Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Hoogeveen over de verhouding tussen de vermogensaanwasbelasting en het verbod op een individuele en buitensporige last onder artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, alsmede over de ongelijke werking van het heffingsvrije resultaat voor belastingplichtigen met een volatiel rendement en belastingplichtigen met vermogen in de vermogenswinstsystematiek
Vragen van het lid Hoogeveen (JA21) aan de Staatssecretaris van Financiën over de verhouding tussen de vermogensaanwasbelasting en het verbod op een individuele en buitensporige last onder artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM, alsmede over de ongelijke werking van het heffingsvrije resultaat voor belastingplichtigen met een volatiel rendement en belastingplichtigen met vermogen in de vermogenswinstsystematiek (ingezonden 20 maart 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Eerenberg (Financiën) (ontvangen 20 april 2026).
Vraag 1
Erkent u dat de memorie van toelichting van de wet de verhouding tot artikel 1 EP
van het EVRM uitsluitend toetst aan de vraag of het stelsel als geheel de vereiste
fair balance respecteert en daarmee de afzonderlijke vraag onbeantwoord laat of de
toepassing van de vermogensaanwasbelasting (VAB) in een concreet individueel geval
kan leiden tot een individuele en buitensporige last in de zin van artikel 1 EP van
het EVRM en kunt u toelichten waarom het arrest van de Hoge Raad van 2 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1047), waarin de toets op de individuele en buitensporige last expliciet
is uitgewerkt in de context van belastingheffing over inkomen uit sparen en beleggen,
niet is besproken in paragraaf 5.1 van de memorie van toelichting, mede gelet op het
risico dat een structureel patroon van individuele buitensporige lasten, zoals de
geschiedenis van het forfaitaire stelsel heeft laten zien, uiteindelijk alsnog leidt
tot een oordeel op stelselniveau?
Antwoord 1
In hoofdstuk 5.1 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet werkelijk
rendement box 3 is uitgebreid ingegaan op de verhouding tot hoger recht en in het
bijzonder in relatie tot de arresten van de Hoge Raad van 24 december 2021 en 6 juni
2024 die onder andere aanleiding gaven tot het wetsvoorstel. Het klopt dat de toets
alleen is aangelegd op stelselniveau. Gelet op de omvang van het wetsvoorstel zijn
destijds keuzes gemaakt tot welk detailniveau de relevante onderwerpen zijn toegelicht.
In de toelichting is vermeld dat met het heffen op basis van werkelijk rendement wordt
aangesloten bij het door de belastingplichtige genoten inkomen uit sparen en beleggen.
Hierdoor zal vrijwel niet worden toegekomen aan een individuele en buitensporige last.
Een individuele en buitensporige last hangt af van alle specifieke feiten en omstandigheden
van het geval. Het vraagstuk ontwikkelt zich in de jurisprudentie en is niet beperkt
tot box 3-vraagstukken. Ik verwijs hierbij naar het antwoord op vraag 4 en 5.
Vraag 2
Onderschrijft u de overweging van de Hoge Raad in zijn arrest van 2 juli 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1047,
rechtsoverweging 4.3.3) dat in het algemeen mag worden aangenomen dat de wetgever
met een belasting naar inkomen geen heffing beoogt waardoor de belastingplichtige
op zijn vermogen moet interen om de verschuldigde belasting te kunnen voldoen en dat
de omstandigheid dat een belastingplichtige door de heffing op zijn vermogen inteert
een aanwijzing kan zijn dat hij door die heffing wordt geconfronteerd met een individuele
en buitensporige last en deelt de Staatssecretaris de opvatting dat deze overweging
als zodanig ook geldt onder de VAB en dat het moeten liquideren van vermogensbestanddelen
of het aangaan van schulden om een aanslag over ongerealiseerde waardestijgingen te
voldoen, bij gebreke van voldoende andere liquide middelen, een aanwijzing oplevert
in de zin van dit arrest?
Antwoord 2
Ik onderschrijf de betreffende overweging van de Hoge Raad in die zin dat het niet
beoogd is dat de verschuldigde belasting meer dan 100% bedraagt van het belastbare
inkomen waardoor de belastingplichtige op zijn vermogen moet interen om de verschuldigde
belasting te kunnen voldoen. In het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 wordt
een inkomstenbelasting in box 3 voorgesteld van 36% over het werkelijke rendement
uit vermogen. Een belastingplichtige zal daarom in de regel niet hoeven in te teren
op zijn vermogen omdat de heffing niet meer bedraagt dan 100% van het belastbare inkomen.
