over, want hoe kan het nou dat de staatssecretaris van de VVD hier zegt: mensen die duizenden kilometers lopen, komen niet hier voor de voorzieningen? Durft de staatssecretaris dat nou echt te beweren van mensen die in Italië aankomen en die zeggen: in Italië pak ik de trein, dan ga ik naar Oostenrijk, en vervolgens pak ik een busje en ga ik naar Duitsland? Vervolgens, in Duitsland, zeggen ze "we schaffen het hier toch maar niet" en dan komen ze in Nederland aan, in Ter Apel. Dan staat daar de staatssecretaris van de VVD met een gigantisch welkomstbord "kom maar hier, ga maar in die opvang zitten, hier heb je gratis gezondheidszorg", terwijl Henk en Ingrid ervoor moeten betalen. Hier heb je gratis onderdak, terwijl we gigantische wachtlijsten aan huurwoningen hebben, terwijl oudere mensen geen plek meer hebben om te wonen, terwijl u asielzoekers in bosrijke omgevingen huisvest. U kunt dat toch niet menen?

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Waar wij mee bezig zijn, en waar ook ik mee bezig ben, is ervoor zorgen dat we een streng en rechtvaardig asielbeleid kunnen uitvoeren. Dát is belangrijk. Dat hebben we de afgelopen jaren gedaan. Ik denk dat het ongelofelijk goed is dat we op die manier geopereerd hebben. Het is belangrijk om een asielbeleid te hebben, maar je moet het wel streng doen. Tegelijkertijd moet je ervoor zorgen dat het rechtvaardig is. Daar hebben we aan gewerkt.

De heer Emiel van Dijk (PVV):
Tot slot. Een onrechtvaardiger beleid dan dit krijgen we niet. Nederlanders worden door de VVD continu op achterstand gezet. Continu! Ze kunnen achteraan sluiten voor een huurwoning. Ze kunnen fluiten naar gratis gezondheidszorg. De zorgpremie gaat straks weer omhoog. Asielzoekers krijgen dat allemaal gratis van deze regering, en van tien jaar lang de VVD. Kom alstublieft niet aan met "we moeten een rechtvaardig beleid hebben". U doet het grootste onrecht aan de Nederlander die keihard moet werken om de opvang van economische vluchtelingen te betalen, om de gezondheidszorg te betalen en om de krapte op de huizenmarkt te betalen. Dat is een gigantisch onrecht. Daar zou u zich druk om moeten maken; niet om asielzoekers die om economische redenen zes, zeven, acht, negen of tien verschillende landen door zijn gereisd omdat het hier zo prettig en warm thuiskomen is, in het Nederland van de VVD.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Ik heb het gehad over asielzoekers die vluchten voor oorlog en geweld. Ik hoor de heer Van Dijk nu praten over economische vluchtelingen. Ik heb gezegd dat die geen plaats vinden in ons land. Zij kunnen bij ons, zoals de heer Van Dijk zegt, niet in dat gratis huis wonen en alles verder gratis krijgen. Zij krijgen ook geen status. Ze moeten terug.

De heer Jasper van Dijk (SP):
De afspraak was om de asielachterstanden per 1 januari aanstaande weg te werken. Die afspraak is niet nagekomen. Er is dus een belofte gebroken. 7.000 zaken moeten nog gedaan worden. De vraag is of daar financiële middelen voor zijn. Maar de vraag die ik nu wil stellen, is: erkent u dat dit niet alleen bijzonder pijnlijk is, maar dat u daarmee ook uw geloofwaardigheid heeft aangetast?

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Dat het pijnlijk is: ja. Dat heb ik ook geschreven in de brief die ik op 18 november naar de Kamer heb gestuurd. Het is pijnlijk. Het is vooral pijnlijk voor de asielzoekers. Zij hebben al lang gewacht en hadden gehoopt dat ook zij aan het eind van het jaar zouden weten waar ze aan toe zijn. Dat is niet gelukt. Ik mij enorm ingezet om ervoor te zorgen dat we dit voor elkaar konden krijgen. Ik ben inderdaad zeer teleurgesteld. Ik heb ook gezegd dat ik er de pee over in heb. Ik vind het echt heel vervelend dat dit niet gelukt is. Maar ik heb erop ingezet om ervoor te zorgen dat we dit voor elkaar zouden kunnen krijgen.

Er zijn vele tegenvallers geweest. Dat heb ik ook in de brief aan de Kamer geschreven. Dat is geen excuus, maar wel een verklaring voor het feit dat het langer duurt dan ik gepland had. Waar ik nu heel erg op inzet, is om de achterstand van 7.000 mensen die graag willen weten waar ze aan toe zijn uiterlijk medio 2021 weggewerkt te hebben. Dat is met de IND en de taskforce besproken. Laat ik het anders zeggen. Als ik geen taskforce had ingesteld, zouden er nog veel meer mensen wachten op een uitslag. De taskforce heeft in 15.350 zaken duidelijk een versnelling aangebracht. Aan het eind van het jaar verwachten we dat er 8.000 zaken zijn afgedaan. Die zouden niet zijn afgedaan als er geen taskforce was geweest.

De heer Jasper van Dijk (SP):
De staatssecretaris gaat handig om mijn vraag heen. Die was namelijk: hoe staat het met uw geloofwaardigheid? Als ik mij niet aan een afspraak houd, tast dat mijn geloofwaardigheid aan. Volgens mij geldt voor de staatssecretaris hetzelfde. Het zou haar sieren als ze dat erkende. De vraag is: hoe nu verder? Krijgen we van de staatssecretaris een plan om de achterstanden weg te werken? Ik hoor nu dat het medio volgend jaar af moet zijn. Dat is weer een nieuwe datum. Alle reden om daar sceptisch over te zijn natuurlijk. Als het nu niet gelukt is, waarom zou het dan volgende keer wel lukken? Maar goed, ik moet het hiermee doen. Ik vraag de staatssecretaris of dat een harde toezegging is. Zijn die achterstanden halverwege volgend jaar echt weggewerkt? We zullen daar een motie over maken. De Kamer zal u daar dan op vastleggen. We moeten daar vandaag dan maar een harde afspraak over maken. Anders hebben in eerste instantie de asielzoekers niks om zich aan vast te houden. We moeten die achterstanden wegwerken. Of niet soms?

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Ik hoorde de heer Jasper van Dijk spreken over een plan van aanpak voor die overige 7.000. De taskforce en de IND werken nu samen aan een plan van aanpak. Dat wordt u toegestuurd. Dat hopen wij binnenkort te hebben, zodat wij weten hoe dat wordt gedaan. De inzet is echt, wederom, om te zorgen dat wij dat voor elkaar krijgen. Dat is mijn ambitie. Het belangrijkste is dat de asielzoekers een uitslag krijgen, zodat zij weten waar zij aan toe zijn. Maar vervolgens is het ongelofelijk belangrijk dat de IND van die enorme achterstanden af is en dat ze zonder die last van die achterstanden haar werk kan doen. Want het blijft hangen, het blijft drukken, en daar moeten wij vanaf. Daar geef ik de heer Jasper van Dijk volledig gelijk in. Wij moeten daarvan af. Een plan van aanpak voor het restant, ja. Maar wij hebben ook meters gemaakt. Ik had er veel meer willen maken, maar wij hebben ook meters gemaakt, dankzij de taskforce.

De heer Groothuizen (D66):
Laat ik beginnen met iets positiefs. Ik vind het goed dat de staatssecretaris zegt dat ze de hele asielketen wil laten doorlichten. Dat lijkt mij verstandig. Wij hebben dat ook bij het strafrecht laten doen. Dat leverde interessante gezichtspunten op. Ik zou dadelijk nog wel graag van de staatssecretaris willen horen wanneer zij denkt die doorlichting af te hebben en daarmee naar de Kamer te komen. Maar ik vind dat een verstandige stap. Waar ik niet positief over ben — dan druk ik mij mild uit — is dat ik de staatssecretaris hier hoor zeggen: er wordt nu gewerkt aan een plan van aanpak. Op 1 april hebben we een taskforce ingesteld. We hebben daarna iedere keer gezien dat er een kink in de kabel kwam, waardoor wij niet op schema lagen. Maar de staatssecretaris zei: ik streef ernaar dat wij die meer dan 15.000 zaken helemaal hebben weggewerkt. Dan krijgen wij eind november een brief van de staatssecretaris dat wij niet verder komen dan de helft, maximaal, en dan is nu het antwoord: de diensten zijn aan het werk met een plan van aanpak. Dat is toch onbestaanbaar? Hoe kan het nu zo zijn dat dit plan van aanpak niet al sinds de zomer in de maak is?

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Het plan van aanpak sinds de zomer, in antwoord op de heer Groothuizen, was om die 15.350 zaken in december af te hebben. Dat was het plan van aanpak. Begin september schreven wij dat er een risico in zat, maar er werd toen nog gedacht dat er een versnelling zou komen. Die versnelling is er helaas niet gekomen. Dat heb ik geconstateerd in de brief die we op 18 november naar uw Kamer hebben gestuurd. Bij die constatering hebben wij meteen bedacht: omdat wij het niet halen, moet er nu gewoon een plan komen om ervoor te zorgen dat we die 7.000 volgend jaar wél gaan halen. Aan dat plan wordt gewerkt en dat is binnenkort klaar. Maar dat plan konden wij pas opstellen toen wij zagen: o help, wij gaan het niet halen. Er waren de laatste tijd dingen waardoor wij dachten dat er een versnelling zou zijn. Maar die is er niet geweest.

De heer Groothuizen (D66):
Het wordt er niet beter op. Ik hoorde de heer Van Dam laatst in een ander verband zeggen: het lijkt wel een soort bestuurlijk onvermogen, college, wat ik hier hoor. Hoe kan het nu zo zijn dat je bezig bent met zo'n ontzettende berg zaken, dat je op een gegeven moment, rond de zomer, ziet dat er nog 10.000 op de plank liggen, en dat je dan niet gaan denken: ik ga dat misschien niet halen, dus ik ga alvast een plan maken om het op te lossen als ik het niet haal. Het is bijna alsof men bij de IND blijft staren in de koplampen van een auto die steeds harder komt aanrijden. En niemand die vervolgens denkt: misschien moeten wij even van deze weg af stappen.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Ik heb net geantwoord dat onze inzet in augustus en juli en voor de zomer was dat wij het gingen halen. Begin september was het: ja, ja. En de versnelling is niet gekomen. Dat heb ik uitgelegd in de brief van 18 november. Dat heeft er inderdaad meteen toe geleid: hoe gaan wij dat meteen oplossen?

De voorzitter:
Meneer Groothuizen, een laatste vraag.

De heer Groothuizen (D66):
Ja, dit is ook mijn laatste vraag. Ik ken de staatsecretaris als iemand die kritisch is op het functioneren van de overheid. Dat is ook een beetje de insteek die zij gekozen heeft. Dat vind ik ook goed. Zij heeft vaak gezegd: regels zijn regels, daar moeten de mensen zich aan houden, maar daar moet ook de overheid zich aan houden. Ik vraag haar nu gewoon op de man af: bent u nu tevreden over het optreden van uw eigen diensten in dit dossier? Ja of nee?

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Ik vind dat de diensten heel hard werken, en ook heel zorgvuldig werken, want daar hebben we natuurlijk wel de voorkeur aan gegeven in dit hele traject van het oplossen van de achterstanden bij de IND. De zorgvuldigheid staat voorop. Die zorgvuldigheid wordt betracht door de diensten. Dat is heel belangrijk. Omdat we de voorkeur geven aan de zorgvuldigheid — de zorgvuldigheid staat op nummer één — hebben we gemerkt dat het in sommige zaken niet sneller kan en zijn er vertragingen opgetreden in de aanpak van de taskforce. Maar de zorgvuldigheid bij de diensten is aanwezig en er wordt door de diensten hard gewerkt.

De voorzitter:
Eerst de heer Voordewind, dan mevrouw Becker en mevrouw Van Toorenburg en daarna de heer Van Ojik en de heer Azarkan.

De heer Voordewind (ChristenUnie):
Ik sluit me aan bij de collega's die hun diepe teleurstelling hebben uitgesproken over het feit dat deze staatssecretaris het niet heeft gered en dat al die mensen, die soms wel twee jaar wachten op uitsluitsel, nog steeds en nu weer een halfjaar langer moeten wachten. Ik constateer dat we op dit moment zelfs nog niet op de helft zijn. De staatssecretaris zegt dat we aan het einde van het jaar misschien over de helft zijn, maar dat moeten we ook maar weer afwachten. Ik heb echt te doen met al die asielzoekers die dag in, dag uit weer in spanning zitten over wanneer ze uitsluitsel krijgen. Mijn vraag ligt in het verlengde van de vraag van collega Groothuizen over de doorlichting van de asielketen. In mijn termijn heb ik een aantal voorbeelden genoemd: van de Bahrein-zaak en noem ze maar op. Kan de staatssecretaris in dit licht dan ook kijken naar de besluitvorming van de IND? Ik weet dat de staatssecretaris schriftelijk heeft geantwoord dat er een aantal onderzoeken lopen. Ik zie bijvoorbeeld Significant. Maar kan dat ook toegespitst worden op de besluitvorming? Er loopt een onderzoek naar de geloofwaardigheid. Dat snap ik en dat is goed, want de Kamer heeft daar eerder ook om gevraagd, maar het gaat mij om de bredere context van de besluitvorming.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Ik begrijp dat de heer Voordewind refereert aan mijn opmerking van zojuist dat ik een extern onafhankelijk onderzoek wil laten doen. In dat externe onafhankelijke onderzoek zal daar zeker naar gekeken worden. Er wordt gekeken naar hoe de keten in elkaar steekt en ook naar hoe besluitvormingen tot stand komen, want anders heeft het onderzoek niet zo gek veel zin. Er komt een plan van aanpak voor dat onderzoek. We zullen daar meteen mee aan de slag moeten en moeten aangeven wat we willen onderzoeken, hoe we het willen onderzoeken en hoe we het gaan aanpakken.

De voorzitter:
Mevrouw Becker en dan mevrouw Van Toorenburg. Nee, mevrouw Becker niet? Dan ga ik naar mevrouw Van Toorenburg. En na mevrouw Van Toorenburg ga ik naar de heer Van Ojik en de heer Azarkan.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Ik heb wel een heel klein beetje problemen met wat de staatssecretaris soms in haar inleiding zegt. Ik snap dat zij nu eenmaal geen ijzer met handen kan breken, maar als wij mensen willen terugsturen en het lukt niet, dan hebben we gewoon een uitdaging. Ik weet ook dat we gehouden zijn aan allerlei regelingen om mensen die overlast veroorzaken niet meteen op te sluiten. Maar we moeten ook niet het beeld laten ontstaan alsof er echt wat is gedaan tegen overlastgevers. Als ik gemeenten aan de lijn heb, die helemaal overstuur zijn en die geen verlenging willen van een azc, dan hebben we het gewoon niet goed gedaan. Als ik berichten krijg dat we geld hebben gereserveerd en dat dat niet op de plek van bestemming komt, dan hebben we het gewoon niet goed gedaan. Hoe gaan we er de komende periode toch nog voor zorgen dat de overlast wel serieus wordt aangepakt? De onmacht is gewoon te groot. Ik begrijp best dat de staatssecretaris niet alles kan oplossen, maar uiteindelijk wordt de rekening betaald door de gewone burgers in Overloon. Ik noem maar een gemeente.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Het onderdeel overlast wil ik nog behandelen; daar ben ik nog niet aan toegekomen. Ik hoop eventuele vragen van mevrouw Van Toorenburg, nadat ik het daarover gehad heb, dan te kunnen beantwoorden. Is dat akkoord?

De voorzitter:
Prima, ja, dat is goed. Mevrouw Buitenweg heeft al haar interrupties al opgemaakt.

De heer Van Ojik (GroenLinks):
Dat had ik al gehoord, maar ik weet hoe coulant u altijd bent, voorzitter.

De voorzitter:
Nee hoor, is goed. Het was een grapje.

De heer Van Ojik (GroenLinks):
We beginnen weer bij nul te tellen! Tegen de staatssecretaris zou ik willen zeggen dat ik er best vertrouwen in zou willen hebben dat, als ze nu zegt een plan van aanpak te gaan maken en dat het dan medio volgend jaar is opgelost, dat gaat lukken. Maar daarvoor moeten er nog wel een paar vragen worden beantwoord. Er is maar één iemand verantwoordelijk voor de IND en dat is de staatssecretaris. Het is dus misschien interessant om aan haar te vragen wat ze vindt van het functioneren van de IND, maar zij ís voor ons de IND. Vandaar is mijn vraag: hoe kan het dat de staatssecretaris op 3 november een brief stuurt aan de burgemeesters, waarin ze zegt: het is nog steeds de bedoeling om vóór het eind van het jaar die 8.500 van de 15.000 zaken, die toen nog op de plank lagen, weg te werken? Hoe kan dat?

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Ik dacht dat ik daar al een duidelijk antwoord op had gegeven. Wij hadden gehoopt en verwacht — ik zeg wij, omdat u mij aanspreekt als de baas van de IND; dat ben ik dan — dat er een versnelling zou komen na de brief van 7 september, in oktober. Die versnelling, die in oktober is ingezet, is er niet gekomen, om allerlei redenen. Van bijvoorbeeld het schriftelijk horen bleek dat dat bij sommige zaken niet kan, omdat we de zorgvuldigheid op nummer één hebben staan. Dat bleek in de loop van de tijd nadat we de brief hadden gestuurd naar de commissaris en de burgemeesters. Toen kwam de uitslag van wat er gebeurd was met het schriftelijk horen en hoe dat is gegaan. Toen bleek dat dat helemaal niet die opbrengst heeft gebracht waarvan wij gehoopt hadden dat deze zou leiden tot een versnelling in de zaken. En zo zijn er meer zaken geweest. Dus dat bleek zich uiteindelijk hoe langer hoe meer te manifesteren. Het heeft ertoe geleid dat we op 18 november met heel veel pijn in het hart moesten schrijven: dit is de stand van zaken straks, eind december.

De heer Van Ojik (GroenLinks):
Laat ik eerlijk zeggen dat ik dit heel moeilijk te begrijpen vind. De staatssecretaris stelt in maart een taskforce in. Ze krijgt tien maanden de tijd om datgene te doen dat ze zelf elke keer in deze Kamer een van haar allergrootste prioriteiten noemt. Nu zijn we op driekwart van het traject. We hebben nog anderhalve maand te gaan, nog zes, zeven weken, en dan zou de staatssecretaris, om dat wat haar allerbelangrijkste prioriteit is te realiseren, ineens te horen krijgen van haar eigen IND: sorry, het gaat niet alleen niet lukken, maar we zijn nog niet eens halverwege. Dat is toch … Ik heb geen reden om te zeggen dat de staatssecretaris me hier iets op de mouw probeert te spelden, maar zij begrijpt misschien ook dat dat moeilijk te begrijpen is. Als dit je grootste prioriteit is, dan vraag je, denk ik, elke dag of elke twee dagen aan de IND: "Goh, er waren in augustus al berichten dat het een chaos was. Ik heb de Kamer nu zes keer verteld dat ik het ga halen. Liggen we nog op koers?" En dan blijkt vier dagen voor deze begrotingsbehandeling — of op 18 november; toen kwam de brief — ineens: we moeten er nog 8.500.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
En toch moet ik de heer Van Ojik opnieuw hetzelfde antwoord gegeven. Zo is de zaak ook gelopen. U kent de brief van 7 september. Toen hebben we gezegd: we gaan een versnelling in. We zien risico's, maar we gaan een versnelling in, dus we denken dat we het gaan halen. Die versnelling is er niet gekomen en het resultaat ervan is dat we nu eind december met een voorraad zitten van 7.000. Ik moet toch helaas bij hetzelfde antwoord blijven, want dat is de situatie. Ik kan er niks beters en niks mooiers en niks slechters van maken, want dat is de situatie.

De heer Van Ojik (GroenLinks):
Dan zou ik de staatssecretaris willen vragen hoe zij zelf nu aankijkt tegen de politieke regie die zij in dit dossier, een van haar allerbelangrijkste prioriteiten, deze kwestie die zo belangrijk is voor zo veel asielzoekers, heeft gevoerd.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Ik vind het zo verschrikkelijk dat er zulke grote achterstanden zijn bij de IND, dat ik vind dat we daar iets aan moeten doen en dat we dat moeten oplossen, want de asielzoekers wachten veel en veel te lang. Het is ook voor de organisatie zelf, voor de dienst, een hele zware last om voortdurend mee te torsen dat die achterstand er is en maar niet wordt opgelost. Ik heb de ambitie gehad: we gaan het doen. Die heb ik nog, maar eind december haal ik dus niet. Juist door die ambitie te hebben is er druk op gekomen. We hebben dat geprobeerd met die taskforce, die werkelijk nieuwe planningen gemaakt heeft en een andere aanpak heeft gekozen, die ook veel vruchten heeft afgeworpen. We moeten niet vergeten dat dit ook vruchten heeft afgeworpen naar aanleiding van het rapport van Significant. Daarin stond dat er een gebrek was aan sturing en planning. Door de taskforce zijn er juist ook kwalitatieve winsten geboekt, namelijk dat er een andere sturing is gekomen, een andere planning, enzovoort. Maar dat doe je niet van: maandag zeggen we "de taskforce", en dinsdag is het geregeld. Het heeft allemaal langer geduurd en er zijn moeilijkere zaken verschenen dan we gedacht hadden. Maar we hadden wel gedacht dat we het aan het eind van het jaar zouden halen, ook omdat de inzet de ambitie was om hiervan af te komen, om af te komen van die grote last van 15.350 achterstallige zaken; dat is een ramp, gewoon een ramp. Dat is nog niet gelukt, maar die taskforce heeft wel gezorgd voor een hoop zaken die wél zijn afgedaan, waardoor mensen wél weten waar ze aan toe zijn. Daarnaast zijn er dus verbeteringen gekomen op basis van sturing en planning. Wat betreft de financiën nog dit; dat moet ik ook nog even zeggen, voorzitter: wat betreft het uitkeren van de dwangsommen hebben we ook minder hoeven te betalen omdat er zaken zijn afgedaan waarop een dwangsomverplichting rustte. Die werden snel afgedaan; anders lagen ze er nog.

De voorzitter:
Voor jullie informatie: de staatssecretaris moet het nog hebben over overlast, over de internationale dimensie en over mensenhandel en prostitutie. Dit zeg ik ook in verband met de interrupties.

De heer Azarkan (DENK):
Ook een compliment aan de staatssecretaris, omdat ze het perspectief neerlegt van de onzekerheid die 15.358 mensen hebben. Het is belangrijk dat we weten dat dat mensen zijn die net zoals wij gek worden als iets heel lang duurt en je maar geen uitsluitsel krijgt. Ik ben heel erg gefascineerd door het volgende; ik probeer het maar even zo te vertellen. De staatssecretaris zegt: we moeten een eindstreep halen van 15.358. We zitten in een autootje te tuffen. Dat rijdt ongeveer 100. Maar ergens in september hebben we een aanname gedaan. Naar aanleiding van plannen weten we: die auto gaat een keer 300 rijden. Dat noemt ze de versnelling. Waar was dat nou op gebaseerd?

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Dat was hierop gebaseerd. Eén: toen pas, per 1 september, was uiteindelijk de volledige personele bezetting voor de taskforce rond. Dat heeft ook vertraging opgelopen, onder andere door mensen die ziek waren, maar ook door opleiding en dergelijke. Per 1 september was uiteindelijk pas de volledige bezetting rond. Én toen werd er voor het eerst getelehoord. In oktober zou er schriftelijk gehoord gaan worden. Er werden dus nieuwe methodes gebruikt om te zorgen dat we een versnelling konden bereiken. Daar was dat op gebaseerd: we gaan die versnelling bereiken; we hebben de volledige capaciteit. We gaan het redden.

De heer Azarkan (DENK):
Maar dan kom ik tot de conclusie dat de staatssecretaris gewoon volledig gefaald heeft, want dan is het de uitvoering. Dan is het iets wat je kunt plannen. Of je realiseert je dat je het niet kunt plannen. Dan kijk je naar de risico's. Maar dan geef je niet aan de Kamer aan dat je 15.358 zaken voor het einde van het jaar gaat halen. Is de staatssecretaris het met mij eens dat zij op dit punt gewoon gefaald heeft in de operationele uitvoering van een belangrijk dossier?

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Ik heb net uitgelegd, op de vraag van de heer Azarkan, hoe de vork in de steel zat in september. Dat heb ik verteld. Ik heb ook gezegd dat wij in september, en ook in oktober, dachten: de versnelling komt. Van die versnelling is in november gebleken dat die niet gekomen is, om allerlei redenen. Maar om nu aan u te zeggen dat ik gefaald heb ... Het antwoord is nee. We hebben ons best gedaan om ervoor te zorgen, en we hebben ook de verwachting gehad dat het zou gaan lukken. Die versnelling is niet gekomen en dat heeft ertoe geleid, inderdaad, dat er aan het eind van het jaar nog enkele duizenden zaken volgend jaar gedaan moeten worden.

De voorzitter:
Uw laatste vraag, meneer Azarkan.

De heer Azarkan (DENK):
Die versnelling is geen natuurramp. Die versnelling is niet iets wat onvoorzien is. Je kunt zo toch geen beleid maken? Je kunt toch niet in overleg met de Kamer bij 15.358 mensen de verwachting wekken dat je iets gaat realiseren om vervolgens te zeggen: ja, we hadden gehoopt op een versnelling? Dat is toch geen serieuze manier van een dossier aanpakken met zo veel gewicht? U kunt toch niet bij het volgende wat u voorstelt, namelijk om het op 1 juni af te ronden, weer zeggen: "ja, er kwam geen versnelling" of "we vonden de mensen niet"? Zo werkt het toch niet?

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Er is inmiddels zo veel ervaring opgedaan. Maar ik heb ook gezegd in antwoord op andere vragen dat de zorgvuldigheid op nummer één staat. Die staat bij ons hoog in het vaandel. Dat betekende dat sommige nieuwe methodes nog niet het effect konden ...

De heer Azarkan (DENK):
Dat weet je toch!

De voorzitter:
Ik stel voor dat u verdergaat.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Het is makkelijk voor de heer Azarkan om te zeggen: dat weet je toch. Er was een hele degelijke planning gemaakt. Het was geen hoop en verwachting, maar een planning. Maar er is gebleken dat die versnelling uiteindelijk toch niet bereikt kon worden, juist omdat we die zorgvuldigheid zo hoog in het vaandel hebben staan.

De voorzitter:
Ik stel voor dat u verdergaat.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Voorzitter. Ik kom bij het hoofdstukje overlast. Zoals ik al in mijn inleiding stelde, is er draagvlak in onze samenleving om mensen die onze bescherming nodig hebben, op te vangen en in ons land asiel te verlenen. Maar dat draagvlak wordt ondermijnd door een kleine groep asielzoekers die binnen en buiten de opvanglocaties overlast veroorzaakt of zich schuldig maakt aan criminaliteit. Deze overlastgevers vormen een zware belasting, voor de omwonenden van azc's, voor winkeliers, voor medewerkers in het openbaar vervoer en voor velen anderen, onder wie natuurlijk ook medewerkers in de migratieketen en medebewoners in de azc's. Dit is onaanvaardbaar en de aanpak van deze groep heeft mijn absolute prioriteit.

Ik heb mij sinds mijn aantreden als staatssecretaris dan ook ingespannen om overlast hard aan te pakken. Mevrouw Becker refereerde al aan veel maatregelen die genomen zijn. Er zijn inmiddels vier speciale ketenmariniers aangesteld om de samenwerking in de aanpak te versterken. Sinds 1 mei hebben die landelijk de zogenoemde top X-aanpak ingevoerd om de meest hardnekkige overlastgevers in beeld te krijgen, nauwlettend te volgen en hard te kunnen aanpakken bij onaanvaardbaar gedrag. Asielaanvragen van mensen die zich misdragen, moeten versneld worden afgedaan. Ze kunnen tijdelijk in een time-outplek worden geplaatst, in aparte en sobere opvang. Bij overlast met zeer grote impact worden ze overgeplaatst naar de speciale handhaaf- en toezichtlocatie in Hoogeveen. In geval van criminele gedragingen wordt aangifte gedaan en zijn de politie en het OM aan zet om strafrechtelijke maatregelen op te leggen.

Ik blijf me inzetten voor een harde integrale aanpak van overlast in samenwerking met organisaties in de migratieketen, de gemeentes, de politie en het Openbaar Ministerie. Alle beschikbare maatregelen zijn gebundeld in een zogenoemde toolbox die recent beschikbaar is gekomen. Medewerkers in de migratieketen en de strafrechtketen kunnen daar gebruik van maken, maar dat geldt ook voor gemeentes, winkeliers, openbaar vervoerders en andere betrokkenen. In 2020 heb ik 1 miljoen euro beschikbaar gesteld waarmee gemeentes lokale maatregelen kunnen treffen om overlast tegen te gaan. Dat geld wordt gebruikt voor onder meer cameratoezicht, extra boa's en coaches.

Mevrouw Van Toorenburg vroeg of gemeentes nog steeds aanspraak kunnen maken op een financiële bijdrage voor dergelijke initiatieven. Ik kan zeggen dat datgene wat van het bedrag resteert, zal worden aangewend als subsidie voor extra maatregelen in de aanpak van overlast, zoals een tegemoetkoming in de financiering van de pendelbus tussen station Emmen en het aanmeldcentrum in Ter Apel. Intussen zoek ik samen met de ketenpartners, de strafrechtketen, de gemeentes en andere betrokken partijen voortdurend naar manieren om de integrale aanpak nog scherper vorm te geven en paal en perk te stellen aan overlast door asielzoekers.

De voorzitter:
Was u hiermee klaar?

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Ja, met het blokje overlast.

De voorzitter:
Oké. Dan ga ik naar mevrouw Van Toorenburg.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Ik denk dat het belangrijk is om bij de feiten te blijven in de Kamer. Ik krijg zulke verontrustende berichten, bijvoorbeeld uit Overloon. Daar hebben ze een heleboel mensen van de top X-lijst. Ze trekken aan de bel en zeggen: het is eigenlijk alleen maar symptoombestrijding waar we mee te maken hebben. Er gebeurt helemaal niks. Die mensen hebben het gevoel dat ze totaal overlopen worden. Ze hebben echt het gevoel dat ze in gevaar aan het komen zijn. Ik vraag me af of de urgentie voldoende doordringt. Wat gaan we nu serieus doen om er bijvoorbeeld in Overloon voor te zorgen dat mensen zich veilig voelen in hun wijken? Want dat is gewoon aan het weggaan.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Ik ken die zorgen en ik vind ze verschrikkelijk, want die overlast is echt onaanvaardbaar. Ik heb voortdurend contact met de verschillende burgemeesters en ik probeer mijn uiterste best te doen om ervoor te zorgen dat we datgene kunnen bieden wat ervoor zorgt dat die overlast minder wordt. Ik ben ook in gesprek met het COA en met de ketenmariniers om ervoor te zorgen dat we maatregelen kunnen treffen. We proberen werkelijk ieder gaatje op te zoeken van wat mogelijk is in wet- en regelgeving om te zorgen dat we de overlastgevers kunnen aanpakken. Als het strafrechtelijk is, dan wordt het strafrechtelijk aangepakt. Dat betekent wel dat er weer aangifte gedaan moet worden, maar dat is niet altijd het geval. Ik begrijp dat mensen dat niet altijd doen, maar als het strafrechtelijk is zou dat wel helpen om het ook strafrechtelijk aan te kunnen pakken. Ook hebben we de toezichtlocatie in Hoogeveen. Ik ben blij dat we die hebben, want daar kunnen de ernstigste raddraaiers naartoe gestuurd worden.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Maar men voelt het gewoon niet. Dat is de realiteit die wij met elkaar onder ogen moeten zien. Dit is wat ik de hele dag hoor, maar ik kan het niet meer uitleggen. Als ik straks terugga naar Brabant, krijg ik die hele shit weer over me heen. Waarom? Omdat men zegt: er is een ketenmarinier en we hebben een speciale locatie. Maar de volgende dag rauzen ze weer gewoon door de dorpen heen. Wij weten dat heel veel landen in Europa dit echt zat aan het worden zijn. Wij weten hoe lastig het is om met deze mensen verder te gaan en dat het echt het draagvlak ondermijnt voor al die mensen die terecht op onze deur hebben geklopt. Ik wil de staatssecretaris dus vragen om er echt prioriteit aan te geven, ook in Europees verband, om met serieuze maatregelen te komen om deze overlastgever echt bij kop en kont te grijpen, om ze vast te zetten en ze net zo lang vast te laten zitten tot ze het land uitgeknikkerd kunnen worden. Ik ben het he-le-maal zat! Ik kan het niet meer uitleggen aan mensen die hun kinderen niet eens meer naar school durven laten gaan in Brabant!

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Ik herken de verhalen die mevrouw Van Toorenburg vertelt, en ik hoor het ook van de burgemeesters. Ik probeer er echt álles aan te doen. Maar er is één ding dat ik niet kan doen: die mensen zomaar opsluiten. Daarvoor hebben we wel de toezichtlocatie in Hoogeveen. We bekijken ook samen met het COA hoe we zo strak mogelijk alles kunnen regelen. En ik zal het zeker ook in Europees verband naar voren brengen, zoals mevrouw Van Toorenburg heeft gevraagd, want het is niet alleen Nederland dat daar last van heeft. Het klinkt heel naar om te zeggen, maar het zijn gewoon groepen die rondreizen van het ene naar het andere land. Als ze merken dat het in het ene land een beetje vervelend begint te worden, reizen ze door naar het andere land. Je wilt dat allemaal niet te veel benoemen, maar ik weet dat dat zo is. Ik weet ook dat we er met collega's in Europees verband naar moeten kijken of we daar iets meer aan kunnen doen. Want op deze manier is ook het draagvlak weg voor de mensen die werkelijk onze bescherming nodig hebben en gevlucht zijn voor oorlog en geweld. En als het draagvlak weg is, gaat dat feest ook niet meer door. Dát is heel erg. Dat inwoners 's avonds niet meer over straat durven en dat er voor de zoveelste keer ingebroken of een winkel leeggeroofd wordt, is verschrikkelijk. Mijn inzet, de inzet van het COA en mijn ministerie, op de korte termijn is echt om ervoor te zorgen dat we daarbij zo veel mogelijk helpen als we kunnen.

