Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Dassen over het artikel 'Ook bij het tegengaan van belastingontwijking zwicht de rest van de wereld voor Trump'
Vragen van het lid Dassen (Volt) aan de Minister en de Staatssecretaris van Financiën over het artikel «Ook bij het tegengaan van belastingontwijking zwicht de rest van de wereld voor Trump» (ingezonden 8 januari 2026).
Antwoord van Staatssecretaris Heijnen (Financiën), mede namens de Minister van Economische
Zaken (ontvangen 3 februari 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het NRC-artikel «Ook bij het tegengaan van belastingontwijking zwicht
de rest van de wereld voor Trump» van 6 januari 2026?
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Deelt u de opvatting dat de OESO-minimumwinstbelasting van 15% onder andere bedoeld
is om voor alle grote multinationals een gelijk minimum te creëren zodat er geen «race
to the bottom» plaatsvindt en belastingontwijking wordt tegengegaan? Zo ja, kunt u
reflecteren wat het effect is van de gemaakte uitzondering voor Amerikaanse multinationals
hierop? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 2
De OESO-minimumwinstbelasting, ook wel Pijler 2 genoemd, beoogt ervoor te zorgen dat
multinationale groepen met een omzet van ten minste € 750 miljoen ten minste effectief
15% aan belasting over hun winst betalen. Pijler 2 voorziet in een bijheffing als
in een jurisdictie effectief te weinig winstbelasting is betaald. Het doel van Pijler
2 is tweeledig. Ten eerste beoogt Pijler 2 de prikkel voor bedrijven te verminderen
om winsten te verschuiven naar laagbelastende jurisdicties. Ten tweede beoogt Pijler
2 een ondergrens te stellen aan belastingconcurrentie tussen jurisdicties. Hiermee
wordt een race naar de bodem in de winstbelasting tegengegaan en een gelijker speelveld
gecreëerd voor internationaal opererende ondernemingen. Pijler 2 zorgt daarmee voor
een wereldwijd minimumniveau van belastingheffing voor multinationale groepen.
In het akkoord van het Inclusive Framework (IF) van 5 januari 2026 over het Side-by-Side-pakket
wordt de nadruk gelegd op het belang van Pijler 2 als het primaire systeem voor het
waarborgen van een minimumniveau van belastingheffing. Dit gemeenschappelijke systeem
is met reden zorgvuldig ontworpen, waarbij de bijheffing tot het minimumbelastingtarief
van 15% op een gecoördineerde manier wordt berekend op basis van een internationaal
afgesproken belastinggrondslag. De Nederlandse inzet was er op gericht om afwijkingen
van het gemeenschappelijke systeem tot een minimum te beperken. Tegelijkertijd ziet
het kabinet het overkoepelende belang van het in stand houden van een netwerk van
minimumbelastingen in een zo groot mogelijk internationaal verband, ook als dat betekent
dat tegemoetgekomen wordt aan andere jurisdicties die een belastingstelsel hebben
dat een minimumniveau van belastingheffing waarborgt. De internationaal gecoördineerde
uitleg van de Pijler 2-regels zorgt voor eenduidigheid en biedt belastingplichtigen
zekerheid. Daarnaast bevat het Side-by-Side-pakket waarborgen zodat geen afbreuk wordt
gedaan aan de doelstellingen van de Pijler 2-regels. Zo wordt de status van een kwalificerende
Side-by-Side veilige haven niet willekeurig verleend. In het IF-akkoord zijn robuuste
en strikte criteria afgesproken om te kwalificeren als een belastingstelsel dat gelijkwaardig
is aan Pijler 2.
Vraag 3
Erkent u dat het niet toepassen van het OESO-minimumtarief op Amerikaanse multinationals,
terwijl deze wel van toepassing wordt op Europese en Nederlandse multinationals, het
beoogde gelijke speelveld onder druk zet?
