Schriftelijke vragen : De brief aan de Tweede Kamer m.b.t. analyses van additionele koopkrachtinstrumenten (Kamerstuk 32043, nr. 710)
Vragen van het lid Van Brenk (50PLUS) aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de brief aan de Tweede Kamer m.b.t. analyses van additionele koopkrachtinstrumenten (Kamerstuk 32 043, nr. 710) (ingezonden 11 september 2026).
Vraag 1
Kunt u aangeven hoe de eerste twee doelstellingen die worden genoemd in het begin
van de brief1, de laatste doelstelling kunnen versterken en welke afruilen er tussen de eerste
twee doelstellingen en de laatste kunnen plaatsvinden?
Vraag 2
Kunt u bevestigen dat het feit dat «de varianten in overleg met experts zijn vastgesteld»
ook betekent dat deze experts de uitgangspunten en de conclusies hebben geaccordeerd?
Vraag 3
Klopt het dat op pagina twee wordt geschreven over zeven randvoorwaarden, waarbij
de vierde randvoorwaarde de koopkracht van de deelnemers betreft? Wordt met de deelnemers
hier (ook) gepensioneerden bedoeld? Is de vierde randvoorwaarde niet de primaire doelstelling
van het onderzoek, in plaats van één van de randvoorwaarden?
Vraag 4
Het klopt toch dat in de resultatenanalyse op pagina twee staat dat de basisvariant
reeds meer perspectief biedt op een koopkrachtig pensioen dan het oude stelsel? Is
deze conclusie ook onderbouwd? Indien ja, hoe?
Vraag 5
Wat is volgens u precies het verschil tussen «meer perspectief» en «eerder perspectief»,
zoals in het pensioenakkoord en de memorie van toelichting op de Wet toekomst pensioenen
(Wtp) gehanteerd wordt? En waarom wordt dit resultaat überhaupt vermeld, want het
doel van het onderzoek was toch het verbeteren van de koopkracht in het nieuwe stelsel
(meer perspectief), niet per se eerder ten opzichte van het oude stelsel (eerder perspectief)?
Vraag 6
Op grond van welke criteria is geconcludeerd dat er geen eenduidige voorkeur kan worden
uitgesproken voor één van de vier varianten?
Vraag 7
Aangezien er wordt geschreven dat «een grotere ex ante herverdeling met andere generaties
het risico heeft van hernieuwde generatie discussies», kan dus geconcludeerd worden
dat u de mate van ex ante herverdeling bij de basisvariant maximaal passend vindt?
Vraag 8
Kan meer ex ante herverdeling ook wenselijk zijn, als daar iets anders tegenover staat?
Bijvoorbeeld het afstaan van rendement voor meer reële zekerheid?
Vraag 9
Het klopt toch dat in een van de varianten het spreiden van resultaten via een spreidingsreserve
niet meer nodig is en zelfs ongewenst is? Ziet u het kunnen laten vervallen van de
spreidingsreserve ook als een voordeel voor de uitlegbaarheid en uitvoerbaarheid?
Vraag 10
Het klopt toch dat uw voorganger in het debat van 21 november 2024 heeft gezegd dat
hij met het nieuwe stelsel de koopkracht van ouderen op langere termijn daadwerkelijk
wil veiligstellen en dat we iets bedacht hebben wat mensen koopkracht en zekerheid
moet bieden voor de toekomst? Het klopt toch ook dat op pagina drie van de Kamerbrief
staat dat het voor de hand ligt dat de pensioensector het initiatief neemt? Is het
dan niet vreemd dat u, die stelselverantwoordelijk is, de regie en het initiatief
uit handen geeft en niet zelf de verantwoordelijkheid neemt voor de verdere uitwerking?
En geldt dat niet des te meer als die andere partij de komende jaren geen tijd heeft
voor extra werkzaamheden en bovendien geen plan van aanpak, stappenplan en tijdslijn
met u heeft afgestemd?
Vraag 11
Het klopt toch ook dat vervolgens wordt gesteld dat «de Pensioenfederatie hierbij
het initiatief neemt»? Waarom is hierbij gekozen voor de Pensioenfederatie? De Pensioenfederatie
is toch immers geen uitvoerder?