Als een belastingplichtige op 1 januari 2028 een aandelenportefeuille heeft ter waarde
van € 100.000 die op 31 december 2028 € 115.000 waard is, is hij hierover € 4.752
inkomstenbelasting verschuldigd (€ 15.000 -/- heffingsvrije resultaat € 1.800 = € 13.200
x 36%). Ondanks de verschuldigde belasting is het vermogen van deze belastingplichtige
aan het einde van het jaar hoger ten opzichte van het begin van het jaar. Van interen
is zodoende geen sprake.
Vraag 3
Kunt u bevestigen dat de Hoge Raad in de arresten van 6 juni 2024, anders dan de memorie
van toelichting stelt en ondanks de kanttekening van het RB dat de Hoge Raad de ongerealiseerde
waardeveranderingen slechts heeft meegenomen binnen het plafond van het forfaitaire
rendement zodat de belastingheffing over vermogensaanwas in de tegenbewijsregeling
door het forfait werd afgetopt en deze plafonnering in het wetsvoorstel volledig vervalt,
niet heeft geoordeeld dat een onbegrensde vermogensaanwasbelasting over ongerealiseerde
waardestijgingen EVRM-bestendig is?
Antwoord 3
Het klopt dat het geschil in de arresten van de Hoge Raad van 6 juni 2024 betrekking
heeft op het forfaitaire box 3-stelsel en met name over de Wet rechtsherstel box 3.
In paragraaf 5.1 van de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet werkelijk
rendement box 3 is rekenschap gegeven van de context van deze arresten. Op pagina 37
van de toelichting staat onder andere vermeld:
«De Hoge Raad heeft in het arrest van 6 juni 2024 vuistregels gegeven over de wijze
waarop het werkelijke rendement moet worden bepaald in het kader van de tegenbewijsregeling
tegen het huidige forfaitaire stelsel.»
De Hoge Raad heeft zich in deze arresten over de Wet rechtsherstel box 3 – logischerwijze –
niet kunnen uitspreken over het huidige wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3.
Vraag 4
Erkent u dat een belastingplichtige die wordt belast over een ongerealiseerde waardestijging
van een vermogensbestanddeel zonder bijbehorende kasstroom, zoals accumulating ETF-fondsen,
cryptovaluta, aandelen in een niet-dividenduitkerend groeibedrijf of een belang waarop
een contractuele of wettelijke lock-up van toepassing is, de aanslag alleen kan voldoen
uit andere liquide middelen zoals spaargeld dan wel door het betrokken vermogensbestanddeel
geheel of gedeeltelijk te liquideren en dat bij ontbreken of ontoereikendheid van
zulke andere liquide middelen geen alternatief bestaat dan het aangaan van schulden?
Antwoord 4
De belastingplichtige is verantwoordelijk om tijdig voldoende liquide middelen voorhanden
te hebben om de aanslag te voldoen. Dat geldt ook voor de aanslag over de waardeontwikkeling
van een bezitting zonder kasstroom. Uit onderzoek naar betalingsproblemen in box 3
is gebleken dat het overgrote deel van de belastingplichtigen met niet-liquide vermogensbestanddelen
niet geconfronteerd zal worden met betalingsproblemen.1 Dat geldt zowel voor het huidige box 3-stelsel, waarin het forfait voor overige bezittingen
eveneens berust op de vermogensaanwassystematiek, als naar verwachting voor de vermogensaanwasbelasting
onder het toekomstige box 3-stelsel. Bij de toekomstige vermogensaanwasbelasting lijken
gemiddeld net zo weinig mensen in betalingsproblemen te komen als in het huidige stelsel.
Bovendien bieden de huidige betalingsregelingen voor de meeste belastingplichtigen
met betalingsproblemen een uitkomst en kunnen ze alsnog hun openstaande belastingschuld
voldoen.
Als de wetgever met de wettelijke regeling binnen zijn beoordelingsvrijheid is gebleven,
dan kan de toepassing van de regeling alleen dan leiden tot een individuele en buitensporige
last indien en voor zover deze last zich in het geval van een belastingplichtige sterker
laat voelen dan in het algemeen. Of dit laatste aan de orde is, dient te worden beoordeeld
aan de hand van alle feiten en omstandigheden van het geval. Het feit dat een belastingplichtige
belasting betaalt over een ongerealiseerde waardestijging zonder dat hij deze feitelijk
geniet, vormt niet een «individuele en buitensporige last»; de belastingplichtige
wordt in zoverre namelijk niet anders behandeld dan de overige belastingplichtigen.
