Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Van Groningen en Verkuijlen over het bericht 'Stijging aantal besmettingen soa’s, jongeren lopen tegen muur van desinformatie aan'
Vragen van de leden Van Groningen en Verkuijlen (beiden VVD) aan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het bericht «Stijging aantal besmettingen soa’s, jongeren lopen tegen muur van desinformatie aan» (ingezonden 2 juni 2026).
Antwoord van Minister Hermans (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen 26 juni
2026)
Vraag 1
Bent u bekend met het NOS-artikel «Stijging aantal besmettingen soa’s, jongeren lopen
tegen muur van desinformatie aan» en «Veel meer gonorroe en syfilis in Europa, ook
in Nederland meer infecties»?1, 2
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Hoe beoordeelt u de sterke stijging van het aantal soa-besmettingen onder jongeren
en jongvolwassenen, ook in het licht van het dalende condoomgebruik bij wisselende
seksuele contacten?
Antwoord 2
Het bericht van de European Centre for Disease Prevention and Control (ECDC) laat zien dat het aantal gonorroe- en syfilisdiagnoses in Europa de afgelopen
10 jaar is gestegen. Ook in Nederland steeg het aantal diagnoses de afgelopen jaren,
al is deze stijging minder groot dan het Europees gemiddelde.3
De stijging van het aantal soa-infecties, in Nederland en daarbuiten, is zorgelijk.
Eind juni 2026 publiceert het RIVM de Nederlandse data over 2025 en weten we hoe het
aantal diagnoses zich verder ontwikkelt.
De ECDC roept mensen op condooms te gebruiken bij nieuwe of meerdere partners en raadt
mensen aan te testen bij symptomen. Bij deze oproep sluit het kabinet zich aan. Op
18 juni 20254 en 28 november 20255 heeft het vorige kabinet de Kamer geïnformeerd over de maatregelen die genomen worden
om de stijging van het aantal soa-infecties tegen te gaan, waaronder een meerjarige
publiekscommunicatie-aanpak om condoomgebruik onder jongeren te stimuleren.
Vraag 3
Deelt u de mening dat preventie essentieel is om de druk op de zorg en de maatschappelijke
gevolgen van soa’s te beperken? Welke aanvullende maatregelen acht u noodzakelijk?
Antwoord 3
Preventie en gezondheidsbevordering zijn uiteraard heel belangrijk om problemen met
de seksuele gezondheid te voorkomen. Daarom is dit ook onderdeel van het kabinetsbeleid6 op dit terrein. Het kabinet investeert op verschillende manieren in het bevorderen
van de seksuele gezondheid. Bijvoorbeeld door kenniscentra voor seksuele- en reproductieve
gezondheid te subsidiëren. Zij zorgen voor toegankelijke informatie over seksuele
gezondheid en soa’s. Het kabinet biedt via expertisecentrum Rutgers handvatten aan
ouders bij de relationele en seksuele
opvoeding en helpt scholen via Gezonde School bij de relationele en seksuele vorming.
GGD’en bieden aanvullende seksuele gezondheidszorg waarbinnen ook veel aandacht wordt
besteed aan preventie.
Aanvullend op bovenstaand beleid heeft het kabinet nieuwe maatregelen aangekondigd.7 Dankzij het Aanvullend Zorg en Welzijn Akkoord (AZWA)8 komt er per 2027 structureel meer geld beschikbaar voor aanvullende soa-zorg via
de GGD’en. Dit jaar wordt daarnaast gestart met de uitvoering van een meerjarige publiekscommunicatie-aanpak
om het condoomgebruik te stimuleren. Ook wordt verkend of een verduidelijking van
de wettelijke taak van gemeenten op het gebied van seksuele gezondheidsbevordering
mogelijk is en worden de mogelijkheden om te komen tot een regionale ketenaanpak seksuele
gezondheid onderzocht.
Vraag 4
Deelt u de zorg dat jongeren steeds vaker worden blootgesteld aan online desinformatie
over hormonale anticonceptie, condoomgebruik, vaccinaties en vruchtbaarheid? Zo nee,
waarom niet?
Antwoord 4
Ja, het kabinet vindt het zorgelijk dat mensen, in het bijzonder jongeren, in toenemende
mate worden blootgesteld aan onjuiste of misleidende informatie over gezondheidsonderwerpen.9 Hierdoor kunnen zij onbedoeld keuzes maken die schadelijk zijn voor hun gezondheid.
Vraag 5
In welke mate herkent u het beeld dat sociale media en influencers bijdragen aan wantrouwen
tegenover bewezen veilige anticonceptiemiddelen, onder andere door het verspreiden
van onbewezen claims dat hormonen «vergif» zouden zijn of dat condooms «onnatuurlijk»
zijn?
Antwoord 5
Dit beeld is helaas herkenbaar. De expertisecentra Fiom en Rutgers werken samen aan
een project over des- en misinformatie op het terrein van de reproductieve gezondheid.
