Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over uitspraken College van Beroep voor het bedrijfsleven in de beroepszaken betreffende nadeelcompensatie pelsdierhouderijen - uitvoering uitspraken en financiële gevolgen (Kamerstuk 35633-24)
2026D04835 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur hebben
de onderstaande fracties de behoefte vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Minister
van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over haar brief van 1 december
2025 «Uitspraken College van Beroep voor het bedrijfsleven in de beroepszaken betreffende
nadeelcompensatie pelsdierhouderijen – uitvoering uitspraken en financiële gevolgen»
(Kamerstuk. 35 633, nr. 24).
De fungerend voorzitter van de commissie,
Podt
De griffier van de commissie,
Jansma
Inhoudsopgave
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
II
Antwoord/Reactie van de Minister voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
III
Volledige agenda
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de brief met
betrekking tot de uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven beroepszaken
betreffende de nadeelcompensatie voor pelsdierhouderijen. Deze leden wensen in dit
kader enkele specifieke aandachtspunten te benadrukken en vragen hierover nadere toelichting
van het kabinet.
De leden van de VVD-fractie constateren dat het College van Beroep voor het bedrijfsleven
(CBb) de gekozen beleidsregel als systematiek voor forfaitaire compensatie in stand
laat, maar tegelijkertijd oordeelt dat de toegepaste kortingen wegens normaal maatschappelijk
risico en leegstand onvoldoende waren gemotiveerd. Daarmee zijn de beroepen van de
betrokken ondernemers gegrond verklaard en is het kabinet gehouden om binnen afzienbare
termijn nieuwe besluiten te nemen met een hogere vergoeding. Hoe duidt het kabinet
deze uitspraken in het licht van rechtszekerheid voor ondernemers die door overheidsmaatregelen
versneld hun bedrijfsactiviteiten moesten beëindigen?
De leden van de VVD-fractie vragen daarnaast aandacht voor de positie van pelsdierhouders
die geen bezwaar of beroep hebben ingesteld. In hoeverre acht het kabinet het wenselijk
en juridisch mogelijk om ook voor deze groep duidelijkheid te bieden, mede met het
oog op gelijke behandeling en het voorkomen van nieuwe procedures?
De leden van de VVD-fractie constateren ten slotte dat het CBb in een aantal zaken
rond voergeldgevers en voergeldnemers tot afwijkende oordelen komt over de aanspraak
op compensatie en de wijze van schadevaststelling. Hoe zal het kabinet deze complexe
casuïstiek uitwerken en welke gevolgen kan dit hebben voor zowel de uitvoeringspraktijk
als de uiteindelijke financiële impact?
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben met teleurstelling kennisgenomen van de brief van
de Minister over de uitspraken van het CBb in de beroepszaken betreffende nadeelcompensatie
pelsdierhouderijen. Het College van Beroep heeft heel duidelijk te verstaan gegeven
dat de 15 procent korting in verband met «normaal maatschappelijk risico» en de 38 euro
per fokteef bij bedrijven die al waren geruimd of leegstonden (de «leegstand-korting»)
volledig onterecht waren.
Vrijwel alle pelsdierhouders hebben daarmee veel te weinig geld gekregen bij de gedwongen
uitkoop van hun bedrijven. Deze leden zijn verbaasd dat niet is gekozen om alle pelsdierhouders
te compenseren, maar slechts de appellanten. Volgens deze leden gaat het hier niet
over wie er juridisch gelijk krijgt, maar over wat een betrouwbare overheid betaamt
tegenover burgers die geen keuze hadden. Het feit dat alleen appellanten worden gecompenseerd,
betekent dat de overheid een onrechtmatige besparing behoudt die is gerealiseerd over
de ruggen van burgers die geen andere keuze hadden dan meewerken. Deze leden constateren
dat dit past in een patroon dat ook in andere overheidsdossiers zichtbaar werd: burgers
die vertrouwen op de overheid, blijken achteraf degenen te zijn die het meest tekort
zijn gedaan.
