Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Vermeer over de positie van het kabinet inzake AI-gigafabrieken
Vragen van het lid Vermeer (BBB) aan de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat over het kabinetsbesluit inzake AI-gigafabrieken (ingezonden 9 april 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Aerdts (Economische Zaken en Klimaat) (ontvangen 13 mei
2026).
Vraag 1
Herinnert u zich dat u in het commissiedebat Digitale Infrastructuur en Economie d.d.
8 april aangaf dat het ontbreken van middelen op de begroting de doorslaggevende reden
was om niet deel te nemen aan het Europese AI-gigafabriekeninitiatief?
Antwoord 1
Ja, ik herinner mij het debat. Daarin heb ik onder andere aangeven dat er geen middelen
zijn om aan de Europese tender voor een gezamenlijke inkoop van rekenkracht mee te
doen. Daarnaast heb ik aangegeven positief te staan tegenover AI-infrastructuur die
vanuit private middelen gefinancierd kan worden, zoals ook in het rapport-Wennink
wordt aangegeven. Ook heb ik aangegeven dat ik daarom in gesprek blijf met de partijen
die AI-infrastructuur initiatieven proberen te realiseren en over de randvoorwaarden
die daarvoor nodig zijn.
Vraag 2
Klopt het dat in de beslisnota d.d. 23 maart bij de Kamerbrief «Positie van het kabinet
ten aanzien van deelname aan het Europese AI-gigafabriekeninitiatief» (Kamerstuk 26 643, nr. 1499) staat dat in de StafEZ van 10 maart 2026 is vastgesteld dat binnen de huidige begroting
geen ruimte bestaat voor de vereiste financiële verplichtingen?
Antwoord 2
Ja.
Vraag 3
Klopt het dat eerst is geconcludeerd dat er geen geld beschikbaar was, en dat pas
daarna inhoudelijke argumenten, waaronder een verwijzing naar het rapport-Wennink,
zijn gebruikt om dit besluit te onderbouwen? Zo nee, kan de Staatssecretaris dan precies
uiteenzetten in welke volgorde de budgettaire en inhoudelijke afwegingen zijn gemaakt?
Antwoord 3
Nee. De conclusie dat er geen middelen beschikbaar waren, is niet los van de inhoudelijke
afwegingen bereikt. In 2025 heeft Ecorys in opdracht van EZK de potentiële meerwaarde
van een AI-gigafabriek onderzocht. Dit rapport schetst verschillende scenario’s en
benoemt zowel kansen als onzekerheden en randvoorwaarden voor publieke betrokkenheid.
Daarbij plaatst het rapport kanttekeningen bij de publieke meerwaarde en wijst het
onder meer op de verhouding tussen training en inferentie, en de rol die marktpartijen
zelf kunnen vervullen. Ook andere inzichten, waaronder het rapport-Wennink, geven
aan dat substantiële private betrokkenheid bij de realisatie van dergelijke infrastructuur
voor de hand ligt.
Parallel hieraan heeft EZK de budgettaire mogelijkheden verkend. Daaruit bleek dat
er geen middelen beschikbaar waren. In samenhang hebben deze inhoudelijke bevindingen
en de budgettaire beperkingen geleid tot het besluit om niet deel te nemen aan een
gezamenlijke aanbesteding via EuroHPC.
Vraag 4
Kan de Staatssecretaris alsnog de stukken openbaar maken die ten grondslag lagen aan
het overleg in de StafEZ van 10 maart 2026, conform het eerder gedane informatieverzoek
van de Kamer gedaan tijdens het commissiedebat Digitale infrastructuur en economie,
waaronder memo’s, notities, berekeningen, scenario’s en de stukken waarmee de Staatssecretaris
en de betrokken ambtenaren dat overleg zijn ingegaan? Indien volledige openbaarmaking
niet mogelijk is, is de Staatssecretaris dan bereid om ten aanzien van het deel waarvan
openbaring niet mogelijk is, deze stukken vertrouwelijk ter inzage te geven?
