Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Vermeer over het verbod op contante betalingen boven de 3000 euro, zoals opgenomen in de wet plan van aanpak witwassen en de nadelige effecten van deze wetgeving in het bijzonder voor de exportsector
Vragen van het lid Vermeer (BBB) aan de Minister van Financiën over het verbod op contante betalingen boven de 3.000 euro, zoals opgenomen in de wet plan van aanpak witwassen en de nadelige effecten van deze wetgeving in het bijzonder voor de exportsector (ingezonden 16 februari 2026).
Antwoord van Minister Heinen (Financiën) (ontvangen 3 maart 2026).
Vraag 1
Is er op dit moment sprake van sectorale uitzonderingsposities binnen de goederenhandel?
Antwoord 1
Nee, er zijn geen generieke uitzonderingen voor specifieke sectoren op het verbod
om contante betalingen voor transacties voor de aan- of verkoop van goederen boven
de 3.000 euro (hierna: het verbod). In overleg met de toezichthouder Dienst Financieel-Economische
Integriteit (DFEI) is wel afgesproken om voor aankopen van goederen buiten de Europese
Unie een uitzondering te maken bij de handhaving. Deze uitzondering is gemaakt naar
aanleiding van zorgen uit de sector, waarna ik de Eerste Kamer bij de wetsbehandeling
heb toegezegd om samen met de toezichthouder te bezien of er in het toezicht mogelijk
disproportionele gevolgen weggenomen kunnen worden. De uitzondering komt hieraan deels
tegemoet. Hierbij stuur ik u een afschrift van mijn brief aan de Eerste Kamer.
Vraag 2
Zijn er wat u betreft sectoren die vanwege het verbod op contante verkopen boven de
3.000 euro een verslechtering van hun concurrentiepositie ondervinden ten opzichte
van Europese buurlanden?
Antwoord 2
Na afloop van het debat in de Eerste Kamer over het verbod heb ik de sectoren die
hun knelpunten bij de leden van de Eerste Kamer hadden aangekaart, opgeroepen om zich
te melden. Met vertegenwoordigers uit deze sectoren is vervolgens gesproken. De sectoren
die knelpunten zeggen te ondervinden zijn de voertuigen-, onderdelen- en metaalsector
waar partijen uit Afrika, Zuid-Amerika en Oost-Europa vaak contant betalen. Zij schetsten
dat zij in Nederland transacties verrichten voor de verkoop van hun waren, in hoge
sommen contant geld met partijen binnen en buiten de EU. Zij wezen op het risico dat
deze buitenlandse partijen na invoering van het verbod zouden uitwijken naar andere
landen, zoals Duitsland, waar nu geen verbod geldt. Daarnaast stelden partijen uit
de scheepvaart dat zij soms genoodzaakt zijn om in het buitenland ter plekke aankopen
contant te doen.
Vraag 3
Kunt u aangeven waarom er niet is gekozen voor uitzonderingsposities voor sectoren
die gevoelig zijn voor een verslechtering van hun concurrentiepositie bij een verbod
op contante betalingen boven de 3.000 euro?
Antwoord 3
Aan de hand van het afwegingskader zoals geschetst in de brief aan de Eerste Kamer
zouden uitzonderingen voor deze sectoren zorgen voor ondermijning van de wet en voor
slechte handhaafbaarheid. Ten eerste zou een uitzondering juist de sectoren met hoog
witwasrisico betreffen, terwijl de wet juist beoogt om witwassen aan te pakken. Ten
tweede is een bredere uitzondering niet handhaafbaar, omdat de toezichthouder moeilijk
kan verifiëren of een transactie daadwerkelijk met een buitenlandse partij plaats
heeft gevonden. Hierdoor zouden constructies kunnen worden opgetuigd om het verbod
te omzeilen en zou het risico op misbruik fors toenemen. Ten derde sluit een uitzondering
niet aan op de Europese antiwitwasverordening, die vanaf juli 2027 een algemene limiet
instelt. Deze Europese limiet biedt geen ruimte voor sectorale uitzonderingen binnen
de EU. Daarom wordt alleen een uitzondering gemaakt voor aankopen buiten de EU, waarbij
het witwasrisico lager is, de toezichthouder de handhaafbaarheid kan waarborgen en
waar vanaf juli 2027 geen Europese regelgeving voor geldt.
