Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Dobbe over het bericht ‘Froukje ging met een crisis de jeugdzorg in, en kwam er met een nieuw trauma weer uit’
Vragen van het lid Dobbe (SP) aan de Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport over het bericht «Froukje ging met een crisis de jeugdzorg in, en kwam er met een nieuw trauma weer uit» (ingezonden 22 april 2026).
Antwoord van Minister Sterk (Langdurige Zorg, Jeugd en Sport) (ontvangen 9 juni 2026).
Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1900.
Vraag 1
Wat is uw reactie op het bericht «Froukje ging met een crisis de jeugdzorg in, en
kwam er met een nieuw trauma weer uit»?1
Antwoord 1
Het verhaal van Froukje grijpt mij aan. Jongeren die afhankelijk zijn van jeugdhulp
moeten erop kunnen vertrouwen dat zij veilig zijn, met respect worden behandeld en
passende zorg ontvangen. Vrijheidsbeperkende maatregelen mogen nooit als straf worden
ingezet en mogen uitsluitend binnen de wettelijke kaders en als uiterste middel worden
toegepast. Wanneer een jongere in een kwetsbare situatie door de ingezette jeugdhulp
juist extra beschadigd raakt, is dat zeer ernstig. Ik vind het belangrijk dat jongeren
met ingrijpende ervaringen worden gehoord en serieus genomen.
Vraag 2
Hoe kijkt u aan tegen het advies van uw voorganger dat jongeren die slachtoffer zijn
van geweld in de jeugdzorg daarvan aangifte moeten doen? Hoe zou dit moeten werken
in gevallen waarbij bij de jongere niet bekend is wie de zorgverleners zijn die zich
daar schuldig aan hebben gemaakt?
Antwoord 2
Ik onderschrijf het advies van mijn ambtsvoorganger dat jongeren aangifte moeten doen
bij de politie als zij slachtoffer zijn (geweest) van geweld in de jeugdzorg2. Als niet duidelijk is wie de (jeugd)hulpverleners zijn die dit geweld hebben toegepast,
kan de jongere ook aangifte doen tegen de jeugdhulpaanbieder. Dit is mogelijk in die
situaties waarin de strafbare gedraging van personeel binnen de sfeer van de jeugdhulpaanbieder
ligt en deze gedraging in redelijkheid kan worden toegerekend aan de jeugdhulpaanbieder.
De jeugdhulpaanbieder is als werkgever verantwoordelijk voor de inzet en de kwaliteit
van personeel, ook als dit uitzendkrachten zijn. De professionals die zij in dienst
nemen of inhuren moeten bekwaam zijn om de aan hen toebedeelde taken uit te voeren
en beschikken over de juiste deskundigheid om jongeren te helpen. Daarnaast kan ook
aangifte worden gedaan tegen de feitelijk leidinggevende, bijvoorbeeld als deze persoon
bekend was met de werkwijze van het personeel en daarmee gepaard gaande risico’s en
bevoegd was om passende maatregelen te treffen, maar dat achterwege heeft gelaten.
Vraag 3
In hoeverre zou een zorginstelling zelf aangifte kunnen of moeten doen in een situatie
die hierom vraagt? In hoeverre kan een zorginstelling deze verantwoordelijkheid van
een cliënt overnemen?
Antwoord 3
Iedereen die kennis heeft van een strafbaar feit is bevoegd om hiervan aangifte te
doen.3 Bij bepaalde ernstige strafbare feiten, zoals moord, doodslag of verkrachting bestaat
een verplichting tot het doen van aangifte.4 Dit geldt ook voor (het bestuur of de dagelijkse leiding van) een jeugdhulpaanbieder.
Daarnaast zijn jeugdhulpaanbieders verplicht om hun interne systemen zo in te richten
dat signalen over misstanden intern goed kunnen worden besproken/gemeld, geanalyseerd
en tot verbetering leiden.5 Dit kan bijvoorbeeld via één of meer documenten, waarin wordt beschreven hoe wordt
omgegaan met strafbare feiten gepleegd door personeel of ondergeschikten. Denk bijvoorbeeld
aan een intern aangiftebeleid, gedragscode of incidentenprotocol.
Voor zover geen aangifteplicht geldt, hebben zowel de jeugdhulpaanbieder als de cliënt
de bevoegdheid om aangifte te doen. Deze bevoegdheden bestaan naast elkaar. Indien
uitsluitend de jeugdhulpaanbieder aangifte doet van een strafbaar feit, is het aan
de politie om te beoordelen of dit voldoende grond biedt voor nader onderzoek, of
dat ook een aangifte van de cliënt is vereist. Volledigheidshalve wil ik benoemen
dat ook de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) aangifte kan doen, wanneer zij
na onderzoek concludeert dat er mogelijk sprake is van een strafbaar feit.
Vraag 4
Als een zorginstelling een cliënt niet gelooft en geen actie onderneemt, wie zou een
cliënt dan bij kunnen staan om ze in dit proces te begeleiden?
