Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over de kabinetsreactie op bericht dat gemeenten steeds strenger worden met het toekennen van pgb-budgetten (Kamerstuk 25657-379)
2026D15971 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport bestond bij enkele fracties
behoefte een aantal vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Minister van Langdurige
Zorg, Jeugd en Sport over de kabinetsreactie op het bericht dat gemeenten steeds strenger
worden met het toekennen van pgb-budgetten1.
De fungerend voorzitter van de commissie,
Mohandis
Adjunct-griffier van de commissie,
Heller
Inhoudsopgave
I.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep Markuszower
II.
Reactie van de Minister
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie op het bericht
dat gemeenten steeds strenger worden met het toekennen van pgb-budgetten.
In de kabinetsreactie staat dat de Minister geen signalen heeft ontvangen van het
strenger worden van gemeenten in de toekenning van pgb-budgetten. Uit het onderzoek
van Pointer blijkt dat een grote meerderheid van de clientondersteuners van stichting
MEE (83 procent) ziet dat de gemeenten de afgelopen twee jaar strenger zijn geworden
in het toekennen van pgb-budgetten. Hoe verklaart de Minister deze ervaringen uit
het veld?
Daarnaast wijzen de leden van de D66-fractie op de mogelijke ongelijkheid tussen gemeenten.
Door de beleidsvrijheid binnen de Jeugdwet kunnen verschillen ontstaan in de toekenning
van pgb-budgetten, waardoor gezinnen afhankelijk zijn van hun woonplaats voor de mate
van ondersteuning die zij ontvangen. Deze leden vragen in hoeverre de Minister deze
verschillen in kaart heeft en hoe er wordt gezorgd dat overal aan een bepaald voorzieningenniveau
wordt voldaan.
Tot slot constateren de leden van de D66-fractie dat de Minister in de reactie voornamelijk
wijst op bestaande uitgangspunten en verantwoordelijkheden van gemeenten. Deze leden
vragen of de Minister van mening is dat deze voornamelijk faciliterende en decentrale
aanpak toereikend is, gezien de geschetste signalen uit de praktijk. Voorziet de Minister
mogelijkheden om, waar nodig, aanvullende maatregelen te treffen, zoals het versterken
van landelijke kaders, betere monitoring of gerichter toezicht, om te waarborgen dat
gezinnen tijdig passende ondersteuning ontvangen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie
op het bericht dat gemeenten steeds strenger worden met het toekennen van pgb-budgetten.
Zij hebben hier nog enkele vragen en opmerkingen over.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in de reactie dat de Minister geen signalen
heeft ontvangen dat gemeenten strenger zijn geworden in het toekennen van pgb-zorg.
Deze leden wijzen echter op het artikel en de uitzending van Pointer, waarin ook verwezen
wordt naar de position paper van Ieder(in) «Toch (niet) te veel gevraagd?», waarin
ouders en cliëntondersteuners wel degelijk aangeven dat zij ervaren dat gemeenten
strenger zijn geworden met het toekennen van pgb-budgetten. Hoe rijmt dat met de constatering
van de Minister dat zij geen signalen heeft ontvangen? Is er inmiddels contact geweest
met Ieder(in) en Per Saldo over deze signalen? Zo nee, waarom niet en is de Minister
bereid alsnog in gesprek te treden met hen? Zo ja, wat is er voortgekomen uit dit
contact? Zou gereflecteerd kunnen worden op de gevolgen die het strenger omgaan met
het toekennen van pgb-budgetten heeft voor gezinnen met een kind met een zorgvraag?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat gemeenten aan zet zijn om invulling
te geven aan de visie uit het VN-verdrag Handicap door middel van hun lokale inclusiebeleid.
Hoeveel gemeenten hebben inmiddels een eigen inclusiebeleid, conform de principes
van het VN-Verdrag Handicap, vastgesteld? Welke rol ziet de Minister voor zichzelf
in het aanjagen van lokale inclusiebeleid? Welke rol ziet de Minister voor zichzelf
in het bewaken van de vrije keuze voor het pgb? Genoemde leden lezen daarnaast ook
dat de overheid, waaronder gemeenten, op basis van het VN-verdrag Handicap verplicht
is om het mogelijk te maken dat mensen met een beperking zoveel mogelijk mee kunnen
doen. Kan nader toegelicht worden welke concrete verplichtingen voor enerzijds gemeenten
en anderzijds provincies er vanuit het VN-Verdrag voortvloeien? Kan tevens toegelicht
worden in hoeverre lagere overheden, zoals gemeenten en provincies, zich voldoende
bewust zijn van hun plichten ten opzichte van het VN-Verdrag Handicap? Welke rol ziet
de Minister voor zichzelf in het handhaven van het naleven van de verplichtingen uit
het verdrag, in het bijzonder op het lokale en provinciale niveau?