Antwoord 4
De belangrijkste basis voor de inhoudelijke afweging waren diverse gesprekken met
consortia over hun plannen, de Europese EuroHPC regelgeving en het Ecorys-rapport,
dat in opdracht van het Ministerie van EZK is opgesteld en op 19 december jl. met
de Tweede Kamer is gedeeld. Ook andere inzichten, zoals het rapport-Wennink, dat ook
openbaar is, zijn hierin meegenomen.
Vraag 5
Herinnert u zich dat u zich zowel in het debat, als in de Kamerbrief betreft de Positie
van het kabinet ten aanzien van deelname aan het Europese AI-gigafabriekeninitiatief,
beriep op het rapport-Wennink, en dat dat rapport volgens het kabinet geheel in lijn
zou zijn met het standpunt van het kabinet om AI-gigafabrieken volledig door de markt
te laten financieren?
Antwoord 5
Ja.
Vraag 6
Deelt u de mening dat in het rapport-Wennink staat dat «Nieuwe initiatieven [...]
zijn (nog) niet volledig privaat te financieren door hoge opstartkosten en lange,
onzekere terugverdientermijnen.»?
Antwoord 6
Ja. Daarbij wordt echter op pagina van 90 van het rapport de kanttekening gemaakt
dat dit met name geldt voor nieuwe initiatieven in nog onbewezen markten. Tegelijkertijd
vermeldt het rapport dat de AI Gigafabriek, vanwege haar sterke commerciële oriëntatie,
in beginsel wél volledig privaat gefinancierd kan worden en marktconforme rekenkracht
kan aanbieden.
Vraag 7
Deelt u de mening dat in het rapport-Wennink staat dat «Publieke financiering – en
cofinanciering door EU-instrumenten – kan een vliegwieleffect hebben.»?
Antwoord 7
Ja.
Vraag 8
Deelt u de mening dat in het rapport-Wennink staat dat «Nederland heeft grootschalige
private én publieke investeringen nodig.»?
Antwoord 8
Ja.
Vraag 9
Deelt u de mening dat u stelt te handelen in lijn met het rapport-Wennink, terwijl
datzelfde rapport expliciet aangeeft dat grootschalige digitale infrastructuur juist
níet volledig privaat te financieren is en publieke cofinanciering noodzakelijk is
om investeringen los te krijgen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 9
Nee. Het rapport-Wennink maakt een onderscheid tussen verschillende typen digitale
infrastructuur. Waar het voor een deel van de grootschalige infrastructuur inderdaad
wijst op het belang van publieke cofinanciering, wordt in het geval van AI-gigafabrieken
expliciet benoemd dat deze in beginsel volledig privaat gefinancierd kunnen worden.
Dat beeld wordt ondersteund door recente marktontwikkelingen. Zo halen Europese AI-(neo)cloudbedrijven
zelfstandig kapitaal op voor de bouw van AI-infrastructuur. Dit laat zien dat er binnen
dit specifieke segment voldoende private investeringsbereidheid bestaat.
Vraag 10
Is hier niet gewoon sprake van het gebruiken van het rapport-Wennink als dekmantel
voor een besluit dat puur budgettair is genomen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 10
Nee. Het rapport-Wennink is niet gebruikt als dekmantel voor een budgettaire keuze.
Aan de kabinetspositie ligt, naast de gesprekken met de geïnteresseerde consortia,
in de eerste plaats het rapport van Ecorys ten grondslag, waarin de relevante economische
en investeringsafwegingen zijn geanalyseerd, zoals toegelicht in het antwoord op vraag 3.
Vraag 11
Deelt de Staatssecretaris de opvatting dat dit de indruk wekt van «cherry picking»?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord 11
Nee. Die indruk deel ik niet, omdat er niet uitsluitend naar het rapport-Wennink is
gekeken om tot deze conclusie te komen.
