Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Beckerman, Jimmy Dijk en Dobbe over het bericht 'NVWA: Maatregelen nodig tegen speelgoed met hoge concentraties asbest, controleer alles waar zand in zit'
Vragen van de leden Beckerman, Jimmy Dijk en Dobbe (allen SP) aan de Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat over het bericht «NVWA: Maatregelen nodig tegen speelgoed met hoge concentraties asbest, controleer alles waar zand in zit» (ingezonden 10 april 2026).
Antwoord van Minister Hermans (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) (ontvangen 26 mei
2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026, nr. 1755.
Vraag 1
Bent u bekend met het bericht dat inmiddels ook de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit
(NVWA) asbest in speelzand gevonden heeft en erop wil gaan toezien dat alle bedrijven
zich aan de wettelijke norm houden?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Bent u het er mee eens dat voorkomen moet worden dat in de toekomst nog speelgoed
met concentraties asbest in Nederland verkrijgbaar is? Zo ja, wat gaat u doen om hiervoor
te zorgen?
Antwoord 2
Het is belangrijk dat consumenten erop kunnen vertrouwen dat de producten die zij
kopen veilig zijn. Om te voorkomen dat speelgoed met asbest op de markt komt, gaat
de NVWA in gesprek met de branche en ondernemers om hen erop te wijzen hoe ze aan
de gestelde eisen van speelzand kunnen voldoen, door de opgedane kennis en ervaring
met de analysetechnieken van asbest in speelzand actief te delen met de branche.
Fabrikanten en importeurs hebben de verplichting om te (laten) controleren of hun
product veilig is. Die verplichting kunnen ze nakomen door een controle uit te (laten)
voeren op het veiligheidsdossier van het product. In het veiligheidsdossier, dat door
de fabrikant van het consumentenproduct met speelzand is opgesteld, moet worden aangetoond
dat het product voldoet aan Europese veiligheidsvoorschriften. De NVWA ziet erop toe
dat de wet- en regelgeving voor deze producten wordt nageleefd.
Vraag 3
Wat vindt u ervan dat de NVWA geen advies geeft over of speelzand dat de afgelopen
maanden door kinderdagverblijven, scholen en huishoudens opgeborgen is in afwachting
van het onderzoek, weer gebruikt mag worden?
Antwoord 3
De rol van de NVWA is die van een onafhankelijk toezichthouder. Het onderzoek van
de NVWA laat zien welke producten wel en niet aan de producteis voldoen. Het is aan
kinderopvangcentra, scholen en huishoudens om te bepalen welk speelgoed zij gebruiken.
Het advies van de brancheverenigingen in de kinderopvang is om geen speelzand meer
te gebruiken.
Vraag 4
Wat vindt ervan dat de NVWA zegt dat iedereen «zijn eigen afweging» moet maken, maar
daarbij zelf aangeeft dat het moeilijk is om vast te stellen welke producten veilig
zijn?
Antwoord 4
Zoals aangegeven in het vorige antwoord bepalen de kinderopvangcentra, scholen en
huishoudens zelf of ze dit speelgoed gebruiken. Er zijn diverse acties ondernomen
die eraan bijdragen dat de kans nog verder afneemt dat consumenten een onveilig product
kopen. Zo is inmiddels de lijst openbaar gemaakt waarin de resultaten van de onderzochte
productmonsters staan vermeld. Daarnaast deelt de NVWA de opgedane kennis en ervaring
met de analysetechnieken van asbest in speelzand met de branche. Tot slot kunnen consumenten
bij de importeur of distributeur navragen of het product veilig is.
Vraag 5
Bent u het er mee eens dat de resultaten van het NVWA-onderzoek met alle voorzichtigheid
geïnterpreteerd moeten worden, gezien het om steekproefsgewijs onderzoek gaat en andere
onderzoeken (door het AD en in Duitsland) wel zorgwekkende hoeveelheden asbest geconstateerd
hebben in geteste producten die ook in Nederland beschikbaar zijn? Zo nee, waarom
niet?
Antwoord 5
De NVWA heeft een uitgebreid onderzoek uitgevoerd dat zoveel als mogelijk representatief
is voor de markt in Nederland. Marktverkenningen zijn altijd steekproeven en het is
onmogelijk om alle producten op de markt te controleren.