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA zouden graag aandacht willen vragen voor
de problemen met onvoldoende toereikende pgb tarieven. Zij ontvangen signalen dat
het regelmatig voorkomt dat budgethouders niet uitkomen met de opgelegde tarieven,
met als gevolg dat ze daardoor in de knel komen of zelfs niet verder kunnen met het
pgb. Dit is ook herhaaldelijk aangekaart door budgethouders en hun belangenbehartiger,
Per Saldo. Genoemde leden erkennen dat er sinds 2024 een handreiking bestaat voor
toereikende pgb-tarieven voor het sociaal domein. Sindsdien is echter herhaaldelijk
geconstateerd dat het gebruik van de handreiking te vrijblijvend is en daardoor onvoldoende
of niet goed wordt toegepast. Herkent het kabinet dit beeld? Zo nee, waarom niet?
Zo ja, welke concrete maatregelen zullen er genomen worden om erop toe te zien dat
de handreiking vaker correct toegepast wordt? Deze leden willen ook graag opmerken
dat een soortgelijke handreiking ontbreekt voor de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet
(Zvw). Zij zien echter zeker de toegevoegde waarde hiervan. Is de Minister bereid
een soortgelijke handreiking te ontwikkelen voor de Wlz en Zvw?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich tevens zorgen over het voortbestaan
van ouderinitiatieven wegens onder andere ontoereikende tarieven. Zij vragen de Minister
of stappen gezet zijn om samen met ouderinitiatieven in kaart te brengen waar zij
tegen aan lopen ten aanzien van de financiering en te bekijken wat een passende oplossing
zou kunnen zijn.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie op het bericht
dat gemeenten steeds strenger worden met het toekennen van pgb-budgetten. Deze leden
vinden dat ouders van kinderen met een levenslange en levensbrede beperking goed geholpen
moeten worden en niet vermalen mogen raken tussen beleid, procedures en financiële
afwegingen van gemeenten. De Minister schrijft dat zij geen signalen heeft ontvangen
dat gemeenten strenger zijn geworden in het toekennen van pgb-zorg, terwijl de kabinetsreactie
juist is opgesteld naar aanleiding van een artikel en onderliggend onderzoek waarin
dergelijke signalen naar voren komen. De leden van de PVV-fractie hebben daarom de
volgende vragen.
Deze leden vragen hoe de Minister kan stellen geen signalen te hebben ontvangen dat
gemeenten strenger zijn geworden met de toekenning van pgb-zorg, terwijl het artikel
van Pointer en het onderliggende rapport van Ieder(in), gebaseerd op signalen van
ouders en cliëntondersteuners, juist aanleiding vormden voor deze kabinetsreactie.
De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister deze signalen niet als serieuze
signalen beschouwt.
Ook vragen deze leden op welke bronnen de Minister haar stelling baseert dat zij geen
signalen heeft ontvangen. Deze leden vragen de Minister of dit actief is uitgevraagd
bij ouders, cliëntondersteuners, belangenorganisaties en onafhankelijke deskundigen,
of dat zij zich hierbij vooral baseert op informatie van gemeenten.
De leden van de PVV-fractie vragen daarnaast op welke wijze signalen van ouders, cliëntondersteuners
en belangenorganisaties zijn betrokken bij de beoordeling van de Minister dat gemeenten
niet strenger zijn geworden bij het toekennen van pgb-zorg. Kan de Minister toezeggen
hierover in overleg te treden met Per Saldo?
