Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Van Brenk over de casus Pensioenfonds Johnson & Johnson
Vragen van het lid Van Brenk (50PLUS) aan de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over de casus Pensioenfonds Johnson & Johnson (ingezonden 12 februari 2026).
Antwoord van Minister Vijlbrief (Sociale Zaken en Werkgelegenheid) (ontvangen 3 maart
2026).
Vraag 1
Klopt het dat u tijdens het commissiedebat Pensioenonderwerpen van 29 januari 2026
heeft gezegd dat een transitie van een pensioenfonds naar het buitenland alleen mogelijk
is met een tweederde meerderheid van de medewerkers? Hoe is het dan mogelijk dat bij
Johnson & Johnson een «negatief piepsysteem» is gebruikt, namelijk wie zwijgt stemt
toe? Is dit wenselijk volgens u en is dit in de toekomst te vermijden?
Antwoord 1
Tijdens het commissiedebat van 29 januari 2026 is door mijn ambtsvoorganger toegelicht
dat grensoverschrijdende pensioenuitvoering binnen de Europese Unie mogelijk is, maar
dat daaraan voorwaarden zijn verbonden. Daarbij is ook gesproken over instemmingseisen
die in Nederland gelden bij een grensoverschrijdende overdracht.
De Europese IORP II-richtlijn (IORP II) bevat regels voor grensoverschrijdende activiteiten
van pensioeninstellingen en schrijft onder meer voor dat deelnemers en pensioengerechtigden
tijdig moeten worden geïnformeerd en dat procedures zorgvuldig moeten worden doorlopen.
Lidstaten kunnen vervolgens nadere eisen stellen, waaronder voorwaarden over de wijze
waarop instemming wordt georganiseerd. Nederland heeft in dit kader bij de implementatie
van IORP II in 2019 gekozen voor het vereiste dat bij een deelnemersraadpleging tenminste
twee derde van de deelnemende deelnemers en gepensioneerden moeten instemmen.
Voor de casus Johnson & Johnson geldt echter dat de relevante besluitvorming rond
de overgang naar België in een eerder tijdvak heeft plaatsgevonden (in 2015). In dat
tijdvlak was de implementatie van IORP II nog niet van kracht. Een collectieve waardeoverdracht
van een pensioenfonds in Nederland naar een pensioeninstelling uit een andere lidstaat
vond destijds plaats conform dezelfde procedure als een binnenlandse collectieve waardeoverdracht
op basis van de artikelen 83, 84 en 90 van de Pensioenwet. De huidige Nederlandse
instemmingssystematiek met een deelnemersraadpleging was nog niet van toepassing was
op die overgang.
Vraag 2
Klopt het dat u tijdens het commissiedebat heeft gezegd dat de deelnemers van het
pensioenfonds Johnson & Johnson terecht kunnen bij een geschillencommissie? Als dat
niet het geval blijkt te zijn, kunt u dan nog iets betekenen voor de deelnemers van
Johnson & Johnson?
Antwoord 2
Dat klopt. Deelnemers kunnen in Nederland terecht bij de Geschilleninstantie Pensioenfondsen
(GIP) indien zij een geschil hebben met hun pensioenuitvoerder dat onder de reikwijdte
van deze geschillenprocedure valt. Dit biedt deelnemers een laagdrempelige mogelijkheid
om een geschil voor te leggen. De GIP is bedoeld voor individuele geschillen tussen
deelnemer en pensioenuitvoerder. Voor kwesties die betrekking hebben op algemene besluiten
over bijvoorbeeld toeslagverlening of indexatie geldt dat deze doorgaans niet via
een individuele geschillenprocedure kunnen worden aangedaan. Het is aan de GIP om
de ontvankelijkheid in een concreet geval te beoordelen.
Bij grensoverschrijdende pensioenuitvoering kan de inrichting van de klachten- en
geschillenprocedure mede afhankelijk zijn van de juridische positie van de pensioenuitvoerder
en de lidstaat waar deze is gevestigd. Deelnemers kunnen zich in eerste instantie
wenden tot de interne klachtenprocedure van de pensioenuitvoerder. Indien een buitengerechtelijke
geschillenprocedure openstaat, kunnen deelnemers daarvan gebruikmaken. Voor deelnemers
van Pensioenfonds Johnson & Johnson is dat de GIP. Daarnaast blijft het deelnemers
vrijstaan om de civiele rechter te benaderen.