Voor het aannemen van een individuele en buitensporige last moet sprake zijn van bijzondere,
niet voor alle door de regeling getroffen belastingplichtigen geldende, omstandigheden
die de last veroorzaken (HR 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:511, r.o. 3.2 en de daarin
opgenomen eerdere arresten).
Vraag 5
Deelt u de opvatting dat het toetsingskader van de Hoge Raad uit het arrest van 2 juli
2021 (ECLI:NL:HR:2021:1047), dat is ontwikkeld om vast te stellen of sprake is van
een individuele en buitensporige last en waarbij de interingstoets, de beoordeling
van de gehele financiële situatie en de bijstandsnorm als concrete maatstaf zoals
geoperationaliseerd in het Kennisgroepstandpunt van 11 maart 2024 (KG:202:2024:6)
centrale elementen vormen, in zoverre zinledig is geworden dat de eerste stap, te
weten de vraag of de box 3-heffing het werkelijk behaalde rendement overschrijdt,
als toegangsdrempel structureel nooit wordt voldaan omdat de heffing onder de VAB
per definitie een percentage is van het werkelijke rendement, ook niet wanneer het
rendement uitsluitend bestaat uit ongerealiseerde waardestijgingen zonder enige liquiditeit,
of acht u het gehele toetsingskader daarmee overbodig geworden dan wel deelt u de
opvatting dat uitsluitend de eerste stap zijn functie als toegangsdrempel heeft verloren,
terwijl de overige elementen van het kader onverkort van toepassing blijven?
Antwoord 5
Het vraagstuk over de individuele en buitensporige last ontwikkelt zich in de jurisprudentie
en beperkt zich niet tot box 3-vraagstukken. Ten aanzien van box 3 heeft de kennisgroep
inkomstenbelasting niet-winst in het in de vraag genoemde kennisgroepstandpunt2 onder andere vermeld:
«NB: doordat ingevolge laatstgenoemde arresten in box 3 het werkelijke rendement in
aanmerking moet worden genomen, zal van een individuele en buitensporige last vrijwel
geen sprake meer zijn. De box 3-belasting over het werkelijke rendement zal immers
lager zijn dan het werkelijke rendement waarover de box 3-belasting is berekend. Bij
belastingplichtigen die niet in aanmerking komen voor het rechtsherstel box 3 kan
dit anders zijn.»
Doordat de box 3-belasting over het werkelijke rendement in de regel lager zal zijn
dan het werkelijk rendement, zal vrijwel niet worden toegekomen aan de vervolgstappen
van het kader om te bepalen of sprake is van een individuele en buitensporige last.
Een individuele en buitensporige last hangt echter af van alle specifieke feiten en
omstandigheden van het geval en het vraagstuk ontwikkelt zich in de jurisprudentie.
Daardoor kan niet op voorhand worden gezegd dat in een box 3-situatie nooit sprake
is van een individuele en buitensporige last. Het gehele toetsingskader is niet volledig
overbodig geworden.
Vraag 6
Acht u het mogelijk dat het risico op een individuele en buitensporige last onder
de VAB groter is dan onder het forfaitaire stelsel en een VWB, nu de VAB jaarlijks
belasting heft over ongerealiseerde waardestijgingen op het moment dat de bijbehorende
liquiditeit er nog niet is en de belastinggrondslag bovendien onbegrensd meebeweegt
met de werkelijke marktwaarde, zodat de belastingplichtige reeds bij de eerste waardestijging
kan worden gedwongen vermogensbestanddelen te verkopen om de aanslag te voldoen?
Antwoord 6
Voor de toepassing het juridische kader van de individuele en buitensporige last zie
het antwoord op vraag 2, 4 en 5. De vraag of sprake is van een individuele en buitensporige
last is niet te beantwoorden aan de hand van een vergelijking op stelselniveau. Zoals
gezegd kan de toepassing van de regeling alleen dan leiden tot een individuele en
buitensporige last als en voor zover deze last zich in het geval van een belastingplichtige
sterker laat voelen dan in het algemeen.
In het forfaitaire stelsel wordt jaarlijks het rendement berekend op basis van de
waarde in het economische verkeer van de bezittingen en schulden op 1 januari. De
heffing beweegt mee met de ontwikkeling van de marktwaarde. In zoverre heeft de forfaitaire
heffing kenmerken van een vermogensaanwasbelasting. Uit onderzoek blijkt dat deze
systematiek voor het overgrote deel van de belastingplichtigen met niet-liquide vermogensbestanddelen
niet leidt tot betalingsproblemen. Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op vraag
4. Het klopt dat de systematiek van de vermogenswinstbelasting ten opzichte van een
vermogensaanwasbelasting als voordeel heeft dat doorgaans (meer) liquide middelen
beschikbaar zijn bij vervreemding, zoals bij verkoop.
