Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Diederik van Dijk over het bestraffen van frequente verkeersovertreders bij het veroorzaken van ernstige ongelukken
Vragen van het lid Diederik van Dijk (SGP) aan de Minister van Justitie en Veiligheid over het bestraffen van frequente verkeersovertreders bij het veroorzaken van ernstige ongelukken (ingezonden 3 maart 2026).
Antwoord van Minister Van Weel (Justitie en Veiligheid) (ontvangen 23 maart 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Abdalla valt in slaap en rijdt voetganger dood, rechter
geeft hem celstraf»?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Hoe wordt op dit moment in de vervolging en berechting rekening gehouden met de persoonlijke
geschiedenis van het aantal en type verkeersovertredingen van de verdachte? Is deze
praktijk volgens u toereikend?
Antwoord 2
Eerder opgelegde strafbeschikkingen en veroordelingen (met boetes boven de 130 euro)
staan in de justitiële documentatie. Bij het bepalen van de strafeis door het Openbaar
Ministerie en de oplegging van de straf door de rechter, wordt hier rekening mee gehouden.
In de praktijk leidt recidive veelal tot hogere straffen. Artikel 179, vierde lid,
van de Wegenverkeerswet bepaalt bijvoorbeeld dat als iemand binnen vijf jaar wederom
een rijontzegging krijgt opgelegd, de rijontzegging in plaats van maximaal vijf jaar
maximaal tien jaar bedraagt. Daarnaast vallen de misdrijven uit de Wegenverkeerswet
1994 onder de recidiveregeling zoals opgenomen in het Wetboek van Strafrecht (artikelen 43a
en 43b). Dat betekent bijvoorbeeld dat wanneer iemand zich schuldig maakt aan een
verkeersmisdrijf terwijl er nog geen vijf jaren zijn verstreken sinds een veroordeling
voor een soortgelijk misdrijf, het strafmaximum met een derde kan worden verhoogd.
Overtredingen die onder de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften
vallen, staan niet in de justitiële documentatie omdat het uitgangspunt van deze wet
is dat de overtredingen die hieronder vallen, ethisch neutraal zijn.
Vraag 3
Kunt u toelichten waarop in de huidige praktijk de gedachte berust dat een gevangenisstraf
en rij-ontzegging van één of enkele jaren voldoende is om recht te doen aan verkeerssituaties
met dodelijke afloop waarin verdachten reeds herhaaldelijk gevaarzettend gedrag hebben
vertoond in het verkeer?
Antwoord 3
De rechter moet bij het bepalen van de strafmaat rekening houden met de verschillende
omstandigheden van het geval. Daarbij wordt gekeken naar de gevolgen van het gedrag,
maar vooral ook naar de mate van schuld. Dit kan in verkeerszaken erg uiteenlopen.
Zo kan een kort moment van onoplettendheid fatale gevolgen hebben, terwijl zeer onvoorzichtig
gedrag soms zonder gevolgen blijft. Hoe verwijtbaar het gedrag ook is, het gaat bij
verkeersongevallen wel altijd om een bepaalde mate van schuld. Dit maakt dat de bovengrens
van de straf lager is dan bij delicten die met opzet gepleegd worden. Indien een bestuurder
iemand opzettelijk aanrijdt, is er geen sprake meer van een verkeersmisdrijf maar
van (poging tot) doodslag. Daar gelden andere maximumstraffen voor.
De strafeisen in de richtlijn van het Openbaar Ministerie (OM) in geval van een dodelijke
aanrijding lopen dan ook uiteen. Het wegenverkeersrecht kent vier oplopende gradaties
van schuld.
Voor de lichtste vorm van schuld, aanmerkelijke schuld, geldt in de meeste gevallen een strafeis van een taakstraf van 240 uur in combinatie
met een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van één jaar.
In geval van ernstige schuld volgt een strafeis van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met
een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van twee jaar. Als er sprake
is van een zeer hoge mate van schuld aan de kant van de verdachte is de strafeis een onvoorwaardelijke gevangenisstraf
van acht maanden met een onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid van drie
jaar. De vierde en zwaarste mate van schuld vormt roekeloosheid, waarvoor maximaal zes jaar gevangenisstraf en vijf jaar ontzegging van de rijbevoegdheid
– die ingaat na de gevangenisstraf – kan worden opgelegd. Voor deze zwaarste categorie
is in de OM richtlijn geen strafeis geformuleerd, maar er wordt altijd een hogere
straf geëist dan bij de in de hiervoor beschreven gradaties.
