Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Van Brenk over het artikel 'OM vervolgt nauwelijks zorginstellingen na onnatuurlijke dood cliënten'
Vragen van het lid Van Brenk (50PLUS) aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het artikel «OM vervolgt nauwelijks zorginstellingen na onnatuurlijke dood cliënten» (ingezonden 2 april 2026).
Antwoord van Minister Hermans (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen 13 mei
2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1728.
Vraag 1
Hoe oordeelt u over de stelling dat het Openbaar Ministerie (OM) zorginstellingen
veel vaker zou moeten vervolgen voor grove nalatigheid?1
Antwoord 1
Het OM beslist conform het opportuniteitsbeginsel zelf over het instellen van vervolging
en het voorleggen van een zaak aan de rechter. Het is dan ook niet aan het kabinet
om een oordeel te geven over vervolgingsbeslissingen van het OM.
Vraag 2
Hoe verklaart u dat het OM dertig zaken onderzocht, maar dat sinds 2009 slechts vier
zorginstellingen voor de rechter zijn gekomen voor zaken met een dodelijke afloop?
Antwoord 2
Het kabinet heeft de door u genoemde cijfers gezien in het onderzoek van Pointer.
De specifieke zaken is het kabinet echter niet bekend en het kabinet kan hoe dan ook
niet op individuele casussen ingaan. In algemene zin kan worden opgemerkt dat strafrechtelijke
onderzoeken naar medische zaken vaak complex zijn. Zo heeft het OM bij de aanvang
van een medische zaak regelmatig gebrekkige en onvolledige informatie over de feitelijke
toedracht. Soms zijn zorginstellingen niet bereid informatie te verschaffen en doen
zij een beroep op het medisch beroepsgeheim. Ook ingewikkeld in medische zaken is
het strafrechtelijk bewijzen van delictsbestanddelen als causaliteit, opzet of schuld
(grove nalatigheid).
Vraag 3
Hoe oordeelt u over de stelling dat het voor iedereen gemakkelijk is om een zorgbedrijf
op te richten, maar dat het ook gemakkelijk lijkt om weg te komen met fouten en slechte
zorgverlening?
Antwoord 3
Alle instellingen die zorg verlenen op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) of Wet
langdurige zorg (Wlz) moeten beschikken over een toelatingsvergunning op grond van
de Wet toetreding zorgaanbieders (Wtza). Bij de vergunningverlening wordt onder meer
getoetst of het aannemelijk is dat een zorgaanbieder de zorg zodanig heeft georganiseerd
dat dit redelijkerwijs leidt tot het verlenen van goede zorg. De zorgverlening zelf
geschiedt onder meer op grond van de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (Wkkgz).
De Inspectie voor de Gezondheidzorg en Jeugd (IGJ) houdt toezicht op de Wkkgz. De
IGJ kan maatregelen treffen als blijkt dat de zorg van onvoldoende niveau is. In het
uiterste geval kan de vergunning op grond van de Wtza worden ingetrokken.
In het kader van het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) wordt onder andere
gewerkt aan maatregelen die het toetsen en indien nodig kunnen weren van (her)startende
aanbieders verbeteren. Zo wordt met de toezichthouders samengewerkt aan een maatregel
om meer fysieke controles uit te voeren bij startende zorgaanbieders. Daarnaast worden
de mogelijkheden tot uitbreiding de doelgroep van de vergunningplicht op grond van
Wtza verkend. Daarbij wordt ook gekeken naar verdieping van de vergunningseisen.
Vraag 4
Hoe oordeelt u over de stelling dat gebrekkige regelgeving een rol speelt in het niet
rondkrijgen van de bewijslast? En welke mogelijkheden ziet u om dit te verbeteren?
Antwoord 4
Veel regelgeving op het gebied van zorg is gebaseerd op open normen. Zo worden bijvoorbeeld
doelen geformuleerd, en geen gedetailleerde regels. Dit beperkt de administratieve
last voor personeel in de zorg en geeft hen het vertrouwen naar eigen expertise in
complexe omstandigheden het beste te handelen. Om een strafrechtelijk verwijt te formuleren
moet een duidelijke schending van een wettelijke norm bestaan. Bij open normen is
dit soms moeilijk aan te tonen. Dat wil op zichzelf echter niet zeggen dat de regels
gebrekkig zijn.
Vraag 5
Waarom zijn er geen kwaliteitseisen voor zorgverleners die via de Wet langdurige zorg
(Wlz) zorg bieden, zoals de rechtbank concludeert?