Antwoord 3
Het kabinet vindt het belangrijk om in het oog te houden dat Nederlandse multinationals
onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met lokale ondernemingen in Side-by-Side
veiligehavenjurisdicties. Het is daarom van belang dat niet-implementerende jurisdicties
zich niet voordeliger kunnen positioneren ten opzichte van jurisdicties die wel Pijler
2 implementeren. Het is positief dat robuuste en strikte criteria zijn afgesproken
voor de Side-by-Side veiligehavenregel. Ook hecht het kabinet aan de onveranderde
werking van de binnenlandse bijheffing. Dit is positief voor het gelijke speelveld
en voor het waarborgen van de beleidsdoelstellingen van Pijler 2, aangezien alle multinationale
groepen onderworpen kunnen zijn aan een binnenlandse bijheffing – voor zover die wordt
geheven in jurisdicties waarin zij opereren – ongeacht de locatie van het hoofdkantoor.
Het is van belang dat onder het Side-by-Side-systeem een prikkel blijft bestaan voor
jurisdicties om een binnenlandse bijheffing te behouden dan wel in te voeren. Mede
daarom hecht het kabinet aan de toekomstige evaluatie om te volgen hoe het Side-by-Side-systeem
in de praktijk uitpakt en als nodig maatregelen te nemen om risico’s met betrekking
tot het gelijke speelveld of grondslaguitholling en winstverschuiving te ondervangen.
Vraag 4
Welke signalen heeft u ontvangen van Nederlandse en/of Europese bedrijven over het
belang van een wereldwijde minimumwinstbelasting die zonder uitzonderingen wordt toegepast
met het oog op een gelijk speelveld?
Antwoord 4
Het internationale bedrijfsleven dat bij de OESO wordt vertegenwoordigd in de Business
Advisory Group is positief over het Side-by-Side-pakket.1 Op ambtelijk niveau is veelvuldig in verschillende gremia gesproken met het Nederlandse
bedrijfsleven over Pijler 2. Daarbij is ook gesproken over de positie van jurisdicties
die Pijler 2 niet hebben ingevoerd en het belang van een gelijk speelveld. Ook heeft
het Nederlandse bedrijfsleven aandacht gevraagd voor administratieve lasten en de
stabiliteit van het internationale belastingsysteem. Het Nederlandse bedrijfsleven
zal sommige elementen van het Side-by-Side-pakket positief waarderen, zoals de verlenging
van de tijdelijke veiligehavenregel op basis van een kwalificerend landenrapport en
de gunstige behandeling van kwalificerende belastingprikkels. Anderzijds wijst het
bedrijfsleven er op dat Amerikaanse multinationals in voorkomende gevallen minder
belasting over hun buitenlandse winsten kunnen betalen dan onder Pijler 2 het geval
zou zijn. Het kabinet erkent het belang dat niet-implementerende jurisdicties zich
niet voordeliger kunnen positioneren ten opzichte van jurisdicties die wel Pijler
2 implementeren. Nederland heeft tijdens de onderhandelingen ook ingezet op het behoud
van een gelijk speelveld en het concurrentievermogen van het Europese en Nederlandse
bedrijfsleven. Uitgangspunt van het Side-by-Side-systeem is uiteindelijk dat de effectieve
belastingdruk voor multinationale ondernemingen vergelijkbaar uitpakt onder zowel
Pijler 2 als kwalificerende gelijkwaardige belastingstelsels. Het is daarom positief
dat robuuste en strikte criteria zijn afgesproken voor de Side-by-Side veiligehavenregel.
Ook hecht het kabinet aan de onveranderde werking van de binnenlandse bijheffing.
