Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Bushoff over de uitbraak van het Hantavirus
Vragen van het lid Bushoff (GroenLinks-PvdA) aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de uitbraak van het Hantavirus (ingezonden 13 mei 2026).
Antwoord van Minister Hermans (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen 4 juni
2026).
Vraag 1
Hoe beoordeelt u op dit moment de ernst en het potentiële risico van het Hantavirus
voor de volksgezondheid?
Antwoord 1
Het andesvirus, een hantavirus, kan ernstige ziekte veroorzaken, namelijk het Hantavirus
cardiopulmonary syndrome (HCPS). In vergelijking met andere ziektebeelden veroorzaakt
door hantavirussen die in Europa en Azië voorkomen, is HCPS een ernstiger ziektebeeld
met hoge mortaliteit. Mensen kunnen hoge koorts en ademhalingsproblemen krijgen. Later
kan dit leiden tot ernstige long- en hartproblemen. Het risico voor de volksgezondheid
hangt, naast de ernst van de ziekte, ook af van het risico op overdracht. Alhoewel
het andesvirus het enige hantavirus is waarbij mens-op-mens overdracht is beschreven,
komt infectie van mens op mens zeer weinig voor. Internationaal zijn slechts enkele
voorbeelden beschreven. Overdracht van mens op mens komt alleen voor als mensen intensief
en langdurig contact met elkaar hebben. Het risico voor de volksgezondheid wereldwijd
wordt daarom door de World Health Organization (WHO) als «laag» ingeschat. Het Europees
centrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC) schat het risico voor specifiek
de EU in als «zeer laag». Het Centrum Infectieziektebestrijding (CIb) van het Rijksinstituut
voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) sluit zich voor Nederland bij deze internationale
inschatting aan en stelt dat het risico dat het virus zich in Nederland zal verspreiden
heel klein is.
Vraag 2
Zou u uiteen kunnen zetten hoe momenteel de prevalentie van het Hantavirus in Nederland
concreet wordt gemonitord? Welke methodologieën worden daarbij toegepast?
Antwoord 2
De in Nederland voorkomende hantavirussen vallen onder de meldingsplicht groep C.
Dit houdt in dat een patiënt gemeld moet worden aan de GGD. De GGD meldt dit aan het
CIb en levert gegevens voor de landelijke surveillance. Bij elk bewezen autochtoon
humaan geval wordt bronopsporing geadviseerd. Indien een bron gevonden is, kunnen
maatregelen genomen worden om te voorkomen dat meer mensen ziek worden. Het RIVM monitort
via de meldingsplicht de aantallen ziektegevallen door orthohantavirussen in Nederland
en brengt hierover onder andere jaarlijks verslag uit in de Staat van Zoönosen.Omdat
het andesvirus alleen voorkomt bij een specifiek type rijstrat, een knaagdier dat
alleen in Zuid-Amerika voorkomt, zijn er geen patiënten geweest die dit virus in Nederland
hebben opgelopen. Het andesvirus is inmiddels aangewezen als meldingsplichtige infectieziekte
groep A2, en moet bij vermoeden gemeld worden bij de GGD. Het RIVM houdt op deze wijze
landelijk overzicht van eventuele verdere mens-op-mens verspreiding in Nederland.
Vraag 3
Heeft u reeds de verschillende mogelijke methodologieën om de besmettingen met en
de verspreiding van het Hantavirus te monitoren in kaart gebracht en/of externe expertise
ingewonnen om deze methodologieën in kaart te brengen?
Antwoord 3
De WHO en het ECDC hebben advies uitgebracht over het in kaart brengen van de besmettingen
en de verspreiding van het andesvirus naar aanleiding van de uitbraak op de m/v Hondius.
In Nederland baseren we ons, voor het beleid ten aanzien van de contacten, op deze
adviezen. Ook voor het in kaart brengen van andere hantavirussen, die alleen van dieren
op mensen worden overgebracht, handelt Nederland in lijn met internationale richtlijnen.
Vraag 4
Welke methodologieën passen andere landen reeds toe?
Antwoord 4
Andere landen passen dezelfde methodologieën toe om de besmettingen met en de verspreiding
van het hantavirus te monitoren. Daarover is in de afgelopen periode zeer intensief
overleg geweest binnen de daarvoor bestemde coördinatiestructuren op EU-niveau en
met de WHO.