Antwoord 5
Wlz-zorg valt ook onder zorg in de zin van Wkkgz en zo worden via de Wkkgz kwaliteitseisen
aan het handelen van Wlz zorgaanbieders en zorgverleners gesteld. Op grond van de
Wkkgz moet een zorgaanbieder goede zorg aanbieden. Goede zorg is zorg die in ieder
geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht is, tijdig wordt verleend en
is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt. Zorgaanbieders en zorgverleners moeten,
om goede zorg aan te bieden, handelen in overeenstemming met de op hen rustende verantwoordelijkheid
voortvloeiende uit het geheel van normen en regels, medisch wetenschappelijke inzichten
en ervaringen die invulling geven aan de professionele standaard en kwaliteitsstandaarden.
Daarnaast moeten zorgaanbieders de zorg op zodanige wijze organiseren dat een en ander
redelijkerwijs leidt tot het verlenen van goede zorg. Daar hoort ook bij dat een zorgaanbieder
zorgt voor geschikt en voldoende personeel om goede zorg te kunnen verlenen.
Vraag 6
Ziet u mogelijkheden om, zoals in het artikel gesuggereerd wordt, voorwaardelijke
opzet ten laste te gaan leggen?
Antwoord 6
Het OM legt strafbare feiten ten laste waar een zorginstelling in zijn ogen schuld
aan heeft. Of sprake is van opzet, al dan niet in voorwaardelijke zin, is onderdeel
van deze beoordeling door het OM. Het is niet aan het kabinet om hierin te treden.
Vraag 7
In hoeverre overweegt u om de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) de bevoegdheid
te geven om zorgbedrijven te sluiten als er sprake is van zorgverwaarlozing?
Antwoord 7
De IGJ beschikt reeds over wettelijke bevoegdheden om in te grijpen, wanneer sprake
is van tekortschietende zorgkwaliteit of onveilige situaties. Deze bevoegdheden lopen
uiteen van het geven van aanwijzingen en bevelen tot het opleggen van lasten onder
dwangsom of bestuursdwang. In ernstige gevallen kan dit ook leiden tot het stilleggen
van (delen van) zorgverlening of het beëindigen daarvan.
Daarnaast beschikt de inspectie over verschillende informele en formele interventiemogelijkheden.
In het interventiebeleid van de IGJ is uitgewerkt welke handhavingsinstrumenten de
inspectie kan inzetten, waaronder het opleggen van een aanwijzing met cliëntenstop
of cliëntenoverdracht wanneer sprake is van ernstige en voortdurende cliëntveiligheidsrisico’s.
De inzet van deze bevoegdheden is altijd afhankelijk van de ernst van de situatie
en de mate waarin de veiligheid en kwaliteit van zorg in het geding zijn. De inspectie
heeft bij het toepassen van interventies oog voor de proportionaliteit en subsidiariteit
ervan.
Vraag 8
In hoeverre overweegt u om ervoor te zorgen dat ook andere hulpverleners zoals woonzorgbegeleiders
onder tuchtrecht te laten vallen?
Antwoord 8
Het kabinet wil in zijn algemeenheid vooropstellen dat patiënten erop moeten kunnen
vertrouwen dat zij kwalitatief goede zorg krijgen volgens de stand van de wetenschap
en de praktijk.
De Wet BIG kent twee regimes om beroepen te reguleren. Er is een zogenaamd «zwaar»
regime op grond van artikel 3 Wet BIG en een «licht» regime op grond van artikel 34
Wet BIG. Beroepen in het lichte regime kennen een beschermde opleidingstitel. Het
zware regime ziet op beschermde beroepstitels. Beroepsbeoefenaren die een beschermde beroepstitel willen voeren, moeten zich
in het BIG-register inschrijven. Het tuchtrecht is op hen van toepassing. Het tuchtrecht
in de wet BIG heeft als doel het bewaken en bevorderen van de kwaliteit van de beroepsuitoefening
in de individuele gezondheidszorg. Uitgangspunt van de Wet BIG is het zogenoemde «nee,
tenzij principe». Niet alle beroepen en handelingen in de zorg hoeven wettelijk te
worden gereguleerd. De Wet BIG biedt nu al veel flexibiliteit en ruimte om voorbehouden
handelingen te laten verrichten door niet BIG-geregistreerde zorgmedewerkers.2 Hierover is samen met diverse veldpartijen voorlichting ontwikkeld. Het gaat om de
mogelijkheden van de opdrachtverlening via de Wet BIG.3 Dit zorgt voor meer flexibiliteit op de arbeidsmarkten draagt bij aan het beter benutten
van ieders talent.
