Brief regering : Verduurzaming Industrie
29 826 Industriebeleid
32 813
Kabinetsaanpak Klimaatbeleid
Nr. 307
BRIEF VAN DE MINISTER VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI EN VAN DE STAATSSECRETARIS VAN
ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 10 april 2026
De energie-intensieve industrie (hierna: EII) heeft op dit moment te maken met een
«perfect storm»: hoge energieprijzen en (oneerlijke) concurrentie uit derde landen
verzwakken – in combinatie met koolstofbeprijzing – de internationale concurrentiepositie
met risico op sluitingen en verplaatsing van productie tot gevolg. Investeringen blijven
daarom helaas uit op dit moment. Het is essentieel in te blijven zetten op de groene
transitie, maar ook op nieuw verdienvermogen, en meer autonomie. Het kabinet kiest
dan ook voor een nieuwe balans in het Europese en Nederlandse klimaat-, energie- en
industriebeleid. Hierin gaan concurrentievermogen, verduurzaming en weerbaarheid hand
in hand.
Het belang van deze driehoek wordt door het conflict in het Midden-Oosten des te meer
benadrukt. De EII ervaart forse gevolgen in de toeleveringsketens, en de maatschappij
ervaart de gevolgen van stijgende energieprijzen en verstoring van de wereldeconomie,
ook in Nederland en Europa.1 Dat vraagt, naast weerbaarheid, om inzet op de twee andere pijlers uit de driehoek.
Door productieprocessen te verduurzamen en meer circulair te maken, zullen afhankelijkheden
van derde landen voor energie en grondstoffen verminderen. Door schone productie en
consumptie de norm te maken en daarmee de groene business case te verbeteren, zal
de industrie haar duurzame concurrentiepositie op de lange termijn versterken. Dit
is echter niet gemakkelijk. Juist daarom is het noodzakelijk om met erkenning van
maakbaarheidsvraagstukken de handen ineen te slaan voor een voortvarende realisatie
van de transitie, om als Nederland en Europa onze economische kracht te behouden en
weerbaarder te worden.
Europa als vertrekpunt
De schaalgrootte en economische kracht van de Europese interne markt maken de EU tot
het juiste bestuursniveau voor lange termijn klimaatbeleid; een gelijk speelveld;
groene marktcreatie; energieprijzen; onafhankelijkheid van grondstoffen; en de realisatie
van interstatelijke (energie-)infrastructuur voor de EII. Op die manier kan Europees
beleid bijdragen aan het versterken van de driehoek verduurzaming, concurrentievermogen
en weerbaarheid.
Een sterk en stabiel emissiehandelssysteem (EU-ETS) is de hoeksteen van klimaatbeleid
en zorgt – samen met de koolstofheffing aan de grens (CBAM) – voor lange termijn zekerheid
en de stimulans dat verduurzaming ook loont. Het kabinet erkent de zorgen van de EII
over haar concurrentiepositie ten opzichte van de rest van de wereld en ziet dat de
randvoorwaarden voor de EII verbeterd moeten worden. Om tegemoet te komen aan deze
zorgen zet het kabinet in op aanpassingen binnen het ETS en CBAM ter verbetering en
versterking van het systeem, waardoor alle sectoren binnen de EII goede marktbescherming
genieten. Via de uitwerking van onder andere de Clean Industrial Deal, specifiek de
Industrial Accelerator Act en het Grids Package tracht het kabinet randvoorwaarden
als energiekosten, vergunningprocedures, aansluiting op energie-infrastructuur en
mondiale concurrentiepositie te verbeteren.
De Industrial Accelerator Act (hierna: IAA) kan van groot belang zijn voor de verduurzaming,
de weerbaarheid en het concurrentievermogen van de industrie. In het bijbehorende
BNC fiche heeft het kabinet uiteengezet wat de Nederlandse inzet is rond de IAA. Ten
eerste wil het kabinet inzetten op versnelling van vergunningverlening voor verduurzamingsprojecten
in de industrie, door op Europees niveau een aanpassing te vragen om soepeler om te
gaan met (tijdelijke) stikstofemissies van industriële verduurzamingsprojecten.2 Ten tweede wil het kabinet meer ambitie op het gebied van vraagcreatie zien, bijvoorbeeld
door meer Europese productnormering en meer verplichtingen rond inzet van labels.
Ten derde zet het kabinet in op sterker beleid rond de versnellingsgebieden die lidstaten
moeten aanwijzen. Deze clusterbenadering van de Commissie heeft veel potentie, maar
dient niet tot meer regeldruk en verplichtingen te leiden. Er dient onderzocht te
worden hoe deze benadering meer voordelen kan bieden voor clustering van industriële
activiteiten, zodat de transitie in de clusters versneld kan worden.