Vraag 5
Zijn er op dit moment meerdere varianten van het Hantavirus in omloop? Zo ja, welke
varianten betreft het en in welke regio’s of landen worden deze vastgesteld?
Antwoord 5
Ja, er komen verschillende soorten hantavirussen voor in verschillende regio’s. Er
zijn zo’n 60 verschillende hantavirussen bekend, waarvan er zo’n 30 kunnen worden
overgedragen van knaagdier naar mens en ziekte kunnen veroorzaken.
In Nederland komen drie soorten hantavirussen voor die ziekte bij mensen kunnen veroorzaken.
Deze worden door verschillende soorten knaagdieren overgedragen op mensen. Zo is het
Puumalavirus afkomstig van rosse woelmuizen, het Seoulvirus van (tamme) ratten en
het Tulavirus van veldmuizen. Van de drie in Nederland voorkomende hantavirussen worden
de meeste mensen niet ziek. In 90% van de gevallen krijgt men hier geen klachten van.
Als iemand wel ziek wordt, lijken de klachten vaak op griep. Hoe ernstig de klachten
zijn, kan verschillen per virus en per individu.
In de rest van Europa komen ook andere hantavirussen voor. Deze geven in de meeste
gevallen vergelijkbare klachten. Bij het dobravavirus, een variant die voorkomt in
de Balkanlanden, wordt vaker het ernstigere ziekteverloop gezien. De sterfte aan de
in Nederland voorkomende hantavirussen is erg laag, namelijk kleiner dan 1%.
Hantavirussen, zoals het andesvirus, die in Noord- en Zuid-Amerika voorkomen, kunnen
zorgen voor ernstigere ziekte. Hierbij kunnen mensen hoge koorts en ademhalingsproblemen
krijgen. Later kan dit leiden tot ernstige longproblemen en hartfalen. Er is sprake
van hoge mortaliteit. Buiten Noord- en Zuid-Amerika komen deze hantavirussen niet
voor, omdat de betreffende gastheerreservoirs alleen in Noord- en Zuid-Amerika voorkomen.
Vraag 6
Kunt u de laatste stand van zaken geven van de wetenschappelijke kennis met betrekking
tot de besmettelijkheid van de verschillende varianten?
Antwoord 6
Het andesvirus is de enige variant van het hantavirus die van mens op mens overdraagbaar
is. Internationaal zijn er slechts enkele voorbeelden beschreven. Overdracht van mens
op mens vindt alleen plaats als mensen intensief en langdurig contact met elkaar hebben.
Vraag 7
Welke cruciale kennis ontbreekt momenteel nog? Laat u bijkomend onderzoek uitvoeren
naar die ontbrekende kennis?
Antwoord 7
Voor de aanpak van deze uitbraak is de huidige kennis afdoende. Eerdere uitbraken
in Zuid-Amerika hebben laten zien dat met case opsporing en contact tracing een uitbraak
snel onder controle gebracht kan worden. Daarnaast zijn, toen het schip voor anker
lag bij de Kaapverdische eilanden op 4 en 5 mei 2026, epidemiologen van de WHO en
het ECDC aan boord gegaan om de uitbraak te onderzoeken en meer inzicht te verkrijgen.
Via monitoring en onderzoek wordt aanvullende kennis opgebouwd.
Vraag 8
Bent u bekend met de casus van een Italiaanse man die in het ziekenhuis opgenomen
werd met symptomen van het Hantavirus?1
Antwoord 8
Het mediabericht is bekend. Via officiële kanalen is hierover niets gemeld.
Vraag 9
Beschikt u over meer informatie of deze man in contact is gekomen met de Nederlandse
vrouw die met eenzelfde KLM-vlucht wilde meereizen en even later aan de gevolgen van
het Hantavirus overleed? Wordt hier nader onderzoek naar gevoerd?
Antwoord 9
Deze informatie is niet bekend. Uit het feit dat er in het overzicht van ECDC geen
informatie is opgenomen over een persoon uit Italië kan worden opgemaakt dat deze
persoon niet besmet was.
Vraag 10
Klopt het dat er aanwijzingen zijn dat bepaalde varianten van mens op mens overdraagbaar
zouden kunnen zijn? Zo ja, wat is hierover bekend? Welke acties onderneemt u om hierover
meer kennis te vergaren?