Vraag 7
Kunt u toelichten hoe u het volgende scenario beoordeelt in het licht van de interingsoverweging
uit HR 2 juli 2021: een belastingplichtige heeft op 1 januari 2028 een beleggingsportefeuille
van 100.000 euro, die gedurende 2028 stijgt naar € 210.000 zonder dividenduitkeringen
en met slechts € 400 aan rente-inkomsten, waardoor op de peildatum van 31 december
2028 een verschuldigde VAB ontstaat van 39.096 euro, terwijl de portefeuille in de
loop van 2029 wanneer de aanslag wordt opgelegd en voldaan moet worden terugvalt naar
de oorspronkelijke waarde van 100.000 euro, zodat de belastingplichtige een deel van
de portefeuille moet verkopen en een portefeuille van slechts 60.904 euro overhoudt,
terwijl zijn vermogen per saldo niet is gestegen, waarbij dit scenario aantoont dat
de belastingplichtige als rechtstreeks gevolg van de VAB-heffing inteert op zijn vermogen
en waarbij de Staatssecretaris in zijn antwoord ingaat op de volgende punten: ten
eerste dat voorwaartse verliesverrekening het interen niet opheft omdat de in jaar
1 betaalde belasting over een inmiddels verdwenen papieren winst niet wordt teruggegeven
maar slechts toekomstige winsten vermindert; ten tweede dat de betalingsregeling ertoe
leidt dat de belastingplichtige schulden aangaat ter voldoening van een belastingverplichting
over een vermogenstoename die op het moment van aflossing al niet meer bestaat; en
ten derde dat dit scenario niet uitzonderlijk maar structureel is omdat de VAB jaarlijks
belast over ongerealiseerde waardestijgingen terwijl koersdalingen in latere jaren
niet leiden tot teruggaaf van eerder betaalde belasting?
Antwoord 7
In het voorbeeld realiseert de belastingplichtige in het jaar 2029 een box 3-verlies
van € 110.000 (geabstraheerd van de verliesverrekeningsdrempel van € 500). Op basis
van het huidige wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is dit verlies onbeperkt
voorwaarts in de tijd verrekenbaar met positieve inkomsten uit box 3. In zoverre heeft
de belastingplichtige een latente vordering op de Belastingdienst ter grootte van
€ 39.600 (€ 110.000 x 36%). Over een bedrag van € 110.000 aan toekomstig rendement
is hij namelijk geen belasting verschuldigd. De mogelijke introductie van een achterwaartse
verliesverrekening heeft als voordeel dat deze latente vordering op de Belastingdienst
op korte termijn aan de belastingplichtige wordt uitbetaald nadat het verlies over
het jaar 2029 is vastgesteld en wordt verrekend met het inkomen over 2028.
Zoals vermeld in de Kamerbrief van 6 maart 2026 en toegelicht tijdens het Commissiedebat
Nationale en Internationale Fiscaliteit van 11 maart 2026 overweegt het kabinet het
wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 aan te passen, waaronder de mogelijke introductie
van een achterwaartse verliesverrekening vanaf 1 januari 2029. De Belastingdienst
is op dit moment in meer detail in kaart aan het brengen wat de benodigde capaciteit
voor het doorvoeren van de achterwaartse verliesverrekening is en de inpasbaarheid
daarvan in de ICT-portfolio. Als een maatregel niet zonder meer inpasbaar is, betekent
dit dat andere projecten mogelijk in de tijd verschoven moeten worden. Voor de zomer
zal ik uw Kamer over de uitkomsten van dit onderzoek berichten waarbij ook wordt ingegaan
op de dekking van de negatieve budgettaire gevolgen.
Het kan voorkomen dat een bezitting inmiddels in waarde is gedaald of is verkocht
op het moment dat de belastingschuld over een waardestijging van het voorafgaande
jaar wordt vastgesteld. Dat is inherent aan het na afloop van het belastingjaar formaliseren
van de materiële belastingschuld.
In het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 is een onbeperkte voorwaartse verliesverrekening
opgenomen. Verliesverrekening is extra belangrijk omdat als hoofdregel is gekozen
voor het belasten van waardemutaties op basis van een vermogensaanwasbelasting. Daarbij
is immers belasting verschuldigd over waardestijgingen, waarvan niet zeker is of deze
uiteindelijk ook gerealiseerd worden. In latere belastingjaren kan de waardestijging
tenietgedaan worden. Door een ruime verliesverrekening toe te staan wordt in de meeste
gevallen voorkomen dat bezien over meerdere jaren waardestijgingen worden belast die
uiteindelijk niet te gelde gemaakt kunnen worden.