Op het gebied van circulaire economie komt de Europese Commissie naar verwachting
dit jaar met de Circular Economy Act (CEA). Hierin wordt beoogd de interne markt voor
circulaire materialen te versterken. Dit draagt bij aan de Nederlandse inzet op concurrentievermogen,
weerbaarheid en verduurzaming.
Uitwerking Coalitieakkoord
Voor een succesvolle transitie is, naast Europese inzet, nationale regie nodig. Behoud
en opbouw van een duurzame industrie, maakt Nederland weerbaarder en draagt bij aan
een land wat we door willen geven. Dat vergt grootschalige investeringen in schonere
productietechnologieën. Bedrijven nemen deze investeringsbeslissingen pas als zij
voldoende zekerheid hebben dat de investeringen terugverdiend kunnen worden en de
verduurzaamde installaties op lange termijn concurrerend blijven. Daarvoor is een
(Europees) gelijk speelveld cruciaal. De petitie van de industriecoalitie3 schetst treffend wat de hoge elektriciteitskosten voor effect hebben op het speelveld
voor de Nederlandse industrie ten opzichte van andere EU-lidstaten en de rest van
de wereld. Het kabinet zet verschillende maatregelen voor een gelijker speelveld in
gang en geeft daarmee invulling aan de petitie van de industriecoalitie, de motie-Postma4 en de motie Bontenbal c.s.5
Allereerst wordt de nationale CO2-heffing afgeschaft. Daarnaast verlaagt het kabinet de elektriciteitskosten van de
energie-intensieve industrie om elektrificatie aantrekkelijker te maken en te zorgen
voor een gelijker speelveld. Hiervoor heeft het kabinet vanaf 2026 tot en met 2035
significante middelen gereserveerd, oplopend tot 1 miljard per jaar vanaf 2029. Als
eerste stap breidt het kabinet de indirecte kostencompensatie voor ETS 1 (IKC-ETS)
uit met 22 extra (sub)sectoren, in lijn met de door de EC geboden nieuwe mogelijkheden.
Door de uitbreiding van de regeling nemen de uitvoeringslasten toe, waardoor de middelen
voor de komende twee openstellingsrondes enkele maanden later uitbetaald worden.6 De uitbreiding richt zich specifiek op sectoren die door hoge elektriciteitskosten
in zwaar weer verkeren, zoals de chemie. Vervolgens zijn er nog andere mogelijkheden
om de IKC-ETS aan te passen waar het kabinet momenteel naar kijkt. Verder heeft het
kabinet middelen gereserveerd in een aparte envelop voor elektriciteitskosten waarvoor
op dit moment bestedingsopties worden uitgewerkt. Het kabinet informeert de Kamer
over de besteding van deze middelen en de uitwerking van de IKC, uiterlijk op Prinsjesdag.
In het voorjaar van 2027 treft het kabinet mogelijk aanvullende (nationale) maatregelen
ter bevordering van de verduurzaming en vermindering van afhankelijkheid van fossiele
brandstoffen. Daarbij zal het gelijk speelveld ook meegenomen worden.
Het kabinet monitort het speelveld ieder jaar via de speelveldtoets. Dit onderzoek
maakt inzichtelijk hoe o.a. klimaatbeleid de concurrentiepositie van de Nederlandse
industrie beïnvloedt. De speelveldtoets 2026 (bijlage 1) laat zien dat het verlagen
van de elektriciteitskosten bijdraagt aan een verbetering van het speelveld en dat
verduurzamingssubsidies nodig zijn om projecten rendabel te maken. Tegelijkertijd
resteren er knelpunten die verduurzaming in de weg staan zoals ontbrekende of ontoereikende
infrastructuur of complexe vergunningstrajecten waardoor kansrijke projecten nog niet
van de grond komen. De resultaten laten zien dat de gekozen combinatie van verduurzamingssubsidies,
inzet op een gelijk speelveld, en het adresseren van de knelpunten in de realisatie
kan leiden tot significante verduurzaming van de industrie, met oog voor concurrentievermogen
en weerbaarheid. In aanvulling op de speelveldtoets monitort het kabinet de komende
vier jaar de ontwikkeling van de elektriciteitskosten in Nederland en buurlanden.