Als onderdeel van dit project is onderzoek gedaan naar online informatie over hormonale
anticonceptie en de mogelijke invloed daarvan op kennis, opvattingen en keuzes voor
een bepaalde vorm van anticonceptie.10 Uit dit onderzoek blijkt dat online des- en misinformatie over hormonale anticonceptie
op verschillende manieren kan bijdragen aan wantrouwen tegen betrouwbare anticonceptiemethoden.
Zo kunnen sociale mediaplatforms via algoritmen vooral informatie tonen aan gebruikers
die aansluit bij bestaande overtuigingen. Daardoor komen mensen vaker in aanraking
met dezelfde soort boodschappen en worden onjuiste claims minder snel gecorrigeerd.
Het onderzoek laat ook zien dat online informatie over hormonale anticonceptie vaak
eenzijdig negatief is en dat er veel nadruk wordt gelegd op mogelijke bijwerkingen,
terwijl voordelen minder aandacht krijgen. Ook blijken er online onjuiste claims te
circuleren, zoals de bewering dat de pil tot onvruchtbaarheid zou leiden en dat zogenoemde
natuurlijke methoden veiliger of gezonder zijn.
Tegelijkertijd vraagt het onderzoek om nuance. Blootstelling aan misinformatie leidt
niet automatisch tot onjuiste overtuigingen. En reproductieve keuzes worden beïnvloed
door een samenspel van persoonlijke, sociale en maatschappelijke factoren.
Vraag 6
Welke concrete acties onderneemt het kabinet momenteel om desinformatie over anticonceptie
en seksuele gezondheid tegen te gaan, specifiek gericht op jongeren?
Antwoord 6
De expertisecentra Fiom, Soa Aids Nederland en Rutgers werken aan het tegengaan van
onjuiste informatie over reproductieve en seksuele gezondheid. Zij voorzien zowel
hun doelgroepen als de beroepsprofessionals die met deze doelgroepen werken van betrouwbare
informatie over anticonceptie en seksuele gezondheid. Dit doen zijn via hun verschillende
websites11, folder- en informatiemateriaal en via sociale media.
Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 5 werken Fiom en Rutgers gezamenlijk aan
een project dat zich richt op het tegengaan van online mis- en desinformatie over
anticonceptie, onbedoelde zwangerschap en abortuszorg. Fase 1 van dit project omvatte
een onderzoek12 naar de aard, omvang en impact van mis- en desinformatie over anticonceptie, onbedoelde
zwangerschap en abortuszorg. Fase 2 van het project, dat op dit moment loopt, bestaat
uit het ontwikkelen, testen en evalueren van een aantal interventies gericht op het
tegengaan van online mis- en desinformatie. Zo wordt er samengewerkt met influencers
en zorgprofessionals, wordt geëxperimenteerd met het pre- en debunken van informatie
en wordt gedacht aan een speciale online campagne. De resultaten hiervan worden eind
november 2026 verwacht. Fiom en Rutgers zullen de geleerde lessen vervolgens delen
met andere partijen, zodat deze kennis breder kan worden benut. De voortgang van dit
project wordt beschreven in de volgende Kamerbrief over seksuele gezondheid, die aan
het eind van dit jaar naar de Kamer wordt gestuurd.
Vraag 7
Welke aanvullende maatregelen wilt u nemen om jongeren beter te informeren over veilig
vrijen, het belang van condoomgebruik en de risico’s van soa’s?
Antwoord 7
Zoals aangegeven in antwoord op vraag 3 werkt het kabinet op diverse manieren aan
het bevorderen van de seksuele gezondheid. Bijvoorbeeld door expertisecentra voor
seksuele en reproductieve gezondheid (Rutgers en Soa Aids Nederland) te subsidiëren
zodat zij jongeren, en hun ouders en anderen om hen heen, kunnen informeren over beschermde
seks. In de aanvullende seksuele gezondheidszorg door de GGD’en is ook aandacht voor
voorlichting over vellige seks en condoomgebruik. Dankzij het Aanvullend Zorg en Welzijn
Akkoord (AZWA) komt er per 2027 structureel meer geld beschikbaar voor aanvullende
soa-zorg via de GGD’en. Dit jaar wordt daarnaast gestart met de uitvoering van een
meerjarige publiekscommunicatie-aanpak om het condoomgebruik onder jongeren te stimuleren.
Vraag 8
Ziet u aanleiding om publiekscampagnes over condoomgebruik en soa-preventie te intensiveren
nu het aantal besmettingen stijgt? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 8
Ja. Zoals benoemd in het antwoord op vraag 3 en 7 is het kabinet gestart met een meerjarige
aanpak voor publiekscommunicatie ter bevordering van condoomgebruik. Sociale media
worden daarbij ook ingezet. De eerste communicatieve uitingen worden dit najaar verwacht.
