Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Kostic en Dassen over het buitenspel zetten van de rechter en het overtreden van de wet door de NVWA bij de behandeling van Woo-verzoeken
Vragen van de leden Kostić (PvdD) en Dassen (Volt) aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over het buitenspel zetten van de rechter en het overtreden van de wet door de NVWA bij de behandeling van Woo-verzoeken. (ingezonden 14 januari 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Van der Burg (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties)
(ontvangen 3 maart 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026,
nr. 1003.
Inleiding:
Voorafgaand aan de beantwoording van de vragen merk ik graag expliciet op dat ik als
bewindspersoon van BZK verantwoordelijk ben voor het openbaarheidsstelsel als geheel.
Ik ben niet verantwoordelijk voor een juiste uitvoering en naleving van de Wet open
overheid (Woo) door individuele bestuursorganen. Zij dienen hierover zelf verantwoording
af te leggen.
Vraag 1
Heeft u kennisgenomen van het artikel «Inspectie zet rechter buitenspel en overtreedt
de wet onder druk van boerenlobby» van Follow The Money?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2 en 3
Kunt u bevestigen dat belangenorganisaties uit de vee-industrie grootschalig gecoördineerde
acties hebben georganiseerd tegen het openbaar maken van informatie, waardoor de Nederlandse
Voedsel en Warenautoriteit (NVWA) werd geconfronteerd met talloze bezwaren en verzoeken
om voorlopige voorzieningen tegen Wet open overheid (Woo)-besluiten?2
Kunt u bevestigen dat de NVWA naar aanleiding hiervan besloot om deze procedures niet
volgens de regels af te handelen, maar overging op een nieuwe werkwijze waarbij gegevens
van alle bezwaarmakers niet meer openbaar worden gemaakt zolang het bezwaar loopt,
wat er in feite op neerkomt dat de rechter er niet meer te pas komt bij het beoordelen
van voorlopige voorzieningen en bezwaarschriften?
Antwoord 2 en 3
Ieder bestuursorgaan is zelf verantwoordelijk voor een juiste uitvoering van de Woo.
Ik heb als stelselverantwoordelijke geen zicht op de uitvoering van de Woo bij individuele
bestuursorganen. In dit kader is het aan mijn collega, de Minister van Landbouw, Visserij,
Voedselzekerheid en Natuur (LVVN), om een nadere toelichting te geven op de werkwijze
van de NVWA.
Vraag 4
Erkent u het belang van toetsing door de voorzieningenrechter om te voorkomen dat
met evident kansloze bezwaren de openbaarmaking van informatie ernstig wordt vertraagd?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord 4
Ja, ik erken uiteraard de rol die de voorzieningenrechter hierin speelt. De primaire
rol van de voorzieningenrechter is om te beoordelen of er spoedeisend belang is aan
de zijde van de bezwaarmaker om openbaarmaking (in ieder geval tijdelijk) te voorkomen.
Ik heb wel signalen ontvangen dat rechtbanken in toenemende mate verzoeken om een
voorlopige voorziening toewijzen, ook buiten de zitting om. Hierbij wordt er niet
overgegaan tot een inhoudelijke beoordeling. Deze signalen neem ik mee in de wetsevaluatie
van de Woo, die dit jaar wordt uitgevoerd.
Vraag 5
Erkent u dat dit er in de praktijk toe leidt dat indieners van Woo-verzoeken een stuk
later de gevraagde informatie krijgen en om verder uitstel te voorkomen zijn aangewezen
op een civiele procedure, wat leidt tot aanzienlijk hogere kosten en drempels? Wat
vindt u hiervan?
Antwoord 5
Ik kan op dit moment niet beoordelen of dit per definitie het geval is. Uw Kamer heeft
vorig jaar de motie Van der Plas3 aangenomen. Deze motie verzoekt de regering om met een wetsvoorstel of wetswijziging
te komen, zodat bezwaar van een derdebelanghebbende automatisch de openbaarmaking
van een Woo-besluit opschort tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist. Vanuit
mijn stelselverantwoordelijkheid zal ik (de gevolgen van) deze motie meenemen in de
wetsevaluatie.
