Schriftelijke vragen : De evacuatie van Gazanen met een Nederlandse verblijfsvergunning
Vragen van het lid Teunissen (PvdD) aan de Minister van Buitenlandse Zaken over de evacuatie van Gazanen met een Nederlandse verblijfsvergunning (ingezonden 13 mei 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met de uitspraken van de voorzieningenrechter van de Raad van State
en de rechtbank Den Haag waarin is geoordeeld dat het Ministerie van Buitenlandse
Zaken consulaire ondersteuning moet bieden aan Gazanen met een geldige Nederlandse
verblijfsvergunning bij hun vertrek uit Gaza?1
Vraag 2
Klopt het dat het gaat om tientallen Palestijnen uit Gaza die beschikken over een
geldige machtiging tot voorlopig verblijf (MVV) voor studie en werk in Nederland?
Vraag 3
Klopt het dat het Ministerie van Buitenlandse Zaken zich momenteel beperkt tot het
versturen van een zogenaamde Note Verbale, terwijl bekend zou zijn dat dit op zichzelf
onvoldoende is om evacuatie daadwerkelijk mogelijk te maken?
Vraag 4
COGAT heeft tegenover de NOS verklaard dat Nederland de betreffende personen niet
heeft aangemeld voor evacuatie, terwijl daar volgens COGAT wel de mogelijkheid toe
bestaat.2 Hoe moet dit beoordeeld worden in het licht van uw inzet om aan de verplichting als
opgelegd door de voorzieningenrechter te voldoen?
Vraag 5
Heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken sinds de uitspraken de namen van MVV-houders
actief doorgegeven aan de Israëlische autoriteiten of andere betrokken instanties
ten behoeve van evacuatie? Zo nee, waarom niet?
Vraag 6
Welke contacten heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken sinds maart 2026 onderhouden
met Jordaanse autoriteiten, COGAT, internationale organisaties of andere landen over
de praktische uitvoering van evacuatie van deze MVV-houders?
Vraag 7
Hoe verhoudt deze beperkte inzet zich volgens u tot de rechterlijke uitspraken waarin
is geoordeeld dat Nederland consulaire hulp moet verlenen?
Vraag 8
Deelt u de opvatting dat het bieden van uitsluitend minimale administratieve ondersteuning,
terwijl bekend is dat dit feitelijk niet leidt tot evacuatie, onvoldoende uitvoering
geeft aan de zorgplicht van de Nederlandse staat?
Vraag 9
Kunt u uiteenzetten welke belemmeringen het kabinet momenteel ziet om de betrokken
personen daadwerkelijk uit Gaza te laten vertrekken, en welke diplomatieke inspanningen
worden verricht om deze belemmeringen weg te nemen?
Vraag 10
In de NOS-rapportage werd melding gemaakt van het feit dat u heeft aangegeven dat
er sprake is van een situatie die nog «onder de rechter is»3; bent u er zich van bewust dat er tegen de voorlopige voorzieningen die zijn opgelegd,
op basis waarvan u dient te doen wat nodig is om evacuatie te realiseren, geen beroep
aangetekend kan worden en deze per direct uitgevoerd dienen te worden?
Vraag 11
In hoeverre onderscheidt het bewust uitvoeren van een rechterlijke opdracht op een
wijze die bij voorbaat ineffectief is zich volgens u van het feitelijk niet uitvoeren
van die opdracht?
Vraag 12
Bent u bereid om, mede gezien de humanitaire situatie in Gaza en de uitspraken van
de rechter, per direct intensievere consulaire en diplomatieke inspanningen te leveren
om deze mensen veilig uit Gaza te krijgen? Zo nee, waarom niet?
Vraag 13
Kunt u deze vragen met spoed binnen twee weken beantwoorden?
Toelichting:
Deze vragen dienen ter aanvulling op eerdere vragen terzake van de leden Van der Werf
(D66) en Piri (GroenLinks-PvdA), ingezonden 13 mei 2026 (vraagnummer 2026Z09755)
Indieners
-
Gericht aan
T.B.W. Berendsen, minister van Buitenlandse Zaken -
Indiener
Christine Teunissen, Kamerlid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.