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister te bevestigen dat signalen van ouders
en cliëntondersteuners voor haar even zwaar moeten wegen als signalen van gemeenten,
juist omdat zij in de praktijk direct ervaren of gezinnen in de knel komen. Deze leden
vragen de Minister verder hoe in de praktijk wordt getoetst of gemeenten bij de beoordeling
van de zogenoemde eigen kracht daadwerkelijk zorgvuldig kijken naar de draagkracht
en draaglast van gezinnen en hoe wordt voorkomen dat ouders structureel overvraagd
worden.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister of zij bereid is nader te onderzoeken
of gemeenten de laatste jaren strenger zijn geworden bij het toekennen van pgb-zorg,
zodat niet alleen gemeenten zelf, maar juist ook ouders en cliëntondersteuners gehoord
worden.
Tot slot vragen deze leden of de Minister kan aangeven welke mogelijkheden ouders
hebben wanneer zij vinden dat hun gezin door een gemeente ten onrechte wordt overvraagd
of wanneer noodzakelijke zorg niet of onvoldoende wordt toegekend.
De leden van de PVV-fractie zien met belangstelling uit naar de beantwoording.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie maken graag van de mogelijkheid gebruik enige aanvullende
en verduidelijkende vragen te stellen naar aanleiding van de brief van de Minister
en het onderzoek door Pointer naar aanleiding van de position paper van Ieder(in)
«Toch (niet) te veel gevraagd?!».
De Minister stelt in de reactie op het onderzoek van Pointer, dat in de Jeugdwet is
opgenomen dat ouders zelf een rol hebben in deze zorg. De zogenoemde «eigen kracht».
Gemeenten kijken naar wat realistisch en haalbaar is voor het gezin. Dit principe
begrijpen en ondersteunen de leden van de CDA-fractie.
Hoeveel gemeenten werken er op dit moment met de modelverordening van de Vereniging
Nederlandse Gemeenten (VNG)? Klopt het dat deze verordening van VNG meer zorg dan
voorheen als normale zorg, die je normaliter aan je kind geeft, beschouwd? In hoeverre
wordt er rekening gehouden dat kinderen met een lichamelijke en/of verstandelijke
beperking meer zorg nodig hebben dan gebruikelijke zorg?
Gemeenten moeten na de aanvraag toetsen wat realistisch en haalbaar is voor het gezin
dat de aanvraag heeft gedaan. De Minister stelt in haar brief dat er gekeken moet
worden naar draagkracht en draaglast van het gezin. Betekent dat dit maatwerk voor
elk gezin voor elk kind anders uit kan werken? Is geregeld hoe een dergelijke toets
eruit moet zien?
Er is een noodzaak om inhoudelijke en deskundige medewerkers bij de toegang en in
de hulpverlening de zorg te laten toetsen. Is er voldoende deskundigheid over deze
groep kinderen bij de lokale teams? Zo nee, wat kan de Minister doen om deze deskundigheid
te bevorderen?
Hoe weegt de Minister het feit dat een aantal ouders (vaak moeders) die werken naast
de zorg voor hun kind met een beperking, dat opgeven omdat het persoonsgebonden budget
– de zorg – niet worden toegekend? Tenslotte vragen de leden van de CDA-fractie de
Minister of met de komst van de Reikwijdtewet deze groep kinderen voldoende in beeld
is en blijft. Is bekend hoe groot de groep kinderen is die van de Jeugdwet overgaan
naar de Wlz?
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie. Zij stellen
hierover de volgende vragen.
De leden van de SGP-fractie verbazen zich over de opmerking van de Minister dat zij
geen signalen heeft ontvangen dat gemeenten strenger zijn geworden in het toekennen
van pgb-zorg. Kan zij dit nader onderbouwen?
De leden van de SGP-fractie vragen de Minister om nader in gesprek te gaan met cliëntorganisaties
zoals Ieder(in) en Per Saldo over signalen die zij krijgen over het beperken van pgb-zorg.
De leden van de SGP-fractie vragen zich af hoe het kan dat de Minister er blijkbaar
niet mee bekend is dat ouders al jaren moeten vechten op passende ondersteuning te
krijgen via een pgb, en dat zodra de keuze voor het pgb wordt gemaakt gemeenten ineens
zeer terughoudend zijn om een toekenning af te geven. Kan zij dat toelichten?