Ten slotte, zal het kabinet standaard kijken naar de effecten op het gelijke speelveld
bij het invoeren van nieuw beleid.7 Onderzocht wordt hoe dit vorm gegeven kan worden, en of de jaarlijkse speelveldtoets
hier een rol in kan spelen of dat andere opties, zoals een standaardtoets vergelijkbaar
met een regeldruktoets, effectiever is.
Bestuurlijke afspraken, Maatwerkafspraken en ruimtelijk-economische strategie
De verduurzaming van de industrie en vereiste aanpassingen in het kader van weerbaarheid
vragen samenwerking en commitment van alle betrokken partijen. Het kabinet is daarom
voornemens om bestuurlijke afspraken te maken met de industrie over verduurzaming.
Het kabinet gaat in dit kader ook door met de bestaande maatwerkafspraken. Met Tata Steel
Nederland, Alco Energy Rotterdam en AnQore is al een Joint Letter of Intent (JLoI)
getekend. Met Cosun is een JLoI én de eerste van twee definitieve maakwerkafspraken
getekend. Eerder werd al met Nobian een definitieve maatwerkafspraak gemaakt en aan
Yara een maatwerksubsidie verstrekt.
In het Coalitieakkoord is opgenomen dat nieuwe maatwerkafspraken zich richten op clusters
en gebieden. Voor deze nieuwe maatwerkaanpak zijn louter middelen uit generieke regelingen
beschikbaar. Het kabinet wil voortbouwen op de bestaande samenwerking van en met de
clusters. Het kabinet maakt bij de uitwerking van een vernieuwde aanpak ook gebruik
van de observaties en adviezen over de maatwerkaanpak industrie van de Adviescommissie
Maatwerkafspraken Verduurzaming Industrie (AMVI) die zijn opgenomen in bijgaand advies
(bijlage 2). De AMVI gaat op basis van de ervaringen van de afgelopen jaren onder
meer in op de gewijzigde context, herijking van de doelstelling van de maatwerkaanpak
en het beoordelingskader, aandachtspunten voor een clustergerichte maatwerkaanpak
en de benodigde instrumenten. Het kabinet deelt de observatie van de AMVI dat een
clusterbenadering voordelen kan hebben zoals het realiseren van schaalvoordelen en
het integraal adresseren van onderlinge afhankelijkheden tussen bedrijven. De AMVI
wijst er wel op dat een clustergerichte aanpak nog complexer is dan de bestaande maatwerkaanpak.
De AMVI constateert ook dat specifieke financiering vereist is voor een succesvolle
aanpak. Het kabinet gaat met de uitwerking van de clustergerichte aanpak aan de slag
en onderzoekt wat daarvoor nodig is. Momenteel wordt al met een aantal industrieclusters
gesproken over de vormgeving van een clustergerichte aanpak. Het cluster Chemelot
werkt al enige tijd aan een clusterplan in opdracht van de Provincie Limburg en het
Ministerie van EZK. Belangrijk uitgangspunt voor de nieuwe aanpak zijn de concrete
investerings- en verduurzamingsplannen van de bedrijven.
Voor de vijf geografische industrieclusters loopt een ontwerpend onderzoek als basis
voor de ruimtelijk-economische strategie. Deze zijn in de ontwerpnota Ruimte aangewezen
als gebieden van nationaal belang.8 Maar voor de ontwikkeling en verduurzaming van deze clusters is te weinig (fysieke
en milieu)ruimte beschikbaar voor de vestiging van nieuwe duurzame en/of circulaire
bedrijven, de groei en transitie van bestaande bedrijven en de aanleg van energie-infrastructuur
voor de energietransitie. Om op tijd voldoende ruimte te realiseren en de ruimte die
er is toekomstbestendig te benutten, neemt het kabinet meer regie op de clusters met
een ruimtelijk-economische strategie per cluster. Deze strategie zal ook het kader
vormen waarbinnen eventueel een nieuwe fase van de Maatwerkaanpak meer gebiedsgericht
kan worden ingezet.
De motie-Bontenbal9 verzoekt om naast de Maatwerkafspraken groene investeringen aan te trekken. Met de
Versterkte Aanpak Nieuwe Industrie richten het kabinet zich onder andere op het aantrekken
van buitenlandse groene investeringen en geeft invulling aan deze motie. Dit gebeurt
door actieve begeleiding van potentiële investeringen in samenwerking met de NFIA.
De begeleiding gebeurt door actief in contact te staan met de potentiële buitenlandse
investeerders, deze maximaal te ontzorgen en te overtuigen om zich in Nederland te
vestigen. Grote bedrijven moeten namelijk groener en groene bedrijven moeten groter.
