Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Hamstra en Armut over het bericht 'Aantal meldingen van scholen over kindermishandeling stijgt fors'
Vragen van de leden Hamstra en Armut (beiden CDA) aan de Ministers van Justitie en Veiligheid en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het bericht «Aantal meldingen van scholen over kindermishandeling stijgt fors» (ingezonden 26 mei 2026).
Antwoord van Minister Sterk (Langdurige Zorg, Jeugd en Sport), mede namens de Staatssecretaris
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (ontvangen 3 juli 2026)Zie ook Aanhangsel Handelingen,
vergaderjaar 2025–2026, nr. 2258.
Vraag 1
Bent u bekend met het artikel «Aantal meldingen van scholen over kindermishandeling
stijgt fors»?1 Zo ja, wat vindt u hiervan?
Antwoord 1
Ja. Het is cruciaal dat kinderen veilig zijn en scholen hebben hier een belangrijke
rol in, met name in signalering. Het is dus een positieve ontwikkeling dat scholen
steeds vaker Veilig Thuis benaderen: meer kinderen krijgen daardoor de ondersteuning
en bescherming die ze nodig hebben. Tegelijkertijd brengt de forse toename van adviesvragen
en meldingen een aanzienlijke druk op de capaciteit van Veilig Thuis met zich mee.
Kindermishandeling is een hardnekkig probleem en een goede verbinding tussen school
en Veilig Thuis is belangrijk om passende ondersteuning en bescherming te bieden.
Vraag 2
Klopt het dat het aantal meldingen van scholen bij Veilig Thuis de afgelopen 3 jaar
met ruim 1.600 meldingen is gestegen?
Antwoord 2
Ja, het aantal meldingen uit het onderwijs is de afgelopen jaren met ruim 1.600 gestegen.
Cijfers van het CBS geven het volgende beeld:
Jaartal
Aantal meldingen uit het onderwijs
2022
4.630
2023
5.420
2024
5.690
2025
6.290
Vraag 3
Deelt u de mening dat het een goede ontwikkeling is dat scholen een belangrijkere
rol spelen in het herkennen van kindermishandeling, en dat scholen hier ook vaker
melding van doen?
Antwoord 3
Ja, ik deel die mening. Leerkrachten en ander onderwijspersoneel hebben een belangrijke
signalerende rol. Zij zien hun leerlingen vrijwel dagelijks en kunnen signalen in
de klas opvangen van kindermishandeling en kunnen hiermee het verschil maken voor
een leerling. Het is goed om te zien dat scholen hierbij ook vaker de weg naar Veilig
Thuis weten te vinden, zij kunnen de leerkrachten ook steunen in de verantwoordelijkheid
die zij voelen om goed met de signalen van huiselijk geweld en kindermishandeling
om te gaan.
Alle scholen in Nederland hebben de plicht om de meldcode Veilig Thuis te gebruiken,
deze schooleigen te maken en toe te passen bij vermoedens van kindermishandeling of
huiselijk geweld. Voor het onderwijs is hierbij ook een afwegingskader gemaakt, dat
scholen helpt bij het goed gebruiken van de meldcode2.
Vraag 4
Hoe wordt ervoor gezorgd dat leraren en scholen voldoende worden ondersteund bij het
herkennen van signalen van (mogelijke) mishandeling en huiselijk geweld?
Antwoord 4
Het is belangrijk dat professionals bij Veilig Thuis en die in het onderwijs elkaars
werk kennen en oog hebben voor ieders perspectief. Zo kan het voor scholen bij vermoedens
lastig zijn om te melden, omdat zij altijd te maken hebben met een vertrouwensrelatie
met de ouders en het kind zelf. Bij twijfel over hoe te handelen kunnen scholen al
bij stap 2 in de meldcode contact opnemen met Veilig Thuis voor advies. Het is belangrijk
dat scholen dit bij twijfel ook doen.
