Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Stoffer over het bericht "Studie Jiddisch stopt aan Universiteit van Amsterdam"
Vragen van het lid Stoffer (SGP) aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap over het bericht «Studie Jiddisch stopt aan Universiteit van Amsterdam» (ingezonden 18 mei 2026).
Antwoord van Minister Letschert (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) (ontvangen 18 juni
2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 2032
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht «Studie Jiddisch stopt aan Universiteit van Amsterdam»?1
Antwoord 1
Ja, hier ben ik mee bekend.
Vraag 2
Onderkent u dat de kennis en studie van het Jiddisch van groot belang is voor de positie
van de Joodse gemeenschap in Nederland? Vindt u het ook onbestaanbaar dat bij alle
inspanningen om de Joodse gemeenschap te steunen en de kennis van het Joodse leven
te vergroten juist de studie van het Jiddisch in Nederland zou verdwijnen?
Antwoord 2
Binnen de bacheloropleiding Hebreeuwse taal en cultuur bood de Universiteit van Amsterdam
(UvA) de afgelopen vier jaar twee bachelorkeuzevakken en een tutorial (onderwijs op
individuele basis) aan op het gebied van de Jiddische taalverwerving. Deze keuzevakken
werden mogelijk gemaakt vanuit een externe vierjarige financiering. Met het aflopen
daarvan oriënteert de UvA zich momenteel zorgvuldig op de mogelijkheden van een alternatieve
en duurzame opvolging van dit onderwijs. Hierbij is het van belang om te noemen dat
de inhoudelijke expertise op het gebied van het Jiddisch binnen de UvA blijft bestaan.
De begeleiding van onderzoekers en geïnteresseerde studenten bij de bestudering van
bronnen in het Jiddisch is hiermee geborgd.
Vraag 3
Vindt u ook dat deze studie in Nederland beschikbaar dient te blijven, mede gezien
de officiële positie die het Jiddisch in Nederland heeft?
Antwoord 3
De Jiddische taal is door de rijksoverheid erkend onder deel II van het Europees Handvest
voor regionale talen of talen van minderheden. Met de erkenning van een taal onder
deel II verplicht de rijksoverheid zich ertoe om geen belemmerende wet- of regelgeving
aan te nemen. Met erkenning onder deel III, waar bijvoorbeeld de Friese taal onder
valt, verplicht de overheid zich ertoe meerdere artikelen te ratificeren om zo de
taal te beschermen en bevorderen. Voor het Fries geldt daarom dat de overheid de verplichting
heeft voorzieningen te verschaffen voor de bestudering van deze taal in het universitair
onderwijs. Dit geldt niet voor het Jiddisch.
Daarnaast geldt dat volgens de wet universiteiten en hogescholen autonomie hebben
ten aanzien van het starten, stoppen en vormgeven van hun onderwijs en opleidingen.
Vraag 4
Bent u bereid te verkennen hoe voorzien kan worden in een structurele financiering
van het Jiddisch? Ben u in dit kader ook bereid om in samenspraak met instellingen
te onderzoeken hoe de positie van het Jiddisch zodanig kan worden geborgd in regelingen
of afspraken dat sprake is van een toekomstbestendige positie?
Antwoord 4
Hierbij verwijs ik ook naar het antwoord op vraag nummer 3. Zoals daarin aangegeven,
ligt de autonomie ten aanzien van het onderwijsaanbod bij de universiteiten en hogescholen.
Middels de Rijksbijdrage ontvangen de instellingen hiervoor financiering vanuit de
overheid. De UvA heeft mij laten weten zich te oriënteren op het wederom aanbieden
van onderwijs naar het Jiddisch.
Ondertekenaars
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.