Vraag 8
Deelt u, in het verlengde van het vorige antwoord, de opvatting dat in het scenario
van een voormalig ondernemer zonder pensioen die uitsluitend AOW geniet en door middel
van beleggingen een financiële buffer voor de oude dag heeft gevormd, de VAB-heffing
hem voor een keuze stelt, waarbij beide opties een aanwijzing opleveren voor een individuele
en buitensporige last, enerzijds het aanwenden van zijn AOW-inkomen ter voldoening
van de belastingschuld, waardoor hij onder de bijstandsnorm als bedoeld in het Kennisgroepstandpunt
van 11 maart 2024 (KG:202:2024:6) zakt en anderzijds het liquideren van het beleggingsobject
om de aanslag te voldoen hetgeen intering op het vermogen oplevert in de zin van HR
2 juli 2021, zij het op verschillende gronden en zo nee, op welke grond acht hij de
door het wetsvoorstel geboden waarborgen in dit scenario toereikend?
Antwoord 8
Zie het antwoord op vraag 2, 4 en 5. Bij de beantwoording van de vraag of de toepassing
van een wettelijke regeling voor een voormalige ondernemer leidt tot een individuele
en buitensporige last geldt geen ander toetsingskader dan het toetsingskader zoals
reeds uitgezet door de Hoge Raad. De keuze van de wetgever kan voor een belastingplichtige
alleen dan leiden tot een individuele en buitensporige last indien en voor zover de
belastingplichtige bewijst dat deze last zich in zijn geval sterker laat voelen dan
in het algemeen. Een individuele en buitensporige last kan zich bij een (voormalig)
ondernemer alleen voordoen als hij bewijst dat bijzondere, niet voor alle (voormalige)
ondernemers geldende, feiten en omstandigheden voor hem een individuele en buitensporige
last teweegbrengen.
Vraag 9
Verwacht u dat belastingplichtigen onder de VAB vaker een beroep zullen doen op de
individuele buitensporige last dan onder het forfaitaire stelsel, waardoor opnieuw
de rechter een corrigerende rol krijgt in box 3 en is deze verwachting meegenomen
in de verschillende uitvoeringstoetsen?
Antwoord 9
Nee. De Raad van de Rechtspraak (De Raad) is in februari 2024 gevraagd om een advies
te geven over het wetsvoorstel. Het kabinet is het met de Raad eens dat het stelsel
in box 3 vanwege het belasten van het werkelijke rendement ingewikkelder wordt en
daarom meer van belastingplichtigen vraagt. Tegelijkertijd is er al een lange tijd
de maatschappelijke roep om het belasten van het werkelijke rendement van vermogen.
Met dit wetsvoorstel wordt het belasten van het werkelijke rendement werkelijkheid.
Onder andere uit de internetconsultatie blijkt dat door belastingplichtigen het belasten
van werkelijk rendement als rechtvaardiger wordt ervaren dan het huidige forfaitaire
stelsel. De verwachting van het kabinet is dan ook dat dit gevoel van rechtvaardigheid
kan leiden tot minder bezwaar en beroep en minder rechtszaken. Verder merk ik op dat,
zoals bij het antwoord op vraag 2, 4 en 5 is toegelicht, bij de voorgestelde heffing
op basis van werkelijk rendement niet wordt ingeteerd op het vermogen.
Vraag 10
Heeft de Belastingdienst een raming gemaakt van het aantal bezwaar- en beroepsprocedures
dat jaarlijks wordt verwacht op de grond van de individuele buitensporige last onder
de VAB en zo ja, kan de Staatssecretaris deze raming aan de Kamer doen toekomen en
zo nee, waarom niet?
Antwoord 10
In de uitvoeringstoets is het aantal bezwaar- en beroepsprocedures gebaseerd op expertschattingen
en ervaringen uit vergelijkbare processen waarbij niet specifiek rekening is gehouden
met bezwaar- en beroepsprocedures op grond van een veronderstelde individuele buitensporige
last waar u aan refereert.
Vraag 11
Is in de budgettaire raming van de VAB rekening gehouden met de mogelijkheid dat rechterlijke
correcties op basis van de individuele buitensporige last de belastingopbrengst structureel
verlagen en zo ja, welk bedrag of percentage is daarvoor als risicobuffer aangehouden?