Antwoord 10
Het andesvirus is het enige soort hantavirus, waarbij aanwijzingen zijn voor overdracht
van mens op mens. Overdracht vindt waarschijnlijk plaats via direct speekselcontact,
en mogelijk ook via druppels uit de neuskeelholte. De kans dat mensen elkaar besmetten,
is klein. Internationaal zijn er slechts enkele voorbeelden beschreven. Overdracht
van het andesvirus van mens op mens kan alleen gebeuren bij intensief en langdurig
contact met een besmet persoon.
Vraag 11
Hoe verloopt momenteel het bron- en contactonderzoek indien sprake is van een vermoedelijke
of bevestigde besmetting?
Antwoord 11
Er loopt bron- en contactopsporing in relatie tot de uitbraak op het schip m/v Hondius.
Hiervoor heeft het RIVM een speciale richtlijn opgesteld: Andesvirusinfectie | LCI-richtlijn | LCI-richtlijnen.
Vraag 12
Beschikt Nederland momenteel over voldoende capaciteit om, indien noodzakelijk, snel
en effectief bron- en contactonderzoek uit te voeren en op te schalen?
Antwoord 12
Ja, het andesvirus beschikt niet over de eigenschappen die kunnen leiden tot grote
uitbraken. Het andesvirus verspreidt alleen van mens tot mens bij intensief en langdurig
contact. Uitbraken die bekend zijn, zijn klein in aantallen en altijd gelinkt aan
een specifieke setting zoals huishouden, ziekenhuis, verjaardag of zoals nu een cruiseschip.
Daarnaast zijn maatregelen uit voorzorg genomen naar aanleiding van de uitbraak op
de m/v Hondius. Alle opvarenden van de m/v Hondius zijn ofwel in isolatie in het ziekenhuis,
ofwel in quarantaine op een daarvoor ingerichte quarantainelocatie, ofwel in thuisquarantaine.
Zij worden strikt gemonitord: de GGD is in direct, dagelijks contact met deze personen.
Vraag 13
Kunt u stap voor stap toelichten welke procedures in werking treden wanneer iemand
besmet blijkt te zijn? Welke stappen moeten besmette mensen en hun omgeving doorlopen?
Antwoord 13
Als iemand besmet blijkt te zijn met het andesvirus en voor de infectie kenmerkende
klachten ontwikkelt, wordt de desbetreffende persoon opgenomen in een academisch ziekenhuis.
De GGD voert bron- en contactopsporing uit bij de besmette persoon en plaatst diens
hoogrisicocontacten zo nodig uit voorzorg in thuisquarantaine. Diagnose van de besmette
persoon wordt vastgesteld binnen een paar uur bij het RIVM dan wel het Erasmus MC.
Bij bevestiging van de diagnose wordt de quarantaine tot zes weken na het laatste
onbeschermde contact gecontinueerd.
Tijdens thuisquarantaine gaat iemand thuis (of ergens anders) in quarantaine: bij
gezondheidsklachten moet men meteen de GGD bellen. De GGD begeleidt de personen in
thuisquarantaine en geeft advies op maat. Het doel van thuisquarantaine is het bewaken
van de gezondheid van de mensen in quarantaine en hun naasten, en het voorkomen van
verspreiding van infectieziekten.
Vraag 14
Welke behandelmogelijkheden zijn momenteel beschikbaar of in ontwikkeling voor besmette
patiënten? Zijn die van toepassing op verschillende varianten van het virus?
Antwoord 14
Er is geen geregistreerde behandeling of (internationale) richtlijn voor andesvirus-infecties.
Bij mensen die met ernstige ziekte door het andesvirus in het ziekenhuis worden opgenomen,
is de behandeling vooral gericht op het ondersteunen van de ademhaling en het voorkomen
van andere complicaties. Er zijn meerdere antivirale middelen die werkzaam zouden
kunnen zijn. Voor sommige middelen zijn er data over in vitro gevoeligheid of uit
dierproeven. Wat dat betekent voor behandeling van mensen is nog niet bekend. Er zijn
echter zeer weinig data over het effect van antivirale middelen bij andesvirus-infecties
bij mensen, omdat deze variant zelden voorkomt.
Vraag 15
Wordt gewerkt aan de ontwikkeling van vaccins of andere preventieve maatregelen om
besmetting met het Hantavirus te voorkomen? Zo ja, welke rol speelt Nederland hierin?
Antwoord 15
Er zijn meerdere vaccins in ontwikkeling tegen hantavirussen. Deze vaccins zijn allemaal
nog in een premature ontwikkelingsfase, zodat er geen vaccins zijn, behoudens vaccins
in China en Zuid-Korea tegen de daar circulerende hantavirussen. Deze worden daar
bij risicogroepen ingezet en werken niet tegen het andesvirus.