Voor zorgverleners die niet in het BIG-register zijn ingeschreven, omdat zij daar
vanwege opleiding nog niet voor in aanmerking komen of omdat zij een ander beroep
uitoefenen, zijn andere waarborgen aanwezig en is het tuchtrecht niet aangewezen.
Alle zorgaanbieders die zorg verlenen op grond van de Zvw of Wlz vallen bijvoorbeeld
onder de Wkkgz. Op grond van de Wkkgz moet een zorgaanbieder de zorg zodanig organiseren
dat dit redelijkerwijs leidt tot het verlenen van goede zorg. Dit omvat, onder andere,
een vergewisplicht die stelt dat zorgaanbieders de geschiktheid van personeel dat
zij aannemen of inhuren moeten controleren, bijvoorbeeld via referenties of een Verklaring
Omtrent het Gedrag (VOG). Daarnaast kan een zorgaanbieder, in het kader van de vergewisplicht,
navraag doen bij de IGJ. De IGJ maakt ten aanzien van een zorgverlener een aantekening
indien uit een rapport naar aanleiding van een verplichte melding bij de IGJ blijkt
dat de zorgverlener mogelijk een ernstige bedreiging betekent voor de patiëntveiligheid.
Daarom overweegt het kabinet niet om andere hulpverleners zoals woonzorgbegeleiders
onder het tuchtrecht te laten vallen.
Vraag 9
Hoe oordeelt u over de stelling dat de IGJ veel meer, bijvoorbeeld onaangekondigd,
moet handhaven – aangezien in het artikel wordt gesteld dat het via het strafrecht
lastig is aan te tonen dat er bijvoorbeeld slechte zorg is geleverd?
Antwoord 9
De IGJ kan handhaving inzetten bij acute en voortdurende cliëntrisico’s (zie ook antwoord
bij vraag 7) conform het interventiebeleid.
De IGJ brengt aangekondigde en onaangekondigde bezoeken. Wanneer de bevindingen uit
haar onderzoek daar aanleiding toe geven, kan de inspectie handhavend optreden. Leidend
daarbij zijn de mate van vertrouwen in de verbeterkracht en de ernst van het risico
voor cliënten. Bij de inzet van interventies en handhaving heeft de inspectie oog
voor de proportionaliteit en subsidiariteit ervan. Er is geen sprake van onaangekondigd
handhaven. Wel kan de inspectie wanneer sprake is van acute ernstige risico’s direct
handhavende maatregelen inzetten, zoals een bevel. Daar gaat altijd een zorgvuldig
proces aan vooraf.
Het is echter ook goed om te vermelden dat werken in de zorg mensenwerk is en dat
incidenten in de zorg, ook met een dodelijke afloop, niet volledig uit te sluiten
zijn of altijd wijzen op een zorgtekort. Het kabinet realiseert zich dat een incident,
met het overlijden van een client als gevolg, een grote impact heeft op alle betrokkenen
(cliënten/ patiënten, naasten, zorgverleners) en het is van belang dat er nazorg plaatsvindt.
Daarnaast vindt het kabinet het belangrijk dat zorgorganisaties leren van incidenten,
zelf onderzoek doen en verbeteringen treffen om herhaling van incidenten in de toekomst
te voorkomen. Aandacht hiervoor en opvolging van verbetermaatregelen is ook nadrukkelijk
onderdeel van hoe de IGJ toezicht houdt.
Vraag 10
Hoe oordeelt u over het bericht dat niet-natuurlijke overlijdens door artsen onvoldoende
worden opgemerkt en geregistreerd?
Antwoord 10
Als iemand is overleden, moet volgens de Wet op de lijkbezorging (Wlb) de behandelend
arts of de gemeentelijk lijkschouwer (forensisch arts) het lichaam zo spoedig mogelijk
na het overlijden schouwen. Een behandelend arts kan alleen een verklaring van (natuurlijk)
overlijden afgeven wanneer hij overtuigd is van een natuurlijke dood. Als de behandelend
arts niet de overtuiging heeft dat er sprake is van een natuurlijk overlijden, kan
hij geen verklaring van overlijden afgeven en moet hij direct contact opnemen met
de gemeentelijk lijkschouwer. Die voert dan de lijkschouw uit. Als er sprake is van
een patiënt die is overleden door een onvoorziene of onverwachte gebeurtenis in de
zorg, dan is er sprake van een calamiteit. Een calamiteit moet op grond van de Wkkgz
direct worden gemeld bij de IGJ.
