Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Bikker over de uitzending 'Zaad zonder grenzen' van Zembla
Vragen van het lid Bikker (ChristenUnie) aan de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de uitzending «Zaad zonder grenzen» van Zembla (ingezonden 6 februari 2026).
Antwoord van Minister Hermans (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen 3 maart
2026).
Vraag 1
Hebt u kennisgenomen van de Zembla-uitzending «Zaad zonder grenzen» (29 januari 2026)?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Wat vindt u ervan dat er op grote schaal gebruik wordt gemaakt van spermadonoren uit
het buitenland, voor wie niet de Nederlandse wet- en regelgeving geldt van een maximum
aantal gezinnen en verplichte bekendmaking als het donorkind dat wil? Wat betekent
dit voor het recht van een kind om diens familie te kennen?
Antwoord 2
Het recht van donorkinderen op toegang tot hun afstammingsgegevens (artikel 7 en 8
van het VN-Verdrag inzake de Rechten van het Kind) is in Nederland geborgd in de Wet
donorgegevens kunstmatige bevruchting (Wdkb). In deze wet is geregeld dat de gegevens
van de donor worden geregistreerd en dat donorkinderen vanaf 16 jaar recht hebben
op de persoonsidentificerende gegevens van hun donor.2 Dat er op grote schaal gebruik wordt gemaakt van spermadonoren uit het buitenland
vindt het kabinet, zoals ook benoemd in de Kamerbrief van 12 februari jl. 3, zorgwekkend, omdat er hierdoor grote internationale verwantschapsnetwerken van donorkinderen
ontstaan. Dit is niet in het belang van het kind. Daarom bereidt het kabinet momenteel
maatregelen voor om massadonatie en de ongewenste effecten van het gebruik van buitenlands
donorsperma tegen te gaan (zie het antwoord op vraag 3).
Het kabinet wil onderstrepen dat, als buitenlands donorsperma wordt ingezet voor een
behandeling in Nederland, er moet worden voldaan aan de Nederlandse wet- en regelgeving.
Zo kan bijvoorbeeld geen gebruik worden gemaakt van een donor die anoniem wenst te
blijven, aangezien kinderen op grond van de Wdkb recht hebben op toegang tot hun afstammingsgegevens.
Desalniettemin blijkt het daadwerkelijk tot stand brengen van contact met een buitenlandse
donor in de praktijk lastig. Daarom verkent het kabinet momenteel welke aanvullende
donorgegevens geregistreerd kunnen worden door fertiliteitsklinieken. Door een persoonsnummer,
een e-mailadres, het adres ten tijde van donatie en de spermabank waar de donor heeft
gedoneerd vast te leggen kan de vindbaarheid van donoren in het buitenland worden
vergroot. Bovendien heeft de voormalig Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport
fertiliteitsklinieken opgeroepen om aanvullende afspraken te maken met buitenlandse
spermabanken, over onder andere het actualiseren van contactgegevens van donoren.
Vraag 3
Tot welke reflecties leidt deze documentarie bij u, met de wetenschap dat de ChristenUnie
eerder voor een verbod op het gebruik maken van sperma- of eiceldonoren uit buitenland
heeft gepleit?
Antwoord 3
In de recente brief over het tegengaan van massadonatie en de regulering van het gebruik
van buitenlands donorsperma»4 heeft de voormalig Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport haar zorgen uitgesproken
over het toenemend gebruik van buitenlands donorsperma en de beperkingen van de huidige
nationale regels. De Zembla-uitzending benadrukt voor het kabinet deze zorgen. Het
kabinet noemt hierbij het beperkte zicht op het aantal donorkinderen per donor in
internationale context, de beperkte mogelijkheden van donorkinderen om meer over de
donor te weten te komen en de gevolgen hiervan voor een deel van de donorkinderen
en ouders. De uitspraken van de directeur van de Deense bank Cryos vond het kabinet
niet getuigen van inzicht in deze gevolgen voor donorkinderen. De vergelijking die
de directeur trok tussen grensoverschrijdende spermadonatie vanuit Denemarken en praktijken
van de «Vikingen» waren ronduit stuitend.
