Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Bromet, De Hoop en Vellinga-Beemsterboer over het verlagen van het hoogwaterbeschermingsniveau op de Waddeneilanden
Vragen van de leden Bromet, De Hoop (beiden GroenLinks/PvdA) en Vellinga-Beemsterboer (D66) aan de Minister van Infrastructuur en Waterstaat over het plan voor het verlagen van het hoogwaterbeschermingsniveau op de Waddeneilanden (ingezonden 2 februari 2026).
Antwoord van Minister Karremans (Infrastructuur en Waterstaat) (ontvangen 1 april
2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1060.
Vraag 1
Bent u zich bewust van de onrust die het plan voor het verlagen van het hoogwaterbeschermingsniveau
op de Waddeneilanden heeft veroorzaakt?
Antwoord 1
Ik begrijp de zorgen die onder de betrokkenen leven en neem deze serieus. Daarom vind
ik het belangrijk om ook zelf met de regio het gesprek aan te gaan. Daarbij is het
van belang te benadrukken dat het basisbeschermingsniveau op het eiland vanzelfsprekend
hetzelfde moet zijn als in de rest van Nederland.
Het aanpassen van de normen voor primaire keringen is gebaseerd op een landelijk uniforme,
technisch-inhoudelijke systematiek die door experts is ontwikkeld. Dit vormt de kracht
van het beleid, omdat het zorgt voor een objectieve, consistente en uniforme onderbouwde
aanpak van waterveiligheid voor heel Nederland. Hieruit volgt dat het basisbeschermingsniveau
van Schiermonnikoog op hetzelfde niveau zit als de rest van Nederland.
Vraag 2
Wat was de directe noodzaak om de beschermingsnorm voor de Waddeneilanden te verlagen en terug te komen op eerdere afspraken?
Antwoord 2
Er is geen sprake van het aanpassen van de «beschermingsnorm». Sinds 2017 geldt het
zogeheten landelijke basisbeschermingsniveau: de kans dat iemand overlijdt door een
overstroming mag niet groter zijn dan 1 op 100.000 per jaar. Hier wordt niet aan getornd.
Wat hier speelt is een aanpassing van de normen voor de primaire waterkeringen die
hieruit volgt.
De hoogte van de norm is bepalend voor de versterkingsopgave in het Hoogwaterbeschermingsprogramma.
Gezien de grote opgave waar we voor staan is het belangrijk de beschikbare middelen
doelmatig in te zetten. Door de enorme tekorten1 op het gebied van o.a. waterveiligheid kunnen we het ons niet veroorloven om in delen
van Nederland meer te investeren als daar volgens onafhankelijke berekeningen door
experts niet meer investeringen nodig zijn. Terwijl in andere delen van Nederland
er enorme tekorten zijn op infrastructuur gerelateerd aan waterveiligheid. Met andere
woorden: door consistent gebruik van de landelijke systematiek kan overheidsgeld zorgvuldig
worden besteed. Zo voorkomen we dus dat investeringen worden gedaan voor versterking
van dijken waar dat niet nodig is, ten koste van de ca. 1.400 kilometer aan dijken
waar dit wél nodig is (zie ook het antwoord op vraag 9).
Uit de wettelijke evaluatie van de waterwet, uitgevoerd in 2023/2024, is gebleken
dat de gevolgen van een overstroming inmiddels nauwkeuriger zijn bepaald en kleiner
zijn dan eerder werd aangenomen. Ik kan me voorstellen dat dit vragen oproept, omdat
Schiermonnikoog natuurlijk omringd is door de zee en dat men mogelijk het gevoel heeft
dat door de klimaatverandering de kans op een overstroming eerder toeneemt dan afneemt.
Echter, de normen worden bepaald op basis van onafhankelijke, niet-politieke, technische,
en best beschikbare kennis door experts en ik vind het verstandig dat we aan die systematiek
vasthouden.
De normen zijn gebaseerd op het overstromingsrisico. Risico heeft betrekking op zowel
de kans op, als de gevolgen van een overstroming: hoe groter de gevolgen, hoe strenger
de norm voor de kering en dus hoe kleiner de kans op een overstroming moet zijn. De
normen passen bij de te beschermen waarde en waarborgen het basisbeschermingsniveau
dat voor iedere Nederlander geldt. Op deze manier is het waterveiligheidsbeleid doelmatig
en eerlijk.
