Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 873 Wijziging van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek in verband met de implementatie van Richtlijn (EU) 2024/825 van het Europees Parlement en de Raad van 28 februari 2024 tot wijziging van de Richtlijnen 2005/29/EG en 2011/83/EU wat betreft het versterken van de positie van de consument voor de groene transitie door middel van betere informatie en door middel van bescherming tegen oneerlijke praktijken (PbEU 2024, L 825) (Implementatiewet richtlijn betere duurzaamheidsinformatie voor consumenten)
Nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 3 april 2026
1. Algemeen
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel
betreffende de Implementatiewet richtlijn betere duurzaamheidsinformatie voor consumenten.
Deze leden onderschrijven het belang van het beschermen van de gezondheid, veiligheid
en economische en juridische belangen van consumenten, evenals het belang van goede
en betrouwbare informatievoorziening. Tegelijkertijd hebben deze leden nog enkele
vragen en opmerkingen bij het voorliggende voorstel.
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van het voorliggende wetsvoorstel.
Deze leden hebben hierover nog een aantal vragen en opmerkingen.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en de nota van
wijziging en hebben daarover op dit moment geen verdere vragen.
De regering heeft met belangstelling kennisgenomen van het verslag van de vaste commissie
voor Economische Zaken van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Hieronder worden de
vragen beantwoord die gesteld zijn door de leden van de D66-, VVD- en CDA-fracties.
2. De richtlijn betere duurzaamheidsinformatie voor consumenten
De leden van de D66-fractie begrijpen dat dit wetsvoorstel de positie van de consument
moet versterken. Deze leden hebben hierbij de volgende vragen. Kan de regering concreet
maken hoe dit voorstel in de praktijk leidt tot betere keuzes en niet alleen tot meer
informatie? Hoe wordt geborgd dat betere informatie voor consumenten over levensduur,
updates en reparatie ook begrijpelijk en vergelijkbaar is, zodat consumenten er daadwerkelijk
op kunnen sturen? Deze leden vragen voorts hoe de informatieplichten volgens de regering
concreet bijdragen aan de transitie naar een circulaire economie en het langer gebruiken
van producten. Hoe wordt in de praktijk geborgd dat deze informatieplichten leiden
tot minder greenwashing en niet vooral tot juridisering en onzekerheid bij goedwillende
bedrijven?
De richtlijn betere duurzaamheidsinformatie voor consumenten (hierna: de richtlijn)
moet er hoofdzakelijk voor zorgen dat meer en betrouwbaardere informatie beschikbaar
komt over de duurzaamheidskenmerken van producten. Dit moet consumenten helpen aan
betrouwbaardere informatie over de duurzaamheidseigenschappen van producten en om
duurzame producten gemakkelijker te herkennen ten opzichte van producten die vervuilender
zijn, een kortere levensduur hebben of minder goed te repareren zijn.
Of consumenten aan de hand van meer en betrouwbaardere duurzaamheidsinformatie ook
daadwerkelijk een duurzamere aankoopbeslissing maken, kan pas worden vastgesteld na
de inwerkingtreding van de richtlijn.
De richtlijn is onderdeel van een groter pakket van de Europese Commissie met plannen
om producten duurzamer te maken. In dat pakket zitten ook regels voor Ecodesign1 (duurzaam ontwerp) die bepalen hoe producten ontworpen moeten worden zodat deze langer
meegaan. Eisen voor het makkelijker maken van reparatie kunnen hier ook onderdeel
van uitmaken2 Deze regels worden per soort product op Europees niveau vastgesteld. Kort gezegd:
als een producent informatie heeft over duurzaamheidskenmerken van een product, moet
hij deze doorgeven aan de verkoper. De verkoper moet op zijn beurt die informatie
duidelijk met de consument delen.