Vraag 12
Herinnert u zich dat u zich in het debat ook beriep op het Ecorys-rapport? Kan de
Staatssecretaris bevestigen dat Ecorys niet concludeert dat een AI-gigafabriek per
definitie niet rendabel of niet zinvol is, maar juist dat de meerwaarde afhangt van
ontwerp, gebruiksdoel en strategische inbedding? Waarom wordt dit rapport dan door
het kabinet wel gebruikt als argument om af te haken?
Antwoord 12
Ja, dat kan ik mij herinneren en dat kan ik bevestigen. Het Ecorys-rapport stelt inderdaad
niet dat een AI-gigafabriek per definitie niet rendabel of niet zinvol is. Het benadrukt
juist dat de meerwaarde en businesscase sterk afhangen van het ontwerp, het beoogde
gebruik en de strategische inbedding. Ecorys geeft daarbij aan dat een gecentraliseerde
AI-gigafabriek vooral meerwaarde kan hebben voor de training van zeer grote modellen,
maar plaatst daar tegelijkertijd de kanttekening dat het aantal partijen dat deze
schaal van trainingscapaciteit daadwerkelijk benut in de Nederlandse context gering
is.
Het kabinet gebruikt dit rapport niet als oordeel dat dergelijke infrastructuur «niet
wenselijk» zou zijn, maar als onderbouwing voor de conclusie dat voor de varianten
die juist meerwaarde hebben en op de Nederlandse markt zijn gericht, publieke financiering
niet noodzakelijk is, omdat de markt daarin zelf kan voorzien. Op basis daarvan, tezamen
met de budgettaire situatie, is de afweging gemaakt om geen publieke rol te nemen
in een aanbesteding met financiële verplichtingen waarbij het initiatief in de specifieke
vorm nog onduidelijk is.
Vraag 13
Deelt de Staatssecretaris de opvatting dat ook in dit geval dit de indruk wekt van
cherry picking? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 13
Nee, zie de toelichting in de beantwoording op vraag 12.
Vraag 14
Kan de Staatssecretaris bevestigen dat het kabinet ervan uitgaat dat Nederlandse partijen
later ook rekenkracht kunnen inkopen bij AI-gigafabrieken elders in Europa? Waarop
baseert het kabinet de aanname dat die capaciteit bij toenemende schaarste daadwerkelijk
beschikbaar blijft voor Nederlandse bedrijven, kennisinstellingen en overheden, in
plaats van dat Nederland achteraan aansluit in de rij?
Antwoord 14
Ja, het kabinet gaat er in beginsel van uit dat Nederlandse partijen toegang kunnen
krijgen tot rekenkracht bij AI-gigafabrieken elders in Europa. Die aanname is gebaseerd
op de afspraken en de EuroHPC-verordening, het wetgevingskader dat de EuroHPC Joint
Undertaking reguleert.
Tegelijkertijd wil ik benadrukken dat dit geen vanzelfsprekendheid zonder voorwaarden
is. Het kabinet onderkent dat bij toenemende schaarste in rekencapaciteit private
aanbieders geneigd kunnen zijn om prioriteit te geven aan contractueel gebonden gebruikers.
Vraag 15
Kan de Staatssecretaris ingaan op de analyse van het The Hague Centre for Strategic
Studies dat toegang tot kritieke digitale infrastructuur in toenemende mate afhankelijk
is van geopolitieke verhoudingen en dat bij schaarste landen primair hun eigen belangen
zullen beschermen? Hoe rijmt de Staatssecretaris dit met de aanname dat Nederlandse
partijen bij toenemende vraag en schaarste probleemloos gebruik kunnen blijven maken
van rekenkracht in andere lidstaten of daarbuiten?