Vraag 6
Heeft u kennisgenomen van de zorgen van Woo-jurist Tim van Alten, die in de praktijk
ervaart dat deze nieuwe werkwijze van de NVWA leidt tot onevenredige inspanningen
en drempels voor indieners van Woo-verzoeken, waardoor het moeilijker wordt om bijvoorbeeld
misstanden in de vee-industrie aan het licht te brengen?4 Deelt u deze zorgen?
Antwoord 6
Ja, hier heb ik kennis van genomen. Uiteraard onderschrijf ik het belang van snelle
en tijdige openbaarmaking van overheidsinformatie. Dit is ook een van de uitgangspunten
van de Woo. Het belang van de verzoeker om informatie snel en tijdig te ontvangen
en het belang van derdebelanghebbenden om daartegen in bezwaar te kunnen gaan, wordt
dan ook meegenomen in de wetsevaluatie in het licht van de aangenomen motie van het
lid Van der Plas.
Vraag 7 t/m 11
Bent u ermee bekend dat als gevolg van de huidige werkwijze bij de NVWA Woo-verzoekers
worden geconfronteerd met een situatie waarin de bezwaartermijn tegen een Woo-besluit
aanvangt, terwijl de onderliggende documenten nog voor onbepaalde tijd niet zijn verstrekt?
Erkent u dat deze werkwijze ertoe leidt dat Woo-verzoekers bezwaar moeten maken tegen
een besluit zonder de onderliggende documenten te hebben kunnen inzien, en dat het
daardoor feitelijk onmogelijk is om te beoordelen of de openbaarmaking volledig is
en of informatie ten onrechte is geweigerd of gelakt? Zo nee, waarom niet?
Deelt u de opvatting dat het onder deze omstandigheden voor Woo-verzoekers praktisch
ondoenlijk is om binnen de geldende bezwaartermijn inhoudelijke bezwaargronden te
formuleren en dat dit de rechtsbescherming van Woo-verzoekers ernstig onder druk zet?
Zo nee, waarom niet?
Hoe beoordeelt u het feit dat de NVWA in deze situaties in de regel weigert om de
termijn voor het indienen van inhoudelijke bezwaargronden te verlengen tot een moment
waarop de documenten daadwerkelijk zijn verstrekt en hooguit een beperkte hersteltermijn
van maximaal acht weken hanteert, terwijl binnen die termijn zelden op de bezwaren
van derde-belanghebbenden is beslist?
Erkent u dat Woo-verzoekers onder normale omstandigheden zes weken de tijd hebben
om, met kennisneming van de verstrekte documenten, hun bezwaar inhoudelijk te onderbouwen,
en dat deze systematiek door de huidige werkwijze van de NVWA feitelijk wordt doorkruist?
Antwoord 7 t/m 11
Vanuit mijn stelselverantwoordelijk zal ik in het kader van de uitvoering van de motie
Van der Plas (de gevolgen van) deze werkwijze meenemen in de wetsevaluatie van de
Woo.
Vraag 12
Deelt u de opvatting dat deze praktijk onwenselijk is vanuit het oogpunt van effectieve
rechtsbescherming en strijdig is met het doel en de strekking van de Wet open overheid?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord 12
Als stelselverantwoordelijk bewindspersoon voor de Woo vind ik het belangrijk dat
informatie snel en tijdig openbaar wordt gemaakt en dat de belangen van zowel verzoekers
als derdebelanghebbenden goed beschermd worden. In dit kader is het van belang dat
de rechtsgang in het kader van Woo-verzoeken ook doeltreffend en doelmatig is. Daarom
zal hier in de wetsevaluatie van de Woo naar gekeken worden.