Ik kan niet treden in individuele geschillen, maar ik vind het belangrijk dat deelnemers
gebruik kunnen maken van bestaande klacht- en geschilprocedures.
Vraag 3
Is het gebruikelijk dat een Centrale Ondernemingsraad geheimhouding opgelegd krijgt
ten aanzien van de invoering van de Wet toekomst pensioenen (Wtp)?
Antwoord 3
Het kan voorkomen dat een (centrale) ondernemingsraad in het kader van overleg met
de werkgever vertrouwelijke informatie ontvangt. In dat geval kan de ondernemer op
grond van artikel 20 van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) om geheimhouding vragen,
indien sprake is van gewichtige redenen. Een dergelijke geheimhoudingsplicht dient
gemotiveerd te worden opgelegd en ziet toe op specifieke informatie.
De Wet toekomst pensioenen (Wtp) bevat geen afzonderlijke geheimhoudingsplicht voor
ondernemingsraden.
Ik vind het van belang dat medezeggenschapsorganen hun rol goed kunnen vervullen en
dat transparantie richting werknemers en andere betrokkenen waar mogelijk wordt bevorderd,
met inachtneming van situaties waarin vertrouwelijkheid noodzakelijk zijn.
Vraag 4
Wat vindt u van het feit dat de Centrale Ondernemingsraad van Johnson & Johnson, bestaande
uit drie a vier actieve medewerkers, als sociale partner een besluit neemt over de
invoering van de Wtp voor 10.000 deelnemers, zonder dat zij mogelijkheden hebben voor
ruggespraak en/of overleg met hun achterban. Is hier enig toezicht op?
Antwoord 4
De transitie naar het nieuwe pensioenstelsel is in belangrijke mate een arbeidsvoorwaardelijk
traject. Afhankelijk van de situatie worden afspraken over de pensioenregeling gemaakt
tussen werkgever en werknemersvertegenwoordiging door bijvoorbeeld de (centrale) ondernemingsraad.
De (centrale) ondernemingsraad is een wettelijk medezeggenschap op grond van de WOR.
De WOR regelt de bevoegdheden van de ondernemingsraad en de wijze waarop deze wordt
samengesteld. De wijze waarop de ondernemingsraad zijn achterban betrekt, is in beginsel
een interne aangelegenheid en kan per organisatie verschillen.
De Wtp stelt daarnaast eisen aan het transitieproces, waaronder het opstellen van
een transitieplan en communicatieplan richting deelnemers. Pensioenuitvoerders staan
bij de uitvoering van hun wettelijke verplichtingen onder toezicht van DNB en AFM.
Toezicht op de naleving van de WOR in individuele gevallen ligt niet bij mijn ministerie.
Indien partijen van mening zijn dat de WOR niet correct wordt toegepast, kunnen zij
dit aan de orde stellen via de daarvoor bestemde juridische route, waaronder de Ondernemingskamer.
Vraag 5
Bent u ermee bekend dat Johnson & Johnson opnieuw voornemens is om het pensioenfonds
te vestigen in België, ondanks het feit dat er grote verschillen bestaan op het gebied
van evenwichtigheid, premiebeleid, medezeggenschap, governance en beleggingsbeleid?
Geven deze verschillen niet een onevenwichtige uitvoering en uitkomst van pensioenregelingen?
Antwoord 5
Ik heb kennis genomen van de signalen dat Johnson & Johnson voornemens is de pensioenuitvoering
(grensoverschrijdend) te blijven organiseren via België. Grensoverschrijdende uitvoering
van pensioenregelingen binnen de Europese Unie is onder voorwaarden mogelijk op basis
van IORP II. IORP II stelt minimumeisen aan onder meer governance, risicobeheer, informatieverstrekking
en prudentieel toezicht. Daarmee wordt beoogd dat ook bij de grensoverschrijdende
uitvoering een passend niveau van deelnemersbescherming wordt geborgd.
Tegelijkertijd geldt dat de inhoud van de pensioenregeling in belangrijke mate arbeidsvoorwaardelijk
is en tot stand komt tussen werkgever en werknemersvertegenwoordiging. Verschillen
tussen nationale stelsels kunnen bestaan, onder meer in governance en toezichtpraktijk.
Dat die verschillen er zijn, betekent echter niet dat sprake is van een onevenwichtige
uitvoering of uitkomst.
De Wet toekomst pensioenen stelt bovendien eisen aan het transitieproces, waaronder
het opstellen van een transitieplan en het uitvoeren van een evenwichtige belangenafweging.