Voor verschillende soorten producten kunnen dus aparte ontwerpeisen gelden. Denk bijvoorbeeld
aan:
• hoe goed een product te repareren is
• hoeveel gerecycled materiaal erin zit
Als er voor een productgroep informatie-eisen vastgelegd worden (in een gedelegeerde
handeling) moet deze vereiste informatie openbaar en gemakkelijk toegankelijk worden
gemaakt. Dat kan bijvoorbeeld door de informatie op te nemen op een gratis toegankelijke
website of in een digitaal productpaspoort. Consumenten kunnen een digitaal productpaspoort,
bijvoorbeeld via een QR-code, raadplegen. Indien een producent een reparatiescore
of een reparatiehandleiding voor het product afgeeft, op vrijwillige basis of omdat
de kaderverordening Ecodesign dit verplicht, dan moet de verkoper deze informatie
delen met de consument. Het geharmoniseerde etiket moet het makkelijker maken om te
zien wanneer de producent een commerciële levensduurgarantie (fabrieksgarantie) voor
een product meer dan twee jaar aanbiedt, zonder extra kosten.
Meer en betrouwbaardere informatie kan ertoe leiden dat duurzame producten, die bijvoorbeeld
recyclebaar en repareerbaar zijn, sneller worden herkend door consumenten in vergelijking
met producten die dit niet zijn. In de effectbeoordeling die aan deze richtlijn ten
grondslag ligt, verwacht de Commissie een besparing te bewerkstelligen van 5 tot 7 Mt CO2 over een periode van 15 jaar.3
Hoewel het te vroeg is om te kunnen beoordelen wat de effecten precies zullen zijn
van dit wetsvoorstel, verwacht het kabinet dat greenwashing met de voorgestelde regels afneemt. Het wetsvoorstel bestempelt diverse praktijken
als misleidend en de ACM krijgt meer mogelijkheden om handhavend op te treden tegen
dit soort praktijken. Daarnaast helpt het wetsvoorstel goedwillende bedrijven om zich
beter te kunnen onderscheiden van hun concurrenten die ten onrechte beweren duurzaam
te zijn.
Sinds de vaststelling van de richtlijn in april 2024 hebben bedrijven de tijd gehad
om zich op de regels voor te bereiden en bovendien bieden de regels voldoende ruimte
aan bedrijven om duurzamer te ondernemen en zich hierop te onderscheiden. Het wetsvoorstel
vereist alleen dat dit gebeurt op basis van bewezen methodologieën en op basis van
verifieerbare en specifieke informatie.
3. Gevolgen voor het bedrijfsleven
De leden van de D66-fractie lezen dat de indicatieve totale regeldruk voor het Nederlandse
bedrijfsleven neerkomt op 45–67 miljoen euro per jaar, en 218–231 miljoen euro eenmalig.
Deze leden vragen of de regering kan toelichten hoe robuust deze schatting is en welke
aannames daarin het meest bepalend zijn. Kan de regering uitsplitsen welk deel van
deze regeldruk vooral bij mkb-bedrijven terechtkomt en welk deel bij grote ondernemingen?
Hoe weegt de regering deze regeldruk af tegen de verwachte voordelen voor consumentenbescherming
en een eerlijker speelveld?
De leden van de VVD-fractie vragen wat het verschil in regelgeving is voor keurmerken
in landen binnen de EU en voor keurmerken in landen buiten de EU die een belangrijke
handelspartner zijn. Is met dit wetsvoorstel geprobeerd aansluiting te zoeken met
regelgeving omtrent keurmerken in economisch opzicht belangrijke niet-EU-landen, om
het zo voor wereldwijd opererende bedrijven in Nederland gemakkelijker te maken? Zo
ja, op welke manier? Zo nee, ziet de regering daar ruimte toe?
Daarnaast vragen de leden van de VVD-fractie of bedrijven die niet in landen binnen
de EU zijn gevestigd, maar die wel goederen naar landen binnen de Europese interne
markt exporteren, ook aan deze regels voor keurmerken moeten voldoen. Zo ja, hoe zal
hierop worden gehandhaafd, specifiek in het geval van buitenlandse webshops?
De verwachte effecten voor de regeldruk zijn gebaseerd op de effectbeoordelingsrapportage
van de Commissie. De geschatte kosten betreffen een versimpeling van het complexe
economische landschap in de gehele EU.4 De leden van de D66-fractie verzoeken om uit te splitsen welk deel van de regeldruk
bij midden- en kleinbedrijven (mkb) terechtkomt en welk deel bij grote ondernemingen.