Wanneer er bij de verdachte ook sprake is van alcohol- of drugsgebruik liggen de strafeisen
in de richtlijn hoger, evenals de mogelijke maximumstraffen. Zo is de maximale straf
bij roekeloosheid dan op negen jaar gevangenisstraf gesteld.
Vraag 4
Vindt u dat sommige bestuurders definitief de rijbevoegdheid moet kunnen worden ontzegd?
In hoeverre wordt die mogelijkheid nu geboden en gebruikt?
Antwoord 4
Op dit moment kan een rijontzegging oplopen tot tien jaar, afhankelijk van het strafbare
feit. Dit kan zelfs langer zijn als voor verschillende feiten meerdere rijontzeggingen
zijn opgelegd. De duur van een eventueel opgelegde gevangenisstraf wordt bij de termijn
van de rijontzegging opgeteld. Ik acht de mogelijkheden die de wet daarmee biedt,
toereikend. Een rijontzegging van tien jaar wordt in praktijk maar enkele keren per
jaar opgelegd. Van de mogelijkheid om een langere rijontzegging op te leggen, zal
daarom in de praktijk naar verwachting ook maar weinig gebruik worden gemaakt.
Vraag 5
Op welke wijze wordt toegezien of een veroordeelde zich houdt aan de rij-ontzegging?
Hoeveel personen zijn in de afgelopen jaren aangetroffen als bestuurder terwijl sprake
was van een rij-ontzegging?
Antwoord 5
De politie handhaaft op het rijden zonder geldig rijbewijs. De politie hanteert een
risicogestuurde aanpak. De politie zet hiervoor onder andere de Automatic Number Plate
Recognition (ANPR)-camera’s in. Personen met een ongeldig verklaard rijbewijs die
een voertuig op hun naam hebben staan, kunnen met behulp van deze camera’s snel gelokaliseerd
worden. ANPR-camera’s kunnen kentekens automatisch lezen en deze vervolgens vergelijken
met lijsten van kentekens waarmee iets aan de hand is. De politie kan dan de bestuurder
van het gelokaliseerde voertuig vervolgens controleren. De eigenaar van het voertuig
van wie het rijbewijs ongeldig is verklaard, kan immers zijn voertuig ook hebben uitgeleend
aan of laten besturen door iemand die wel over een geldig rijbewijs beschikt.
In 2025 zijn er in totaal ruim 10.000 bestuurders staande gehouden voor het rijden
met een ongeldig rijbewijs. Het ging in 689 gevallen om het rijden tijdens een ontzegging
van de rijbevoegdheid. Het merendeel van de gevallen betreft het rijden met een rijbewijs
dat op grond van het bestuursrecht ongeldig is verklaard.
Vraag 6
Vindt u het passen bij de ernst van de veroordeling tot rij-ontzegging na ernstige
of zelfs dodelijke ongelukken dat volgens de richtlijn van het Openbaar Ministerie
enkele weken gevangenisstraf wordt gevorderd bij niet-naleving?2 Waarop berusten de gekozen normen in de richtlijn?
Antwoord 6
Er is bij het schenden van een ontzegging van de rijbevoegdheid niet noodzakelijk
sprake van het veroorzaken van gevaar, het gaat hierbij het negeren van een opgelegde
maatregel. Wanneer er geen gevaarlijk rijgedrag is vastgesteld en er geen slachtoffers
zijn gevallen, zou een veel langere gevangenisstraf niet voldoen aan het proportionaliteitsvereiste.
De duur van de eerder opgelegde rijontzegging wordt met de duur van de gevangenisstraf
verlengd. Na de gevangenisstraf geldt dus nog steeds de resterende duur van de rijontzegging.
Ook kan voor het schenden van een rijontzegging naast de gevangenisstraf nog een aanvullende
ontzegging van de rijbevoegdheid worden opgelegd.
Vraag 7
Bent u bereid te verkennen of en hoe aanscherping van bestraffing nodig is bij ernstige
verkeersongevallen door personen met gebleken risicovol gedrag in het verkeer, waaronder
in ieder geval begrepen de bestraffing van het niet naleven van de rij-ontzegging?
Antwoord 7
Met de wet aanscherping strafrechtelijke aansprakelijkheid ernstige verkeersdelicten
zijn de strafmaxima voor een aantal ernstige verkeersdelicten reeds verhoogd. De wet
is op 1 januari 2020 in werking getreden en wordt momenteel geëvalueerd. De uitkomsten
worden in het najaar verwacht. Ik wil de uitkomsten van deze evaluatie afwachten en
op basis van de bevindingen bekijken of de straffen verder moeten worden aangescherpt.
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.