In het Deltaprogramma 2015 is met de waterveiligheidspartners (waterschappen, provincies
en gemeenten) afgesproken dat «iedere twaalf jaar zal worden bezien of aanpassing van de normering nodig is, als
wezenlijke veranderingen zijn opgetreden met betrekking tot de onderliggende aannames.
Een van deze aannames betreft de evacuatiefracties.» Deze passage is opgenomen in de memorie van toelichting bij de Waterwet. Deze 12-jaarstermijn
staat ook in de landelijke regels (Besluit kwaliteit leefomgeving).
Conform afspraak is deze evaluatie uitgevoerd, door het onafhankelijke instituut Deltares
waarbij ook gebruikt is gemaakt van kennis vanuit Rijkswaterstaat. De resultaten daarvan
zijn gemeld in de brief aan de Kamer van 15 januari 20252. Voor het merendeel van de trajecten blijkt geen aanpassing van de norm nodig.
Zoals gemeld in deze brief en in de kamerbrief van 27 januari 20263 geldt in enkele gevallen, zoals bij de Waddeneilanden, dat uit deze onafhankelijke
evaluatie volgt dat de normen kunnen worden gewijzigd. Dit is mogelijk omdat de gevolgen
van een overstroming inmiddels nauwkeuriger konden worden bepaald en kleiner zijn
dan eerder werd aangenomen.
Specifiek op de Waddeneilanden geldt daarbij dat het uitgangspunt dat helemaal geen
evacuatie kan plaatsvinden volgens experts niet realistisch is. Dit zou namelijk inhouden
dat bij een dreigende overstroming niemand zichzelf of een ander in veiligheid zou
brengen. In het antwoord op vraag 4 wordt verder ingegaan op evacuatie.
In de nationale normsystematiek wordt uitgegaan van redelijke aannames (op basis van
expert judgement) over het deel van de mensen dat zich tijdig, dus voor de overstroming,
op een veilige plek bevindt buiten het overstroombare deel van het eiland. Dit wordt
de evacuatiefractie genoemd. In de normstelling worden mensen die in het overstroomde
gebied op een hoge droge veilig plek schuilen, niet meegerekend als «geëvacueerd».
In het WGO Water van 2 februari jl. was hier discussie over. De (on)mogelijkheid tot
«verticale evacuatie» telt dus niet mee bij de bepaling van de normen. Dit betekent
dat de normstelling hiermee conservatief is ten opzichte van de praktijk: mensen kunnen
en zullen namelijk ook binnen het overstroomde gebied naar een hogere verdieping gaan
en zo in eerste instantie veilig zijn.
Vraag 3
Wat was de reactie van de bestuurders op de Waddeneilanden, waar u in uw brief van
27 januari over schrijft?4
Antwoord 3
Er is sinds begin 2024 contact met partijen in de regio over de evaluatie van de normen.
Er is veelvuldig contact geweest met het Wetterskip Fryslân en daarnaast zijn er meerdere
gesprekken geweest met alle partijen in de regio die zijn georganiseerd in het Deltaprogramma
Wadden. Ook zijn brieven ontvangen van de Waddengemeenten (19 juli 2024) en het Wetterskip
Fryslân (16 oktober 2024). Op verschillende manieren zijn de zorgen vanuit de regio
besproken en is bekeken hoe deze zorgen weggenomen konden worden. Zo zijn naar aanleiding
van opmerkingen vanuit het Wetterskip Fryslân extra berekeningen gemaakt, is op 26 mei
2025 een speciale bijeenkomst geweest met de regiopartners om de achtergrond van de
aanpassingen toe te lichten en zijn ook op bestuurlijk niveau meerdere gesprekken
gevoerd. Op 5 november jl. is met alle waterschappen gesproken over de mogelijke normaanpassingen.
Daarnaast heeft mijn voorganger op 20 oktober en 18 december jl. gesproken met regiopartners
uit het Waddengebied. Bij de laatste bijeenkomst was ook de Deltacommissaris aanwezig
(zie ook vraag 4).
De bestuurders van de Waddeneilanden hebben in de gesprekken de landelijke systematiek
onderschreven, maar wensen een afwijkende normstelling voor de eilanden omdat zij
de eilandsituatie als wezenlijk anders zien. Ik erken dat de eilanden bijzondere kenmerken
hebben, maar bij de normstelling wordt ook al rekening gehouden met bijzondere gebiedskenmerken
(zie het antwoord op vraag 5).
De regio werkt aan het verder verbeteren van de integrale veiligheidsstrategie op
de eilanden. We hebben afgesproken dat het Rijk, als uitzondering, hierbij gaat meekijken.