Bij de omzetting van de richtlijn is een inschatting gemaakt hoe de schattingen voor
de gehele EU vertaald kunnen worden naar de Nederlandse situatie. In deze vertaling
zit echter een onzekerheid omdat de bedrijven die te maken krijgen met deze regelgeving
sterk van elkaar verschillen. Daarbij komt dat niet elk bedrijf met elke informatieverplichting
te maken zal hebben. Door deze beperkingen kon enkel voor de kosten voor certificering
een uitsplitsing worden gemaakt voor het mkb ten opzichte van grote bedrijven.5
Het is belangrijk om op te merken dat bedrijven niet verplicht zijn om duurzaamheidsclaims
te doen. De kosten voor het onderbouwen van dergelijke claims (of van keurmerken)
zijn afhankelijk van de technische complexiteit van de claim. Over het verschaffen
van informatie over de levensduur van producten staat in de richtlijn, mede op aandringen
van het kabinet, dat (mkb-)handelaren hier niet actief naar op zoek hoeven te gaan.
Naar verwachting wordt de informatievoorziening ook bevorderd met de introductie van
het Digitale Productpaspoort, waarin producenten informatie over o.a. de levensduur
van producten opnemen.
Wereldwijd opererende bedrijven kunnen een product met een keurmerk op de Nederlandse
markt brengen, zo lang deze onafhankelijk is gecertificeerd. De richtlijn maakt geen
onderscheid tussen Europese en niet-Europese keurmerken. Wanneer een keurmerk wordt
getoond bij een product, dienst, of bedrijf dan moet dit voldoen aan de eisen die
de richtlijn stelt op het gebied van certificering.6 De belangrijkste eis is dat het keurmerk gecertificeerd moet zijn door een bekwame
en onafhankelijke derde partij. Dit moet worden aangetoond aan de hand van internationale,
Unie- of nationale normen (zoals ISO 17065).7 Dit geldt dus ook voor bedrijven die producten van buiten de EU op de interne markt
brengen. Er worden geen inhoudelijke eisen opgelegd waar keurmerken aan moeten voldoen,
bijvoorbeeld de eis dat bij de productie van artikel x slechts een bepaalde hoeveelheid
water mag worden gebruikt.
Wat betreft het toezicht op buiten de Unie gevestigde webshops die producten met keurmerken
aanbieden geldt dat het voor toezichthouders in de praktijk lastig is om deze actoren
aan te spreken op overtredingen van wet- en regelgeving. Vaak hebben deze partijen
geen vertegenwoordiging in de EU, ook al zijn zij hiertoe wel verplicht op basis van
Europese productveiligheidswetgeving. De ACM werkt samen met Europese consumententoezichthouders
binnen het Consumer Protection Cooperation netwerk om niet-Europese webshops aan te
spreken op hun verantwoordelijkheden die volgen uit het consumentenrecht.8
4. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid
De leden van de D66-fractie lezen dat de Autoriteit Consument & Markt (ACM) concludeert
dat het wetsvoorstel grotendeels handhaafbaar en uitvoerbaar is, maar ook aandachtspunten
noemt. Daarom vragen deze leden of de regering per belangrijk aandachtspunt kan aangeven
hoe zij verwacht dat dit in de praktijk wordt opgelost. Welke extra capaciteit, expertise
of middelen zijn bij de ACM nodig om deze nieuwe taken goed uit te voeren, en zijn
die structureel geborgd?
Garantie
Het eerste aandachtspunt dat de ACM benoemt in haar uitvoerings- en handhaafbaarheidstoets
(hierna: UHT) ziet op de bepalingen die raken aan garantie. Dit zijn de introductie
van een Europees etiket met informatie over commerciële levensduurgarantie (ook wel
fabrieks- of producentengarantie genoemd) en die van een Europese mededeling (ook
wel geharmoniseerde kennisgeving genoemd), waarmee handelaren consumenten moeten wijzen
op hun rechten met betrekking tot conformiteit (wettelijke garantie).
