Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van het lid Kostic´ over het Arcadis-rapport Grondwaterkwaliteit Nederland 2024
Vragen van het lid Kostić (PvdD) aan de Ministers van Infrastructuur en Waterstaat en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het Arcadis-rapport Grondwaterkwaliteit Nederland 2024 (ingezonden 5 december 2025).
Antwoord van Minister Karremans (Infrastructuur en Waterstaat), mede namens de Minister
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij,
Voedselzekerheid en Natuur en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat
(ontvangen 1 april 2026). Zie ook Aanhangsel Handelingen, vergaderjaar 2025–2026,
nr. 880
Vraag 1
Bent u bekend met het Arcadis-rapport Grondwaterkwaliteit Nederland 2024?1
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Erkent u de conclusie dat de hoogste normoverschrijdingen in het grondwater worden
gevonden bij bestrijdingsmiddelen en PFAS? Zo nee, op welke wetenschappelijke consensus
baseert u zich dan (graag bronvermelding gebruiken)?
Antwoord 2
Het Arcadis-rapport geeft informatie over verschillende groepen stoffen. Figuur 0–1
in het rapport geeft o.a. aan dat de hoogste overschrijdingen van de gehanteerde normen
of signaleringswaarden worden aangetroffen in de groep «overige verontreinigende stoffen».
Dat neemt niet weg dat de gerapporteerde informatie over de aanwezigheid en normoverschrijdingen
van bestrijdingsmiddelen (gewasbeschermingsmiddelen én biociden) en PFAS zorgelijk
is. Binnen de EU is overeenstemming bereikt over de aanpassing van de Richtlijn prioritaire
stoffen, de Grondwaterrichtlijn en de Kaderrichtlijn water (KRW). Afronding van de
besluitvorming hierover is rond april dit jaar voorzien. Hiermee ontstaat ook duidelijkheid
over de normen die voor dit soort stoffen moeten worden gehanteerd voor het vaststellen
van normoverschrijdingen.
Naar aanleiding hiervan zal de Kamer nader geïnformeerd worden over de wijze waarop
met provincies, drinkwaterbedrijven en waterschappen op een onderling afgestemde eenduidige
wijze gerapporteerd kan worden over kwaliteit van grondwater. Dit is in lijn met acties
uit het advies van de Studiegroep grondwater (Kamerstukken 27 625, nr. 594) over monitoring van grondwaterkwaliteit: actie 7A, «stem de bestaande grondwatermeetnetten
beter op elkaar af zodat verontreiniging en toestand en trends daarvan eenduidig kunnen
worden vastgesteld», actie 7B, «meet in het ondiepe grondwater om snel problemen te
signaleren» en actie 7C, «Ontwikkel een indicator voor vergrijzing (mengseltoxiciteit»).
Uitvoering van deze 3 acties is momenteel lopende en uitkomsten hiervan worden in
de loop van dit jaar besproken met IPO, Unie van Waterschappen, VNG en de Vewin in
het Bestuurlijk Overleg Water.
Bij het beoordelen van de gerapporteerde gegevens over gewasbeschermingsmiddelen moet
ook in overweging genomen worden dat een aantal genoemde werkzame stoffen waarvan
metabolieten/afbraakproducten zijn aangetroffen, niet meer toegelaten is. Er zijn
dus al maatregelen getroffen om verdere verontreiniging te voorkomen. In het kader
van het Uitvoeringsprogramma van de toekomstvisie gewasbescherming 2030 is met vertegenwoordigers
van provincies, drinkwaterbedrijven, LTO, Croplife NL, Ctgb, LVVN en IenW een traject
gestart om gezamenlijk de opgaven en oplossingen voor verbetering van grondwaterkwaliteit
in beeld te brengen. Daarbij wordt ook vastgesteld welke in grondwater aangetroffen
stoffen, of metabolieten daarvan, nog een toelating hebben en in hoeverre het al bestaande
beleid voor toelating en gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zal leiden tot het
terugdringen van normoverschrijdingen. Hierbij wordt ook vastgesteld of in het grondwater
aangetroffen stoffen uitsluitend afkomstig zijn van gebruik als gewasbeschermingsmiddel
of ook nog een ander gebruik als oorsprong hebben.
Vraag 3
Bent u het ermee eens dat het vervuilen van grondwater een ernstige bedreiging vormt
voor de drinkwatervoorziening en de natuur? Zo nee, waar baseert u zich dan op?