Zoals toegezegd in de beleidsreactie op de inspectierapporten over de casus Vlaardingen,
is het afgelopen jaar en dit jaar geïnvesteerd in scholing voor professionals in het
onderwijs (bijvoorbeeld intern begeleiders, aandachtsfunctionarissen en leraren),
specifiek gericht op de rol van Veilig Thuis en goed gebruik van de meldcode. Deze
trainingen worden verzorgd door de landelijke vereniging van aandachtsfunctionarissen
(LVAK) en zijn vormgegeven samen met de samenwerkingsverbanden passend onderwijs.
Het kabinet werkt daarnaast aan een versteviging van de adviesfunctie in de meldcode,
daarbij wordt de mogelijkheid van een adviesplicht afgewogen.
Vraag 5
Is bekend bij hoeveel procent van de meldingen bij Veilig Thuis-organisaties het lukt
om deze binnen de wettelijke termijn te beoordelen? Is dat meer of minder dan de 80%
die uit het inspectieonderzoek in 2023 is gebleken?
Antwoord 5
Bij vrijwel alle Veilig Thuis-organisaties bestaan wachtlijsten. Dit uit zich vooral
in het niet halen van de wettelijke termijn van tien weken voor de dienst «onderzoek
en vervolg» en het niet tijdig afronden van de veiligheidsbeoordeling binnen vijf
dagen.
Een eenduidig landelijk beeld van de wachtlijsten is niet te geven: Mede vanwege de
manier van aanbesteden door gemeenten en de afspraken die zijn gemaakt over de bijbehorende
verantwoording van Veilig Thuis aan de gemeenten, bestaan er verschillen in hoe het
al dan niet behalen van de termijn wordt geregistreerd. De noodzaak om hier gezamenlijk
verbetering in aan te brengen wordt door alle betrokken partijen diep gevoeld. Daarom
werk ik samen met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis en de VNG hard aan een meer uniforme
manier van werken en registreren binnen Veilig Thuis.
De IGJ houdt toezicht op de uitvoering van de wettelijke taken van Veilig Thuis.
Het meest recente gepubliceerde onderzoek naar de wachtlijsten stamt uit oktober 2024.
Momenteel rondt de inspectie een nieuwe uitvraag hierover af; de uitkomsten worden
naar verwachting na de zomer van 2026 gedeeld. Ik breng daarnaast samen met het LNVT,
VNG, J&V en de IGJ in kaart welke aanpassingen in wettelijke taken en grondslagen
van Veilig Thuis nodig zijn om gezinnen en huishoudens sneller de juiste zorg en ondersteuning
te bieden.
Vraag 6
Maakt Veilig Thuis op basis van het aantal meldingen een prioritering? Zo ja hoe?
Antwoord 6
Alle meldingen die bij Veilig Thuis binnenkomen, worden binnen 24 uur inhoudelijk
beoordeeld op urgentie. Deze beoordelingen worden uitgevoerd door daarvoor opgeleide
professionals, die kijken naar de aard, ernst en urgentie van de veiligheidsrisico's.
Meldingen waarbij sprake is van acute of ernstige onveiligheid krijgen daarbij direct
prioriteit.
Vraag 7
Wordt er na de casus van het pleegmeisje uit Vlaardingen anders omgegaan met kinderen
die de mishandeling zelf melden? Zo ja, wordt hieraan prioriteit gegeven?
Antwoord 7
Sinds de situatie van het Vlaardings pleeggezin heeft Veilig Thuis intensief voorlichting
gegeven over het zelf melden van mishandeling van kinderen («disclosure»). Deze voorlichting
richt zich onder meer op wat professionals in zo'n situatie kunnen en moeten doen.
Disclosure valt altijd onder de noemer «acuut en/of structureel onveilige situatie».
Binnen de verplichte meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling geldt daarom
als professionele norm dat er een melding wordt gedaan bij Veilig Thuis en dat een
top tot teen-onderzoek volgt.
Vraag 8
Is bekend hoe Veilig Thuis de achterstand aan meldingen wil wegwerken?