Het belang van het kind is voor dit kabinet leidend bij donorconceptie. Het kabinet
zet niet in op een totaalverbod op het gebruik van buitenlandse spermadonoren. Een
dergelijk verbod moet noodzakelijk, proportioneel en geschikt zijn om het belang van
het kind te beschermen. Bovendien moet rekening worden gehouden met Europese wet-
en regelgeving, waaronder regels voor vrij verkeer van goederen en diensten. Wel zet
het kabinet in op maatregelen om massadonatie en de ongewenste effecten van het gebruik
van buitenlands donorsperma tegen te gaan. Het Wetsvoorstel zeggenschap lichaamsmateriaal
(Wzl)5, dat momenteel voor behandeling in de Tweede Kamer ligt, biedt een goede mogelijkheid
om grensoverschrijdend gebruik van donorsperma te reguleren. Via de Wzl kan vastgelegd
worden dat het ontvangen of verstrekken van donorsperma door een fertiliteitskliniek
of spermabank verboden is, behalve als in bindende afspraken met de andere partij
is vastgelegd dat het donorzaad wereldwijd bij niet meer dan een X-aantal vrouwen
ingezet wordt. Ook blijft dit kabinet op Europees niveau pleiten voor een Europees
maximum voor het gebruik van het sperma van één donor en wordt een breed samenwerkingstraject
gefaciliteerd om te komen tot aanvullende afspraken tussen alle betrokken partijen
over grensoverschrijdende donorconceptie.
Vraag 4
Hoe is er in het verleden omgegaan met het informeren van wensouders over de waarschijnlijkheid
dat buitenlandse donoren op te sporen zijn en het voor donorkinderen mogelijk is om
hun donor te leren kennen? Welke informatie krijgen wensouders nu over deze mogelijkheden?
En over het feit dat de Nederlandse regels niet gelden voor donaties van deze donoren
in het buitenland?
Antwoord 4
Fertiliteitsklinieken bespreken in de counseling met wensouders wat de mogelijke gevolgen
zijn van de keuze voor een donor uit het buitenland. In het standpunt van de beroepsgroep
ligt de nadruk daarbij vooral op het aantal nakomelingen per donor in internationaal
verband en de mogelijke gevolgen voor het kind.6 In de counseling wordt ook aan de orde gesteld dat het kind recht heeft op zijn/haar
afstammingsgegevens en vanaf 16 jaar de persoonsidentificerende gegevens van de donor
kan opvragen. Fertiliteitsklinieken verwijzen tot slot naar de informatie van Fiom
en het Landelijk Informatiepunt Donorconceptie (LIDC)7, waar aandacht wordt besteed aan de risico’s en mogelijke gevolgen voor het donorkind
bij het gebruik van buitenlandse donoren.
Vraag 5
Bent u bereid op Europees niveau te pleiten voor uniforme en bindende regels over
spermadonatie? Hoe gaat u dat doen?
Antwoord 5
Het Ministerie van VWS pleit op Europees niveau al geruime tijd voor uniforme regels
over donorconceptie. Binnen een recent opgerichte werkgroep van de SoHO coordination board (SCB), onder leiding van België, is er draagvlak voor het instellen van een Europees
maximum voor het gebruik van sperma van één donor. Het kabinet zal in deze en andere
relevante gremia de Nederlandse positie actief blijven uitdragen.
Vraag 6
Wat vindt u van de oproep van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie
(NVOG) in juli 2025 om het gebruik van buitenlandse spermadonoren te stoppen? Welke
wet- of regelgeving moet daarvoor volgens u gewijzigd? Kunnen vruchtbaarheidsklinieken
er nu al voor kiezen om geen buitenlandse spermadonoren te gebruiken?
Antwoord 6
Het kabinet vindt het goed dat de NVOG nadenkt over manieren om het ontstaan van grote
verwantschapsnetwerken te voorkomen. Aanpassing van wet- of regelgeving is hiervoor
niet nodig. Fertiliteitsklinieken kunnen er op dit moment al voor kiezen om geen buitenlands
donorsperma te gebruiken. Sommige fertiliteitsklinieken hebben dit ook al gedaan.
Het kabinet zet nu niet in op een stop op het gebruik van buitenlandse spermadonoren.
Een dergelijk totaalverbod dient noodzakelijk en geschikt te zijn om het belang van
het kind te beschermen en mag niet verder gaan dan daarvoor vereist is. Ook moet hierbij
rekening worden gehouden met de geldende Europese kaders, waaronder het vrij verkeer
van goederen en diensten.
Vraag 7
Hoe kijkt u, in het licht van de onmogelijkheid om de rechten van kinderen te waarborgen
bij buitenlandse spermadonatie, aan tegen een (tijdelijk) verbod op buitenlandse spermadonatie
totdat er zekerheid bestaat dat internationale spermadonatie de rechten van donorkinderen
waarborgt?
Antwoord 7
Het recht van kinderen op hun afstammingsgegevens geldt ook voor kinderen die zijn
verwekt met behulp van een donor uit het buitenland, zoals aangegeven in het antwoord
op vraag 2.
Het kabinet zet, zoals in antwoord op vraag 6 aangegeven, niet in op een totaalverbod
op het gebruik van buitenlands donorsperma. Het kabinet vindt evenwel het ontstaan
van grote verwantschapsnetwerken als gevolg van het gebruik van buitenlands donorsperma
niet in het belang van het kind. Daarom treft het kabinet voorbereidingen voor maatregelen
om massadonatie en de ongewenste effecten van het gebruik van buitenlands donorsperma
tegen te gaan.
Vraag 8
Hoe kijkt u aan tegen de diverse misstanden ten aanzien van donorconceptie, of het
nu gaat om massadonoren, artsen die zonder toestemming en medeweten van wensouders
hun eigen zaad inzetten of kinderen die niet weten dat ze van een donor afkomstig
zijn? Ziet u dit als incidenten of als structurele problemen? Als u dit als structureel
probleem ziet, vindt u het dan tijd voor een landelijk onderzoek naar de misstanden
rondom donorconceptie? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 8
De verschillende misstanden die de afgelopen jaren aan het licht zijn gekomen zijn
zonder meer zorgwekkend. De genoemde voorbeelden kennen echter uiteenlopende ontstaansgeschiedenissen,
achtergronden en juridische implicaties. Deze kwesties kunnen daarom naar de mening
van het kabinet niet als één samenhangend, structureel probleem gezien worden. Wel
constateert het kabinet dat zich binnen de sector herhaaldelijk onwenselijke situaties
hebben voorgedaan. Daarom werkt het kabinet aan de verbetering van een zorgvuldige
praktijk van donorconceptie. Onder andere met de maatregelen die in de genoemde brief
van 12 februari jl. zijn aangekondigd.
Vraag 9
Hoeveel wensouders zoeken buiten de gereguleerde kaders naar mogelijkheden om hun
wens te vervullen?
Antwoord 9
Er is geen zicht op het aantal wensouders dat buiten de gereguleerde kaders zoekt
naar mogelijkheden om hun kinderwens te vervullen. Wat mensen in hun privésfeer doen
kan niet worden gemonitord of gereguleerd.
Vraag 10
Herkent u dat wensouders alleen medische voorlichting krijgen, in fertiliteitsklinieken,
maar geen voorlichting over alle Nederlandse wettige mogelijkheden en welke consequenties
er zijn voor kinderen op de lange termijn, en of het niet laten vervullen van een
kinderwens ook een optie is? Vindt u dit ook een omissie in de voorlichting? Zo ja,
hoe wilt u dit gat vullen? Zo nee, wat ziet u dan als taak van de overheid hierin?
Antwoord 10
De voorlichting aan wensouders in fertiliteitsklinieken is niet uitsluitend medisch van aard. In deze voorlichting komen ook juridische en psychosociale
aspecten van donorconceptie aan bod. Dit staat uitgebreid beschreven in het standpunt
«Geassisteerde voortplanting met gedoneerde gameten en gedoneerde embryo’s en draagmoederschap»8 en het «Landelijk standpunt sperma donatie»9 van de NVOG en de Vereniging voor Klinische Embryologie (KLEM). Het is belangrijk
dat deze voorlichting goed en toegankelijk blijft, waarbij ook de overheid een rol
heeft in het bieden van heldere en betrouwbare informatie over de verschillende wettelijke
mogelijkheden en de mogelijke gevolgen voor donorkinderen op de lange termijn. In
dat kader bieden onder meer het Landelijk Informatiepunt Donorconceptie en Fiom (expertisecentrum
op het gebied van afstammingsvraagstukken) uitgebreide informatie.10 Tevens biedt ook het College Donorgegevens Kunstmatige Bevruchting (Cdkb) informatie
op zijn website over het registratiesysteem voor sperma-, eicel- en embryodonoren
en welke gegevens van de donor er geregistreerd worden en worden verstrekt.11 Daarnaast ziet het kabinet nadrukkelijk ook een eigen verantwoordelijkheid voor wensouders
om zich breed te laten informeren en weloverwogen keuzes te maken.
Toelichting:
Deze vragen dienen ter aanvulling op eerdere vragen terzake van het lid Vliegenthart
(GroenLinks-PvdA), ingezonden 14 november 2025 (vraagnummer 2026Z02612).
Ondertekenaars
S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.