Antwoord 3
Vervuiling van grondwater in gebieden waar dat gebruikt wordt voor winning van drinkwater
moet zo veel mogelijk voorkomen worden. De gegevens van dit rapport betreffen provinciale
meetnetten. Meetpunten van de provincies liggen doorgaans niet in grondwaterbeschermingsgebieden
waar grondwater onttrokken wordt voor drinkwaterproductie.
Voor de beoordeling van de bedreiging van drinkwaterbronnen wordt gewezen op het binnenkort
te verschijnen rapport over «early warning monitoring» in grondwaterbeschermingsgebieden
die vallen binnen het leveringsgebied van het drinkwaterbedrijf Vitens. Dit rapport
wordt ook betrokken bij het afwegen van beleid voor bescherming van drinkwaterbronnen
en de eventuele uitbreiding van drinkwaterwinningen buiten de nu bestaande grondwaterbeschermingsgebieden.
Zie ook het antwoord op vraag 21.
Met betrekking tot het deel van de vraag over natuur: ter uitvoering van het «Verbeterprogramma
Vogel- en Habitatrichtlijn» is door de grondwaterbeheerders overleg gestart met de
uitvoeringsorganisatie BIJ12 die dit verbeterprogramma uitvoert.
Vraag 4
Welke effecten heeft de normoverschrijding, de aanwezigheid en de stapeling van schadelijke
stoffen in ons milieu en voedsel mogelijk op de gezondheid van mensen, op korte en
lange termijn en vindt u deze effecten verantwoord?
Antwoord 4
We weten dat PFAS schadelijke effecten kunnen hebben op de gezondheid van mensen.
Of PFAS daadwerkelijk gezondheidseffecten geven, hangt onder andere af van hoeveel
PFAS mensen binnen krijgen over de tijd. Mensen in Nederland krijgen te veel PFAS
binnen via voedsel en drinkwater, heeft eerder onderzoek van het RIVM uitgewezen2. Dit vindt het kabinet een onwenselijke situatie en daarom wordt ingezet op vermindering
van PFAS via vier sporen:
1) Een zo breed mogelijk Europees PFAS-verbod. Nederland is initiatiefnemer van een Europees
verbod op het gebruik en op de markt brengen van (producten met) PFAS. Als bedrijven
geen PFAS meer gebruiken in hun producten, zal de vervuiling op termijn afnemen.
2) Het stimuleren van de transitie naar alternatieven voor PFAS.
4) We willen de blootstelling aan PFAS zo veel mogelijk voorkomen. Het RIVM doet in opdracht
van de ministeries van IenW, VWS en LVVN onderzoek naar de mogelijkheden om de blootstelling
van de mens aan PFAS te monitoren en te verminderen via een onderzoeksprogramma.
Om de gezondheid van mensen te beschermen zijn PFAS en andere chemische stoffen genormeerd
in het Drinkwaterbesluit. Voor PFAS is dat een norm van 100 nanogram per liter (ng/l)
voor 20 PFAS, die sinds 12 januari 2026 van kracht is in het Drinkwaterbesluit. Binnen
de EU is de afweging van een aanscherping van deze norm nog gaande. De Wereldgezondheidsorganisatie
(WHO) werkt op verzoek van de Europese Commissie aan een advies over de blootstelling
aan PFAS. Voor meer informatie zie ook de Kamerbrief over PFAS van 21 juli 20253.
De Europese contaminantenwetgeving4 bepaalt de maximumgehalten aan ongewenste stoffen in levensmiddelen, zoals mycotoxinen,
zware metalen, dioxines, PFAS en nitraten, om de volksgezondheid te beschermen.
Vraag 5
Kunt u in euro's een inschatting geven van de extra maatschappelijke kosten die deze
schadelijke stoffen en normoverschrijdingen veroorzaken? Zo nee, kunt u die zo snel
mogelijk in kaart laten brengen?