De brieven die de vaste Kamercommissie voor LVVN de afgelopen maanden ontving over
dit onderwerp laten een indringend en consistent beeld zien. Daaruit blijkt dat de
gebrekkige compensatie pelsdierhouders niet alleen financieel, maar ook emotioneel
en sociaal diep heeft geraakt. Ondernemers beschrijven hoe het gedwongen beëindigen
van hun bedrijf hun levenswerk, toekomstperspectief en bestaanszekerheid ontnam. Familiebedrijven
die generaties lang waren opgebouwd, verdwenen. Kinderen die het bedrijf wilden overnemen,
verloren dat perspectief. In meerdere brieven wordt duidelijk hoe de financiële onzekerheid
en de gedwongen beëindiging hebben geleid tot stress, spanningen binnen gezinnen en
langdurige mentale belasting.
De leden van de BBB-fractie zijn geschrokken van deze signalen uit de praktijk die
een beeld tonen van een groep ondernemers met de rug tegen de muur. Ondernemers die
hadden moeten kunnen vertrouwen op een eerlijke overheid, maar die werden geconfronteerd
met een regeling die achteraf door de rechter als financieel ontoereikend is beoordeeld.
Hoewel alle pelsdierhouders formeel de mogelijkheid hadden om de regeling aan te vechten,
blijkt uit de ontvangen brieven dat een formele mogelijkheid in de praktijk niet voor
iedereen een reële mogelijkheid was. De omstandigheden maakten het voor een deel van
de ondernemers onmogelijk om opnieuw een juridische strijd aan te gaan. Uit de brieven
komt naar voren dat eerdere langdurige procedures, financiële uitputting, mentale
belasting en de afhankelijkheid van de overheid in deze fase maakten dat zij erop
vertrouwden dat de gehanteerde regeling juridisch juist en zorgvuldig was. Uit meerdere
brieven komt naar voren dat ondernemers in hun contacten met de overheid de indruk
kregen dat het aangaan van een juridische procedure onverstandig zou zijn en de relatie
met de overheid zou kunnen schaden. Daarnaast speelde voor een deel van de ondernemers
de maatschappelijke context een rol. Zij hadden niets verkeerd gedaan, maar werden
geconfronteerd met maatschappelijke druk en acties tegen hun sector. Dit versterkte
de behoefte om het proces zo snel mogelijk af te sluiten en geen nieuwe conflicten
aan te gaan. Procederen was dus niet voor alle ondernemers een reële optie.
De leden van de BBB-fractie wijzen er daarbij op dat de pelsdierhouders niet kozen
voor vrijwillige uitkoop, maar dat zij uitvoering moesten geven aan een wettelijk
besluit dat hen dwong hun bedrijf te beëindigen. Juridisch gezien hebben alleen de
appellanten recht op herstel van de fout die door de overheid is gemaakt bij de uitkoop
van de pelsdierbedrijven. Moreel gezien ligt dat anders. Moreel gezien is het aan
de overheid om gemaakte fouten te herstellen tegenover alle mensen die buiten hun
eigen toedoen hun bedrijf kwijtraakten en door de overheid tekort zijn gedaan. Ook
tegenover degenen die door omstandigheden, stress, afhankelijkheid en (maatschappelijke)
druk niet de mogelijkheid hadden om de overheid juridisch te bestrijden, maar erop
vertrouwden dat zij eerlijk werden behandeld.
Alle pelsdierhouders hebben moreel gezien recht op de vergoeding die zij destijds
al hadden moeten krijgen. Een overheid die alleen herstelt wanneer burgers procederen,
leert haar burgers dat vertrouwen naïef is en wantrouwen rationeel. Dat kan en mag
niet de les zijn die uit deze affaire wordt getrokken.
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
De leden van Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de uitspraken van het CBb
beroepszaken betreffende de nadeelcompensatie pelsdierhouderijen – uitvoering uitspraken
en financiële gevolgen hierbij en hebben hierover voor nu geen aanvullende vragen
en/of opmerkingen.
II Antwoord/Reactie van de Minister
III Volledige agenda
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
A. Podt, voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Mede ondertekenaar
R.P. Jansma, griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.