In de Richtlijn Lijkschouw voor behandelend artsen (2016)4 en de Handreiking (Niet-)natuurlijke dood (2016)5 is nader omschreven wat een behandelend arts moet doen bij een lijkschouw. De handreiking
gaat ook specifiek in op overlijdens in de zorgsetting.
Als een behandelend arts ook maar de geringste twijfel heeft over de vraag of er sprake
is van een natuurlijk overlijden, dient de arts contact op te nemen met de gemeentelijk
lijkschouwer. Het kabinet heeft geen aanwijzingen dat er sprake is van een systeemprobleem
dat ervoor zorgt dat niet-natuurlijke overlijdens door artsen onvoldoende worden opgemerkt
en geregistreerd.
Vraag 11
Waarom worden huisartsen en verpleeghuisartsen niet voor voor lijkschouw en niet-natuurlijke
doden opgeleid, terwijl lijkschouw al veelal door hen gedaan wordt?
Antwoord 11
Zie ook antwoord bij vraag 10: in principe kan en mag iedere arts een lijkschouw doen
en is deze in staat onderscheid te maken tussen een casus waarin zij/hij overtuigd
is van een natuurlijke dood en een casus waarbij die overtuiging niet bestaat.
Al in de geneeskunde opleiding worden artsen opgeleid om lijkschouw uit te kunnen
voeren en een niet-natuurlijke overlijden vast te kunnen stellen. In zowel de huisartsenopleiding
als in de opleiding tot specialist ouderengeneeskunde is er uitvoerig aandacht voor
de begeleiding van patiënten en hun naasten tot en met het overlijden. De lijkschouwing
is omschreven als een van de verplichte vaardigheden van de huisarts6 en de specialist ouderengeneeskunde7.
Vraag 12
Hoe kan het dat er geen eenduidigheid is over de definities van een natuurlijke en
onnatuurlijke dood?
Antwoord 12
De begrippen natuurlijk en niet-natuurlijk overlijden zijn niet nader gedefinieerd
in de Wlb. Momenteel wordt gewerkt met definities die in de literatuur zijn ontwikkeld.
In zowel de eerder genoemde richtlijn als de handreiking staat een definitie van natuurlijk
overlijden en van niet-natuurlijk overlijden.
Natuurlijk overlijden is gedefinieerd als overlijden door spontane ziekte, inclusief
een complicatie van een volgens de geldende professionele standaarden, richtlijnen
en vereiste zorgvuldigheid, uitgevoerde medische behandeling. Niet-natuurlijk overlijden
is overlijden als direct of indirect gevolg van een ongeval, geweld of een andere
van buiten komende oorzaak, schuld of opzet van een ander, of zelfmoord.
Hoewel deze definities voor een groot deel houvast bieden aan (forensisch) artsen,
zal er ook sprake blijven van een grijs gebied. Een voorbeeld is een overlijden van
een oudere met dementie als gevolg van een val. Dit wordt in beginsel aangemerkt als
niet-natuurlijk overlijden (ongeval). In sommige gevallen wordt dit echter ook aangemerkt
als natuurlijk overlijden, bijvoorbeeld als een valpartij onduidelijk of onbekend
is, of als er veel tijd verstreken is tussen het incident en het moment van overlijden.
Het CBS publiceert gegevens over alle doodsoorzaken van overledenen in Nederland.
Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) codeert de onderliggende doodsoorzaak
conform de regels van de International Statistical Classification of Diseases and
Related Health Problems 10th Revision (ICD-10). Dit is een door de Wereldgezondheidsorganisatie
(WHO) vastgestelde internationaal afgestemde classificatie die de basis is voor de
codering en statistische weergave (uitsplitsing) van de doodsoorzaken. Door de aard
van de classificatie is de afbakening van niet-natuurlijk overlijden mogelijk niet
altijd exact gelijk aan de juridische definitie die in de verschillende landen wordt
gehanteerd.
Vraag 13
Waarom houdt de IGJ geen landelijke cijfers bij van niet-natuurlijke doden?
Antwoord 13
Indien naar het oordeel van de behandelend arts of gemeentelijk lijkschouwer sprake
is van een niet-natuurlijk overlijden, maakt de gemeentelijk lijkschouwer hiervan
melding bij de officier van justitie. Het OM kan hiervan melding maken bij de IGJ.