Een goed voorbeeld hiervan is Reju, waar later in deze brief nader op in wordt gegaan.
In het Coalitieakkoord wordt het belang van nieuwe investeringen ook onderschreven.
Daarvoor wordt een nieuwe investeringsinstelling opgericht, die mogelijk ook voor
nieuwe groene investeringen kan worden ingezet; dit in lijn met het rapport Wennink.
Kabinetsreactie WKR-rapport
Het kabinet dankt de WKR voor het uitgebreide en richtinggevende advies «Kiezen of
verliezen».10 Het rapport bevestigt dat de industrietransitie een complexe opgave is waarin onder
andere klimaatbeleid, welvaart en maatschappelijke acceptatie samenkomen. Het kabinet
herkent in belangrijke mate het beeld dat de concurrentiepositie van de energie-intensieve
industrie onder druk staat en dat rendabele opties om duurzamer te produceren op het
moment veelal ontbreken. Mede hierdoor blijft verduurzaming achter en blijft Nederland
afhankelijk van fossiele brand- en grondstoffen. Tegelijkertijd onderstreept het kabinet
dat Nederland, mede dankzij de bestaande industrieclusters, logistieke positie en
kennisbasis ook in de toekomst aantrekkelijk blijft voor duurzame industriële activiteiten.
Niet alle industriële activiteiten zullen toekomstbestendig blijken. Het maken van
objectiveerbare keuzes voor bepaalde industrietakken is in de praktijk echter complex.
Het kabinet zet in op een voorspelbaar verduurzamingspad (ETS) en op het realiseren
van randvoorwaarden waarin toekomstbestendige activiteiten zich kunnen ontwikkelen.
Aanvullend is er ruimte voor positief kiezen door een afweging te maken welke activiteiten
het kabinet graag wil behouden of opbouwen. De industrietransitie is een langdurig
proces met grote onzekerheden. Het kabinet ziet het advies van de WKR als een belangrijke
bijdrage aan het debat over de toekomst van de Nederlandse industrie en neemt de aanbevelingen
ter harte bij de verdere ontwikkeling van het klimaat- en industriebeleid. In onderstaande
bijlage is een uitgebreidere reactie op dit advies opgenomen.
Realisatie verduurzaming industrie
Zoals ook beschreven in het rapport van de WKR is de verduurzaming van de industrie
een complexe transitie waar sprake is van weerbarstige uitvoering en realisatie. Dat
vraagt continue sturen en bijsturen, een lange adem en steeds keuzes maken en prioriteren.
Dat richt zich op verschillende verduurzamingsroutes, zoals elektrificatie en waterstof,
maar ook op het oplossen van knelpunten zoals stikstof en netcongestie.
Samen met de betrokken partijen binnen het Nationaal Programma Verduurzaming Industrie
(NPVI) wordt gewerkt aan realisatie van een duurzame industrie. Motie-de Groot verzoekt
de regering een structurele overlegtafel met het bedrijfsleven in te richten om vanuit
samenwerking, ondersteuning en wederzijdse verplichtingen te komen tot een succesvolle
aanpak van verduurzaming.11 Het NPVI vervult sinds 2023 deze functie van overlegtafel en is het centrale vehikel
voor publiek-private samenwerking tussen overheden, netbeheerders en vertegenwoordigers
van de industrie. Het programma biedt inzicht in de complexiteit van opgaven en stuurt
op het oplossen van knelpunten in de uitvoering, met als doel de verduurzaming van
de industrie te versnellen. In het vervolg zullen wij beiden, de Minister en Staatssecretaris
van Klimaat en Groene Groei, deelnemen aan de stuurgroep van het NPVI. Daarmee wordt
zowel de focus op strategie als realisatie geborgd en de industrie betrokken bij belangrijke
beleidswijzigingen. Het NPVI kan zo optimaal benut worden om te komen tot de succesvolle
samenwerking en aanpak voor verduurzaming zoals beoogd de motie-de Groot. Naast het
NPVI is dit voorjaar ook de sectortafel chemie en materialen opgericht, waar wij,
de Minister en de Staatssecretaris van Klimaat en Groene Groei, in gesprek gaan met
een brede vertegenwoordiging van bedrijven uit de sector.
De belangrijkste verduurzamingsroute voor de EII is elektrificatie. Een groot deel
van de industriële processen kan op dit moment technisch al geëlektrificeerd worden.