De heer Jasper van Dijk (SP):
Ja, het tweede hoofdpijndossier. Eerst de achterstanden en nu de overlastgevers. Ik ben het eens met mevrouw Van Toorenburg: het is niet uit te leggen aan mensen die in die omgeving wonen! Die intimidatie, dat geweld, die diefstal et cetera: het is verschrikkelijk. Als één ding killing is voor de opvang van vluchtelingen, dan is het dit. Je moet dus zorgen voor de echte oplossing, en dat is natuurlijk de terugkeer van uitgeprocedeerde, overlastgevende asielzoekers. Maar die faalt eveneens volledig. Sterker nog, als de staatssecretaris iets wil doen, bijvoorbeeld met Marokko, dan krijgt ze de deur op de neus en zeggen ze: nee, daar hebben we geen behoefte aan, u houdt ze maar lekker zelf, die overlastgevende asielzoekers. Dit kan dus niet. Frankrijk en Spanje slagen er wél in om afspraken te maken met Marokko, maar Nederland niet. Kunt u dit nu, voor eens en altijd, uitleggen en oplossen? Kunt u heel snel, nog voor het eind van dit jaar, komen met een plan hoe u de terugkeer van deze mensen gaat realiseren? Anders vervalt echt alle geloofwaardigheid.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Terugkeer is een ongelofelijk belangrijk onderdeel van het hele asielbeleid dat we hebben. Zonder terugkeer verdwijnt het draagvlak. Dat ben ik geheel en al met de heer Jasper van Dijk eens. Dat klopt. In de laatste bijeenkomst op 13 november van de ministers van Asiel van de Europese Unie, waarin we spraken over de plannen van de Europese Commissie voor een nieuw asielsysteem in Europa, heb ik gemerkt dat over één onderwerp alle lidstaten, welke lidstaten dan ook, het eens zijn, namelijk over terugkeer. Terugkeer is de prioriteit in alle landen. Alle landen hebben het daar moeilijk mee. Het is lastig. Ik moet toch zeggen dat wat Nederland betreft … Wij hebben de Dienst Terugkeer en Vertrek. Het is relatief en het is ook zo dat wie zich aan een ander spiegelt, zich zacht spiegelt. Dat geef ik allemaal graag toe aan de heer Jasper van Dijk, maar het is wel zo dat Nederland in de top vijf staat van de lidstaten met de beste terugkeerresultaten. Nogmaals, het zou veel, veel, veel beter moeten, maar dat is wel zo, zelfs ondanks covid. Iedereen weet dat de grenzen de afgelopen maanden door covid overal dicht zijn geweest, dat vliegtuigen niet vliegen en dat allerlei landen eisen stellen aan mensen die binnenkomen. Dat heeft het heel veel moeilijker gemaakt. Desondanks is het de Dienst Terugkeer en Vertrek gelukt om toch nog een redelijk aantal mensen telkens te doen terugkeren. De inzet daarvan is dus heel groot. De resultaten van onze Dienst Terugkeer en Vertrek zijn — nogmaals, relatief gezien — redelijk. Alleen, ze zouden natuurlijk veel beter moeten zijn. Dat geef ik de heer Jasper van Dijk graag toe. Dat is ook mijn frustratie; dat geef ik ook graag toe.

De voorzitter:
De heer Emiel van Dijk en dan de heer Bisschop.

De heer Emiel van Dijk (PVV):
Al die oplossingen die we hier nu horen, van een toolbox tot die geitenwollensokkenambtenaren die u "ketenmariniers" durft te noemen, zijn allemaal symptoombestrijding en zetten helemaal geen zoden aan de dijk. U geeft zelf aan: we willen het eigenlijk niet te veel benoemen, maar het zijn gewoon rondreizende bendes criminelen. En wat doet de VVD daar dan mee? Wat doet de staatssecretaris daar dan mee? Die blijft ze onderdak bieden. Ik kan daar echt niet bij met mijn hoofd. Het doet me aan de ene kant pijn om te zeggen, maar wij zijn het inderdaad met mevrouw Van Toorenburg van het CDA eens dat we ze zo lang mogelijk moeten oppakken en vastzetten, net zolang tot ze uitgezet kunnen worden. Aan de andere kant is de positieve noot dat mevrouw Van Toorenburg het niet met zichzelf eens was, want wij hebben een motie met exact die strekking ingediend, waarin de regering werd verzocht overlastgevende criminele asielzoekers op te pakken en net zo lang vast te zetten totdat ze het land kunnen worden uitgezet. Die motie is door deze staatssecretaris ontraden. De VVD en het CDA hebben ertegen gestemd. Wat zijn dat dus allemaal voor krokodillentranen van de collega's hier en wat is dit voor symptoombestrijding? Dat de staatssecretaris weigert hier iets aan te doen, getuigt van enorme onwil en een beetje dedain voor de Nederlanders die met overlast te maken hebben.

De voorzitter:
Voordat ik de staatssecretaris het woord geef, wil mevrouw Becker een punt van orde maken.

Mevrouw Becker (VVD):
Ja. We weten dat de heer Emiel van Dijk van de stevige woorden is, maar ik hoor hem nu, net als in eerdere debatten, een aantal keren over de ketenmariniers zeggen dat dat "geitenwollensokkenambtenaren" zijn.

De heer Emiel van Dijk (PVV):
Zeker.

Mevrouw Becker (VVD):
Dat zijn mensen die geen onderdeel uitmaken van dit debat, die hier niet zijn en die een bepaalde functie bekleden voor de minister en de staatssecretaris. Ik vind dat we mensen die zich in dit huis niet kunnen verdedigen en die hun werk doen in de keten, niet zouden moeten wegzetten als "geitenwollensokkenambtenaren". Dat wilde ik even gezegd hebben. Ik hoop dat de heer Emiel van Dijk daar afstand van kan nemen.

De heer Emiel van Dijk (PVV):
Nee, dat ga ik niet doen. En misschien kan mevrouw Becker van de VVD een keer inhoudelijk op onze argumenten reageren in plaats van te lopen mekkeren over de inhoud.

De voorzitter:
"Geitenwollen sokken" was vroeger bij sommige partijen een compliment, weet ik nog.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Het lijkt wel of mevrouw Becker en ik een soortement magische straling gehad hebben, want het eerste wat ik zojuist had willen antwoorden op de heer Emiel van Dijk, is dat ik het niet op prijs stel dat hardwerkende ambtenaren op deze manier gediskwalificeerd worden. Want de heer Emiel van Dijk brengt die "geitenwollen sokken" als een diskwalificatie. Je kunt het ook heel positief zien, maar dat is niet de manier waarop het door de heer Emiel van Dijk werd bedoeld. Die mensen werken hard en zetten zich in hele moeilijke omstandigheden in. En ze kunnen zich hier inderdaad niet verdedigen. Dat doe ik voor ze. Mevrouw Becker heeft me dus de woorden uit de mond genomen.

Dan nog iets anders in de richting van de heer Emiel van Dijk.

De voorzitter:
Ja, de vraag.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
We mogen niemand opvangen, zegt hij. Nou, we hebben wet- en regelgeving. Wij zijn een rechtsstaat en we hebben wel wet- en regelgeving waaraan wij ons houden. Tegelijkertijd zorgen wij dat degenen die hier om asiel vragen terwijl ze er eigenlijk geen recht op hebben, de veiligelanders, zo snel mogelijk door de procedure heen gaan. Binnen vier weken moeten ze de uitslag hebben en weten ze dat ze weg moeten, en dan is er ook geen opvang meer.

De heer Bisschop (SGP):
Terecht zegt de staatssecretaris dat terugkeer, terugkeer en terugkeer de sleutels zijn tot een succesvol asielbeleid. Dat is het scheiden van de schapen van de bokken, om het maar even zo te zeggen. Daarvoor is het cruciaal dat er bij de landen van herkomst bereidheid is om hun eigen burgers terug te nemen, en daar zit een belangrijk knelpunt. In het EU-migratiepact is dat niet afdoende geregeld. Mag ik de staatssecretaris vragen of zij zich wil inzetten om dat in elk geval dwingend te regelen in dat EU-migratiepact?

De voorzitter:
De staatssecretaris komt zo op de internationale dimensie.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Ik ben ontzettend blij dat de heer Bisschop hiermee komt. Ik heb zojuist ook gezegd dat alle lidstaten op 13 november hebben laten blijken dat ze vinden dat de terugkeer goed geregeld moet zijn. Er is maar één punt waar ze het allemaal over eens zijn en dat is dit punt. Maar ik maak graag gebruik van de oproep van de heer Bisschop om dat nog eens heel goed te zeggen in de overleggen die we hebben over de nieuwe Europese asielvoorstellen. En voor zover het mij mogelijk is om het dwingend op te leggen, zal ik dat doen, maar ik ga in ieder geval mijn uiterste best doen, want daar draait het om. Als we dat niet voor elkaar krijgen, schieten we niet heel erg op.

De heer Bisschop (SGP):
Dank voor deze stevige lijn. En om dat te ondersteunen, zullen we straks een motie indienen die nog eens onderstreept dat een migratiepact zonder bindende en dwingende terugkeerregeling niet acceptabel is voor ons.

De voorzitter:
Goed. Dat komt dan in de tweede termijn. Gaat u verder, staatssecretaris … Ik hoor nu roepen dat een motie die een ondersteuning van het beleid is, overbodig is. Dat is inderdaad zo, maar goed! De staatssecretaris.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Voorzitter. Ik kom bij het hoofdstuk internationale dimensie. Dat sluit ook mooi aan bij wat de heer Bisschop zonet naar voren heeft gebracht.

De voorzitter:
Precies.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
De Europese dimensie is sterk aanwezig in het asielbeleid. De Europese regels vormen daarvan de kaders. Een beter, efficiënter Europees systeem is goed voor Nederland, zeker als het bijdraagt aan versterking van de capaciteit van landen om ons heen om met name asiel en irreguliere migratiestromen in de EU beter te managen. Hiervoor hebben mijn voorganger en ik ons hard gemaakt in deze kabinetsperiode. Zoals het kabinet een integrale migratieagenda voert, is er ook in toenemende mate sprake van een integraal, alomvattend Europees asiel- en migratiebeleid. Sinds het Nederlandse voorzitterschap in 2016 is er veel gebeurd. Namens Nederland is aangedrongen op een versterking van de buitengrenzen. Er is meer monitoring en meer aandacht voor de uitvoering van gemaakte afspraken. De aanpak van illegale secundaire migratie in de Schengenzone is nadrukkelijk op de agenda gekomen. Verder is duidelijk erkend dat de interne en externe dimensies van het asiel- en migratiebeleid nauw met elkaar verweven zijn. Dat is broodnodig om onze ambities, zoals een betere opvang in de regio, minder irreguliere migratie naar de EU en meer terugkeer vanuit de EU, te verwezenlijken. Onder leiding van de vorige Commissie zijn hier al stappen in gezet.

Eind september publiceerde de huidige Europese Commissie een nieuwe serie voorstellen op het gebied van asiel en migratie. Veel belangrijke elementen daarin sluiten ook aan bij de inzet van het kabinet, namelijk de invoering van een grensprocedure aan de EU-buitengrenzen om snel onderscheid te maken tussen kansarme en kansrijkere asielzoekers, extra aandacht voor het verbeteren van terugkeer, met de EU als krachtige factor, brede partnerschappen met derde landen, waarbij visa en andere instrumenten kunnen worden ingezet om migratiesamenwerking te bevorderen, het bevorderen van het gebruik van legale migratiemogelijkheden en aandacht voor de positie en behandeling van kwetsbare groepen. Dit biedt een solide basis om de tekortkomingen van het huidige asielsysteem aan te pakken en meer greep te krijgen op irreguliere migratie. In de besprekingen zullen wij ons dan ook constructief opstellen. Wel zullen we kritisch blijven, onder andere over de duidelijkheid en de praktische uitvoerbaarheid van de regels, zeker ook ten aanzien van de inzet voor de terugkeer.

Parallel aan de nieuwe voorstellen van de Europese Commissie wordt er gewerkt aan de herziening van de Terugkeerrichtlijn. Terugkeer, inclusief gedwongen terugkeer, is een cruciaal onderdeel van een effectief migratiebeleid. De heer Bisschop gaf in zijn inbreng in eerste termijn terecht aan dat vreemdelingenbewaring daarvan een essentieel onderdeel is. In deze onderhandelingen maakt Nederland zich dan ook hard voor handhaving en de mogelijkheden om mensen in bewaring te plaatsen, in het bijzonder als het gaat om overlastgevers en criminele illegalen. Mijn inzet is gericht op een beter systeem in Nederland en in andere lidstaten, waarin alle lidstaten hun verantwoordelijkheid nemen en het doorvoeren van structurele Europese verbeteringen het mogelijk maakt om structurele solidariteit te bieden.

Hoewel het kabinet van mening blijft dat herplaatsing met name onderdeel moet zijn van een structureel mechanisme, was na de branden op Lesbos een bijzondere situatie ontstaan. Dit was de aanleiding om bij uitzondering in te stemmen met de herplaatsing van 100 kwetsbare personen. Daar wordt nu hard aan gewerkt, samen met Griekenland en de Commissie. De heer Van Ojik vroeg naar het daarvoor voorziene tijdpad. Zorgvuldigheid staat natuurlijk voorop, maar het streven is om de eerste overkomsten naar Nederland liefst voor de kerst te realiseren. Ik heb goede hoop dat dat lukt. De ontwikkelingen gaan op dit moment snel, dankzij de inzet van de Griekse diensten, de IND en het COA en alle andere betrokken medewerkers.

Vanochtend — vanochtend! — ben ik door de herplaatsingsmissie erover geïnformeerd dat de eerste interviews in Athene zijn afgerond en dat 50 personen zijn geselecteerd. Het betreft gezinnen met minderjarige kinderen. De interviews met amv's vinden eind deze week plaats en zo nodig tijdens de vervolgmissie in de eerste helft van december. Dit had ik gisteravond nog niet kunnen melden in de schriftelijke antwoorden, omdat ik het pas vanochtend gehoord heb. De logistieke voorbereidingen worden nu in samenwerking met IOM getroffen om ervoor te zorgen dat in ieder geval deze 50 personen binnen enkele weken hier zijn. In hun eerste opvang in Nederland is ook voorzien. Het COA is ondertussen in gesprek met verschillende gemeentes over huisvesting. Daarbij moet ik wel rekening blijven houden met de ontwikkelingen rond covid in Griekenland en Nederland.

De Nederlandse inzet is erop gericht om Griekenland bij te staan bij het doorvoeren van structurele verbeteringen op het gebied van opvang, terugkeer en asiel. Een concreet voorbeeld is het samenwerkingsverband dat ik in dit kader samen met mijn Griekse collega eerder dit jaar het opgezet. Er wordt hard gewerkt om drie opvanglocaties voor alleenstaande minderjarigen op te zetten. De eerste locatie is in bedrijf genomen. Veertien minderjarige meisjes inclusief drie baby's/peuters zijn daar sinds begin oktober opgevangen en begeleid. Een meisje is inmiddels vertrokken naar een EU-lidstaat, waar zij is herenigd met gezinsleden. De tweede opvanglocatie wordt, naar het zich laat aanzien, volgende week in bedrijf genomen. Het streven is om de derde opvanglocatie eind 2020 gereed te hebben. Ook werkt Nidos nauw samen met de Griekse collega's om het Griekse voogdijsysteem voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen te verbeteren. Dergelijke initiatieven passen goed bij de oproep van de Commissie dat lidstaten elkaar ondersteunen om te zorgen dat de nationale systemen beter worden.

Mevrouw Becker gaf aan meerwaarde te zien een nationaal crisisplan voor migratie en opperde verder de vorming van een mini-Schengen. Verschillende elementen komen terug in de integrale migratieagenda van het kabinet. Ook die agenda ambieert bijvoorbeeld de Nederlandse migratieketen crisisbestendig te maken, flexibeler te organiseren, de opvang voor mensen met een kansarm asielverzoek te versoberen en zowel onze grenzen als de Europese buitengrenzen te versterken. Op deze onderwerpen trekken wij op met gelijkgezinde Schengenstaten. Ook op andere vlakken zie ik overeenkomsten. Ik zie dit dus als aanmoediging om deze koers vast te houden. Ik wijs er verder op dat de Europese Commissie begin 2021 komt met een Schengenstrategie om de Schengenruimte verder te versterken. Ook bestaan er nu al mechanismen om nationaal te handelen bij crisissituaties aan zowel de buitengrenzen als de Nederlandse binnengrenzen. Dat gebeurde tijdens de hoge instroom van 2015 en 2016 en bij de recente corona-uitbraken. Ik deel de mening van mevrouw Becker dat we op dit soort zaken steeds scherp moeten blijven.

Dat was het stukje internationaal.

De heer Voordewind (ChristenUnie):
Goed nieuws dat de drie huizen voor de kerst gevuld kunnen worden. Ik hoor ook van de staatssecretaris dat ze graag wil dat de eerste overkomsten voor de kerst plaatsvinden, maar daarin hoor ik het woordje "eerste" heel goed. In het vorige debat heb ik de staatssecretaris horen zeggen dat dit wel mensen moeten zijn met een status. Waarom heeft de staatssecretaris dit extra criterium aan de selectieprocessen toegevoegd?

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Het is prettig als deze mensen een status hebben. Ze zijn al geselecteerd; die 50 komen. Dat heb ik zojuist gezegd. Die komen voor de kerst. Als ze een status hebben, komen ze niet in de asielketen. En dat maakt het makkelijker, omdat ze niet een extra belasting vormen. Tevens hoef je niet op een gegeven moment te zeggen: goh, er zijn er 50 gekomen, maar nou blijken er toch nog een aantal niet in aanmerking te komen voor een status. Want dan zouden ze terug moeten naar Griekenland of iets dergelijks. Vandaar dat wij gezegd hebben dat we mensen met een status willen, en die status is verleend in Griekenland.

De heer Voordewind (ChristenUnie):
Dan zijn het natuurlijk mensen die waarschijnlijk al twee jaar in Griekenland hebben gezeten, want die hebben het hele asielproces moeten doorlopen. De vraag was: kunnen wij in Nederland 100 mensen opnemen van Lesbos of de Griekse eilanden die nu in een crisis zitten? Nu constateer ik dat dit waarschijnlijk niet de mensen zijn die van de Griekse eilanden komen die na de brand in de penarie zaten, maar dat dit mensen zijn die al door de hele procedure heen zijn en die waarschijnlijk dus al klaar waren voor plaatsing in Griekenland. Misschien kan de staatssecretaris daar iets over zeggen.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Ik moet nu met een heleboel onbekenden gaan werken. De heer Voordewind stelt allerlei vragen: waren het misschien al dit of dat of zus of zo? Er is een missie van de IND en het COA; zij zitten nu nog in Griekenland. Zij hebben met de IOM en met de Grieken, indachtig hetgeen in Nederland is afgesproken, 50 kwetsbare personen geselecteerd. Die kwetsbare personen moeten voldoen aan de criteria die zijn overeengekomen bij de afspraak die over die 100 mensen is gemaakt. Ik ga er dus van uit dat het helemaal precies zo is als de bedoeling is. Ik ga niet speculeren, zo van "misschien hebben ze er al twee jaar gezeten" of "misschien komen ze wel ergens anders vandaan". Het zijn 50 kwetsbare personen, en daar is het om te doen. Nogmaals, door het COA en de IND is daarmee sterk rekening gehouden; zij zijn uitgegaan van datgene wat is afgesproken over het opvangen van 100 kwetsbare personen.

De voorzitter:
De heer Jasper van Dijk. Ik ga meteen kijken hoeveel vragen u nog heeft.

De heer Jasper van Dijk (SP):
Ja. Ik stel de vraag, en dat kijkt u daarna … Nee. Wat de staatssecretaris nu zegt, is wel frappant. Er was een brand in Moria. 13.000 mensen op straat. Na veel wikken en wegen werd besloten dat Nederland, jawel, 100 mensen van die 13.000 zou opnemen. En nou horen we opeens dat dit 100 mensen met een status moeten zijn. Ik ben het dus wel eens met de heer Voordewind dat dit opmerkelijk is. We gingen de Grieken helpen met het hiernaartoe halen van 100 mensen, onder wie 50 kinderen, om de Griekse autoriteiten te ontlasten. Dan is het toch gek om deze eis nu toe te voegen? Verklaart dat dan waarom het niet opschiet en waarom het in Duitsland wel lukt, maar het in Nederland nog steeds niet tot stand is gekomen? Wilt u die eis schrappen?

De voorzitter:
En dat was uw laatste vraag. De staatssecretaris.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
De heer Jasper van Dijk maakt er opeens van dat 100 personen allemaal die status moeten hebben. Waar ik het over had, was dat de 50 kwetsbare personen die op dit moment geselecteerd zijn, een status hebben. Dat betreft kwetsbare gezinnen met minderjarige kinderen. Die hebben een status en die komen hiernaartoe. Die andere 50 zijn kwetsbare, alleenstaande minderjarigen. Daar heb ik helemaal niet over gepraat. Wel is afgesproken dat zij 14 jaar of jonger zullen zijn, maar ik heb niet gezegd wat van hen de status is. Helemaal niet. We moeten de verwarringen dus niet groter maken dan ze zijn.

De voorzitter:
Gaat u verder. Niet naar meneer Van Ojik kijken, want dan …

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Nee, ik kijk niet naar meneer Van Ojik. Ik ga nu beginnen over mensenhandel en prostitutie, meneer Van Ojik.

De voorzitter:
Laatste vraag, meneer Van Ojik.

De heer Van Ojik (GroenLinks):
Ik wil de staatssecretaris graag nog iets vragen over Libië. Maar het kan zijn dat ze dat in het laatste blokje doet. Het zat er een beetje tussen.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
In het kader van mensenhandel en prostitutie?

De heer Van Ojik (GroenLinks):
Mensenhandel, dacht ik.

De voorzitter:
Ja, maar dat komt nog.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Ja, dat komt.

De heer Van Ojik (GroenLinks):
In de schriftelijke behandeling had de staatssecretaris het over mensenhandel en prostitutie bij Libië …. Maar goed, misschien kan ik gewoon nu mijn vraag stellen.

De voorzitter:
Ja, doe maar, dan hebben we dat ook gehad.

De heer Van Ojik (GroenLinks):
Ik moest eraan denken omdat het blokje internationaal heel veel ging over vergaderingen, onderhandelingen en zo in Brussel. Dat is belangrijk, ook al schiet het niet op. Maar er gebeuren ook allerlei dingen namens de Europese Unie. Een daarvan is de steun aan de Libische kustwacht. Die Libische kustwacht pakt met onze steun mensen op, of onderschept mensen, en brengt ze terug naar Libië. Daar komen ze in een van de elf detentiecentra waar systematisch wordt gemarteld en waarin heel vaak sprake is seksueel geweld. De vraag, die ik al drie jaar stel, is of het nog langer verantwoord is dat wij daar met Europees geld aan meewerken. Dus ik zou de staatssecretaris willen vragen of zij dat vindt. Als ze dat niet vindt, wil ze er dan in Brussel voor pleiten dat wij zolang die kampen niet dichtgaan niet die Libische kustwacht verder kunnen steunen, omdat dat ons toch op een bepaalde manier medeplichtig maakt?

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Voorzitter, is het goed als ik deze vraag in tweede termijn beantwoord?

De voorzitter:
Ja, prima. Dan gaan we nu naar de mensenhandel.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Dan ga ik nu naar mensenhandel en prostitutie. Mensenhandel is een van de ernstigste vormen van georganiseerde criminaliteit. Mevrouw Kuiken en mevrouw Van der Graaf wezen daar al op en ik ben dat volmondig met ze eens. Ook Nederland telt slachtoffers van mensenhandel. Vaak gaat het om seksuele uitbuiting, niet zelden in de vorm van gedwongen prostitutie door minderjarigen. Op 13 juli is het wetsvoorstel regulering sekswerk om advies aanhangig gemaakt bij de Raad van State. Het wetsvoorstel voorziet onder meer in een uniforme vergunningplicht voor de gehele seksbranche, verhoging van de leeftijd waarop prostitutie is toegestaan naar 21 jaar en strafbaarstelling van het uit winstbejag behulpzaam zijn bij illegale prostitutie of, prozaïscher, het pooierverbod.

Ik had erop gerekend, u dit wetsvoorstel kort na het zomerreces ter behandeling te kunnen aanbieden. Helaas is dat niet gelukt, zeg ik in de richting van uw leden Van der Graaf, Kuik en Bisschop. Ik heb het advies van de Raad van State nog niet ontvangen. Ik betreur dit zeer, aangezien ik weet hoe belangrijk het wetsvoorstel is. Zoals mevrouw Kuik terecht zei: mensenhandel is een van de vormen van criminaliteit die niet snel aan het licht komt. Het zijn zaken die vaak lastig te bewijzen zijn. Mevrouw Van der Graaf zei dat heel duidelijk. Slachtoffers zijn doorgaans ook bang om een verklaring af te leggen.

De sleutel tot een succesvolle aanpak ligt dan ook in goede signalering en intensieve samenwerking tussen vele partijen. Daarop zijn goede stappen gezet, met onder meer het interdepartementaal programma Samen tegen Mensenhandel. Het fundament voor de aanpak is verstevigd en verbreed, mede dankzij uw Kamer. Naar aanleiding van de motie-Segers/Asscher is structureel 10 miljoen aan extra middelen naar de AVIM gegaan. De eerste fte toevoegingen aan teams vinden al de komende maanden plaats.

Mensenhandel is een van de vier prioriteiten in de Veiligheidsagenda. Mevrouw Van der Graaf wees erop dat de afgelopen jaren het aantal verdachten dat voor mensenhandel werd voorgeleid steeds achterbleef bij de doelstelling. Een van de eerste resultaten nu is dat het aantal OM-verdachten voorzichtig stijgt. Die ambitie houd ik vast. Om daders beter aan te kunnen pakken, wordt nu een verkenning gemaakt van artikel 273f Strafrecht. Ik bekijk de mogelijkheden om dit complexe artikel duidelijker te maken en daarmee bruikbaarder in de uitvoering. Ook zetten we in op bestrijding van mensenhandel in internationaal verband. Dat doen we onder meer met de plaatsing van extra politieliaisons. Ook ondersteunen we in Europol het EMPACT THB en daarmee de Europese samenwerking in de opsporing. Zo pakken we internationaal en nationaal mensenhandel aan. Ook in de resterende maanden van mijn ambtsperiode zal ik mij blijven inzetten om de maatschappelijke positie van sekswerkers te verbeteren en de aanpak van mensenhandel te versterken.

Mevrouw Kuik (CDA):
Voorzitter. In mijn bijdrage ben ik ingegaan op de Nationaal Rapporteur Mensenhandel. Die geeft aan: ik heb onvoldoende budget om mijn taken uit te oefenen. In de schriftelijke beantwoording staat dat in de laatste jaarlijkse evaluatie van de Nationaal Rapporteur wordt geconcludeerd dat er geen grote lacunes zijn. Maar we hebben een brief van de Nationaal Rapporteur waarin staat: "Helaas bieden de aan mij door het ministerie van JenV beschikbaar gestelde middelen mij onvoldoende capaciteit om de reeds geplande activiteiten uit te voeren." Dat ligt aan werkdruk en de kwaliteit die ze willen leveren. Kan de staatssecretaris hierop ingaan? Dit is een belangrijke persoon, een belangrijk instituut in het zichtbaar maken van de mensenhandel. Hij geeft aan: het lukt me niet.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Met mevrouw Kuik onderstreep ik volledig het belang van de Nationaal Rapporteur Mensenhandel. Wat de Nationaal Rapporteur met zijn mensen doet, is ongelofelijk belangrijk. Met een klein team doen zij heel erg veel werk. Binnenkort hebben we weer zo'n evaluatie. Ik wacht die evaluatie af. Naar aanleiding daarvan kijken we hoe we verdergaan.

Mevrouw Kuik (CDA):
Ik snap dat die evaluatie eraan komt, maar het signaal van de Rapporteur Mensenhandel is natuurlijk al heel duidelijk. Ik pak even ook een volgende punt mee. Dat gaat om de chatfunctie. We willen dat mensenhandel zichtbaar wordt en dat de drempel voor slachtoffers om zich te melden lager is. Zo'n chatfunctie is er al op vier plekken. Dat is regionaal en met allemaal verschillende potjes geregeld. Ook hierover staat weer in de schriftelijke beantwoording dat dit hulpaanbod een taak is van gemeenten, en niet van de rijksoverheid. Dat is vreemd, want mensenhandel en uitbuiting zijn toch een landelijk probleem? Ziet de staatssecretaris in haar rol als trekker bij dit grote programma het als een opdracht om met de verschillende ministeries te kijken hoe, en zich ervoor in te zetten dat die landelijke chatfunctie in de toekomst vormgegeven kan worden?

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Me daarvoor inzetten: jazeker. Ik heb me ook ingezet voor een proef die we met verschillende gemeentes gaan doen op het terrein van mensenhandel. Ik heb voor elkaar weten te krijgen dat ook andere ministeries daaraan meebetalen. Mijn eigen ministerie betaalt mee, maar ook andere ministeries. Ik zet me daar dus voor in. Ik zal me bij de andere ministeries wel voor de chatfunctie inzetten, maar het is niet zo dat ik geld op tafel kan leggen. Die chatfunctie is belangrijk.

De voorzitter:
Dank u wel.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Dank u, voorzitter. Dit was het.

De voorzitter:
Dan zijn we hiermee toegekomen … Mevrouw Becker, ik dacht al.

Mevrouw Becker (VVD):
Volgens mij had ik nog een paar interrupties over. De staatssecretaris is op een paar dingen wel in de schriftelijke beantwoording ingegaan, maar nog niet in de mondelinge beantwoording. Ik wil een paar feitelijke vragen verduidelijkt hebben. Ze geeft bijvoorbeeld aan dat ze wil kijken hoe aantoonbaar vertrek beter in de rapportage opgenomen kan worden, en hoe effectief de Dienst Terugkeer en Vertrek is om aantoonbaar vertrek te realiseren. Ze gaat kijken of de rapportage daarop kan worden aangepast. Kan ze misschien aangeven wanneer we daar als Kamer uitsluitsel over krijgen en wanneer dat gaat gebeuren?

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Ik ga zo snel mogelijk opnemen met de Dienst Terugkeer en Vertrek over hoe we dat doen. Ik hoop dat we daar in het begin van het jaar helderheid over kunnen geven. Ik kan bij alles nu wel zeggen "voor het eind van het jaar", maar het eind van het jaar is zo dichtbij dat dat wel heel erg kort dag zou zijn. In het begin van het jaar moeten we daar helderheid over kunnen geven.

Mevrouw Becker (VVD):
Dan had ik nog een andere vraag. We hebben ook vragen gesteld over mannen die steeds opnieuw weer een huwelijkspartner naar Nederland halen, terwijl er sprake is van onderdrukking. De staatssecretaris heeft aangegeven dat, als een bepaalde persoon dat steeds weer opnieuw doet, de IND kán onderzoeken of er sprake is van een schijnhuwelijk. De IND kan dat doen. Kan de staatssecretaris de Kamer informeren over de mate waarin de IND van die mogelijkheid gebruikmaakt? Ik kan me voorstellen dat de IND het vrij druk heeft. Hoe vaak is er aanleiding voor de IND om dit te vermoeden en daar ook naar te handelen? Dan kunnen we als Kamer beoordelen of dit een effectief instrument is, of dat we hier andere middelen voor moeten gaan inzetten.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Ik kan aan de IND vragen om in de toekomst te registreren hoe vaak dat voorkomt, maar het lijkt me onbegonnen werk om te vragen om dat achteraf te doen. Dat betekent dat allerlei archieven doorzocht moeten worden. Dat lijkt mij onbegonnen werk. Maar ik kan aan de IND vragen om te gaan bijhouden hoe vaak dat voorkomt. Ik denk dat het nuttig is om dat te doen. Dat kan ik vragen.

Mevrouw Becker (VVD):
Dank voor de toezegging. Dit gaat goed, voorzitter. Dan de subsidieregeling voor ngo's om vertrek te stimuleren. Daar hebben wij vragen over gesteld, want de regeling lijkt weinig efficiënt. De staatssecretaris zegt: het heeft wel nut, want door die regeling kunnen wij beter samenwerken met ngo's en het leidt ook tot draagvlak bij ngo's om het taboe van vertrek af te krijgen. Wij zijn daar nogal kritisch over. Ik vraag mij af wat zo'n draagvlak mag kosten als een regeling uiteindelijk niet efficiënt is. Wanneer gaat de staatssecretaris ons opnieuw informeren over de nieuwe subsidie die aan ngo's wordt verstrekt en over hoe efficiënt die in de toekomst zal zijn, zodat wij als Kamer op dit punt wel de vinger aan de pols kunnen houden? De VVD zou eigenlijk een resultaatverplichting willen. Wij zouden eigenlijk willen overwegen of wij dit niet helemaal door het IOM moeten laten doen. Maar om dat te kunnen beoordelen, moeten wij eerst evalueren. Wanneer komt er een nieuwe evaluatie? Is dat echt pas over twee jaar?

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Is het goed dat ik dit in tweede termijn beantwoord? Ik moet even kijken wanneer dit precies gepland is. Maar het is wel zo dat sommige ngo's contacten hebben die kunnen helpen om te zorgen dat de terugkeer bevorderd wordt. Mevrouw Becker spreekt over een resultaatsverplichting. Die is er wel in die zin, dat als er echt geen resultaten worden geboekt, er dan echt wel rekening moet worden gehouden met het verminderen van de subsidie of desnoods, in het slechtste geval, het afschaffen van de subsidie.

Mevrouw Becker (VVD):
Oké. Nog één laatste. De AVG en de overlastgevers. Ook daar gaat het kabinet onderzoek naar doen, omdat de AVG in sommige situaties in de weg zit. Bijvoorbeeld als men een top X-lijst wil delen met de burgemeester, of als men informatie over een potentieel gevaarlijke statushouder wil delen met de gemeente waar de statushouder wordt uitgeplaatst. Het lijkt ons erg belangrijk dat dit onderzoek gebeurt. Het kabinet overweegt op dit punt convenanten, maar mogelijk ook aanpassing van wetgeving. Ook daar weer de niet-onverwachte vraag: wanneer?

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Aanpassing van wetgeving lijkt me een longshot, om het zo maar eens te zeggen. De AVG is op zich belangrijke wetgeving. Bekeken wordt nu in hoeverre wij mogelijkheden hebben om gegevens te delen en wat er wel past binnen de regels die wij daarvoor hebben. Maar ik begrijp dat mevrouw Becker een datum wil hebben.

Mevrouw Becker (VVD):
Ik hoef niet precies te weten wanneer wij een nieuwe wet kunnen verwachten. Maar het kabinet geeft aan te gaan verkennen of nieuwe wetgeving nodig is. Wanneer kunnen wij die verkenning verwachten?

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Ook op dit punt zal ik even checken wat de stand van zaken is. Dan kom ik in tweede termijn met een antwoord.

De voorzitter:
Prima. Dan mevrouw Van der Graaf. En ook de heer Bisschop. Eerst mevrouw Van der Graaf.

Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):
Dank aan de staatssecretaris voor haar overtuiging en vasthoudendheid om vast te houden aan de doelen om de mensenhandelaren uiteindelijk voor de rechter te krijgen. Ik heb de indruk, hoewel het nu gaat over de prioriteiten op de veiligheidsagenda, dat er achter de schermen toch wel wat getouwtrek is om daar voldoende capaciteit, ook bij de politie, voor in te kunnen zetten. Dus ik vraag mij af wat de staatssecretaris en het kabinet nodig hebben om ervoor te zorgen dat er daadwerkelijk capaciteit bij de politie en het OM wordt uitgetrokken om aan deze zaken met prioriteit aandacht te kunnen geven.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Ik zeg tegen mevrouw Van der Graaf dat we nu ontzettend veel werken aan de inzet van de 10 miljoen die uit de motie-Segers/Asscher is gekomen. Daarmee worden nu de eerste fte's geworven en opgeleid. Dat is de echte impuls die wij daarmee kunnen bereiken. Ik denk dat wij daar goed achteraan moeten zitten en ervoor moeten zorgen dat die mensen snel en goed worden opgeleid. Op die manier kunnen wij die inzet doen. Ik ben allang blij dat wij zorgen dat de target die wij gesteld hebben, gehandhaafd is. Wij zullen er veel kracht achter zetten en alles doen wat wij kunnen doen om dat te bereiken.

De heer Bisschop (SGP):
Ik heb toch nog even een vraag over de uitstapprogramma's voor vrouwen uit de seksbranche. Het is de bedoeling dat dat in overleg met allerlei organisaties wordt gedaan, zegt de staatssecretaris. Oké, dat is logisch, alleen heb je verschillende typen organisaties. Je hebt ook organisaties die zich meer richten op het maatschappelijk aanvaardbaar maken van het sekswerk. Bij deze uitstapprogramma's gaat het juist om ondersteuning bij het zoeken naar werk, het zoeken naar huisvesting enzovoorts. Kan de staatssecretaris toezeggen dat de uitstapprogramma's juist op samenwerking met dergelijke organisaties gericht zijn?

Staatssecretaris Broekers-Knol:
De uitstapprogramma's zijn erop gericht om ervoor te zorgen dat een sekswerker die uit die branche wil, een ander soort baan kan hebben in het maatschappelijk leven. Daar zijn de uitstapprogramma's op gericht en daar wordt ook aan gewerkt. Ik heb zelf zo'n programma bezocht. De inzet is duidelijk: ervoor zorgen dat degene die uit de seksbusiness wil, een burgerlijke baan kan hebben in de samenleving.

De heer Bisschop (SGP):
Dat is goed om te horen. Maar ook wij hebben uiteraard onze contacten. Wij krijgen het signaal dat dat eerste type organisaties nog weleens probeert te profiteren van de gelden in het kader van de uitstapprogramma's. Daarom was ons pleidooi om voor heldere kaders te zorgen bij DUUP, zodat daar in elk geval geen misbruik van gemaakt kan worden. Is de staatssecretaris daartoe bereid?

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Ik kan de heer Bisschop zeggen dat we daar alert op zijn en zullen zijn.

De voorzitter:
Dank u wel.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Dank u wel.

De voorzitter:
Daarmee zijn we toegekomen aan de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Maar misschien ben ik te snel. Hebben jullie behoefte aan een korte schorsing voordat we aan de tweede termijn beginnen? Ik zie het; het wordt anders een beetje paniek met die moties. Zullen we er vijf minuten van maken? Ja.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:
Dan zijn we nu toegekomen aan de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Ik geef mevrouw Helder namens de PVV het woord.

Mevrouw Helder (PVV):
Dank u wel, voorzitter. De begroting is niks en de beantwoording van mijn vragen is dat ook. Ik ben verdorie Kamerlid van de grootste oppositiepartij, maar de minister heeft geen enkele vraag van mij in de eerste termijn hier plenair beantwoord. Het is duidelijk verkiezingstijd. Gelukkig heb ik een tweede termijn, want dit verwachtte ik al. Vorig jaar gebeurde dit ook.

Voorzitter. Als eerste de capaciteit van de politie, de gebruikelijke opsomming. Dat is geen verrassing. Wat mij blijft verbazen, is dat er steeds tussen neus en lippen door wordt gezegd dat er de komende jaren 17.000 agenten uitstromen. De voornaamste reden daarvoor is de pensioengerechtigde leeftijd. Maar dat zie je toch al jaren van tevoren aankomen? Dan anticipeer je daar toch op? Rutte II deed dat door er 3.000 weg te bezuinigen. Rutte III, deze minister, stapelt taak op taak bij een te krappe politiecapaciteit voor de dagelijkse gang van zaken en gaat dus ook voorbij aan deze enorme olifant in de kamer. Desondanks blijft de minister volhouden dat de wijkagenten in de haarvaten van de samenleving zitten en dat nabijheid centraal staat. Zo staat het op pagina 11 van de memorie van toelichting. Dat is mooi, maar de PVV wil graag dat de burgers dat ook zo ervaren. Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat de nabijheid van een politiebureau een cruciale rol speelt bij het veiligheidsgevoel van burgers en deze nabijheid ook voor de dienstverlening door de politie aan burgers noodzakelijk is;

van mening dat een politiebureau ook noodzakelijk is voor politieagenten om hun werk zo efficiënt mogelijk te kunnen doen;

van mening dat de politiebureaus terug in de wijken moeten om zo te waarborgen dat de politie ook daadwerkelijk in "de haarvaten van de samenleving" zit;

verzoekt de regering om ervoor te zorgen dat de politiebureaus weer terug in de wijken komen, het in 2015 gestarte traject van het sluiten van politiebureaus te stoppen en politiebureaus die er nog zijn zo snel mogelijk weer te bemannen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Helder. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 21 (35570-VI).

Mevrouw Helder (PVV):
Voorzitter. Dan het diversiteitsstreven van de korpsleiding. De minister zegt in zijn schriftelijke antwoorden het volgende. De gedragscode lifestyle en neutraliteit is heel duidelijk: geen zichtbare uitingen van geloofs- of levensovertuigingen. Hierover bestaat geen discussie, ook niet met de korpschef. Maar die discussie bestaat er blijkbaar wel met de plaatsvervangend korpschef. Of ze dit doet op verzoek van de korpschef, of op eigen houtje, is me om het even. Maar ze zet de minister duidelijk in zijn hemd. Want op een openbare debatavond op 2 september jl. was dit notabene de eerste stelling die gepresenteerd werd: het moet in de toekomst mogelijk zijn om als agent een hoofddoek te dragen. Ik adviseer de minister dan ook om haar citaten hierover tijdens deze avond eens goed na te lezen. Want zij vaart daar duidelijk een andere koers, die haaks staat op de gedragscode.

Voorzitter. De PTSS-problematiek. De minister laat de mogelijkheid open dat op basis van het nieuwe kantorenstelsel anders gerekend gaat worden, vanwege het feit dat nu voor de berekening van de immateriële schadevergoeding, het zogenoemde smartengeld, wordt aangesloten bij wat maatschappelijk gebruikelijk is. Wat mijn fractie betreft is dit onterecht, want het politiewerk is een hoog-risicoberoep en dat gaat verder, veel verder dan wat maatschappelijk gebruikelijk is. De minister staat dus toe dat voor zaken die zijn gestart onder het oude stelsel, ineens smartengeld teruggevorderd gaat worden waar dat al is toegekend en soms al is uitgekeerd. Dat vindt mijn fractie, zo zei ik gister ook al, het ultieme voorbeeld van slecht werkgeverschap. Ik had gehoopt dat de minister in de nadagen van zijn ministerschap de agenten met PTSS zou helpen in plaats van hen in de kou te laten staan. Mijn fractie zal er alles aan doen om hen wel te helpen. Daarom dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in het licht van de contouren van het nieuwe stelsel met de (oud-)medewerkers van de politie ten aanzien van wie is vastgesteld en erkend dat sprake is van PTSS (posttraumatisch stresssyndroom) individuele gesprekken worden gevoerd in het kader van de afhandeling van de door hen ondervonden materiële en immateriële schade;

constaterende dat de minister heeft toegezegd dat ruimhartig zal worden omgegaan met deze zaken;

constaterende echter dat in een aantal gevallen de vergoeding voor de immateriële schade (smartengeld) die al is toegekend en uitgekeerd aan de (oud-)medewerker wordt verrekend met als gevolg dat de (oud-) medewerker deze schadevergoeding deels moet terugbetalen;

van mening dat dit verwerpelijk, onwenselijk en mogelijk ook juridisch onjuist is;

verzoekt de regering om ervoor te zorgen dat in alle nog lopende PTSS-dossiers die zijn gestart onder het oude stelsel en waarin het smartengeld al is toegekend, dit toegekende smartengeld niet (deels) hoeft te worden terugbetaald door de betreffende (oud-)medewerker,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Helder. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 22 (35570-VI).

Mevrouw Helder (PVV):
Naar aanleiding van een eerdere reactie van de minister op een vraag van mijn fractie tijdens het vorige debat over de coronamaatregelen dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat dit jaar al bijna 500 meldingen van bedreiging zijn gedaan bij het Team Bedreigde Politici (TBP), waar dat er vorig jaar in totaal nog "slechts" 393 waren;

constaterende dat het Team Bedreigde Politici, ondergebracht bij de eenheid Den Haag, uit slechts negen personen bestaat, die geweldig werk doen, maar deze hoeveelheid meldingen niet met deze capaciteit kunnen behandelen;

constaterende dat sinds 2018 ook wordt gesproken over de mogelijkheid van een bij de politie in te richten "team bedreigde journalisten" (analoog aan het team bedreigde politici bij de eenheid Den Haag);

verzoekt de regering in dat kader middelen ter beschikking te stellen voor de uitbreiding van het Team Bedreigde Politici, zodat de gewenste uitbreiding niet ten koste gaat van de huidige politiecapaciteit,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Helder en Wilders. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 23 (35570-VI).

De voorzitter:
Mevrouw Yeşilgöz heeft een korte vraag over de ingediende motie.

Mevrouw Yeşilgöz-Zegerius (VVD):
Zeker. Dit delen wij. Ik heb dus geen inhoudelijke vragen; ik ben juist blij met de motie. Alleen, waar halen we de middelen vandaan? Ik zei al in mijn inbreng: ik ben op zoek naar geld. Er ligt nu een motie, dus ik zou alleen nog even de dekking willen weten, zodat ik daar ook even naar kan kijken.

Mevrouw Helder (PVV):
Dan doe ik wat mevrouw Yeşilgöz ook weleens doet. Die vraag leg ik even voor aan de minister.

De voorzitter:
Gaat u verder. Mevrouw Yeşilgöz, ik hoor dat u "punt van orde" roept. Ik denk niet dat dit een punt van orde is.

Mevrouw Yeşilgöz-Zegerius (VVD):
Hoe u dit punt ook wilt noemen, voorzitter, ik heb volgens mij nooit richting het kabinet gezegd: vind geld. Ik had het wel heel vaak willen zeggen, dat is waar. Maar zo doen we het hier.

De voorzitter:
Het is goed. Gaat u verder, mevrouw Helder.

Mevrouw Helder (PVV):
Laat ik als lid van een oppositiepartij een keer de eerste zijn. Laat ik eens met die regel breken. Ik probeer het toch.

Voorzitter, tot slot de georganiseerde criminaliteit. De minister zegt: het breed offensief, met het devies "oprollen, oppakken en voorkomen", is de basis voor de komende jaren. Over het oppakken, de verhoging van de pakkans, echter geen woord. Nog steeds niet of weer niet? Ik geef het cadeau. De minister zwijgt daarover.

De minister antwoordt wel op de vraag over de verhoging van de straffen. Als je het antwoord echt niet meer weet, dan leg je een Kamerlid de woorden in de mond dat de mocromaffia door de rechterlijke macht is veroorzaakt. Wat een onbenul, en wat een negeren van het feit dat de criminelen Nederland uitkiezen mede vanwege de lage strafmaat. Binnen de politie en het Strategisch Beraad Ondermijning wordt het wel erkend. De minister blijft er helaas blind voor. De minister houdt het bij stoere taal en het devies "oprollen, oppakken en voorkomen". Holle woorden.

Hij kletst liever voor het programma Kapot Sterk, waarin jonge kinderen van 7 tot 8 jaar les krijgen van een politieagent over georganiseerde criminaliteit. Mijn opa gaf als motoragent verkeersles aan kinderen van die leeftijd, en twee generaties later krijgen ze les over geweld en drugscriminaliteit. Zo zie je maar hoe je kunt afglijden met soft beleid.

Ik zei: deze minister die mij in zijn boekje Rafels aan de rechtsstaat "de advocaat van de discriminatie" noemde. Ik zal hem dan ook beslist niet missen. Ik kijk uit naar de verkiezingen in maart 2021.

De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Helder. Dan geef ik nu het woord aan de heer Markuszower namens de PVV.

De heer Markuszower (PVV):
Bedankt, mevrouw de voorzitter. Grote problemen op het terrein van Justitie en Veiligheid zijn niet opgelost met deze begroting. Daarom probeer ik het met de volgende twee moties bij te sturen. Dan heb ik nog een derde.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de lage straffen die opgelegd worden aan gewelds- en zedendelinquenten de vergeldingsfunctie van straffen ondermijnen en de maatschappij niet voldoende beschermen;

overwegende dat criminelen die voor de tweede keer worden veroordeeld voor een gewelds- of zedenmisdrijf ook twee keer zo hard gestraft dienen te worden;

verzoekt de regering maatregelen te treffen dat gewelds- en zedenmisdrijven automatisch dubbel bestraft worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Markuszower. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 24 (35570-VI).

De heer Markuszower (PVV):
De tweede motie ziet ook toe op zorgen dat er een wat strenger, zwaarder strafklimaat komt in Nederland.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in geval van verkrachting de richtlijn van de op te leggen straf door rechters slechts 24 maanden celstraf is;

overwegende dat veel verkrachters steeds weer opnieuw toeslaan en nieuwe slachtoffers maken;

overwegende dat dit voorkomen moet worden door hen zo lang mogelijk uit de maatschappij te verwijderen;

verzoekt de regering ervoor te zorgen dat verkrachters altijd minimaal twintig jaar gevangenisstraf opgelegd krijgen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Markuszower. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 25 (35570-VI).

De heer Markuszower (PVV):
En dan de derde motie. Die ziet eigenlijk toe op wat meer transparantie en op een correcte wijze van uitvoering geven aan artikel 68 van de Grondwet.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering het weglakken, weghouden en wegpoetsen van informatie tot een kunst heeft verheven;

constaterende dat Kamerleden op grond van artikel 68 Grondwet en journalisten en burgers op basis van de Wet openbaarheid van bestuur recht hebben op alle overheidsinformatie, tenzij het verstrekken in strijd is met het belang van de Staat;

verzoekt de regering vanaf heden transparant en eerlijk, de volledige en binnen de gestelde termijnen gevraagde overheidsinformatie aan Kamerleden, journalisten en belanghebbenden te verstrekken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Markuszower. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 26 (35570-VI).

Dank u wel, meneer Markuszower. U mag de moties aan de griffier geven. Ja, het is even wennen aan het nieuwe regime. Hij neemt gewoon zijn glas mee. Dat is ook heel handig! Dan geef ik nu het woord aan de heer Emiel van Dijk.

De heer Emiel van Dijk (PVV):
Dank u, voorzitter.

Voorzitter. We hebben gehoord dat men het er van links tot rechts over eens is dat het een gigantische puinhoop is op het gebied van asiel en migratie. Wij hebben een mooie motie om Marokko te vragen om eindelijk eens een keer mee te werken en om deze staatssecretaris te helpen om vervelende Marokkanen, veiligelanders die hier voor een hele hoop ellende zorgen, terug te sturen. Daarom dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering om sancties in te stellen tegen Marokko vanwege de weigering om hun eigen onderdanen terug te nemen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Emiel van Dijk en Wilders. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 27 (35570-VI).

De heer Emiel van Dijk (PVV):
Dan een motie omtrent Syriërs. Er zijn in Nederland nog 44.000 Syriërs met een tijdelijke verblijfsvergunning. We hebben uit de brief van het kabinet begrepen dat Syrië grotendeels veilig is. IS is niet meer in het bezit van grondgebied, dus het lijkt ons verstandig dat we die Syriërs terug naar hun land sturen zodat ze kunnen helpen met de heropbouw van hun land, zodat we hier lege azc's hebben, zodat er huurwoningen vrijkomen et cetera et cetera et cetera. Dat is een win-winsituatie voor de mensen die hier op de wachtlijst staan en voor de mensen die uiteindelijk weer terug naar hun eigen land kunnen. Er is niks plezierigers dan dat. Daarom dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering om de tijdelijke verblijfsvergunningen van de 44.000 in Nederland verblijvende Syriërs in te trekken en deze mensen terug te sturen naar het inmiddels weer veilige Syrië, alwaar zij kunnen helpen aan de wederopbouw van hun land,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Emiel van Dijk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 28 (35570-VI).

De heer Emiel van Dijk (PVV):
En dan een motie die eigenlijk niet meer dan logisch is, maar die helaas tot op heden door onder andere de VVD steeds wordt verworpen. Ik ga die toch nog een keertje inbrengen. De motie luidt als volgt.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering illegaliteit strafbaar te stellen en alle illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen terug te sturen naar het land van herkomst, dan wel de eigen regio,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Emiel van Dijk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 29 (35570-VI).

De heer Emiel van Dijk (PVV):
Tot slot de laatste motie. Die is eigenlijk ook de meest logische, want dweilen met de kraan open helpt niet. We moeten de grenzen sluiten. Alleen op die manier kun je orde op zaken stellen binnen je eigen land. Alles wat je daarbuitenom doet, is pappen en nathouden en zet geen zoden aan de dijk. Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering om de Nederlandse grenzen te sluiten voor asielzoekers en reguliere migranten uit islamitische landen om zo te voorkomen dat migranten ongecontroleerd ons land binnenkomen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Emiel van Dijk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 30 (35570-VI).

Ik zie u staan. Een korte vraag over een motie. De heer Azarkan.

De heer Azarkan (DENK):
Ik heb een vraag over de sancties tegen Marokko, dat, zoals de heer Van Dijk zelf zei, vervelende Marokkanen niet terugneemt. Zijn dat handelssancties? Wat bedoelt hij?

De heer Emiel van Dijk (PVV):
Wat mij betreft mogen dat alle sancties zijn, van handelssancties tot het intrekken van vliegrechten en het land uitschoppen van de Marokkaanse ambassadeur. Hoe creatief de staatssecretaris daarin is, laat ik aan haar, maar alles wordt door ons verwelkomd.

De voorzitter:
Tot slot.

De heer Azarkan (DENK):
Dat is natuurlijk heel makkelijk gezegd. De praktijk is dat we voor 1,1 miljard naar Marokko uitvoeren. Daar profiteert ook de achterban van de heer Van Dijk van. We halen ongeveer voor een half miljard binnen, dus dat betekent dat we per saldo een positieve handelsbalans van ongeveer een half miljard tot 600 miljoen hebben. Dat betekent dus dat we dan aan onze boeren moeten gaan uitleggen: dat gaan allemaal niet door. Want we exporteren heel veel naar Marokko. Hoe gaan we dat uitleggen aan onze boeren, meneer Van Dijk?

De heer Emiel van Dijk (PVV):
Dat gaan wij heel makkelijk uitleggen. We zetten al die vervelende en lastige Marokkanen het land uit die nu voor overlast en criminaliteit zorgen. Daar is politie-inzet voor nodig, omdat winkeliers bestolen en vrouwen geïntimideerd worden. Maar die krijgen hun vrijheid terug, die krijgen hun veiligheid terug en die houden hun goederen die nu door lastige Marokkanen uit hun winkels gejat worden. We hebben het debat daarover gevoerd hier. Dat is een hele goede motivatie om naar sancties te gaan kijken. Ik laat het aan de staatssecretaris om daar creatief mee om te gaan. Dat betekent niet dat we 1 miljard aan handelsoverschot, waar u aan refereert, in een keer weg hoeven te gooien, maar we moeten er zeker wel naar kijken.

De voorzitter:
Hoeveel moties heeft u nog?

De heer Emiel van Dijk (PVV):
Dit was het, voorzitter.

De voorzitter:
Oké, dank u wel. O, mevrouw Helder heeft nog een klein punt.

Mevrouw Helder (PVV):
Voorzitter, ik was in de haast vergeten te zeggen dat mijn derde motie is medeondertekend door collega Wilders.

De voorzitter:
Die gaan we wijzigen. Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Becker namens de VVD. Mevrouw Helder, hoe kunt u meneer Wilders vergeten!

Mevrouw Becker (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Dank aan de leden van het kabinet, en op mijn portefeuille met name natuurlijk dank aan de staatssecretaris voor haar antwoorden. Onze vrije en veilige samenleving is het verdedigen waard. We moeten daarom werken aan een strenger Europees asielstelsel, zo zei ik ook in eerste termijn. Maar ondertussen moeten we ook zelf klaar zijn om ons land vrij en veilig te houden. Ik ben blij met de antwoorden van de staatssecretaris. Zij zegt ook de noodzaak van een versterking van Schengen in te zien en daarmee bezig te zijn met andere landen. Begin 2021 komt er een Schengenstrategie van de Europese Commissie, zo schrijft de staatssecretaris. Ik ben zeer benieuwd. Ik hoop dat het kabinet de optie van een mini-Schengen daarbij in het achterhoofd wil houden en wil verkennen met andere lidstaten. Verder lijkt het mij goed als we als land scherp hebben hoe we, als dat nodig is, ook grip kunnen houden op onze grenzen. Maar om dit alles nog wat kracht bij te zetten, wil ik de volgende motie indienen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet primair inzet op een sterker Europees asielstelsel maar in een onverhoopte nieuwe migratiecrisis het huidige Europese asielstelsel onvoldoende soelaas biedt;

verzoekt de regering met gelijkgezinde omringende landen te werken aan een sterker Schengen;

verzoekt de regering tevens in kaart te brengen wat nodig en wenselijk is om als Nederland in crisistijd grip te houden op de eigen grens,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Becker. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 31 (35570-VI).

De voorzitter:
De heer Emiel van Dijk heeft een korte vraag.

De heer Emiel van Dijk (PVV):
Is dit nou dat geweldige plan over het sluiten van onze grenzen dat gisteren door de VVD met veel bombarie in allerhande media werd gepresenteerd, van het AD tot Wakker Nederland en weet ik veel welke journalist die het ook maar wilde horen? Is dit nou dat geweldige plan? Dit is toch niks?

Mevrouw Becker (VVD):
Dit is de tweede termijn van een debat. Daarin hebben we de gelegenheid om in een aantal zinnen een motie in te dienen. Ik heb dat plan gisteren uitgebreid toegelicht en gepresenteerd, en de heer Emiel van Dijk heeft, als hij dat wil, het artikel ook kunnen lezen. Dus het plan bevat meer dan wat ik hier nu zeg. Ja, dit is wat ik verzoek aan het kabinet: onderzoeken wat er nodig zou zijn et cetera. Ik heb het net voorgelezen, dus zal ik het niet nog een keer doen. Maar het plan dat ik gisteren heb gepresenteerd, is inderdaad nog steeds het plan dat de VVD nastreeft. We krijgen nu de gelegenheid om het kabinet in lijn daarmee om iets te verzoeken, en dat doe ik dus.

De voorzitter:
Tot slot, meneer Van Dijk.

De heer Emiel van Dijk (PVV):
Dan is het duidelijk. Dan weet ik dus dat de VVD gewoon weer een lege huls de media in heeft geschoten en niet met daadwerkelijke actie komt, maar met een verzoekje in de trant van "kunt u hier eens naar kijken?". De staatssecretaris heeft al in haar beantwoording aangegeven: dat kon in 2017 al, dat doen we eigenlijk al. Het is dus niks nieuws wat de VVD hier presenteert, alleen maar een losse verkiezingsflodder.

Mevrouw Becker (VVD):
De heer Emiel van Dijk heeft mij mijn motie horen voorlezen en heeft nog niet eens het antwoord van de staatssecretaris gehoord, maar toch trekt hij alweer de conclusie dat het allemaal niets is. Maar goed, dat deed hij ook gisteren al, aan het begin, in zijn eigen bijdrage, nog voordat hij mij gehoord had. Het zal er bij de PVV helaas altijd bij blijven dat het niet zozeer gaat om de inbreng van eigen ideeën, maar altijd om het affakkelen van die van een ander. Dat mag, maar het is wel jammer.

De voorzitter:
Gaat u verder.

Mevrouw Becker (VVD):
Ja, voorzitter, dat ga ik zeker doen. Bij een rechtvaardig asielstelsel hoort dat mensen die hier niet mogen blijven, daadwerkelijk vertrekken. Daar hebben we het ook uitgebreid over gehad met de staatssecretaris. Ook zij zegt dat dit van wezenlijk belang is. Wat de VVD betreft betekent dit ook dat illegaliteit niet mag lonen. Helaas gebeurt dat in sommige gemeenten nu wel. We zien dat afspraken te vaak niet worden nagekomen, ook rond de landelijke vreemdelingenvoorziening. Daar maken wij ons wel grote zorgen over. Daarom wil ik de volgende motie indienen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat meerdere gemeenten bij de lvv-convenanten afspraken schenden door bijvoorbeeld uitgezonderde vreemdelingen toe te laten of illegalen op te vangen waarvoor een landelijke voorziening is;

verzoekt de regering gemeenten die de lvv-convenantafspraken niet nakomen, in verzuim te stellen en de Kamer daar in februari 2021 over te informeren, zodat de Kamer, indien het verzuim niet is hersteld, de financiering kan stoppen of de relatie met de verzuimende gemeente kan laten beëindigen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Becker en Van Toorenburg. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 32 (35570-VI).

Mevrouw Becker (VVD):
Tot slot datgene waarmee ik ook mijn inbreng in de eerste termijn beëindigde. Bij een vrije samenleving hoort ook dat we onderdrukking geen ruimte bieden. Vandaar dat we de intolerantie en de praktijken die we op dit moment zien in asielzoekerscentra richting de mensen van de lhbti-gemeenschap — een mevrouw werd zelfs overgoten met kokend water omdat zij lesbisch is — echt niet moeten accepteren. Daarom zal ik met de collega's, de vrienden van de coalitie — dat mag ook weleens gezegd worden — een motie indienen waar ik volledig achter sta om ervoor te zorgen dat we geweld tegen deze doelgroep, maar ook mensen die vanwege hun geloof worden aangevallen, harder gaan aanpakken en ook beter gaan registreren. Daar sta ik van harte achter.

We zullen samen met de heer Jasper van Dijk ook een motie in stemming laten brengen om echt te onderzoeken of we huwelijkse uitbuiting beter strafbaar kunnen stellen dan op dit moment het geval is. Vrouwen die in een benarde situatie thuiszitten en gebruikt worden als huisslaaf; ik heb het daar in mijn eerste termijn over gehad. Ook dat moet niet kunnen, maar dat wordt wat ons betreft op dit moment toch nog te weinig in het Wetboek van Strafrecht geborgd. Daar zouden we graag een onderzoek naar willen.

Ik zie dat de heer Emiel van Dijk popelt om ook hiervan weer te zeggen dat het allemaal onzin is. Dus voorzitter, ik ga mijn mond houden.

De voorzitter:
Gaat het over een motie, meneer Van Dijk?

De heer Emiel van Dijk (PVV):
Het gaat inderdaad over de laatste motie. We hebben anderhalve maand geleden een motie ingediend die erop ziet dat we de vergunning intrekken van mensen die geweld tegen homoseksuelen of lesbiennes plegen in asielzoekerscentra of die gefraudeerd hebben met hun geaardheid en op basis daarvan een vergunning hebben gekregen, of dat we hen het land uitzetten. Waarom stemt de VVD daartegen als zij zich zo betrokken voelt bij de mensen die hier de dupe van zijn, juist van dit beleid, van het niet aanpakken van mensen?

Mevrouw Becker (VVD):
Dit is wat er steeds gebeurt, hè? Dan komt de PVV naar voren en dan zegt de PVV: ja, eigenlijk vindt de VVD wat de VVD hier zegt helemaal niet zo belangrijk, want kijk maar, ze hebben niet voor mijn motie gestemd. Maar dan moet de heer Emiel van Dijk daar eerlijk bij zeggen — maar dat zal ik nu dan weer doen — dat die moties van hem heel vaak niet rechtsstatelijk zijn, want hij wil dat we al deze asielzoekers het land uitzetten, terwijl we dat natuurlijk niet kunnen doen als ze uit een onveilig land komen. Daar heb ik hem gisteren ook op gewezen. Dat is het principe van non-refoulement. De VVD wil zich wel graag houden aan internationale verdragen. De VVD wil zich houden aan de wetgeving. De PVV laat zich daar niet zoveel gelegen liggen. Ik zou inderdaad het liefst hebben dat we ze allemaal de vergunning kunnen ontnemen, het land kunnen uitzetten en ze de vergunning niet kunnen geven, maar er zijn ook rechtsregels. Daarom hebben wij deze staatssecretaris gevraagd: als dat nou niet kan, ga dan kijken wat voor sancties wel mogelijk zijn, bijvoorbeeld het doen van aangifte. Daar heeft de staatssecretaris een toezegging op gedaan om dat ook te gaan doen.

De voorzitter:
Dit is de tweede termijn.

Mevrouw Becker (VVD):
Zo krijg je dingen voor elkaar in plaats van alleen maar makkelijk dingen te roepen die niet kunnen.

De voorzitter:
Tot slot.

De heer Emiel van Dijk (PVV):
Ik denk dat al die asielzoekers die kokend water over mensen gooien vanwege hun geaardheid, echt op hun stoel zitten te bibberen, want er kan aangifte gedaan worden. Nou, poeh, poeh. Wat er moet gebeuren, is dat je die mensen met pek en veren het land uitgooit. Je moet hier geen slappe praatjes houden van: we gaan ze blijven pamperen en we gaan ze hier onderdak bieden, en wat de PVV wil met die motie is onrechtstatelijk. Dat is namelijk het nieuwste trucje van de VVD. Alles wat wij willen en wat nog niet in de wet gegoten is, mogen wij als Kamer niet vragen, want blijkbaar zijn wij geen medewetgever. Ik stel dus het volgende voor. Als er wetten zijn die ons belemmeren om dit soort geteisem, dat mensen verminkt, het land uit te zetten, ga dan eens werken aan het wijzigen van die wet — u zit als VVD in de regering — in plaats van u daarbij neer te leggen en te zeggen dat die mensen aangifte kunnen doen. Want dat helpt die mensen niet.

De voorzitter:
De heer Van Ojik. Over de moties, hè.

De heer Van Ojik (GroenLinks):
Nou, voorzitter, meer nog een algemene vraag aan mevrouw Becker, als dat mag.

De voorzitter:
Nee, dit is echt een tweede termijn. U kunt echt alleen over de moties vragen stellen. Nou ken ik u; u gaat nu naar aanleiding van de moties een algemene vraag stellen.

De heer Van Ojik (GroenLinks):
Naar aanleiding van de moties heb ik nog een vraag aan mevrouw Becker! Een belangrijk deel van het debat is gegaan over de kwestie van de wachttijden bij de IND. Mevrouw Becker heeft daar in haar tweede termijn niet zozeer iets over gezegd, maar ik wil haar toch vragen welke conclusie zij nou trekt. We hebben de staatssecretaris nu uitgebreid gehoord en ook veel fracties hebben daarover gesproken. Welke conclusie trekt zij nou uit het feit dat de staatssecretaris begin november nog tegen de Kamer heeft gezegd "we doen er alles aan om die 15.000 te halen", terwijl we twee weken later te horen krijgen dat er van die taakstelling van 15.000, 7.000 is gerealiseerd. Ik heb gezegd dat de staatssecretaris de regie kwijt is. Welke conclusie trekt mevrouw Becker uit deze gang van zaken?

Mevrouw Becker (VVD):
Die conclusie trek ik absoluut niet uit de beantwoording van de staatssecretaris. Volgens mij heeft de staatssecretaris vrij snel na haar aantreden gezegd: ik wil weten hoe het gaat bij de IND; ik laat daar een managementonderzoek naar doen en ik zet er vervolgens een taskforce op en ik ga er keihard met die taskforce aan werken om die doelstelling te halen. Op het moment dat zij wist dat ze die doelstelling niet ging halen, heeft zij de Kamer daarover geïnformeerd. Dat heeft ze zojuist aan ons verteld en dat vind ik een goede manier om daar politieke regie op te voeren. Ik ben teleurgesteld dat het niet sneller lukt, maar ik denk dat we er nu met z'n allen naar moeten streven om het wel te laten lukken, en de IND niet te belasten met zaken die onnodig zijn of die onnodige dubbelingen opleveren in de processen. We gaan bijvoorbeeld de gehoren in de toekomst samenvoegen en we gaan stoppen met de mogelijkheid van dwangsommen. Dat zijn allemaal dingen die ik ook belangrijk vind en die we wel hebben weten te regelen, ook dankzij deze staatssecretaris.

De voorzitter:
Meneer Jasper van Dijk, ook voor een korte vraag. Ik voel namelijk aan dat jullie het debat opnieuw gaan voeren en dat is niet de bedoeling. Dat hebben we gehad.

De heer Jasper van Dijk (SP):
Ik ben altijd superkort. Ik vind de manier waarop mevrouw Becker Emiel van Dijk van zich af slaat briljant. Daarin ben ik het ook honderd procent met haar eens. Maar hier slaat ze dan weer door in haar verdediging, want de heer Van Ojik stelt natuurlijk een zeer terechte vraag. Waarom reflecteert u niet wat eerlijker op dit punt van het beleid? "Teleurgesteld", dat kwam eruit. Maar de staatssecretaris heeft op dit punt gefaald. Ze heeft een belofte gedaan en ze heeft een taskforce ingesteld, en de belofte is niet nagekomen. Die is gebroken. Op 1 januari zijn er nog steeds 7.000 gevallen. Heeft de staatssecretaris op dit punt gefaald? Dat is het enige wat ik vraag aan mevrouw Becker. Het zou haar betoog veel sterker maken als zij dit zou erkennen.

