Schriftelijke vragen : De afhandeling van Woo-verzoeken en de rechtsbescherming van betrokkenen
Vragen van de leden Van der Plas (BBB) en Flach (SGP) aan de Minister van Justitie en Veiligheid, van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de afhandeling van Woo-verzoeken en de rechtsbescherming van betrokkenen (ingezonden 30 april 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het artikel «RVO stuurt 55.000 foute brieven over bezwaar, snel
reageren nodig»?1
Vraag 2
Kunt u specifiek voor Wet open overheid (Woo)-verzoek Woo/2023/066 toelichten waarom
voor betrokkenen geen mogelijkheid tot het indienen van bezwaar tegen openbaarmaking
is geboden? Op basis van welke wettelijke grondslag is ervoor gekozen om de reactie
van betrokkene direct als beroep aan te merken en waarom is betrokkene hierbij geen
expliciete keuze gelaten tussen bezwaar en beroep?
Vraag 3
Klopt het dat in het kader van Woo-verzoek Woo/2023/066 eerder is aangegeven dat de
gevraagde informatie (gedeeltelijk) niet openbaar zou worden gemaakt, maar dat op
een later moment alsnog is besloten tot openbaarmaking? Zo ja, kunt u toelichten wat
de reden is geweest voor deze wijziging van inzicht en kunt u de communicatie daarover
binnen RVO openbaar maken (inclusief het bezwaarschrift van de aanvrager van het WOO-verzoek)?
Vraag 4
Hoe kan het dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) 55.000 onjuiste brieven
over bezwaar heeft verstuurd, welke concrete fout(en) in het systeem of proces liggen
hieraan ten grondslag?
Vraag 5
Deelt u de opvatting dat het indienen van beroep bij de rechtbank wezenlijk verschilt
van het maken van bezwaar, onder meer omdat beroep minder laagdrempelig is, hogere
eisen stelt aan motivering en doorgaans meer tijd, geld en juridische kennis vergt
van betrokkenen? Zo nee, waarom niet?
Vraag 6
Deelt u de opvatting dat van betrokkenen in redelijkheid niet kan worden verwacht
dat zij binnen dezelfde termijn en zonder duidelijke keuze direct een beroep bij de
rechtbank instellen, terwijl zij mogelijk in de veronderstelling zijn dat zij bezwaar
maken?
Vraag 7
Deelt u de opvatting dat betrokkenen in hun rechtspositie zijn benadeeld doordat,
na het constateren van een fout, de termijn niet is verlengd en zij nog slechts enkele
dagen (circa zes dagen) hadden om zich voor te bereiden op een gerechtelijke procedure?
Zo nee, waarom niet?
Vraag 8
Staat de korte periode van herstel in verhouding met de termijnen die de overheid
zelf hanteert? Zo ja, kunt u dat onderbouwen?
Vraag 9
Acht u het in het kader van zorgvuldige besluitvorming wenselijk dat betrokkenen in
een situatie zoals bij Woo-verzoek Woo/2023/066 niet expliciet zijn gewezen op het
verschil tussen bezwaar en beroep en de gevolgen daarvan, waaronder griffierechten
en procedurele vereisten?
Vraag 10
Waarom is er in dit geval niet voor gekozen om, na constatering van de onduidelijkheid,
de termijnen aan te passen en betrokkenen opnieuw en duidelijk te informeren over
hun rechtspositie en de mogelijkheid om, desgewenst, beroep in te stellen?
Vraag 11
Deelt u de opvatting dat het, gelet op de impact van openbaarmaking van persoonsgegevens
en de rechtspositie van betrokkenen, zorgvuldiger was geweest om betrokkenen een nieuwe
termijn te bieden en hen expliciet de keuze te geven om beroep in te stellen? Zo nee,
waarom niet?
Vraag 12
Hoe kan het dat bij een uitvoeringsorganisatie als RVO, die zoveel cruciale data en
besluiten verwerkt, dit soort grootschalige fouten niet eerder (lees voor het versturen
van de betreffende brief) worden gesignaleerd?
Vraag 13
In het regeerakkoord spreekt u over «een betrouwbare en menselijke overheid. De overheid en de politiek kunnen meer doen
om vertrouwen te vergroten, door een menselijk gezicht en een overheid die zich transparant
opstelt», hoe past dit voorbeeld in het streven naar een betrouwbare en menselijke overheid?
Vraag 14
Waarom heeft een bezwaar tegen openbaarmaking in het kader van de Woo geen opschortende
werking, waardoor betrokkenen genoodzaakt zijn een voorlopige voorziening aan te vragen
om openbaarmaking te voorkomen?
Vraag 15
Kunt u aangeven hoe vaak een verzoek tot een voorlopige voorziening (vovo) in dit
soort zaken níet wordt toegewezen? Klopt het beeld dat deze in de praktijk vrijwel
altijd worden toegekend?
Vraag 16
Deelt u de opvatting dat het verplicht moeten aanvragen van een voorlopige voorziening
leidt tot onnodige belasting van zowel betrokkenen als de rechtspraak, terwijl het
doel (het tijdelijk opschorten van openbaarmaking) ook op een eenvoudiger manier bereikt
zou kunnen worden?
Vraag 17
Bent u bereid te onderzoeken of het mogelijk is om bij bezwaar tegen openbaarmaking
standaard een opschortende werking toe te passen, zodat het aanvragen van een voorlopige
voorziening niet langer nodig is? Zo nee, waarom niet?
Vraag 18
Hoe verhoudt deze werkwijze zich tot de eerder aangenomen motie van Van der Plas over
openbaarmaking van een Woo-besluit automatisch opschorten als er bezwaar is ingediend
(Kamerstuk 32 802, nr. 114) die juist beoogt de rechtsbescherming van burgers te versterken en onnodige juridische
procedures te voorkomen?
Vraag 19
Hoe staat het met de uitvoering van de motie van Van der Plas (Kamerstuk 32 802, nr. 111), waarin wordt verzocht om een onafhankelijk onderzoek naar de sociale veiligheid
van agrariërs in Nederland? Is dit onderzoek inmiddels gestart of afgerond? Zo ja,
wanneer wordt de Kamer hierover geïnformeerd?
Indieners
-
Gericht aan
P.E. Heerma, minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties -
Gericht aan
J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Gericht aan
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid -
Indiener
Caroline van der Plas, Kamerlid -
Medeindiener
André Flach, Kamerlid