Vraag 12
In de Kamerbrief staat toch correct dat de uiteindelijke resultaten en aanbevelingen
worden meegenomen in de evaluatie van de Wtp? Wordt dan de evaluatie bedoeld, die
gepland staat voor 2032? Betekent dit dat een eerste voorstel voor wetswijzigingen
waarschijnlijk tot 2034 op zich zal laten wachten? Kunt u concreet aangeven welke
planning u in gedachten heeft?
Vraag 13
Bent u bereid om de belangrijkste koopkrachtvarianten nu samen met de groep van experts
en betrokken partijen (o.a. Pensioenfederatie, Verbond van Verzekeraars en SZW), verder
te analyseren en in de vorm van concrete voorstellen uit te werken in wetswijzigingen,
zodat direct nadat het laatste fonds is ingevaren in 2028, er voldoende wettelijke
mogelijkheden liggen om koopkrachtbehoud te realiseren? Deelt u onze visie, dat dit
zorgt voor tijdige duidelijkheid voor sociale partners en dat het verdere vertraging
voorkomt?
Vraag 14
Het klopt toch dat in de brief wordt gesteld dat het nog een open vraag is hoe de
communicatie kan plaatsvinden aan actieve deelnemers zonder de indruk te wekken dat
er sprake is van een reële doelstelling? Bedoelt u hier een reële doelstelling of
een reële garantie?
Vraag 15
Het pensioenakkoord en de Wtp hadden toch een reële doelstelling, te weten eerder
perspectief op een koopkrachtig pensioen? Kunt u aangeven wat er mis is met een reële
doelstelling in de uitkeringsfase voor pensioenfondsen?
Vraag 16
Is de huidige pensioendoelstelling voor actieven (de vervangingsratio) niet ook een
reële doelstelling?
Vraag 17
Ziet u ook het belang van koopkrachtbehoud voor andere pensioenonderwerpen? En dan
specifiek voor: De verdeling van de bestuurszetels en het afleggen van verantwoording
over het behaalde resultaat door het bestuur aan deelnemers en gepensioneerden?
Vraag 18
Het klopt toch dat in hoofdstuk twee van de bijlage «Analyses effecten koopkrachtvarianten»2 staat: «Zo wordt van de afslag op het projectierendement weinig gebruik gemaakt omdat dit
gepaard gaat met een lagere startuitkering.»? Als dit niet of nauwelijks gebruikt wordt, waarom wordt dit koopkrachtinstrument
dan wel gebruikt als uniek verschil voor de tweede basisvariant?
Vraag 19
Het is toch juist dat de meeste transitieplannen op het moment van schrijven al bekend
waren en in al deze plannen een bescherming van de nominale uitkering is opgenomen?
Hoe moeten wij dat beschouwen in relatie tot de opmerking dat: «De mogelijkheden binnen het huidige wettelijk kader zal in de praktijk door pensioenfondsen
nader worden ingevuld, elk op hun eigen manier. Hoe deze invulling zal zijn zal duidelijk
worden na de transitieperiode. Dit betekent dat in een vervolgstap nader zou moeten
worden gekeken naar de invulling van het wettelijk kader zoals deze in de praktijk
plaatsvindt. Zo is in de basisvarianten nu geen bescherming voor de nominale uitkering
meegenomen».Waarom is hiervoor gekozen?
Vraag 20
Het klopt toch dat in hoofdstuk drie van de bijlage staat dat«De eerste jaren is dit effect nog niet zo stabiel wegens de transitie en dat het
model zich nog niet in een evenwichtstoestand bevindt.»? Het klopt toch eveneens dat in het rapport van DNB op pagina vijf staat «dat het
koopkrachtverlies bepaald wordt in het 20ste jaar, omdat de simulaties van de vermogensverdeling
dan enigszins gestabiliseerd zijn»? Is dit een modelmatig probleem of kunnen we dit
in de praktijk ook verwachten? Klopt het dat dit probleem vooral wordt veroorzaakt
door de spreidingsreserve? Betekent dit dat dit rapport niet geschikt is om de varianten
die gebruik maken van spreiding te beoordelen voor de eerstkomende twintig jaar? Graag
een toelichting op dit punt.
