Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Boelsma-Hoekstra over buitenproportionele eisen voor vrijwilligers in de traditionele scheepvaart
Vragen van het lid Boelsma-Hoekstra (CDA) aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat over buitenproportionele eisen voor vrijwilligers in de traditionele scheepvaart (ingezonden 27 februari 2026).
Antwoord van Minister Karremans (Infrastructuur en Waterstaat) (ontvangen 27 maart
2026)
Vraag 1
Bent u bekend met de zorgen van schippers over het Binnenvaartbesluit en de Europese
wet en regelgeving betreffende de erkenning van beroepskwalificaties in de binnenvaart?1, 2
Antwoord 1
Ja, daar ben ik mee bekend.
Vraag 2
In hoeverre heeft u in beeld wat voor gevolgen dit heeft voor de traditionele scheepvaart
in Nederland, zoals in de Enterse Zomp en de Berkelzompen in Leeuwarden? Kunt u hierbij
aangeven wat de kosten zouden zijn om een vrijwilliger te scholen om te voldoen aan
de nieuwe eisen?
Antwoord 2
Voor alle schepen die bedrijfsmatig ingericht zijn voor het vervoer van meer dan 12
passagiers betekent de Richtlijn beroepskwalificaties voor de binnenvaart (hierna:
de Richtlijn), dat de schippers hiervan in principe in het bezit moeten zijn van een
Kwalificatiecertificaat schipper. Dit betreft een certificaat op MBO-3 niveau. Het
ministerie heeft echter gebruik gemaakt van de mogelijkheid die de Richtlijn onder
voorwaarden biedt om een speciaal op de sector afgestemd vaarbewijs te laten ontwikkelen,
dat met name gericht is op praktijkervaring. Om dit vaarbewijs te behalen moeten kandidaten
één theoretisch examen afleggen (kennis van verkeersregels) en drie praktijkexamens.
Daarnaast is een vaartijd van in totaal 30 dagen vereist.
Voorheen hoefden schippers van open rondvaartboten alleen te beschikken over een klein
vaarbewijs, dat met enkel een theorie-examen kan worden behaald. Het nieuwe vaarbewijs
is speciaal afgestemd op de open rondvaartsector. Het vereist ook praktijktoetsing
en draagt daarmee bij aan een hoger veiligheidsniveau.
Er is geprobeerd de kosten zo laag mogelijk te houden, ook omdat er veel vrijwilligers
werken in deze sector. Zo kan de opleiding, na goedkeuring door het CBR, door bedrijven
zelf worden verzorgd en hoeft alleen het laatste praktijkexamen onder toezicht van
het CBR plaats te vinden. Ook is er een overgangsregeling voor schippers die aantoonbaar
ervaring hebben en is er voor alle schippers een overgangstermijn van drie jaar.
De Onderzoeksraad voor Veiligheid (OVV) heeft er in het rapport «Aanvaring van en
watertaxi met een haven rondvaartboot»3 op gewezen dat «bij personenvervoer de passagiers voor hun veiligheid in grote mate
afhankelijk zijn van degene die de dienst aanbiedt. Dit is ook het geval bij personenvervoer
over water. Bij het betalen voor vervoer mag van de aanbieder verwacht worden dat
deze binnen de redelijkheid de veiligheid van de passagiers waarborgt. In Nederland
moeten passagiers hierop kunnen vertrouwen».
Ook ik acht het van groot belang dat passagiers erop kunnen vertrouwen dat zij veilig
vervoerd worden. Het nieuwe vaarbewijs acht ik dan ook noodzakelijk om een basisveiligheidsniveau
te garanderen.
De totale kosten voor een kandidaat worden geschat op ongeveer € 450,–. Wanneer het
bedrijf of de instelling een externe opleider wil inschakelen liggen deze kosten ongeveer
€ 300,– per kandidaat hoger. Voor de instelling of organisatie die de opleiding open
rondvaartboot zelf wil organiseren worden de kosten geschat op jaarlijks gemiddeld
€ 175,–.
Vraag 3
Heeft u contact gehad met schippers bij de Enterse Zomp en praamvaren in en rondom
Leeuwarden? Hoe reflecteert u op de communicatie rondom de ontwikkelingen rondom de
erkenning van beroepskwalificaties in de binnenvaart?