In Nederland gelden algemene preventieve maatregelen tegen besmetting met de in Nederland
voorkomende varianten van het hantavirus. Voor het andesvirus heeft het RIVM een richtlijn
opgesteld: Andesvirusinfectie | LCI-richtlijn | LCI-richtlijnen.
Vraag 16
Werkt Nederland op het vlak van vaccins samen met andere Europese landen en Europese
instellingen? Zo ja, hoe ziet die samenwerking eruit?
Antwoord 16
Op EU-niveau wordt informatie uitgewisseld over welke medische tegenmaatregelen ingezet
kunnen worden om de verspreiding van andesvirus tegen te gaan. Het gaat dan om onder
meer persoonlijke beschermingsmiddelen, in combinatie met protocollen rondom het gebruik
ervan. Ook wordt geïnventariseerd welke geneesmiddelen eventueel van meerwaarde zouden
kunnen zijn voor bijvoorbeeld de behandeling van symptomen. Er zijn nog geen concrete
stappen gezet op het gebied van vaccinontwikkeling.
Vraag 17
Indien Nederland onderzoek naar vaccins mee financiert of faciliteert, welke voorwaarden
zullen gesteld worden naar betaalbaarheid en beschikbaarheid van eventuele ontwikkelde
vaccins?
Antwoord 17
Op dit moment is er geen specifiek onderzoek geïdentificeerd naar vaccins tegen het
andesvirus waar vanuit Nederland of op EU-niveau financiering voor beschikbaar gesteld
kan worden.
Vraag 18
Welke internationale maatregelen worden genomen naar aanleiding van de huidige uitbraak
van het Hantavirus en op welke manier draagt Nederland daaraan bij?
Antwoord 18
Nederland ondersteunt bij internationale uitbraken als die van het Hantavirus met
het uitwisselen van kennis en informatie en het delen van ervaringen via de Health
Security Committee, de ECDC en de WHO.
De bilaterale, Europese en internationale samenwerking is goed verlopen. Nederland
is ook tevreden met de wijze waarop de WHO en de Europese Commissie de coördinatie
hebben opgepakt. Nederland heeft via bilaterale samenwerking nauw samengewerkt met
andere lidstaten, en dan met name Spanje. Dit gebeurde zowel via het postennetwerk
als ook via het netwerk van het Health Security Committee (HSC). Op Europees niveau
vonden bijna dagelijks bijeenkomsten plaats van dit comité onder voorzitterschap van
de Europese Commissie. Ook zijn door de Europese Commissie bijeenkomsten georganiseerd
met landen buiten de EU, die passagiers aan boord van de m/v Hondius hadden, om hen
op de hoogte te stellen van de ontwikkelingen en eventuele vragen te beantwoorden.
Het Europese Uniemechanisme voor civiele bescherming, en in het bijzonder het Emergency
Response Coordination Centre van de Europese Commissie, organiseerde daarnaast diverse
overleggen om overzicht te creëren in de verschillende repatriëringsacties van de
EU-lidstaten.
Daarnaast heeft het RIVM het Europese Unie referentielaboratorium voor de publieke
gezondheid op het gebied van knaagdier-overdraagbare infectieziekten gesteund met
adviezen en materialen, zodat zij centraal weer laboratoria in andere EU-landen kunnen
steunen en heeft het RIVM laboratoria in andere landen voorzien van protocollen.
Vraag 19
Kunt u reflecteren op de huidige positie van het kabinet ten aanzien van het internationale
pandemieverdrag van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO)? In hoeverre verschilt de
positie van dit kabinet ten aanzien van het pandemieverdrag van die van het vorige
kabinet?
Antwoord 19
Het pandemieverdrag, waarover de onderhandelingen nog steeds gaande zijn, kan een
belangrijke bijdrage leveren ten aanzien van het voorkomen van, en het vergroten van
de paraatheid ten aanzien van uitbraken, ook die van virussen zoals het andesvirus.
Het verdrag richt zich onder meer op het sneller delen van virusmateriaal en informatie
tussen landen wereldwijd. Bij een situatie zoals die zich voordeed op het m/v Hondius,
waarbij meerdere landen in Afrika en Europa betrokken zijn, kan dat bijdragen aan
een beter begrip van de situatie. De bevestiging dat het hier ging om de andesvariant
van het hantavirus werd al snel geleverd via een Zuid-Afrikaans laboratorium.