Mevrouw Becker (VVD):
Nee. Kijk, als de heer Jasper van Dijk vraagt om reflectie, verwijs ik naar wat ik in mijn eerste termijn heb gezegd. Wij hebben het de IND als politiek collectief heel moeilijk gemaakt in de afgelopen jaren. Daarvoor steek ik ook de hand in eigen boezem. We hebben de financiering niet goed op orde gehad. We hebben die jaar op jaar niet goed op orde gehad. Gelukkig hebben we dat bij Voorjaarsnota kunnen repareren, maar dat lukt niet van de ene op de andere dag. Deze staatssecretaris trof een IND aan die nog in herstel was en die nog mensen moest aannemen, die ook nog expertise moesten opbouwen, wat ook niet van de ene op de andere dag lukt. Toen heeft ze gezien dat het in de processen niet altijd efficiënt genoeg werkte bij de IND. Toen heeft ze daar een taskforce op gezet en heeft ze onderzoek laten doen, en nu informeert ze de Kamer: ik vind het heel jammer, maar alle inspanningen ten spijt gaat het me niet op tijd lukken. Dat vind ik leiderschap. Dat vind ik heel goed van de staatssecretaris en ik heb er alle vertrouwen in dat het de IND gaat lukken met hoe zij er nu bovenop zit. Ze zegt hier vandaag ook nog iets anders. Ze zegt dat ze ook vindt dat we het de keten verplicht zijn om ervoor te zorgen dat we die gaan doorlichten en dat we dat onafhankelijk laten doen, omdat we problemen in de toekomst willen voorkomen. Kijk, dat is vooruitzien! Dat is regeren! Ik heb daar alle vertrouwen in. Dat is dus niet makkelijk van mij afslaan! Dat is gewoon een gedegen antwoord van de staatssecretaris over gedegen beleid dat ik van harte verdedig.

Nou, dat was een toelichting op mijn moties, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Becker. Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Yeşilgöz-Zegerius namens de VVD.

Mevrouw Yeşilgöz-Zegerius (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Dank aan de bewindspersonen voor de uitgebreide beantwoording en de vele toezeggingen waardoor we het nu ook allemaal wat korter kunnen houden en elkaar nog wel weten te vinden. Ook heel veel dank aan heel veel collega's hier. We hebben samen kunnen laten zien dat we bereid zijn om voor onze vrijheden te staan en dat we het op heel veel onderdelen met elkaar eens zijn. Dat is ook ontzettend belangrijk.

Voorzitter. De afgelopen jaren hebben we forse stappen gezet als het gaat om het veiliger en vrijer maken van ons land. Ik kijk ernaar uit om dat te blijven doen, want er komen een heleboel nieuwe uitdagingen op ons af. Een aantal hebben we al besproken. En kijk ook naar de corona-uitdagingen. Op heel veel vlakken in onze samenleving brengen die heel veel problemen met zich mee, ook als het gaat over de veiligheid. Ik ben dus blij dat de regering, dit kabinet, aandacht heeft voor de georganiseerde misdaad die nu kansen ziet als het gaat om corona, de crisis en de economische moeilijkheden die mensen nu meemaken en als het gaat om het stijgen van cybercrime.

In relatie daarmee het volgende. Ik ben daar gisteren niet over begonnen, want het heeft niet zo heel veel direct met de begroting te maken. Wij krijgen vandaag berichten vanuit verschillende fracties in het land, met name in het zuiden. In verband met de jaarwisseling vragen zij of het mogelijk is om eerder duidelijkheid te geven over de handhaving van illegaal vuurwerk. We hebben dit jaar gezegd: we gaan helemaal geen vuurwerk doen, vooral om onze agenten en zorgmensen te ontzien. Die fracties vinden half december duidelijkheid krijgen heel erg laat. Is het dus mogelijk om daar eerder duidelijkheid over te geven? Die vraag wilde ik hier toch even stellen. Dank dat dat mocht, voorzitter.

Dan concreet: ik heb vier moties die allemaal om belangrijke zaken vragen. Maar ze zijn niet ongedekt, zoals de PVV zojuist deed: dit zijn mijn wensen, regel het! Ik heb geprobeerd om de moties zo te formuleren dat we daadwerkelijk stappen kunnen zetten. In de korte schorsing van net heb ik niet alle collega's kunnen vragen of ze het een goed idee vinden en hun naam daaronder willen zetten, dus tegen collega's die er best onder hadden willen staan, zeg ik: wees welkom.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de afgelopen jaren meermaals mensen ernstig bedreigd en in sommige gevallen zelfs vermoord zijn die betrokken waren bij grote strafprocessen;

constaterende dat een goede veiligheidsanalyse en beveiliging van alle betrokkenen cruciaal is binnen een rechtsstaat;

overwegende dat een onafhankelijke commissie het stelsel bewaken en beveiligen gaat beoordelen en met voorstellen komt om het toekomstbestendig te maken;

verzoekt de regering in de onderzoeksopdracht expliciet aandacht ook te besteden aan onderzoek naar de veiligheidsanalyse en beveiliging rond recente strafprocessen, waaronder Marengo, en naar de huidige taakverdeling tussen verschillende diensten waaronder de NCTV,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Yeşilgöz-Zegerius, Van Toorenburg en Groothuizen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 33 (35570-VI).

Mevrouw Yeşilgöz-Zegerius (VVD):
Voorzitter. Dan heb ik twee moties die gaan over de persvrijheid. De eerste gaat over de freelancejournalisten. Die hebben we net in het debat voorbij zien komen. Ik ga dat toch benadrukken met een motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat journalisten in toenemende mate te maken krijgen met serieuze, mogelijk vrijheidsbeperkende bedreigingen;

overwegende dat freelancejournalisten geen opdrachtgever achter zich hebben staan die hen daarbij (financieel) kan ondersteunen en zij daardoor het gevoel hebben er alleen voor te staan en mogelijk ervoor kunnen kiezen om verhalen niet te brengen vanwege deze risico’s;

overwegende dat dit de persvrijheid in gevaar brengt;

verzoekt de regering uiterlijk begin februari 2021, onder andere samen met PersVeilig en nieuwsorganisaties/uitgeverijen te onderzoeken hoe freelancejournalisten (financieel) ondersteund kunnen worden bij het nemen van benodigde voorzorgsmaatregelen en/of beveiligingsmaatregelen na bedreiging, bijvoorbeeld door het samen met betrokken partijen realiseren van een voorziening in beheer van PersVeilig en hieraan een relevante bijdrage te leveren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Yeşilgöz-Zegerius, Van Toorenburg, Van der Graaf, Buitenweg en Van Beukering-Huijbregts.

Zij krijgt nr. 34 (35570-VI).

Gaat u verder.

Mevrouw Yeşilgöz-Zegerius (VVD):
Voorzitter. De tweede motie gaat ook over de vrijheid van pers.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de journalistiek een cruciale rol vervult in de Nederlandse democratie en vrije samenleving;

overwegende dat journalisten in toenemende mate te maken krijgen met serieuze, vrijheidsbeperkende, bedreigingen waarmee zij in de uitvoering van hun werk worden beperkt en dat een centraal meldpunt bij de politie voor de zwaarste gevallen ontbreekt;

constaterende dat er voor bedreigde politici een apart team is van de regionale recherche van politie-eenheid Den Haag;

verzoekt de regering voor de veiligheid van journalisten een gelijkwaardig aanspreekpunt aan het Team Bedreigde Politici te realiseren voor de zwaardere categorie bedreigde journalisten, zodat er altijd een aanspreekpunt is bij de politie voor deze mensen, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Yeşilgöz-Zegerius, Van Toorenburg, Buitenweg en Groothuizen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 35 (35570-VI).

Mevrouw Yeşilgöz-Zegerius (VVD):
Voorzitter. U hoort mij al twee dagen over de vrijheid van pers en voor journalisten praten. In mijn eerste termijn heb ik ook de cartoonisten genoemd, maar onder anderen columnisten vallen daar natuurlijk ook onder. We hebben hier in huis verschillende debatten gehad, bijvoorbeeld bij een wetsvoorstel, over bronbescherming. Toen hebben we uitvoerig met elkaar kunnen debatteren en kunnen uitwisselen dat journalisten geen beschermde en afgebakende beroepsgroep vormen. Dat maakt het voor ons hier soms lastig om erover te spreken, maar ik hoop dat we bij de uitwerking van deze plannen gewoon terug kunnen grijpen op de eerdere debatten die we hebben gehad, ook naar aanleiding van wetsvoorstellen. Daarbij hebben we toch met elkaar een soort van afbakening kunnen vinden waarover ook de beroepsgroep zelf zegt daarmee te kunnen leven. Dat wilde ik nog even toevoegen als context.

Voorzitter. Dan heb ik er nog een, en die gaat over mensen die zich bijvoorbeeld bij de Kamer van Koophandel inschrijven en graag zouden willen dat hun huisadres, als ze dat daarbij opgeven, niet zichtbaar is. Ik zei het ook gisteren in eerste termijn. Wij hebben echter berichten ontvangen van mensen die in zeer ernstige veiligheidssituaties terecht zijn gekomen, omdat hun gegevens gewoon opgezocht kunnen worden. In het antwoord van het kabinet, van de regering, van gisteren zie ik staan: dat is lastig, maar dat is nu eenmaal zo. Even heel plat gezegd, als dat zo mag: ik denk niet dat het verdienmodel van de Kamer van Koophandel voor mag gaan op de veiligheid van de mensen die daar ingeschreven staan. Ik heb daar dus een motie voor.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat bedreiging en intimidatie toenemen en dat deze bedreigingen ook aan het huisadres worden geuit;

overwegende dat dit zeer ingrijpend is en gevolgen heeft voor optreden van de bedreigde in de publieke ruimte;

constaterende dat adresgegevens in openbare registers makkelijk vindbaar zijn en pas volledig beperkt kunnen worden in het stelsel bewaken en beveiligen;

verzoekt de regering openbare registers waarin huisadressen — of aan een onderneming gekoppeld huisadres — voorkomen, zo af te schermen dat deze alleen door het bevoegd gezag kunnen worden ingezien;

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Yeşilgöz-Zegerius, Van Toorenburg en Buitenweg. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 36 (35570-VI).

Mevrouw Yeşilgöz-Zegerius (VVD):
Ik heb wel heel veel moties. Ik val er een beetje over, voorzitter. Dat was 'm dan.

De voorzitter:
Een korte vraag van de heer Van Nispen.

De heer Van Nispen (SP):
Volgens mij zijn dit hele goede moties, als ik dat zo hoor. Anders dan beloofd zit daar geen dekking in, maar goed, dat is allemaal nog tot daaraan toe. Er waren nog meer wensen van de VVD in dit debat, onder andere over extra agenten. Er worden ook verkiezingsbeloftes genoemd: betere aanpak van de georganiseerde criminaliteit et cetera. Het zijn terechte wensen. Nou heeft de SP wel tien verschillende amendementen ingediend, voor investeren in de politie, voor investeren in het Openbaar Ministerie, investeren in de Autoriteit Persoonsgegevens, de privacywaakhond, noem het maar op. Daar hebben we best wel werk in zitten. Het zijn tien voorstellen. Nou kan ik mij zomaar voorstellen dat de VVD die niet gaat steunen. Ik hoor het graag als dat anders is. Daar zit allemaal dekking in. Die gaat over het niet juridisch verplichte deel van artikel 36 en hetzelfde van artikel 33, over de inhuur van externen. Maar we kijken ook buiten het ministerie, bijvoorbeeld naar het verhogen van de bankenbelasting of het afschaffen van een niet-effectieve subsidie voor het bedrijfsleven.

De voorzitter:
En de vraag?

De heer Van Nispen (SP):
Mevrouw Yeşilgöz-Zegerius suggereerde in haar eerste termijn dat voorstellen ongedekt waren, maar dat is niet het geval. Nou is dus mijn vraag aan mevrouw Yeşilgöz-Zegerius: als u dit nou allemaal niet gaat steunen, vond u dan werkelijk dat de begroting van dit ministerie, van deze minister en van deze staatssecretaris, perfect was en dat er echt geen komma meer aan hoefde te veranderen? Want ik heb eigenlijk nog geen enkel voorstel vanuit de hele coalitie gezien om daar ook maar een komma aan te wijzigen.

Mevrouw Yeşilgöz-Zegerius (VVD):
Ten eerste: al mijn moties kunnen gewoon uitgevoerd worden zoals ik ze heb geformuleerd. Wij zetten echt hele duidelijke stappen richting het beter beschermen van bijvoorbeeld journalisten, het beter beschermen van advocaten, het beter beschermen van rechters en officieren. Daar zit dus heel veel werk in. Ik ben blij dat ik ze hier heb kunnen neerleggen en ik hoop op steun. Ik dacht dat het de SP was, maar nu kan ik mij vergissen, dat ook amendementen liet rondgaan met "laten we dit doen" en "het verdient zichzelf wel terug". Maar misschien was het een collega van de heer Van Nispen. Ik verwees er ook gisteren naar dat ik dat soort amendementen ook heel graag zou willen indienen, maar we weten dat het niet zo werkt.

Als laatste, ik zal de amendementen van de SP ook goed bestuderen. Ik weet dat we op een aantal dossiers echt hetzelfde vinden. Ik was net vergeten te zeggen via u, voorzitter, dat we zelfs samen ook een motie gaan indienen. Als die dekking deugt, dan vinden we elkaar. Ik heb gezegd, bijvoorbeeld als het gaat over mijn eigen plan aanpak antisemitisme, dat ik het met de invulling van het kabinet niet een-op-een eens ben, maar wel benieuwd ben naar de effectmeting en hoe die uitpakt. Dus als u mij vraagt "is de begroting helemaal perfect zoals jij het zelf zou verzinnen als jij die mocht schrijven", dan weet ik dat niet. Ik heb er ontzettend veel vertrouwen in wat er wordt gedaan en ik ben vooral heel erg trots op wat we tot nu toe met elkaar hebben kunnen bereiken in hele moeilijke tijden.

De voorzitter:
Dank u wel. Was u klaar?

Mevrouw Yeşilgöz-Zegerius (VVD):
Ja.

De heer Van Nispen (SP):
Mevrouw Yeşilgöz daagt mij uit.

De voorzitter:
Ze reageert op u. Een korte reactie.

De heer Van Nispen (SP):
Voorzitter. Die amendementen liggen er al een week. Daar had mevrouw Yeşilgöz-Zegerius zich allang een oordeel over kunnen vormen. Negen amendementen zijn tot in de puntjes gedekt. Eén daarvan zegt inderdaad "dat verdient zichzelf terug". Dat is niet zo raar. Dat gaat om het meer afpakken van misdaadgeld, en het was nota bene een minister van de partij van mevrouw Yeşilgöz-Zegerius die heeft uitgerekend dat als je er een euro in investeert, je drie euro terugverdient. Nou kan mevrouw Yeşilgöz-Zegerius zeggen: wat de heer Opstelten toen heeft gezegd, klopt van geen kant. Dat was wel vaker zo met uitspraken van toenmalig minister Opstelten. Maar dit staat keurig in een voetnoot. Dus kom nou niet aan met dat dit niet te beoordelen is, of dat het niet gedekt is. Dat is gewoon niet waar. Als u ertegen gaat stemmen, prima, maar zeg dat dan gewoon eerlijk. Zeg dan gewoon: wij wijzigen helemaal niks, maar dan ook niks aan de begroting van dit ministerie, want het was gewoon perfect en wij willen dus geen extra investeringen in de politie, geen extra investeringen voor de aanpak van georganiseerde criminaliteit enzovoorts.

De voorzitter:
Dan heeft u uw punt gemaakt.

Mevrouw Yeşilgöz-Zegerius (VVD):
Voorzitter. Dan maak ik hem ook even. Wij hebben afgelopen vier jaar bijna een miljard extra geïnvesteerd in veiligheid. Dat is een. Dat ik het op inhoud wel eens ben, maar het niet eens kan zijn met de dekking is twee. Dus dat betekent niet dat ik vervolgens zeg: het is helemaal af, we hoeven niks meer te doen. Ik sta hier al twee dagen eigen voorstellen in te dienen en we kunnen het oneens zijn over de dekking.

En mijn laatste punt is dat het handiger is om niet iets uit te geven wat je niet hebt. Dat heb ik als puber al geleerd, tijdens mijn vakanties naar Ibiza. Dat is niet goed, want uiteindelijk komen ze het geld toch weer halen. Dus je moet eerst het geld hebben om het dan uit te kunnen geven en te kunnen investeren. Dus je kunt niet zeggen: ik ga nu iets uitgeven en ik hoop dat het zich terugverdient. Zo werkt de wereld niet.

De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Yeşilgöz. Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Buitenweg namens GroenLinks. Gaat uw gang.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Op dit laatste begrotingsdebat heb ik minister Grapperhaus ook horen reflecteren. Daarbij bedankte hij ook zijn ambtenaren. Ik denk dat dat goed is om af en toe te doen. Niet alles gaat goed, maar het is ook wel goed om de mensen die hard werken te bedanken voor hun commitment om de dingen die wij proberen voor elkaar te brengen, tot iets te brengen.

Hij zei ook: ik ben nog niet klaar. Dat hoop ik ook, niet zozeer omdat ik hoop dat het kabinet lang in het zadel blijft, maar wel omdat er tot aan de verkiezingen ook echt een aantal zaken zijn. Eerder hebben we ook natuurlijk in andere debatten gesproken over, bijvoorbeeld, stalking. Ik weet dat hij daar ook erg mee bezig was voordat de coronacrisis begon. Ik hoop dat hij het kan opbrengen om ook voor zulke zaken nog steeds de aandacht te blijven opbrengen.

Dan de kinderporno. Daar hebben wij een amendement over ingediend. De minister zegt dat hij komt met een brief. Dan hoop ik dat in die brief ook duidelijk wordt hoe de toename van het aantal meldingen zich nou verhoudt tot het aantal mensen dat we erop hebben zitten, want ik zie een vertienvoudiging van het aantal meldingen en een constante in het aantal fte dat dit moet aanpakken. Om die reden houd ik wel dit amendement, dat een kleine druppel op de plaat zal zijn, en hoop ik van de collega's dat zij dit toch gaan steunen.

We gaan onder andere ook spreken over de beveiliging. Collega Yeşilgöz-Zegerius had het daar ook over. Ik deel al die zorgen die zij had, ook over de Kamer van Koophandel en dergelijke. Daar heb ik het ook in mijn inbreng over gehad. Ik hoop dat wanneer we de technische briefing hebben we echt gaan kijken hoe we anderen dan alleen journalisten en columnisten, dus bijvoorbeeld ook directeuren van maatschappelijke organisaties en dergelijke, ook kunnen helpen. Dan de deep nudes. Laat ik daarover gewoon een motie voorlezen.

De voorzitter:
Ja, een goed idee.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat via kunstmatige intelligentie foto's en video's zodanig bewerkt kunnen worden dat het lijkt alsof mensen er naakt op staan, of in een pornovideo figureren;

overwegende dat verspreiding van dergelijke deep nudes vernederend, schadelijk en intimiderend kan zijn wanneer dit gebeurt tegen de wens in van de afgebeelde personen;

overwegende dat momenteel onduidelijk is of het Wetboek van Strafrecht voldoende aanknopingspunten biedt om makers en verspreiders van ongewenste deep nudes te vervolgen, en dat in verschillende landen, waaronder de Verenigde Staten, wetgeving wordt ontwikkeld om deep nudes en andere deepfakes beter te reguleren;

verzoekt de regering met spoed een strategie te ontwikkelen om de productie en verspreiding van ongewenste deep nudes tegen te gaan, waarbij gekeken wordt naar mogelijke aanpassingen van het Wetboek van Strafrecht, naar voorwaarden om een goede naleving af te dwingen en ook naar het eventueel stellen van producteisen, zoals de verplichting om bij deepfakes kenbaar te maken dat het een bewerking betreft,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Buitenweg en Van Toorenburg. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 37 (35570-VI).

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Ik heb ook een motie ten aanzien van cyberveiligheid. Die wilde ik eerst toelichten, maar dan kom ik tijdnood.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid waarschuwt dat onze sterk gedigitaliseerde samenleving kwetsbaar is voor digitale ontwrichting;

overwegende dat vitale processen in de Nederlandse samenleving in hoge mate afhankelijk zijn van digitale producten en diensten van buitenlandse private ondernemingen;

overwegende dat het belangrijk is om te weten van welke partijen we precies afhankelijk zijn, zowel om risico’s vooraf in kaart te brengen, als om effectief te kunnen handelen ten tijde van een crisis;

overwegende dat de verantwoordelijkheid voor het in kaart brengen van deze afhankelijkheden nu vooral ligt op het niveau van individuele organisaties, maar dat er geen overkoepelend beeld bestaat van de optelsom van al die individuele afhankelijkheden;

verzoekt de regering om inzichtelijk te krijgen, bijvoorbeeld via een cyberafhankelijkheidsbeeld of anderszins, van welke partijen, digitale processen en diensten het functioneren van vitale processen in de Nederlandse samenleving afhankelijk is, met inachtneming van het vertrouwelijke karakter behorende bij deze processen en infrastructuren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Buitenweg en Yeşilgöz-Zegerius. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 38 (35570-VI).

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Ik sluit af met een korte vraag. We hadden het over antisemitisme. Ik zie dat er een nieuwe VN-campagne tegen antisemitisme is. Daar doen twaalf EU-lidstaten aan mee, maar Nederland heeft zich daar nog niet voor aangemeld. Misschien kunnen we dit gebruiken om daar wat tekst en uitleg over te krijgen.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Buitenweg. Kom maar. We geven uw motie aan de griffier. Dan geef ik nu het woord aan de heer Van Ojik, ook namens de fractie van GroenLinks.

De heer Van Ojik (GroenLinks):
Dank u wel, voorzitter. Dank aan, in mijn geval, vooral de staatssecretaris voor de uitgebreide beantwoording van de vragen. Ik maak me zorgen over de regie bij en over de IND. Zoveel is volgens mij wel duidelijk geworden. Daarom denk ik dat het belangrijk is dat de Kamer zich uitspreekt over een duidelijke datum waarop de wachtlijsten opgelost moeten zijn. Vandaar de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de IND er aanhoudend niet in slaagt om de afhandeling van asielverzoeken binnen de daarvoor gestelde wettelijke termijnen af te ronden;

overwegende dat asielzoekers onacceptabel lang moeten wachten op zekerheid over hun toekomst en de COA-opvang onnodig zwaar wordt belast;

verzoekt de regering er zorg voor te dragen dat uiterlijk op 1 juni 2021 de achterstanden bij de IND volledig zijn weggewerkt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Ojik, Jasper van Dijk en Moorlag. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 39 (35570-VI).

De heer Van Ojik (GroenLinks):
Voorzitter. Ik had gezegd dat er ook goed nieuws is. De brief van de burgemeesters noemde ik als voorbeeld. Vandaar de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de burgemeesters van Nijmegen, Arnhem, Amsterdam, Leiden en Groningen een brief hebben gestuurd aan de staatssecretaris, met daarin de dringende oproep om met hen in gesprek te gaan en concrete afspraken te maken over het opvangen van meer vluchtelingen uit kampen op de Griekse eilanden, nog voor het invallen van de winter;

verzoekt de regering voor het einde van het jaar het gesprek aan te gaan met deze burgemeesters, met hen te komen tot concrete afspraken, en de Kamer zo spoedig mogelijk over de uitkomst te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Ojik, Moorlag, Jasper van Dijk en Wassenberg. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 40 (35570-VI).

De heer Van Ojik (GroenLinks):
Voorzitter, tot slot. De staatssecretaris komt in tweede termijn terug op Libië. Dan zal ik haar met veel aandacht aanhoren. Vooruitlopend daarop dien ik de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Libische kustwacht migranten terugbrengt naar Libië, waar ze worden ondergebracht in detentiecentra waar sprake is van systematische marteling en seksueel geweld;

verzoekt de regering binnen de EU aan te dringen op een hernieuwde inspanning voor het sluiten van die kampen en de verdere samenwerking met de Libische kustwacht te heroverwegen zolang dit niet gebeurt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Ojik. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 41 (35570-VI).

De heer Wassenberg (PvdD):
Met uw welnemen wil ik de heer Van Ojik vragen om mijn naam te zetten onder de motie op stuk nr. 40, waarin de staatssecretaris wordt verzocht om in gesprek te gaan met de burgemeesters.

De heer Van Ojik (GroenLinks):
Dat doe ik graag.

De voorzitter:
Oké. Dan kunt u dat misschien met de pen toevoegen en bij de griffier inleveren.

Dan vraag ik mevrouw Toorenburg, die vandaag op krukken loopt, alvast voor te sorteren.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Voorzitter. Ik ga sneller praten dan ik kan lopen. Wij hebben zorgen geuit over de internetcriminaliteit. Wij begrijpen dat onderzocht wordt wat er op het vlak van de gegevensuitwisseling straks mogelijk gemaakt kan worden, dus wij blijven graag aangehaakt bij dat punt.

Over de slachtoffers hebben wij een motie van de SP meeondertekend.

Wij spraken ook over deepfakes en deep nudes. Mevrouw Buitenweg heeft daarover een motie van ons samen ingediend. Wij hechten eraan dat dit punt eruitgelicht wordt en dat daar specifiek naar wordt gekeken, maar wij begrijpen ook dat het WODC-onderzoek erg belangrijk is.

Over de ondermijning hebben we gelezen dat de ministeries van Justitie en Veiligheid en BZK een rol van betekenis zullen vervullen bij projecten die zien op versterking van de weerbaarheid. Ik zou nog specifiek aandacht willen vragen voor het onderzoek van de drie Langstraat-gemeenten. Wil de minister daar specifiek naar kijken? Wij zijn enthousiast over wat men daar probeert te ontwikkelen.

Dan heb ik natuurlijk nog een boodschappenlijstje van de heer Van Dam. Dat gaat allereerst over de samenwerking in de forensische opsporing. Ik lees door de regels heen dat de minister erkent dat hier een probleem ligt. Hij heeft ook een oplossingsrichting, maar die lijkt wat weinig concreet. Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat forensische opsporing in toenemende mate een belangrijke rol speelt bij het oplossen van misdrijven;

overwegende dat de ketensamenwerking in de driehoek van politie, OM en NFI nog verder verbeterd kan worden, zodat forensische opsporing tijdiger in de opsporing betrokken kan worden;

verzoekt de regering een deel van de middelen op de begroting bestemd voor "digitalisering werkprocessen strafrechtketen" in te zetten om de ketensamenwerking bij de forensische opsporing te verbeteren, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Toorenburg en Van Dam. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 42 (35570-VI).

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
We hebben uitvoerig gesproken over de waardering voor de politie. We laten onze wens om tot een defilé te komen nu even rusten. Wij wachten af hoe de nationale veiligheidsdag zich verder ontwikkelt. Maar ten aanzien van de toezegging van de medaille wil ik heel graag de minister …

De voorzitter:
Oh, de microfoon van mevrouw Van Toorenburg valt uit. Gelukkig kan zij naar het spreekgestoelte lopen.

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Voorzitter. Ik was gebleven bij de medaille. Ik dien over die medaille de volgende motie in.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat we dag in, dag uit veel vragen van onze politiemensen, handhavers, brandweermensen, ambulancepersoneel en andere hulpverleners;

constaterende dat er — los van financiële schadevergoeding — voldoende blijvende aandacht en waardering moet bestaan voor hulpverleners die door hun werkzaamheden gewond raken, hun werk niet langer kunnen uitvoeren, uitvallen;

verzoekt de regering een voorstel te formuleren om te komen tot een medaille voor hulpverleners die door hun werk — fysiek of psychisch — uitvallen, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Toorenburg en Van Dam. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 43 (35570-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat politiemensen tijdens hun politiewerk een verhoogd risico lopen om PTSS of tinnitus op te lopen en dat de werkgever daarbij verantwoordelijkheid draagt;

overwegende dat de minister van Justitie en Veiligheid tot een fatsoenlijke afhandeling hiervan wil komen;

overwegende dat het niet zo kan zijn dat de hoogte van het smartengeld afhangt van de hoeveelheid geld die voor de afhandeling van beroepsziekten bij de politie beschikbaar is;

verzoekt de regering te garanderen dat de hoogte van het smartengeld dat wordt uitgekeerd aan politiemensen die tijdens hun politiewerk een beroepsziekte hebben opgelopen, niet afhankelijk is van de hoeveelheid geld die voor de afhandeling van beroepsziekte bij de politie gereserveerd is,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Toorenburg en Van Dam. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 44 (35570-VI).

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Voorzitter. Ik heb gemopperd tegen de minister voor Rechtsbescherming over de Ksa en dat blijf ik doen. Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de Kansspelautoriteit in de op 9 juli aangeboden conceptmarktvisie expliciet refereert aan de kabinetsbrief van de voorganger van deze minister uit 2011, als ware dat daarin de laatste kabinetsvisie uiteengezet is;

constaterende dat de minister voor Rechtsbescherming in 2019 een contourenbrief richting de Kamer heeft gezonden over het loterijstelsel en dat deze brief aanzienlijk verschilt van de brief uit 2011 op onder meer de mate waarin de markt wordt opengesteld, de voorwaarden hierbij en het borgen van het maatschappelijk karakter;

verzoekt de regering te garanderen dat bij de ontwikkeling van het loterijstelsel en bij het beleid van de toezichthouder de contourenbrief uit 2019 centraal staat en niet de brief uit 2011, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Toorenburg en Van der Graaf. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 45 (35570-VI).

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Voorzitter. We hebben ook wel wat noten op onze zang gehad ten aanzien van asiel en migratie. De afhandeling is natuurlijk hopeloos vertraagd en dat betreuren we zeer. Wat de antwoorden over de overlast betreft, hebben we nog wel wat zorgen. De motie daarover luidt als volgt.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de staatssecretaris van JenV in 2020 eenmalig een budget van 1 miljoen euro beschikbaar heeft gesteld voor (gedeeltelijke) financiering van lokale maatregelen om overlastgevende asielzoekers aan te pakken;

overwegende dat deze regeling inmiddels beëindigd is en dat slechts elf gemeentes hier aanspraak op hebben gemaakt, maar het budget hiervoor slechts voor de helft uitgeput is;

overwegende dat het van belang is om overlastgevende asielzoekers op lokaal niveau verder aan te kunnen pakken;

verzoekt de regering de regeling voor (gedeeltelijke) financiering van lokale maatregelen om overlastgevende asielzoekers aan te pakken opnieuw open te stellen, gemeentes hierover te informeren, en de Kamer te informeren over de uitwerking hiervan,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Toorenburg en Becker. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 46 (35570-VI).

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Voorzitter. We hebben ook onze zorgen geuit over de veiligheid van bepaalde kwetsbare groepen. We hebben een motie medeondertekend, maar het zat ons nog niet lekker. Het gaat ook een beetje om de redenering van de heer Van Nispen over hoe het zit met onze amendementen, wat we daar allemaal mee moeten en dat er een dekking voor gevonden moet worden. Op een of andere manier kost altijd alles geld, ook al weten we dat het in de toekomst misschien helemaal geen geld kost, maar iets oplevert. Ik heb dat in een motie vervat.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat maatregelen in het kader van preventie in de begrotingssystematiek geld kosten, maar op de lange duur juist tot besparingen leiden;

constaterende dat het gevoel leeft dat aan het principe "kosten gaan voor de baat uit" binnen het veiligheidsdomein te veel voorbij wordt gegaan;

verzoekt de regering te onderzoeken of en, zo ja, op welke wijze in de financieringssystematiek van Justitie en Veiligheid meer recht kan worden gedaan aan het principe dat preventie geld oplevert in plaats van geld kost, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Toorenburg, Van der Graaf, Yeşilgöz-Zegerius en Groothuizen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 47 (35570-VI).

Mevrouw Van Toorenburg (CDA):
Dan heb ik nog een handgeschreven motie van de vrienden van de coalitie die ik nog niet heb gelezen. Die motie gaat over ondertoezichtstelling.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat bij problematiek bij kinderen vaak sprake van achterliggende problematiek bij ouders is en dat voor onveiligheid bij het kind kan zorgen;

constaterende dat een gezinsgerichte aanpak kan bijdragen aan het verbeteren van de veiligheid van het kind en er vanuit de civielrechtelijke kinderbescherming geen mogelijkheden zijn om volwassenen tot hulpverlening te dwingen;

verzoekt de regering in het toekomstscenario voor een effectieve jeugdbescherming expliciet de interventiemogelijkheden binnen de civielrechtelijke kinderbescherming uit te breiden met afdwingbare ondertoezichtstelling van opvoeders, teneinde hen te bewegen hulp te accepteren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Toorenburg, Van Wijngaarden, Yeşilgöz-Zegerius en Peters. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 48 (35570-VI).

Dank u wel, mevrouw Van Toorenburg. Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Kuik namens het CDA.

Mevrouw Kuik (CDA):
Bedankt, voorzitter. Hartelijk dank aan de ministers, de staatssecretaris en hun ondersteuning voor de beantwoording. Ik heb het gehad over de aanpak van figuren die betalen voor seks met minderjarigen. Dat is belangrijk om mensenhandel goed te kunnen aanpakken. Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de unaniem aangenomen motie-Kuik c.s. (28638, nr. 166) de regering verzoekt om een pakket aan maatregelen te formuleren om klanten die seks kopen van minderjarigen te ontmoedigen;

constaterende dat de Kamer nog immer in afwachting is van het wetsvoorstel regulering sekswerk en het wetsvoorstel seksuele misdrijven;

constaterende dat de staatssecretaris heeft aangekondigd om te verkennen wat de mogelijkheden zijn om betaalde seks met een minderjarige onder de zestien jaar te expliciteren in het Wetboek van Strafrecht (Sr);

van mening dat het Wetboek van Strafrecht op dit punt dus nu aan herziening toe is omdat dit is beperkt tot 16- en 17-jarige slachtoffers, terwijl juist veel van deze slachtoffers jonger zijn, aangezien het hier gaat om de grootste en meest onzichtbare groep slachtoffers van mensenhandel;

verzoekt de regering in het wetsvoorstel seksuele misdrijven wettelijk te regelen dat betaalde seks met 16-minners strafverzwarend is en te voorzien in strafbaarheid van betaalde seks met personen in de leeftijd van 18 tot 21 jaar op het moment dat de minimumleeftijd voor legale prostitutie is verhoogd naar 21 jaar,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kuik en Van der Graaf. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 49 (35570-VI).

Mevrouw Kuik (CDA):
Voorzitter. Ik heb het ook gehad over het beter zichtbaar maken van die slachtoffers en het verlagen van de drempel via de chatfunctie. Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er van de minderjarige meisjes in Nederland die slachtoffer zijn van uitbuiting slechts 2% tot 3% zichtbaar is;

overwegende dat mensenhandel en uitbuiting vanuit hun aard delicten zijn die je pas gaat zien wanneer je gaat kijken;

constaterende dat anonieme chatfuncties, zoals Chat met Fier, hierbij een belangrijke rol spelen en bijdragen aan het vergroten van de zichtbaarheid van mensenhandel en uitbuiting, de preventie van deze delicten en aan de opsporing van de daders;

constaterende dat anonieme chatfuncties vanwege hun werking altijd landelijk actief zijn, maar de financiering vanwege de huidige systematiek lokaal wordt vormgegeven;

verzoekt de regering om voor de komende jaren een plan uit te werken om de minst zichtbare groep van slachtoffers van mensenhandel en uitbuiting beter in beeld te krijgen, in het bijzonder door middel van ondersteuning van anonieme chatfuncties en daarbij de regierol van de staatssecretaris op het terrein van mensenhandel ten volle te benutten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kuik en De Graaf. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 50 (35570-VI).

