Antwoord schriftelijke vragen : Antwoord op vragen van de leden Oosterhuis, El Boujdaini, Stultiens en Inge van Dijk over het FD-artikel 'Deur op kier voor btw-afdracht over sociale media'
Vragen van de leden Oosterhuis en El Boujdaini (beiden D66), Stultiens (GroenLinks-PvdA) en Inge van Dijk (CDA) aan de Staatssecretaris van Financiën over het FD-artikel «Deur op kier voor btw-afdracht over sociale media» (ingezonden 2 december 2025).
Antwoord van Staatssecretaris Heijnen (Financiën) (ontvangen 5 februari 2026).
Vraag 1
Bent u bekend met het feit dat Italië een btw-aanslag heeft opgelegd aan Meta, LinkedIn
en X?
Antwoord 1
Ja.
Vraag 2
Kunt u bevestigen dat de Europese Commissie van oordeel is dat er omzetbelasting geheven
mag worden over sociale media als gebruikers de instellingen kunnen aanpassen waardoor
de aanbieders persoonlijke data niet zomaar mogen verkopen en de gebruikers zelf minder
functionaliteiten ter beschikking hebben?
Antwoord 2
Nee. De Europese Commissie heeft op verzoek van Italië slechts een eerste analyse1 gepresenteerd aan de andere lidstaten en gevraagd om een reactie daarop. In de analyse
wordt beschreven dat heffing van btw in zulke situaties wellicht mogelijk is, omdat
er dan bepaalde omstandigheden aanwezig kunnen zijn waardoor gemakkelijker een «rechtstreeks
verband» kan worden gelegd tussen de door de aanbieder verrichte digitale dienst en
de door de gebruiker verstrekte data. De Commissie plaatst daar echter meteen een
aantal kanttekeningen bij. Zij merkt onder meer op dat het vaststellen van de waarde
van de data (de maatstaf van heffing; het bedrag waarover btw geheven zou kunnen worden)
lastig is en dat om die reden van geval tot geval een zorgvuldige beoordeling zal
moeten worden gemaakt om tot een rechtvaardige en werkbare uitkomst te komen.
Bovendien sluit de Commissie af met de opmerking dat het zogenoemde «Btw-comité»2 mogelijk niet het juiste gremium is om deze kwestie te bespreken en dat een aanpassing
van de Europese btw-richtlijn wellicht noodzakelijk is. De lidstaten zijn in de gelegenheid
gesteld om hun visie op de mening en analyse van de Commissie – die dus geen officiële,
of bindende interpretatie van de btw-richtlijn is3 – te delen. De gesprekken in het Btw-Comité zullen worden vervolgd en hebben dus
nog niet tot een zogenoemd «richtsnoer» geleid.
Vraag 3
Kunt u uiteenzetten wanneer en onder welke voorwaarden er volgens de Europese Commissie
omzetbelasting mag worden geheven over de data die aanbieders van sociale media van
hun gebruikers krijgen?
Antwoord 3
Vragen over btw-heffing over «gratis» diensten van sociale mediabedrijven zijn niet
nieuw. De centrale vraag is of tegenover de digitale («gratis») dienst een vergoeding
in natura staat: de persoonlijke data van de gebruikers die bedrijven gebruiken om
advertentie-inkomsten te verwerven.
Het Btw-comité heeft hierover in 2018 unaniem een richtsnoer aangenomen dat geen btw
kan worden geheven over dergelijke «gratis» diensten, omdat het zogenoemde «rechtstreeks
verband» tussen de digitale diensten en het verstrekken van persoonlijke data ontbreekt.4 Van een «rechtstreeks verband» is sprake wanneer tussen de verrichter en de ontvanger
van de dienst een rechtsbetrekking bestaat in het kader waarvan over en weer prestaties
worden uitgewisseld, en de door de dienstverrichter ontvangen vergoeding de werkelijke
tegenwaarde vormt voor de ten behoeve van de ontvanger verrichte dienst.5 De persoonlijke data vormt niet de werkelijke tegenwaarde voor de digitale dienst. De diensten worden namelijk ook verleend als de gebruiker
de persoonlijke data niet deelt. Dit richtsnoer geldt onverkort.
Italië meent dat er inmiddels situaties zijn waarvoor het unaniem aangenomen richtsnoer
niet geldt. Daarom heeft Italië om de mening van het Btw-Comité gevraagd. Het gaat
met name om de situatie waarin de mate van digitale dienstverlening afhankelijk is
van de kwantiteit en kwaliteit van de persoonlijke data die de gebruiker verstrekt.
Denk aan sociale mediabedrijven die minder foto's of video's zichtbaar maken als de
gebruiker instellingen aanpast die het platform beperkt in het gebruik van persoonlijke
data. In die situatie is volgens Italië wel een «rechtstreeks verband» aanwezig tussen
de digitale diensten en het verstrekken van de persoonlijke data.
De Commissie beschrijft dat dit een situatie kan zijn waarin een «rechtstreeks verband»
gemakkelijker kan worden gelegd. Zij tekent daarbij tegelijk aan dat het moeilijk
is om te kwantificeren wat het belastbare bedrag is.
Daarnaast gaat de Commissie in op de situatie waarin de gebruiker het gebruik van
de persoonlijke data niet beperkt en dus alle functionaliteiten behoudt. Zij merkt
daarbij op dat het erop lijkt dat Italië – door de gewijzigde bedrijfsmodellen – ook
in die gevallen van mening is dat (vanaf nu) toch sprake is van een «rechtstreeks
verband» en daarbij voorbijgaat aan het unaniem aangenomen richtsnoer uit 2018. Volgens
de Commissie kan ten aanzien van deze situatie nog altijd worden volgehouden dat er
geen belastbare prestatie plaatsvindt, omdat het «rechtstreeks verband» ontbreekt.