Antwoord 5
Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) heeft in juni 2025 het rapport «Actualisering
monetaire milieuschade» gepubliceerd»5. In dit rapport heeft het PBL op eigen initiatief berekend dat de uitstoot van milieuverontreinigende
stoffen in 2022 voor € 46 miljard schade heeft veroorzaakt aan de gezondheid van mens
en natuur in Nederland. Het PBL is in de berekening uitgegaan van een conservatieve
schatting. Voor veel milieugevaarlijke stoffen bestaat nog onvoldoende kennis over
de omvang van de emissies, de verspreiding door het milieu of de effecten op menselijke
gezondheid en ecosystemen om de monetaire milieuschade te kunnen berekenen. Daarnaast
is ook de waardering van de milieuschade aan onzekerheid onderhevig. In dit onderzoek
concludeert het PBL dat het nog niet mogelijk is om voor bepaalde moeilijk of niet-afbreekbare
stoffen, zoals PFAS, milieuschade te berekenen, omdat daarvoor geen milieuprijzen
bekend zijn. De broeikasgassen CO2, methaan en N2O zorgen voor iets meer dan de helft van de berekende schade. Luchtverontreinigende
stoffen die onder de Europese NEC-richtlijn vallen (NOx, ammoniak, zwaveldioxide, fijnstof en NMVOS) veroorzaken bijna alle overige schade.
Andere schadelijke stoffen, waarvan de emissies meestal veel lager liggen, zorgen
voor de resterende twee procent van de schade, aldus het PBL. Deze cijfers zijn in
lijn met de conclusie van het in 2023 mede door Nederland ingediende voorstel voor
een brede Europese PFAS-restrictie waarin is vastgesteld dat de sociaaleconomische
lasten van het gebruik van PFAS groter zijn dan de baten.
Vraag 6
Hoe beoordeelt u het feit dat in 96% van het ondiepe grondwater één of meerdere milieuvreemde
stoffen worden aangetroffen, waarbij in 85% van de gevallen PFAS, en waarvan 70% de
gehanteerde normen (vaak fors) overschrijdt?
Antwoord 6
Zie het antwoord op vraag 2.
Vraag 7
Deelt u de zorgen uit het rapport, wanneer hierin gesproken wordt over «zorgwekkend
hoge percentages van normoverschrijdingen in het diepere grondwater» als «een bedreiging
voor de bereiding van drinkwater uit grondwater op basis van eenvoudige zuivering»?
Antwoord 7
Ja. Zie ook het antwoord op vraag 3.
Vraag 8
Wat zegt dit alles volgens u over de effectiviteit van het huidige PFAS-beleid?
Antwoord 8
Het kabinet zet in op vermindering van PFAS via vier sporen, zoals toegelicht in het
antwoord op vraag 4. Deze sporen vormen een totaalaanpak die moet leiden tot een sterke
vermindering van PFAS in onze leefomgeving. Dat betekent helaas niet dat PFAS per
direct een halt toegeroepen kunnen worden. Het zijn persistente stoffen die soms al
decennia geleden in ons milieu terecht gekomen zijn en daar niet of nauwelijks afbreken.
Een belangrijk deel van de problemen nu wordt veroorzaakt door de historische vervuiling.
Ook wordt er op dit moment nog volop PFAS-houdende producten gebruikt. Met het onder
vraag 4 genoemde voorstel voor een Europese restrictie willen we dat gebruik zo ver
mogelijk terugdringen.
Vraag 9
Ziet u voor de bescherming van de gezondheid van mensen, dieren en milieu en voor
het blijven garanderen van schoon drinkwater reden voor meer snelheid en actie om
PFAS en andere schadelijke stoffen beter aan te pakken? Zo ja, wat gaat u dan concreet
doen op korte termijn en welke tijdlijn hoort daarbij? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 9
Het aanpakken van PFAS is een prioriteit van het kabinet, zoals ook toegelicht in
het antwoord op vraag 4, en er worden dan ook volop acties op ingezet. Zo is Nederland
een van de initiatiefnemers voor het voorstel voor de Europese restrictie op PFAS
en zijn eind 2024 alle PFAS aangewezen als Zeer Zorgwekkende Stoffen, waarvoor een
minimalisatieplicht geldt. Ook worden decentrale overheden ondersteund bij het aanpakken
van met PFAS verontreinigde grond via een specifieke uitkering (SPUK Bodem).
Over de voortgang van het onderzoeksprogramma PFAS is de Kamer onlangs geïnformeerd
(Kamerstukken 35 334, nr. 421). Op de website https://www.rivm.nl/pfas/onderzoeksprogramma wordt per thema een overzicht gegeven van alle lopende en geplande onderzoeken uit
het onderzoeksprogramma. Daarnaast wordt gewezen op de Kamerbrief van 21 juli 2025
met als onderwerp «Problematiek rondom stikstof en PFAS» (Kamerstukken 35 334, nr. 407) die onder punt 5 specifiek in gaat op het onderwerp «PFAS in drinkwater».