Mevrouw Kuik (CDA):
Tot slot. Bij een begroting kijk je vooruit, maar ik wil ook even terugblikken. Het is de laatste begroting geweest van mijn collega Madeleine van Toorenburg. We hebben even zitten kijken de hoeveelste begrotingsbehandeling dit nu was. Volgens mij zaten we rond de tien. Ik ken haar als volhardend en betrokken. Dat ziet u ook allen. Ze staat hier gewoon met een gebroken hiel. Ik wou zetten "ze zit", maar ze stond er ook gewoon echt. Ze heeft zich ingezet voor slachtoffers, om hun positie te verbeteren, voor het aanpakken van ondermijning en motorbendes, voor het verbeteren van het gevangeniswezen, en dan mis ik nog honderd onderwerpen. Ik wil haar hier toch even bedanken, want haar opvolgers staan op haar schouders. Dit is niet het laatste debat, maar wel de laatste begroting, dus dank.

De voorzitter:
Dank u wel.

(Geroffel op de bankjes)

De voorzitter:
Dan geef ik nu het woord aan de heer Van Nispen, namens de SP.

De heer Van Nispen (SP):
Bij die laatste mooie woorden wil ik me alleen maar aansluiten.

Voorzitter. Het zal u misschien verbazen, maar ik was vandaag niet met alle antwoorden van het kabinet tevreden. Ik heb een aantal moties; laat ik daar eens mee beginnen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering aangeeft dat in 2024 de politie weer op volledige sterkte zal zijn;

constaterende dat de beoogde instroomcijfers niet gehaald worden, ook niet voor de coronacrisis;

constaterende dat het politiekorps in 2024 een andere samenstelling zal hebben omdat er meer aspiranten zullen zijn en minder ervaren agenten;

overwegende dat er zorgen zijn over voldoende screening voor (nieuwe) agenten;

verzoekt de regering met een realistische visie te komen over hoe de politie er in 2024 uit zal zien, waarbij onder meer de samenstelling van het korps, de screening en de capaciteit bij de Politieacademie worden meegenomen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Nispen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 51 (35570-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat bankfraude zoals spoofing, waarbij misbruik wordt gemaakt van het vertrouwen dat mensen in banken hebben, een groot maatschappelijk probleem is en dat slachtoffers financieel geruïneerd raken door gewetenloze criminelen;

constaterende dat banken verschillend omgaan met de manier waarop slachtoffers al dan niet gecompenseerd worden en dat er op dit moment banken zijn die slachtoffers volledig in de kou laten staan;

van mening dat banken op grond van hun verantwoordelijkheden en zorgplicht niet zomaar kunnen zeggen dat er niet gecompenseerd hoeft te worden;

verzoekt de regering zo snel als mogelijk met banken in gesprek te gaan met als doel de slachtoffers te compenseren en als dat niet lukt, de Kamer zo spoedig mogelijk te laten weten hoe compensatie alsnog wettelijk afgedwongen kan worden;

verzoekt de regering voorts de Kamer te rapporteren over de inspanningen om criminelen die dit soort strafbare feiten plegen op te sporen en het misdaadgeld af te pakken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Nispen, Yeşilgöz-Zegerius, Nijboer, Buitenweg, Van Toorenburg, Van Beukering-Huijbregts en Van der Graaf.

Zij krijgt nr. 52 (35570-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat vorderingen in adoptiezaken nu vaak verjaard zijn omdat de verjaringstermijn in dit soort zaken begint te lopen op het moment dat de adoptie plaatsvindt en de betrokkene dus een jong kind is;

overwegende dat de geadopteerde er vaak pas op latere leeftijd achter komt wat er gebeurd is, en het belang van de geadopteerde bij waarheidsvinding en gerechtigheid zwaarder zou moeten wegen dan het belang van instellingen die verwijtbaar tekortgeschoten zijn dat zij dit soort zaken jaren later niet meer tegengeworpen kunnen krijgen;

verzoekt de regering met een voorstel te komen de verjaringstermijn in adoptiezaken af te schaffen of in ieder geval fors te verlengen, bijvoorbeeld door deze pas in te laten gaan op het moment dat de betrokkene meerderjarig is,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Nispen en Van der Staaij. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 53 (35570-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat na het verdwijnen van Sektesignaal zorgen zijn blijven bestaan rondom de aanpak van sektes en de hulp aan slachtoffers van sektes en hun familieleden;

constaterende dat de Kamer zich reeds heeft uitgesproken voor één herkenbaar punt waar slachtoffers van sektes en hun familieleden terechtkunnen voor hulp en doorverwijzing (31015 nr. 189);

verzoekt de regering op zo kort mogelijke termijn te voorzien in dit meldpunt voor slachtoffers van sektes en hun familieleden binnen de bestaande structuur zodat zij geholpen en zo nodig doorverwezen kunnen worden, en waar de signalen over sektes samenkomen zodat de aanpak van sektes kan worden verbeterd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Nispen en Van Wijngaarden. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 54 (35570-VI).

De heer Van Nispen (SP):
En mijn laatste motie:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er extra geld is uitgetrokken voor het versterken van de weerbaarheid van onder andere de togadragers;

overwegende dat het aantal bedreigingen het afgelopen jaar is toegenomen en dat de gevolgen daarvan lang aanblijven en de duurzame inzetbaarheid beperken;

constaterende dat beoefenaars van togaberoepen een behoefte hebben aan een veilige plek waar zij na indringende bedreigingen tot rust kunnen komen en in een vertrouwenwekkende omgeving de draad op kunnen pakken;

verzoekt de regering om in overleg met de beroepsgroepen eenmalig te investeren in het opzetten van een wijkplaats voor togadragers, en de Kamer te informeren over de voortgang hiervan;

verzoekt de regering tevens om bij andere personen die vanuit hun werk (agenten, leraren, journalisten) een bijdrage leveren aan de rechtsstaat en bescherming van onze grondrechten (zoals de vrijheid van meningsuiting) de behoefte naar een wijkplaats te inventariseren en waar nodig dit te faciliteren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Nispen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 55 (35570-VI).

De heer Van Nispen (SP):
Voorzitter. We hebben geprobeerd de balans op te maken op het gebied van de veiligheid en de rechtsstaat na vier jaar van deze ministers en de staatssecretaris, na tien jaar premier Rutte. Onze conclusie was dat er heel veel meer investeringen nodig zijn op allerlei gebieden. Je hoort eigenlijk ook aan dit debat dat er van alle kanten wensen zijn om te investeren in de politie en de IND, om te investeren in het meer afpakken van misdaadgeld om op allerlei terreinen fors te investeren, omdat dat hard nodig is. Misschien verdient dat zich inderdaad wel terug; ik heb daar net al iets over gezegd. Bij de toegang tot het recht is investeren ook bijzonder hard nodig. Ik ben blij dat de minister een gebaartje heeft gemaakt door te zeggen: als er dit jaar geld overblijft, dan vloeit dat naar de advocaten in het personen- en familierecht. Maar dat is bij lange na niet wat eigenlijk nodig is, en dat weet de minister ook.

Om al deze punten op te lossen hebben we heel veel amendementen ingediend. Daar zit ongelofelijk veel werk in. Die zijn tot nu toe door de ministers en net door mevrouw Yeşilgöz-Zegerius en ook door andere coalitiepartijen, vrees ik, vakkundig de Kamer uit getennist, alsof het tennisballen waren. Alsof het niet nodig is om te investeren in de politie. Alsof het niet nodig is om te investeren in de Autoriteit Persoonsgegevens. Alsof het niet nodig is om ervoor te zorgen dat het Expertisebureau Online Kindermisbruik overeind blijft, in de strijd tegen kindermisbruik en voor de aanpak van kinderpornografie. Bij dit laatste gaat het om een heel klein bedrag, beste Kamerleden. Dat de dekking niet deugt, kan ik me niet voorstellen, want we hebben allerlei verschillende dekkingen opgenomen. Maar zelfs als die dekking niet deugt, kijk dan mee naar een alternatief en zorg ervoor dat we dat in ieder geval overeind houden.

Laat ik het daarbij laten.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Van Nispen. Dan geef ik nu het woord aan de heer Jasper van Dijk, ook namens de fractie van de SP.

De heer Jasper van Dijk (SP):
Voorzitter, ik heb zes moties ...

De voorzitter:
Daar zou ik mee beginnen.

De heer Jasper van Dijk (SP):
... waarbij ik betrokken ben.

De voorzitter:
Kijk!

De heer Jasper van Dijk (SP):
Kijk, dat valt weer mee hè? Ik ben bijvoorbeeld betrokken bij de eerste motie van de heer Van Ojik. Die is al ingediend. Maak een plan van aanpak met een deadline van 1 juni aanstaande. Dat is een.

De voorzitter:
Dat scheelt een motie.

De heer Jasper van Dijk (SP):
Dan komt straks de heer Voordewind met een motie om nu toch echt werk te maken van de zogeheten Moriadeal.

De voorzitter:
Dat scheelt ook een motie. Dat is twee.

De heer Jasper van Dijk (SP):
Vinkt u het even aan? Kan ik dat dan omzetten in interrupties?

De voorzitter:
Of extra minuten! Gaat u verder.

De heer Jasper van Dijk (SP):
Voorzitter. Dan is er een aangehouden motie van ondergetekende inzake de naturalisatietoets. Die heb ik bij het WGO Integratie ingediend, maar daar gaat deze staatssecretaris over. Misschien kan ze er nog op reageren. Die gaat over het toepassen van maatwerk.

Dan is er een aangehouden motie over huwelijkse uitbuiting, ingediend met mevrouw Becker. Die komt dinsdag in stemming.

Tot slot, voorzitter, twee echte moties. De eerste gaat over terugkeer.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat een falend terugkeerbeleid funest is voor het draagvlak voor vluchtelingenopvang;

constaterende dat landen als Spanje en Frankrijk erin slagen om met landen van herkomst zoals Marokko afspraken te maken over terugkeer, maar Nederland niet;

verzoekt de regering uiterlijk 1 januari 2021 met een plan van aanpak terugkeer te komen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Jasper van Dijk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 56 (35570-VI).

De heer Jasper van Dijk (SP):
De tweede motie is voor minister Dekker, over de deurwaarders.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering voornemens is om de tarieven van gerechtsdeurwaarders met 16% te verhogen;

van mening dat dit buitengewoon onwenselijk is in tijden van corona;

verzoekt de regering de tariefverhoging voor onbepaalde tijd uit te stellen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Jasper van Dijk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 57 (35570-VI).

De heer Jasper van Dijk (SP):
Voorzitter. Ik zie dat ik nog 1 minuut en 15 seconden over heb. Die zal ik niet volmaken. Ik sluit me natuurlijk volledig aan bij het mooie afscheidspleidooi van de heer Van Nispen bij het afscheid van dit trio. Dit is de laatste begroting in deze samenstelling, laat ik het zo zeggen. We ronden de tien jaar Rutte nu mooi af. Volgend jaar wordt het natuurlijk tijd voor een fris, nieuw kabinet, sociaal-progressief. Ik zie dat de minister van Justitie, de heer Grapperhaus, nog niet direct gaat juichen. Dat komt nog wel. Misschien zit hij er zelfs wel in, maar dan moet hij wel een beetje enthousiast zijn.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Jasper van Dijk. Dan geef ik nu het woord aan de heer Groothuizen namens D66.

De heer Groothuizen (D66):
Dank u wel, voorzitter. Dank aan de bewindslieden voor de beantwoording. Ik heb vier moties. Ik ga daar heel snel aan beginnen. De eerste motie luidt als volgt.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er sprake is van politieke inmenging in de benoeming van Poolse rechters;

constaterende dat bij de tuchtkamer van de Poolse Hoge Raad nog steeds disciplinaire procedures tegen rechters lopen, ondanks de uitspraak van het Hof van Justitie van de EU dat dit onrechtmatig is omdat deze disciplinaire rechters niet onafhankelijk zijn;

van mening dat de Poolse rechtsstaat hierdoor ernstig wordt bedreigd, terwijl de rechtsstaat het fundament van onze Europese Unie is;

van mening dat de Europese Commissie nalaat om de naleving van eerdere Hofuitspraken af te dwingen en dat ook de artikel 7-procedure nog niets heeft opgeleverd;

overwegende dat artikel 90 van de Grondwet stelt dat Nederland de ontwikkeling van de internationale rechtsorde bevordert;

verzoekt de regering te onderzoeken en de nodige voorbereidingen te treffen om, bij voorkeur in samenwerking met gelijkgezinde lidstaten, Polen voor het Hof van Justitie van de EU te dagen voor het niet-nakomen van een verplichting die krachtens de verdragen op Polen rust, en de Kamer hierover uiterlijk 1 februari 2021 te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Groothuizen, Van Dam en Buitenweg. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 58 (35570-VI).

De heer Groothuizen (D66):
De tweede luidt als volgt.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er onderuitputting op het rechtsbijstandsbudget in 2019 was en ook verwacht wordt in 2020;

constaterende dat is afgesproken dat geld dat overblijft bij de rechtsbijstand ook weer aan de rechtsbijstand besteed moet worden;

overwegende dat de problemen bij de sociaal advocatuur werkzaam in personen- en familierecht op dit moment het grootst zijn;

verzoekt de regering bij de eerstvolgende na- of voorjaarsnota met een voorstel te komen om (een deel van) het overgebleven budget in te zetten voor het ondersteunen van de sociaal advocatuur werkzaam in het personen- en familierecht,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Groothuizen, Van Dam, Van der Graaf, Van Nispen, Buitenweg en Moorlag.

Zij krijgt nr. 59 (35570-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat cybercrime blijft toenemen en dat, gezien de verdergaande digitalisering van de maatschappij, geen dalende trend wordt voorzien;

constaterende dat de capaciteit voor de aanpak van cybercrime bij het OM achterloopt bij die van de politie;

verzoekt de regering bij investeringen in capaciteit en/of expertise bij de politie voor de aanpak van cybercrime gelijktijdig te zorgen voor het financieren van de keteneffecten daarvan, zodat de capaciteit van het OM niet achterblijft bij die van de politie, en de Kamer hierover in het voorjaar te informeren;

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Groothuizen en Van Toorenburg. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 60 (35570-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er veel berichten zijn over incidenten van intimidatie en geweld tegen asielzoekers vanwege hun geaardheid, levensovertuiging of religie;

van mening dat asielzoekers niet gediscrimineerd, bedreigd of zelfs aangevallen mogen worden door mede-asielzoekers;

verzoekt de regering binnen twee maanden, in overleg met betrokken organisaties, een plan van aanpak op te stellen voor een veiligere leefomgeving voor lhbti-asielzoekers en bekeerlingen in azc’s;

verzoekt de regering tevens als onderdeel van dit plan een registratie van deze incidenten uit te werken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Groothuizen, Becker, Voordewind en Van Toorenburg. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 61 (35570-VI).

Dank u wel, meneer Groothuizen. Dan geef ik nu het woord aan Mevrouw Van Beukering-Huijbregts, ook namens de fractie van D66.

Mevrouw Van Beukering-Huijbregts (D66):
Dank u wel, voorzitter. Dank aan het kabinet en de ambtelijke ondersteuning voor de beantwoording die wij hebben ontvangen, zowel mondeling als schriftelijk vandaag. Ik ben ook blij met de toezegging van de minister dat hij in gesprek gaat met het Veiligheidsberaad en de VNG om onder de aandacht te brengen dat vrouwen zich nog te vaak onveilig voelen op straat. Ik zou nog graag horen of de minister kan aangeven wanneer we daarvan een terugkoppeling kunnen verwachten.

Ook dank voor de bevestiging dat etniciteit en nationaliteit niet in risicoprofielen mogen worden gebruikt. Wij hebben overigens nog geen antwoord op onze vragen over het rapport van Amnesty International, waarin gesteld wordt dat dit exact is wat er wordt gedaan bij het Sensingproject in Roermond. Als het klopt dat dit wel gebeurt, vraag ik de minister om ervoor te zorgen dat het gebruik van die profielen zo snel mogelijk gestaakt wordt.

Dan de Autoriteit Persoonsgegevens. We zijn blij dat het gat voor dit jaar gedicht is, maar met de beantwoording wordt gesuggereerd dat we er nu wel zijn en dat de groei van het budget in Europees verband toch wel indrukwekkend is. Nederland is een van de meest gedigitaliseerde landen in de EU en zelfs ter wereld. Als uit intern onderzoek zou blijken dat de Autoriteit veel meer geld nodig heeft, moeten we nu toch al gaan kijken hoe we daarnaartoe kunnen werken. Er was misschien groei, maar de groei is nu al achterhaald en de Autoriteit is niet toekomstbestendig in onze ogen. Er werkt nu ongeveer 1 fte voor algoritmes bij de Autoriteit. Dat is veel te weinig als we zien hoeveel de overheid experimenteert met algoritmes. Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat bedrijven en overheden steeds meer data verzamelen;

overwegende dat met technologieën zoals algoritmes en gezichtsherkenning persoonsgegevens worden verwerkt en dus behoren tot het werkterrein van de Autoriteit Persoonsgegevens;

overwegende dat toezien op de naleving van de AVG een uiterst intensieve taak is;

constaterende dat de Autoriteit Persoonsgegevens een forse achterstand heeft met het afhandelen van klachten en het verlenen van vergunningen;

verzoekt het kabinet om in kaart te brengen hoe de uitkomsten van het rapport van KPMG over de Autoriteit Persoonsgegevens kunnen worden uitgevoerd;

verzoekt het kabinet tevens om te onderzoeken hoe de capaciteit en middelen van de Autoriteit Persoonsgegevens vanaf 2022 structureel op een afdoende niveau kunnen komen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Beukering-Huijbregts, Verhoeven, Buitenweg, Van Nispen en Moorlag.

Zij krijgt nr. 62 (35570-VI).

Een korte vraag, mevrouw Buitenweg.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Ik heb deze motie inderdaad ondersteund.

De voorzitter:
Staat u eronder?

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Ik sta eronder.

De voorzitter:
Dan is het heel raar om daar een vraag over te stellen.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Het gaat over …

De voorzitter:
Nee, echt niet.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Mevrouw de voorzitter, ik wil dat wel omdat er namelijk net gesuggereerd werd dat het probleem voor dit jaar is opgelost. Ik denk dat het van belang is, juist omdat in de motie staat dat er grote achterstanden zijn, en daar sta ik achter. Dan kan ik dus niet erachter staan om te zeggen dat de problemen daarmee zijn opgelost.

De voorzitter:
Ja, prima.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Ik denk dat de collega het er ook mee eens is, maar het is van belang om te markeren dat de problemen voor nu, ook nu, dit jaar, ook niet zijn opgelost.

De voorzitter:
Nee, dit is niet gebruikelijk. Dan gaan jullie dat onderling uitvechten. Gaat u verder, mevrouw Van Beukering.

Mevrouw Van Beukering-Huijbregts (D66):
Dit was mijn eerste begrotingsbehandeling Justitie. Ik vond het bijzonder om mee te maken. Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel. Soms vergeten we dat mensen dit voor het eerst meemaken.

Dan ga ik naar de heer Moorlag namens de PvdA.

De heer Moorlag (PvdA):
Voorzitter. Dit is ook mijn eerste behandeling van de begroting van Justitie. Ik dacht dat er bij de behandeling van LNV-onderwerpen altijd veel moties werden ingediend, maar dit overtreft echt alles.

De voorzitter:
Dus u heeft geen moties?

De heer Moorlag (PvdA):
Ik heb één motie, voorzitter, en ik heb een aantal moties van collega's meeondertekend. De motie die mij het meest na aan het hart ligt, is de motie van de heer Van Ojik, die de staatssecretaris oproept om te gaan spreken met de burgemeesters. De burgemeesters geven namens hun gemeenschappen — ik benadruk dat: namens hun gemeenschappen — aan dat zij ruimte bieden en ook ruimte in hun hoofd hebben om humaniteit voorrang te geven en mensen uit Moria op te vangen. Ik weet dat dit in de politieke verhoudingen hier in beton gegoten is, maar dit is wel een heel scherp steentje in de schoen. Dus die motie koester ik en ik hoop dat de staatssecretaris in elk geval de bereidheid heeft om met de burgemeesters in gesprek te gaan.

Voorzitter. Ik dank de bewindslieden voor hun antwoorden. Eén deel van de beantwoording vond ik wel heel ongemakkelijk, namelijk over de achterstanden bij de IND. Ik heb ooit een biografie gelezen van Norbert Schmelzer. Hij werd opgevoed door Carl Romme, de KVP-fractievoorzitter, heel lang geleden. Naar verluidt heeft hij tegen Norbert Schmelzer gezegd dat er in Den Haag een "bijzonder waarheidsbegrip" is. Hij typeerde dat als volgt: vertel altijd de waarheid, de volle waarheid, doch nimmer de volledige waarheid. Er is op dit onderwerp toch wel een beetje volgens dat waarheidsbegrip geantwoord. Naar mijn smaak is het zo dat, als de volledige waarheid was verteld, de minister zou hebben moeten zeggen: ik heb niet bekwaam geopereerd, het was gewoon niet in control. De staatssecretaris heeft gezegd dat zij nauwkeuriger wil gaan monitoren. Ik vind dat wij dat ook moeten gaan doen. De frequentie van de informatievoorziening moet wat worden opgevoerd. Daar gaat mijn motie over.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de taskforce er niet in geslaagd is om de opdracht om 15.350 asielaanvragen voor het einde van het jaar af te handelen geheel uit te voeren;

overwegende dat de gevolgen van de vertraging met name voor circa 7.000 wachtende asielzoekers bijzonder pijnlijk zijn;

van mening dat de Kamer voortaan tijdig geïnformeerd dient te worden over de voortgang van het afhandelen van de resterende asielaanvragen;

verzoekt de regering de Kamer maandelijks te informeren over de stand van zaken ten aanzien van het afhandelen van de resterende 7.000 asielaanvragen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Moorlag en Jasper van Dijk. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 63 (35570-VI).

De heer Moorlag (PvdA):
Voorzitter. Ik wil de minister voor Rechtsbescherming danken voor de toch wel warme woorden die hij uitspreekt over laagdrempelige geschilbeslechting. Ik hoop dat hij daar echt werk van gaat maken. Toegang tot het recht wordt dan voor veel mensen veel gemakkelijker. Dat is echt heel belangrijk.

Ik dank de minister van Justitie en Veiligheid voor zijn toezegging om een brief te sturen over het intimideren van de politie. Ik heb eerder de oproep gedaan om de vertegenwoordigers van organisaties die zich daaraan bezondigen te weren van de overlegtafels van de regering. Direct noch indirect moet daar sprake van zijn. Ik wil de minister wel vragen of wij die brief voor de kerst kunnen ontvangen. Ik wacht nog steeds op een brief over een eerdere motie, over het weren van partijen die de Holocaust in twijfel trekken. Dat ligt niet aan deze bewindslieden. Het ligt bij de collega van LNV. Maar een brief voor de kerst zou ik zeer op prijs stellen.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Van der Graaf namens de ChristenUnie.

Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. We weten hoe moeilijk het is voor slachtoffers van mensenhandel om zich uit te spreken en in welke ongelijke positie zij zich bevinden. Doordat de bewijslast is opgeschroefd, wordt het nu makkelijker voor daders om de dans te ontspringen en voor slachtoffers om niet de bescherming te krijgen die zij keihard verdienen. Daarom dien ik een motie in, in navolging op de verkenning die het kabinet nu doet.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het kabinet verkent of, en zo ja hoe, een wijziging van artikel 273f Wetboek van Strafrecht zou kunnen bijdragen aan een effectievere bestrijding van handel in en uitbuiting van mensen, en het profiteren daarvan;

overwegende dat er momenteel reeds voldoende aanleiding is te veronderstellen dat aanpassing van artikel 273f Wetboek van Strafrecht daaraan zou kunnen bijdragen;

verzoekt de regering de uitkomsten van deze verkenning met de Kamer te delen en tevens onderbouwde voorstellen te doen ter aanpassing van het wetsartikel,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Graaf, Bolkestein, Kuik, Moorlag en Bisschop.

Zij krijgt nr. 64 (35570-VI).

Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):
Voorzitter. Dan de grote vraag: wat kosten drugs onze samenleving? Er zijn mensen die zeggen: reken op de helft van de tijd die de politie daaraan moet besteden, reken op de helft van de Justitiebegroting. Wij bespreken vandaag die begroting: ruim 14 miljard. Met meer dan de helft komen we op zo'n 7 miljard uit. Ik wil heel graag dat deze kosten, alle maatschappelijke kosten die hieraan opgaan, in kaart worden gebracht. De minister wil dat volgens mij ook. Ik vraag hem toe te zeggen dat hij alle maatschappelijke kosten van de drugshandel, de drugsproductie, de drugscriminaliteit en het drugsgebruik in kaart gaat brengen en dat overzicht met de Kamer zal delen. Ik vraag hem of hij dat in januari zou willen doen. Dan gaat het over al die sociale kosten, de kosten van de strafrechtketen, maar ook de maatschappelijke kosten en de economische kosten, al die concurrerende ondernemers met hun malafide bedrijven. Ik wil heel graag een toezegging van de minister op dit punt met de vraag of hij dat in januari kan leveren.

Tot slot wens ik deze bewindslieden het komend jaar heel veel zegen en wijsheid toe bij hun taak. Ze hebben een mooie taak. Gisteren heb ik ertoe opgeroepen dat de rechtsstaat er moet zijn voor de mensen, dat mensen een beroep op de rechtsstaat moeten kunnen doen. Ik heb ook aangegeven dat er mensen zijn die extra bescherming van de rechtsstaat nodig hebben. Ik hoop dat zij die ook in het komend jaar zullen krijgen.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Van der Graaf. Dan geef ik nu het woord aan de heer Voordewind, ook namens de fractie van de ChristenUnie.

De heer Voordewind (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter. Van de bewindslieden weten we het natuurlijk nooit, maar we weten wel van anderen in deze Kamer dat het ook de laatste begroting was. De toespraak die mevrouw Van Toorenburg heeft gehad, hadden wij eigenlijk aan meerdere leden moeten geven, inclusief ondergetekende. Maar goed, die krijgen we misschien nog.

De voorzitter:
Het komt allemaal goed.

De heer Voordewind (ChristenUnie):
Mijn tijd is ook maar kort. Ik dank de collega's die een aantal van mijn moties hebben ondersteund. Ik ga ze voorlezen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het Nederlandse kabinet heeft aangegeven 50 alleenstaande minderjarige vreemdelingen en 50 kwetsbare mensen in gezinsverband met minderjarige kinderen over te nemen uit Griekenland;

overwegende dat de staatssecretaris heeft aangegeven dat zij ernaar streeft om de overkomsten naar Nederland zo spoedig mogelijk en liefst voor de kerst te realiseren;

verzoekt de regering zich tot het uiterste in te spannen om dit te realiseren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Voordewind, Groothuizen, Van Toorenburg, Jasper van Dijk, Wassenberg en Van Ojik.

Zij krijgt nr. 65 (35570-VI).

De heer Voordewind (ChristenUnie):
De tweede motie gaat over de toezegging van de staatssecretaris voor het doorlichten van de asielketen. Wij zijn daar blij mee en dankbaar voor. Er was een bijzinnetje van de staatssecretaris dat iets zei over mijn vraag of het ook over de besluitvorming ging. Ik wil dat graag markeren in een motie. Ik wacht nog even af hoe de staatssecretaris daarop reageert om te kijken of we deze doorzetten.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de staatssecretaris de asielketen extern wil laten doorlichten en heeft toegezegd daarbij ook de besluitvorming te willen betrekken;

overwegende dat een goede beoordeling van asielverzoeken de kern van het asielbeleid is;

verzoekt de regering de beoordeling van asielverzoeken onderdeel te maken van de aangekondigde doorlichting en daarbij onafhankelijke experts van verschillende disciplines in te schakelen die ook vertrouwelijk asieldossiers kunnen bestuderen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Voordewind. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 66 (35570-VI).

De heer Voordewind (ChristenUnie):
Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Voordewind. Dan geef ik nu het woord aan de heer Wassenberg, maar hij heeft geen spreektijd meer. Wordt zijn spreektijd verrekend met die van een andere begrotingen? Volgens mij hebben jullie niet alle spreektijden opgemaakt. Klopt dat? Hij heeft twee minuten nodig, hoor ik. Dat is voldoende tijd, anders hoor ik het wel van mevrouw Ouwehand.

De heer Wassenberg (PvdD):
Dat komt goed, voorzitter. Die twee minuten moeten voldoende zijn. Ik heb drie moties. Voordat ik die ga voorlezen, dank ik de minister en zijn ambtenaren voor de beantwoording. Ik dank hem ook voor de toezegging dat het wetsvoorstel voor het houdverbod voor dierenbeulen in december naar de Raad van State gaat. Ik hoop dat we het in januari nog in de Kamer kunnen behandelen.

Ik dank de minister ook voor de toezegging om zich te verdiepen in de instructievideo waarin de hond wordt ingezet in een auto. Ik ga graag in op de uitnodiging om samen een keer naar die instructievideo te kijken. Allemaal onder coronamaatregelen, maar dat spreekt voor zich.

Drie moties. De eerste motie gaat over de politiehond.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering een onderzoek te starten naar de doelmatigheid en wenselijkheid van de inzet van politiehonden als geweldsmiddel en daarbij de nieuwe ambtsinstructie te betrekken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Wassenberg. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 67 (35570-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat toezicht en handhaving op de malafide handel in dieren tekortschiet omdat de NVWA het werk niet aankan;

verzoekt de regering de capaciteit bij de dierenpolitie te versterken om deze vorm van georganiseerde criminaliteit hard aan te kunnen pakken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Wassenberg en Graus. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 68 (35570-VI).

De heer Wassenberg (PvdD):
Dan nog een korte inleiding. Gisteren dienden collega Graus en ik tijdens de tweede termijn van de begrotingsbehandeling van LNV een motie in die de regering verzoekt om de mogelijkheden tot een verbod op het doden van gezelschaps- en landbouwhuisdieren door particulieren te onderzoeken. De minister van LNV raadde die motie af, omdat het doden van dieren door particulieren volgens haar al verboden is. Aan de interruptiemicrofoon meldde ik dat dat niet het geval is. Alleen het doden van honden, katten en ganzen is geregeld. De minister ging daar niet op in, maar volhardde in haar afwijzing. De minister van Landbouw kent kennelijk haar eigen wet niet, want het doden van dieren door particulieren is verboden in artikel 2.10 van de Wet dieren en wordt uitgewerkt in artikel 1.9 en 1.10 van het Besluit houders van dieren, maar daarin worden alleen honden, katten en ganzen genoemd.

Als je cavia's fokt en de kleur staat je niet aan, kun je met een stoeptegel een einde maken aan een nest. Dat gebeurt. Op internet en fora heb ik daarover gelezen: mensen zeggen dat je ze het beste kunt inspuiten met aspirine, of dat je een stoeptegel of baksteen kunt gebruiken. Echt, je maag draait zich om als je het leest. Ik wil daar dus een einde aan maken. Het komt door een omissie in de wet. De politie en het LED staan met lege handen. Ze kunnen niet ingrijpen. Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering de mogelijkheden tot een verbod en strafbaarstelling op het doden van gezelschaps- en landbouwhuisdieren door particulieren te onderzoeken,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Wassenberg en Graus. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 69 (35570-VI).

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Wassenberg.

De heer Wassenberg (PvdD):
Dank u wel.

De voorzitter:
Dan geef ik nu het woord aan de heer Bisschop namens de SGP. Hij heeft ook twee minuten. Gaat uw gang, meneer Bisschop.

De heer Bisschop (SGP):
Voorzitter. Ik heb kort de tijd. Ik ga gelijk de moties voorlezen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat eenieder in Nederland bescherming verdient;

overwegende dat de IHRA-definitie bescherming beoogt te bieden aan joden die te maken krijgen met antisemitisme;

overwegende dat de Tweede Kamer op 22 november 2018 een motie van het lid Van der Staaij over het hanteren van de IHRA-definitie voor antisemitisme heeft aangenomen;

verzoekt de regering te bevorderen dat deze definitie voortvarend en herkenbaar in uitvoering komt in de opsporing en vervolging van antisemitisme, en de Kamer daarover te rapporteren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Bisschop. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 70 (35570-VI).

De heer Bisschop (SGP):
Dan de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat effectief terugkeerbeleid een essentieel onderdeel is van een goed functionerend Europees asiel- en migratiesysteem;

constaterende dat de herziening van de Terugkeerrichtlijn de centrale bouwsteen vormt van het plan van de Europese Commissie om terugkeer van afgewezen asielzoekers te bevorderen;

verzoekt de regering het EU-migratiepact niet te steunen zolang er geen overeenstemming is bereikt over aanscherping van de Terugkeerrichtlijn, waardoor bijvoorbeeld de mogelijkheden voor gedwongen terugkeer of vreemdelingendetentie zijn verruimd,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Bisschop. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 71 (35570-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in plaats van de bestaande RUPS nu een nieuwe financiering van uitstapprogramma’s wordt voorzien. Deze wordt via een decentralisatie-uitkering aan achttien aangewezen DUUP-gemeenten uitgekeerd;

overwegende dat het van belang is dat het geld daadwerkelijk wordt aangewend voor programma’s waarbij begeleiding wordt geboden voor het vinden van een woning, werk of dagbesteding buiten de prostitutie;

verzoekt de regering bij de overgang kaders te stellen die waarborgen dat het doel blijft om daadwerkelijk duurzaam uitstappen te bevorderen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Bisschop. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 72 (35570-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat wijkagenten te vaak ingezet worden voor noodhulp en andere belangrijke politietaken, waardoor zij onvoldoende informatie hebben om problemen te voorzien en tijdig in te grijpen op lokaal niveau;

overwegende dat dit repressie veroorzaakt en dat de politie achter de feiten aan blijft lopen;

verzoekt de regering het tekort aan fte’s in de basispolitiezorg structureel te verminderen, zodat de wijkagenten ruimte krijgen om hun reguliere taken uit te voeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Bisschop. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 73 (35570-VI).

De heer Bisschop (SGP):
Voorzitter. De laatste motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het van groot belang is dat kinderrechters voldoende tijd hebben om op actieve wijze hun verantwoordelijkheid in te kunnen vullen voor zorgvuldige beslissingen over maatregelen van kinderbescherming;

constaterende dat uit de verkenning van de rechtsbescherming van ouders blijkt dat de factoren tijd en geld de rechtsbescherming onder druk zetten en dat een actievere toets op zorgvuldigheid en rechtmatigheid een leerpunt is uit het bestuursrecht;

verzoekt de regering in overleg te treden met de Raad voor de rechtspraak over de wijze waarop een actievere toets op zorgvuldigheid en rechtmatigheid bij maatregelen van kinderbescherming gestalte kan krijgen en het belang van meer tijd en geld waar nodig te faciliteren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Bisschop. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 74 (35570-VI).