Een zorgaanbieder is daarnaast verplicht om melding te doen van een calamiteit bij
de IGJ, ook wanneer dit in combinatie is met een niet natuurlijk overlijden.
In de eerder genoemde Handreiking (Niet-)natuurlijke dood wordt toegelicht wat artsen
en zorgaanbieders bij een niet-natuurlijk overlijden moeten doen en wordt ook de relatie
met het doen van een calamiteitenmelding uitgelegd en hoe de IGJ hier opvolging aan
geeft. Het kan echter ook voorkomen dat het niet-natuurlijk overlijden geen verband
heeft met de geleverde zorg en daardoor niet gemeld wordt bij de IGJ of dat pas op
een later moment geconstateerd wordt dat er sprake is van een niet-natuurlijk overlijden
en de calamiteit al gemeld is bij de IGJ. De IGJ heeft dus geen totaaloverzicht van
het aantal niet-natuurlijke overlijdens (in een zorgsetting).
Vraag 14
Gaat u ervoor zorgen dat er een overzicht komt, aangezien GGD’s die het calamiteitentoezicht
uitvoeren voor gemeenten ook geen overzicht hebben?
Antwoord 14
Het kabinet vindt het belangrijk dat partijen als de GGD en de IGJ over de informatie
beschikken die zij nodig hebben. Het is daarom van belang en bovendien verplicht dat
zorgaanbieders alle calamiteiten melden, zowel als er sprake is van een niet-natuurlijk
overlijden als wanneer er sprake is van een natuurlijk overlijden. In beide gevallen
kan de kwaliteit van de geleverde zorg tekort zijn geschoten en aanleiding zijn om
onderzoek te doen. Indien kwaliteit van zorg in het geding is kan de IGJ onderzoek
doen en zo nodig ingrijpen.
Vraag 15
In hoeverre zou het CBS een rol kunnen spelen in het verzamelen en analyseren van
deze cijfers?
Antwoord 15
Het CBS publiceert gegevens over alle doodsoorzaken van overledenen in Nederland.
Wanneer een persoon in Nederland overlijdt, vult de arts die de schouw uitvoert de
doodsoorzaakverklaring in (ook wel bekend als het B-formulier). Dit formulier wordt
verzonden naar het CBS. Deze procedure is vastgelegd in artikel 12a van de Wet op
de lijkbezorging. De B-formulieren worden verwerkt en gecodeerd conform de richtlijnen
van de International Statistical Classification of Diseases and Related Health Problems
(ICD-10). Zoals in antwoord op vraag 12 is aangegeven, wordt bij de publicatie van
de doodsoorzakenstatistiek een uitsplitsing gemaakt naar de verschillende natuurlijke
en niet-natuurlijke doodsoorzaken.
De wettelijke taak van het CBS is het doen van statistisch onderzoek en het publiceren
van de resultaten daarvan. De informatie die het CBS daarvoor ontvangt, mag ook uitsluitend
voor statistische doeleinden worden gebruikt en niet voor administratieve of opsporingsdoeleinden.
Daarnaast is het publiceren van statistische gegevens die te herleiden zijn tot een
individuele persoon of instelling niet toegestaan.
Vraag 16
Hoe oordeelt u over de stelling dat het IGJ en het OM beter zouden moeten samenwerken?
Antwoord 16
De samenwerking tussen de IGJ en het OM is van belang voor een zorgvuldige omgang
met signalen over mogelijke misstanden in de zorg. Beide organisaties hebben daarbij
een eigen wettelijke rol en verantwoordelijkheid. De IGJ als toezichthouder op de
kwaliteit en veiligheid van zorg en het OM bij de beoordeling van strafrechtelijke
vervolging.
Het kabinet vindt het van belang dat signalen over mogelijke misstanden, waaronder
onnatuurlijke overlijdens, tijdig en adequaat worden gedeeld tussen betrokken partijen.
Daarom bestaan er al samenwerkingsafspraken tussen de IGJ en het OM over informatie-uitwisseling
en opschaling wanneer daar aanleiding toe is. De IGJ en het OM werken waar nodig samen
op het gebied van de volksgezondheid en hebben daartoe een samenwerkingsprotocol vastgesteld,
dat in januari 2022 in de Staatscourant is gepubliceerd. Dit Samenwerkingsprotocol
IGJ-OM (Staatscourant 2022)8 bevat afspraken over samenwerking, coördinatie, handhaving en de uitwisseling van
informatie en voorziet in de afstemming tussen beide partijen.
Ondertekenaars
S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.