Het kabinet is van mening dat het pandemieverdrag een zinvolle bijdrage kan leveren
aan pandemische paraatheid en hoopt daarom dat de definitieve tekst van het verdrag
spoedig wordt afgerond. Deze virusuitbraak toont aan dat pandemische paraatheid onverminderd
aandacht blijft vereisen.
Vraag 20
In welke mate monitort Nederland virusuitbraken en opkomende infectieziekten in andere
landen om vroeg geïnformeerd te zijn van mogelijke gezondheidsrisico’s door ziektes
die zich naar Nederland zouden kunnen verspreiden?
Antwoord 20
De internationale samenwerking rond surveillance is door de COVID-19-pandemie versneld
en afspraken over het leveren van data hebben ook hier een meer verplichtend karakter
gekregen. Nederland is nauw aangesloten op het internationale systeem van monitoring
en surveillance van infectieziekten. Het RIVM is nationaal contactpunt voor het ECDC
en neemt deel aan Europese surveillanceprogramma’s voor infectieziekten, zoals surveillance
van antimicrobiële resistentie (EARS-Net), influenza (griep) en voedsel-gerelateerde
infecties. Het RIVM staat, mede via de programma’s en systemen van het ECDC en de
WHO, in nauw contact met volksgezondheidsinstituten in het buitenland. Bij het RIVM
worden infectieziektesignalen uit binnen- en buitenland wekelijks besproken tijdens
het Signaleringsoverleg, waaraan ook GGD’en deelnemen. De signalen vormen de basis
van de opschalingsstructuur om waar nodig bestrijdingsmaatregelen te nemen om verdere
verspreiding te voorkomen.
Voor bepaalde ziekteverwekkers, die worden overgedragen door vectoren zoals teken,
muggen, knutten en zandvliegen of via voedsel (zoals Salmonella), is het RIVM door
de Europese Commissie benoemd tot Europees referentie laboratorium (EURL) voor publieke
gezondheid. Binnen deze referentienetwerken vindt veel uitwisseling plaats van kennis
en nieuwe ontwikkelingen.
Ook neemt het RIVM deel aan Europese projecten betreffende gezamenlijke versterking
van diagnostiek, surveillance/uitbraakdetectie, het delen van data en pandemische
paraatheid. Dit gebeurt vaak vanuit de One Health-benadering. De WHO heeft binnen
het RIVM meerdere zogenaamde samenwerkingscentra (Collaborating Centres) aangewezen
die verschillende WHO-activiteiten ondersteunen. Hierin werken internationale partijen
samen op het gebied van onder meer pokken, ziekteverwekkers in voedsel, antimicrobiële
resistentie en water. Daarnaast is het RIVM WHO Collaborating Centre op het gebied
van «laboratory preparedness and response to high risk pathogens and biorisk» en heeft
het in die hoedanigheid de benodigde netwerken voor laboratorium signalering, expertise
uitwisseling en ondersteunt het bij internationale uitbraken, bijvoorbeeld door referentiebepalingen,
confirmatie van diagnostiek of het aanleveren van monsters. Tevens ondersteunt het
RIVM de WHO bij de implementatie van de Internationale Gezondheidsregeling (IHR).
Vraag 21
Welke bijdrage levert Nederland aan internationaal onderzoek om te voorkomen dat lokale
uitbraken zich ontwikkelen tot mondiale gezondheidscrises en om behandelingen of preventieve
maatregelen voor dergelijke gezondheidsrisico’s te ontwikkelen?
Antwoord 21
Nederland levert een belangrijke bijdrage aan internationaal onderzoek om te voorkomen
dat lokale uitbraken zich ontwikkelen tot mondiale gezondheidscrises. De kern daarvan
is dat Nederland internationale samenwerking, surveillance, kennisuitwisseling en
financiering inzet om gezondheidscrises beter te voorkomen en te beheersen. Nederland
heeft een kabinetsbrede Mondiale Gezondheidsstrategie vastgesteld waarin extra nadruk
ligt op versterking van gezondheidssystemen wereldwijd en voorbereiding op toekomstige
pandemieën. Er gaat extra aandacht naar de gezondheidseffecten van klimaatverandering,
omdat die nieuwe infectie- en gezondheidsrisico’s kunnen vergroten. Het RIVM is betrokken
bij Europese partnerschapsprogramma's en internationale onderzoeksprojecten, dat zich
richt op pandemische paraatheid, en faciliteert daarnaast ook onderzoek naar infectieziekten
en deelt kennis met andere partijen om effectieve preventie en behandeling te waarborgen.