Vraag 21
Op welke manier komt het volgende punt uit hoofdstuk vier van de bijlage «Analyses
effecten koopkrachtvarianten», terug in de verdere beoordeling? «Herverdeling hoeft
niet per definitie slecht te zijn en is afhankelijk van de redenen voor herverdeling
en de uitlegbaarheid hiervan vooraf.»
Vraag 22
In de beschrijving van de basisvariant van hoofdstuk drie staat toch dat: «In de collectieve
uitkeringsfase schokken dakpansgewijs binnen vijf jaar worden verwerkt.»? Waarom is
hier niet conform de praktijk gekozen voor asymptotische spreiding?
Vraag 23
In de beschrijving van de basisvariant met vaste afslag in hoofdstuk drie staat toch
dat: «In de praktijk lijkt de vaste afslag nog weinig gebruikt te worden omdat in
de afweging tussen lage startuitkering en koopkracht veel deelnemers een hogere startuitkering
meer waarderen.»? Is er bewijs voor deze stelling? Of ligt de oorzaak misschien meer
in het feit dat bij een afslag van 2% om dezelfde pensioendoelstelling (vervangingsratio)
te halen de premie met ongeveer 40% omhoog moet?
Vraag 24
In hoofdstuk 3.1 staat bij uitvoerbaarheid toch geschreven dat:«Aanspraken worden niet gewijzigd, maar uitkeringen wel omdat deze voor gepensioneerden
afhankelijk worden van de reële rentetermijnstructuur»? Wordt hier met «aanspraken» de «pensioenvermogens» bedoeld? Betekent dit dat invoering
van dit systeem na de transitie leidt tot verlaging van de pensioenuitkeringen met
percentages oplopend tot ongeveer 40%?
Vraag 25
Bij variant vijf staat toch in de omschrijving: «In deze variant wordt het beleggingsrisico
zo gekozen dat in een mediaan scenario het beleggingsrisico gelijk is aan de verwachte
inflatie»? Moet dat niet zijn: «In deze variant wordt de beleggingsmix zo gekozen
dat in een mediaan scenario het verwachte overrendement iets groter is dan de verwachte
inflatie»?
Vraag 26
Kan aangegeven worden wat de grens is tussen «fors» en «niet fors» bij de analyse
van variant vijf «Dit gaat gepaard met een forse ex-ante herverdeling van gepensioneerden
naar actieven in vergelijking tot de basisvariant.»? Deze herverdeling van oud naar
jong is de beloning die oud geeft voor de reële stabiliteit die ze krijgt. Het betreft
dus een onderbouwde herverdeling. Waarom neemt u dit punt helemaal niet mee in uw
analyse?
Vraag 27
Bij variant vijf staat toch dat «Deze ex-ante herverdeling wordt verklaard door zowel de initiële vulling van de solidariteitsreserve
(waar gepensioneerden in deze variant fors aan bijdragen) en dat de vulregels voor
de solidariteitsreserve door gepensioneerden niet opwegen tegen de geboden inflatiebescherming»? De initiële vulling van de solidariteitsreserve is echter toch gelijk aan die van
de basisvariant? Dit stuk van de conclusie zou toch moeten worden aangepast?
Vraag 28
Het klopt toch dat wordt geconcludeerd dat de vulregels voor de solidariteitsreserve
door gepensioneerden niet opwegen tegen de geboden inflatiebescherming? Dit is toch
een vreemde conclusie? De gepensioneerden geven toch immers een vergoeding voor een
aanzienlijk betere inflatiebescherming? Deze conclusie zou toch alleen getrokken kunnen
worden indien aangetoond wordt dat deze vergoeding méér dan marktconform is? Dat wordt
toch nergens onderzocht of aangetoond? Kunt u deze conclusie aanpassen?
Vraag 29
Het klopt toch dat de volatiliteit van variant vijf het grootste is, maar dat gaat
wel samen met een beter resultaat in het pessimistisch scenario en een aanzienlijk
veel beter resultaat in het mediane scenario?
Vraag 30
Deelt u de conclusie dat er niet veel koopkracht winst is te behalen in een pessimistisch
scenario zonder ongewenste herverdeling? Deelt u de conclusie dat dit in de mediaan
wel mogelijk en ook noodzakelijk is? Bent u het er mee eens dat de grotere volatiliteit
hier geen nadeel is, maar een groot voordeel in lijn met de doelstelling van het onderzoek?
