Schriftelijke vragen : Evaluatiebepalingen in wetgeving
Vragen van de leden Sneller (D66) en Van den Berg (JA21) aan de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid over evaluatiebepalingen in wetgeving (ingezonden 8 september 2026).
Vraag 1
Wat is uw visie op de conclusies van de evaluatie van de «PNR-wet»1 dat: «Hoewel de input van passagiersgegevens die ten behoeve van het onderzoek worden
verstrekt bekend is, ontbreekt informatie over de resulterende output. Tot op zekere hoogte is de vraag naar passagiersgegevens van de bevoegde instanties
een indicator voor het gebruik ervan, maar het zegt niets over de resultaten en effecten
ervan bij de bestrijding van terroristische misdrijven en ernstige criminaliteit.»
en «De mate van doeltreffendheid kan echter niet worden gespecificeerd mede ook ten gevolge van de korte tijd dat de PNR-wet in werking is.»?2,
3
Vraag 2
Wat is uw visie op de conclusie van de evaluatie Wet herziening partneralimentatie:
«Het is op dit moment echter nog te vroeg om definitieve conclusies te trekken over het effect van de wetswijziging. Voor de
meeste alimentatieregelingen die na 2020 zijn gestart is de wettelijk verkorte maximumduur
van vijf jaar immers nog niet verstreken.»4
Vraag 3
Wat is uw visie op de conclusie van de evaluatie Wet homologatie onderhands akkoord
(WHOA): «Bij dit alles moet worden opgemerkt dat dit rapport in zekere zin een tussenstand
geeft. De evaluatie komt eigenlijk te vroeg. De WHOA schrijft een evaluatie binnen drie jaar na de inwerkingtreding voor, maar
de praktijk moet nog vorm krijgen.»?5
Vraag 4
Wat is uw visie op de constatering van de onderzoekers in de evaluatie wetswijziging
Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp): «De korte tijd sinds de invoering van de wetswijziging maakt het nog niet mogelijk om echte effecten te identificeren.
De eerste trajecten lopen nu pas af en het is nog onbekend hoe de cijfers zich in
de komende jaren zullen ontwikkelen. Respondenten bevestigen dat het nog te vroeg
is om te spreken van effecten en dat er nog niet met elke wijziging ervaring is opgedaan.
Om deze reden richt dit onderzoek zich op het identificeren van mogelijke effecten.»6
Vraag 5
Wat is uw visie op de conclusie van de tussentijdse evaluatie inzake de wijziging
van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in verband met het inroepen van een bedenktijd
door het bestuur van een beursvennootschap dat: «De onderzoekers concluderen dat het,
gezien de kleine aantallen in de empirische onderzoeken en de korte termijn die is verstreken sinds de invoering van de wet, de vraag blijft of het terecht is
om de bedenktijd te relateren aan het investerings- en vestigingsklimaat.»7
Vraag 6
Wat is uw visie op de conclusie van de evaluatie Wet kansspelen op afstand (Wet Koa):
«Er is geen sprake van een eenduidige nulmeting van voor de Wet Koa, waardoor het in deze evaluatie ook niet mogelijk is om de huidige situatie te vergelijken
met de situatie die er zou zijn geweest zonder de Wet Koa.»?8
Vraag 7
Hoe verhoudt het feit dat de evaluatie van de Wet Koa in november 2024 aan de Staten-Generaal
is aangeboden zich tot artikel VIII van die wet, waarin is bepaald dat binnen drie
jaar na de inwerkingtreding op 1 april 2021 verslag wordt gedaan van de doeltreffendheid
en effecten van de wet in de praktijk? Kunt u toelichten hoe naar uw oordeel invulling
is gegeven aan deze evaluatiebepaling?
Vraag 8
Hoe verhouden deze conclusies met betrekking tot a) het plaatsvinden van een evaluatie
nadat eigenlijk te weinig tijd is verstreken, b) het ontbreken van een bruikbare nulmeting
of c) het niet beschikbaar zijn van de data/gegevens die noodzakelijk zijn om vragen
over de effectiviteit van beleid te beantwoorden zich in uw ogen tot een gedegen beleidsvorming
en -evaluatie?
Vraag 9
Deelt u de mening dat gedegen wetsevaluaties onontbeerlijk zijn voor het ontwikkelen
en verbeteren van wetgeving en voor het functioneren van onze democratie?
Vraag 10
Kunt u aangeven welke stappen er ten aanzien van het ontwikkelen van een handreiking
specifiek voor wetsevaluaties zijn gezet naar aanleiding van bijvoorbeeld het onderzoek
in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum uit 2016, waaruit bleek
dat er geen handreiking bestaat specifiek voor wetsevaluaties?9
Vraag 11
Waarom hebben de bestaande waarborgen voor wetsevaluaties niet kunnen voorkomen dat
bij verschillende evaluaties onvoldoende gegevens beschikbaar waren, een adequate
nulmeting ontbrak of onvoldoende praktijkervaring was opgedaan om de effecten van
de wet te kunnen vaststellen? Kunt u tevens aangeven wie vóór indiening van een wetsvoorstel
toetst of de voorgestelde evaluatieopzet, evaluatietermijn en gegevensverzameling
daadwerkelijk toereikend en uitvoerbaar zijn?
Vraag 12
Bent u bereid om te werken aan een uitgebreider en doeltreffender kader voor evaluatiebepalingen
in het wetgevingsproces om situaties zoals voornoemde te helpen voorkomen?
Vraag 13
Welke rol dient het expliciteren van de aan beleid ten grondslag liggende beleids-
of verandertheorie hierbij naar uw mening te spelen?
Vraag 14
Deelt u de mening dat bij het opnemen van een evaluatiebepaling vooraf ten minste
moet worden bepaald welke doelstellingen en indicatoren worden geëvalueerd, welke
nulmeting nodig is, welke gegevens vanaf inwerkingtreding noodzakelijk en proportioneel
moeten worden verzameld, op welk moment zinvolle effectmeting mogelijk is en wie verantwoordelijk
is voor de uitvoering van de evaluatie?
Vraag 15
Hoe kijkt u naar de ontwikkeling van «overkoepelende» experimenteer- en evaluatiewetgeving,
om het wetgevingsproces meer «evidence-based» in te kunnen richten?
Vraag 16
Hoe kijkt u in dat opzicht naar de toegevoegde waarde van een A/B-test als onderdeel
van dergelijk experimenteerinstrumentarium?
Vraag 17
Acht u het bestaande wettelijke instrumentarium toereikend en, zo niet, welke concrete
tekortkomingen rechtvaardigen aanvullende wetgeving?
Indieners
-
Gericht aan
K.T. van Bruggen, staatssecretaris van Justitie en Veiligheid -
Indiener
Joost Sneller, Kamerlid -
Medeindiener
Daniël van den Berg, Kamerlid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.