De heer Bisschop (SGP):
Voorzitter. Dan rest mij nog de bewindspersonen te bedanken voor de beantwoording van de vragen, alsmede ook voor hun ondersteuning door het vele aangeleverde schriftelijke werk. Dat is compleet dekkend geweest. De antwoorden waren niet altijd helemaal van het niveau dat wij verwachten en wensen, maar de vragen zijn wel allemaal geraakt. Dat vind ik heel knap. Mijn complimenten daarvoor.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Bisschop. Tot slot geef ik het woord aan de heer Azarkan namens DENK.

De heer Azarkan (DENK):
Dank, voorzitter. Ik ben zelden de laatste, maar ach, dingen kunnen veranderen.

De voorzitter:
Een paar fracties zijn er niet.

De heer Azarkan (DENK):
Ik merk het. Ik wil de bewindslieden bedanken voor de beantwoording. Ik wil de collega's bedanken voor het debat. Het was overwegend inhoudelijk. Soms was het een beetje kattig, maar dat hoort er ook bij.

Voorzitter. Ik heb een aantal moties.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit het meest recente onderzoek van Europol blijkt dat het gevaar van extreemrechts aan het toenemen is;

verzoekt de regering om de aanpak van extreemrechts te intensiveren en hier extra middelen voor uit te trekken en meer fte’s op de aanpak van extreemrechts te realiseren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Azarkan. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 75 (35570-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat diverse klokkenluiders meldingen hebben gemaakt van misstanden binnen de nationale politie onder andere over aanrandingen en seksistisch, discriminatoir en racistisch taalgebruik ;

overwegende dat er geen tot beperkt zicht is op het grensoverschrijdend taalgebruik door agenten die werkzaam zijn bij de nationale politie;

verzoekt de regering om een onafhankelijk landelijk onderzoek te laten verrichten naar uitlatingen door agenten werkzaam bij de nationale politie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Azarkan. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 76 (35570-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er wereldwijd sprake is van een toename van huiselijk geweld en seksueel geweld;

verzoekt de regering om extra inzet te plegen voor de opsporing en begeleiding van de slachtoffers van kindermishandeling en seksueel geweld,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Azarkan. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 77 (35570-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat vorig jaar is besloten om 17.000 agenten uit te rusten met een stroomstootwapen omdat geweldsdelicten tegen hen zouden zijn toegenomen;

overwegende dat het stroomstootwapen is ingevoerd op basis van oneigenlijke argumenten en onjuiste informatie;

verzoekt de regering per direct te stoppen met het uitrusten van agenten met stroomstootwapens,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Azarkan. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 78 (35570-VI).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat uit de Zembla-uitzending "Bijten als beloning" blijkt dat de politiehond onrechtmatig en op een disproportionele wijze wordt ingezet en dat de politiehond in veel gevallen niet luistert naar het commando van de hondengeleider;

overwegende dat in een rechtsstaat door de politie een zwaar geweldsmiddel, zoals de politiehond als geweldsmiddel, alleen ingezet mag worden wanneer het geweldsmiddel is gereguleerd;

verzoekt de regering om opschorten/staken van het gebruik van de politiehond als geweldsmiddel door de nationale politie zolang de nieuwe ambtsinstructie nog niet in werking is getreden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Azarkan. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 79 (35570-VI).

De heer Azarkan (DENK):
We zijn er bijna, voorzitter, en ik heb nog vier minuten en vijf seconden.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de nationale politie steeds vaker in de uitvoering van haar taken gebruik zal maken van nieuwe technologie waaronder artificial intelligence;

constaterende dat volgens de Raad van Europa het gebruik van Al voor predictive policing kan leiden tot discriminatie en etnisch profileren;

constaterende dat de Raad van Europa concludeert dat de huidige wetgeving ontoereikend is;

verzoekt de regering om te komen met een wettelijk kader voor het gebruik van artificiële intelligentie en algoritmes door de nationale politie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Azarkan. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 80 (35570-VI).

De heer Azarkan (DENK):
Tot slot, de laatste motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in de eerste fase van de klachtbehandeling binnen de politieorganisatie ruim 90% wordt afgehandeld zonder dat de klachtencommissie hieraan te pas komt;

constaterende dat klachtbehandeling ten doel heeft: vertrouwensherstel van de burger in de politie, het versterken van het lerend vermogen van de politie en het imago van de politie te verbeteren;

overwegende dat veel burgers weinig vertrouwen hebben in de klachtenprocedure en vinden dat de huidige klachtenprocedure een hoog "de slager keurt zijn eigen vlees"-gehalte heeft;

verzoekt de regering om te onderzoeken op welke wijze de klachtenprocedure onafhankelijker gemaakt kan worden en ervoor te zorgen dat de uitspraken van de onafhankelijke klachtencommissie bindend worden voor de nationale politie, en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Azarkan. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 81 (35570-VI).

De voorzitter:
Mevrouw Helder heeft een korte vraag.

Mevrouw Helder (PVV):
Als ik zo al deze moties van de heer Azarkan hoor, vraag ik mij af of er in zijn optiek nog wel iets deugt bij de nationale politie. Ik vind het namelijk wel heel erg zuur.

De heer Azarkan (DENK):
Er deugt een heleboel bij de nationale politie. Ik ben blij dat er politieagenten zijn die voor onze veiligheid zorgen. Ik roep dat ook vaak. Ik denk dat voor vrijwel alle agenten geldt dat ze met hart en ziel aan die veiligheid werken. Ik denk dat er ook misstanden zijn bij de nationale politie. Dat kan natuurlijk ook niet anders als je met 65.000 mensen werkt. Ik denk dat het goed is dat we dat benoemen. Ik denk dat klokkenluiders die dat doen soms gedemoniseerd worden. Dat hebben we gezien. Zij worden de organisatie uitgewerkt. Ze worden tegengewerkt. Ik denk dat het ook voor de geloofwaardigheid van de nationale politie goed is dat we daar kritisch naar kijken. Daarmee houden we de kwaliteit namelijk hoog en daarmee helpen we de mensen die het wel willen, die het overgrote deel vormen.

De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Er zijn 61 moties ingediend. Ik wil nu eigenlijk kort schorsen en daarna gaan we stemmen. Ik heb begrepen dat jullie ongeveer twintig minuten nodig hebben om die moties te kunnen beoordelen.

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Stemmingen

Stemmingen

Stemmingen moties Regelingen ter uitvoering van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19

Aan de orde zijn de stemmingen over moties, ingediend bij het debat over regelingen ter uitvoering van de Tijdelijke wet maatregelen covid-19,

te weten:

  • de motie-Van Esch over het niet invoeren van de Regeling aanvullende mondkapjesverplichtingen covid-19 (25295, nr. 746);
  • de motie-Sazias over een eenvoudig systeem voor medische uitzonderingen op de mondkapjesplicht (25295, nr. 748);
  • de motie-Van Haga/Baudet over nergens een mondkapjesplicht invoeren (25295, nr. 749);
  • de motie-Van Haga/Baudet over privacybescherming bij het aantonen van een uitzondering op de mondkapjesplicht bij medische of psychische beperkingen (25295, nr. 750);
  • de motie-Hijink over in de routekaart aangeven wanneer een mondkapjesplicht dan wel een mondkapjesadvies geldt (25295, nr. 751);
  • de motie-Hijink over eenduidige ondersteuning en regels voor mensen met een beperking of ziekte (25295, nr. 752);
  • de motie-Van Dam over de regels voor bepaling van groepsvorming verduidelijken voor Bonaire en Saba (25295, nr. 753).

(Zie notaoverleg van 24 november 2020.)

De voorzitter:
Aangezien de motie-Van Dam (25295, nr. 753) is ingetrokken, maakt zij geen onderwerp van behandeling meer uit.

De motie-Van Esch (25295, nr. 746) is in die zin gewijzigd en nader gewijzigd dat zij thans is ondertekend door de leden Van Esch, Stoffer en Krol. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. ??, was nr. ??, was nr. 746 (25295).

In stemming komt de nader gewijzigde motie-Van Esch c.s. (25295, nr. ??, was nr. ??, was nr. 746).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de PvdD, Van Kooten-Arissen, DENK, de SGP, de PVV en Van Haga voor deze nader gewijzigde motie hebben gestemd en de leden van de fracties van de SP, de PvdA, GroenLinks, 50PLUS, D66, de VVD, het CDA en de ChristenUnie ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Sazias (25295, nr. 748).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, de PvdA, GroenLinks, de PvdD, 50PLUS, Van Kooten-Arissen, DENK, de PVV en Van Haga voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van D66, de VVD, de SGP, het CDA en de ChristenUnie ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Van Haga/Baudet (25295, nr. 749).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de PvdD, Van Kooten-Arissen, DENK, de SGP, de PVV en Van Haga voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van de SP, de PvdA, GroenLinks, 50PLUS, D66, de VVD, het CDA en de ChristenUnie ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Van Haga/Baudet (25295, nr. 750).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, de PvdA, GroenLinks, de PvdD, 50PLUS, Van Kooten-Arissen, DENK, de SGP, de PVV en Van Haga voor deze motie hebben gestemd en de leden van de fracties van D66, de VVD, het CDA en de ChristenUnie ertegen, zodat zij is verworpen.

In stemming komt de motie-Van Haga/Baudet over privacy… Nee, dat is de motie op stuk nr. 750 en die hebben we net gehad. We gaan naar de motie op stuk 751. Dank jullie wel.

In stemming komt de motie-Hijink (25295, nr. 751).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, de PvdA, GroenLinks, de PvdD, 50PLUS, Van Kooten-Arissen, DENK, D66, de VVD, de SGP, het CDA, de ChristenUnie, de PVV en Van Haga voor deze motie hebben gestemd, zodat zij is aangenomen.

In stemming komt de motie-Hijink (25295, nr. 752).

De voorzitter:
Ik constateer dat de leden van de fracties van de SP, de PvdA, GroenLinks, de PvdD, 50PLUS, Van Kooten-Arissen, DENK, D66, de VVD, de SGP, het CDA, de ChristenUnie en de PVV voor deze motie hebben gestemd en de fractie van Van Haga ertegen, zodat zij is aangenomen.

Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de stemmingen.

De vergadering wordt van 17.14 uur tot 17.34 uur geschorst.

Begroting Justitie en Veiligheid 2021

Begroting Justitie en Veiligheid 2021

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

  • het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (VI) voor het jaar 2021 (35570-VI).

De algemene beraadslaging wordt hervat.

De voorzitter:
Ik geef de minister van Justitie en Veiligheid het woord.

Minister Grapperhaus:
Voorzitter. Ik wil eerst de amendementen bespreken, dan enkele vragen van uw leden en ten slotte de moties.

Allereerst het amendement op stuk nr. 6 van de heer Van Raak over 600 miljoen extra voor de politiebegroting. Dat ontraad ik. Ik verwijs naar de eerste termijn. Daar heb ik uitvoerig uiteengezet hoe de omvangrijk de structurele en ook incidentele investeringen van dit kabinet zijn geweest, mede door moties van uw Kamer, laat dat duidelijk zijn. Het is wel passend om nieuwe investeringen van een dergelijke omvang aan een volgend kabinet te laten. Dat lijkt mij voldoende als uitleg waarom we deze motie ontraden.

Dan de motie van de heren Van Nispen en Van den Berge op stuk nr. 13 over 60 miljoen extra voor het Openbaar Ministerie.

De voorzitter:
U bedoelt het amendement, hè?

Minister Grapperhaus:
Amendement, excuus. Mijn fout. Het amendement op stuk nr. 13 wordt ook ontraden. Ook daar geldt in eerste instantie wat ik net heb gezegd ten aanzien van de politie. Daarnaast heeft het Openbaar Ministerie juist op het terrein van georganiseerde criminaliteit en een grotere focus op het afpakken van crimineel verkregen vermogen de laatste jaren extra middelen ontvangen. Ik heb u daarover bij brief van 17 november jongstleden uitvoerig geïnformeerd.

Dan het amendement op stuk nr. 15 van de heer Van Nispen over 100 miljoen extra voor de politie voor het afpakken van crimineel vermogen. Weer ontraden. Ook weer gezien het feit dat er nou juist door dit kabinet al structureel is gefinancierd en dat een dergelijk groot bedrag natuurlijk aan de orde zou moeten komen bij een volgend kabinet. De dg Ondermijning heeft nou juist de specifieke opdracht gekregen voor de regie op de afpakketen om in nauwe samenwerking met alle betrokken partners in te zetten op het verhogen van de afpakresultaten. Juist van dat Multidisciplinair Interventieteam heb ik gezegd dat ik dat in ieder geval nu wil realiseren. Dat gaat ook een heel grote rol spelen op het punt van het afpakken van crimineel vermogen.

De voorzitter:
Heel kort, meneer Van Nispen.

De heer Van Nispen (SP):
Dank, voorzitter. Het komt niet helemaal als een verrassing. Ik heb hier toch een vraag over. Ik denk dat de minister niet kan ontkennen — dat horen we in de rondetafelgesprekken die we als Kamer hebben georganiseerd — dat er meer financieel rechercheurs moeten komen. Daar ligt genoeg werk voor. Indachtig de discussie die we hebben gehad — dat was onder andere met de VVD en het CDA, dat ook een motie heeft ingediend — over het laten uitrekenen van iets wat je investeert, wil ik aan deze minister vragen of nog steeds de kabinetslijn is, de gedachte is, dat een euro die je investeert in meer afpakken van misdaadgeld drie euro zou opleveren. Als dat niet zo is, lijkt het me heel goed om dat opnieuw te onderzoeken. Wat is dan nu wel de verwachting van de minister? Wat zouden investeringen in meer financieel rechercheurs op dit moment op kunnen brengen?

Minister Grapperhaus:
Dat vind ik nu, vandaag, een lastige vraag om te beantwoorden, zeker om die op basis van een vast stramien te beantwoorden. Ik denk dat in ieder geval de vele position papers die er de afgelopen tijd zijn gekomen van onder andere de burgemeesters en het Openbaar Ministerie laten zien dat het nog steeds van belang is — dat zal dan onder een volgend kabinet zijn — om te kijken naar verdere investeringen daarin.

De voorzitter:
Gaat u verder.

Minister Grapperhaus:
Voorzitter. Dan het amendement op stuk nr. 17 van mevrouw Buitenweg over 3,5 miljoen extra voor het Team Bestrijding Kinderporno en Kindersekstoerisme en een half miljoen extra voor het OM. Die ontraad ik ook. Mevrouw Buitenweg weet dat het onderwerp mij zeer aan het hart ligt, maar daarvoor is naast wat we allemaal nu al realiseren hierop, ook aan extra zaken, dit jaar geen ruimte. De afgelopen jaren hebben andere diensten van de politie extra middelen gekregen die ook indirect de TBKK's, zoals ik ze maar even voor het gemak noem, ten goede komen door nauwe samenwerking, onder andere de investeringen in het Team High Tech Crime.

Over de dekkingskant wil ik nog opmerken dat de middelen voor verkeershandhaving echt bedoeld zijn voor onderhoud en vervanging van verkeershandhavingsmiddelen zoals trajectcontroles en digitale flitspalen. En ik realiseer me dat we dit jaar heel scherp moeten letten op elke euro die wordt uitgegeven, omdat corona vanzelfsprekend flink ingrijpt in 's Rijks financiën; laat ik het maar zo zeggen. Ik wil dat toch in ieder geval gezegd hebben, want ik kan me natuurlijk wel voorstellen dat dit sommige leden teleurstelt.

Ik kom ten slotte op het amendement op stuk nr. 18, van de leden Van Nispen en Buitenweg, over het Expertisebureau Online Kindermisbruik. Ook dat amendement ontraad ik. Het Expertisebureau Online Kindermisbruik speelt, naast vele anderen, een belangrijke rol in de aanpak van online seksueel kindermisbruik. Er staat voor 2021 weer een bedrag van €168.000 begroot, en ik houd ook gaande 2021 oog en oor voor eventuele knelpunten. Ik merk nadrukkelijk op dat de financiële positie van het EOKM ook afhankelijk is van bijdragen van derden, en dat steeds is geweest. Er zijn bijvoorbeeld subsidies van de EU, bijdragen van de betrokken bedrijven en bijdragen uit fondsen. En overigens vind ik dat er ook meer financieel zou moeten worden bijgedragen door bedrijven aan het EOKM. Mag ik nog heel snel zeggen, voorzitter, dat dat bijvoorbeeld ook in Amerika gebeurt bij het zogenaamde NCMEC, het National Center for Missing & Exploited Children? De hal van het NCMEC is behangen met namen van bedrijven, van Google tot Budweiser en van Apple tot het bedrijfsleven.

De voorzitter:
Meneer Van Nispen wil een vraag stellen. Doet u dat heel kort, meneer Van Nispen, want we hebben nog 61 moties te gaan.

De heer Van Nispen (SP):
Dat klopt, voorzitter. De minister kan vinden dat bedrijven daaraan moeten meebetalen, maar volgens mij is het ook een overheidstaak om te zorgen voor zo'n belangrijk bureau. De Kamer heeft heel veel aandacht gehad voor het belang van het bestrijden van kindermisbruik en het schoonmaken van het internet door walgelijk materiaal als kinderpornografie te verwijderen. Vorig jaar was er een bijdrage van uiteindelijk meer dan €700.000, en volgend jaar is er dus €168.000 voor. De minister zegt: ik ga gaande het jaar de vinger aan de pols houden en kijken wat ik steeds bij moet plussen. Daar kan een organisatie natuurlijk niet op draaien. Daar zijn mensen in dienst! Op die manier wordt die organisatie gewoon in haar voortbestaan bedreigd. Het amendement probeert een basis te leggen. Het is een zeer bescheiden amendement, van €300.000. Ik snap dat iedere euro moet worden omgedraaid, maar als deze dekking niet aanvaardbaar is voor de minister, hoop ik echt dat hij met ons meedenkt over wat er dan wel kan. En nogmaals, ik doe echt een dringend beroep op de Kamerleden om daar ook bij mee te denken, en om te kijken of we hier uit kunnen komen. Ik zou het echt zeer spijtig vinden als volgend jaar die organisatie niet meer bestaat omdat we vandaag niet het juiste besluit nemen.

Minister Grapperhaus:
Dit is natuurlijk niet het hele verhaal. Dat hele verhaal heb ik schriftelijk uiteengezet en heb ik net, zo snel als het ging, ook nog aangegeven. Ik heb gezegd: ik blijf in 2021 oog en oor bij het EOKM houden. Maar we moeten ons ook realiseren dat een deel van die €794.000 extra incidentele middelen waren. En we moeten zien dat er ook bijdragen zijn van derden. Ik noemde al de subsidies uit de EU.

De voorzitter:
Gaat u verder.

Minister Grapperhaus:
Ja. Er is een aantal vragen gesteld. Ik begin met die van mevrouw Van der Graaf over dat overzicht van directe en indirecte maatschappelijke kosten van drugs. Ik wil in ieder geval duidelijk toezeggen dat er in januari een brief naar de Kamer komt waarin een overzicht staat van de verschillende onderzoeken en de beschikbare monitoring die er is. In de eerste termijn zei ik al dat we dan dus in kaart kunnen brengen wat er ontbreekt of meer nodig is, in overleg en samenwerking met mijn collega van VWS voor zover het gaat over gebruik. Ik wil ernaar streven dat we in het voorjaar van 2021 ook echt kunnen aangeven wat hier nou eigenlijk uit komt rollen. Maar ik moet hierbij een beetje een slag om de arm houden: we moeten eerst zien wat dan het aanvullend onderzoek zou inhouden dat gedaan moet worden.

Mevrouw Buitenweg vroeg naar het oprichten van een kenniscentrum dat mensen helpt bij het laten verwijderen van online content. Zij vroeg naar wat ik daarop heb geantwoord. In de eerste termijn heb ik hier al iets over gezegd, dus ik mag hopen dat dat verder afdoende is geweest.

Dan kom ik, voorzitter, op mevrouw Yeşilgöz, die een vraag had over vuurwerk.

De voorzitter:
Voordat u verdergaat: op het vorige punt mevrouw Van der Graaf. Ook een korte opmerking.

Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):
Ja, ik heb een korte vraag. Dank aan de minister voor die royale toezegging over dat onderzoek. Betekent dat dat wij in maart al een beetje zicht hebben op de maatschappelijke kosten?

Minister Grapperhaus:
Ja, het idee is om u in januari een catalogus aan te bieden van wat we nationaal en internationaal aan onderzoeken hebben die hiervoor relevant kunnen zijn. Dan hoeven we die niet nog een keer te doen. Vervolgens zouden we met elkaar een route moeten uitstippelen. Ik neem aan dat er ergens eind januari nog wel een geschikt AO is om dat te doen. Dan kunnen we vaststellen wat er nog aan aanvullend onderzoek nodig is. Dat zou, als het meezit, in een paar maanden nog meer duidelijkheid kunnen brengen, maar daar moet ik wel een beetje een caveat op maken.

De voorzitter:
Tot slot mevrouw Van der Graaf.

Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):
Dat snap ik. Dan zou de ChristenUnie in ieder geval heel blij zijn als de minister in januari er ook een rekensom bij kan leveren. Dat geef ik alvast mee.

Minister Grapperhaus:
Oké, ik begrijp dat voorschot op blijdschap. Misschien is blijdschap al aanwezig, maar daar plaats ik een dubbele caveat op, want ik weet gewoon niet hoe dat gaat.

De voorzitter:
Gaat u verder.

Minister Grapperhaus:
Maar blijdschap creëren is misschien wel een van de grootste doelen in het leven.

Voorzitter. De Veiligheidsmonitor zal ik in het eerstvolgende Veiligheidsberaad, maandag aanstaande — tegenwoordig spreken we elkaar wekelijks, dat is misschien opgevallen — onder de aandacht brengen.

Voorzitter. Daarmee heb ik de vragen die voorlagen beantwoord en kom ik op de moties.

De voorzitter:
Kort, mevrouw Yeşilgöz.

Mevrouw Yeşilgöz-Zegerius (VVD):
De minister begon volgens mij over vuurwerk en toen kwam er een interruptie.

Minister Grapperhaus:
Ja, excuus. Vuurwerk wordt straks verboden. Dat ligt bij de collega, de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat. Zij gaat daarover. Het handhavingsbeleid is aan de lokale driehoek. Maar weet dat ik de komende maandagen met het Veiligheidsberaad uitvoerig spreek over hoe dat vorm zou moeten krijgen. Dat laat niet alleen onverlet, maar dat stimuleert ook dat de lokale driehoeken hun beleid formuleren. Hoe triest het ook moge zijn, aan gebeurtenissen in sommige plaatsen kan men al zien dat het noodzaak is om daarnaar te kijken.

De voorzitter:
Mevrouw Buitenweg, ook een korte vraag.

Mevrouw Buitenweg (GroenLinks):
Ik had gevraagd naar de VN-campagne tegen antisemitisme die begonnen is. Een twaalftal EU-lidstaten zijn daarbij aangesloten, maar Nederland niet. Ik vroeg me af wat het idee daarachter was.

Minister Grapperhaus:
Dat komt kennelijk voort uit een conferentie die op zichzelf was georganiseerd. Ik heb de tekst zojuist in de schorsing nagelezen. Wat daar in staat, spreekt mij zeer aan. Het thema dat daarin wordt aangeroerd, is dat er rondom zo'n coronavirus weer allerlei heel akelig antisemitisme opsteekt in de vorm van "het is de schuld van de Joden"; walgelijk! Walgelijk en onzinnig. Dat is in ieder geval voor mij aanleiding om hier goed naar te kijken om te zien of we daar op enigerlei wijze bij kunnen aansluiten.

De voorzitter:
Goed. Nu de moties.

Minister Grapperhaus:
Nu de moties, voorzitter. Ja, ik ga snel en begin meteen. Ik zal de "oordeel Kamer"-moties heel kort behandelen en de te ontraden moties wat langer, om eventjes uit te leggen waarom. Ik hoop dat u dat goedvindt, voorzitter.

De motie op stuk nr. 21 van mevrouw Helder over de politiebureaus ontraad ik. Dat strategisch huisvestingsplan is toen ingezet, ook met goedvinden van uw Kamer. Dat is nodig en doeltreffend. Dat loopt en daar heb ik ook vaker met de Kamer over gesproken. Ik vind dat we vooral in agenten en in goede middelen moeten investeren en niet zozeer in stenen.

Voorzitter. De motie op stuk nr. 22 is ook van mevrouw Helder. Die gaat over de PTSS-dossiers en het verrekenen van smartengeld. Ik wil met nadruk opmerken dat ik het onderwerp dat mevrouw Helder aansnijdt, heel sympathiek vind. Ik heb juist geprobeerd te sturen op die oude dossiers, het afgelopen jaar. Er is een commissie van onafhankelijken die gaat beoordelen wat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid de vergoeding zou moeten zijn. Ik moet dus deze motie ontraden, omdat die mij de regels zou laten opleggen waaraan die commissie zich juridisch moet houden, en dat zou ik niet goed vinden. Maar ik wil wel benadrukken dat ik de zorg van mevrouw Helder begrijp, dat het voor deze mensen goed en snel wordt afgewikkeld.

De voorzitter:
Gaat u verder.

Minister Grapperhaus:
Ik kom begin december met een brief daarover bij uw Kamer.

Dan de motie van mevrouw Helder op stuk nr. 25 …

De voorzitter:
En de heer Wilders.

Minister Grapperhaus:
Over bedreigde politici. Die ontraad ik. Daar is ook geen dekking voor.

Dan kom ik bij de motie van de PVV.

De voorzitter:
Echt heel kort, mevrouw Helder, want we hebben 61 moties en als iedereen op de eigen motie gaat reageren, zijn we … Pardon, mevrouw Helder.

Mevrouw Helder (PVV):
Ik dacht erover om de motie over PTSS aan te houden, maar dat wil ik uiteindelijk toch niet doen. De minister wil gewoon aansluiten bij wat maatschappelijk gebruikelijk is, dus een maximale schadevergoeding van €25.000 voor immateriële schade, en dat klopt gewoon niet, dus aanhouden heeft dan geen zin.

De voorzitter:
Gaat u verder.

Minister Grapperhaus:
Voorzitter. Dan de motie op stuk nr. 26 van de heer Markuszower over artikel 68 van de Grondwet. Die ontraad ik, gelet op de overweging en het dictum van de motie. Ik wil nog eens benadrukken dat het kabinet de motie-Omtzigt, de 150-0-motie, zo noem ik die maar even, geheel volgt.

Dan hebben we de motie op stuk nr. 33 van mevrouw Yeşilgöz-Zegerius, met de onderzoeksopdracht. Die geef ik oordeel Kamer.

Dan de motie op stuk nr. 34, over de veiligheid van freelance-journalisten, ook van mevrouw Yeşilgöz, over kijken naar benodigde voorzorgsmaatregelen et cetera. Ook oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 35 over een gelijkwaardig aanspreekpunt voor zowel journalisten als voor politici. Ook oordeel Kamer.

Dan de motie op stuk nr. 36 van mevrouw Yeşilgöz-Zegerius, mevrouw Van Toorenburg en mevrouw Buitenweg — ik moet natuurlijk alle namen noemen, excuus — over de openbare registers. Die verzoek ik aan te houden tot ik een gesprek ben aangegaan met de minister van BZK, want dit betreft het Kadaster en dat valt niet onder mij.

Mevrouw Yeşilgöz-Zegerius (VVD):
Ik wil de motie wel aanhouden, als we kunnen afspreken dat dat gesprek snel plaatsvindt en dat we ook echt snel een reactie kunnen krijgen, wellicht per brief. Dan kunnen we kijken wat we met de motie doen.

Minister Grapperhaus:
Ik zeg toe dat dat gesprek echt voor het kerstreces heeft plaatsgevonden, want deze maand is heel kort.

De voorzitter:
Op verzoek van mevrouw Yeşilgöz-Zegerius stel ik voor haar motie (35570-VI, nr. 36) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Minister Grapperhaus:
De motie op stuk nr. 37 van mevrouw Buitenweg en mevrouw Van Toorenburg over de deep nudes geef ik zeer van harte oordeel Kamer.

Dan heb ik de motie op stuk nr. 38 van mevrouw Buitenweg en mevrouw Yeşilgöz-Zegerius over het cyberafhankelijkheidsbeeld. Als ik de motie zo mag interpreteren dat het gaat om het verbreden van de structurele aanpak op 5G-telecom naar andere vitale processen en het maken van risicoanalyses die inzichtelijk maken waar de afhankelijkheden zitten en adaptieve maatregelen mogelijk zijn, dan kan ik de motie oordeel Kamer laten. Ik zie in de zaal iemand knikken die daar vrij wezenlijk voor is, dus dan mag ik aannemen dat dat goed gaat.

Aanhouden vraag ik bij de motie op stuk nr. 42, over de digitalisering van werkprocessen in de strafrechtketen.

De voorzitter:
Van mevrouw Van Toorenburg en de heer Van Dam.

Minister Grapperhaus:
Begin december stelt de strafrechtketen het portfolio vast voor digitalisering, dus ik zou willen vragen om deze motie even aan te houden. Dat is de motie over forensische opsporing.

De voorzitter:
Mevrouw Van Toorenburg geeft aan dat zij de motie op stuk nr. 42 aanhoudt.

Op verzoek van mevrouw Van Toorenburg stel ik voor haar motie (35570-VI, nr. 42) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Minister Grapperhaus:
Dan de motie op stuk nr. 43, de medaillemotie. Oordeel Kamer.

De voorzitter:
Nou, dan kan mevrouw Van Toorenburg de heer Van Dam blij maken. Hij zit er al! Hij is speciaal voor deze motie teruggekomen. Goed.

Minister Grapperhaus:
Het is niet altijd aan de heer Van Dam te zien, maar hij is heel blij.

Voorzitter. De motie-Van Toorenburg/Van Dam op stuk nr. 44. Dat is voor de PTSS'ers net even iets anders, want daar gaat het erom te garanderen dat de hoogte van het smartengeld niet afhankelijk wordt van de hoeveelheid geld die voor de afhandeling van beroepsziekten is gereserveerd. Deze motie krijgt oordeel Kamer. Want, inderdaad, dat mag natuurlijk nooit … Nou ja, oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 49 van mevrouw Kuik gaat over, als ik het kort mag zeggen, het regelen van minimumleeftijden, 16-minners, et cetera. Van harte oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 51 is de motie van de heer Van Nispen, waarin de regering wordt verzocht om met een realistische visie te komen over hoe de politie in 2024 eruit zal zien. Die ontraad ik. De Kamer wordt vier keer per jaar uitgebreid geïnformeerd over de staat van de politie. Twee keer in een halfjaarbericht en in de begrotings- en verantwoordingsstukken. Ik ben steeds graag bereid geweest — daartoe ben ik nog steeds bereid en dat zal mijn opvolger ongetwijfeld ook zijn — om te spreken over wat in die rapportage nog eventueel verbeterd kan worden, maar er moet niet nog meer verantwoordingslast bij komen.

Voorzitter. Dan de motie van de heer Van Nispen c.s. over de inspanningen om criminelen die bepaalde strafbare feiten plegen, op te sporen en om het misdaadgeld af te pakken. Oordeel Kamer.

De voorzitter:
Dat is nummer?

Minister Grapperhaus:
Stuk nr. 52. Excuus.

De motie van de heer Van Nispen op stuk nr. 54 inzake het meldpunt voor slachtoffers van sektes en hun familieleden enzovoorts: oordeel Kamer.

Voorzitter. De motie-Van Nispen op stuk nr. 55 over het inventariseren van de behoefte aan een wijkplaats ontraad ik. Veiligheidsmaatregelen hebben altijd impact op de persoon. Binnen het stelsel bewaken en beveiligen wordt ervoor zorggedragen dat personen zo veilig en zo ongestoord mogelijk kunnen blijven functioneren. Bij het besluit over maatregelen wordt altijd maatwerk toegepast om passende en proportionele maatregelen te treffen. Die zijn dus in verschillende vormen, soorten en maten aanwezig. Een wijkplaats kán een aanvullende maatregel zijn die de werkgever kan treffen om daar passende mogelijkheden voor te bieden, maar het is niet wenselijk dat de overheid wil sturen op dit soort aanvullende maatregelen. Vandaar ontraden.

De voorzitter:
Heel kort, de heer Van Nispen.

De heer Van Nispen (SP):
Het gaat om de periode na de bedreiging, dus het heeft niks te maken met kritiek op wie of wat dan ook, of met capaciteit of zelfs investeringen. Omdat bedreigingen zo ingrijpend zijn, gaat het er juist om dat mensen in een vertrouwenwekkende omgeving weer tot rust kunnen komen, daarover kunnen praten et cetera. Het klinkt misschien een beetje soft, maar volgens mij is dat heel erg belangrijk. Mensen met een togaberoep — denk bijvoorbeeld aan advocaten — hebben natuurlijk niet zomaar een werkgever die dat even voor ze kan organiseren. Dat de overheid daar niks mee te maken zou hebben, lijkt mij dus wat vreemd.

Minister Grapperhaus:
Het zijn niet altijd werkgevers. Overigens, ik ken advocaten in loondienst, maar dat geheel terzijde. Ik blijf toch bij ontraden, omdat dit echt aanvullende zaken zijn, en daar moeten wij als overheid niet ook op gaan sturen.

De voorzitter:
Meneer Van Nispen? Ja.

De heer Van Nispen (SP):
Ik vind het jammer dat ik mij misschien niet goed heb uitgedrukt en dat in ieder geval de minister de bedoeling van mijn motie niet goed begrijpt. Ik ga de motie daarom aanhouden. Ik zal ervoor zorgen dat zowel de minister als de collega's beter worden geïnformeerd over in ieder geval het doel van dit voorstel.

De voorzitter:
Op verzoek van de heer Van Nispen stel ik voor zijn motie (35570-VI, nr. 55) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Minister Grapperhaus:
Prima, aangehouden.

Dan de motie-Groothuizen/Van Toorenburg op stuk nr. 60 over de capaciteit voor de aanpak van cybercrime. Die motie geef ik oordeel Kamer, althans, als ik de motie zo mag interpreteren dat, als zich extra investeringen voordoen, daarbij in ieder geval ook die keteneffecten meteen gaan meespelen.

Voorzitter. Dan de politiehondenmotie. Dat is de motie op stuk nr. 67 van de heer Wassenberg. Die ontraad ik. Het geconstateerde gebrek in de regelgeving wordt met de nieuwe ambtsinstructie hersteld. Dat heb ik in mijn eerste termijn gezegd. De hond is één van de doelmatigste en zwaarste beschikbare wapens van de politie, en dat moet ook zo blijven. Het is ook gewoon nodig voor de politie. Er is een debat geweest tussen de Kamerleden onderling over het feit dat we nu ook geleidelijk het stroomstootwapen aan het invoeren zijn. Dat is, denk ik, in dat opzicht een stap voorwaarts, hoe dan ook.