Vraag 10
Wat gaat u eraan doen om de hoeveelheid schadelijke stoffen minstens terug te brengen
onder de normen? Welk tijdpad hoort daarbij?
Antwoord 10
Zie de antwoorden op de vragen 3, 4, 5, 8 en 9.
Vraag 11
Wat gaat u op korte termijn concreet doen om richting burgers de transparantie te
vergroten over deze schadelijke stoffen en de aanwezigheid daarvan in producten/middelen
en uiteindelijk onze leefomgeving? Welk tijdpad hoort daarbij?
Antwoord 11
Het kabinet heeft zich ingezet voor en blijft inzetten op transparante communicatie
richting burgers over schadelijke stoffen en de aanwezigheid van deze stoffen in producten/middelen.
Dit wordt onder andere gedaan via de website van het RIVM. Hier bevindt zich ook een
PFAS «landingspagina», waar algemene informatie wordt gegeven over PFAS, het gebruik
ervan, de effecten en de aanwezigheid van PFAS in de mens en het milieu. Ook over
andere stoffen is informatie te vinden bij het RIVM, zoals via de website Risico's
van stoffen van het RIVM6.
Daarnaast wordt via de website https://waarzitwatin.nl/ informatie gegeven over chemische stoffen, waaronder PFAS, en de aanwezigheid van
chemische stoffen in producten en middelen. Dit is een website gericht op consumenten,
waarbij per productgroep de mogelijkheid voor de aanwezigheid van (schadelijke) chemische
stoffen in het product en de mogelijke risico’s hiervan worden besproken in begrijpelijke
taal. Op de website van MilieuCentraal is informatie te vinden over bestrijdingsmiddelen7. Al deze genoemde websites worden regelmatig bijgewerkt wanneer nieuwe relevante
informatie beschikbaar is gekomen.
Industriële bedrijven zijn verplicht om de uitstoot van Zeer Zorgwekkende Stoffen
(ZZS) naar lucht en water minimaal eenmaal per vijf jaar te rapporteren aan het Bevoegd
Gezag. Sinds 1 januari 2025 is het verplicht om deze rapportage te doen via de ZZS-emissiedatabase.
De informatie hieruit zal te zijner tijd actief openbaar worden gemaakt na de evaluatie
van deze database die gepland staat voor 2026.
Vraag 12
Deelt u de zorg dat bestrijdingsmiddelen en PFAS ook in 18% van diepere grondwaterlagen
worden teruggevonden, waar drinkwater wordt gewonnen? Welke risico’s ziet u hiervoor
op de langere termijn voor de gezondheid, de natuur en het milieu en waar baseert
u uw inzichten precies op (graag bronnen vermelden)?
Antwoord 12
Zie de antwoorden op vragen 3 en 4.
Vraag 13
Waarom lukt het ondanks bestaande regelgeving nog steeds niet om normoverschrijdingen
van bestrijdingsmiddelen terug te dringen? Waar schiet het beleid tekort, wat gaat
u precies beter doen en wanneer gaat u dat doen?
Antwoord 13
Dat de toelating van een aantal eerder als gewasbeschermingsmiddel toegelaten stoffen,
veelal herbiciden/onkruidbestrijdingsmiddelen, is ingetrokken duidt erop dat het toelatingsbeleid
zijn uitwerking heeft. Zoals in de antwoorden op vraag 2 en 3 is aangegeven wordt
momenteel met betrokken partijen in beeld gebracht welke opgaven resteren en of het
bestaande beleid voor toelating en gebruik van gewasbeschermingsmiddelen naar verwachting
ook volstaat om verdere achteruitgang van grondwaterkwaliteit (ook wel vergrijzing
genoemd) en normoverschrijdingen te voorkomen. Hierbij wordt ook in beeld gebracht
hoe aan de hand van monitoringsresultaten van grondwater eerder kan worden vastgesteld
of een herbeoordeling nodig is om normoverschrijdingen te voorkomen.