Antwoord 4
De cliënt kan zich op verschillende wijzen laten bijstaan bij het doen van aangifte.
Dit kan allereerst in de vorm van informele steun: een persoon uit het eigen netwerk
van de cliënt. Daarnaast kan de cliënt zich wenden tot Slachtofferhulp Nederland6; zij kunnen de cliënt begeleiden bij het doen van aangifte. Indien de cliënt nog
te maken heeft met jeugdzorg, is het op grond van Jeugdwet mogelijk om een vertrouwenspersoon
in te schakelen, bijvoorbeeld via Jeugdstem7. De vertrouwenspersonen kunnen jongeren ondersteunen bij het doen van aangifte van
geweldsincidenten in de jeugdzorg.
Daarnaast is ook juridische rechtsbijstand mogelijk. Allereerst kan de cliënt informatie
inwinnen bij het juridisch loket of de rechtsbijstandsverzekeraar. Daarnaast is bijstand
door een advocaat ook mogelijk. In gevallen waarin sprake is van ernstig psychisch
of lichamelijk letsel door een geweldsmisdrijf, seksueel misbruik of seksueel geweld
kan de cliënt ook in aanmerking komen voor een (gratis) slachtofferadvocaat. Komt
de cliënt hiervoor niet in aanmerking, dan kan op eigen kosten gebruik worden gemaakt
van een advocaat. Afhankelijk van het inkomen en eigen vermogen kan een deel van de
juridische kosten worden vergoed via de gesubsidieerde rechtsbijstand.8
Vraag 5
Deelt u de mening dat een vermindering van de externe inhuur van medewerkers essentieel
is voor de kwaliteit en veiligheid van de jeugdzorg? Zo ja, welke concrete doelen
en tijdlijn hanteert u daarvoor en welke stappen zet u om dit te bereikten? Zo nee,
waarom niet?
Antwoord 5
De jeugdhulpaanbieder is als werkgever verantwoordelijk voor de inzet en de kwaliteit
van personeel, ook als dit uitzendkrachten zijn. De inzet van extern ingehuurd personeel
is daarom niet per definitie onwenselijk. Wel is het van belang dat werkgevers inzetten
op een goede balans tussen personeel in vaste loondienst en flexwerkers. Personeel
in vaste loondienst zorgt voor vertrouwde gezichten voor cliënten, wat bijdraagt aan
een goede vertrouwensrelatie tussen de hulpverlener en de jongere en daarmee de kwaliteit
van zorg ten goede kan komen. De inzet van extern ingehuurde medewerkers moet zich
richten op het opvangen van «piek en ziek», wanneer dat niet lukt met interne medewerkers.
In het Integraal Zorgakkoord (hierna: IZA) is de opgave opgenomen dat regionale werkgeversorganisaties,
zorginkopers en VWS actief inzetten op regionaal werkgeverschap (flexibele schil in
loondienst) en een moderner arbeidscontract dat werknemers meer mogelijkheden biedt
om meer regie te voeren over vormgeving van werk en werktijden om zo het werken in
loondienst aantrekkelijker te maken.
Vraag 6
Bent u bereid om een maximumpercentage invalkrachten in te voeren per zorgbedrijf?
Antwoord 6
Het is niet wenselijk om een (maximum) percentage invalkrachten te benoemen. Een maximumpercentage
zou de benodigde flexibiliteit in de personeelsinzet in de zorgsector kunnen beperken
en is daarom niet passend als generieke maatregel. Het is primair de verantwoordelijkheid
van werkgevers om het aannemen van vaste krachten in de zorg te bevorderen en iedereen
aan te trekken en te behouden die kwalitatief goed werk kan en wil leveren.
Vraag 7
Welke acties onderneemt u om er in ieder geval voor te zorgen dat het achteraf duidelijk
is welke (extern ingehuurde) zorgverleners bij de zorg voor welke jongeren betrokken
zijn geweest? Welke verantwoordelijkheid hebben de betrokken zorgaanbieders hierbij?
Antwoord 7
Jeugdhulpverleners zijn op grond van de Jeugdwet al verplicht een dossier te maken
rondom de verlening van jeugdhulp. Hierin worden de geconstateerde opgroei- en opvoedingsproblemen
en door de hulpverlener uitgevoerde verrichtingen vastgelegd (Jeugdwet, art. 7.3.8).
Aanvullend worden ook gegevens in het dossier opgenomen als dit noodzakelijk is voor
een goede hulpverlening aan de jeugdige. Volgens de veldnorm «het dossier in de jeugdhulpverlening»9 moet in het dossier te lezen zijn wat en met wie besproken is over de voortgang van
de begeleiding, behandeling of ondersteuning. De betreffende hulpverlener dient dus
een en ander vast te leggen, ongeacht of deze in vaste dienst is of een externe ingehuurde
hulpverlener.