Het is niet gebruikelijk dat het Rijk daar betrokkenheid bij heeft, en de vaststelling
van deze strategie is aan de veiligheidsregio’s.
Vraag 4
Kunt u de inbreng van de Waddeneilanden in de opgestelde veiligheidsstrategieën delen
met de Kamer en aangeven hoe deze is verwerkt?
Antwoord 4
De verantwoordelijkheid voor de veiligheidsstrategie, rampenplannen en crisisbeheersing
ligt bij de veiligheidsregio’s, en is aanvullend op de preventieve maatregelen in
het kader van de lagenbenadering van de meerlaagsveiligheid5. Al in het Deltaprogramma 2015 werd gesteld dat op de Waddeneilanden «de gemeenten en veiligheidsregio’s per eiland een nadere uitwerking geven van de evacuatiestrategie»
en dat deze wordt uitgevoerd bij een aanleiding daarvoor zoals «een programmeringsvoorstel
van het Hoogwaterbeschermingsprogramma». Bij de herijking in 2021 wordt voorgesteld
«de huidige strategie te handhaven: [...] een integrale veiligheid strategie per eiland».
In dit kader is in opdracht van het Deltaprogramma Wadden in 2024 door advies- en
ingenieursbureau HKV voor ieder eiland een rapport «Integrale Waterveiligheid Strategie»
opgeleverd6. Hierin wordt bijvoorbeeld voor Schiermonnikoog geconstateerd «Er zijn voldoende mogelijkheden voor inwoners en toeristen om op het eiland te schuilen.
[..] Van de ruim 1500 in kaart gebrachte objecten heeft het merendeel een droge begane
grond of verdieping gedurende de overstroming.»
Net als in de Maasvallei is de afstand tot droge veilige plekken klein waardoor mensen
deze zelfs te voet in korte tijd kunnen bereiken. Dit in tegenstelling tot de laaggelegen
gebieden in de Randstad, delen van Noord-Nederland of het rivierengebied waar grote
aantallen mensen tientallen kilometers moeten afleggen om veilig te kunnen zijn.
Omdat er voor de normen alleen rekening is gehouden met evacuatie naar plekken buiten
het overstroomde gebied en er geen garantie is dat iedereen daarheen wil of kan gaan,
is er niet gerekend met een evacuatiefractie van 100%. Voor de normen in de Maasvallei
Limburg adviseren experts om voor de meeste gebieden uit te gaan van ca. 80% evacuatiefractie.
Voor de Waddeneilanden is een lagere waarde van ca. 50–60% volgens experts reëel omdat
de waarschuwingstijd bij stormen vaak kleiner is dan bij hoog water op de rivieren.
Het hanteren van een waarde van 0% (= niemand is tijdig uit het bedreigde gebied)
is niet realistisch.
De regio heeft aangegeven dat er zorgen zijn over de situatie in de dagen na de overstroming
en hoe dan te «overleven». Men constateert dat de huidige veiligheidsstrategie nog
nadere uitwerking verdient. Dit is ook zo afgesproken in de Deltabeslissingen van
2015 en 2021. Zoals aangegeven in de eerder aangehaalde Kamerbrief van januari dit
jaar is afgesproken dat «... het Rijk hieraan zal bijdragen en dat dit opgepakt wordt in het kader van het
Deltaprogramma Waddengebied, met betrokkenheid van de Deltacommissaris.»
Vraag 5
Deelt u de mening dat de Waddeneilanden in veel opzichten afwijken van het vaste land
en dat dit feit een afwijking van een uniforme landelijke systematiek zou rechtvaardigen?
Antwoord 5
Op het gebied van waterveiligheid geldt voor alle gebieden in Nederland dat er sprake
is van eigen, specifieke kenmerken. Hiermee wordt in de landelijke systematiek dan
ook rekening gehouden. Voorbeeld hiervan is de speciale geografie van Limburg: geen
polders maar een vallei. Ook een grote stad als Rotterdam, met grote invloed van de
werking van de stormvloedkeringen, heeft zijn eigen kenmerken waarmee rekening wordt
gehouden. Een afwijking voor de Waddeneilanden is daarmee niet nodig, omdat hierin
al voorzien is in de systematiek.