ACM wijst op het risico dat deze informatie mogelijk verwarrend kan zijn voor consumenten
omdat het etiket en de kennisgeving uitgaan van twee jaar garantie. Dit is de termijn
die het meest wordt toegepast door lidstaten, maar dit is niet het geval in Nederland
waar een open garantietermijn wordt gehanteerd. Om die reden geldt, op aandringen
van Nederland tijdens de onderhandelingen, dat op het etiket wordt vermeld dat consumenten
naast de commerciële levensduurgarantie ook recht hebben op de wettelijke garantie
en, in het geval van de geharmoniseerde kennisgeving, deze garantie kan afwijken van
de termijn van twee jaar.
Het etiket is inmiddels zo vormgegeven dat dit consumenten informeert over de voorwaarden
die in elke individuele lidstaat van toepassing zijn.9 Ook de geharmoniseerde kennisgeving benadrukt dat er minimaal twee jaar wettelijke
garantie is, maar dat sommige lidstaten een langere periode hanteren. Consumenten
kunnen een code scannen die op de kennisgeving staat die hen hier meer informatie
over verschaft.10
Generieke claims
Het tweede aandachtspunt ziet op het gebruik van generieke claims. De ACM verzoekt
om meer voorbeelden van generieke claims die in strijd zijn met de richtlijn en vraagt
om verduidelijking van het gebruik van visuele claims, zoals het tonen van een groen
blaadje of van de aardbol. De richtlijn noemt een aantal voorbeelden van generieke
claims die als misleidend worden beschouwd die ook zijn overgenomen in de memorie
van toelichting. Dit betreft een niet-uitputtende lijst van voorbeelden.
Ten aanzien van het gebruik van visuele elementen (bv. van groene blaadjes of een
aardbol) moeten bedrijven zich er bewust van zijn dat consumenten dit kunnen interpreteren
als een impliciete duurzaamheidsclaim. De Commissie heeft toegelicht dat het gebruik
van dit soort afbeeldingen, afhankelijk van de context en presentatie, onder de reikwijdte
van de bepalingen over het gebruik van generieke claims en keurmerken kunnen vallen.11
Veroudering van producten
Het derde aandachtspunt gaat over de regels tegen producten die expres sneller stuk
gaan (geplande veroudering). De ACM maakt zicht zorgen dat niet kan worden aangetoond
dat er sprake is van geplande veroudering. Ter verduidelijking is toegevoegd aan de
memorie van toelichting, dat als blijkt dat een product een kenmerk bevat dat ervoor
zorgt dat het product minder lang meegaat, ervan wordt uitgegaan dat de producent
hier doorgaans van op de hoogte is. En dus ook weet wat hoe de levensduur van het
product door dat kenmerk wordt beïnvloed. Handelaren die niet de producenten van de
goederen zijn, zoals verkopers, vallen ook onder dat verbod als zij over betrouwbare
informatie over het kenmerk en de gevolgen ervan voor de levensduur van het product
beschikken.12
Beoordeling misleidende claims
Het vierde en laatste aandachtspunt van de ACM ziet op de beoordeling van misleidende
claims met betrekking tot toekomstige milieuprestaties. Hierbij merkt de ACM op dat
zij niet de sectorspecifieke kennis in huis heeft om dergelijke claims te controleren.
In de UHT geeft de ACM aan ongeveer drie van dit soort milieuclaims per jaar te willen
beoordelen. De geschatte kosten hiervoor liggen tussen de 75.000 en 90.000 euro per
jaar. De ACM kan niet met zekerheid inschatten of een dergelijk budget ook daadwerkelijk
jaarlijks benut wordt. De ACM merkt daarbij op dat zij op dit moment het toezicht
kan uitvoeren onder voorwaarde dat zij de toezegging krijgt dat eventueel gemaakte
kosten voor dit toezicht jaarlijks voor het lopende jaar gedekt zullen worden.13
Het kabinet kan geen toezegging doen voor extra financiering voor het toezicht op
voorgenoemde bepaling. Het kabinet hecht eraan dat, alvorens hier een definitief besluit
over kan worden genomen, er meer bekend moet zijn over effecten van de richtlijn en
welke veranderingen dit teweegbrengt in de markt. Specifiek moet bekend zijn wat de
nieuwe regels betekenen voor de wijze waarop bedrijven claims doen over toekomstige
milieuprestaties en hoe zij die al dan niet onderbouwen.