Dan de motie op stuk nr. 68 van de heren Wassenberg en Graus over het versterken van de capaciteit van de dierenpolitie om de malafide handel in dieren sterker aan te pakken. Die ontraad ik. Er zijn 180 agenten die hierin gespecialiseerd zijn. Mede door betere ketensamenwerking met de LIO en de NVWA kan er al heel veel. Meer agenten is niet verantwoord. Voor extra agenten is gewoon geen dekking. Ontraden dus.

Dan de motie op stuk nr. 69 over het verbod op en strafbaarstelling van het doden van gezelschaps- en landbouwhuisdieren, anders dan honden, katten en ganzen, hoewel dat niet in de motie staat, maar dat werd ongetwijfeld bedoeld, want dat is al in de wet geregeld. Maar deze motie is echt het terrein van de collega van LNV. Ik zou dus willen voorstellen dat de motie wordt aangehouden. Ik zal dan het verzoek overbrengen aan de minister van LNV. Die zal dan een appreciatie geven, maar ik kan niet garanderen dat dat volgende week al gebeurd is.

De heer Wassenberg (PvdD):
Ik zei het bij de aankondiging van de motie en we hebben het er gisteren over gehad: de minister kent kennelijk haar eigen wet niet. Toen ik namelijk zei dat het alleen maar over honden, katten en ganzen gaat, zei de minister niets anders dan: ik blijf erbij dat ik haar ontraad. Het probleem is dus, zoals ik al zei, dat cavia's met een stoeptegel of baksteen worden gedood ...

De voorzitter:
Dat heeft u gezegd.

De heer Wassenberg (PvdD):
Kan de minister dan ook aangeven dat in de wet alleen de bescherming van honden, katten en ganzen is geregeld, terwijl je met cavia's, hamsters, vogels en alle andere dieren als particulier kunt doen wat je wil?

Minister Grapperhaus:
Laat ik het als volgt stellen. Wat ik aan de minister van LNV zal overbrengen, is het stukje van het debat dat hierover is geweest. Dat is dus de bijdrage van de heer Wassenberg en ook dat wat ik er nu over zeg. Ik zal vervolgens vragen of zij daarop en op deze motie wil reageren. We hebben ook altijd nog het leerstuk van voortschrijdend inzicht. Wie weet hoe we dat in het leven ... Ik weet niet of dat ook voor dieren geldt.

De voorzitter:
Wat doet u met de motie, meneer Wassenberg? Aanhouden?

De heer Wassenberg (PvdD):
Ik zal even overleggen met collega Graus, maar vooralsnog houden we haar niet aan.

De voorzitter:
Oké.

De heer Wassenberg (PvdD):
Het duurt nog een paar dagen voordat we erover gaan stemmen, dus ...

De voorzitter:
Dat is dinsdag.

Minister Grapperhaus:
Maar dan moet ik nu een oordeel geven. Dat is dan: ontraden. Dat zou ik echt jammer vinden, want ik denk dat het naar aanleiding van het debatje de moeite waard is om gewoon ...

De heer Wassenberg (PvdD):
Voorzitter, ik houd de motie even aan.

De voorzitter:
Op verzoek van de heer Wassenberg stel ik voor zijn motie (35570-VI, nr. 69) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:
Zo is dat. De motie is aangehouden en er komt een reactie van de minister van LNV hierop.

Minister Grapperhaus:
Ja, dankzij al het voortschrijdend inzicht, ook bij de dieren.

Voorzitter. Dan de motie op stuk nr. 70 van de heer Bisschop. Oordeel Kamer. Die gaat erover dat de IHRA-definitie herkenbaar naar voren komt in de opsporing. Ik wijs er overigens wel op dat ik eerder al eens een dergelijke motie, niet deze maar een iets minder vergaande, van collega Van der Staaij oordeel Kamer heb gegeven. Maar ook deze geef ik oordeel Kamer, want het is mij sympathiek.

Dan de motie op stuk nr. 73. Die moet ik ontraden. Die gaat over het verminderen van de fte's in de basispolitiezorg. Ik heb net een brief over de GGP gestuurd. De maatregelen die daarbij zijn aangekondigd, gaan ook echt helpen. Ik deel ook echt niet het beeld dat de politie de band met de wijken kwijt is. Ik heb daar in de schriftelijke beantwoording ook nog wat cijfers over laten zien. Die ga ik hier niet herhalen, voorzitter, zo beloof ik u, maar ik moet haar dus ontraden. Ik ga graag met de heer Bisschop in een volgend politiedebat verder spreken over wat ik in die GGP-brief heb geschreven.

Dan heb ik van de heer Azarkan nog een aantal moties. Eerst de motie op stuk nr. 75, over het intensiveren van de aanpak van extreemrechts. Die ontraad ik. Zoals uit het Dreigingsbeeld Terrorisme Nederland blijkt, heeft rechtsextremisme alle aandacht van de veiligheidsdiensten en NCTV. De aanpak en bestrijding van extremisme en contraterrorisme omvat indien nodig ook rechtsextremisme. Een intensivering daarvan is in dat verband dus niet aan de orde. De motie-Azarkan op stuk nr. 76, over het verrichten van een landelijk onderzoek naar discriminatoir, racistisch, vrouwonvriendelijk en homofoob taalgebruik door agenten werkzaam bij de nationale politie, ontraad ik. Er is een goed stelsel van klachtenafhandeling en een stelsel van vertrouwenspersonen, compleet met de dankzij een eerdere motie, van de heer Van Dam, ingevoerde ombudsman bij de politie. In dat verband komen we nog te spreken over de tekorten bij de zogenaamde VIK-klachtenbehandeling. Ik heb uw Kamer daarover een brief gestuurd.

Dan de motie-Azarkan op stuk nr. 78 over het per direct stoppen met het uitrusten van agenten met stroomstootwapens. Gezien wat ik daar zojuist over heb gezegd, mag u aannemen dat ik deze motie ga ontraden. Er is geen reden voor. Er wordt gemonitord en geëvalueerd. We hebben echt een heel zorgvuldig proces gevolgd. Dat heeft geleid tot deze geleidelijke invoering.

Ik ontraad de motie-Azarkan op stuk nr. 79 over het opschorten of staken van het gebruik van de politiehond. Ik verwijs naar wat ik daar eerder over zei naar aanleiding van de motie van de heer Wassenberg. Het is een belangrijk en noodzakelijk middel voor de politie.

Dan heb ik nog de motie op stuk nr. 80 van de heer Azarkan, over een wettelijk kader voor het gebruik van artificiële intelligentie door de nationale politie. Die motie ontraad ik. De politie is gebonden aan de rijksbreed geldende regelgeving en er is geen reden voor een apart kader daarvoor.

Als laatste de motie op stuk nr. 81, die de regering verzoekt om te onderzoeken op welke wijze de klachtenprocedure onafhankelijker gemaakt kan worden en ervoor te zorgen dat de uitspraken van de onafhankelijke klachtencommissie bindend worden. Die motie ontraad ik. Er is een goed stelsel van klachtenafhandeling. Ik zei het net al: recentelijk is er ook een ombudsman aan toegevoegd.

Dat waren de aan mij gestelde vragen en de door mij te behandelen moties.

De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Yeşilgöz, is er een vraag blijven liggen?

Mevrouw Yeşilgöz-Zegerius (VVD):
Er is een nieuwe bij gekomen. Ik wil graag, gezien de urgentie, gebruikmaken van de gelegenheid om de minister een dringende vraag te stellen. We lezen net dat er een vrouwelijke terrorist onderweg schijnt te zijn naar Nederland. Zij wordt "de mooie Angela" of "jihadbruidje" genoemd. Ik hoop niet dat wij in dat soort belachelijke termen trappen. Ik zou graag van de minister de bevestiging willen hebben dat er alles aan wordt gedaan om te voorkomen dat deze terrorist Nederland inkomt.

Minister Grapperhaus:
Ik kan niet ingaan op een individuele casus. Dat is één ding. Een ander ding is: als een Nederlandse uitreizigster zich meldt bij de Nederlandse diplomatieke vertegenwoordiging, kan die persoon vragen om consulaire bijstand. Dan zou terugkeer plaats kunnen vinden onder begeleiding van de KMar en wordt de betrokkene in geval van verdenking van betrokkenheid bij terroristische misdrijven aangehouden op Schiphol, of in ieder geval bij aankomst in Nederland. Zolang als ik minister ben, is dat het vaste beleid en dat was het ook onder het kabinet-Rutte II.

De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Yeşilgöz.

Mevrouw Yeşilgöz-Zegerius (VVD):
In ons verkiezingsprogramma hebben we allerlei elementen staan waarmee we gaan proberen dat te voorkomen; dus ook geen consulaire hulp meer bieden. Maar goed, dat is voor later. Ik lees ook dat deze terrorist geholpen is door de terrorist die vastzit, Samir A. Wij hebben er heel veel geld tegenaan gegooid om hem te deradicaliseren, maar hij zamelt ondertussen geld in om dit soort terroristen hiernaartoe te halen. Dus ik zou toch graag willen dat de minister hier wat dieper induikt en de Kamer hierover informeert, want ik vind echt dat we er alles aan moeten doen om niet mensensmokkel, met terroristen, te faciliteren door ze vervolgens van de ambassade hiernaartoe te begeleiden.

Minister Grapperhaus:
Is dit een vraag?

De voorzitter:
Nee. Misschien is het goed om eerst kennis te nemen van zo'n bericht, want dit is iets wat mevrouw Yeşilgöz ter plekke noemt. Misschien is het voor u ook een reden om het eerst te lezen.

Minister Grapperhaus:
Ik heb het nieuwsbericht gezien. Dat stond ergens. Ik weet niet meer waar het precies stond, maar nogmaals, individuele casuïstiek kan ik hier niet bespreken.

Voordat ik ga zitten, wil ik nog wel het volgende zeggen. In mijn beantwoording van de vragen van mevrouw Buitenweg ben ik ingegaan op het ministerie en op de mensen die daar werken. Ik stel het zeer op prijs dat een aantal van uw leden heeft stilgestaan bij het enorme werk dat door alle ondersteuners is gedaan de afgelopen dagen. Als de heer Bisschop zegt dat niet alle antwoorden naar zijn kwalitatieve zin waren, dan moet hij mij en de collega's daarop aankijken. In ieder geval mij, want de collega's ga ik nu ook niet schuldig maken. Maar ik kan u verzekeren dat de ambtenaren ongeveer twee nachten hebben doorgewerkt.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan wachten we heel even totdat het spreekgestoelte is schoongemaakt. Wie krijgt dan het woord? Wat is de volgorde? Het woord is aan de minister voor Rechtsbescherming.

Minister Dekker:
Voorzitter. Dank. Ik heb in mijn inbreng de amendementen al van een advies voorzien. Ik weet niet of ik ze allemaal heb gehad. Het amendement op stuk nr. 8 krijgt oordeel Kamer. De amendementen op de stukken nrs. 10, 11, 12 en 20 ontraad ik.

Dan de moties. De motie van de heer Markuszower op stuk nr. 24 ontraad ik.

Datzelfde geldt voor de motie op stuk nr. 25 van de heer Markuszower.

De motie op stuk nr. 45 van mevrouw Van Toorenburg kan ik oordeel Kamer geven.

De motie van mevrouw Van Toorenburg op stuk nr. 47 over preventie idem dito.

De motie op stuk nr. 48 krijgt ook oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 53 ontraad ik. Ik heb aangegeven dat dit complexer is dan alleen maar de verjaringstermijn voor geadopteerden. Ik kan me voorstellen dat je in meerdere gevallen vraagt of het terecht is, daar waar het kinderen betreft, maar je kunt ook denken aan mishandeling in de jonge jaren. Dit zegt: je moet dat nu gaan veranderen. Dat vind ik net een stap te ver gaan. Vandaar ontraden.

Ook de motie op stuk nr. 57 van de heer Jasper van Dijk ontraad ik. Ik heb in de schriftelijke beantwoording al het belang aangegeven van deze stap in een veel breder geheel. We proberen het aantal deurwaardershandelingen enorm naar beneden te brengen. Tegelijkertijd, als je hier niets aan doet, is dat uiteindelijk in het nadeel van schulden maken. Vandaar ontraden.

Dan de motie op stuk nr. 58. We hebben volgens mij een goed debat gehad over Polen. Ik begrijp de zorgen. Er loopt een inbreukzaak van de Commissie, die precies gaat over die tuchtkamer. Commissaris Reynders heeft de Poolse regering om opheldering verzocht over het doorgaan van de activiteiten van de Poolse tuchtkamer. Desalniettemin is het kabinet bereid om een eerste juridische analyse op te stellen van deze casus, zeg maar de onderzoekshandeling, en daarna gelijkgezinde lidstaten te benaderen om samen de route 259 te verkennen als voorbereidingshandeling. Dat is eigenlijk onderzoeken of dit verstandig is. Ik kan het oordeel aan de Kamer laten.

De motie op stuk nr. 59 krijgt oordeel Kamer.

Met de motie op stuk nr. 62 van mevrouw Van Beukering over de Autoriteit Persoonsgegevens kan ik echt niet goed uit de voeten. Er wordt gevraagd om in kaart te brengen wat we met de uitkomst gaan doen. Dat hebben we gedaan. Het onderzoek ligt er en ik heb u vorige week in een uitvoerige brief geschreven dat we met de aanbevelingen aan de slag gaan. Het tweede verzoek is om te onderzoeken hoe de capaciteit en middelen kunnen worden uitgebreid. Dat is vrij eenvoudig. Dat is een politieke keuze die je kunt maken, maar dat is niet de keuze die het kabinet op dit moment maakt. Als dat wel is wat er bedoeld wordt, moet de motie ontraden worden.

Bij de motie van de heer Bisschop op stuk nr. 74 aarzel ik wat over de appreciatie. Ik zou niet de indruk willen wekken dat kinderrechters hun werk niet goed doen of dat er sprake is van een gebrek aan geld waardoor ze daar niet goed aan toekomen. Maar ik ben wel bereid om het gesprek daarover aan te gaan met de Raad voor de rechtsspraak. Als ik de motie zo mag interpreteren, kan ik het oordeel aan de Kamer laten.

Tot slot de motie op stuk nr. 77. Die is volstrekt overbodig, want we doen al heel veel. Daarom ontraad ik die.

De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we weer even wisselen. Dan is nu het woord aan de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Ga uw gang.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Dank, voorzitter. Er waren nog een paar vragen die ik zou beantwoorden in de tweede termijn.

De eerste vraag is van mevrouw Becker. Zij vroeg mij in eerste termijn wanneer een volgende evaluatie van het subsidiekader voor terugkeerprojecten verwacht kan worden. Vorige week heeft u mijn brief over de evaluatie van de zogenoemde OZV, Ondersteuning Zelfstandig Vertrek, ontvangen. Die evaluatie heeft dus recent plaatsgevonden. In 2021 zal een brede doorlichting van de subsidierelaties plaatsvinden, zoals ook in de begroting is aangekondigd. Daarin zal ook dit subsidiekader meegenomen worden.

Mevrouw Becker vroeg mij ook wanneer de nieuwe registratie van aantoonbaar vertrek mag worden verwacht. De inzet is om dat met ingang van de eerstvolgende rapportage vreemdelingenketen te doen. Deze is voorzien in het tweede kwartaal van 2021.

Dan had mevrouw Becker nog een derde vraag, over de AVG en de Top-X informatiedeling. Mevrouw Becker vroeg mij ook naar de AVG-belemmeringen. In mijn schriftelijke antwoorden heb ik aangegeven dat in het kader van de aanpak van overlast gevende asielzoekers bekeken wordt hoe — dus niet of, maar hoe — bepaalde vreemdelingrechtelijke informatie over overlast gevende asielzoekers kan worden gedeeld met gemeenten, politie en het Openbaar Ministerie. Het gaat er dus om hoe die kan worden gedeeld. Daarbij wordt gekeken naar mogelijkheden als het afsluiten van convenanten, of, indien nodig, het aanpassen van wetgeving. Ik meen dat het mogelijk zou moeten zijn om eind januari helderheid te hebben over de mogelijkheden op dit punt. Ik zal de Kamer daarover vervolgens informeren.

Dan de vraag van de heer Van Ojik over Libië. Er is vele malen gesproken met de Kamer en met de heer Van Ojik over de samenwerking met de Libische kustwacht, vanuit het kabinet, door de premier, minister Kaag en minister Blok. We spreken onze Libische partners zowel in EU-verband, als in bilaterale contacten over de veranderingen die op dit terrein zo nodig zijn, waaronder het respecteren van internationale standaarden, verbeteren van de situatie in Libische detentiecentra, beëindigen van arbitraire detentie van irreguliere migranten, samenwerking met UNHCR en IOM, zowel in de detentiecentra als nu in het open centrum, en aanpak van smokkelaars, ook bij de kustwacht. Het belang van deze onderwerpen wordt door iedereen onderkend. Juist door het gesprek te blijven aangaan en elkaar met open vizier te blijven benaderen, lukt het om beetje bij beetje stappen te zetten. Denk aan het open centrum dat in gebruik is, het feit dat UNHCR en IOM aanwezig kunnen zijn bij de ontscheping in Libië en dat zij meer toegang hebben tot de detentiecentra. Kijk ook naar de resultaten van UNHCR en IOM in het kader van de evacuaties en vrijwillige terugkeer. Dat was niet mogelijk geweest als wij niet actief met de Libiërs in gesprek blijven.

Tot zover.

De voorzitter:
Een hele korte opmerking, meneer Van Ojik.

De heer Van Ojik (GroenLinks):
De staatssecretaris leest nu een briefje voor, waarin staat dat we allemaal het goede voor hebben met deze situatie. Dat betwijfel ik ook niet, maar feit is dat er op dit moment nog elf detentiecentra in Libië open zijn, waar systematisch wordt gemarteld en sprake is van seksueel geweld. Doordat de Libische kustwacht met onze steun mensen daarnaartoe terugbrengt, stel ik de vraag aan de staatssecretaris of ze misschien het gevoel heeft dat we daar, in beperkte mate misschien, toch medeverantwoordelijk voor zijn. Ik zeg niet dat haar intenties, de intenties van het kabinet of de intenties van de hele Europese Unie niet goed zijn. Ik stel alleen vast dat dit op dit moment gebeurt. Ik vraag haar om zich daarvoor in te zetten in de Europese Unie, zodat we daar niet langer aan meewerken. Daar gaat mijn motie over. Die zal ze wel ontraden, als ik het zo hoor. Ik zou haar toch willen vragen om toch nog eens heel even na te denken, voordat ze op mijn motie gaat zeggen: we doen het allemaal al, het is niet nodig, het gaat de goede kant op, dus we laten het zo.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Het belangrijke wat ik zojuist gezegd heb van de manier waarop zowel het Nederlandse kabinet bilateraal, alsook de Europese Unie, in gesprek is met de Libische partners, betekent dat stapje voor stapje — het zijn misschien kleine stapjes — vooruitgang wordt geboekt. Dat willen wij niet wegdoen. Wij vinden het belangrijk dat we die stapjes kunnen maken. Ik heb net verteld hoe het zit met het open centrum, de toegang, de situatie bij de ontscheping enzovoorts. De inzet is om dat gezamenlijk, bilateraal met de Europese Unie te doen. Daar boeken we een kleine voortgang, maar die voortgang is waardevol. Die willen we niet wegdoen.

De voorzitter:
Gaat u verder.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Voorzitter. Dan het amendement op stuk nr. 14 van de heer Jasper van Dijk. Helaas moet ik dit amendement ontraden. Conform de reguliere systematiek wordt bij de Voorjaarsnota 2021 bezien of een bijstelling van de budgetten van de IND nodig is op basis van de werkvoorraad van dat moment. Het dekkingsvoorstel gaat in tegen de begrotingsregels die een scheiding van inkomsten en uitgaven voorschrijven. Dit houdt in dat een intensivering van beleid niet gefinancierd dient te worden door een verhoging van de inkomsten, bijvoorbeeld via belastingen. Het kabinet is niet voornemens om van de begrotingsregels af te wijken. In de Voorjaarsnota komt er dus, indien nodig, een bijstelling. Om die reden ontraad ik het amendement.

Voorzitter. Dan de moties. Ik begin met de motie op stuk nr. 27 van de heer Emiel van Dijk en de heer Wilders. Deze motie ontraad ik, want we willen de samenwerking met Marokko op vele fronten verder brengen. Daar zet het kabinet actief op in.

Dan de motie op stuk nr. 28 van de heer Emiel van Dijk. Deze motie gaat over de Syriërs. Ik moet deze motie helaas ontraden. Zoals ik al vaker heb gezegd, bepaalt het kabinet op basis van de feiten uit ambtsberichten hoe de situatie is. Het volgende ambtsbericht staat gepland voor mei/juni 2021. Op dat moment wordt het beleid, indien nodig, herzien.

De motie op stuk nr. 29 is ook van de heer Emiel van Dijk. De motie gaat over de strafbaarstelling van de illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen en over het terugsturen van deze vreemdelingen. Ik moet deze motie helaas ook ontraden. Zoals de heer Van Dijk bekend, maakt strafbaarstelling van illegaal verblijf geen onderdeel uit van het regeerakkoord van dit kabinet. Daarmee is het ook geen onderdeel van de inzet.

Dan de motie op stuk nr. 30 van de heer Emiel van Dijk. De motie verzoekt om de grenzen te sluiten voor asielzoekers. Ik moet deze motie helaas ook ontraden. Het kabinet staat voor bescherming van vluchtelingen, in lijn met internationale verdragen. Dat zijn vluchtelingen die vanwege oorlogssituaties of geweld onze bescherming nodig hebben. Ik ontraad de motie.

Dan de motie op stuk nr. 31, van mevrouw Becker. De motie verzoekt de regering om met gelijkgezinde omringende landen te werken aan een sterker Schengen. Ik kan deze motie oordeel Kamer laten. Meerdere elementen van de motie sluiten aan op de kabinetsinzet, zeker in relatie tot Schengen. Bovendien heeft Nederland bij eerdere crises in de praktijk laten zien in staat te zijn om, waar nodig, op te schalen op het gebied van grensbeheersing. Het nieuwe onderzoek waar de motie om vraagt, gaat echt verder. Maar de wenselijkheid van de motie laat ik over aan het oordeel van de Kamer.

Dan de motie op stuk nr. 32, van mevrouw Becker en mevrouw Van Toorenburg. Deze motie gaat over de lvv-convenantsafspraken. Los van de inhoud en de aanwezige mogelijkheden om financiering aan de gemeenten te stoppen, vind ik het op dit moment niet geschikt. De ontwikkelfase van de pilots is nog niet afgerond. Begin februari krijgen we de evaluatie. Dat is dus al heel snel. In februari 2021 komt de tussentijdse evaluatie van het WODC. Ik ben al met gemeenten in gesprek over afwijkingen ten aanzien van de werkwijze. Ik verwacht dat deze gesprekken op korte termijn tot resultaat leiden. Natuurlijk blijf ik uw Kamer informeren over de voortgang van de pilots. Ook zult u mijn reactie op de tussentijdse evaluatie ontvangen. Ik ontraad de motie dan ook.

Dan de motie op stuk nr. 39, van de heer Van Ojik, de heer Jasper van Dijk en de heer Moorlag over het onacceptabel lang wachten op zekerheid. Ik ben in de eerste termijn duidelijk geweest over mijn inzet op het punt van die motie. Ik zet alles op alles om achterstanden zo snel mogelijk weg te werken. Maar de motie formuleert een resultaatsverplichting, namelijk 1 juni. Dat past niet bij de aard van dit vraagstuk, juist omdat zorgvuldigheid en veiligheid elementen zijn waar we niet op willen inleveren. Daarom ontraad ik de motie.

Dan de motie op stuk nr. 40 van de heren Van Ojik, Moorlag, Jasper van Dijk en Wassenberg. Die betreft de brief van de burgemeesters van Nijmegen, Arnhem, Amsterdam, Leiden en Groningen. Ik waardeer het aanbod dat de gemeenten via die brief van de heer Bruls hebben gedaan. Het COA zal contact zoeken met deze gemeenten om daar invulling aan te geven. De motie vraagt echter om meer mensen te halen dan het kabinet heeft afgesproken en om die reden ontraad ik de motie.

De motie op stuk nr. 41 van de heer Van Ojik betreft de Libische kustwacht. De heer Van Ojik vermoedde al dat ik die motie zou ontraden en dat doe ik ook. Ik heb het zojuist al toegelicht. Samenwerking met de Libische kustwacht is essentieel om op die wijze met de Libische partners te kunnen samenwerken met respect voor internationale normen en verbetering van detentieomstandigheden. Die dialoog is cruciaal. Dat levert stapje voor stapje kleine resultaten op. Die motie moet ik dus ontraden.

Dan de motie op stuk nr. 46 van mevrouw Van Toorenburg en mevrouw Becker. De motie betreft het eenmalige budget van 1 miljoen en de vraag of meer gemeentes daar nog aanspraak op kunnen maken. Ik ben eens met de overweging van de motie dat we het geld moeten inzetten. Laat dat helder zijn. Het is dan ook niet zo dat we het resterende bedrag níét voor dit doel besteden. Zoals ik in de schriftelijke beantwoording al aangaf, wordt het resterende bedrag gebruikt als subsidie voor extra maatregelen in de aanpak van overlast, zoals een tegemoetkoming in de financiering van de pendelbus tussen station Emmen en het aanmeldcentrum in Ter Apel. Als ik de motie zo mag lezen dat enkele openstaande knelpunten bij specifieke gemeenten opgelost moeten worden en dat er in 2021 weer adequate financiële middelen ingezet moeten worden, dan beschouw ik dat als ondersteuning van mijn inzet en laat ik de motie oordeel Kamer.

De voorzitter:
Ik zie dat er geknikt wordt. Die invulling is akkoord.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
De motie op stuk nr. 50 van mevrouw Kuik en mevrouw Van der Graaf betreft een beter beeld van de slachtoffers van mensenhandel. Die motie kan ik oordeel Kamer geven. Uitbuiting van minderjarige meisjes en kwetsbare jongeren in het algemeen is iets wat te allen tijde voorkomen moet worden. Ik kan mij vinden in het voorstel.

Dan heb ik hier een motie zonder nummer. De motie betreft het verhogen van de taaleis. Was die motie aangehouden en houdt u die nog steeds aan? Die motie heeft dus geen nummer. Het betreft het verzoek om maatwerk. Het kabinet acht het van belang dat in het geval van naturalisatie is gewaarborgd dat iedereen het Nederlands beheerst op ten minste taalniveau B1. Ik heb dat ook al gezegd. Dat sluit aan bij het uitgangspunt in het regeerakkoord dat het Nederlanderschap iets is om trots op te zijn en iets dat je moet verdienen. Het wetsvoorstel is op dit moment in consultatie. De reacties daarop zullen nog moeten worden verwerkt en daarom is de motie op z'n minst ontijdig. Ik zou de indiener willen meegeven deze motie aan te houden.

De voorzitter:
Alsnog aanhouden is dus een verlenging.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Zo niet, dan moet ik de motie ontraden.

De heer Jasper van Dijk (SP):
Nee, de motie is echt uitstekend. Die komt ook tegemoet aan een brede roep vanuit de samenleving om uw wetsvoorstel juist aan te passen en te verbeteren. U kunt dat dus meenemen in uw wetsvoorstel.

De voorzitter:
Oké, u brengt de motie dus in stemming.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Maar dan moet ik de motie ontraden.

De voorzitter:
Gaat u verder.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
De motie op stuk nr. 56 gaat over terugkeer en is ook van de heer Jasper van Dijk. Die motie gaat over de vraag waarom landen als Spanje en Frankrijk er wel in slagen enzovoort en verzoekt om een plan van aanpak voor terugkeer op uiterlijk 1 januari. Op 10 juli jongstleden ontving uw Kamer de brief over de uitvoering van de regeerakkoordafspraken. Dat was naar aanleiding van de motie-Becker over migratieovereenkomsten. Daarin worden de inzet en resultaten op dit gebied uitgebreid geschetst. Dat is inclusief een landenbeleid dat ook ziet op terugkeer. Ik zie de meerwaarde van het gevraagde plan van aanpak daarom niet en ik moet de motie dan ook ontraden.

Dan de motie op stuk nr. 60, van de heer Groothuizen, mevrouw Becker, de heer Voordewind en mevrouw van Toorenburg. Dat betreft intimidatie van lhbti-asielzoekers. Elk incident dat zich heeft voorgedaan, betreur ik ten zeerste en keur ik ten strengste af. Zoals ik ook heb aangegeven in mijn schriftelijke beantwoording op de vraag die hierover is gesteld, zet het COA zich volop in ter bescherming van alle asielzoekers en kwetsbare groepen daarbinnen, zoals lhbti-asielzoekers en religieuze minderheden. Desalniettemin is het altijd goed om te kijken wat er beter kan. Om deze reden laat ik de motie oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 63 van de heer Moorlag en de heer Jasper van Dijk over 7.000 wachtende asielzoekers wil dat ik maandelijks informeer. Ik geef die motie oordeel Kamer. Conform de afspraken die gemaakt zijn naar aanleiding van een motie van de heer Van Ojik is en wordt deze Kamer namelijk in 2020 al regelmatig geïnformeerd. Als ik deze motie van de leden Moorlag en Jasper van Dijk zo mag lezen dat in 2021 maandelijks de productie en de resultaten van de resterende 7.000 taskforcezaken publiek worden gemaakt, ook richting Kamer, dan geef ik die motie oordeel Kamer. Dat is dus vanaf 2021.

De voorzitter:
We zijn allang blij dat er een motie is die oordeel Kamer krijgt.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Dan de motie op stuk nr. 64 van mevrouw Van der Graaf, de heer Bolkestein, mevrouw Kuik, de heer Moorlag en de heer Bisschop over artikel 273f Wetboek van Strafrecht. Het kabinet is bereid om de uitkomsten van de verkenning en een onderbouwd voorstel tot aanpassing van artikel 273f met de Kamer te delen. Deze motie krijgt dus oordeel Kamer.

De motie op stuk nr. 65 van de heer Voordewind, de heer Groothuizen, mevrouw Van Toorenburg, de heer Jasper van Dijk, de heer Wassenberg en de heer Van Ojik over 50 alleenstaande minderjarige vreemdelingen en 50 kwetsbare mensen in gezinsverband. De motie vraagt mij om me tot het uiterste in te spannen. Ik heb in de schriftelijke antwoorden aangegeven dat ik uw Kamer verzeker dat het ons streven is om de eerste overkomsten naar Nederland zo spoedig mogelijk en liefst voor de kerst te realiseren. Ik zie de motie als een aansporing in dit verband en laat het oordeel over die motie daarom aan uw Kamer.

Dan de motie op stuk nr. 66 over het onderzoek naar de asielketen, waar ik het over gehad heb. De heer Voordewind en uw Kamer hebben mijn toezegging gehoord over een externe doorlichting van de asielketen en ook mijn bereidheid om te bezien op welke wijze de aandachtspunten van de heer Voordewind betrokken zouden kunnen worden. De uitwerking van die aanpak wil ik de komende periode vormgeven op zorgvuldige wijze. Daarom verzoek ik de indiener om de motie aan te houden tot het moment van het toesturen van die aanpak, begin 2021.

De voorzitter:
Oké. Meneer Voordewind, een korte opmerking.

De heer Voordewind (ChristenUnie):
Daar dank ik de staatssecretaris voor en ik neem aan dat ze de inhoud van mijn motie dan daarbij betrekt.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Zeker. Nou, ik heb gezegd: wij gaan die aanpak bekijken. We hebben uw motie gezien en gelezen en wij gaan kijken of de inhoud van die motie — het is namelijk heel inhoudelijk voor degenen die de asieldossiers beoordelen — past in het plan dat wij ons voorstellen voor de aanpak van de doorlichting van de asielketen. Dat zullen we zorgvuldig bekijken. Dat zeg ik u toe.

De voorzitter:
Ja, gaat u verder. Het luistert heel nauw allemaal, begrijp ik. Ik hoor de heer Voordewind vanuit de bankjes zeggen dat hij de motie wil aanhouden.

Op verzoek van de heer Voordewind stel ik voor zijn motie (35570-VI, nr. 66) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Dan de motie op stuk nr. 71 van de heer Bisschop over het terugkeerbeleid. Ik ben het geheel eens met de heer Bisschop dat een goede Terugkeerrichtlijn van het grootste belang is. Daar zet ik mij met kracht voor in. De koppeling die de heer Bisschop maakt, vind ik een stap te ver gaan, en wel om twee redenen. De Terugkeerrichtlijn maakt in de techniek van de Europese Commissie formeel geen onderdeel uit van het recente brede migratiepakket. Dat is misschien wel heel vreemd, maar het is formeel wel zo. De tweede reden is dat er in dat brede pakket vele elementen zitten waar we sterk aan hechten en voordelen van verwachten. Dan kom je meer op het benaderen van een pakket: als je dit niet doet, mag de rest ook niet. Maar de Terugkeerrichtlijn zit in de techniek van de Europese Commissie níét in het brede migratiepakket. Ik vind het wel noodzakelijk om het voortdurend te benadrukken en daar ook met kracht op in te zetten, samen ook met collega-lidstaten. Maar die druk zal er zeker ook zijn. Ik kan dus geen belemmeringen of voorwaarden aan het pakket koppelen. We beoordelen alle voorstellen op hun merites. Om die reden moet ik helaas de motie ontraden. Maar de heer Bisschop kan verzekerd zijn van onze inzet om de effectiviteit van terugkeer een belangrijk onderdeel te vinden.

De voorzitter:
En het oordeel is dus?

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Het oordeel is dat ik de motie helaas ontraad.

De voorzitter:
Mevrouw Becker, u heeft een korte vraag over uw motie?

Mevrouw Becker (VVD):
Een tijd geleden heb ik samen met mevrouw Van Toorenburg een motie ingediend die zegt dat de regering ervoor zou moeten pleiten bij de JBZ-Raden om de Terugkeerrichtlijn samen met het migratiepact te behandelen. Het zit er nog niet in, maar wij hebben ervoor gepleit om een en ander samen te behandelen. Die motie is aangenomen met een meerderheid van 80 leden in dit huis. Kunnen wij er dus van op aan dat de staatssecretaris er wel op gaat inzetten dat die samenloop er is? De motie van de heer Bisschop vraagt om het überhaupt niet te steunen als het niet lukt. Ik snap dat dat misschien nu nog te ver gaat. Maar is dat wel de inzet van het kabinet? Dat is voor onze eigen oordeelsvorming voor hoe wij gaan stemmen over de motie belangrijk. Daarom vraag ik het even.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Daar kan mevrouw Becker van verzekerd zijn. Ik heb het in de eerste termijn gezegd, maar ook nu weer in antwoord op de heer Bisschop: als die terugkeer niet goed geregeld wordt — dat betekent dat je je dus ook met de Terugkeerrichtlijn bezig moet houden — dan is dat pact ook niet zo heel erg nuttig, en die grensprocedure en dergelijke. Dus mevrouw Becker, mevrouw Van Toorenburg en al die 80 leden van uw Kamer die voor die motie hebben gestemd, kunnen ervan verzekerd zijn dat ik me daar zwaar voor zal inzetten.