Vraag 14
Kunt u een uitputtende opsomming geven van alle aanbevelingen en conclusies uit onafhankelijke
evaluaties die het ministerie in het verleden heeft ontvangen als het gaat om beleid
met betrekking tot bestrijdingsmiddelen? Kunt u daarbij per punt aangeven wat u er
wel of niet mee heeft gedaan?
Antwoord 14
Verwezen wordt o.a. naar de Tussenevaluatie van de Nota Gezonde Groei, Duurzame Oogst
met de titel «Geïntegreerde gewasbescherming nader beschouwd»8 (Kamerstukken 27 858, nr. 478) en het koepelrapport van de Tussenevaluatie van de KRW (Kamerstukken 27 625, nr. 696).
Daarnaast heeft de Kamer via een brief van de Minister van LVVN en de Staatssecretaris
van IenW de evaluatie van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden ontvangen (Kamerstukken
35 756, nr. 29).
Met een brief van de Minister van LVVN ontving de Kamer recent de evaluatie van het
Nationaal actieplan dat voor implementatie de Richtlijn duurzaam gebruik van pesticiden
is opgesteld (Kamerstukken 27 858, Nr. 741). De duiding van deze evaluaties geeft aan wat er met de aanbevelingen wordt gedaan.
Vraag 15
Heeft u ook gelezen dat het rapport ook concludeert dat op grond van de grote verschillen
in percentages van normoverschrijdingen tussen enerzijds medische stoffen en anderzijds
bestrijdingsmiddelen en PFAS het voor de hand ligt om ter verbetering van de grondwaterkwaliteit
het accent te leggen op maatregelen gericht op bestrijdingsmiddelen en PFAS? Erkent
u die feiten en welke acties verbindt u aan die conclusie?
Antwoord 15
Zie het antwoord op vraag 3.
Vraag 16
Bent u het ermee eens dat het, gezien die feiten, duidelijk onwenselijk is dat bestrijdingsmiddelen
met PFAS worden gebruikt? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 16
Allereerst wordt verwezen naar de antwoorden van de Minister LVVN op de Kamervragen
die het lid Bromet eerder over dit onderwerp heeft gesteld (Aanhangsel Handelingen,
vergaderjaar 2025–2026, nr. 203) en naar de appreciatie van de verworpen motie van het lid Bromet om in navolging
van Denenmarken PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen te verbieden (Kamerstukken 27 585, nr. 725).
Ook is van belang dat het Ctgb op 18 december 2025 publiek heeft gemaakt dat naar
aanleiding van het besluit van de Deense toelatingsautoriteit, in Nederland 46 gewasbeschermingsmiddelen
die PFAS bevatten tussentijds opnieuw beoordeeld zullen worden. Net als Noorwegen
en Zweden, die ook voor herbeoordeling kozen, wil het Ctgb daarover uiterlijk op 30 april
2028 alle besluiten nemen9. Het Ctgb heeft per brief de Ministers van LVVN en IenW geïnformeerd over de stappen
die volgens artikel 44 van de EU-Verordening voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen
noodzakelijk zijn om juridisch houdbaar robuuste bescherming van het grondwater te
kunnen waarborgen. De Minister van LVVN heeft de Kamer deze brief op 19 januari jl.
toegezonden (bijlage bij Kamerstukken 27 858, nr. 739).
Het Ctgb constateert dat de herbeoordeling mogelijk grote gevolgen heeft voor de beschikbaarheid
van gewasbeschermingsmiddelen in Nederland en adviseert het Rijk o.a. om een impactanalyse
te laten uitvoeren en alternatieven te inventariseren voor middelen die mogelijk wegvallen.
De Minister LVVN heeft de WUR gevraagd deze impactanalyse uit te voeren en de uitkomsten
daarvan worden in het tweede kwartaal van 2026 verwacht.
Vraag 17
Erkent u – tegen de achtergrond dat Nederland in Europa de officiële positie heeft
dat we snel een verbod op PFAS willen, juist omdat het onwenselijk is dat het overal
in ons milieu en lichaam terecht komt – dat door het gebruik van PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen
alsnog PFAS overal in onze bodem, milieu en lichaam terecht kan komen? Zo nee, waar
baseert u zich dan op?
Antwoord 17
Ja. Mede om die reden loopt op dit moment zowel Europees als nationaal een herbeoordeling
van werkzame stoffen en gewasbeschermingsmiddelen met een PFAS als werkzame stof.
Zie ook het antwoord op vraag 16.