De juiste onderzoeksmethode is beschreven in het advies van TNO: «Asbestos in play
sand». Het onderzoek van de NVWA is volgens die methode uitgevoerd.
Vraag 6
Bent u het er mee eens dat het advies van de NVWA aan consumenten om een eigen afweging
te maken en daarbij te verwijzen naar de lijst met producten die de NVWA onderzocht
heeft, die nog niet beschikbaar gemaakt is, onvoldoende is en dat het opvolgen van
dit advies er alsnog toe kan leiden dat kinderen in aanraking komen met producten
met hoge hoeveelheden asbest? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 6
De rol van de NVWA is die van een onafhankelijk toezichthouder. Kinderopvang-centra,
scholen en huishoudens bepalen zelf of ze dit speelgoed willen gebruiken.
Uit het onderzoek van de NVWA blijkt dat slechts een beperkt aantal monsters asbest
bevatten boven de geldende norm. De NVWA concludeert dat het aannemelijk is dat de
geschatte levensgemiddelde blootstelling beneden het maximaal toelaatbare risiconiveau
blijft.
Bovendien zijn de namen van de producten, waarvan de hoeveelheid asbest in het onderzochte
monster boven de geldende norm uitkwam, direct openbaar gemaakt en van de markt gehaald.
Vraag 7
Hoe kan het dat na het lange wachten op de uitkomst van het NVWA-onderzoek, de publicatie
van de resultaten van dat onderzoek, inclusief de lijst met asbesthoudende producten,
nu wederom tot wel twee weken op zich laat wachten?
Antwoord 7
Dit heeft te maken met het feit dat voor openbaarmaking een vastgestelde zienswijze-procedure
gevolgd moet worden. Deze procedure duurt zo’n 2 weken. Gezien het belang van snelle
publicatie van het NVWA-onderzoek, is ervoor gekozen om deze twee documenten afzonderlijk
van elkaar te publiceren.
Vraag 8
Bent u bereid stappen te ondernemen om de wet dusdanig aan te passen dat de NVWA ook
kan handhaven op basis van onderzoek van derden mits de onderzoeken zijn uitgevoerd
door in Nederland geaccrediteerde laboratoria? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 8
Nee. Zoals eerder geantwoord op uw vragen van 13 maart 2026 (Handelingen II 2025/26,
nr. 1663) is het van belang dat onderzoek van de NVWA boven elke twijfel verheven is. Het
gaat bijvoorbeeld om bemonstering, monsteropslag en voorbehandeling door beëdigde
inspecteurs. Bij onderzoek dat niet door de NVWA is uitgevoerd, is dit niet gegarandeerd.
Vraag 9
Bent u het er mee eens dat er een duidelijke asbestnorm moet komen en dat bedrijven
hun producten voortaan verplicht moeten laten testen? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 9
Het kabinet is het ermee eens dat er een duidelijke asbestnorm voor speelgoed moet
komen. Zoals eerder geantwoord op uw eerdere Kamervragen (Handelingen II 2025/26,
nr. 1660) zet het kabinet zich daarom in Europees verband in op aanscherping van de norm voor
asbest in speelgoed.
Bedrijven zijn verplicht om aan de wettelijke eisen te voldoen en moeten dit ook kunnen
aantonen. Het is echter niet aan het kabinet om te bepalen hoe bedrijven dit bereiken.
Daarom kiest het kabinet niet voor een testverplichting.
Vraag 10
Welke rol kan en moet de NVWA hier volgens u in spelen naast het wijzen van de bedrijven
op hun eigen verantwoordelijkheid?
Antwoord 10
Naast de controlerende toezichtactiviteiten van de NVWA, om de naleving te vergroten,
zal de NVWA de opgedane kennis en ervaring met de analysetechnieken van asbest in
deze producten actief delen met de branche. Bij eventuele nieuwe ontwikkelingen op
dit gebied, wordt informatie daarover onder de branche verspreid. Daarbij verwacht
de NVWA van de betreffende speelgoedbedrijven een proactieve houding om ook via andere
informatiebronnen dan de NVWA op de hoogte te blijven van de meest recente relevante
wetenschappelijke ontwikkelingen.