Tot slot omschrijft de Commissie volledigheidshalve nog het bedrijfsmodel waarbij
tegen betaling in geld een abonnement wordt afgesloten in ruil voor de volledige functionaliteiten,
maar dan zonder (gepersonaliseerde) advertenties te tonen. Volgens de Commissie is
het evident dat de gebruiker dan betaalt voor digitale diensten, zodat een met btw
belastbare dienst door het sociale mediabedrijf wordt verricht.
Vraag 4
Bent u van mening dat het verstrekken van persoonlijke data ten behoeve van gratis
toegang tot sociale media een belastbare transactie vormt?
Antwoord 4
Nee. Uitgangspunt blijft het unaniem aangenomen richtsnoer van het Btw-comité uit
2018. Dat betekent dat in de regel over het verstrekken van persoonlijke data bij
«gratis» toegang tot sociale media geen btw wordt geheven. Ik onderschrijf de mening
van de Commissie op dit punt, zoals beschreven bij de tweede situatie van antwoord
3.
Hoewel het eerder unaniem aangenomen richtsnoer het uitgangspunt blijft, kunnen er
zich situaties voordoen, zoals Italië aangeeft, die niet onder de reikwijdte van het
richtsnoer vallen. Dat is geheel afhankelijk van de feiten en de omstandigheden van
het geval. Ik onderschrijf echter de kanttekeningen die de Commissie voor deze situaties
plaatst bij het vaststellen van het bedrag waarover btw zou kunnen worden geheven.
De btw-richtlijn bevat op dit moment ook geen werkbare bepalingen om de maatstaf van
heffing (de vergoeding) te bepalen. Bovendien is het gelet op het grensoverschrijdende
karakter van digitale diensten van groot belang dat alle EU-lidstaten dezelfde benadering
hanteren. Met de Commissie ben ik van mening dat dit mogelijk om aanpassing van de
btw-richtlijn vraagt. De voortzetting van de gesprekken in het Btw-comité zijn om
die reden zeer belangrijk. Daar wil ik niet op vooruitlopen.
Vraag 5
Is het voor de Belastingdienst ook mogelijk in Nederland btw te heffen bij aanbieders
van sociale media over de data, die zij van gebruikers krijgen en is de Belastingdienst
voornemens dit te gaan doen? Zo nee, waarom niet? Welke stappen zijn er voor nodig
om dit te gaan doen en per wanneer zou de Belastingdienst hiertoe kunnen overgaan?
Antwoord 5
De Belastingdienst kan btw heffen als daarvoor een voldoende eenduidige juridische
grondslag is.
Zoals gezegd blijft het richtsnoer het uitgangspunt voor de beoordeling of btw-heffing
kan plaatsvinden over de waarde van persoonlijke data. Heffing van btw in situaties
die buiten het richtsnoer vallen, komt pas aan de orde als er een «rechtstreeks verband»
tussen de geleverde data en de dienstverlening kan worden vastgesteld én als vaststaat
over welk bedrag btw geheven zou kunnen worden. Daarover is op dit moment geen duidelijkheid.
Daarbij spelen ook andere heffingsaspecten zoals het bepalen van de lidstaat die heffingsbevoegdheid
heeft en de vraag of het op regelmatige basis «verkopen» van persoonlijke data door
de gebruikers tot ondernemerschap voor de btw leidt. Bovendien moeten eventuele uitstralingseffecten
naar andere, soortgelijke situaties (bijvoorbeeld loyaliteitsprogramma’s) worden onderzocht.
Op dit moment vindt in het Btw-comité nog gedachtenvorming plaats over deze kwestie.
Nederland draagt constructief bij aan deze gesprekken.
Vraag 6 en 7
Hoe hoog zou de jaarlijkse opbrengst zijn indien ook in Nederland btw wordt geheven
over sociale media conform het Italiaanse voorbeeld?
Hoe kijkt u naar het Italiaanse voorbeeld waar aanbieders van sociale media een naheffing
opgelegd krijgen over eerdere jaren waarin geen btw is betaald? Kan dit met inachtneming
van een betrouwbare overheid met terugwerkende kracht?
Antwoord 6 en 7
Op dit moment bestaat onvoldoende inzicht om een betrouwbare raming te maken van een
mogelijke btw-opbrengst over sociale media. Duidelijkheid over de maatstaf van heffing
ontbreekt.
Italië geeft bovendien geen inzicht in de maatstaf van heffing noch de wijze van berekening
waarop de (na)heffingsaanslag is gebaseerd. Ook de Commissie heeft geen richting gegeven
aan de manier waarop de maatstaf van heffing kan worden bepaald. Zij geeft juist aan
dat wellicht (aanvullende) EU-wetgeving noodzakelijk is. Gelet op deze onzekerheden
op zowel juridisch als methodologisch vlak kan op dit moment geen opbrengst worden
geraamd.
Indien wordt vastgesteld dat aanbieders van sociale media btw verschuldigd zijn over
het verlenen van toegang tot de platforms, zal de Belastingdienst onderzoeken welke
maatstaf van heffing van toepassing is. Daarnaast zal de Belastingdienst, binnen de
geldende wettelijke kaders, beoordelen over welke periode en tot welke hoogte heffing
kan plaatsvinden. In beginsel geldt daarbij een naheffingstermijn van vijf jaren na
het einde van het kalenderjaar waarin de belastingschuld is ontstaan, met inachtneming
van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
Ondertekenaars
E.H.J. Heijnen, staatssecretaris van Financiën
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.