Vraag 18
Hoe beoordeelt u het risico voor de gezondheid van mens en dier, als PFAS-houdende
bestrijdingsmiddelen steeds in ons voedsel terechtkomen en zo schadelijke stoffen
zich in ons lichaam opstapelen, ook gezien het feit dat de meeste Nederlanders nu
al te veel PFAS in hun bloed hebben?
Antwoord 18
Het is bekend dat de blootstelling aan PFAS via voedsel en het drinkwater boven de
gezondheidskundige grenswaarde ligt.10 Dat betekent dat effecten van PFAS op het immuunsysteem niet uit te sluiten zijn.
Met het PFAS-programma wordt beoogd de blootstelling aan PFAS te verminderen. Naar
aanleiding van Deens onderzoek, dat laat zien dat verschillende PFAS stoffen afbreken
tot TFA en in het grondwater komen, heeft het Ctgb besloten 46 gewasbeschermingsmiddelen
die PFAS bevatten tussentijds opnieuw te gaan beoordelen. Zie ook het antwoord op
vraag 16.
Vraag 19
Kunt u uitleggen waarom PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen (PFAS-pesticiden) nog altijd
op de markt mogen blijven, terwijl bekend is dat PFAS persistent, toxisch en nauwelijks
afbreekbaar zijn?
Antwoord 19
Zie antwoorden op de vragen 16, 17 en 18.
Vraag 20
Bent u als eindverantwoordelijke voor gezondheid bereid om ook voor een verbod op
PFAS-houdende bestrijdingsmiddelen te pleiten, naar voorbeeld van landen als Denemarken?
Zo nee, waarom kan Denemarken het wel en waarom beschermt u de gezondheid van onze
burgers niet?
Antwoord 20
Nee. Zoals aangegeven in de antwoorden op de vragen 16, 17 en 18 gaat het Ctgb 46
gewasbeschermingsmiddelen die PFAS als werkzame stof bevatten tussentijds opnieuw
beoordelen. Het Ctgb gebruikt de nieuwe gegevens over de vorming van TFA en het Nederlandse
grondwatermodel om te bepalen of de betreffende middelen ook hier leiden tot overschrijding
van de grondwaternorm. In dat geval voldoen de middelen niet meer aan de toelatingscriteria
en moeten toelatingen worden gewijzigd of worden ingetrokken. PFAS kan in een bestrijdingsmiddel
(gewasbeschermingsmiddelen en biociden) zitten als werkzame stof of als hulpstof.
De eerste groep is uitgesloten van de brede Europese PFAS restrictie, de tweede groep
gaat wel vallen onder deze restrictie.
Vraag 21
Bent u bereid het gebruik van bestrijdingsmiddelen waar PFAS in zitten op zijn minst
te verbieden in grondwaterbeschermingsgebieden?
Antwoord 21
Dit wordt verder afgewogen bij de uitvoering van de motie-Tjeerd de Groot (Kamerstukken
27 858, nr. 587) die oproept om het gebruik van bestrijdingsmiddelen in grondwaterbeschermingsgebieden
te stoppen. Aangezien dit rapport aantoont dat in grondwater aangetroffen stoffen
vooral onkruidbestrijdingsmiddelen of metabolieten van deze middelen betreffen, behoeft
juist de onkruidbestrijding in grondwaterbeschermingsgebieden specifieke aandacht
bij de uitvoering van deze motie. De Kamer wordt specifiek geïnformeerd over de uitvoering
van deze motie. Hierbij worden zo mogelijk ook de uitkomsten van de in het leveringsgebied
van het drinkwaterbedrijf Vitens uitgevoerde early warning monitoring betrokken (zie
het antwoord op vraag 3).
Vraag 22
Hoe waarborgt u dat Nederland gaat voldoen aan de KRW-doelen, nu Europa hierin naar
alle waarschijnlijkheid ook PFAS-grensnormen gaat opnemen?
Antwoord 22
Zie het antwoord op vraag 2. Daarnaast wordt er voor de goede orde gewezen op dat
het onder de verantwoordelijkheid van de provincies opgestelde rapport het volgende
aangeeft: «Dit rapport is geen Kaderrichtlijn water (KRW)-rapportage», maar deze rapportage
heeft een «early warning» functie». Zo zal het ook benut worden voor de bestuurlijke
dialoog over het behalen van KRW-doelen die o.a. met de provincies in het Bestuurlijk
Overleg KRW gevoerd wordt.