De leden van de SGP-fractie herinneren de Minister aan afspraken in de Hervormingsagenda
Jeugd met betrekking tot de keuzevrijheid voor naturazorg en pgb voor jeugdigen met
een levenslange en levensbrede beperking. Hoe staat het met de uitvoering van deze
afspraken? Hoe rijmt de Minister dit met de signalen die worden ontvangen door cliëntorganisaties
dat kinderen geen pgb meer toegekend krijgen om passende ondersteuning te regelen?
De leden van de SGP-fractie vragen de Minister of zij bekend is met het onderzoek
naar de daling van pgb’s jeugdhulp uit 2020 (uitgevoerd door J.B. Lorenz Consultancy)
en de reactie van Per Saldo op het onderzoek? Is de Minister ermee bekend dat in de
eerste vijf jaar na de decentralisatie er een daling van het aantal jeugd pgb’s plaatsvond
van bijna vijftig procent? Wat vindt zij hiervan?
Heeft de Minister de indruk dat het aantal pgb’s jeugd en Wet maatschappelijke ondersteuning
(Wmo) sinds 2020 stabiel is gebleven, toegenomen is of juist gedaald? Kan zij dit
nader toelichten? Zo niet, dan vragen de leden van de SGP-fractie of de Minister bereid
is om aanvullend onderzoek te laten uitvoeren naar het aantal pgb’s Wmo en jeugd voor
de periode vanaf 2020 tot heden.
De leden van de SGP-fractie vragen of de Minister bekend is met de actuele modelverordening
van de VNG voor de Jeugdwet. Deze modelverordening wordt door veel gemeenten gebruikt
bij wijzigingen van de lokale verordeningen jeugd. In de modelverordening zijn significante
aanscherpingen opgenomen die extra drempels opwerpen voor het toekennen van zorg via
een persoonsgebonden budget. Is de Minister hiermee bekend en hoe kijkt zij hiernaar?
De leden van de SGP-fractie zien dat de Minister, net als in de modelverordening van
de VNG, nu gebruikmaakt van de termen «draagkracht en draaglast». Deze termen komen
niet terug in de Jeugdwet (en ook niet in de Wmo). In die wetten wordt gesproken over
«eigen kracht». Kan de Minister aangeven of er een verschil zit tussen «draagkracht
en draaglast» en «eigen kracht» of dat de Minister van mening is dat deze nieuwe term
inwisselbaar is voor de «oude» term «eigen kracht»?
Kan de Minister schetsen hoe gemeenten cliënten (inwoners) betrekken bij het opstellen
van beleid ten aanzien van pgb’s? Is zij van mening dat dit nu voldoende gebeurt zodat
perspectieven vanuit de dagelijks praktijk van gezinnen voldoende in het beleid en
regelgeving worden meegenomen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie
De leden van de ChristenUnie-fractie maken van de gelegenheid gebruik om vragen te
stellen over de kabinetsreactie op het bericht dat gemeenten steeds strenger worden
met het toekennen van pgb-budgetten.
De leden van de ChristenUnie-fractie maken zich er zorgen over of de Minister de ernst
van de situatie wel begrijpt. Ieder(in) waarschuwt dat ouders worden klemgezet. Ouders
moeten óf hun inkomen opgeven, óf de veiligheid en ontwikkeling van hun kind op het
spel zetten. De Minister schrijft dat ouders uiteraard niet in de knel moeten komen
en geeft aan geen signalen te ontvangen dat gemeenten strenger zijn geworden in het
toekennen van pgb-zorg. In het rapport van Ieder(in), waar de Minister ook naar verwijst,
staat echter dat de organisatie veel zorgwekkende signalen krijgt. Deze leden vragen
hoe het kan dat de Minister stelt geen signalen te hebben ontvangen. Beschouwt de
Minister het rapport wel als signaal? Staat de Minister ervoor open om signalen te
ontvangen en is de Minister bereid om actief op zoek te gaan naar deze signalen?
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in het rapport van Ieder(in) dat het langetermijnperspectief
centraal staat. Welke stappen gaat de Minister ondernemen om een goed langetermijnperspectief
voor ouders te garanderen?