Antwoord 15
Zoals ik bij de vorige vraag heb toegelicht, baseer ik mij op de afspraken binnen
de EuroHPC Joint Undertaking en het daarbij behorende Europese wettelijke kader. Dat
kader is er juist op gericht om gezamenlijke Europese toegang tot high-performance
computing en aanverwante digitale infrastructuur te borgen, ook in situaties van toenemende
schaarste of geopolitieke spanning. Lidstaten hebben zich daaraan gecommitteerd, inclusief
afspraken over beschikbaarheid en gedeeld gebruik van capaciteit.
Vraag 16
Kan de Staatssecretaris bevestigen dat het kabinet kiest voor AI-gigafabrieken die
volledig door de markt worden gefinancierd? Hoe realistisch acht de Staatssecretaris
dat, gelet op het feit dat het rapport-Wennink juist wijst op achterblijvende private
investeringen?
Antwoord 16
Het kabinet kiest ervoor dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur, waaronder zogeheten
AI-gigafabrieken, in beginsel door private partijen wordt gedragen en gefinancierd.
De overheid ziet daarbij primair een rol in het creëren van de juiste randvoorwaarden,
bijvoorbeeld op het gebied van beschikbare energie-infrastructuur, geschikte locaties
en vergunningsprocedures. Het doel is om het voor private partijen aantrekkelijker
en uitvoerbaarder te maken om dit soort investeringen daadwerkelijk hier van de grond
te krijgen.
Vraag 17
In de genoemde Kamerbrief schrijft het kabinet dat het kiest voor een ontwikkeling
van AI-infrastructuur die meegroeit met de marktvraag; hoe verhoudt zich dat tot de
constatering in de onderliggende analyses dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur
juist sterk aanbodgedreven kan zijn, en dat investeringen in capaciteit zelf vraag,
innovatie en ecosysteemvorming aanjagen? Loopt Nederland door deze afwachtende houding
niet juist het risico achter te blijven omdat vraag pas ontstaat waar capaciteit al
aanwezig is?
Antwoord 17
Ik ben het met u eens dat de ontwikkeling van AI-infrastructuur in bepaalde gevallen
aanbodgedreven kan zijn en daarmee juist ook vraag, innovatie en ecosysteemvorming
kan stimuleren. Dat is ook precies de reden dat het kabinet wél inzet op de realisatie
van de publiek gefinancierde AI-fabriek in Groningen, waar sprake is van een strategische
Europese investering in rekenkracht en kennisopbouw.
Tegelijkertijd geldt dat niet alle typen AI-infrastructuur dezelfde dynamiek kennen.
In veel segmenten kan de markt zelf goed inspringen op groeiende vraag, mits de randvoorwaarden
op orde zijn, zoals voldoende beschikbare energie, ruimte en een voorspelbaar vergunningsproces.
Vraag 18
Is de Staatssecretaris, gelet op het feit dat de doorslaggevende overweging blijkens
de beslisnota budgettair was en rapporten waarachter het kabinet zich verschuilt het
kabinet lijken te tegenspreken, bereid het besluit alsnog te heroverwegen en de Kamer
een scenario te sturen waarin Nederland wél, al dan niet gefaseerd, kan aansluiten
bij het Europese AI-gigafabriekeninitiatief?
Antwoord 18
Nee. Deelname aan de door EuroHPC geleide aanbesteding zou een substantiële financiële
verplichting met zich meebrengen, die het kabinet op dit moment niet wil aangaan.
De inhoudelijke afwegingen zoals toegelicht in deze beantwoording geven geen aanleiding
om de positie van het kabinet te herzien. Daarbij wil ik bovendien benadrukken dat
deelname aan het Europese traject geen garantie biedt op de realisatie van een AI-gigafabriek
in Nederland, maar primair ziet op het indienen van een voorstel in competitie met
voorstellen uit andere lidstaten.
Vraag 19
Kunt u deze vragen in ieder geval voor het tweeminutendebat naar aanleiding van het
commissiedebat Digitale Infrastructuur en Economie, een voor een, beantwoorden?
Antwoord 19
Ja.
Ondertekenaars
W.J.M. Aerdts, staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.