Dan tot slot de motie op stuk nr. 72 van de heer Bisschop over de RUPS-regeling en de DUUP-gemeenten. Helaas moet ik die ontraden, want de DUUP is een decentralisatie-uitkering. Daar kan ik geen kaders voor stellen, juridisch gezien. Ik kan wel sterke boodschappen meegeven, maar ik kan zelf geen kaders stellen. Ik kan wel regelmatig contact met de centrumgemeenten hebben waar kennis en ervaring worden gedeeld. En er is geen twijfel of deze middelen aan uitstapprogramma's worden besteed. Die worden zeker besteed en over vier jaar is de evaluatie.

De voorzitter:
De heer Bisschop, een korte vraag.

De heer Bisschop (SGP):
Het is een soort doeluitkering, zou je kunnen zeggen. Dan is het toch normaal dat er kaders worden meegegeven voor de besteding van die gelden, zodat het niet opgaat — nou ga ik er even een karikatuur van maken — aan lantaarnpalen of stoeptegels? Nee, het is bedoeld voor deze ondersteuning in het kader van een uitstapprogramma. Ik zie dus het probleem niet.

Staatssecretaris Broekers-Knol:
Ik begrijp de frustratie van de heer Bisschop. We doen wat we kunnen binnen de juridische grenzen die er zijn. Omdat het een decentralisatie-uitkering is, kunnen we formeel-juridisch die kaders niet stellen, maar materieel wel, door onze gesprekken en door de sturing die we proberen te geven. Ja, op die manier wel.

Voorzitter, dat was het. Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de behandeling van de begroting Justitie en Veiligheid. Ik dank de bewindslieden. Mevrouw Kuik heeft mevrouw Van Toorenburg bedankt voor haar inzet, want het is voor haar de laatste begroting. Ik sluit me daar van harte bij aan. Maar dat geldt niet alleen voor mevrouw Van Toorenburg; het geldt ook voor de heer Groothuizen, mevrouw Van Beukering-Huijbregts, de heer Voordewind, de heer Moorlag ... Ja, meneer Laçin, maar u heeft niet aan de begroting meegedaan; dat komt nog. Meneer Van Ojik, mevrouw Buitenweg ... We nemen geen definitief afscheid, want we zien elkaar. Ja, de minister ook, natuurlijk. Ik wil ook de ambtenaren bedanken voor hun ondersteuning, maar ook alle fractiemedewerkers die achter de schermen keihard hebben gewerkt om de Kamerleden te ondersteunen.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
We gaan dinsdag over de moties stemmen.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Spoorordening

Spoorordening

Aan de orde is het VAO Spoorordening (AO d.d. 09/09).

De voorzitter:
Aan de orde is het VAO Spoorordening. Ik heet de staatssecretaris van Infrastructuur en Klimaat van harte welkom. Ik zie de heer Laçin kijken. Het is de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat. Sorry. Ik heb de hele dag voorgezeten. Neem me niet kwalijk. Misschien is het inderdaad freudiaans, staatssecretaris.

Ik geef de heer Laçin het woord als eerste spreker, namens de SP.

De heer Laçin (SP):
Dank, voorzitter. Ik heb drie moties, dus ik ga meteen beginnen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet het voornemen heeft om de nieuwe vervoersconcessie voor het hoofdrailnetwerk onderhands aan de NS te gunnen;

overwegende dat het voor reizigers, werknemers en vervoerder van belang is om zekerheid voor de lange termijn te hebben;

overwegende dat daarmee ook noodzakelijke investeringen gedaan kunnen worden;

spreekt uit dat de concessie voor het hoofdrailnet voor minimaal tien jaar aan de NS gegund moet worden met een tussenevaluatie na vijf jaar,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Laçin en Kröger. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 907 (29984).

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet het voornemen heeft om de nieuwe vervoersconcessie voor het hoofdrailnetwerk onderhands aan de NS te gunnen;

overwegende dat zekerheid over het intact blijven van het hoofdrailnetwerk van belang is voor de betrouwbaarheid richting reizigers, vervoerder en werknemers;

verzoekt de regering het huidige hoofdrailnetwerk volledig intact te laten bij de nieuwe vervoersconcessie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Laçin. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 908 (29984).

De heer Laçin (SP):
Tot slot, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de invoering van de Europees verplichte open toegang op het (internationale) spoor gevolgen zal hebben voor het binnenlandse aanbod van spoorvervoer;

overwegende dat een samenhangende binnenlandse dienstregeling cruciaal is voor de bereikbaarheid van Nederland;

overwegende dat Nederland één van de drukst bereden sporen ter wereld heeft en de beschikbare capaciteit schaars is;

overwegende dat er met de komst van open toegang op het spoor capaciteitsconflicten kunnen ontstaan met binnenlandse treinen die nu al rijden;

verzoekt de regering te voorkomen dat binnenlandse concessietreinen verdrongen worden en het aanbod voor grote groepen reizigers verslechtert,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Laçin. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 909 (29984).

Dank u wel, meneer Laçin. Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Kröger namens GroenLinks.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Voorzitter. Het is al weer even geleden, maar we hebben volgens mij een goed debat gehad over het spoor en de ordening van het spoor. We hebben met zijn allen als Kamer benadrukt hoe ongelooflijk belangrijk het spoor is en dat het hoofdrailnet echt een as is, een ruggengraat, van ons spoorsysteem. Vandaar de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het spoornetwerk en de treinen die erop rijden, als een coherent systeem, vitale infrastructuur zijn voor Nederland en dat het in stand houden en versterken van dit systeem uitgangspunt moet zijn bij de spoorordening;

verzoekt de regering om het belang van de netwerkkwaliteit van het spoor, met het HRN als kern, als uitgangspunt te nemen bij de ordening van het spoor,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kröger en Laçin. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 910 (29984).

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Toen ik deze motie schreef dacht ik: "Bij Schiphol hebben we altijd over de mainportfunctie en het belang van Schiphol. Een zelfde soort trots mogen we ook wel hebben op ons HRN-systeem en wie erop rijdt. Dat moeten we goed borgen."

Dan een motie over internationaal spoor.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat internationaal spoor een belangrijke functie heeft voor de verbinding van Nederland;

overwegende dat diverse (nationale) spoorbedrijven in andere Europese landen de duidelijke opdracht hebben gekregen om nieuwe routes te ontwikkelen en bestaande verbindingen te verbeteren en dat dit tot een hele reeks nieuwe initiatieven heeft geleid;

verzoekt de regering om in nieuwe concessies van de NS en zo veel als mogelijk in de bestaande concessies, de opdracht op te nemen om frequente verbindingen met de ons omringende belangrijkste steden te onderhouden, verbeteren of ontwikkelen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Kröger en Laçin. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 911 (29984).

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Kröger. Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Van der Graaf namens de ChristenUnie.

Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Ik heb één motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet voornemens is om de nieuwe vervoersconcessie voor het hoofdrailnetwerk onderhands te gunnen aan de NS;

overwegende dat zowel de reiziger als ook de vervoerder met het oog op investeringsbeslissingen en het verder verbeteren van de prestaties gebaat zijn bij rust en langdurige zekerheid op het spoor;

overwegende dat er tijdens de beraadslaging brede steun is uitgesproken voor de onderhandse gunning aan NS voor tien jaar met daarbij een tussentijdse evaluatie na vijf jaar;

overwegende dat het beleidsvoornemen HRN-concessie naar de Kamer gaat en vooraf geconsulteerd moet worden bij de consumentenorganisaties;

verzoekt de regering met bovenstaande overwegingen rekening te houden, en het beleidsvoornemen voor februari 2021 naar de Kamer te sturen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van der Graaf, Schonis, Gijs van Dijk en Kröger. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 912 (29984).

Dank u wel, mevrouw Van der Graaf. Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Palland namens het CDA.

Mevrouw Palland (CDA):
Voorzitter, dank u wel. Ik sta hier ter vervanging van mijn collega Amhaouch, die zich aan de quarantainemaatregelen moet houden.

We hebben een belangrijk AO gehad over de concessie op het spoor. Het is goed dat de NS de onderhandse aanbesteding krijgt op het hoofdrailnet. Wat het CDA betreft moet er voldaan worden aan drie voorwaarden: er moet een programma van eisen komen, evenals een afwegingskader regionaal vervoer, en een ambitieus plan voor kort grensoverschrijdend spoorvervoer. Hopelijk gaat de staatssecretaris snel voortvarend aan de slag met de IC Randstad-Aken, de IC Eindhoven-Düsseldorf en de IC Gent-Terneuzen.

Over de spoorconcessie zelf heb ik de volgende vraag. Wanneer komt het beleidsvoornemen, en dus de formalisering van het hoofdlijnenakkoord naar de Kamer? En wanneer vindt de consultatie hiervan plaats? Dit is een belangrijke processtap in de spoorconcessie. Ik hoor hier graag een reactie op.

Wat het CDA betreft moet er een denktank komen binnen de spoorconcessie, die advies kan geven over het beter benutten van de huidige mogelijkheden binnen het spoorbeleid. Vandaar de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de prestatie- en tevredenheidscijfers van de NS goed zijn, maar er altijd ruimte is voor verbetering;

overwegende dat het spoorsysteem een duurzame vervoersoplossing is voor zowel reizigers als goederen en de vraag naar mobiliteit de komende jaren alleen maar verder zal toenemen;

overwegende dat de concessietermijn langjarig is, maar technologische ontwikkelingen zo snel gaan dat er binnen de concessie ruimte moet zijn voor technologische verbeteringen en inzichten;

overwegende dat infrastructuur zeer kostbaar is en prioriteit uitgaat naar maximaal gebruik van de huidige mogelijkheden;

overwegende dat de spoorconcessie aan de NS tussentijds wordt geëvalueerd en een denktank bij kan dragen aan die evaluatie;

verzoekt de regering:

  • een innovatieve raildenktank op te zetten als onderdeel van de spoorconcessie met de NS die jaarlijks een out-of-the-box-advies geeft over mogelijkheden om met bestaande infrastructuur meer vervoerswaarde te realiseren vanuit een meerjarig perspectief en dit jaarlijks te rapporteren en naar de Kamer te sturen;
  • deze innovatieve raildenktank te laten bestaan uit een talentvolle mix van onafhankelijke deskundigen/wetenschappers, ProRail, NS, het Railcenter, reizigers, en te laten leiden door een onafhankelijk voorzitter;
  • internationale best practices mee te nemen bij de denktank en de denktank na drie jaar te evalueren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Palland en Amhaouch. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 913 (29984).

Dank u wel, mevrouw Palland, ook voor deze lange motie. Dan geef ik nu het woord aan de heer Schonis namens D66.

De heer Schonis (D66):
Ook ik heb een lange motie, voorzitter, dus ik zal ook snel beginnen. De motie gaat over het afwegingskader voor regionale spoorverbindingen.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het kabinet het voornemen kenbaar heeft gemaakt om de Hoofdrailconcessie (HRN) onderhands te gunnen aan de Nederlandse Spoorwegen;

overwegende dat een integraal afwegingskader voor het eventueel regionaliseren van sprinterdiensten onderdeel uitmaakt van dit voornemen;

overwegende dat de Kamer voor de totstandkoming van dit kader tijdig uitgangspunten wenst aan te dragen;

verzoekt de regering om bij de verdere uitwerking van het afwegingskader voor decentraliseren van sprinterdiensten en in overleg met de provincies, in elk geval de volgende uitgangspunten op te nemen:

  • Bij het decentraliseren staat het belang van de reiziger voorop. Het decentraliseren moet een toegevoegde waarde hebben, zowel op het te decentraliseren spoor, als op het hoofdspoor.
  • Het decentraliseren moet niet van bovenaf worden opgelegd. Provincies of vervoerregio’s moeten dit zelf willen en ook de aanbesteding en exploitatie zelf kunnen uitvoeren.
  • De provincie(s) of vervoerregio('s) moeten, in samenspraak met het Rijk, voorafgaand aan de start van de concessietermijn financiële zekerheid bieden over de exploitatie ervan en de financiële risico’s voldoende in beeld hebben gebracht,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Schonis, Amhaouch, Ziengs en Van der Graaf. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 914 (29984).

Dank u wel, meneer Schonis. Dan geef ik tot slot het woord aan de heer Ziengs namens de VVD. Ik zie dat hij helemaal geen moties bij zich heeft. Maar hij wil wel graag iets zeggen. Meneer Ziengs, iedereen gaat naar u luisteren.

De heer Ziengs (VVD):
Nee, ik had natuurlijk de motie van de heer Schonis medeondertekend, dus daarmee is er al een motie ingediend.

Ik heb bij het algemeen overleg destijds wel heel kort het woordje "KPI's", kritische prestatie-indicatoren, aangestipt. Die gelden altijd voor de Nederlandse Spoorwegen, maar ik zou het fijn vinden, ook richting het AO Spoor dat we binnenkort weer gaan organiseren, als er ook eens gekeken wordt naar de kritische prestatie-indicatoren voor het internationale spoor en misschien ook voor de open access, zodat we in ieder geval een gelijk speelveld creëren met elkaar. Hoe kunnen we proberen die kritische prestatie-indicatoren daarin een plek te geven? Ik hoor graag straks in de beantwoording van de staatssecretaris hoe ze daartegen aankijkt. Wellicht kunnen we in een volgend debat daarop terugkomen.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel, meneer Ziengs. Ik kijk even naar de staatssecretaris. Een paar minuten? Daarna gaat de staatssecretaris de moties beoordelen.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:
Ik geef het woord aan de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Dank u wel, voorzitter. We hebben inderdaad een goed debat met elkaar gehad. Ik heb ook brede steun geproefd voor de koers. Er zijn een aantal moties ingediend. Sommige daarvan zitten wat mij betreft net over het randje van de stap waar we nu staan. Andere geven een indicatie. Ik ga sommige ontraden, sommige oordeel Kamer geven en sommige aanhouden. Dat is voor u misschien lastig met een schaartje te knippen, maar voor mij past dat dan wel of niet bij de stap waar we nu zitten. We hebben nog een heleboel stappen met elkaar te zetten.

De eerste motie op stuk nr. 907, van de SP en GroenLinks, vraagt minimaal tien jaar …

De voorzitter:
Hij staat al klaar, de heer Laçin, maar de staatssecretaris heeft nog geen oordeel.

De heer Laçin (SP):
Dat is een spreekt-uitmotie.

De voorzitter:
O ja, dat is waar. Ik dacht al. Over een spreekt-uitmotie hoeft u geen oordeel te geven.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Daar hoef ik dan geen oordeel over te geven, voorzitter. Oké, dan zal ik er niks over zeggen.

Dan de tweede motie, die op stuk nr. 908. Ik check het even. Nee, dat is geen spreekt-uitmotie. Dit is een verzoek over het huidige HRN. De Europese regelgeving stelt dat een openbaredienstcontract niet groter mag zijn dan redelijkerwijs noodzakelijk. We zullen er nog naar moeten gaan kijken. Ik kan nog geen toezegging doen over de omvang van de HRN-concessie. Daarom ontraad ik deze motie. Maar er komt straks nog een andere motie, die wat mij betreft ook wel raakt aan een deel van wat u hier probeert te zeggen. Die krijgt een ander oordeel. De motie op stuk nr. 908 is dus ontraden.

Dan de motie op stuk nr. 909: OT niet voor de binnenlandse vervoerdienst laten verdringen. Ik zou willen vragen om die aan te houden, want dat is niet mijn intentie. Maar ik weet nog niet hoe de mix tussen hoofrailnet en openbare toegang zal zijn, dus ik kan niet op voorhand garanderen dat dat zo is. Ik vraag dus om deze aan te houden. Ik kom begin 2021 met het beleidskader voor open toegang en dan krijgt u een beter beeld van hoe we dat gaan hebben.

De heer Laçin (SP):
Ik zal de motie aanhouden. Ik hoop dat de staatssecretaris in datgene wat zij begin 2021 aan ons toestuurt, kan meenemen welke gevolgen dat zou kunnen hebben.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Dat nemen we mee, voorzitter.

De voorzitter:
Op verzoek van de heer Laçin stel ik voor zijn motie (29984, nr. 909) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Dan kom ik bij motie van mevrouw Kröger op stuk nr. 910, die mij vraagt om het belang van netwerkkwaliteit van het spoor als uitgangspunt te nemen. Nou, mijn eerste uitgangspunt is de reiziger. Die reiziger is ook gediend met een bepaalde netwerksamenhang. Als ik de motie zo mag lezen dat het niet is wat de eerste motie vroeg, namelijk om te garanderen dat het hoofdrailnet hetzelfde blijft, want dat kan ik niet garanderen, maar om die netwerkkwaliteit als uitgangspunt te nemen, samen met het belang van de reiziger, dan kan ik de motie oordeel Kamer geven. Daarin is deze dus echt anders dan die eerste motie.

Dan de motie van mevrouw Kröger op stuk nr. 911. Die vraagt om in nieuwe concessies van de NS voldoende internationale verbindingen te borgen. Die loopt dan weer vooruit op de marktverkenning. Daarom moet ik deze op dit moment ontraden.

De voorzitter:
Heel kort, mevrouw Kröger.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Het hele woord "borgen" staat niet in de motie, dus ik hoop dat we dezelfde motie voor onze neus hebben. Maar goed, het gaat erom dat we de frequente verbindingen onderhouden, verbeteren of ontwikkelen. In de bestaande concessie die we nu nog hebben, naast de hsl-concessie en de toekomstige concessie, gaat het erom of die opdracht, zoals die er staat, zo veel mogelijk gedaan wordt.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
We hebben dit debat met elkaar in de context van het verlenen van de nieuwe concessie op het hoofdrailnet, dus dat is de concessie waar we het over hebben, wat mij betreft. Wat er wel of niet in bestaande concessies kan, daar hebben we andere debatten over. Voor de verlening van die nieuwe hoofdrailnetconcessie, of in de context van datzelfde verhaal, ga ik een marktverkenning doen naar internationale verbindingen. Daarbij is helemaal niet uitgesloten dat er misschien ook nog een keer iets aan een concessie toegevoegd zal worden. Maar er staat hier: verzoekt de regering de opdracht op te nemen om frequente verbindingen te onderhouden, verbeteren of ontwikkelen. Daar zit een bepaald automatisme in, wat nu nog een stap te vroeg is.

De voorzitter:
Maar het is voldoende gewisseld in het algemeen overleg, begrijp ik. Tot slot.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Ik wil toch nog een vraag stellen. De minister zegt dat we het in het debat helemaal niet hebben gehad over de bestaande concessie, maar de midterm review stond wel op de agenda. Mijn pleidooi is de hele tijd geweest om ook te kijken naar de bestaande concessie van de NS en of we daarin internationale spoor beter verankerd kunnen krijgen. Nogmaals, ik vind het best om niet vooruit te lopen op de nieuwe concessie, maar voor mij is het wel van belang dat we in het proces van de midterm review ook kunnen kijken naar de bestaande concessie.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Maar de motie spreekt ook van de "nieuwe concessie", en daarmee wordt het voor mij in ieder geval: ontraden.

De voorzitter:
Goed. Gaat u verder.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Over de bestaande concessie komen we zeker nog met elkaar te spreken. Als daarin een bepaalde lijn is waar specifiek een voorstel voor is, dan zie ik dat tegemoet.

Dan de motie-Van der Graaf c.s. op stuk nr. 912 van de ChristenUnie, GroenLinks en de Partij van de Arbeid. Ik heb in het AO Spoorordening al aangegeven dat ik een aantal vaste stappen doorloop om in 2025 met de nieuwe concessie van start te gaan. Het beleidsvoornemen dat ik begin 2021 naar de Kamer zal sturen, is eigenlijk de eerste stap. We zoeken de balans tussen zekerheid voor de NS en het maximaal prikkelen. De duur van de concessie is eigenlijk gewoon onderdeel van het hele gesprek dat we met elkaar hebben om het voor Nederland en voor de Nederlandse reiziger te optimaliseren. Ik zou de leden dus eigenlijk willen vragen om deze motie aan te houden, want een uitspraak hierover, de ene of de andere kant op, kan ook weer invloed hebben op dat onderhandelingsproces, en daarbij staan we echt nog aan het begin. Wat mij betreft zou het dus wenselijker zijn om deze motie aan te houden.

Mevrouw Van der Graaf (ChristenUnie):
Ik ben bereid om deze motie eventjes aan te houden. Ik wil daarbij nog wel even aantekenen dat ook collega Schonis van D66 de motie heeft medeondertekend. Ik hou haar even aan. Ik wacht even. Ik overweeg om haar later volgende week of na volgende week in stemming te brengen.

De voorzitter:
Op verzoek van mevrouw Van der Graaf stel ik voor haar motie (29984, nr. 912) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Voorzitter. Het was mij geenszins ontgaan wie de motie ondertekend hadden, maar desalniettemin vond ik het aan te raden om de motie aan te houden.

De motie-Palland/Amhaouch op stuk nr. 913 over de onafhankelijke raildenktank. We hebben eerder gesproken over deze denktank. Ik heb ook aangegeven dat ik het een sympathiek idee vind en dat ik er graag bij de Kamer op terugkom. In deze motie wordt dat nu nog een keertje vastgelegd. Ik ben het eens met het idee, maar laat mij in de uitwerking de ruimte. Deze motie is wel heel specifiek over wie en wat allemaal. We zullen er in de geest van deze motie mee aan de slag gaan, maar zij zal niet letterlijk worden overgenomen. Laat mij die kanttekening er wel even bij plaatsen, maar in de geest van de motie gaan we daarmee aan de slag.

De voorzitter:
Dus? Oordeel?

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Dan krijgt die oordeel Kamer.

Dan de motie op stuk nr. 914 over het afwegingskader regionale spoorverbindingen. Daar kan ik kort over zijn, voorzitter. Oordeel Kamer.

Het CDA vraagt wanneer consultatie over het beleidsvoornemen plaatsvindt. Die komt begin 2021. Consumentenorganisaties worden geconsulteerd. Ik kom voor het reces nog met een brief waarin ik het proces voor u meer in detail zal schetsen. Dat was nog een toezegging aan de Kamer.

Dan was er ook nog een vraag van de heer Ziengs over de KPI's. Ik heb aangekondigd een marktverkenning voor de internationale verbindingen te starten om zo na te gaan welk aanbod in open toegang tot stand komt. Daaruit moet dan ook blijken waar er knelpunten zijn die verhinderen dat internationale verbindingen tot stand komen en wat we daaraan kunnen doen. Als iets niet door open toegang tot stand komt terwijl we dat wel willen, kan ik altijd concessies in de markt zetten. Daar kunnen we dan op sturen. In het beleidsvoornemen begin 2021 kom ik ook op het beleidskader open toegang. Daarbij kunnen we ook ingaan op het vraagstuk van de KPI's. Je kunt wel bepaalde eisen stellen, maar dat is wat betreft de open toegang ook wel weer heel beperkt, want het gaat er nou juist om open toegang te bieden, zoals het woord al zegt. Het lijkt wel de Zeesluis IJmuiden. We komen er dus nog met elkaar over te spreken.

De heer Ziengs (VVD):
Ik ga niet specifiek in op het onderwerp waarover de staatssecretaris net antwoordde, voorzitter, want dat is helder. Even over de motie op stuk nr. 912. De staatssecretaris gaf aan dat zij wilde dat die werd aangehouden. Vervolgens werd door mevrouw Van der Graaf aangegeven dat zij haar toch volgende week of spoedig gaat indienen. Als dat gebeurt met de motie in ongewijzigde vorm, wat is dan het advies? Dat hoor ik graag.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Ik heb al aangegeven dat ik het eigenlijk prematuur zou vinden om nu een uitspraak te doen over de vraag of tien jaar, dan wel zes jaar dan wel acht jaar, de gewenste duur is, omdat we nog helemaal aan het begin van die gesprekken staan. Ik kan me voorstellen dat het ook een afweging is die de Kamer wil maken op basis van de inhoud die dan beschikbaar is. Mijn advies zou dus zijn: hou haar aan en wacht tot ik met het kader kom. Anders zou ik haar op dit moment ontraden.

Dank u wel.

De voorzitter:
Dank u wel. Dat was het wat dit VAO betreft.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
Ik zie dat de woordvoerders voor het volgende VSO er zijn.

Duurzaam vervoer

Duurzaam vervoer

Aan de orde is het VSO Duurzaam vervoer (32813, nr. 500).

De voorzitter:
Aan de orde is het VSO Duurzaam vervoer. Ik geef mevrouw Kröger namens GroenLinks het woord.

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Voorzitter. Het is echt alweer een tijd geleden dat we het schriftelijke debat hebben gehad over duurzaam vervoer. De urgentie is er niet minder op geworden. Ik denk dat qua klimaatbeleid alle alarmbellen rinkelen. Toch lopen we gruwelijk achter. Ik heb een motie voorbereid. Die ga ik wel indienen, maar ik realiseer me ook dat het, doordat we nu alweer een halfjaar verder zijn, alleen maar ingewikkelder wordt. Dat gaat eigenlijk over hoe we nou daadwerkelijk die klimaatdoelen halen die dit kabinet zichzelf gesteld heeft. Het is eigenlijk heel verdrietig om te moeten constateren, met de laatste KEV, dat het er echt niet goed uit ziet, zeker niet qua mobiliteit. Ik wil de staatssecretaris dus vragen of zij in de paar maanden die ze nog heeft, eigenlijk de handvatten kan bieden, ook voor een nieuw kabinet, om de stappen te zetten om die doelen wel te halen. En wat kan je zelf nog in gang zetten wat in gang gezet kan worden? Daarom de volgende motie.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat met het huidige beleid slechts de helft van de beoogde CO2-reductie van het verkeer in 2030 zal worden bereikt;

verzoekt de regering om nog deze periode met additionele maatregelen te komen die de realisatie van de CO2-doelstellingen voor de mobiliteitssector in beeld brengt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Kröger. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 620 (32813).

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Kröger. Dan geef ik het woord aan de heer Remco Dijkstra namens de VVD. Ik zag u een beetje ondeugend kijken. Ik weet niet wat u allemaal gaat zeggen.

De heer Remco Dijkstra (VVD):
Voorzitter. Ik heb twee moties en een vraag.

Ik wil eerst mijn medewerker Juliëtte Verhaaren bedanken. Zij begint per 1 december aan een nieuwe baan, na het 3,5 jaar met mij te hebben uitgehouden. Ik vond het een pretje. Bedankt, voor je vrolijkheid en je inzet!

De voorzitter:
Dan is ook haar naam in de Handelingen vereeuwigd.

De heer Remco Dijkstra (VVD):
Daarom. Dat is toch mooi.

Dan heb ik één vraag aan de staatssecretaris en twee moties. De vraag is of er een voorhang zou kunnen komen voor de AMvB als het gaat om het besluit hernieuwbare energie en vervoer.

Dan twee moties, voorzitter.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er stappen worden ondernomen per 2022 om een nieuwe roetfiltertest op basis van het aantal roetdeeltjes in de algemene periodieke keuring, de apk, op te nemen;

constaterende dat deze test ervoor zorgt dat 100.000 tot 125.000 auto's bij de apk in 2022 afgekeurd zullen worden, die elders in Europa wel nog door een keuring zouden komen;

constaterende dat deze strenge interpretatie van Europese regelgeving de te goeder trouw handelende automobilist op hoge kosten jaagt;

overwegende dat er op Europees niveau wordt gesproken over het invoeren van een Europese roetdeeltjestest, die ervoor zorgt dat roetfilters in Europese dieselvoertuigen op een gelijke manier beoordeeld worden;

verzoekt de regering voor nu de focus te leggen op voertuigen waar met opzet een roetfilter is verwijderd en niet de te goeder trouw handelende automobilist te bestraffen;

verzoekt de regering voorts van de invoering van deze roetfiltertest af te zien en zich te richten op de Europese invoering van deze test,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Remco Dijkstra en Postma. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 621 (32813).

Mevrouw Kröger (GroenLinks):
Denkt de heer Dijkstra ook niet dat het voor al die mensen met longklachten en voor al die 11.000 vroegtijdige doden door luchtverontreiniging in Nederland niet uitmaakt of die roetfilter daar te goeder trouw of te kader trouw zit, maar dat het uitmaakt dat die roetdeeltjes niet in de lucht komen?

De heer Remco Dijkstra (VVD):
We hebben Europees luchtkwaliteitsbeleid. Dat horen we te hebben. We hebben dat ook in Nederland. Lucht houdt zich niet aan grenzen. Hier dreigen 100.000 tot 125.000 mensen, die gewoon een auto hebben waarvan ze verwachten dat die gewoon goed is en waar niks mee aan de hand is, zo meteen met een waardeloze auto te zitten. Dat vind ik niet goed. Vandaar deze motie.

De voorzitter:
Gaat u verder.

De heer Remco Dijkstra (VVD):
Dank u wel.

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat er geen kwaliteitseis is opgenomen om enkel pure bio-ethanol toe te staan in E10;

constaterende dat een dergelijke kwaliteitseis wel in de ons omringende landen en de meeste EU-lidstaten wordt gehanteerd;

overwegende dat een dergelijke kwaliteitseis de concurrentiepositie van de Nederlandse bio-ethanolsector kan versterken;

overwegende dat een dergelijke kwaliteitseis naar verwachting zou kunnen leiden tot een grotere feitelijke CO2-reductie;

verzoekt de regering de effecten van een dergelijke kwaliteitseis voor bio-ethanol op tankstationhouders, consumenten en importeurs in kaart te brengen, en de resultaten hiervan voor het kerstreces naar de Kamer te sturen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Remco Dijkstra en Ziengs. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 622 (32813).

Dank u wel, meneer Dijkstra. Ik kijk even naar de staatssecretaris. De laatste moties worden rondgedeeld. Ik schors voor een paar minuten.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:
Ik heropen de vergadering en geef de staatssecretaris het woord.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Dank u wel, voorzitter. Ik begin met de motie-Kröger op stuk nr. 620. We staan er gelukkig beter voor dan vorig jaar qua CO2-reductie, maar er komen ook nog een heleboel maatregelen aan. Die zijn nog niet doorgerekend, omdat het PBL stopte met rekenen per 1 mei. In de tussentijd hebben we natuurlijk wel hard doorgewerkt, als het gaat om biobrandstoffen, zero-emissiezones, zero-emissiebestelbusjes en personenauto's. Kortom, er zit nog heel veel in de pijplijn. Ik ontraad deze motie, maar we zijn er gewoon hard mee aan de slag. Dus deze motie voegt dan niets toe.

Dan de motie op stuk nr. 621. De heer Dijkstra zegt eigenlijk: we moeten steeds zoeken naar een balans, ook als het gaat om nieuwe verplichtingen. Dat ben ik met hem eens en dat hebben we ook gedaan. Voor oudere dieselauto's van vóór 2015 geldt een soepele norm. Hiermee komen auto's met een klein roetfilterdefect gewoon door de test. Bovendien ga ik voor deze auto's de overgangsregeling verruimen. Men kan het roetfilter bij de RDW afmelden, waarna er in de apk geen roetfiltertest meer wordt gedaan. Dan betaal je wel de roettaks. Met deze verruiming kan voor naar schatting tot maximaal 75% van de auto's die niet door de test komen een beroep worden gedaan over de overgangsregeling. Dat vind ik zelf een zeer soepele regeling. Als je echt een grote scheur hebt en je dus echt een defect hebt op luchtkwaliteit, kun je geen beroep doen op die overgangsregeling. Dat vind ik ook terecht, omdat er dan echt een effect is op de leefomgeving.

Meneer Dijkstra vroeg ook: lopen we niet te ver vooruit? Nee, Duitsland plant de invoering voor 2021/2022. Ook België is bezig met de voorbereidingen. Wachten op de Commissie duurt nog 8 jaar. Al die 8 jaar rijden mensen met een grote scheur in het roetfilter dan gewoon rond. Dat vind ik over de balans heen. Dan slaat de balans door. dus ik ontraad deze motie. Ik zou wel eventueel de vinger aan de pols kunnen houden. We kunnen evalueren hoe het gaat. Daar ben ik uiteraard toe bereid, maar ik ontraad de huidige motie.

De voorzitter:
Dan de volgende motie. Ik geef u zo het woord, zeg ik tegen de heer Dijkstra.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Dan de motie op stuk nr. 622 van de VVD. Het oordeel daarover laat ik aan de Kamer. Alle in Nederland gebruikte brandstof moet voldoen aan de Europese kwaliteitseisen, ook wanneer een benzine ethanol bevat. We kunnen het onderzoeken, maar dan gaan we het onderzoek iets breder nemen en het ook richten op brandstoffenleveranciers en op de effecten op het gebied van handelspolitiek en CO2-reductie in de keten. Dus we trekken het onderzoek dan meteen iets breder, maar ik kan de motie "oordeel Kamer" geven.

De heer Remco Dijkstra (VVD):
Met die verbreding ben ik het eens, dat is fijn. Dank u wel daarvoor. De eerste motie heeft u ontraden, maar de toezegging over de evaluatie neem ik graag tot me, zeker als gekeken kan worden of er wel voldoende van die apparatuur is. Het moet niet zo zijn dat in Europa zo meteen apparatuur gewenst is, terwijl wij al andere apparatuur hebben. Dat zou de garagisten op kosten jagen. Ik kijk nog even wat ik doe met die motie, of ik haar aanhoud of niet. Ik ben in ieder geval blij met die verruiming. Fijn dat de staatssecretaris dat zegt; dat is in ieder geval een goede ontwikkeling.

De voorzitter:
U heeft tot dinsdag de tijd, want dan gaan we stemmen.

Staatssecretaris Van Veldhoven-van der Meer:
Nogmaals, die evaluatie om te kijken of het niet gewoon in de praktijk tot problemen leidt, bijvoorbeeld omdat er niet genoeg apparaten zouden zijn, zullen we zeker doen. We gaan ermee aan de slag en houden met de evaluatie en de monitoring in de gaten hoe het in de praktijk uitwerkt. Laten we die afspraak dan maken.

Voor het onderzoek is die afspraak gemaakt. Voorhang is volgens de wet niet verplicht, maar we gaan de Kamer hierover informeren, dus dan heeft u alle gelegenheid om daarover te spreken.

Dat was het, voorzitter.

De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van dit VSO.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:
Over de ingediende moties zullen we volgende week dinsdag stemmen.

Ik dank de staatssecretaris en ik dank de Kamerleden, de bodes, de griffiers en de stenografische dienst. Dank jullie wel.

Sluiting

Sluiting 19.25 uur.