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de brief dat de Minister het toetsen
van «eigen kracht» een goed uitgangspunt vindt. Deze leden zijn ook van mening dat
de eerste zorg voor kinderen bij het gezin ligt. Wanneer het echter niet meer realistisch
en haalbaar is voor een gezin om het hoofd boven water te houden, is het van belang
dat de maatschappij en overheid te hulp schieten. De leden van de ChristenUnie-fractie
zien dat gezinnen met kinderen met een levenslange en levensbrede beperking hulp behoeven,
en juichen het bestaan van het persoonsgebonden budget toe. Er zijn echter duidelijke
signalen dat het persoonsgebonden budget op deze wijze niet toereikend is. Ouders
luidden de noodklok, zo blijkt ook uit het rapport van Ieder(in). Kan de Minister
een beeld schetsen van de gevolgen van de toenemende druk op ouders, tegelijk met
vermindering van hulp en ondersteuning? Heeft de Minister zicht op de oorzaken voor
de ontwikkeling dat gemeenten steeds meer uitgaan van de eigen kracht van een gezin?
Zijn deze bijvoorbeeld financieel ingegeven, omdat er te weinig gemeentelijk budget
is, of is dit inhoudelijk gedreven?
De leden van de ChristenUnie-fractie zijn blij dat de regering het VN-verdrag Handicap
heeft ondertekend en dat in het coalitieakkoord staat dat deze wordt uitgevoerd. Deze
leden zien ook de aanbevelingen van het VN-comité, waaruit blijkt dat er nog veel
stappen moeten worden gezet om hier volledig aan te voldoen. Hoe rijmt de Minister
het strenger worden van de toekenning van het persoonsgebonden budget met de aanbeveling
van het VN-Comité? Welke verantwoordelijkheid ligt hier voor het Rijk?
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in de brief dat gemeenten aan zet zijn
om invulling te geven. Deze leden vragen de Minister wat voor haar hier de ondergrens
zou zijn. Welke kansen ziet de Minister om gemeenten te ondersteunen, of zijn er juist
punten om gemeenten op aan te spreken? In de eerste vijf jaar na de decentralisatie
is er bij de jeugd-pgb een daling geweest van bijna vijftig procent. Welke oorzaken
heeft dit volgens de Minister? Deze leden zien dat er wel een enorme toename is van
het aantal jeugdhulpaanvragen. Hoe sluiten deze gegevens op elkaar aan volgens de
Minister? Welke stappen gaat de Minister zetten om de jeugdhulpaanvragen zo goed mogelijk
te beantwoorden, en de jeugdhulpaanvragen te verminderen?
De leden van de ChristenUnie-fractie zien dat er aanpassingen nodig zijn om het persoonsgebonden
budget houdbaar te houden. Deze leden zijn dan ook blij in het coalitieakkoord te
lezen dat het doorgeslagen indicatiecircus wordt stopgezet. Hoe gaat de Minister hier
invulling aan geven, en welke kansen ziet de Minister om gemeentes hierbij te ondersteunen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie op bericht
dat gemeenten steeds strenger worden met het toekennen van pgb-budgetten. Zij hebben
hierover nog enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de SP-fractie lezen dat de Minister zegt geen signalen heeft ontvangen
«dat gemeenten strenger zijn geworden in het toekennen van pgb-zorg». Heeft de Minister
de berichtgeving van Pointer niet gelezen? Dat is toch overduidelijk een signaal dat
gemeenten strenger zijn geworden? Is zij bereid om zich beter te laten informeren
over wat hier speelt, door in gesprek te gaan met ouders, cliëntondersteuners en hun
vertegenwoordigers?
De leden van de SP-fractie herinneren de Minister eraan dat de Kamer in 2023 de motie-Futselaar/Dijk2 aannam, waarin werd uitgesproken «dat het uitvoeren van complexe medische handelingen,
zoals het geven van sondevoeding, stomazorg of het monitoren van beademing tijdens
de nacht, niet behoort tot normale ouderlijke zorg». Hoe verhoudt de praktijk die
blijkt uit het Pointer-onderzoek zich tot deze Kameruitspraak?
De leden van de SP-fractie benadrukken dat gezinnen niet in de knel mogen komen door
slecht beleid door gemeenten als het gaat om het toekennen van pgb’s. Wat gaat de
Minister doen om ervoor te zorgen dat ouders niet worden gedwongen om zware zorgtaken,
die niet vallen binnen de gebruikelijke ouderlijke zorg, gratis te verlenen aan hun
kinderen, waardoor zij onder zware druk komen te staan?