Voor ieder gebied worden overstromingssimulaties7 gemaakt door de waterschappen en provincies. Deze geven een beeld wat er gebeurt
bij een doorbraak van een waterkering: wat er overstroomt, hoe hoog het water komt,
hoe snel het water stroomt en hoe lang het duurt voordat het water er is. Op basis
van deze gegevens en een (realistische) evacuatiefractie wordt bepaald hoeveel slachtoffers
er kunnen vallen en hoeveel schade er kan ontstaan. Dit betreft schade aan huizen,
landbouw(grond), infrastructuur etc. Voor de bepaling van de hoogte van de normen
wordt daarnaast ook meegenomen: schade door productieverlies en immateriële schade
zoals aan cultureel erfgoed, natuur en onvervangbare persoonlijke zaken8. Dit geeft per gebied een specifiek beeld van de potentiële gevolgen.
Vraag 6
Kunt u omschrijven hoe volgens u een rampscenario met zeer hoog water en dijkdoorbraken
op de Waddeneilanden er voor de bewoners praktisch uit zou zien, als de uniforme landelijke
systematiek consequent wordt toegepast? Kunt u daarbij ingaan op wat «schuilmogelijkheden»,
inhouden en die nu de basis zijn voor de veiligheidsstrategie?
Antwoord 6
Voor een omschrijving van hoe een overstroming kan verlopen wordt verwezen naar de
website van de veiligheidsregio waar een scenario is gegeven9. Ook heeft de regio een scenario-onderzoek laten uitvoeren op basis waarvan een beschrijving
is gemaakt van een overstroming op het fictieve eiland Waddenlei10. Deze verhalen geven een beeld van hoe een eventuele overstroming zal verlopen. Hierin
is te lezen hoe in de daar geschetste situatie de bewoners en toeristen zich in veiligheid
brengen of worden gebracht, al dan niet door een evacuatie en hoe de hulp op gang
komt.
Voor inzicht in de schuilmogelijkheden wordt verwezen naar de rapporten die door het
Deltaprogramma Wadden zijn opgesteld het kader van de integrale veiligheidsstrategie11.
De geografie van een (Wadden)eiland geeft, als het gaat om waterveiligheid, een voordeel
ten opzichte van andere laaggelegen gebieden in Nederland. De duinen geven een zeer
goede bescherming tegen hoog water op Noordzee en er zijn op korte afstand voldoende
plekken om droog en veilig te verblijven. Logischerwijs zijn de hoge plekken juist
de locaties waar dorpen zijn ontstaan. West-Terschelling bijvoorbeeld ligt nagenoeg
volledig buitendijks omdat het voor een groot deel zo hoog ligt dat het voor zijn
veiligheid niet afhankelijk is van een waterkering. Ook op Schiermonnikoog blijft
het dorp zelfs bij extreme omstandigheden die eens in 2.000 jaar worden verwacht,
voor een groot deel droog. Na de storm kan het water relatief makkelijk weer wegstromen
uit de polder omdat de waterstand op zee dan weer lager is.
Ter vergelijking: bij een rivierdijkdoorbraak zal langere tijd water de laaggelegen
delen instromen en blijven staan, waardoor er veel langere hersteltijd nodig is.
Vraag 7
Kunt u eenzelfde scenario omschrijven voor evacuatie na de storm en de situatie enkele
dagen tot weken later?
Antwoord 7
Zie het antwoord op vraag 6. Met het steeds verder verbeteren van de integrale veiligheidsplannen
kan een gebied zich goed voorbereiden op deze situatie. Het Rijk heeft dan ook aangeboden,
waar nodig, te ondersteunen bij het opstellen van deze plannen.
Vraag 8
Deelt u de mening dat het evacueren van woningen in overstromende uiterwaarden, hoe
vervelend ook, moeilijk vergelijkbaar is met overstromende Waddeneilanden? Of is dit
volgens u hetzelfde?
Antwoord 8
Een overstroming van de polders langs de rivieren is inderdaad een onvergelijkbare
situatie met de Waddeneilanden. Een dijkdoorbraak bij een rivier kan leiden tot snel
en diep instromen van een laaggelegen gebied. Voor een groot deel van de inwoners
van het rivierengebied, en ook West-Nederland, zijn veilige gebieden ver weg en er
is sprake van grote aantallen mensen. Dit maakt een evacuatie in deze gebieden een
fors grotere en lastiger operatie dan op een Waddeneiland en een die ook veel voorbereidingstijd
vergt. Bij de evacuatie van het rivierenland in 1995, moesten bijvoorbeeld 250.000
mensen en 1 miljoen dieren in veiligheid worden gebracht vanwege het mogelijk bezwijken
van een rivierdijk.