Antwoord 3
Vanuit het ministerie en het CBR is bij de voorbereiding op de nieuwe regelgeving
op verschillende momenten contact geweest met de rondvaartsector. Er zijn ook werkbezoeken
in het land afgelegd door het ministerie en het CBR. Daarbij is gesproken met een
vertegenwoordiging van de Enterse zompen. Er is voorts telefonisch contact geweest
met verschillende bedrijven, waaronder een praamvaarbedrijf in Leeuwarden. Deze contacten
hebben geleid tot aanpassingen in de eisen aan het certificaat, mede vanwege het grote
aantal vrijwilligers in de sector. Voorts heeft het CBR een aantal online voorlichtingsbijeenkomsten
georganiseerd, waar ook een vertegenwoordiging van de Enterse zompen en van een praamvaarbedrijf
aanwezig was.
Vraag 4
Welke ruimte heeft u om in Nederland een andere afweging te maken in de implementatie
van de gewijzigde Europese regelgeving? Welke mogelijkheden zijn er om een uitzondering
maken voor de traditionele scheepvaart die grotendeels draait op vrijwilligers?
Antwoord 4
De Richtlijn is van toepassing op passagiersschepen in de binnenvaart, dat wil zeggen,
schepen die zijn ingericht voor het vervoer van meer dan 12 passagiers. De Richtlijn
maakt geen onderscheid tussen traditionele of niet-traditionele schepen. Zoals hierboven
beschreven heeft Nederland reeds gebruik gemaakt van de uitzonderingsgronden in de
Richtlijn door een nieuw vaarbewijs te ontwikkelen voor de rondvaartsector. Dit betekent
een aanzienlijke verlichting van de eisen van de Richtlijn, terwijl er toch een voldoende
veiligheidsniveau wordt geboden.
Bij het vaststellen van deze eisen is daarmee al uitdrukkelijk rekening gehouden met
het feit dat in deze sector veel vrijwilligers werkzaam zijn.
Voor passagiers mag het echter niet uitmaken of zij door vrijwilligers vervoerd worden
of dat er sprake is van een traditioneel vaartuig of niet: zij moeten er te allen
tijde op kunnen rekenen dat er een minimum veiligheidsniveau gegarandeerd wordt wanneer
zij vervoerd worden.
Vraag 5
Welke maatregelen bent u van plan te nemen om te voorkomen dat de financiële gevolgen
van de wet- en regelgeving zorgen voor een afname van vrijwilligers en schippers in
de binnenlandse scheepvaart?
Antwoord 5
Bij de invoering van het nieuwe certificaat voor schippers voor open rondvaartboten
is al zo veel als mogelijk rekening gehouden met het feit, dat in deze sector veel
vrijwilligers werkzaam zijn. De kosten voor het behalen van het nieuwe certificaat
zijn zo laag mogelijk gehouden en voor bestaande schippers met aantoonbare ervaring
is een overgangsregeling vastgesteld.
Vraag 6
Deelt u de opvatting dat stichtingen met vrijwillige schippers binnen veilige wateren
een vrijstelling zouden moeten krijgen van deze regelgeving? Zo ja, welke mogelijkheden
zijn er voor een ontheffing voor vrijwillige schippers op binnenstedelijke, kleinere
en veilige wateren?
Antwoord 6
Naar mijn opvatting moeten passagiers te allen tijde, ook wanneer zij door vrijwilligers
vervoerd worden, erop kunnen rekenen dat er basiseisen gelden voor hun veilig vervoer.
Het klein vaarbewijs, waarvoor alleen een theorie-examen moet worden afgelegd, biedt
daarvoor in het kader van de Richtlijn onvoldoende garanties. Er wordt echter wel
gebruik gemaakt van de uitzonderingsmogelijkheid die de Richtlijn biedt. Voor schippers
van open rondvaartboten geldt dus al een vrijstelling van de eisen van de Richtlijn.
Het nieuwe certificaat voor schippers van open rondvaartboten biedt een voldoende
en goed op deze sector afgestemd veiligheidsniveau.
Vraag 7
Kunt u in kaart brengen of binnen de Europese kaders verdere differentiatie mogelijk
is voor deze categorie schepen?
Antwoord 7
De Richtlijn biedt onder voorwaarden een mogelijkheid om een aangepast kwalificatiecertificaat
uit te geven. Dit certificaat dient een aan het Kwalificatiecertificaat schipper gelijkwaardig
veiligheidsniveau te bieden. Met het nu ontwikkelde certificaat voor open rondvaartboten
is ook al zo veel als mogelijk rekening gehouden met schippers van deze categorie
schepen.
Ondertekenaars
V.P.G. Karremans, minister van Infrastructuur en Waterstaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.