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactie op bericht
dat gemeenten steeds strenger worden met het toekennen van pgb-budgetten. Deze leden
hebben de volgende vragen aan de Minister.
Genoemde leden merken op dat in de kabinetsreactie op het bericht over strengere pgbtoekenning
wordt gesteld dat er geen signalen zijn dat gemeenten strenger zouden zijn geworden,
terwijl tegelijkertijd uit onderzoeken, mediaberichten en uitvoeringspraktijk blijkt
dat gezinnen regelmatig knelpunten ervaren, onder andere door een zware invulling
van het criterium «eigen kracht». Hoe verklaart de Minister deze discrepantie tussen
de signalen die ouders en belangenorganisaties melden en de constatering dat er geen
aanwijzing zou zijn voor strengere toekenning? Is de Minister bereid inzichtelijk
te maken hoe gemeenten de toets op eigen kracht uitvoeren en of deze toets daadwerkelijk
proportioneel wordt toegepast, ook in situaties van langdurige of levensbrede zorgbehoefte?
Kan de Minister bevestigen dat bij de beoordeling van draagkracht en draaglast niet
alleen gekeken moet worden naar theoretische zelfredzaamheid, maar ook naar de praktische
uitvoerbaarheid en belasting voor gezinnen?
Verder merken de leden van de BBB-fractie op dat budgethouders vaak in complexe werkgeversrollen
worden geplaatst, zelfs wanneer zij uitsluitend informele zorgverleners inzetten.
Zij vragen zich af waarom ondanks jarenlang aandringen vanuit budgethouders, professionals
en uitvoeringsinstanties vereenvoudiging van het pgbstelsel niet meer prioriteit krijgt.
Is de Minister bereid de administratieve lasten bij budgethouders substantieel te
verlagen door harmonisatie van regelgeving, het schrappen van dubbele verantwoordingsplichten
en het bevorderen van risicogericht toezicht? Op welke wijze wordt geborgd dat het
pgb-portaal daadwerkelijk leidt tot vermindering van administratieve druk en niet
tot digitalisering van bestaande complexiteit? Kan de Minister aangeven of mantelzorgers
structureel kunnen worden ondersteund via een vergoeding die hen uit de werkgeversrol
haalt, zodat zij zich kunnen richten op zorg in plaats van administratie?
Ook lezen de leden van de BBB-fractie dat het pgb regelmatig wordt ingezet als vangnet
wanneer passende zorg in natura ontbreekt. Deze leden constateren dat dit voor veel
budgethouders niet leidt tot keuzevrijheid, maar tot gedwongen administratieve lasten
zodat noodzakelijke zorg überhaupt geleverd kan worden. Hoe beoordeelt de Minister
signalen dat mensen een pgb krijgen omdat zorg in natura onvoldoende beschikbaar is,
terwijl dit niet de bedoeling van het instrument is? Hoe wordt voorkomen dat de tekorten
in wijkverpleging, jeugdzorg en Wmo-voorzieningen worden afgewenteld op budgethouders
die geen bewuste keuze voor het pgb hebben gemaakt? Is de Minister bereid inzichtelijk
te maken hoeveel pgb-aanvragen plaatsvinden wegens onvoldoende beschikbaarheid van
zorg in natura?
Daarnaast constateren de leden van de BBB-fractie dat in de stukken over de jeugdzorg
en langdurige zorg opnieuw duidelijk wordt dat gezinnen vaak meerdere jaren achtereen
moeten aantonen dat een levenslange beperking nog steeds aanwezig is. Deze leden vinden
dit disproportioneel en in strijd met de menselijke maat. Kan de Minister toelichten
waarom ouders en budgethouders nog altijd jaarlijks bewijs moeten leveren van aandoeningen
waarvan het permanente karakter evident is? Is de Minister bereid tot een stelselwijziging
waarbij langdurige, niet-veranderlijke beperkingen niet jaarlijks opnieuw hoeven te
worden aangetoond?
Voorts merken de leden van de BBB-fractie op dat vele signalen wijzen op toenemende
druk op professionals door gescheiden wettelijke kaders, hoge registratielast en gebrekkige
gegevensuitwisseling. Deze leden vragen hoe de Minister regie gaat nemen om hier daadwerkelijk
verbetering in te brengen, gelet op eerdere toezeggingen. Is de Minister bereid om,
in samenwerking met uitvoeringsorganisaties, gemeenten, zorgkantoren en beroepsgroepen,
te komen tot één samenhangende vereenvoudigingsagenda voor het pgb en verwante zorgwetten?