Dit is positief voor het gelijke speelveld en voor het waarborgen van de beleidsdoelstellingen
van Pijler 2, aangezien alle multinationale groepen onderworpen kunnen zijn aan een
binnenlandse bijheffing – voor zover die wordt geheven in jurisdicties waarin zij
opereren – ongeacht de locatie van het hoofdkantoor. Het is van belang dat onder het
Side-by-Side-systeem een prikkel blijft bestaan voor jurisdicties om een binnenlandse
bijheffing te behouden dan wel in te voeren. Mede daarom hecht het kabinet aan de
toekomstige evaluatie om te volgen hoe het Side-by-Side-systeem in de praktijk uitpakt
en als nodig maatregelen te nemen om risico’s met betrekking tot het gelijke speelveld
of grondslaguitholling en winstverschuiving te ondervangen. In het bijzonder vindt
het kabinet het belangrijk om in het oog te houden dat Nederlandse multinationals
onder gelijke voorwaarden kunnen concurreren met lokale ondernemingen in Side-by-Side
veilige haven-jurisdicties.
Vraag 5
Hoe beoordeelt u het gegeven dat de uitzondering voor Amerikaanse multinationals ertoe
leidt dat grote, zeer winstgevende Amerikaanse multinationals die actief zijn op de
Nederlandse en Europese markt niet in alle gevallen een vergelijkbare minimumwinstbelasting
betalen als Europese bedrijven?
Antwoord 5
De dochterondernemingen van Amerikaanse multinationals in Nederland en in de meeste
andere EU-lidstaten zijn onderworpen aan de binnenlandse bijheffing voor zover hun
effectieve belastingdruk minder dan 15% bedraagt. In deze gevallen betalen zij over
de winsten in Nederland en andere EU-lidstaten een vergelijkbare minimumwinstbelasting
als Europese multinationals zouden betalen.
Vraag 6
Deelt u de analyse dat het internationale belastingstelsel, dat nog grotendeels is
gebaseerd op fysieke aanwezigheid, fundamenteel tekortschiet in een economie waarin
waardecreatie steeds vaker digitaal plaatsvindt? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 6
De nationale wetten en bilaterale belastingverdragen binnen het huidige internationale
belastingstelsel sluiten voor de verdeling van heffingsrechten over winsten inderdaad
grotendeels aan bij de fysieke aanwezigheid van een bedrijf in een land. Ook het huidige
Nederlandse verdragsbeleid sluit grotendeels aan bij dit uitgangspunt.2 In mijn brief over digitale diensten belastingen geef ik aan dat in internationale
fora en in het publieke debat inderdaad de vraag speelt of de eis van fysieke aanwezigheid
nog wel passend is in de huidige tijd van digitalisering.3 Bedrijven hebben namelijk door digitale mogelijkheden steeds minder een fysieke aanwezigheid
nodig om in een land actief te zijn en omzet te genereren. Dat geldt bij uitstek voor
digitale bedrijven, maar is ook bij andere bedrijven aan de orde.
Vraag 7
Zijn er concrete alternatieven om alsnog een gelijk speelveld te creëren tussen Europese
multinationals en Amerikaanse multinationals? Bijvoorbeeld door in te zetten op een
Europese Digitale Dienstenbelasting?
Antwoord 7
De discussies over de digitaliserende economie lopen al langere tijd. In mijn brief
over digitale dienstenbelastingen loop ik een aantal belangrijke initiatieven langs
die de afgelopen jaren de revue zijn gepasseerd, waaronder Pijler 1 van het IF en
eerdere richtlijnvoorstellen in de Europese Unie. Op dit moment is een akkoord op
Pijler 1 op korte termijn niet realistisch en zijn de voorstellen in de Europese Unie
niet aangenomen. Mede daarom wordt de discussie over een digitale dienstenbelasting
in meerdere landen weer gevoerd. De invoering van een (Europese) digitaledienstenbelasting
is echter complex en kent verschillende risico’s en onzekerheden. Het is onduidelijk
of de mogelijke voordelen van een digitaledienstenbelasting opwegen tegen de risico’s
en onzekerheden. Voor een overzicht en verdere uitwerking van deze aspecten daarvan
verwijs ik naar de eerdergenoemde brief. Uiteraard neem ik nota van de aangenomen
motie van het lid Dassen om te verkennen hoe een Europese digitaledienstenbelasting
kan worden ingevoerd.4 Gelet op de demissionaire status van het kabinet is die verkenning aan een volgend
kabinet.