Dit sluit aan bij het Coalitieakkoord, waarin sterk wordt ingezet op elektrificatie
van de industrie. Om elektrificatie mogelijk en rendabel te maken voor de industrie
zet het kabinet in op de uitvoering van de Actieagenda Elektrificatie Industrie.12 In dat kader wordt bezien in hoeverre bestaande verduurzamingsregelingen zoals SDE++,
NIKI, VEKI en DEI+, optimaal ingezet kunnen worden voor industriële elektrificatie.
In samenhang hiermee wordt de Flex-e regeling doorontwikkeld en wordt verkend of ook
deze voor de EII verbeterd kan worden. Voor de voortzetting van de Flex-e en uitbreiding
met een XL-onderdeel (met hogere steunbedragen voor de EII) is nog geen budget toegekend.
Conform de motie-Grinwis13 informeert het kabinet de Kamer bij deze over de inschatting van het benodigde budget.
Er is in totaal € 198,9 miljoen nodig voor de jaren 2027 tot en met 2030. Hiervoor
is een reservering opgenomen in het Meerjarenprogramma van het Klimaat- en energiefonds.
Aanvullend wordt, in samenwerking met Invest-NL, gewerkt aan de ontwikkeling van een
cPPA-garantiefonds14 om de toegang tot de PPA-markt te verbeteren. Veel bedrijven – vooral in het mkb
en de industrie – hebben geen of onvoldoende kredietwaardigheid om langdurige afnamecontracten
voor elektriciteit af te sluiten. Financiers accepteren dat risico vaak niet, waardoor
veel projecten niet van de grond te komen. Een cPPA-garantiefonds kan dat doorbreken.
Het dekt een deel van het kredietrisico af, waardoor financiers vaker instappen. Hiermee
draagt het fonds bij aan de realisatie van duurzame energieprojecten, betere toegang
tot duurzame elektriciteit voor bedrijven en het mobiliseren van privaat kapitaal.
De eerste pilots zijn voorzien in 2027. Hiermee wordt tevens invulling gegeven aan
de motie-Kröger.15
Vanwege de hoge kostprijs voor hernieuwbare waterstof, heeft het kabinet een onderzoek
naar andere waterstofproductietechnieken laten uitvoeren die de industrie kan inzetten
om te verduurzamen met als richtjaar 2035. Het eindrapport «MCA waterstofproductietechnieken»
is bijgevoegd (bijlage 3). Het kabinet heeft toegezegd om in het najaar met een Kamerbrief
te komen over koolstofarme waterstof en zal hierin naast blauwe waterstof (aardgas
met CCS) ook de andere vormen van koolstofarme waterstof meenemen in reactie op het
rapport.
Een groot deel van de Nederlandse industrie ondervindt de gevolgen van de stikstofcrisis;
veel vergunningen kunnen niet worden verleend en dit heeft negatieve consequenties
voor investeringen, waaronder verduurzamingsprojecten. De komende periode zet het
kabinet enkele belangrijke stappen op dit vlak. Allereerst werkt het kabinet aan een
voorstel voor effectieve inzet van de middelen voor stikstofbronmaatregelen in de
sectoren industrie en mobiliteit. Besluitvorming over de hiervoor gereserveerde € 250
miljoen vindt plaats met Prinsjesdag 2026. Daarnaast gaat het kabinet door met de
gebiedsgerichte stikstofaanpak in de Rotterdamse Haven, een goed voorbeeld waar Rijk,
Provincie en het bedrijfsleven actief samenwerken om de vergunningverlening los te
trekken. Met deze aanpak wordt extra ingezet op natuurherstel in en rond de Natura
2000 gebieden die voor vergunningverlening voor de haven belangrijk zijn.
In 2025 is de NIKI-regeling voor het eerste opengesteld. De NIKI is voor de commerciële
opschaling van innovatieve technieken voor verduurzaming van de industrie. Het is
de eerste regeling in Europa die niet alleen inzet op directe emissiereductie in de
industrie, maar ook op emissiereductie in de volledige productieketen, de zogeheten
scope 1-, 2- en 3-emissies. Voor de eerste openstelling was de belangstelling groot:
in totaal is voor € 364 miljoen subsidie aangevraagd, tegenover een beschikbaar budget
van € 211 miljoen. Binnen deze eerste ronde is het innovatieve project van Reju positief
beschikt voor € 135 miljoen. Met dit project wordt op grote schaal afgedankt textiel
verwerkt tot nieuwe circulaire grondstoffen voor de productie van nieuw polyester,
waarmee CO2-uitstoot wordt verminderd en waardevolle materialen behouden blijven. Tegelijkertijd
wordt, op basis van de eerste ervaringen, verder gewerkt aan het verbeteren van de
regeling en het verminderen van de regeldruk voor een tweede openstelling in het najaar
van 2026.