Antwoord 8
De wachtlijsten bij Veilig Thuis kennen meerdere oorzaken. Waar mogelijk werkt Veilig
Thuis actief aan het wegnemen daarvan.
Om achterstanden terug te dringen en meldingen sneller op te pakken, worden extra
maatregelen ingezet. Voorbeelden zijn gezamenlijke overwerksessies en doorbraakteams
die zich specifiek richten op het versneld oppakken van meldingen.
Om personeelsverloop en -tekorten aan te pakken worden landelijk en regionaal wervingscampagnes
gevoerd en informatiebijeenkomsten en speeddates georganiseerd voor geïnteresseerde
kandidaten. Daarnaast wordt actief samengewerkt met hogescholen om studenten kennis
te laten maken met het werk van Veilig Thuis. Ook wordt geïnvesteerd in zijinstromers
en young professionals, die via begeleiding, opleiding en een zorgvuldig inwerkprogramma
geleidelijk worden voorbereid op deze complexe werkzaamheden.
Verder is geïnvesteerd in het digitale ondersteuningsaanbod, zodat eerder en efficiënter
advies en ondersteuning kan worden geboden. De gedachte is dat vroegtijdig oppakken
van signalen erger kan voorkomen met minder intensieve interventies, wat uiteindelijk
het aantal meldingen doet afnemen. Daarnaast worden werkprocessen continu doorontwikkeld
en worden in de regio's samenwerkingsafspraken gemaakt om specifieke knelpunten lokaal
aan te pakken.
Tot slot richt het Toekomstscenario zich op het verbeteren van de aanpak in brede
zin. Het doel is om meer situaties van onveiligheid binnen gezinnen op te pakken via
sterke lokale wijkteams, met veiligheidsexpertise dichtbij. Dit moet leiden tot snellere
en passende hulp, waardoor situaties minder snel escaleren en meldingen minder vaak
nodig zijn.
Vraag 9
In hoeverre lukt het Veilig Thuis om gegevens te delen met andere organisaties zodat
de samenwerking en afstemming versneld wordt? Welke belemmeringen bestaan er nog wat
betreft gegevensdeling?
Antwoord 9
Veilig Thuis is de enige partij binnen het vrijwillig kader met een wettelijke grondslag
voor het uitwisselen van informatie met partijen in zowel het vrijwillige als het
gedwongen kader. Bij een melding wordt standaard een check op bekendheid uitgevoerd
bij een aantal vaste partijen, zoals de politie, de Raad voor de Kinderbescherming
en gecertificeerde instellingen. Afhankelijk van de melding kan Veilig Thuis ook bij
andere partijen informatie opvragen, zoals bij school, huisarts of het lokaal team.
Hiervoor is Veilig Thuis wel afhankelijk van informatie over wie er bij de situatie
betrokken zijn. Als betrokken organisaties die informatie niet verstrekken, bijvoorbeeld
omdat zij het beroepsgeheim laten prevaleren boven het delen van informatie, heeft
Veilig Thuis onvoldoende basis om te kunnen handelen.
Vraag 10
Zijn er regionale verschillen in wachttijden en afhandeling van meldingen bij Veilig
Thuis?
Antwoord 10
Er bestaan inderdaad grote regionale verschillen in wachttijden bij Veilig Thuis.
De afhandeling van meldingen is in de basis echter gelijk: alle 25 Veilig Thuis-organisaties
werken met hetzelfde handelingsprotocol. Verschillen in regionale samenwerking, bijvoorbeeld
wachtlijsten bij ketenpartners, kunnen desondanks van invloed zijn op de wachttijden.
Samen met het Landelijk Netwerk Veilig Thuis en de VNG wordt nadrukkelijk verkend
hoe de werkwijze verder geüniformeerd kan worden. Daarbij wordt gekeken naar mogelijke
aanscherping van de wettelijke vereisten en naar wat de minimale basis voor elke gemeente
zou moeten zijn.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport -
Mede namens
J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.