Daarnaast is een jeugdhulpaanbieder verplicht het dossier gedurende twintig jaar te
bewaren en dient deze jeugdigen, ouders of verzorgers inzage te geven in het dossier
en hen een afschrift te verstrekken van de gegevens die daarin staan. Ook de IGJ mag
– in het kader van onderzoek of toezicht – een dossier inzien. De jeugdhulpaanbieder
is verplicht om mee te werken aan zo’n onderzoek.
Vraag 8
In hoeverre wordt er nadat een calamiteit (zoals gebruik van geweld en/of vrijheidsbeperkende
maatregelen) aan het licht komt gecontroleerd of zorgverleners de juiste papieren
hadden en of zij nog werkzaam zijn in de zorg?
Antwoord 8
De Jeugdwet bevat voor zowel de jeugdhulpaanbieders als de gecertificeerde instellingen
reeds de verplichting om zich op zodanige wijze te voorzien van voldoende gekwalificeerd
personeel en voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling te zorgen, dat dit leidt
of redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde hulp10. Een jeugdhulpaanbieder is verantwoordelijk voor het controleren of medewerkers over
de juiste kwalificaties beschikken. Daarbij zijn zij verplicht om van personen die
in hun opdracht beroepsmatig of als vrijwilliger in contact kunnen komen met jeugdigen
of ouders aan wie zij jeugdhulp verlenen of aan wie een kinderbeschermingsmaatregel
of jeugdreclassering is opgelegd, in ieder geval een verklaring omtrent gedrag (hierna:
VOG) te hebben.
Een calamiteit of incident moet altijd worden gemeld bij de IGJ. Afhankelijk van de
ernst van de zaak kan de IGJ zelf een calamiteitenonderzoek starten, waarbij ook kan
worden nagegaan of de betreffende medewerker over de vereiste kwalificaties beschikte.
Of een betreffende medewerker vervolgens elders bij een zorginstelling werkzaam is
geworden, kan niet worden nagegaan.
Op korte termijn gaat een wetsvoorstel over de vergewisplicht in internetconsultatie.
Door deze in te voeren binnen de Jeugdwet zullen jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde
instellingen verplicht zijn het arbeidsverleden van nieuw aangenomen professionals
na te gaan.
Vraag 9
Hoe reageert u op de signalen dat er bij D3 ook na het beëindigen van het verscherpte
toezicht nog vrijheidsbeperkende maatregelen zijn ingezet als straf?
Antwoord 9
Ik wil graag benadrukken dat het in geen enkele situatie is toegestaan om gedwongen
zorg of vrijheidsbeperkende maatregelen in te zetten als straf voor een jeugdige.
Jeugdigen die hiermee te maken hebben, roep ik op om zich te melden bij de vertrouwenspersoon
van Jeugdstem en/of de IGJ. Wanneer zorgprofessionals hiermee te maken hebben binnen
hun organisatie en bespreking intern niet tot verandering leidt, kunnen zij uiteraard
ook een melding maken bij de IGJ.
In sommige situaties kan het nodig zijn om tegen de wil van de jeugdige (of van degene
die het gezag over de jeugdige uitoefent) gedwongen zorg of vrijheidsbeperkende maatregelen
in te zetten. Hier zijn strikte voorwaarden en eisen aan verbonden die wettelijk zijn
vastgelegd. Als het gaat om jeugdhulp zijn vrijheidsbeperkende maatregelen op grond
van de Jeugdwet alleen toegestaan in de gesloten jeugdhulp. Daarnaast kan op grond
van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) gedwongen zorg vanwege een
psychische stoornis worden verleend indien wordt voldaan aan de eisen die deze wet
daaraan stelt.
Tegelijkertijd vraagt de veranderende praktijk in de jeugdhulp veel van professionals.
Recent onderzoek van Samenwerkende Beroepsverenigingen Jeugd en Factor I11 laat zien dat de veranderingen binnen de residentiële jeugdhulp een grote impact
hebben op professionals. Door de afbouw van de gesloten jeugdhulp blijkt een deel
van de doelgroep die eerder werd opgenomen in de gesloten jeugdhulp naar open residentiële
voorzieningen te verschuiven, waardoor de complexiteit en zwaarte van hulpvragen toenemen.
Ook wordt op veel plekken ingezet op kleinschalig werken. Dit biedt kansen voor maatwerk
en nabijheid, maar vraagt tegelijkertijd om het waarborgen van veiligheid en passende
bescherming in situaties die steeds veeleisender worden. In deze context ervaren professionals
regelmatig handelingsverlegenheid. Het rapport onderstreept het belang van nieuw vakmanschap
in de residentiële jeugdhulp: vakmanschap dat professionals ondersteunt om met vertrouwen
en deskundigheid te handelen in een veranderende praktijk. Stichting Beroepsopleiding
Gezondheidszorg en Factor I zijn hierover in gesprek met Kwaliteit Blijvend Leren
om te komen tot een meerjarenprogramma gericht op het versterken van dit vakmanschap.
Ondertekenaars
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.