Verduurzaming cluster 6
Het kabinet heeft de Kamer eerder geïnformeerd over de verschillende verduurzamingsroutes
voor cluster 6-bedrijven.16 Conclusie hierin is dat veel processen voor cluster 6-bedrijven zijn te elektrificeren
en waar dat niet kan is waterstof of biogas een logische verduurzamingsoptie. Verder
heeft het Kabinet met deze brief ook het Actieplan 2.0 Cluster 6 naar de Kamer gestuurd. Onderdeel van dit Actieplan is de regioaanpak waarbij groepen
bedrijven die geografisch dicht bij elkaar liggen en gezamenlijk willen verduurzamen
ondersteuning kunnen krijgen van een gebiedsregisseur. Daarnaast is er onder meer
budget beschikbaar gesteld voor haalbaarheidsonderzoeken. Afgelopen januari is RVO
van start gegaan met de eerste twee aanpakken. Ten eerste het Gelderse cluster baksteenfabrieken
Brick Valley en ten tweede de samenwerking tussen Nyrstar, Metalot en Trespa.
Een ander onderdeel van het Actieplan is de continuering van de casusaanpak. Via deze
casusaanpak worden knelpunten bij verduurzaming geïnventariseerd en geprobeerd op
te lossen met de diverse stakeholders. Uit eerdere casuïstiek is gebleken dat cluster 6-bedrijven
hoge investeringskosten voor verzwaring van hun aansluiting ervaren omdat ze relatief
ver weg liggen van een onderstation. Daarom onderzoekt InvestNL wat de verschillende
financieringsmogelijkheden zijn voor deze kosten. Vanuit het Actieplan wordt breed
gekeken wat cluster 6-bedrijven nodig hebben om te verduurzamen. Zo is er in samenwerking
met de glasbranche een onderzoek gedaan wat de beste verduurzamingsoptie is voor deze
bedrijven. Cluster 6-bedrijven maken waar mogelijk al goede voortgang in verduurzaming.
Zo blijkt uit de monitoring van het Nationaal Programma Verduurzaming Industrie (NPVI)
dat cluster 6-bedrijven goed gebruik maken van het verduurzamingsinstrumentarium en
zijn ze als cluster één van de grootste afnemers van de SDE++, VEKI en ISDE-subsidies.
Tot slot
Het conflict in het Midden-Oosten maakt onze afhankelijkheden eens te meer duidelijk.
Juist nu is het essentieel om de handen ineen te slaan om afhankelijkheden te verminderen
en weerbaar te worden, zodat we in de toekomst niet meer in zulke situaties terechtkomen.
Dat vraagt om zo snel mogelijke realisatie van de transitie naar een duurzame en weerbare
industrie. Daarbij zullen we zo creatief mogelijk moeten omgaan met maakbaarheidsuitdagingen,
zoals netcongestie, de beschikbaarheid van talent en met de ontwikkelingen in de landen
om ons heen. Daarvoor is nauwe samenwerking tussen alle overheidslagen en met het
bedrijfsleven essentieel. Dat alles doen we met oog voor de lange termijn en het einddoel
dat we voor ogen hebben: een concurrerende en duurzame industrie voor een weerbaar
Nederland en Europa.
De Minister van Klimaat en Groene Groei,
S. van Veldhoven-van der Meer
De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat,
J. de Bat
BIJLAGE: KABINETSREACTIE WKR RAPPORT «KIEZEN OF VERLIEZEN»
Met deze brief reageert het kabinet op het advies Kiezen of verliezen. Naar een industrie die past in een toekomstbestendig Nederland dat de Wetenschappelijke Klimaatraad (WKR) op 29 januari heeft uitgebracht.
Het advies van de WKR
Het advies gaat in op de vraag hoe Nederland kan komen tot een toekomstbestendige,
klimaatneutrale en concurrerende industrie die bijdraagt aan brede welvaart. De WKR
concludeert dat de verduurzaming van de energie-intensieve industrie met het huidige
beleid onvoldoende van de grond komt, en dat zowel het concurrentievermogen als de
maatschappelijke acceptatie van de sector onder toenemende druk staat. De WKR stelt
vast dat het verduurzamen van de energie-intensieve industrie in haar huidige vorm
en omvang niet past in een klimaatneutraal, toekomstbestendig en concurrerend Nederland.
Om tot het gewenste eindbeeld te komen, zijn ingrijpende veranderingen nodig in de
industrie en het systeem van infrastructuur, waardeketens en marktstructuren om de
industrie heen.