Indien nee, waarom niet?
Vraag 31
Bij variant vijf krijgen jongere deelnemers toch een beloning die naar verwachting
groter is dan hun nadeel en ze profiteren later, net als gepensioneerden, ook van
een koopkrachtiger en stabieler pensioen? Waarom zou deze variant dan niet eenvoudig
uitlegbaar zijn aan jongeren?
Vraag 32
40-jarige deelnemers krijgen toch volgens de tabel op pagina 31 van het rapport van
DNB, zowel in de mediaan als in het pessimistisch scenario een hoger pensioen? Waarom
zou dit lastig uitlegbaar zijn?
Vraag 33
Het klopt toch dat bij de rechtvaardiging staat dat:«Deze variant is complex met veel geldstromen van en naar de reserve»? Maar er zijn toch helemaal niet meer of minder geldstromen naar de solidariteitsreserve
en er zijn geen geldstromen naar de spreidingsreserve? Dan zijn er toch per saldo
minder geldstromen en deze variant is daarom toch ook minder complex? Kunt u uw conclusie
op dit punt aanpassen?
Vraag 34
Het klopt toch dat bij de rechtvaardiging van variant vijf staat: «Daarmee moet nader worden bekeken of de variant nog in lijn is met lifecycle beleggen.
Bij lifecycle beleggen wordt het beleggingsrisico over het algemeen voor oudere deelnemers
verkleind»? Voor lifecycles wordt normaal gesproken gekeken naar enerzijds de uitkomst in de
mediaan en anderzijds naar de uitkomst in het pessimistisch scenario, dus als beide
uitkomsten beter zijn, wat is dan de aanleiding om te veronderstellen dat de lifecycles
niet passend zouden zijn? Kunt u uw conclusie op dit punt aanpassen?
Vraag 35
Bij de rechtvaardiging van variant vijf staat toch dat:«Het pensioencontract kan moeilijker uitlegbaar zijn bij een life-event zoals bij
uitdiensttreding.»?Kunt u aangeven of dit ook speelt als de deelnemer kan kiezen voor waardeoverdracht?
Vraag 36
Bij de uitvoerbaarheid van variant vijf staat toch dat: «Deze variant kan relatief ten opzichte van de basisvariant tot grotere herverdelingseffecten
leiden»?In het rapport staat toch ook dat herverdelingseffecten gerechtvaardigd kunnen zijn?
Kunt u aangeven welk deel van deze grotere herverdelingseffecten u gerechtvaardigd
vindt en welk deel niet?
Vraag 37
In het rapport staat toch ook dat «Bij de operationele uitvoerbaarheid staat niet
vermeld dat deze variant eenvoudiger te administreren en communiceren is, omdat de
spreidingsreserve en de daarbij behorende complexiteit komt te vervallen. Waarom wordt
dit voordeel niet expliciet genoemd?
Vraag 38
Het klopt toch dat bij de operationele uitvoerbaarheid niet vermeld wordt dat variant
vijf eenvoudiger te administreren en communiceren is, omdat de spreidingsreserve en
de daarbij behorende complexiteit komen te vervallen? Waarom wordt dit voordeel niet
expliciet genoemd?
Vraag 39
Kunt u, na op pagina één van de Kamerbrief «Additionele instrumenten koopkracht en
koopkrachtambitie» te hebben aangegeven welke instrumenten er zijn om de inflatie
beter te volgen, ook aangeven bij hoeveel pensioenfondsen de inzet van de solidariteits-
of risicodelingsreserve, een vaste afslag van het projectierendement en het directe
beschermingsrendement met inflatie-gerelateerde beleggingsproducten ook daadwerkelijk
gebruikt worden? Graag in aantallen per instrument.
Vraag 40
Mochten bepaalde instrumenten niet of nauwelijks gebruikt worden, dan komt dat toch
doordat de theoretische opzet van de Wtp niet voldoet aan de praktijk of doordat de
eerste doelstelling van de Wtp niet gedeeld wordt door de sociale partners? Graag
een uitgebreide toelichting op dit punt.
Indieners
-
Gericht aan
J.A. Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid -
Indiener
Corrie van Brenk, Kamerlid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.