Het RIVM verzamelt en deelt tevens data over infectieziekten om deel te nemen aan
internationale «datasharing» initiatieven die ook voor onderzoeksdoeleinden gebruikt
worden. Deze initiatieven zijn cruciaal voor het voorkomen van uitbraken en het verbeteren
van de gezondheidssamenwerking wereldwijd.
Ook heeft Nederland in de afgelopen jaren financieel bijgedragen aan het internationale
pandemiefonds, dat zich richt op het versterken van preventie en paraatheid in met
name ontwikkelingslanden, en aan CEPI, het internationale onderzoekcollectief dat
onder meer vaccinontwikkeling bevordert rondom ernstige infectieziekten.
Vraag 22
Kunt u reflecteren op de staat van de wereldwijde pandemische paraatheid en de gevolgen
daarvan voor gezondheidsrisico’s in Nederland, inclusief Caraïbisch Nederland?
Antwoord 22
De COVID-19-pandemie heeft geleid tot een versterking van de nationale en internationale
surveillance en samenwerkingsstructuren, die ervoor moeten zorgen dat grootschalige
uitbraken voorkomen worden, en als ze voorkomen, dat ze snel gesignaleerd worden en
dat de wereld beter voorbereid is ze in gezamenlijkheid te bestrijden. Nederland heeft
daarin een actieve rol en stelt expertise beschikbaar.
De EU heeft de afgelopen jaren in de wetgeving, samenwerkingsverbanden en coördinatie
versterkt op het gebied van pandemische paraatheid en respons en er is meer samenwerking
en informatie- en data-uitwisseling op het gebied van hoogrisicopathogenen en bioriskmanagement.
Op WHO-niveau is in 2024 naar aanleiding van de COVID-19-pandemie de Internationale
gezondheidsregeling gewijzigd, die binnenkort aan de Staten-Generaal ter goedkeuring
zal worden voorgelegd. Ook de onderhandelingen over een specifieke bijlage bij het
WHO-pandemieverdrag bevinden zich in een vergevorderd stadium.
Door deze versterkingen en initiatieven zijn de mondiale structuren op het vlak van
pandemische paraatheid robuuster geworden. Dat neemt niet weg dat lidstaten individueel
verantwoordelijk zijn en blijven voor het op peil houden van hun pandemische preventie,
paraatheid en respons.
Met betrekking tot de pandemische paraatheid en de bestrijding van infectieziekten
hebben in Caribisch Nederland de vier landen overeenstemming bereikt over de verdere
ontwikkeling van de Dutch Caribbean Public Health Expertise Network (DuCaPHEN). Daarmee
wordt de gezamenlijke inzet voor kennisuitwisseling en regionale coördinatie op het
gebied van volksgezondheid versterkt. De landen hebben bovendien herbevestigd dat
zij blijven streven naar geharmoniseerde wet- en regelgeving op het gebied van volksgezondheid
in het Caribische deel van het Koninkrijk. De vier landen nemen stappen om de crisisparaatheid
te verbeteren, wat cruciaal is om het Koninkrijk effectief en gecoördineerd op gezondheidscrises
te laten reageren.
Vraag 23
Welke rol ziet deze regering voor zichzelf in de versterking van mondiale samenwerking
op het gebied van infectieziektebestrijding en pandemische paraatheid?
Antwoord 23
De regering zet zich onverminderd in voor het versterken van mondiale samenwerking
op het gebied van infectieziektebestrijding en pandemische paraatheid. Dit doet zij
door een actieve opstelling in de onderhandelingen rondom het pandemieverdrag alsook
door actief bij te dragen aan verdere versterking en verbetering van de EU-samenwerking
op het vlak van ernstige grensoverschrijdende gezondheidsbedreigingen. Ook voert Nederland
de Mondiale Gezondheidsstrategie uit, waar onder meer pandemische paraatheid en het
versterken van de mondiale gezondheidsarchitectuur kernthema’s zijn, en draagt zij
in multilaterale fora actief bij aan de verbetering van de mondiale gezondheidsarchitectuur,
waarbij de samenwerking tussen overheidsinstellingen, niet-gouvernementele organisaties,
fondsen en andere partners beter op elkaar afgestemd moet worden.
Ondertekenaars
S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.