Pensioenuitvoerders dienen bij de uitvoering van hun taken aan de wettelijke eisen
te voldoen en staan daarbij onder toezicht van de aangewezen toezichthouders.
Ik kan niet treden in de besluitvorming van individuele gevallen.
Vraag 6
Bent u op de hoogte van de United States Generally Accepted Accounting Principles-boekhoudregels
(US Gaap-boekhoudregels) van Amerikaanse bedrijven met betrekking tot het opgebouwde
pensioenvermogen? Wat vindt u ervan, dat het pensioenvermogen op de balans van Amerikaanse
bedrijven, een dusdanig belangrijk financieel voordeel blijkt te geven, dat elke indexatie
ten gunste van de deelnemers, wordt gezien als kapitaalvermindering en een slechtere
balanspositie?
Antwoord 6
Ik ben ermee bekend dat internationale verslagleggingsregels, waaronder US GAAP, eisen
stellen aan de verwerking van pensioenverplichtingen en pensioenvermogen op de balans
van ondernemingen. Deze wijze waarop pensioenverplichtingen boekhoudkundig worden
verwerkt, kan gevolgen hebben voor de financiële verslaglegging van ondernemingen.
De vraag of en in hoeverre toeslagverlening (indexatie) plaatsvindt, volgt uit de
afspraken in de pensioenregeling en de wijze waarop de regeling is vormgegeven. Ik
vind het daarbij van belang dat deelnemers helder en tijdig worden geïnformeerd over
de aard van hun pensioen en de voorwaarden waaronder toeslagen kunnen worden verleend.
Vraag 7
Kan Johnson & Johnson eigenstandig beslissen om wel of niet in te varen? Hebben deelnemers
hier nog inspraak in?
Antwoord 7
De keuze om al dan niet in te varen maakt onderdeel uit van de transitie naar het
nieuwe pensioenstelsel. Deze keuze is in belangrijke mate arbeidsvoorwaardelijk van
aard en wordt in Nederland gemaakt door de werkgever en werknemersvertegenwoordiging,
afhankelijk van de toepasselijke afspraken en medezeggenschapsrechten.
De pensioenuitvoerder heeft daarbij een eigen verantwoordelijkheid voor de uitvoerbaarheid
van de regeling en moet voldoen aan de wettelijke eisen die gelden voor het transitieproces,
waaronder de vereiste evenwichtige belangenafweging. DNB ziet hier op toe.
De Wet toekomst pensioenen stelt eisen aan het transitieproces, waaronder het opstellen
van een transitieplan en communicatie richting deelnemers. Deelnemers hebben daarbij
geen individueel bezwaarrecht ten aanzien van de keuze om wel of niet in te varen,
maar moeten wel tijdig én zorgvuldig te worden geïnformeerd. Indien deelnemers menen
dat procedures niet zorgvuldig zijn gevolgd of dat sprake is van onjuiste informatieverstrekking,
kunnen zij gebruikmaken van de bestaande klachten- en geschilprocedures.
Vraag 8
In hoeverre is het wenselijk dat er extra toezicht of een vorm van nazorg komt van
De Nederlandsche Bank, op of jegens pensioenfondsen die «verdwijnen» naar België?
Wat is uw visie hierop?
Antwoord 8
Het vrije verkeer van diensten binnen de Europese Unie brengt met zich mee dat grensoverschrijdende
pensioenuitvoering onder voorwaarden mogelijk is. Daarbij geldt dat deelnemers en
pensioengerechtigden moeten kunnen rekenen op adequate bescherming.
Binnen het Europese kader geldt dat het prudentieel toezicht op een pensioeninstelling
primair wordt uitgeoefend door de toezichthouder van de lidstaat waar de instelling
is gevestigd. Bij grensoverschrijdende activiteiten is samenwerking en informatie-uitwisseling
tussen toezichthouders op grond van de Europese Richtlijn IORP II (Institution for Occupational Retirement Provision) verplicht.
Ik acht het wenselijk dat toezichthouders in Nederland en in andere lidstaten effectief
kunnen samenwerken en dat de rol van de toezichthouder in de lidstaat waar deelnemers
wonen voldoende is geborgd. Ik blijf mij hiervoor inzetten in de Europese onderhandelingen
zoals dit ook is verwoord in het BNC-fiche over het Europees Pensioenpakket dat op
16 januari naar uw Kamer is gezonden.
Ondertekenaars
J.A. Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.