Antwoord 11
Nee, er is geen zogenoemde risicobuffer ingebouwd in de raming. Het kabinet acht het
voorgestelde box 3-stelsel juridisch houdbaar omdat in het voordeel van belastingplichtigen
wordt voortgebouwd op de kaders van de Hoge Raad uit diverse arresten.
Vraag 12
Erkent u dat het heffingsvrije resultaat van 1.800 euro per jaar uitsluitend effectief
kan worden benut in jaren waarin een belastbaar positief resultaat wordt behaald,
waardoor belastingplichtigen met een stabiel rendement zoals rente-inkomsten dit heffingsvrije
resultaat structureel elk jaar volledig kunnen benutten, terwijl belastingplichtigen
met een volatiel rendement dit voordeel in verliesjaren in het geheel mislopen en
in winstjaren het relatieve voordeel door de hogere grondslag kleiner is, met als
gevolg dat hun gemiddelde effectieve belastingdruk over een langere reeks jaren hoger
uitvalt dan die van belastingplichtigen met een stabiel rendement, ook al is het gemiddelde
rendement over die periode gelijk?
Antwoord 12
Ja. Een nadeel van het heffingsvrije resultaat is dat belastingplichtigen met fluctuerend
inkomen, gezien over meerdere jaren, meer belasting betalen dan belastingplichtigen
met een even hoog stabiel inkomen. In een verliesjaar heeft de belastingplichtige
immers geen voordeel van het heffingsvrije resultaat.
Vraag 13
Erkent u dat belastingplichtigen met vermogen in de vermogenswinstsystematiek, zoals
onroerend goed en aandelen in startende ondernemingen, bij realisatie mogelijk in
één jaar worden geconfronteerd met een omvangrijke belastbare winst, terwijl zij in
andere jaren geen of nauwelijks belastbaar resultaat hebben en het heffingsvrije resultaat
onbenut laten, waardoor ook deze categorie belastingplichtigen als gevolg van de bundelingseffecten
bij realisatie over langere tijd gemiddeld een hogere effectieve belastingdruk draagt
dan belastingplichtigen met een stabiel rendement in de vermogensaanwassystematiek,
ook al is het gemiddelde rendement over die periode gelijk?
Antwoord 13
Ja, de wijze waarop het inkomen in de heffing wordt betrokken (vermogensaanwas- of
vermogenswinst) heeft invloed op het effect van het jaarlijkse heffingsvrije resultaat.
Belastingplichtigen die box 3-bezittingen hebben die volgens de systematiek van de
vermogenswinst in de heffing worden betrokken genieten een liquiditeitsvoordeel omdat
over de waardeaangroei pas bij realisatie belasting is verschuldigd over het totaal.
De andere kant van dezelfde medaille is dat niet jaarlijks gebruik kan worden gemaakt
van het heffingsvrije resultaat.
Vraag 14
Kunt u bevestigen dat het volgende voorbeeld de uitwerking van het heffingsvrije resultaat
onder de voorgestelde systematiek correct weergeeft, waarbij ter illustratie van de
in de vorige vragen gesignaleerde ongelijke uitwerking drie belastingplichtigen worden
vergeleken elk met een startkapitaal van 100.000 euro en een totaal rendement van
25.000 euro over vijf jaar, te weten belastingplichtige A die belegt in obligaties
en daarmee een stabiel jaarlijks rendement van 5.000 euro per jaar geniet met een
totale VAB van 5.760 euro (effectieve druk 23,0 procent), belastingplichtige B die
belegt in aandelen of cryptovaluta en daarmee een volatiel rendement heeft van respectievelijk
+15.000 euro, –5.000 euro, +15.000 euro, –5.000 euro en +5.000 euro met een totale
VAB van 7.704 euro (effectieve druk 30,8 procent) en belastingplichtige C die onroerend
goed of aandelen in een startende onderneming bezit die vallen onder de vermogenswinstsystematiek
en zijn rendement in één jaar bij verkoop realiseert met in vier jaren geen rendement
en in jaar vijf +25.000 euro met een totale VWB van 8.352 euro (effectieve druk 33,4
procent), waaruit volgt dat het verschil in effectieve belastingdruk 7,8 procentpunten
bedraagt tussen A en B en 10,4 procentpunten tussen A en C bij een gelijk totaal rendement
en zo nee, op welk punt wijkt de werkelijkheid af?
Antwoord 14
De berekening van voorbeeld A en C kan ik volgen. Bij de berekening van voorbeeld
B is in de jaren 2 en 4 geen rekening gehouden met de verliesverrekeningsdrempel van
€ 500 per jaar. Bij voorbeeld B is het vermeldenswaardig dat een nog verrekenbaar
verlies resteert van € 1.300. Voor het overzicht is de berekening van de in de vraag
genoemde voorbeelden hieronder ingevoegd.
