Lijst van vragen en antwoorden : Lijst van vragen en antwoorden over het Jaarverslag Klimaatfonds 2025 (Kamerstuk 36945-M-1)
36 945 M Jaarverslag en slotwet Klimaatfonds 2025
Nr. 7
LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 9 juni 2026
De vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei heeft een aantal vragen voorgelegd
aan de Minister van Klimaat en Groene Groei over het Jaarverslag Klimaatfonds 2025
(Kamerstuk 36 945 M, nr. 1).
De Minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 9 juni 2026. Vragen en antwoorden
zijn hierna afgedrukt.
De voorzitter van de commissie, Zwinkels
De griffier van de commissie, Nava
1. Hoe gaat u de transparantie van de Klimaatfondsmiddelen, die nu verspreid zijn
over minimaal zeven ministeries en zes percelen, verbeteren?
2. In hoeverre acht u het wenselijk dat de beleidsverantwoording alleen te reconstrueren
is door meerdere jaarverslagen van verschillende ministeries te combineren?
3. Op welke wijze wordt in de toekomst voorkomen dat de Kamer afhankelijk is van een
combinatie van verschillende documenten (fondsjaarverslag, departementale jaarverslagen,
KEV, KEN en Miljoenennota) om één maatregel volledig te kunnen volgen?
4. Hoe wordt geborgd dat de Kamer een volledig en geconsolideerd overzicht krijgt
van uitgaven én resultaten per perceel?
Antwoord 1 t/m 4
Het Klimaat- en energiefonds (KEF) is een overhevelingsfonds waarbij de middelen worden
overgeboekt naar departementale begrotingen. De verdeling van middelen uit het KEF
wordt jaarlijks weergegeven in het Meerjarenprogramma (MJP) KEF. Het MJP geeft een
overzicht van alle maatregelen die bij het KEF zijn ingediend. Ook bevat het MJP een
toelichting op de besluitvorming. Eveneens is zichtbaar welke bedragen in eerdere
jaren zijn toegekend, waarmee zo transparant mogelijk wordt gemaakt hoe en waaraan
middelen uit het KEF worden uitgekeerd. Het jaarverslag van het fonds geeft achteraf
de realisatie van de overboekingen naar departementale begrotingen weer. De Klimaat-
en energienota wordt gelijktijdig met de Miljoenennota gepubliceerd en geeft integraal
inzicht in het gehele klimaat- en energiebeleid, dus breder dan alleen de maatregelen
die gefinancierd worden uit het KEF. Het PBL stelt onafhankelijk de Klimaat- en energieverkenning
(KEV) op.
Departementen zijn zelf verantwoordelijk voor de besteding van de budgetten, waaronder
de KEF-middelen, en daarom wordt de realisatie van KEF-middelen, conform de Comptabiliteitswet
(CW) 2016, op de afzonderlijke begrotingen weergegeven. De begrotingsstukken (zoals
de jaarverslagen) zijn gebonden aan de Rijksbegrotingsvoorschriften (RBV). Dit betekent
echter wel dat de verantwoording van KEF-middelen in meerdere stukken wordt weergegeven.
De cijfermatige verantwoording vindt zowel plaats in het jaarverslag van het fonds
als van de departementale begrotingen. De beleidsmatige verantwoording vindt enkel
plaats bij de beleidsverantwoordelijke departementen die de maatregelen uitvoeren.
De Minister van KGG is verantwoordelijk voor een rechtmatige, doelmatige en doeltreffende
verdeling van de middelen uit het Klimaat- en energiefonds. De toelichting van dat
proces is te vinden in het MJP. De uitvoering van de maatregelen ligt bij verschillende
departementen.
Om de besteding van KEF-middelen transparanter te maken en te centreren zal er in
het volgende jaarverslag van specifiek het KEF in de bijlage ook de stand van de ontwerpbegroting,
de realisatie en onderuitputting duidelijker getoond worden zodat deze informatie
op één centrale plek wordt gepresenteerd1. Bij de evaluatie van het Klimaat- en energiefonds zal aandacht worden geschonken
aan de verantwoording over uitgaven van het KEF. Deze evaluatie wordt in de loop van
2027 afgerond.
5
Waarom ontbreekt in veel gevallen een directe koppeling tussen uitgaven, beleidsresultaat
en o.a. CO2-effect, en hoe gaat u deze koppeling verbeteren?
Antwoord
Het Meerjarenprogramma KEF biedt inzicht in de uitgaven van het KEF en is breder dan
de financiële weergave in de ontwerpbegroting. Dit document gaat onder andere in op
het verwachte CO2-effect, dat een van de criteria is waar ingediende maatregelen op worden beoordeeld.
Aangezien maatregelen uit het KEF vaak gelinkt zijn aan normerende en/of beprijzende
maatregelen en integraal bezien moeten worden met het oog op de doelen voor 2030 en
2050, is het lastig om per maatregel aan te geven tot hoeveel daadwerkelijke CO2-reductie een maatregel individueel heeft geleid. In de Klimaat- en energienota geeft
het kabinet (op basis van de KEV van het PBL) een overzicht van de uitvoering van
het klimaat- en energiebeleid, inclusief de verwachte emissiereductie van maatregelen
in de verschillende klimaatsectoren. Evaluatie van een beleidsmaatregel vindt gebruikelijk
enkele jaren nadat de uitvoering is gestart plaats. Veel maatregelen met middelen
uit het KEF zijn hierdoor nog niet geëvalueerd.
6
Hoe wordt voorkomen dat verantwoording hoofdzakelijk financieel is en minder gericht
op effect?
Antwoord
De verantwoording van maatregelen in jaarverslagen zijn hoofdzakelijk financieel,
omdat deze gebonden is aan de Rijksbegrotingsvoorschriften en de Comptabiliteitswet.
In het antwoord op vraag 1 is aangegeven dat in het MJP, naast de financiële verantwoording,
inzicht wordt gegeven in de overwegingen die een rol speelden bij de toekenning van
middelen. Om de besteding van KEF-middelen transparanter te maken en te centreren
zal er in het volgende jaarverslag van specifiek het KEF in de bijlage ook de stand
van de ontwerpbegroting, de realisatie en onderuitputting duidelijker getoond worden
zodat deze informatie op één centrale plek wordt gepresenteerd2. Daarnaast voeren alle departementen periodieke beleidsevaluaties uit, zie ook de
Strategische Evaluatie Agenda’s in de ontwerpbegrotingen. Alle klimaat- en energiemaatregelen
worden in samenhang bezien en doorgerekend in de jaarlijkse Klimaat- en energieverkenning
(KEV) van het PBL, waaruit blijkt wat het gezamenlijke effect van het beleid is. Tot
slot is voorafgaand aan het nieuwe Klimaatplan 2025–2035 een evaluatieonderzoek naar
doeltreffendheid en doelmatigheid van het klimaatbeleid uitgevoerd door CE Delft,
en een lerende evaluatie van het klimaatbeleid uitgevoerd door PBL3. In lijn met de aanbevelingen die in het evaluatieonderzoek zijn gedaan is er in
het beleid bijv. ook meer aandacht voor het verankeren van langetermijnvisie- en beleidsvorming
bij overheden (bijvoorbeeld via de transitiepaden), het evalueren van normerende instrumenten,
en wordt aanvullend op doelmatigheid en doeltreffendheid ook bezien hoe geëvalueerd
kan worden op uitkomsten van beleid uit oogpunt van (principes van) rechtvaardigheid.
7
Welke concrete stappen worden gezet om de eerdere aanbevelingen van de Rekenkamer
(2019 en 2023) over uniforme registratie en digitale ontsluiting van klimaatuitgaven
alsnog volledig te implementeren?
Antwoord
Zoals toegelicht in de kabinetsreactie van 2 juni 2023 op het onderzoek van de Rekenkamer
heeft het kabinet een uniforme definitie opgesteld van wat telt als klimaatuitgaven.
In de begroting van EZK/KGG wordt op basis hiervan een leidend totaaloverzicht samengesteld.
Dit overzicht wordt tevens opgenomen in bijlage 12 Integraal Overzicht Klimaat in
de Miljoenennota en in de Klimaat- en energienota.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.M. Zwinkels, voorzitter van de vaste commissie voor Klimaat en Groene Groei -
Mede ondertekenaar
D.S. Nava, griffier