In gebieden zoals de Waddeneilanden en de Maasvallei is deze situatie wezenlijk anders;
de afstand tot veilig gebied is klein en kan zelfs te voet worden bereikt, en met
het relatief beperkte aantal mensen (inwoners en toeristen) in het getroffen gebied
is de verwachting dat een groot deel van de mensen tijdig op een veilige plek zal
zijn.
Uiterwaarden vormen onderdeel van het rivierbed en zijn buitendijks. Deze gebieden
hebben een belangrijke functie voor de afvoer van hoogwater en zijn daarom ook wettelijk
gereserveerd hiervoor via de beleidslijn Grote Rivieren. Als deze gebieden nat worden,
spreken we niet over een overstroming en hier geldt voor bewoners niet het basisbeschermingsniveau.
Mensen die op deze plekken wonen zijn zelf verantwoordelijk voor de eventuele risico’s
en schade bij hoogwater.
Vraag 9
Hoeveel geld wordt bespaard met het afwaarderen van de veiligheid van Schiermonnikoog
en wat zijn de realistische maatschappelijke kosten van een dijkdoorbraak?
Antwoord 9
Er is bij Schiermonnikoog zoals gezegd geen sprake van afwaardering: het vastgelegde
landelijke basisbeschermingsniveau geldt gewoon, ook op Schiermonnikoog. De middelen
die niet hoeven te worden ingezet voor een dijkversterking op Schiermonnikoog, zullen
worden gebruikt door het Hoogwaterbeschermingsprogramma om ergens anders het risico
van een overstroming te verlagen. Er is dus geen sprake van een besparing, wel van
een doelgerichte inzet van middelen. Dit wordt steeds belangrijker: door sterk stijgende
kosten voor dijkversterking is tussen Rijk en waterschappen afgesproken om voor de
programmaperiode tot 2036 gezamenlijk € 2,5 miljard extra beschikbaar te stellen.
De maatschappelijke kosten van een overstroming hangen af van zaken zoals de sterkte
van de storm, de voorbereidingstijd en waar een kering faalt. Zij zullen hoe dan ook
zeer groot zijn. In het antwoord op vraag 5 is al gesproken over de overstromingssimulaties
die de waterschappen en provincies maken. Op basis hiervan kan worden gezegd dat bij
een overstroming op Schiermonnikoog de directe schade tientallen miljoenen euro’s
kan bedragen en dat er enkele slachtoffers kunnen vallen. Ter vergelijking: in bijvoorbeeld
het rivierengebied worden bij een overstroming vele miljarden euro’s schade verwacht
en honderden slachtoffers. Daarom verschillen de dijknormen dus ook per gebied. Maar,
los van de gevolgen (zoals kosten) van een overstroming: er geldt altijd minstens
het basisbeschermingsniveau.
Vraag 10
Wie moet betalen bij schade door het falen van een primaire waterkering?
Antwoord 10
Als de overstroming door de regering tot ramp wordt verklaard dan kan sprake zijn
van een tegemoetkoming in de schade op grond van de Wet Tegemoetkoming Schade.
Vraag 11
Waarom is eerst het beschermingsniveau verlaagd, terwijl volgens u de eilandsituatie
het van groot belang maakt de specifieke veiligheidsstrategie nader uit te werken?
Is dat niet de verkeerde volgorde? Kunt u zich voorstellen dat eilanders hiermee het
gevoel krijgen dat hun veiligheid op de tweede plaats komt?
Antwoord 11
Er is geen sprake van aanpassing van het beschermingsniveau. Ook op de Waddeneilanden
geldt het basisbeschermingsniveau. Wel wordt de norm van de waterkering aangepast,
dit komt door de nieuwste overstromingsscenario’s en een realistische inschatting
van de evacuatiefractie. Ik begrijp dat men zich hier zorgen over maakt en daarover
is de afgelopen twee jaar dan ook veel met de regio gesproken. Zoals in vraag 4 aangegeven
is het ongeacht de normhoogte van belang om te werken aan de specifieke veiligheidsstrategie
en de bewustwording van bewoners. Het is namelijk zo dat er altijd een kans is op
een overstroming, het risico is nooit nul. De inschatting van dit risico bepaalt wel
welke maatregelen we op een plek nemen. De veiligheidsregio en andere overheden vervullen
hierbij een belangrijke rol.