Vraag 15
Deelt u de opvatting dat de VAB, als gevolg van de asymmetrische werking van het heffingsvrije
resultaat dat in verliesjaren niet kan worden benut en niet overdraagbaar is, niet
de beoogde fiscale neutraliteit bereikt maar een inversie introduceert in die zin
dat waar het forfaitaire stelsel veilig beleggen benadeelde ten opzichte van risicovol
beleggen, de VAB juist een verhoudingsgewijs zwaardere financiële last verbindt aan
de keuze voor risicovol beleggen met een volatieler rendementsprofiel ten opzichte
van stabiel laagrisico beleggen bij gelijk gemiddeld rendement, hetgeen betekent dat
de VAB de doelstelling van de memorie van toelichting weliswaar bereikt maar tegelijkertijd
een nieuwe en omgekeerde fiscale verstoring introduceert die bij de totstandkoming
van het wetsvoorstel niet is onderkend?
Antwoord 15
In de Kamerbrief van 29 september 20223 zijn de stelsels van vermogensaanwas- en vermogenswinstbelasting uitgebreid beschreven,
inclusief de voor- en nadelen. Hierbij is ook aandacht besteed aan het effect van
fluctuerend inkomen op de effectieve belastingdruk over een langere periode. Dit effect
is ook onderkend in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel Wet werkelijk
rendement box 3. Hierover wordt in paragraaf 3.4 het volgende geschreven:
«Een nadeel van het heffingsvrije resultaat is dat belastingplichtigen met fluctuerend
inkomen, gezien over meerdere jaren, meer belasting betalen dan belastingplichtigen
met een even hoog stabiel inkomen. In een verliesjaar heeft de belastingplichtige
immers geen voordeel van het heffingsvrije resultaat.»
Vraag 16
Kunt toelichten welke objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat in de zin van
artikel 14 van het EVRM en eventuele andere toepasselijke rechtsnormen voor het verschil
in effectieve belastingdruk dat uitsluitend wordt veroorzaakt door de volatiliteit
van het rendement en niet door een verschil in draagkracht, zoals volgt uit de in
de vorige vraag gesignaleerde inversie?
Antwoord 16
Het voorgestelde heffingsvrije resultaat heeft – net zoals het heffingsvrije vermogen
in het box 3-stelsel sinds 2001 – een breder doel dan het beperken van de belastingdruk
op inkomsten uit vermogen. Immers zou dan een verlaging van het belastingtarief meer
voor de hand hebben gelegen. Hierover wordt in paragraaf 3.4 van de memorie van toelichting
bij het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3 het volgende geschreven:
«Met een heffingsvrij resultaat wordt bereikt dat belastingplichtigen met een inkomen
uit vermogen niet vanaf de eerste euro aan rendement in de belastingheffing worden
betrokken. Belastingplichtigen met zowel een vermogen onder de huurtoeslaggrens als
een inkomen lager dan het heffingsvrije resultaat hoeven daardoor geen aangifte te
doen voor box 3. De meeste belastingplichtigen met een klein vermogen, dat onder het
huidige heffingvrije vermogen blijft (€ 57.684 in 2025), zullen naar alle waarschijnlijkheid
daarmee ook onder het heffingsvrije resultaat blijven. Belastingplichtigen met een
vermogen boven de huurtoeslaggrens moeten aangifte doen, ook als hun inkomen lager
is dan het heffingsvrije resultaat (zie paragraaf 3.11). Het heffingsvrije resultaat
draagt bij aan een doelmatige belastingheffing omdat bij lage inkomens uit vermogen
geen belasting geheven wordt.»
Inkomstenbelasting wordt per jaar geheven. De situatie van de belastingplichtigen A,
B en C in vraag 14 zijn niet aan elkaar gelijk in de individuele jaren. Er is daarom
geen strijd met het verbod op discriminatie van artikel 14 van het EVRM. Verschillen
in belastingdruk bezien over een langere periode zijn onlosmakelijk verbonden aan
de belastingheffing per jaar. Deze effecten doen zich ook voor in box 1 en box 2 van
de inkomstenbelasting als gevolg van de progressieve tarieven, inkomensafhankelijke
heffingskortingen en diverse maximeringen van aftrekposten. Om de effecten over een
langere periode bezien te mitigeren is in het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement
box 3 een onbeperkt voorwaartse verliesverrekening geïntroduceerd.