Hoe wordt geborgd dat professionals voldoende tijd en ruimte krijgen om maatwerk te
leveren zonder voortdurend geconfronteerd te worden met ingewikkelde procedureregels?
Ook zien de leden van de BBB-fractie dat de wachttijden in de ggz, wijkverpleging
en huisartsenzorg leiden tot verschuiving van zorgproblemen naar gezinnen. Zij constateren
dat, zolang wachttijden oplopen, pgb-aanvragen toenemen en gezinnen zwaardere taken
dragen, wat niet duurzaam is. Erkent de Minister dat oplopende wachttijden indirect
leiden tot een zwaardere druk op pgb-gebruik? Welke maatregelen neemt de Minister
om te voorkomen dat knelpunten in de reguliere zorg rechtstreeks worden afgewenteld
op burgers, al dan niet via het pgb?
Verder constateren de leden van de BBB-fractie dat uit meerdere stukken blijkt dat
het huidige stelsel tot verschillen tussen gemeenten en regio’s leidt, waardoor burgers
afhankelijk zijn van postcode in plaats van behoefte. Zij benadrukken dat gelijke
situaties tot gelijke uitkomsten moeten leiden. Is de Minister bereid om te werken
aan landelijke minimumnormen voor de uitvoering van pgb-procedures, zodat rechtsongelijkheid
tussen gemeenten wordt beperkt? Kan de Minister aangeven hoe gemeenten worden ondersteund
om hun beoordeling en uitvoering beter te uniformeren?
Tot slot constateren de leden van de BBB-fractie dat in veel documenten wordt gesproken
over «vertrouwen», «toegankelijkheid» en «menselijke maat», maar dat deze uitgangspunten
in de praktijk niet altijd worden ervaren. Hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat
deze uitgangspunten niet slechts beleidsmatige intenties blijven, maar concreet merkbaar
worden voor ouders, mantelzorgers, budgethouders en professionals? Is de Minister
bereid om een brede pilot te starten waarin pgb-procedures worden ingericht vanuit
het principe van maximale eenvoud en vertrouwen, met als doel succesvolle elementen
landelijk te implementeren?
Vragen en opmerkingen van de leden van Groep Markuszower
De leden van de Groep Markuszower hebben met verbazing kennisgenomen van de vrij summiere
kabinetsreactie op het bericht dat gemeenten steeds strenger worden met het toekennen
van pgb-budgetten en hebben daarover nog enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de Groep Markuszower vragen hoe het kan dat de Minister geen signalen
heeft ontvangen dat gemeenten strenger zijn geworden in het toekennen van pgb-zorg,
terwijl deze signalen er wel degelijk zijn, zo blijkt uit het Pointer artikel gebaseerd
op het rapport van Ieder(in). Hoe kan het dat deze signalen de Minister niet bereiken?
De Minister is niet op de hoogte dat gemeenten noodzakelijke ondersteuning vanuit
de Jeugdwet steeds vaker afwijzen onder het mom «eigen kracht». Uit het Pointer onderzoek
blijkt dat het tegendeel waar is. Vooral de groep ouders van een kind met een levenslange
beperking die intensieve zorg nodig heeft, komt in de knel. Is de Minister bereid
dit nader te onderzoeken? Zo nee, waarom niet?
Is de Minister bereid om contact op te nemen met de cliëntondersteuners en de ouders
uit het Ieder(in)-onderzoek? Zo nee, waarom niet?
Is de Minister het met de leden van de Groep Markuszower eens dat het strenger worden
met het toekennen van pgb-budgetten heel veel weg heeft van de meldingen van ouders
vanuit de Zorgverzekeringswet, waarin zorgverzekeraars ook onder het mom «eigen kracht»
bepalen dat ouders steeds meer zorgtaken zelf kunnen gaan uitvoeren en steeds strenger
worden in het toekennen van pgb-budgetten? Hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat
ouders die hun kind dagelijks intensieve zorg geven, niet gaan vastlopen door strengere
eisen onder het mom «eigen kracht»?
II. Reactie van de Minister
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
M. Heller, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.