Vraag 11
Heeft de NVWA voldoende capaciteit om erop toe te zien dat alle importeurs en fabrikanten
hun producten op asbest gaan testen volgens de meest betrouwbare testmethode? Zo nee,
wat gaat u doen om te zorgen voor voldoende capaciteit?
Antwoord 11
Zoals eerder geantwoord op uw Kamervragen van 13 maart 2026 (Handelingen II 2025/26,
nr. 1663) zijn producenten en handelaren zelf verantwoordelijk voor het op de markt brengen
van veilige producten. Dit is niet nieuw en is in Nederland geregeld op basis van
de Warenwet en in EU-verband via, onder andere, de Algemene Productveiligheidsverordening.
De NVWA ziet toe op de naleving van deze wetten. Uiteraard vindt het kabinet dat de
NVWA voldoende middelen moet hebben om toezichttaken uit te voeren. Hiervoor stelt
VWS in 2026 € 157 mln. beschikbaar. De taken op het terrein van productveiligheid
maken hier onderdeel van uit. Jaarlijks wordt een gezamenlijke afweging gemaakt hoe
deze middelen het meest doelmatig ingezet kunnen worden.
Vraag 12
Wat gaat u doen om ervoor te zorgen dat er een duidelijke asbestnorm in de Europese
speelgoedrichtlijn wordt opgenomen, zoals de NVWA adviseert?
Antwoord 12
Het kabinet heeft het RIVM opdracht gegeven een voorstel te doen voor een norm voor
asbest in speelzand. Nederland zet zich in Europees verband in voor aanscherping van
de grenswaarde. In samenwerking met Europese landen wordt verder gewerkt aan een verbetering
van de normen voor speelgoed.
Vraag 13
Hoe gaat u deze asbestnorm vormgeven en zet u daarbij de veiligheid van kinderen voorop,
gelet op de uitspraak van het RIVM dat asbest in speelzand in elke hoeveelheid onwenselijk
is en dat er geen absoluut veilige grens is?
Antwoord 13
De EU heeft enkele van de strengste veiligheidseisen voor speelgoed en zet de veiligheid
van kinderen altijd voorop. Het kabinet onderschrijft dit. Daarom heeft het kabinet
het RIVM opdracht gegeven een voorstel te doen voor een norm voor asbest in speelzand.
Nederland zal zich in samenwerking met andere landen inzetten voor aanscherping van
de grenswaarde.
Vraag 14
Bent u bereid zich samen met andere landen in te zetten voor een aanpassing van Europese
wetgeving die fabrikanten en importeurs van minerale producten die van nature asbest
kunnen bevatten zoals (speel)zand, natuursteen, talk, enzovoort, opdraagt om voortaan
middels representatieve analyses door geaccrediteerde Europese laboratoria aan te
tonen dat producten daadwerkelijk asbest vrij zijn? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 14
Nee. Zoals eerder aangegeven zijn producenten en handelaren zelf verantwoordelijk
voor het op de markt brengen van veilige producten. Hoe zij invulling geven aan deze
verantwoordelijkheid is aan henzelf. De NVWA houdt toezicht op de naleving van deze
wettelijke verantwoordelijkheid.
Vraag 15
Bent u bereid zich samen met andere landen binnen de EU in te spannen om landen met
gelijkaardige wet- en regelgeving voor asbest, zoals Australië en Nieuw-Zeeland, te
laten aansluiten op het EU-meldsysteem voor producten die in strijd met de wet op
de markt worden gebracht, zodat wanneer deze landen asbest aantreffen in producten
ook de EU-lidstaten gewaarschuwd worden?
Antwoord 15
Het EU-meldsysteem voor consumentenproducten maakt het mogelijk snel informatie te
verstrekken over maatregelen tegen gevaarlijke non-foodproducten onder de nationale
toezichthouders die verantwoordelijk zijn voor productveiligheid in de landen van
de EU.
De meldingen hebben betrekking op producten die niet aan de Europese wetgeving voldoen.
Europese wetgeving wijkt af van bijvoorbeeld Australische wetgeving. Dit kan ook nog
per productcategorie verschillen. Daarom is het niet mogelijk om in algemene termen
aan te geven welke criteria moeten worden gehanteerd voor de veiligheid van producten
en heeft aansluiting op het Europese waarschuwingssysteem geen meerwaarde.
Ondertekenaars
S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.