Vraag 13
Erkent u het belang van toetsing door de voorzieningenrechter om te voorkomen dat
met evident kansloze bezwaren de openbaarmaking van informatie onevenredig wordt vertraagd?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord 13
Ja, dit belang erken ik.
Vraag 14
Kunt u bevestigen dat de NVWA bij invoering van deze nieuwe werkwijze zelf heeft aangegeven
dat deze «niet geheel in overeenstemming is met hetgeen bepaald is in de Algemene
wet bestuursrecht (Awb) en de Woo»? Onderschrijft u deze constatering? Zo nee, waarom
niet en op welk juridisch advies baseert u zich dan (graag het advies meesturen)?
Antwoord 14
Ja, de NVWA heeft aangegeven zich bij het invoeren van de pilot ervan bewust te zijn
geweest dat de geschetste werkwijze op gespannen voet staat met het huidige wettelijke
kader. Tegelijkertijd heb ik oog voor de problemen waar de NVWA in de uitvoeringspraktijk
van de Woo tegenaan loopt. De onderhavige kwestie zal ik dan ook laten meenemen in
de wetsevaluatie van de Woo.
Vraag 15
Heeft u kennisgenomen van de uitspraak van Cornelis van der Sluis, advocaat en oprichter
van het Nederlands Kenniscentrum Open Overheid, die deze werkwijze van de NVWA «volledig
in strijd met de wet» noemt? Wat gaat u hiermee doen?
Antwoord 15
Ja, hier heb ik kennis van genomen. Vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid zal ik
(de gevolgen van) de motie Van der Plas meenemen in de wetsevaluatie, aangezien hier
een wetswijziging voor nodig zou zijn.
Vraag 16
Wanneer bent u, als politiek eindverantwoordelijk bewindspersoon voor de Wet open
overheid, geïnformeerd over het besluit van de NVWA om deze nieuwe werkwijze in te
voeren?
Antwoord 16
Voor zover bekend, hebben medewerkers van mijn ministerie op 1 september 2025 voor
het eerst een signaal ontvangen dat de NVWA een afwijkende werkwijze zou hanteren.
Toen was nog niet precies duidelijk wat de werkwijze van de NVWA inhield en op welke
punten deze werkwijze af zou wijken. Daar is vervolgens uitvraag naar gedaan bij de
NVWA. Op 19 december 2025 werd voor medewerkers van mijn ministerie, op basis van
door de NVWA toegestuurde informatie, duidelijk dat de NVWA een afwijkende werkwijze
hanteerde met betrekking tot de schorsende werking van bezwaar in Woo-zaken. Op 7 januari
2026 is de toenmalig Minister van BZK geïnformeerd over deze werkwijze van de NVWA
en op 9 januari 2026 heeft er een ambtelijk overleg plaatsgevonden tussen BZK en de
NVWA. Tijdens dit overleg is door mijn medewerkers het belang van een juiste naleving
van de Woo benadrukt.
Vraag 17
Kunt u aangeven op welk moment u de Kamer heeft geïnformeerd over dit ingrijpende
besluit van de NVWA om af te wijken van de wettelijke procedures uit de Awb en de
Woo?
Antwoord 17
Bestuursorganen zijn zelf verantwoordelijk voor een juiste uitvoering van de Woo.
Het is dan ook niet aan mij om verantwoording af te leggen over de uitvoering van
de Woo door andere bestuursorganen. Zij leggen hier zelf verantwoording over af.
Vraag 18
Kunt u bevestigen dat de NVWA al over was gegaan op deze nieuwe werkwijze voordat
de motie van het lid Van der Plas over Woo-verzoeken werd aangenomen door de Kamer?5 Hoe verklaart u dit?
Antwoord 18
Uit de door de NVWA aangeleverde informatie aan mijn ministerie blijkt dat zij in
juli 2024 gestart zijn met een pilot. De motie van het lid Van der Plas is in mei
2025 aangenomen. In juni 2025 heeft de NVWA de pilot omgezet in een vaste werkwijze.