5. Advies en consultatie
De leden van de VVD-fractie lezen dat bij het implementatiewetsvoorstel geen internetconsultatie
heeft plaatsgevonden, omdat volgens de toelichting de richtlijn maximumharmonisatie
betreft en er geen afwijkingsmogelijkheden of keuzeopties voor de lidstaten zijn.
Kan hieruit worden opgemaakt dat deze richtlijn in alle andere EU-lidstaten hetzelfde
wordt geïmplementeerd? Zo ja, wat is dan het verschil met een verordening? Betekent
deze geharmoniseerde implementatie voor keurmerken volgens de regering dan ook dat
het voor Nederlandse bedrijven gemakkelijker wordt om in andere EU-landen zaken te
doen?
De leden van de VVD-fractie lezen daarnaast dat belanghebbenden via een informatiebijeenkomst
zullen worden geïnformeerd over de werking van de nieuwe regels die per 27 september
2026 van toepassing worden. Hoe worden ondernemers in den brede meegenomen in deze
nieuwe regelgeving waar zij aan zullen moeten voldoen? In de toelichting lezen deze
leden bijvoorbeeld ook dat de geharmoniseerde kennisgeving op een in het oog springende
wijze moet worden aangebracht, bijvoorbeeld op een opvallende poster aan een wand
in de winkel, naast de kassa of, in het geval van onlineverkoop, als algemene vermelding
op de website van de desbetreffende handelaar. De leden van de VVD-fractie kunnen
zich voorstellen dat niet alle ondernemers hier te allen tijde van op de hoogte zijn.
De leden van de VVD-fractie vragen of de richtlijn in alle andere EU-lidstaten op
dezelfde wijze wordt geïmplementeerd. De richtlijn gaat uit van maximumharmonisatie.
Dat betekent dat de materiële normen uit de richtlijn in elke lidstaat hetzelfde zijn
en lidstaten geen strengere of minder strenge normen kunnen hanteren in hun nationale
wetgeving. Het verschil tussen een richtlijn die uitgaat van maximumharmonisatie en
een verordening is dat laatstgenoemde niet hoeft te worden omgezet in nationale wetgeving
en rechtstreekse werking heeft. Een richtlijn geeft lidstaten de mogelijkheid om de
normen in te bedden in hun nationale stelsels. De volledige harmonisatie van deze
richtlijn waarborgt dat lidstaten niet verder of minder ver gaan in de toepassing
van de nieuwe regels. Specifiek voor duurzaamheidskeurmerken betekent dat het in alle
lidstaten verboden wordt een duurzaamheidskenmerk aan te bieden die niet is gebaseerd
op een certificeringsregeling. Dit biedt meer juridische zekerheid voor handelaren
die in meerdere EU-lidstaten actief zijn. Door ervoor te zorgen dat de normen voor
duurzaamheidsclaims in alle lidstaten hetzelfde zijn, ontstaat een gelijk speelveld
voor handelaren.
De VVD-fractie vragen ten slotte hoe ondernemers worden meegenomen in aanloop naar
de nieuwe regelgeving. Het kabinet heeft in voorbereiding op en tijdens de onderhandelingen
over de richtlijn diverse bedrijven geconsulteerd tijdens bijeenkomsten en bilaterale
gesprekken. Na vaststelling van de richtlijn is er via de Rijksoverheid een nieuwsbericht
gepubliceerd14 en ook de ACM verwijst op haar webpagina naar de richtlijn, bijvoorbeeld naar aanleiding
van handhavingsacties15 Het Ondernemersplein bevat momenteel al informatie over regels op het gebied van
duurzaamheidsclaims.16 Die informatie wordt geactualiseerd ten tijde van de inwerkingtreding van het wetsvoorstel.
Daarbij zal ook aandacht worden besteed aan de geharmoniseerde kennisgeving over wettelijke
garantie.
Ondertekenaars
H.G. Herbert, minister van Economische Zaken en Klimaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.