Vraag 17
Is bij de vormgeving van het heffingsvrije resultaat onderzocht of een overdraagbaar
heffingsvrij resultaat, waarbij onbenutte vrijstellingsruimte uit verliesjaren of
jaren zonder belastbaar resultaat kan worden meegenomen naar toekomstige jaren, de
ongelijke uitwerking voor belastingplichtigen met een volatiel rendement en belastingplichtigen
met vermogen in de vermogenswinstsystematiek zou mitigeren en zo ja, wat waren de
uitkomsten van dat onderzoek en waarom is niet voor een dergelijke vormgeving gekozen
en zo nee, bent u bereid dit alsnog te laten onderzoeken?
Antwoord 17
Nee, een overdraagbaar heffingsvrij resultaat is niet onderzocht bij de totstandkoming
van het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. Recent is de suggestie onderzocht.
Hiermee is uitvoering gegeven aan de aangenomen motie van het lid Hoogeveen (JA21)
die is ingediend tijdens het Tweeminutendebat Fiscaliteit van 26 maart 2026 (32 140, nr. 292). De motie verzoekt de regering te onderzoeken of een overdraagbaar heffingsvrij
resultaat de gesignaleerde ongelijkheid zou mitigeren en de Kamer hierover te informeren
bij het Belastingplan 2027. Hieronder ga ik hierop in.
In het huidige box 3-stelsel is er een heffingvrij vermogen. Bij een stelsel op basis
van werkelijk rendement past een heffingsvrij resultaat beter. Bij een heffingsvrij
resultaat betalen belastingplichtigen met hetzelfde werkelijke rendement in een jaar
evenveel belasting ongeacht de samenstelling van het vermogen. Bij een heffingvrij
vermogen is dat niet het geval. Dit wordt in het huidige stelsel onder andere veroorzaakt
door de saldering van bezittingen en schulden. Het is immers mogelijk dat iemand met
een relatief laag vermogen, toch een hoog rendement behaalt. Bijvoorbeeld in het geval
van een hoogrenderende aandelenportefeuille die (al dan niet gedeeltelijk) gefinancierd
is met een schuld waarover een lager bedrag aan rente is verschuldigd ten opzichte
van het behaalde rendement op de aandelen. Een heffingsvrij resultaat sluit beter
aan bij de systematiek van een heffing over het werkelijke rendement en bij het draagkrachtbeginsel.
Met een heffingsvrij resultaat wordt bereikt dat belastingplichtigen met een inkomen
uit vermogen niet vanaf de eerste euro aan rendement in de belastingheffing worden
betrokken. Het heffingsvrije resultaat draagt bij aan een doelmatige belastingheffing
omdat bij lage inkomens uit vermogen geen belasting geheven wordt.
Uit het onderzoek blijkt dat de introductie van een overdraagbaar heffingsvrij resultaat
in strijd is met een van de beleidsdoelen, namelijk het beperken van het aantal belastingplichtigen
dat aangifte moet doen voor box 3. Bij een overdraagbaar heffingsvrij resultaat zou
in principe elke meerderjarige inwoner in Nederland jaarlijks aangifte moeten doen
voor box 3 om (een deel van) het heffingsvrije resultaat te claimen om te kunnen benutten
in toekomstige jaren. Daarnaast zijn er negatieve budgettaire gevolgen die volgens
de begrotingsregels gedekt moeten worden. Belastingplichtigen zouden namelijk vanaf
hun 18e levensjaar een persoonlijk saldo opbouwen van maximaal € 1.800 per jaar waardoor
later of helemaal niet meer zal worden toegekomen aan belastingheffing in de toekomst.
Daar komt nog bij dat een overdraagbaar heffingsvrij resultaat voor de Belastingdienst
zal leiden tot een massaal IH-proces. De Belastingdienst zal voor belastingplichtigen
ieder jaar dienen bij te houden in hoeverre gebruik is gemaakt van een heffingsvrij
resultaat. De inspecteur zal de hoogte van de voorwaartse verrekening moeten beoordelen
bij de vaststelling van de definitieve aanslag en in voorkomend geval moeten corrigeren.
Dit is voor de Belastingdienst een bewerkelijk proces dat een ingrijpende wijziging
in de ICT-systemen van de Belastingdienst vereist en daarnaast ook naar verwachting
veel impact zal hebben op de uitvoering. Het kabinet is alles overziend niet voornemens
om een overdraagbaar heffingsvrij resultaat te introduceren in het toekomstige box 3-stelsel.
Met dit onderzoek en antwoord beschouw ik de motie van het lid Hoogeveen (JA21) als
afgedaan.
Ondertekenaars
E. Eerenberg, staatssecretaris van Financiën
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.