Vraag 19
Kunt u bevestigen dat de NVWA deze werkwijze vervolgens heeft uitgebreid naar Woo-verzoeken
met minder dan vijftig belanghebbenden, terwijl uw ministerie op dat moment nog bezig
was met een juridische analyse? Wat vindt u hiervan?
Antwoord 19
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 18, heeft de NVWA in juni 2025 de pilot
omgezet naar een vaste werkwijze. Vanuit BZK was destijds inderdaad nog niet gestart
met de wetsevaluatie, waarin de gevolgen van de uitvoering van de motie Van der Plas
worden meegenomen. Als stelselverantwoordelijk bewindspersoon voor de Woo vind ik
het belangrijk dat alle bestuursorganen de wet juist toepassen. Ieder bestuursorgaan
is echter zelf verantwoordelijk voor een juiste uitvoering van de Woo.
Vraag 20
Kunt u bevestigen dat de Kamer niet werd geïnformeerd op het moment dat de NVWA overging
op deze nieuwe werkwijze en deze later uitbreidde? Waarom is dat niet gebeurd en wat
vindt u hiervan?
Antwoord 20
Zoals aangegeven bij het antwoord op vraag 17, is het aan ieder bestuursorgaan zelf
om de Woo juist uit te voeren en zich hierover te verantwoorden.
Vraag 21
Kunt u bevestigen dat door uw ministerie aan Follow the Money is geantwoord dat de
motie-Van der Plas nog niet kan worden uitgevoerd omdat hiervoor «een wetswijziging
nodig [is]»?
Antwoord 21
Ja.
Vraag 22
Hoe verhoudt deze constatering zich tot het feit dat de NVWA al langere tijd een nieuwe
werkwijze toepast waarmee wordt afgeweken van de bestaande wettelijke kaders?
Antwoord 22
Ten aanzien van de werkwijze van de NVWA kan ik in het algemeen aangeven dat ieder
bestuursorgaan zelf verantwoordelijk is voor een juiste uitvoering van de Woo. Als
stelselverantwoordelijke voor de Woo stimuleer en bevorder ik overheidsbreed een goede
uitvoering van de Woo. Als bestuursorganen tegen problemen aanlopen in de uitvoering
van de Woo, dan kan dit uiteraard altijd bij mijn ministerie aangegeven worden zodat
deze signalen bij het ontwerpen en aanscherpen van beleid en regelgeving kunnen worden
meegenomen.
Vraag 23
Onderschrijft u dat de NVWA met deze nieuwe werkwijze in strijd met de Woo en de Awb
handelt? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 23
Zie antwoord vraag 14.
Vraag 24
Bent u bereid om de NVWA op te roepen deze werkwijze te beëindigen en te waarborgen
dat Woo-verzoekers pas worden gehouden aan het formuleren van inhoudelijke bezwaargronden
nadat alle onder het Woo-besluit vallende documenten daadwerkelijk aan hen zijn verstrekt,
met een redelijke termijn van ten minste vier weken? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 24
Zoals bij het antwoord op vraag 22 aangegeven, is ieder bestuursorgaan zelf verantwoordelijk
voor een juiste uitvoering van de Woo. Wel ben ik bereid met de NVWA in gesprek te
gaan over deze werkwijze en de effecten hiervan voor de praktijk.
Vraag 25
Erkent u het fundamentele belang van openbaarheid van overheidsinformatie voor het
functioneren van een democratische rechtsstaat en de controle op de overheid, wat
daarnaast ook nog vele andere voordelen heeft voor de maatschappij zoals in kaart
gebracht in het recente onderzoek De baten van transparantie van Instituut Maatschappelijke Innovatie en de Open State Foundation?6
Antwoord 25
Ja, als stelselverantwoordelijk bewindspersoon voor de Woo onderschrijf ik volledig
het fundamentele belang van openbaarheid van overheidsinformatie voor het functioneren
van een democratische rechtsstaat en de controle op de overheid.