De WKR adviseert de regering om te kiezen voor het steunen van toekomstbestendige
delen van de industrie waarbij de belangen van de samenleving als geheel moeten worden
meegewogen, zoals op gebied van gezondheid, werkgelegenheid en strategische autonomie.
Daarbij benadrukt de Raad het belang van: langjarig consistente beleidskeuzes met
brede welvaart als uitgangspunt en gerichte steun; de aanwezigheid van groene verdienmodellen
en adequate energie- en grondstoffeninfrastructuur; en Europese samenwerking als uitgangspunt
bij koolstofweglek en strategische autonomie.
De Raad doet de volgende acht aanbevelingen voor groen industriebeleid:
1. Bepaal zo snel mogelijk de industrietakken die passen in een klimaatneutraal, klimaatbestendig,
veilig en concurrerend Nederland en voer daarop consistent beleid.
2. Beschouw de transformatie naar een duurzame industrie als een brede maatschappelijke
opgave.
3. Geef de industriële transformatie vorm in gebiedsvisies van nieuwe én bestaande duurzame
industrieclusters en maak deze leidend bij keuzes over nieuwe infrastructuur.
4. Dek de risico’s rond investeringen in energie- en grondstoffeninfrastructuur publiek
af.
5. Zet in op het handhaven van minimaal het huidige ETS-reductiepad naar nul nieuwe emissierechten
na 2040 en sluis de opbrengsten via een duurzame-industriefonds terug naar de verduurzaming
van de sector.
6. Richt de grondslag van de belasting voor de energie-intensieve industrie zo in dat
klimaatkosten worden beprijsd.
7. Stimuleer vraagcreatie voor CO2-neutrale materialen via normering door een bijmengverplichting te introduceren en
door producteisen te stellen.
8. Creëer een duurzame-industriefonds dat nieuwe bedrijven en transformatieve ombouw
van bestaande bedrijven met subsidies, leningen of participatie helpt.
Reactie op het advies
Het kabinet apprecieert de aanbevelingen van de WKR uit het rapport als volgt:
1. Keuzes voor een toekomstbestendige industrie. Het kabinet onderschrijft dat schaarse middelen zoals ruimte, netcapaciteit en publieke
financiering gericht moeten worden ingezet. Daarmee ondersteunt het kabinet de oproep
van de WKR om positief te kiezen voor toekomstbestendige sectoren van harte. Het kabinet
voert reeds beleid dat de transitie naar toekomstbestendige activiteiten ondersteunt,
zoals via innovatieprogramma’s, infrastructuurontwikkeling en generieke subsidies.
Ook heeft het vorige kabinet in de Kamerbrief Industriebeleid met focus17 aangegeven zich te richten op zes prioritaire groeimarkten, waaronder groene chemie
en circulaire materialen. Daarnaast heeft het vorige kabinet in de Kamerbrief Toekomstperspectief
energie-intensieve industrie18, de kamerbrief Duurzame chemie19 en in de Klimaat- en energienota20 reeds benoemd dat bepaalde industriële activiteiten hier minder kansrijk en toekomstbestendig
worden geacht. Tegelijkertijd is het maken van objectiveerbare keuzes voor bepaalde
industrietakken in de praktijk complex. Industriële waardeketens zijn internationaal
verweven, technologische ontwikkelingen zijn onzeker en bedrijven nemen uiteindelijk
zelf investeringsbeslissingen. Het beleid richt zich daarom primair op het creëren
van randvoorwaarden waarin duurzame, toekomstbestendige activiteiten zich kunnen ontwikkelen.
Rond de zomer van dit jaar publiceert het kabinet de actualisatie van het Nationaal
Programma Energiesysteem, met daarin een visie op de ontwikkeling van het energiesysteem
in 2040 en verder. Het kabinet gaat daarnaast werken aan de ontwikkeling van sectorale
transitiepaden die worden meegenomen in de klimaatbesluitvorming van 2027.21
2. Industrietransformatie als brede maatschappelijke opgave. Het kabinet deelt het uitgangspunt dat de industrietransitie een brede maatschappelijke
opgave is waarin allerlei belangen moeten worden afgewogen. De transitie raakt werkgelegenheid,
regionale economieën en de leefomgeving. Daarom zet het kabinet in op een rechtvaardige
transitie met aandacht voor burgers (ook als werknemers en omwonenden) en betrokkenheid
van maatschappelijke partijen, wat onder andere gebeurt via het Nationaal Burgerberaad
Klimaat, en geeft daarmee invulling aan de motie-Kröger.22 Daarbij onderschrijft het kabinet het belang van beschikbare uitvoeringskracht.