Vraag 12
Klopt het dat met het verlagen van het vereiste beschermingsniveau de levensduur van
de versterking niet fysiek wordt vergroot maar slechts administratief, omdat eerder
falen bij een lagere norm eerder acceptabel is geworden? Kunt u zich voorstellen dat
eilandbewoners dit cynisch vinden?
Er is zoals hierboven aangegeven geen sprake van aanpassing van het beschermingsniveau.
Uit de onafhankelijke evaluatie, door experts, blijkt dat door de kleinere gevolgen
van een overstroming en de realistische mogelijkheid van evacuatie een wijziging van
de norm voor het dijktraject mogelijk is. Dit betekent dat de voorgenomen versterking
van de kering nu niet nodig is, omdat de kering al voldoende veiligheid biedt. Gegeven
de enorme opgave om heel Nederland veilig te houden tegen een veranderende strijd
tegen het water, vind ik het te verdedigen dat we geen middelen besteden aan extra
dijkverzwaring op plekken waar dat op basis van een inhoudelijke, niet-politieke en
technische afweging van onafhankelijke experts niet nodig wordt geacht.
Daarnaast wordt de veiligheidstoestand van dijken continu gemonitord, via de zorgplicht.
Dit houdt in dat de beheerder de wettelijke taak heeft om de (primaire) waterkering
aan de veiligheidseisen te laten voldoen en voor het beheer en onderhoud te zorgen.
De waterschappen stellen jaarlijks een veiligheidsrapportage hierover op die de Inspectie
Leefomgeving en Transport (ILT) betrekt bij haar toezicht. De zorgplicht wordt goed
ingevuld. Het Ministerie van IenW gaat samen met het waterschap de stand van zaken
bij Schiermonnikoog monitoren.
Vraag 13
Kunt u deze vragen beantwoorden voor het komende commissiedebat Wadden op 12 februari
2026?
Antwoord 13
Beantwoording voorafgaand aan het CD Wadden is helaas niet gelukt. In het CD Wadden
heeft de heer De Hoop12 gevraagd om deze antwoorden aan de Kamer toe te sturen voor het nog te plannen tweeminutendebat.
Ook heeft mijn voorganger toegezegd in de antwoorden in te gaan op de uitvoering van
de aangenomen motie13 over het verlagen van de dijknormen en op eventuele financiële motieven voor dit
voorstel. Met onderstaande beantwoording geef ik invulling aan deze toezegging.
Zoals aangegeven, is er geen sprake van financiële motieven om te komen tot deze normaanpassingen.
In een wettelijk verplichte evaluatie van de normen is geconstateerd dat er aanleiding
is om die normen aan te passen.
Er is juist een financiële impact als er in bepaalde gevallen niet volgens de systematiek
wordt gewerkt. De basis is het wettelijk afgesproken basisbeschermingsniveau voor
heel Nederland. Door dit basisbeschermingsniveau te vertalen naar dijknormen voor
de verschillende gebieden wordt landelijk consistent beleid gevoerd. De actuele gegevens
laten zien dat verlaging van de normen voor een aantal trajecten in Nederland aan
de orde is. Als dit niet doorgevoerd zou worden, dan zouden dus onnodige investeringen
in dijkversterking worden gedaan ten koste van andere versterkingen die wel nodig
zijn. Gezien de beperkte middelen die het Rijk heeft voor dijkversterkingen is het
zaak deze doelmatig uit te geven.
Vanwege de technisch-inhoudelijke aard van dit dossier bied ik de Kamer aan dat het
Ministerie van IenW een technische briefing kan organiseren om de achterliggende systematiek
en afwegingen toe te lichten.
Voor wat betreft de uitvoering van de motie geldt dat ik, zoals toegezegd door mijn
voorganger, het bestuurlijk overleg nog verder zal voeren met de regio.
Zoals mijn voorganger heeft aangegeven, zal daarna voor betreffende trajecten een
wijziging van het Besluit kwaliteit leefomgeving moeten worden voorbereid. Dit is
een algemene maatregel van bestuur (AmvB). De bestuurlijke partners krijgen de gelegenheid
om op het concept hiervan te reageren. Daarna zullen teksten in internetconsultatie
gaan. Tenslotte gaat het voor advies naar de Raad van State en wordt het voorgenomen
wijzigingsbesluit voorgehangen bij de Eerste en Tweede Kamer. Het traject van de AmvB
zal ca 1,5 jaar in beslag nemen.
Ondertekenaars
V.P.G. Karremans, minister van Infrastructuur en Waterstaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.