Vraag 23
Bent u bereid om de monitoring van PFAS en bestrijdingsmiddelen uit te breiden, zoals
aanbevolen in het rapport? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 23
De provincies en drinkwaterbedrijven zijn als eerste verantwoordelijk voor monitoring
van grondwaterkwaliteit en het is aan hen om hierin een afweging te maken. Dit in
afstemming met het ministerie IenW in het kader van de in het antwoord op vraag 2
benoemde uitwerking van de acties 7A, 7B en 7C uit het advies van de Studiegroep grondwater.
Zie ook het antwoord op vraag 3.
Vraag 24
Bent u bereid om – gezien het feit dat bij meerdere bedrijven is geconstateerd dat
ze goochelen met uitstootcijfers en informatie achterhouden (zoals bij CFS) – meer
regie te nemen en meer in te zetten op onafhankelijk, continu, fijnmazig en zoveel
mogelijk real time meten van gevaarlijke stoffen en deze data zo veel mogelijk openbaar
beschikbaar te maken, zodat de controle hierop en de toegang tot wat in de omgeving
aan stoffen wordt uitgestoten verbeterd wordt en minder afhankelijk is van bedrijven
(ook in lijn met motie-Teunissen c.s., Kamerstuk 28 089, nr. 302)?
Antwoord 24
Op dit moment is er geen aanleiding voor meer regie op het toezicht op afvalwaterlozingen
zoals bij het bedrijf CFS. In het geval van afvalwaterlozingen hebben bedrijven monitoring-
en rapportageverplichtingen, en doet het bevoegd gezag onafhankelijke controles hierop.
Bedrijven zijn verplicht hun lozingen te meten, te registreren en te rapporteren conform
de vergunningsvoorschriften. Deze gegevens vormen een belangrijk onderdeel van het
toezicht, maar staan niet op zichzelf. Waterbeheerders, zoals waterschappen en Rijkswaterstaat,
voeren daarnaast eigen metingen uit. Deze metingen vormen, in samenhang met de bedrijfseigen
cijfers, de basis voor de controle op de naleving van vergunningen. Deze onafhankelijke
controles bieden een noodzakelijke en structurele borging van de juistheid van de
emissiedata en verkleinen de afhankelijkheid van bedrijfsrapportages.
Waar signalen daartoe aanleiding geven, kan het bevoegd gezag aanvullende metingen
uitvoeren of specifieke meetverplichtingen opleggen. Ook wordt bij vergunningverlening
en actualisatie steeds bezien of de voorgeschreven monitoring passend is bij de risico’s
voor de waterkwaliteit, met bijzondere aandacht voor prioritaire en zeer zorgwekkende
stoffen. Ik zie daarom op dit moment geen aanleiding voor meer regie in de gekozen
systematiek voor afvalwaterlozingen.
Vraag 25
Wanneer wordt aan de toezegging voldaan, inclusief de beloofde vervolgstappen, zoals
geuit in de Voortgangsbrief Industrie en Omwonenden (Kamerstuk 28 089, nr. 335) dat eind dit jaar alle onderzoeksresultaten voortvloeiend uit het rapport en actieagenda
Industrie en Omwonenden integraal zouden worden gewogen en gedeeld met de Kamer, samen
met een tijdpad van mogelijke acties die hieruit voortvloeien?
Antwoord 25
Hier is aan voldaan met de Kamerbrief «Uitkomsten Actieagenda Industrie en Omwonenden»
gepubliceerd op 19 december 2025 (Kamerstukken 28 089, nr. 346). De onderzoeksuitkomsten zijn als bijlage bij de genoemde Kamerbrief gevoegd en
de vervolgacties worden in de Kamerbrief toegelicht.
Vraag 26
Kunt u deze vragen zo snel mogelijk één voor één beantwoorden?
Antwoord 26
Vanwege de benodigde afstemming tussen de ministeries van IenW, VWS en LVVN was het
niet mogelijk om deze vragen binnen de gebruikelijke termijn te beantwoorden. De Kamer
heeft hierover een uitstelbrief ontvangen.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
V.P.G. Karremans, minister van Infrastructuur en Waterstaat -
Mede namens
A.W.H. Bertram, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat -
Mede namens
S.T.M. Hermans, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede namens
S.P.A. Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.