3. Gebiedsvisies voor infrastructuurplanning. Het kabinet onderschrijft het belang van een gebiedsgerichte aanpak. Nederland werkt
in de vorm van het Meerjarenprogramma Infrastructuur Energie en Klimaat reeds met
regionale plannen waarin industrie, infrastructuur en ruimtelijke ontwikkeling samenkomen.
Deze plannen vormen de basis voor prioritering van investeringen in energie- en grondstoffeninfrastructuur.
In de ontwerpNota ruimte worden de vijf grote industrieclusters aangemerkt als strategisch
van nationaal belang voor het toekomstige verdienvermogen, de energietransitie en
de circulaire economie van Nederland23. In het Coalitieakkoord is daarnaast een nationaal ruimtelijk-economische strategie
aangekondigd waarmee de clustering van zware industriële activiteiten beoogd wordt.
4. Dek infrastructuurrisico’s publiek af. Het kabinet erkent dat vollooprisico’s de realisatie van infrastructuurprojecten
kunnen vertragen en dat dit onwenselijk is. De rijksoverheid spant zich in voor een
tijdige versterking van het elektriciteitsnetwerk, zoals middels het verstrekken van
garanties aan Tennet en de Landelijke Aanpak Netcongestie met de betrokken partijen.
Ook bij de realisatie van het waterstofnetwerk en pijpleidingen voor CO2-transport dekt de rijksoverheid risico’s af.24
5. Handhaaf het huidige ETS-pad. Het kabinet onderschrijft het centrale belang van het EU-ETS als hoeksteen voor
kosteneffectieve emissiereductie. Daarbij moet worden voorkomen dat productie en emissies
zich verplaatsen naar plekken buiten Europa met minder streng klimaatbeleid. Daarom
zet het kabinet in Europa onder andere in op maatregelen tegen koolstofweglek, zoals
via versterking van het Carbon Border Adjustment Mechanism (CBAM).
6. Belasten van klimaatkosten. Het kabinet erkent dat prijsprikkels belangrijk zijn voor het stimuleren van verduurzaming.
Het voorstel van de WKR om nationale belastingen sterker te baseren op CO2-intensiteit moet worden bezien in samenhang met andere Europese landen om en ongelijk
speelveld binnen Europa te voorkomen. Europese harmonisatie heeft daarom de voorkeur.
Deze aanbeveling wordt in EU-verband opgepakt.
7. Vraagcreatie door normering. Het kabinet onderschrijft het belang van vraagcreatie naar groene producten om verduurzaming
te stimuleren, en neemt de aanbevelingen van de WKR in verdere voorstellen mee. Nederland
pleit binnen de EU voor ambitieuze vraagcreatie en normering op Europees niveau, zoals
via de Industrial Accelerator Act en de Critical Chemical Alliance. Inzet hierbij
is om zowel de vraag naar duurzame grondstoffen als CO2-arme productiemethoden te stimuleren, onder andere via publieke aanbesteding en verplichte
productlabels. Nationale vormen van vraagcreatie zijn effectief als ze niet leiden
tot een ongelijk speelveld binnen Europa, zoals bij markten die relatief lokaal zijn.
Zo heeft het kabinet een wetsvoorstel in voorbereiding om de vraag naar duurzame bouwmaterialen
stimuleren door bij aanbestedingen in de grond-, weg- en waterbouw minimale milieueisen
te stellen voor asfalt, beton en staal per 1 januari 2027.
8. Duurzaam industriefonds. De WKR stelt voor een nieuw fonds in te richten voor duurzame industrie, gefinancierd
uit ETS-opbrengsten. Het kabinet merkt op dat Nederland substantiële middelen inzet
via onder meer de SDE++ en het Klimaat- en energiefonds, en dit deels continueert.
De opbrengsten uit het ETS worden in Nederland op dit moment al ingezet voor de energietransitie
en klimaatdoelen. De Europese Commissie presenteert op korte termijn plannen voor
een Industrial Decarbonisation Bank met een begroting van € 100 miljard, grotendeels
gefinancierd vanuit opbrengsten uit het ETS. Het Coalitieakkoord bevat daarnaast plannen
voor een nieuw op te richten Nationale Investeringsinstelling (NII) dat zich onder
meer richt op financiering voor het overbruggen van de vroege groeifase van transitie-
of innovatieprojecten.
Indieners
-
Indiener
S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei -
Medeindiener
J. de Bat, staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat