Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden : Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden
36 945 VIII Jaarverslag en slotwet Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap 2025
Nr. 8
VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 9 juni 2026
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het voorbereidend
onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm
van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.
De vragen zijn op 27 mei 2026 voorgelegd aan de Minister van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap. Bij brief van 9 juni 2026 zijn ze door de Minister van Onderwijs, Cultuur
en Wetenschap beantwoord.
Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van
het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
De voorzitter van de commissie, Koorevaar
Adjunct-griffier van de commissie, Van Thiel
1. Welke ontwikkelingen verklaren de verhoging van € 0,6 miljoen in de uitgaven binnen
artikel 14 Cultuur?
Het verschil van € 0,6 miljoen is het verschil van de gerealiseerde uitgaven ten opzichte
van de raming van de uitgaven aan artikel 14 Cultuur bij de Tweede suppletoire begroting
van najaar 2025. Het verschil van € 0,6 miljoen is het per saldo verschil van alle
budgetten van artikel 14. Op sommige budgetten is er meer gerealiseerd dan geraamd,
op andere budgetten is er minder gerealiseerd dan geraamd. De gerealiseerde uitgaven
waren daarmee 0,4 promille hoger dan die raming. Het is niet mogelijk bij de Tweede
suppletoire begroting de uitgaven voor het lopende jaar tot op de laatste euro te
voorzien, dat verklaart waarom de uitgaven niet exact gelijk zijn aan de raming.
2. Welke ontwikkelingen verklaren de verhoging van € 2,0 miljoen in de ontvangsten
binnen artikel 14 Cultuur?
In onderstaande tabel zijn de onderwerpen en bedragen vermeld die per saldo hebben
geleid tot de verhoging van (afgerond) € 2 miljoen.
3. Welke overwegingen liggen ten grondslag aan de verschuiving van de verplichting
voor het Jeugdeducatiefonds (JEF) van € 49,4 miljoen die nu begin 2026 in plaats van
eind 2025 wordt aangegaan?
De verlenging van de projectsubsidie voor het Jeugdeducatiefonds (JEF) heeft wat vertraging
opgelopen. Deze is daardoor begin 2026 beschikt en verplicht in plaats van eind 2025.
Daarom is het verplichtingenbudget verschoven van 2025 naar 2026. Deze verschuiving
van verplichtingen heeft geen invloed gehad op de kasruimte in 2025 en 2026. Dit heeft
dus ook geen gevolgen gehad voor het Jeugdeducatiefonds.
4. Welke lessen trekt u voor de komende jaren uit de verlaging van de subsidieregeling
Maatschappelijke Diensttijd (MDT) vanwege een aantal betalingen van eerdere MDT subsidieregelingen
die in 2025 waren gepland en dat niet alle ingediende aanvragen voor MDT 2025 konden
voldoen aan de gestelde financiële voorwaarden?
Voor de regeling MDT 2026 zijn de uitbetalingen van de subsidie directer gekoppeld
aan de jaren waarin de middelen op de OCW-begroting staan. Hierdoor zal het minder
snel voorkomen dat middelen in een ander jaar moeten worden verstrekt dan de middelen
op de OCW-begroting staan. Daarnaast zijn in de regeling MDT 2026 een aantal aanpassingen
doorgevoerd in de financiële voorwaarden. Zo is het mogelijk om een garantsteller
uit het MDT-partnerschap voor te dragen bij ontbrekend werkkapitaal van de penvoerder.
Met deze aanpassingen sluit de toets op de financiële gezondheid van de aanvrager
beter aan bij organisaties die MDT willen aanbieden.
5. Hoe verklaart u de vertragingen in de uitvoering van onderwijshuisvesting in Caribisch
Nederland?
De bouwprojecten in Caribisch Nederland worden uitgevoerd in eigen beheer van de drie
openbare lichamen. Bouwprojecten lopen vertraging op door een combinatie van personeelstekorten,
geldgebrek, besluitvorming en een beperkte aannemersmarkt. De beperkte omvang van
de eilanden maakt dat de genoemde risico’s daar een groter effect hebben.
6. Hoe verklaart u het lagere aantal aanvragen op de regelingen zij-instroom en lerarenbeurs
dan begroot?
Er was bij het begroten van het budget voor deze regelingen ruimte gereserveerd voor
een stijging in de jaarlijkse aanvragers. Het aantal aanvragers is echter vrijwel
gelijk gebleven ten opzichte van eerdere jaren.
7. Hoe komt het dat de verplichtingen die in de rest van het jaar nog zouden worden
aangegaan voor het Programma Leesbevordering zozeer te ruim werden geraamd, in een
tijd dat de leesbevordering nog altijd keiharde noodzaak is?
De verplichting die voor de rest van het jaar zou worden aangegaan bleek te hoog geraamd
en is in de administratie naar beneden bijgesteld. Dat hield verband met de beschikking
die al in 2024 voor meerdere jaren is afgegeven aan de stichting die het programma
de Bibliotheek op School uitvoert. De aanpassing van de raming betreft dus enkel de
timing van het aangaan van de verplichting. Voor de daadwerkelijke uitgaven ten behoeve
van de leesbevordering heeft dit geen consequenties gehad.
8. Wat verklaart het verschil van € 36,3 miljoen tussen de geraamde en gerealiseerde
verplichtingen binnen artikel 14 Cultuur?
De € 36,3 miljoen is het saldo van de verhogingen en verlagingen op de verschillende
financiële instrumenten. Op het instrument bekostiging zit de voornaamste verlaging
van de verplichtingen op het budget voor de bekostiging van de monumentenzorg en de
bekostiging van de rijkscultuurfondsen. Zie ook het antwoord op vraag 12. Op het instrument
subsidies zit de voornaamste verlaging van de verplichtingen op het budget van de
subsidies leesbevordering. Zie ook het antwoord op vraag 7.
9. Welke culturele verplichtingen zijn uiteindelijk niet aangegaan in 2025?
De lagere realisaties bij de verplichtingen zijn vooral te vinden bij de budgetten
voor de bekostiging van de monumentenzorg (€ 25,2 miljoen, zie ook het antwoord op
vraag 12), de bekostiging van de rijkscultuurfondsen (€ 21,1 miljoen, zie ook het
antwoord op vraag 12), subsidies leesbevordering (€ 16,7 miljoen, zie ook het antwoord
op vraag 7) en het subsidiebudget voor de regeling amateurkunsten (€ 9,1 miljoen,
zie ook het antwoord op vraag 17). Voor deze onderwerpen was dus rekening gehouden
met meer aan te gane verplichtingen in 2025 dan daadwerkelijk werden aangegaan.
10. Welke verplichtingen zijn doorgeschoven naar latere jaren?
Voor de regeling amateurkunsten zijn de voor de jaren 2026–2028 aan te gane verplichtingen
doorgeschoven van 2025 naar latere jaren (€ 9,1 miljoen). De jaarlijkse uitgavenramingen
voor deze regeling blijven ongewijzigd.
11. Waarom bleek de raming voor het Programma Leesbevordering € 16,7 miljoen hoger
dan uiteindelijk noodzakelijk?
De reden hiervan is gelegen in het feit dat de verplichting voor de uitgave in 2024
is aangegaan met een beschikking voor de periode 2024–2025. Hierdoor is het geraamd
bedrag aan verplichtingen voor 2025 niet nodig geweest voor dit doel. De uitgaven
aan het Programma Leesbevordering zijn voor de jaren 2024 en 2025 geborgd.
12. Welke onderdelen betroffen de verlagingen van € 25,2 miljoen en € 21,1 miljoen?
De verlaging van € 25,2 miljoen betreft de Subsidieregeling Instandhouding Monumenten
(SIM). De raming van de financiële verplichtingen rond deze Regeling is ingewikkeld,
mede vanwege de gehanteerde t+5 systematiek en dat hier in sommige van kan worden
afgeweken. Een overschrijding van de raming is onrechtmatig. Om die reden wordt ruim
geraamd en blijft er vaak een deel van de raming onbenut. Dit betreft enkel de verplichtingen
en heeft geen invloed op de daadwerkelijke uitgaven aan de regeling.
De verlaging van € 21,1 miljoen betreft de bekostiging van de rijkscultuurfondsen.
Het is een lagere bijstelling van de geraamde financiële verplichtingen van deze instellingen.
Dit betreft enkel de verplichtingen en heeft geen consequenties voor de daadwerkelijke
uitgaven.
13. Waarom vielen de verplichtingen voor bekostiging € 46,9 miljoen lager uit dan
geraamd?
Dit wordt grotendeels veroorzaakt door de te hoge ramingen die zijn toegelicht in
het antwoord op vraag 12.
14. Hoe kan het dat verplichtingen voor artikel 14 oorspronkelijk hoger waren geraamd
dan uiteindelijk gerealiseerd?
Het ramen van verplichtingen is bij het begrotingsartikel 14 Cultuur complex, doordat
er verschillende stelsels en regelingen van toepassing zijn met elk hun eigen verplichtingendynamiek
(zoals voor een jaar verplichten in het jaar t, voor een jaar verplichten in het jaar
t-1, vierjaarlijkse verplichtingen en maatwerkverplichtingen die diverse looptijden
kunnen hebben). Verplichtingenramingen worden zo goed mogelijk voorbereid, maar het
blijven ramingen: soms wordt door omstandigheden anders gehandeld dan was voorzien
en wordt bijvoorbeeld een verplichting die voor een periode van vier jaar zou worden
verplicht toch maar voor één jaar verplicht. Het overschrijden van de verplichtingenraming
is onrechtmatig. Om die reden wordt bij onzekerheden de raming van het onzekere onderdeel
vastgesteld op het bedrag dat voor dat onderdeel naar verwachting maximaal nodig is.
Aanpassing van verplichtingenramingen vanwege onzekerheid over het moment waarop een
verplichting wordt aangegaan, heeft geen invloed op de uitgavenramingen of realisaties.
15. Welke gevolgen heeft deze lagere verplichting voor de uitvoering van leesbevorderingsprogramma’s?
De lagere verplichtingen hebben geen invloed gehad op de daadwerkelijke uitgaven en
op de uitvoering van de leesbevorderingsprogramma’s.
16. Hoe verhoudt de ontwikkeling van de middelen voor leesbevordering zich tot de
ambitie om lezen en bibliotheken te versterken?
De middelen voor het programma leesbevordering die beschikbaar waren in 2025 zijn
aangewend om het lezen te bevorderen en de bibliotheken te versterken.
17. Waarom werd in de raming uitgegaan van een vierjarige verplichting voor de regeling
amateurkunsten, terwijl de beschikking uiteindelijk alleen betrekking had op 2025?
Bij het opstellen van een raming bestaan onzekerheden. Zoals vermeld in het antwoord
op vraag 14, wordt in zo’n geval gekozen voor het ramen van het bedrag dat naar verwachting
maximaal nodig is. In het geval van de raming rond de regeling amateurkunsten werd
in eerste instantie uitgegaan van het scenario waarin de verplichting voor vier jaar
zou worden aangegaan in het jaar 2025. In de uitvoering werd, in overleg met het Fonds
Cultuurparticipatie, IPO en de provincies, besloten de regeling op te knippen in een
regeling voor 2025 en een vervolgregeling voor de periode 2026–2028. Op deze manier
zijn de provincies in staat de benodigde matching in hun begroting te verwerken en
de regeling organisatorisch uit te voeren.
18. Welke gevolgen heeft deze wijziging voor amateurkunstorganisaties?
De wijziging heeft financieel geen gevolgen voor amateurkunstorganisaties. Het te
ontvangen bedrag per jaar blijft hetzelfde. Wel dienen aanvragers per regeling een
aanvraag in, in plaats van een keer voor vier jaar.
19. Hoe sluit de ontwikkeling van middelen voor amateurkunsten aan bij de ambitie
om cultuurparticipatie te versterken?
Dat in 2025 geen vierjarige verplichting is aangegaan, heeft geen invloed op de middelen
die beschikbaar zijn en blijven voor cultuurparticipatie en de daarop aansluitende
ambities.
20. Waaruit bestaat het positieve saldo van € 38,5 miljoen aan verleende en vervallen
garanties?
Dit saldo van € 38,5 miljoen bestaat uit nieuw aangegane garanties (verleende) van
€ 77,0 miljoen en vervallen garanties van € 38,5 miljoen.
21. Welke culturele instellingen of regelingen vallen onder deze garanties?
Op artikel 14 Cultuur wordt een drietal garantieregelingen verantwoord;
1. Garanties in het kader van de Indemniteitsregeling.
Deze regeling is bedoeld voor museale instellingen. Het doel van de regeling is een
bijdrage te leveren aan het realiseren van tentoonstellingen van bijzonder belang
of het tentoonstellen van bijzondere bruiklenen in Nederland. Dit doel wordt bereikt
door het beperken van de verzekeringskosten van musea.
2. Garanties in het kader van de Achterborgregeling van het Nationaal Restauratiefonds
(NRF). Het NRF verstrekt hypothecaire leningen aan eigenaren van rijksmonumenten.
Door de garantie vanuit OCW kan het NRF financiering tegen een lagere rente aantrekken
en doorberekenen.
3. Garanties in het kader van schatkistbankieren.
Musea met een wettelijke taak kunnen, onder voorwaarden, leningen tegen een lagere
rente afsluiten bij het Ministerie van Financiën (schatkist) voor de aankoop, nieuwbouw
en/of renovatie van museumpanden. OCW staat voor deze leningen garant.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.C. Koorevaar, voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede ondertekenaar
M. Verhoev, griffier
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.