Vraag 8
Bent u bereid om samen met gelijkgezinde EU-lidstaten op te trekken om te komen tot
een gecoördineerde Europese digitale dienstenbelasting? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 8
Gelet op de demissionaire status van het kabinet zijn beleidskeuzes omtrent een digitale
dienstenbelasting op dit moment niet aan de orde.
Vraag 9
Acht u het een reëel risico dat bedrijven hun hoofdkantoor verplaatsen naar de Verenigde
Staten om onder het mondiale minimumtarief uit te komen? Zo ja, welke maatregelen
overweegt u om dit tegen te gaan?
Antwoord 9
Het kabinet stelt voorop dat meerdere factoren van belang zijn om een hoofdkantoor
in een bepaalde jurisdictie te vestigen. De fiscaliteit is een van die factoren. Het
tarief voor de vennootschapsbelasting bedraagt 25,8%, hetgeen boven het EU-gemiddelde
is. Pijler 2 behoort ook tot de fiscale regelingen die in de overweging kunnen worden
betrokken, maar er zijn ook andere factoren die voor een jurisdictie van belang kunnen
zijn. Wat betreft de invloed van het Side-by-Side pakket, is het volgende van belang.
Met het akkoord over het Side-by-Side-pakket is vooralsnog alleen het Amerikaanse
belastingstelsel aangemerkt als een kwalificerend Side-by-Side-regime. Op grond van
de Side-by-Side veiligehavenregel zullen de landen die Pijler 2 hebben ingevoerd niet
bijheffen op grond van de inkomen-inclusiemaatregel of de onderbelaste winstmaatregel
over de laagbelaste winst van entiteiten die deel uitmaken van een multinationale
groep met een hoofdkantoor in de VS. Niettemin kan op grond van de binnenlandse bijheffingmaatregel
worden bijgeheven tot het effectieve minimumbelastingtarief van 15%. Deze binnenlandse
bijheffingsmaatregel blijft onverkort gehandhaafd onder het Side-by-Side-systeem ten
aanzien van laagbelaste entiteiten die deel uitmaken van een multinationale groep
met een hoofdkantoor in de VS. Veel jurisdicties hebben de binnenlandse bijheffing
ingevoerd of zijn daarmee bezig. Op dit moment kennen zo’n zestig jurisdicties een
binnenlandse bijheffing. Daarnaast is voor de belastingpositie van dochterondernemingen
in de Verenigde Staten van niet-Amerikaanse multinationals van belang dat de overeengekomen
gunstige behandeling van Substance Based Tax Incentives ertoe leidt dat niet-Amerikaanse multinationals niet of in mindere mate zullen worden
geconfronteerd met bijheffing ten aanzien van hun dochterondernemingen in de Verenigde
Staten. Dit betekent dat zij in die gevallen fiscaal gezien onder grotendeels dezelfde
omstandigheden kunnen blijven opereren als Amerikaanse ondernemingen. Vanwege de binnenlandse
bijheffing in buitenlandse jurisdicties en de gunstige behandeling van Substance-Based Tax Incentives wordt het risico op verplaatsing van hoofdkantoren naar de VS louter als gevolg van
van het Side-by-Side-pakket beperkt. Ten slotte, eventuele wijzigingen in de vennootschapsstructuur
om bijheffing te ontgaan, kan het IF meenemen in de toekomstige evaluatie.
Vraag 10
Deelt u de opvatting dat dreigementen zoals de «revenge tax» geen reden mag zijn om
af te zien van eerlijke belastingheffing en nationale fiscale soevereiniteit? Zo nee,
waarom niet?
Antwoord 10
Het kabinet neemt altijd het overkoepelende belang van het in stand houden van een
netwerk van minimumbelastingen in een zo groot mogelijk internationaal verband als
uitgangspunt.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
E.H.J. Heijnen, staatssecretaris van Financiën -
Mede namens
V.P.G. Karremans, minister van Economische Zaken
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.