Vraag 9
Welke acties onderneemt het kabinet om ervoor te zorgen dat betrouwbare medische informatie
over anticonceptie en seksuele gezondheid beter zichtbaar wordt op sociale media?
Antwoord 9
Expertisecentra Soa Aids Nederland en Rutgers voorzien zowel hun doelgroepen als de
beroepsprofessionals die ook met deze doelgroepen werken van betrouwbare informatie
over reproductieve en seksuele gezondheid. Daarnaast is er Sense. Sense.info is een
platform voor seksuele gezondheid, speciaal gericht op jongeren van 12 tot 25 jaar.
Soa Aids Nederland, Rutgers en Sense zijn actief en zichtbaar op sociale media. Zo
besteedt Sense in korte filmpjes op TikTok aandacht aan onderwerpen zoals condoomgebruik,
consent, soa’s en anticonceptie.
Vraag 10
Welke rol ziet u voor uzelf weggelegd om met grote online platforms in gesprek te
gaan over de rol van algoritmen bij het versterken van medische desinformatie over
anticonceptie en seksuele gezondheid?
Antwoord 10
Het kabinet vindt het onwenselijk dat aanbevelingssystemen (algoritmen) problematische
inhoud versterken, en vindt het daarom belangrijk om in gesprek te blijven met de
internetpartijen, waaronder online platforms. Verschillende departementen treden in
dialoog met verschillende soorten aanbieders in de internetsector, over onder andere
polariserende algoritmen. Dit gebeurt bijvoorbeeld via de publiek-private samenwerking
(PPS) online content moderatie, een overlegplatform tussen de overheid en de internetsector.
Vraag 11
Bent u bereid om gezamenlijk te onderzoeken hoe online algoritmen bijdragen aan gezondheidsrisico’s
door het versterken van desinformatie over anticonceptie, vaccinaties en seksuele
gezondheid?
Antwoord 11
Omdat er al een goed beeld van deze gezondheidsrisico’s bestaat, acht het kabinet
verder onderzoek op dit moment niet nodig. Volgens onderzoek van De Nieuwe Utrechtse
School wijzen verschillende experts erop dat algoritmen een actieve rol spelen in
het verspreiden en versterken van mis- en desinformatie, ook over gezondheidsonderwerpen.13 De invloed van online algoritmen op (des)informatie over anticonceptie, onbedoelde
zwangerschap en abortuszorg is reeds onderzocht door Fiom en Rutgers in hun onderzoek
«Echokamers en filterbubbels».14 Hieruit komt naar voren dat door algoritme-gedreven platforms
kunnen bijdragen aan zogenoemde filter- en informatiebubbels. Volgens de onderzoekers
kan dit leiden tot online omgevingen waarin mensen vooral informatie tegenkomen die
hun bestaande overtuigingen bevestigt en tegengeluiden minder zichtbaar zijn. Daarnaast
versterken algoritme-gedreven platforms sensationele content, een dynamiek die zich
bij alle onderwerpen op sociale media voordoet. Ook wordt benoemd dat de opkomst van
generatieve AI-toepassingen, zoals ChatGPT, het risico met zich meebrengt dat misinformatie
(onbedoeld) wordt gereproduceerd of versterkt wanneer deze systemen gebaseerd zijn
op onjuiste of eenzijdige bronnen.
Kenniscentra benutten deze kennis bij het ontwikkelen en uitvoeren van hun activiteiten.
Vraag 12
Welke mogelijkheden ziet u om influencers en online contentmakers die onbewezen gezondheidsclaims
verspreiden beter aan te pakken of te verplichten duidelijk te waarschuwen wanneer
informatie niet wetenschappelijk onderbouwd is?
Antwoord 12
Door de opkomst van influencers kan het onderscheid tussen reclame, sponsoring en
productplaatsing vervagen. Op dit moment is het niet altijd duidelijk welke regels
van toepassing zijn, met name in relatie tot consumentenwetgeving en de Europese Richtlijn
Audiovisuele Mediadiensten (AVMSD). Het is vooraleerst belangrijk dat influencers
duidelijkheid hebben over welke regels op hen van toepassing zijn, om de naleving
te verbeteren. Het kabinet zet daarom op Europees niveau in op betere regulering van
influencers en heeft zijn standpunt hierover kenbaar gemaakt via een non-paper15 in het kader van de herziening van de AVMSD. Daarnaast pleitte het kabinet in een
non-paper over de Digital Fairness Act (DFA)16 voor duidelijkere regels voor influencers door meer duidelijkheid te geven over de
reikwijdte van de AVMSD en het consumentenrecht. Ook stelde het kabinet voor om in
de EU meer in te zetten op het certificeren van influencers17. Het kabinet kijkt met interesse uit naar de voorstellen van de Commissie op dit
onderwerp.
Ondertekenaars
S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.