Vraag 26
Erkent u dat tijdige toegang tot informatie essentieel is voor die controle en dat
langdurige procedures en vertragingen ertoe kunnen leiden dat informatie haar waarde,
nut en maatschappelijke relevantie verliest?
Antwoord 26
Ja. Een van de uitgangspunten van de Woo is dan ook een snelle en tijdige verstrekking
van overheidsinformatie als daarom gevraagd wordt.
Vraag 27
Bent u bereid om de NVWA op te roepen om de nieuwe werkwijze in te trekken en de Woo-verzoeken,
bezwaren en voorlopige voorzieningen te behandelen conform de geldende wetgeving?
Zo nee, waarom niet?
Antwoord 27
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 22, ben ik als stelstelverantwoordelijk
bewindspersoon voor de Woo niet verantwoordelijk voor een juiste uitvoering van de
Woo door individuele bestuursorganen. Wel wil ik met de NVWA in gesprek gaan over
deze werkwijze en de effecten hiervan voor de praktijk.
Vraag 28
Heeft u gezien dat mediaorganisaties er bij het opvragen van informatie op basis van
de Woo ook nog eens tegenaanlopen dat de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid
en Natuur (LVVN) haar bevoegdheid misbruikt, waardoor informatie niet, of pas veel
later, wordt geopenbaard?7
Antwoord 28
Ik heb kennisgenomen van de berichtgeving hierover. Wel wil ik hier over opmerken
dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State eerder heeft geoordeeld
dat de toenmalig Minister van LVVN geen misbruik heeft gemaakt van haar bevoegdheden.8
Vraag 29
Heeft u gezien dat deze mediaorganisaties zich genoodzaakt voelen om opnieuw juridische
stappen te ondernemen tegen de Minister van LVVN, omdat «vrije nieuwsgaring onmogelijk»
wordt gemaakt? Wat vindt u hiervan?
Antwoord 29
Ja, hier heb ik kennis van genomen. Vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid hecht
ik veel waarde aan het uitgangspunt dat overheidsinformatie tijdig en snel openbaar
wordt gemaakt zodat journalisten, burgers en onderzoekers de overheid kunnen controleren.
Bij de openbaarmaking van overheidsinformatie vind ik het belangrijk dat er zowel
recht wordt gedaan aan de belangen van verzoekers als die van derdebelanghebbenden.
Vraag 30
Heeft u gezien dat het Adviescollege Openbaarheid en Informatiehuishouding zich tot
twee keer toe heeft uitgesproken tegen de handelwijze van de Minister van LVVN, maar
dat haar advies nog altijd niet worden opgevolgd?9
Antwoord 30
Ja, ik ben op de hoogte van de bemiddelingsadviezen van het ACOI en de daaropvolgende
inhoudelijke reacties van de toenmalige Minister van LVVN.
Vraag 31
Bent u bereid om de Minister van LVVN op te roepen om een einde te maken aan dit misbruik
van haar bevoegdheden? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 31
Ook hier wil ik opmerken dat de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State
eerder heeft geoordeeld dat de toenmalige Minister van LVVN geen misbruik heeft gemaakt
van haar bevoegdheden.10 Zoals bij meerdere antwoorden hiervoor aangegeven, zijn bestuursorganen zelf verantwoordelijk
voor een juiste uitvoering van de Woo. Vanuit mijn stelselverantwoordelijkheid hecht
ik veel waarde aan snelle en tijdige openbaarmaking van overheidsinformatie, een van
de uitgangspunten van de Woo.
Vraag 32
Kunt u deze vragen één voor één en binnen de daarvoor gestelde termijn beantwoorden?
Antwoord 32
Beantwoording binnen de gestelde termijn is helaas niet gelukt, zoals aangegeven in
de uitstelbrief die ik aan uw Kamer heb gestuurd.11
Ondertekenaars
E. van der Burg, staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.