Vraag 4
Wat heeft u gedaan om de nadelige effecten voor Nederlandse sectoren die te maken
hebben met contante betalingen bij verkoop zoveel mogelijk te minimaliseren?
Antwoord 4
Er zijn gesprekken gevoerd met de sectoren en toezichthouder DFEI om mogelijke uitzonderingen
te verkennen. Hierbij is de sectoren gevraagd om voorbeelden aan te dragen van situaties
waarin zij knelpunten ervaren. De voorbeelden bedroegen veelal transacties die een
hoog risico op witwassen vormen, terwijl de wet juist witwassen moet aanpakken. De
werkbare en uitlegbare uitzondering die is gevonden betreft aankopen buiten de EU.
Voor verkooptransacties is geen uitzondering mogelijk gebleken op basis van de bij
het antwoord op vraag 3 geschetste overwegingen.
Vraag 5
Sinds de inwerkingtreding op 1 januari 2026 ervaren exportbedrijven volgens hun eigen
signalen «gigantische problemen». Kunt u zich deze dreiging voor de bedrijfsvoering
voorstellen en was u hiervan op de hoogte?
Antwoord 5
Het is mij bekend dat partijen die handeldrijven met partijen uit het buitenland en
daarbij gebruik maken van hoge sommen contant geld geraakt worden door deze wet. Voor
deze sectoren is dat vervelend. Deze consequenties zijn tijdens de Kamerbehandelingen
van het verbod besproken. Met name tijdens het debat met de Eerste Kamer is hier uitvoerig
bij stil gestaan. Tegelijkertijd kwam in het debat ook aan de orde dat juist deze
sectoren uit onderzoek naar voren komen als sectoren waarin sprake is van een hoog
risico op witwassen. Het zou de effectiviteit van de wet onderuit halen om hiervoor
uitzonderingen te maken.
Vraag 6
Hoe rechtvaardigt u dat de wet is ingevoerd zonder dat er voor de exportverkopen een
werkbaar alternatief of uitzondering is gecreëerd?
Antwoord 6
De strekking van het verbod laat geen ruimte voor uitzonderingen bij exportverkopen
vanwege het hoge witwasrisico en onvoldoende mogelijkheid tot handhaafbaarheid. Een
uitzondering zou een flinke maas in de wet veroorzaken en misbruik in de hand werken.
Vraag 7
Volgens de sector is er in uw reactie van 19 december 2025 voor gekozen om enkel een
handreiking te doen op het gebied van aankopen buiten de EU, is deze lezing correct?
Antwoord 7
Ja, de uitzondering die in het toezicht wordt gemaakt betreft aankopen buiten de EU.
Zie de antwoorden hierboven en het afschrift van mijn brief aan de Eerste Kamer.
Vraag 8
Bent u ervan op de hoogte dat het kernprobleem voor de exportsector in Nederland niet
ligt bij de aankoop van goederen, maar juist bij de verkoop aan handelaren uit landen
waar een digitale betaalinfrastructuur simpelweg niet bestaat of onbetrouwbaar is?
Antwoord 8
Ja, dat is bekend. Er is door enkele sectoren gewezen op transacties met partijen
uit landen zonder goed werkend digitaal betaalsysteem. Tegelijkertijd is het vanwege
de reeds genoemde overwegingen onwenselijk om generieke uitzonderingen te maken.
Vraag 9
Bent u bereid verder met de exportsector (en andere kwetsbare sectoren) in gesprek
te gaan over maatregelen om de nadelige effecten van het verbod op contante betalingen
boven de 3.000 euro te beperken?
Antwoord 9
Er hebben reeds gesprekken met de sectoren plaatsgevonden. Binnen het huidige wettelijk
kader is geen bredere uitzondering mogelijk is. De wet regelt dat binnen drie jaar
na inwerkingtreding van de wet een verslag over de doeltreffendheid en de effecten
van de wet in de praktijk aan de Staten-Generaal wordt gestuurd. Hierin zal ook worden
stilgestaan bij eventuele nadelige effecten. Daarover kan dan het debat plaatsvinden.
Vraag 10
Wilt u deze vragen afzonderlijk beantwoorden
Antwoord 10
Ja.
Ondertekenaars
E. Heinen, minister van Financiën
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.